CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

reactienota planMER Windbeleid

gemeenteraad 1 december 2025, gemeente VoorstBij agendapunt: Regionaal Programma Energievoorziening (RPE)49.850 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

30 alinea's met “lokaal”: 23 24 38 39 44 77 79 82 105 155 163 172 181 229 231 238 270 349 358 360 362 383 530 646 731 798 805 819 827 879

186

Indiener:

NN

Samenvatting

Pagina 76 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

1. Indiener geeft aan dat huidig MER te beperkt is, vooral met betrekking tot zoekgebied FV05, dat ecologische verbindingsroutes verbindt tussen de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug. Hoge windturbines zouden de vrije beweging van wild in deze gebieden verstoren. De indiener benoemt alternatieve vormen van windenergie die niet in de MER zijn opgenomen, zoals windwokkels en kleine windturbines om windenergie op te wekken. Daarnaast wordt gepleit voor ecologische onderbouwing met name met betrekking tot beschermde diersoorten. De indiener concludeert dat de MER onvoldoende onderbouwd is om FV05 als zoekgebied aan te wijzen en onvoldoende voorzienend is om te voorzien in een behoefte voor middellange- en lange termijn. De indiener stelt dat in het planMER milieueffecten bij calamiteiten onderbelicht zijn. Voorbeelden zijn het op hol slaan van een windturbine, batterijbranden, calamiteiten bij waterstofopslag. Daarnaast is er geen aandacht besteedt aan het vrijkomen van PFAS uit batterijen en milieueffecten bij energiebuffering in batterijen en waterstof. Antwoord De Regionale Aanvulling beschrijft enkel de milieueffecten van windenergie in de zoekgebieden zodanig dat de zoekgebieden met elkaar kunnen worden vergeleken. Overheden kunnen deze informatie betrekken bij later te maken afwegingen.

Dit betekent dat de PlanMER geen specifieke en definitieve windenergielocaties of keuzes voor plekken beschrijft. Andere ontwikkelingen zoals ‘cyclone wind turbines’ en kleine windturbines zijn niet meegenomen omdat het onderzoek zich richt op grootschalige windenergie productie door middel van bewezen technieken. De genoemde technieken vallen buiten scope van de RES'en en zijn daarom niet meegenomen in het onderzoek. Vanuit wetgeving rondom veiligheid wordt de veiligheid bij een calamiteit als wiekbreuk of het omvallen van een turbine gewaarborgd. Het planMER gaat niet in op de opslag van energie zoals batterijen en waterstof. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.

Zienswijze 187 Reactienummer:

187

Indiener:

NN

Samenvatting Zie reactienummer 185 in dit hoofdstuk. Antwoord Zie reactienummer 185 in dit hoofdstuk.

Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 190 Reactienummer:

190

Indiener:

Stichting Behoud en Beheer Landgoed Foezelaoerend

Samenvatting Zie reactienummer 140 in dit hoofdstuk.

Pagina 77 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

Antwoord Zie reactienummer 140 in dit hoofdstuk. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 197 Reactienummer:

197

Indiener:

NN

Samenvatting Zie reactienummer 185 in dit hoofdstuk. Antwoord Zie reactienummer 185 in dit hoofdstuk. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 199 Reactienummer:

199

Indiener:

Vereniging Kadijk Buurtbelang

Samenvatting 1. De indiener stelt dat de documenten (ontwerp planMER en de regionale aanvulling) zeer eenzijdig zijn opgesteld, onvolledig zijn en een gekleurd beeld geven van de werkelijke gevolgen die het plaatsen van windturbines met zich meebrengt. 2. De indiener stelt dat er buiten de opwekking van energie weinig tot niets duurzaam of milieuvriendelijks aan windenergie is. 3. De indiener stelt dat windturbines niet moeten worden geplaatst op land omdat windturbines grote gezondheidsschade, een ecologische en planologische ramp, economische schade, grote maatschappelijke onrust en waardevermindering van onroerend goed met zich meebrengen. 4. De indiener verzoekt de provincie gebied S3H7 te schrappen als zoekgebied. 5. De indiener stelt dat de informatie voor de effectbeoordeling van vogelgevoeligheid niet volledig is. De indiener verzoekt de provincie om het volgende ook mee te nemen in de planMER 1. overige vogelsoorten en vleermuizen die in het gebied verblijven en doorheen trekken; 2. effecten op aanvliegroutes naar weidevogelgebieden, en wijst hierbij naar het belang van zoekgebied S3H7 als belangrijk doorkruisings-, foerageer- en leefgebied; 3. lange termijn afname van vogelpopulaties door windturbines; 6.

De indiener wijst de provincie op de relatie tussen windturbines en vleermuisdoden en stelt dat een ingreep in de besturing van windturbines bij kan dragen aan een reductie van het aantal ongevallen. 7. De indiener stelt dat windturbines in grote mate bijdragen aan de afname van vliegend insectenbiomassa. 8. De indiener stelt dat de komst van windmolens in landbouwgebieden een probleem vormt voor regeneratieve landbouwbenadering op zowel ecologisch (verlies biodiversiteit, impact op bodem en water) als economisch vlak. 9. De indiener stelt dat er onaanvaardbare lage afstandsnormen zijn gehanteerd van 1x de turbinehoogte tot vrijstaande woningen. 10. De indiener stelt dat een toename van geluid in gebied S3H7 extra storend is omdat er verder geen omgevingslawaai voorkomt.

Pagina 78 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

11. De indiener stelt dat er in andere landen uit voorzorg de bouw van windturbines op land op verschillende plekken is gestopt of dat er gebruik wordt gemaakt van veel grotere afstandsnormen. 12. De indiener stelt dat de provincie op basis van de SMB richtlijn verplicht is om een onderzoek in te stellen naar gezondheidsschade die de windturbines met zich meebrengen op het moment dat er een plan of programma is. 13. De indiener stelt dat de uitgangspunten niet deugen doordat gezondheidsgevolgen voor recreanten niet zijn meegenomen. De indiener noemt gezondheidsgevolgen anders dan het omvallen van de turbine of het verlies van een rotorblad. 14. De indiener stelt dat lekstroom van windturbines gevolgen heeft op dieren, waaronder melkproductie van koeien en invloed op de stemming van honden. 15. De indiener stelt dat bij slijtage van turbinebladen schadelijke stoffen vrijkomen, zoals BPA. De indiener stelt dat dit sterk negatieve invloed heeft op waterkwaliteit en daarmee gezondheid voor mens, dier, en gewassen. 16. De indiener stelt dat het plaatsen van windturbines bijdraagt aan luchtvervuiling door het vrijkomen van microplastics. 17. De indiener stelt dat voor gebied S3H7 de aangehaalde archeologische verwachtingswaarde ‘0’ onjuist is, gezien er in het omgevingsplan van Gemeente Voorst het gebied een gebiedsaanduiding archeologie heeft. 18.

De indiener stelt dat het plaatsen van windturbines haaks op het behoud van de ruimtelijke uitgangspunten staat die door de gemeenteraad zijn opgesteld; 19. De indiener stelt dat de opdracht tot het opstellen van een rapport waarmee geen enkele rekening is gehouden met de standpunten van de gemeenteraad en de wensen van de burgers over democratische besluitvorming walst; 20. De indiener stelt dat het uitgangspunt dat gebied S3H7 grotendeels is gelegen binnen rationele en open landschappen onjuist is. De indiener stelt dat het gebied juist zeer divers is en er sprake is van kleine organische en natuurlijke landschappen en er gesproken kan worden van een recreatielandschap. 21. De indiener stelt dat ten onrechte solitaire gemeentelijke en rijksmonumenten niet zijn opgenomen in het planMER en stelt dat deze minimaal eenzelfde bescherming als beschermde stads- en dorpsgezichten horen te genieten. 22. De indiener stelt dat er onvoldoende rekening is gehouden met en onderzoek is gedaan naar molenbiotopen, waaronder de Terwoldse molen. 23. De indiener stelt dat het rapport onterecht uitgaat van alleen het meenemen van de bebouwing voor het bepalen van de cultuurhistorische waarde en stelt dat deze waarde ook aan het landschap toegekend dient te worden. 24.

De indiener wijst op de hoge cultuurhistorische waarde van Polder Nijbroek, één van de oudste polders van Nederland en wijst naar de waarde die er in het omgevingsplan aan dit landschap wordt toegekend; 25. De indiener wijst op de hoge cultuurhistorische en ecologische waarde van de volgende entiteiten in het landschap 1. Landgoed Erven Boot met De Meintjes en de Doevendans; 2. Boerdambosje 3. Fietsknooppuntenroutes en klompenpaden 4. Polder Terwolde - Overbroek 26. De indiener stelt dat het aanwezige onderstation in het gebied onvoldoende capaciteit heeft om extra stroom van nieuwe turbines op te vangen en verzoekt de provincie rekening te houden met een afstand tot een onderstation waar de extra stroom opgevangen kan worden; 27. De indiener verzoekt de provincie om een ruimere verkenning te doen naar andere energiemogelijkheden op lokaal niveau, zoals smart grids en de inzet van waterstof. 28. De indiener stelt dat kernenergie een vele malen kleinere ecologische footprint heeft dan windturbines en zonnepanelen. 29. De indiener stelt dat offshore windturbines significant hogere opbrengsten bieden dan onshore windmolens en daarnaast minder milieu-impact heeft en grotere lokale acceptatie. 30. De indiener stelt voor om voor zoekgebied S3H7 gebruik te maken van de door de indiener opgesteld eigen effectbeoordeling. Antwoord 1.

Provincie Gelderland herkent zich niet in deze stelling. Het onderzoek is opgesteld op basis van objectieve informatie, de laatste wetenschappelijke inzichten en getoetst door de onafhankelijke commissie voor de milieueffectrapportage. Deze onafhankelijkheid blijkt uit het feit dat de commissie niet alleen waardering uitspreekt voor de hoeveelheid en kwaliteit van de milieu-informatie, maar ook op enkele punten adviseert het planMER aan te vullen voordat besluiten worden genomen. Pagina 79 van 198

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

2. Provincie Gelderland is het met de indiener eens dat de opwekking van hernieuwbare energie door zon en wind duurzaam en milieuvriendelijk is zoals ook blijkt uit de doelen die geformuleerd zijn in het klimaatakkoord en de RES-en. Tegelijkertijd onderkent de provincie ook dat er ondanks de bijdrage aan duurzaamheid, milieu een leefomgeving relevante (lokale) milieueffecten optreden. Hoofdstuk 11 gaat uitgebreid in op zowel de overwegend positieve mondiale/generieke effecten en de overwegend negatieve ruimtelijke, locatiegebonden effecten. 3. Het planMER gaat uit van de afspraken uit het klimaatakkoord en de RES-doelstellingen voor Gelderland. Daarbij geldt een doelstelling voor wind op land. Zie ook antwoord 2. 4. Gebied S3H7 wordt niet geschrapt in het kader van dit planMER. Het planMER onderzoekt mogelijke gebieden. Het vastleggen of niet selecteren van zoekgebieden waaronder gebied S3H7 vindt plaats in besluiten van de RESpartners, niet in het planMER. 5. De door de indiener benoemde informatie is relevant voor en op een relatief hoog abstractieniveau in het planMER in kaart gebracht. Daarmee is er voldoende milieu-informatie beschikbaar voor een locatiekeuze tussen gebieden in de RES-regio. Bij de uitwerking van een concreet windpark wordt de gevraagde informatie aangevuld indien nodig. Vaak zal dit het geval zijn. 6.

Deze effecten en ook mitigerende maatregelen als een stilstandsvoorziening zijn bekend en worden waar nodig in concrete projecten toegepast. Deze provinciale milieubeoordeling heeft een abstractieniveau waarin niet is ingegaan in deze concrete projecten en eventuele mitigerende maatregelen die hiervoor kunnen worden overwogen. 7. Voor deze stelling is onvoldoende wetenschappelijk bewijs. De afname van de insectenpopulaties lijkt door een veelheid van factoren bepaald te worden, waarbij onder meer de landbouw en klimaatverandering belangrijke drijvers lijken. 8. Zie antwoord 7. 9. Het planMER hanteert of bepaalt geen afstandsnorm, maar onderzoekt effecten. In hoofdstuk 5.3 wordt uitgebreid ingegaan op de effecten van geluid van windturbines bij verschillende afstanden en de relatie tot voormalige normen, mogelijk nieuwe normen en advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. 10. Deze overweging kunnen de RES-partners betrekken bij de besluitvorming over het betreffende gebied. Zie ook hoofdstuk 5.9.1. 11. Zie antwoord 9. 12. Dit planMER geeft invulling aan de verplichtingen uit de SMB-richtlijn. 13. Een recreant verblijft niet langdurig of structureel nabij een windturbine of heeft de keuze om dat niet te doen. Dat is anders dan bijvoorbeeld bewoners. Daarom zijn de eventuele effecten ook minder ingrijpend.

Dat is ook de reden dat er geen apart beschermingsregime voor recreanten is vanuit andere geluidbronnen als wegverkeer. 14. Zwerfstroom is een elektrische stroom die het gangbare stroomcircuit verlaat en gaat zwerven. Geleidende materialen kunnen hierdoor onder lichte stroom komen te staan. Als een mens of dier in contact komt met zo'n geleider die onder stroom staat, volgt de stroom op data moment de weg van de minste weerstand naar de grond, en kan een mens of dier een lichte schok voelen. Dit is het gevolg van een elektrische fout, bijvoorbeeld als de isolatie van een kabel kapot is. Als de aarding van een windmolen niet goed is, zou stroom in de grond terecht kunnen komen en bijvoorbeeld via een waterleiding in een stal opduiken. Er is alleen geen wetenschappelijk bewijs dat windmolens zwerfstromen veroorzaken. Mogelijk zijn er foutstromen door blikseminslag of kapotte kabels, maar dat is niet anders bij windmolens dan bijvoorbeeld bij spoorwegen of het distributienet. 15. Uit diverse onderzoeken komt naar voren dat de emissies van microplastic en Bisfenol A uit windmolens marginaal zijn ten opzichte van emissies uit andere bronnen als verkeer, industrie en landbouw. In de lucht gedragen deze stoffen zich als fijnstof, en worden diffuus verspreid over de provincie.

De geringe uitstoot zorgt naar verwachting niet voor een meetbare lokale verhoging in concentraties rond windmolens. Hieruit volgt dat er geen meetbare effecten zijn op bodem- en watersysteem. 16. Zie antwoord 15. 17. De beoordeling neutraal (0) voor archeologie geeft aan dat er naar verwachting niet of nauwelijks effect optreedt bij archeologische (verwachtings)waarden op basis van de gehanteerde provinciale bronnen. Op p. 99 van het hoofdrapport wordt gesteld dat er eventueel wel verwachtingswaarden kunnen zijn op basis van gemeentelijke informatie. Deze situatie doet zich hiervoor en zal vragen om nader onderzoek bij eventuele uitwerking van een project in dit gebied. Voor de locatiekeuze is de informatie afdoende. 18. Dit planMER houdt rekening met nationaal en provinciaal beleid. Bij de besluitvorming over de RES-en kunnen gemeenten hun beleidsstandpunt inbrengen. Het planMER gaat overigens in op de effecten die kunnen optreden door plaatsing van windturbines in het landschap. 19. RES-regio’s (waartoe de gemeenten behoren) zijn door de provincie Gelderland betrokken vanuit een Pagina 80 van 198

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

adviserende rol bij de totstandkoming van dit planMER. 20. In het planMER is gebruik gemaakt van een landschapstypologie die passend is bij het abstractieniveau van provincie Gelderland. Uiteraard is een typologie altijd een versimpeling. Het planMER gaat niet in op nuances van elk van de specifieke gebieden omdat hoort bij de nadere uitwerking en besluitvorming binnen RES- regio’s. 21. Rijksmonumenten (en hun contouren) zijn betrokken bij de effectbeoordeling. Gemeentelijke monumenten niet. Zie hiervoor tabel 5.12 uit het hoofdrapport. 22. Molenbiotopen zijn betrokken in de effectbeoordeling. Zie hiervoor tabel 5.12 uit het hoofdrapport. 23. Ook andere cultuurhistorisch waardevolle landschappen, gebieden en structuren zijn betrokken in de

effectbeoordeling. Zie hiervoor tabel 5.12 uit het hoofdrapport. 24. De specifieke waarde van de polder Nijbroek is niet onderzocht in het planMER. Zie ook antwoord 20. 25. Zie antwoorden 20 en 24. 26. In het onderzoeksrapport netinpassing is rekening gehouden met de beperkingen gelden vanuit netinpassing en de verschillen tussen wind en zon. 27. Andere oplossingsrichtingen dan wind- en zonne-energie vallen buiten de scope van dit planMER. Het onderzoek is gericht op de mogelijkheden voor grootschalig zon en wind, en warmte, op land. Dit is in lijn met hetgeen waar het provinciale Windbeleid en de RES’sen op zien. Onderzocht wordt wat de effecten zijn van eventuele initiatieven voor wind, zon en warmte. Daarmee wordt geen uitspraak gedaan over de wenselijkheid van deze oplossingen, of alternatieven daarvoor. Ook andere oplossingsrichtingen en innovaties kunnen bijdragen aan de ambities. Deze technieken worden mogelijk in andere trajecten onderzocht. Daarnaast is wind op land noodzakelijk in het behalen van de doelstellingen voor duurzame energieopwek in 2030. Alleen windenergie op zee is zeker niet voldoende en is het transport vanuit zee naar land een enorme maatschappelijke kostenpost. We streven ernaar om uiteindelijk als land onafhankelijker te worden in onze energievoorziening. 28. Zie antwoord 27. 29. Zie antwoord 27. 30.

Het zoekgebied S3H7 is in de Regionale Aanvulling objectief beoordeeld om te kunnen vergelijken met andere zoekgebieden. Uw voorstel wordt niet meegenomen. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 201 Reactienummer:

201

Indiener:

NN

Samenvatting Zie reactienummer 185 in dit hoofdstuk. Antwoord Zie reactienummer 185 in dit hoofdstuk.

Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 202 Reactienummer:

202

Indiener:

NN

Samenvatting Pagina 81 van 198

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

1. De indiener maakt zich zorgen over de voorgestelde afstand van windturbines tot woningen van 435 meter. Dit als uitgangspunt meenemen is onvoldoende om nadelige effecten te beperken. In veel studies wordt een minimale afstand van ten minste 1.000 meter geadviseerd om de gezondheid van omwonenden te beschermen. 2. De indiener verzoekt de Gedeputeerde Staten om te heroverwegen of de 47 dB norm voldoende bescherming biedt voor omwonenden en het milieu. Voor samenvatting van vragen over de regionale aanvulling zie samenvatting in hoofdstuk 6, reactienummer 204. Antwoord 1. Op dit moment zijn er geen geldende landelijke geluidsnormen. Het is aan lokale bestuurders om per initiatief te beoordelen wat een acceptabel geluidsniveau is. Het planMER reikt hiervoor de informatie aan. Diverse geluidsniveaus zijn onderzocht, en er is beschreven welke hinder hierbij verwacht kan worden. Een geluidsniveau van 47 dB, corresponderend met een afstand van 435 meter als geen mitigatie wordt toegepast, zien we hiervoor als minimum omdat het niet aannemelijk is dat er een hogere grenswaarde wordt overwogen. Het is aan de RES-partners om dit mee te wegen in hun RES-proces. 2. Zie antwoord 1.

Voor beantwoording van vragen over de regionale aanvulling zie beantwoording in hoofdstuk 6, reactienummer 204.

Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 205 Reactienummer:

205

Indiener:

Stichting Bewonersplatform Windpark Midden-Betuwe

Samenvatting 1. De indiener stelt dat de gehanteerde referentiewaarden in het beste geval niet meer dan een ruwe schatting vormen van de werkelijke geluidsproductie en dat de gebruikte methode derhalve niet representatief kan zijn voor de planMER. 2. De indiener stelt dat ISO-9613-2 is ontwikkeld voor berekeningen tot maximaal 30 meter hoogte, binnen een afstand van 1000 meter, en uitsluitend bij matige tot harde wind. De indiener vraagt of de provincie zich op de hoogte is van de tekortkomingen van dit akoestische meet- en rekenmodel. 3. De indiener stelt dat de gehanteerde geluidsnorm geen bescherming biedt aan omwonenden. 4. De indiener stelt dat de maximale geluidswaarde van 47 dB Lden is vastgesteld op basis van een ambtelijke procedure met betrokkenheid van Siemens en andere stakeholders uit de windindustrie. Deze geluidsnorm is niet langer geldig, zoals blijkt uit de tussenuitspraak van de Raad van State van 30 juni 2021. De indiener bestempelt dit als een vooringenomen houden vanuit overheid richting burgers. De indiener stelt dat de geluidnorm van 47 dB geen adequate bescherming biedt tegen ernstige en mogelijk ziekmakende geluidshinder voor omwonenden. De indiener verzoekt de berekeningen opnieuw uit te voeren wanneer er een nieuwe geluidnorm bekend is. 5.

De indiener stelt dat de berekeningen binnen het planMER onbetrouwbaar zijn door het ontbreken van een gedetailleerde analyse van turbineposities en opstellingen. 6. De indiener stelt dat de aannames over het aantal windturbines in het 1-8 km gebied rondom de Veluwe onvoldoende wetenschappelijk is onderbouwd wat betreft impact op vogelpopulaties. 7. De indiener mist de onderbouwing voor de stelling dat 1 op de 15 omwonenden geluidshinder zal ondervinden in zoekgebieden die zich enkele honderden meters van woningen bevinden. De indiener mist ook de onderbouwing voor de stelling dat bij een afstand van 400-500 meter het percentage gehinderden veel lager zou liggen. 8. De indiener vraagt de provincie of zij op de hoogte zijn van het onderzoek van Baart de la Faille? 9. De indiener stelt dat er momenteel geen wetenschappelijke consensus bestaat of er geen directe gezondheidseffecten door windturbinegeluid op omwonenden zijn en verzoekt de provincie dit te bevestigen. 10. De indiener stelt dat windturbines niet thuishoren in drinkwatergebieden en drinkwaterreservegebieden en stelt Pagina 82 van 198

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

dat windturbines deze gebieden ernstig kunnen verstoren. Volgens de indiener omvat de verstoring bodemdoorlaatbaarheid, vrijkomen van giftige microplastics en bodemverontreiniging tijdens de aanlegfase. 11. De indiener stelt dat het classificeren van verspreid liggende woningen als molenaarswoning (p. 62 hoofdrapport) de belangenafweging ernstig verstoort, omdat omwonenden vogelvrij worden verklaard en niet dezelfde bescherming genieten als bewoners van reguliere woningen. De indiener verzoekt de provincie dit nooit toe te staan. 12. De indiener mist een onderzoek naar de mate van verstoring door lichthinder, waardoor het onduidelijk is wat de gevolgen voor de omgeving zullen zijn. De indiener wijst de provincie op de verplichting tot het treffen van mitigerende maatregelen vanuit de voorzorgsplicht. 13. De indiener mist een gedegen plan voor de ontmanteling en milieugevolgen van afgeschreven windturbines en verzoekt de provincie dit onderdeel te maken van het planMER. Antwoord 1. In hoofdstuk 5.3 wordt uitgebreid ingegaan op de effecten van geluid van windturbines bij verschillende afstanden en de relatie tot voormalige normen, mogelijk nieuwe normen en advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de verschillende uitgangspunten en inzichten rondom geluid.

Deze informatie kunnen de RES-partners gebruiken bij hun afwegingen van de haalbaarheid en wenselijkheid van zoekgebieden. 2. In hoofdstuk 5.3 worden de keuzes voor de gebruikte methodes en modellen gemotiveerd. 3. Het planMER hanteert of bepaalt geen afstandsnorm, maar onderzoekt effecten. Zie ook het antwoord op vraag 1. 4. Provincie Gelderland herkent zich niet in de door de indiener genoemde vooringenomen houding wat betreft het gebruik van de geluidsnorm van 47 dB. Het planMER sluit aan bij actuele inzichten van de WHO en het RIVM. Zie hiervoor hoofdstuk 5.3 van het planMER. De in beeld gebrachte effecten worden daarnaast gespiegeld aan de in de eind 2023 verschenen ontwerpnormen voor windturbinegeluid. Zodra de nieuwe normen bekend zijn kunnen deze meegewogen worden door de RES-partners. Plannen voor windparken moeten aan de geldende normen voldoen, dit wordt getoetst bij de vergunningverlening. 5. Het planMER maakt geen nog geen keuze over posities en opstellingen, maar schetst mogelijke effecten bij diverse alternatieven en in diverse gebieden die gebruikt kunnen worden bij toekomstige besluitvorming door bevoegd gezag. Het is daardoor in deze fase niet relevant om te werken met exacte turbineposities. Op een eventueel project-MER niveau wordt dit vanzelfsprekend wel gedaan. 6.

De straal van 1-8 kilometer is opgenomen in de vastgestelde Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland en daarmee een geldend ruimtelijk besluit waaraan het planMER zich dient te houden. De onderbouwing van dit beleid is geen onderdeel van voorliggend planMER. 7. Het planMER volgt hier de lijn van de uitgangspunten van zowel het RIVM als de WHO. De genoemde afstanden zijn primair gebaseerd op de dosis-effectrelaties voor hinder uit een vergelijkende studie die is uitgevoerd op basis van onderzoek in Zweden en Nederland. Het onderliggende model wordt ook wel de blootstellingsresponscurve genoemd. 8. In hoofdstuk 5.3 wordt uitgebreid ingegaan op welke uitgangspunten en onderzoeken zijn gebruikt voor de berekeningen rondom geluid. De Provincie Gelderland is hierbij in lijn met nationale uitgangspunten op dit thema. 9. De provincie kan bevestigen dat windturbinegeluid chronische hinder kan veroorzaken. Chronische hinder kan ook omschreven worden als een stressor, die op lange termijn tot gezondheidsklachten kan leiden. Op dit moment is er geen bewijs voor een direct gezondheidseffect naast hinder. Overige gezondheidseffecten noemen we indirecte gezondheidseffecten, omdat er geen direct verband is met het geluidsniveau. 10. Windturbines kunnen effecten veroorzaken op het bodem en watersysteem.

Deze effecten zijn erg afhankelijk van de lokale situatie, en daarom in het planMER niet op provinciale schaal in beeld gebracht. Tijdens de aanleg zijn maatregelen mogelijk om verstoring te voorkomen. Uit diverse onderzoeken komt naar voren dat de emissies uit windmolens marginaal zijn ten opzichte van emissies uit andere bronnen als verkeer, industrie en landbouw. In de lucht gedragen microplastics zich als fijnstof, en worden diffuus verspreid over de provincie. De geringe uitstoot zorgt naar verwachting niet voor een meetbare lokale verhoging in concentraties rond windmolens. Zie ook hoofdstuk 2 veel gestelde vragen in zienswijzen. ziensewijzen. Voor grondwaterbeschermingsgebieden en boringvrije zones geldt een verbod voor het uitvoeren van grondroerende werkzaamheden zonder omgevingsvergunning. In kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden geldt een verbod voor het roeren van de bodem dieper dan 10 m onder het maaiveld volgens de omgevingsverordening. Tenzij wordt voldaan aan de hiervoor geldende voorschriften. 11. In het planMER (hoofdrapport) wordt voor alle woningen eenzelfde beschermingsniveau gehanteerd en worden Pagina 83 van 198

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

effecten op eenzelfde manier in beeld gebracht. Deze passage heeft als doel om te signaleren dat er in de praktijk in specifieke gevallen mogelijkheden zijn om af te wijken van dit beschermingsniveau als woningen nabij windturbines onderdeel worden gemaakt van de inrichting (het windpark). Dit zijn zogeheten molenaarswoningen. Het planMER legt niet vast of er molenaarswoningen moeten komen en welke dat moeten

zijn. Dat is aan bevoegde gezagen om af te wegen. 12. Effecten door lichthinder zijn geen onderscheidende effecten en daarom niet opgenomen in het planMER. Ook zijn er verschillende mitigerende maatregelen mogelijk om het effect van windturbineverlichting op de omgeving te verminderen. Zo kan er voor permanente verlichting gekozen worden in plaats van de reguliere knipperende verlichting. Ook is het mogelijk om de lichtintensiteit aan te passen op de weersomstandigheden. Daarnaast is het mogelijk om obstakelverlichting in te schakelen op het moment dat er een vliegtuig nadert of via transpondertechniek vliegtuigen te waarschuwen voor de obstakels. In een vervolgfase wordt dit vanzelfsprekend onderzocht en wordt lichthinder zoveel mogelijk beperkt. 13. In hoofdstuk 5.7 Duurzaamheid is een analyse uitgevoerd naar de gehele levenscyclus van wind op land en zon in veldopstelling. Dit wordt vergeleken met fossiele energiebronnen. In deze levenscyclus zijn ook de productie, installatie, onderhoud en ontmanteling meegenomen. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 208 Reactienummer:

208

Indiener:

NN

Samenvatting Zie reactienummer 185 in dit hoofdstuk.

Antwoord Zie reactienummer 185 in dit hoofdstuk. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 211 Reactienummer: Indiener:

211 NN

Samenvatting 1. De indiener geeft aan dat het plan en de procedure onbegrijpelijk is, ook in verhouding met de nog lopende onderzoeken naar nieuwe landelijke normen. De indiener geeft aan dat 6 weken onvoldoende tijd is om de te specialistische inhoud te bestuderen, en voelt zich hierin niet serieus genomen. Dit terwijl het wel belangrijk is, omdat de indiener dreigt de dupe te worden van dit plan. 2. De indiener vindt dat de alternatieven te beperkt zijn ingezet. Waarom ligt de focus op windenergie, en wordt niet gekeken naar ontwikkelingen die beter aansluiten op landschappelijke waarde? Ook wordt er niet gekeken naar kleinschalige zonne- en windenergie, en energiebesparing. 3. Windturbines vragen grote offers van omwonenden. Andere organisaties, als ProRail, erkennen dit en kopen omwonenden royaal uit. In het rapport wordt niet de verantwoordelijkheid genomen dat omwonenden schade ondervinden, het offer wordt eenzijdig bij omwonenden neergelegd. 4. De provincie zet in op zon en wind, maar wat is de oplossing als de zon niet schijnt en het niet waait? Is het wel verstandig dat Nederland van het gas af gaat? Hoe kwetsbaar is dit energiesysteem? Pagina 84 van 198

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

5. Wat gebeurt er met zonnepalen en windturbines als deze aan het einde van hun levensduur zijn? Het veroorzaken van afval voor toekomstige generaties moet meegewogen worden in de alternatieven. Antwoord 1. Provincie is er van bewust dat het planMER complexe inhoud heeft en omvangrijk is in het aantal rapporten. We hebben voor de inzage termijn de wettelijkewettlijke termijnen aangehouden. Inspanningen voor de inzagelegging waren er gelijktijdig op gericht om het planMER zo begrijpelijk te begeleiden. Door in de oplegnotitie het zo eenvoudig mogelijk toe te lichten waar het planMER overgaat. Ook de informatiebijeenkomsten waar ruimte was voor vragen voor iedere inwoner van Gelderland. 2. Dit planMER is opgesteld voor de RES’en en het provinciaal windbeleid. Deze gaan over (grootschalige) zon en wind. Vandaar de ‘beperking’. In het rapport wordt ingegaan op alle milieueffecten die verwacht kunnen worden. Schadecompensatie is geen onderdeel van het onderzoek. Planschade wordt bekeken in de planvormingsfase, als er een concreet project is. In de RES1.0 in de strategievorming planschade geen onderwerp geweest. 3. Dit is geen onderdeel van de scope van het planMER dat zich conform het Klimaatakkoord richt op beste beschikbare technieken voor grootschalige opwek van elektriciteit met doelstellingen in 2030.Niet per se op de continuïteit van het energiesysteem.

Daar staan we in de energietransitie nog voor uitdagingen. 4. In paragraaf 5.7 is een levenscyclusanalyse opgenomen van windturbines en zonnepanelen. Hierin wordt ook ingegaan op de ontmanteling. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.

Zienswijze 213 Reactienummer:

213

Indiener:

Vereniging Kadijk Buurtbelang

Samenvatting Zie reactienummer 199 in dit hoofdstuk.

Antwoord Zie reactienummer 199 in dit hoofdstuk. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 217 Reactienummer:

217

Indiener:

Vereniging Kadijk Buurtbelang

Samenvatting Zie reactienummer 199 in dit hoofdstuk. Antwoord Zie reactienummer 199 in dit hoofdstuk. Wijzigingen

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 219 Reactienummer:

219

Indiener:

VVD-liberaal2000

Samenvatting Zie reactienummer 199 in dit hoofdstuk. Antwoord Zie reactienummer 199 in dit hoofdstuk. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 232 Reactienummer: Indiener:

232 NN

Samenvatting Indieners maken zich zorgen over plannen voor extra windturbines in natuurgebied het Aaltense Goor een uniek coulisselandschap waar vogels leven die op de rode lijst van beschermde Nederlandse broedvogels staan. Ze wijzen op de volgende zoekgebieden AH36, AH39 en AH41. De belangrijkste bezwaren van de indieners zijn 1. Horizonvervuiling De windturbines passen niet in het natuurlijke landschap. 2. Geluidsoverlast De huidige normen zijn verouderd en vaak overschreden. 3. Gezondheidsproblemen Stress, slagschaduw, trillingen en geluidsoverlast leiden tot gezondheidsklachten. 4. Afstand tot bebouwing Ze pleiten voor grotere afstandsnormen tussen windturbines en woningen. 5. Aantasting van natuurgebieden Windturbines verstoren flora en fauna, waaronder vogels op de rode lijst. Ze bekritiseren de communicatie rondom de plannen, die volgens hen onvoldoende en ingewikkeld is. Ze roepen op tot eenvoudiger taalgebruik en betere informatievoorziening. Daarnaast wijzen ze op een VN-Raamverdrag inzake Klimaatverandering dat pleit voor het verdrievoudigen van kernenergiecapaciteit tegen 2050 als een veilige en schone energieoplossing en vragen ze zich af waarom er niet gefocust wordt op industrieterreinen voor plaatsing van windturbines. De indieners verzoeken de provincie om de plannen te heroverwegen en in te zetten op kernenergie in plaats van windturbines in natuurgebieden.

Antwoord De Regionale Aanvulling beschrijft enkel de milieueffecten van windenergie in de zoekgebieden, zodat overheden deze kunnen betrekken bij later te maken afwegingen. Dit betekent dat de PlanMER geen specifieke en definitieve windenergielocaties of keuzes voor plekken beschrijft. De uitkomsten kunnen inzicht geven of een herijking van de RES 1.0 noodzakelijk of gewenst is. Kernenergie valt daarom buiten de scope van dit PlanMER dat zich conform het Klimaatakkoord richt op beste beschikbare technieken voor grootschalige opwek van elektriciteit met een doelstelling in 2030. • Horizonvervuiling In de boordeling voor landschap is rekening gehouden met visuele dominantie. Dit criterium geeft een indicatie van de mate waarin windturbines opvallen in een open landschap in vergelijking met een meer besloten landschap. • Geluid en afstand tot woningen De afstand van 435 meter tot woningen is berekend om aan de geluidsbelasting

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

van 47dB te voldoen. De 47 dB geluidbelasting is aangehouden omdat de normering in Nederland hier geruime tijd op gebaseerd is geweest. De conceptnorm waarin 45 dB wordt aangehouden is daarentegen ook meegenomen in het PlanMER. Deze kan mogelijk in de toekomst gelden. Echter, specifieke geluidsberekeningen en toetsing aan geluidsnormen vindt plaats bij de uitwerking van een eventueel concreet windproject. • Gezondheid onder het criterium gezonde leefomgeving wordt de afstand in relatie tot mogelijke hinder door geluid en slagschaduw beoordeeld. • Natuur AH36 wordt sterk negatief beoordeeld op GNN, er wordt dus rekening gehouden met natuur in de beoordeling. Specifieke toetsing op lokaal niveau vindt plaats bij de uitwerking van een eventueel concreet windproject mocht hiertoe besloten worden in het kader van de (herijking van de) RES. De onderzoeken zijn technisch en daardoor lastig te lezen voor inwoners. Daarom zijn informatiebijeenkomsten gehouden, is informatie beschikbaar via het provincieloket, worden nieuwsbrieven verspreid en is een projectwebsite met Q&A ingericht. • Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 234 Reactienummer: Indiener: Samenvatting

234 Vereniging Door Weer en Wind

1. De indiener stelt dat de gebruikte terminologie en definities verschillen tussen de twee ingenieursbureaus in de rapporten. Dit leidt tot verwarring en maakt het ingewikkeld voor bewoners en belanghebbenden. 2. De indiener stelt dat in de webinar vragen uit de vragenlijst te summier zijn beantwoord of zelfs terzijde zijn geschoven, door het gebruik van andere bewoordingen dan in de rapporten. 3. De indiener stelt dat zonder tijd en scholing het onmogelijk is om de rapporten te begrijpen. De indiener stelt dat de termijn van 6 weken voor het indienen van een zienswijze kort is in relatie tot de hoeveelheid informatie die ter inzage is gelegd. 4. De indiener vraagt zich af waar de indiener op moet reageren, omdat er immers in de planMER geen plan of beslissing wordt voorgesteld. De indiener vraagt zich tevens af of ze hun inspraakrecht verliezen, bij bijvoorbeeld een aanpassing van het Provinciaal Windbeleid of een RES-plan, als er nu niet wordt gereageerd. 5. De indiener verzoekt de provincie beslissingen over het provinciale windbeleid (inclusief RES) uit te stellen tot het landelijke besluit Windturbines Leefomgeving is vastgesteld. Ook verzoekt de indiener geen gebruik te maken van het tijdelijk ontbreken van landelijke normen om snel windturbineparken te realiseren met soepele lokale normen. 6.

De indiener verzoekt de provincie om afstand te nemen van het concept van de molenaarswoning. 7. De indiener stelt dat het ontbreken van een netwerkaansluiting op korte termijn niet een doorslaggevend argument mag zijn voor lange-termijn keuzes. 8. De indiener gaat niet akkoord met de versoepeling van de norm voor het minimumaantal turbines in een windturbinepark van 3 naar 2 turbines en wijst hierbij naar de Omgevingsverordening Gelderland. 9. De indiener verzoekt de provincie een stap terug te nemen en zich af te vragen in hoeverre Gelderland een goede locatie is voor de uitrol van windturbines en wijst hierbij naar het lagere aanbod van wind ten opzichte van kustprovincies. 10. De indiener verzoekt de provincie om de breed gedragen weerstand tegen windturbines te accepteren en hieruit te zoeken naar andere mogelijke oplossingen. De indiener wijst hierbij ook naar de sociale effecten op buurtniveau, doordat een enkel groot financieel voordeel behaalt en de omgeving de hoofdprijs betaalt wat betreft hinder. 11. De indiener verzoekt de provincie een beleid te ontwikkelen waardoor mensen juist verzoeken om een windturbine in de omgeving.

De indiener stelt voor om hiertoe te komen middels een ruimhartige structurele financiële tegemoetkoming voor de omwonenden, garantstelling van de overheid voor negatieve effecten en een beroep op ‘verre buren’ om een tegenbod te doen om de energietransitie in versnelling te brengen. 12. De indiener verzoekt de provincie tot het nemen van symbolische maatregelen waarbij voorbeeldfiguren in de maatschappij tonen dat zij degenen ‘zien’ die de offers van de energietransitie brengen. 13. De indiener stelt dat het zoeken naar de bovengrens van de bovengrens van zoekgebieden leidt tot verkeerde keuzes en stelt dat het zoeken naar zoekgebieden niet plaatsvindt op basis van realistische informatie. Voor de samenvatting van vragen over de regionale aanvulling zie samenvatting in hoofdstuk 6, reactienummer 235.

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

Antwoord 1. Het verschil in terminologie komt voort uit de verschillende beoordelingssystematieken die zijn gehanteerd. Wij begrijpen dat dit verwarrend is en nemen dit mee als aandachtspunt. 2. Wij betreuren dat u het gevoel heeft dat u de kwaliteit van de beantwoording in de webinar ondermaats vond. 3. Een planMER ligt standaard 6 weken ter inzage. Het planMER heeft als doel een zo compleet mogelijk beeld te geven van te verwachten milieueffecten in de gehele provincie. De provincie begrijpt dat de totale rapportage erg veel is, maar wijst erop dat dit gezien het schaalniveau niet te voorkomen is. Om deze reden bevat het planMER dan ook over een samenvatting. Daarnaast wordt ook door het houden van online informatiebijeenkomsten een invulling gegeven aan het behapbaarder maken van de grote hoeveelheid aan informatie. 4. U verliest niet uw inspraakrecht. Deze volgt bij een daadwerkelijk besluit. 5. De provincie werkt, samen met de RES-partners, aan het aanwijzen van zoekgebieden voor wind- en zonneenergie. Hierbij is het niet nodig dat de nieuwe normen bekend zijn. Er wordt in dit planMER inzicht gegeven in de geluidseffecten. Daarmee wordt inzicht gegeven in de effecten op de omgeving hetgeen voor een locatiekeuze op planMER niveau voldoende is. Bij een concreet project moet getoetst worden aan normen.

Dat kunnen dan geldende (nieuwe) normen zijn of lokaal vast te stellen normen. In de tussentijd is het mogelijk om op lokaal niveau normen te maken. Het planMER biedt de informatie om hierin een afweging te maken. Zodra de nieuwe windnormen bekend zijn, moeten nieuwe windplannen hieraan voldoen. 6. In het planMER (hoofdrapport) wordt voor alle woningen eenzelfde beschermingsniveau gehanteerd en worden effecten op eenzelfde manier in beeld gebracht. Deze passage heeft als doel om te signaleren dat er in de praktijk in specifieke gevallen mogelijk zijn om af te wijken van dit beschermingsniveau als woningen nabij windturbines onderdeel worden gemaakt van de inrichting (het windpark). Dit zijn zogeheten molenaarswoningen. Het planMER legt niet vast of er molenaarswoningen moeten komen en welke dat moeten zijn. Dat is aan bevoegd gezag om af te wegen. 7. Vanuit MER-systematiek is het belangrijk om haalbare alternatieven te ontwikkelen. Op korte termijn (2030) heeft netcongestie een grote impact op de haalbaarheid van plannen. Op lange termijn kan dit beeld inderdaad veranderen. 8. Hier wordt in het planMER niet over besloten. Dit is aan de provincie en gemeenten in RES-verband om mee te wegen. 9. Op dit moment hebben de kustprovincies al een veel hoger aantal windturbines in gebruik in vergelijking met Gelderland.

In de regio’s met de hoogste windsnelheden is door deze hoeveelheid turbines nog zeer beperkt ruimte voor het plaatsen van nieuwe windturbines. We streven ernaar om uiteindelijk als land onafhankelijker te worden in onze energievoorziening. Dat betekent dat ook de provincie Gelderland bij moet dragen. Ook in Gelderland is de gemiddelde windsnelheid voldoende voor inzet van windenergie om bij te dragen aan het behalen van de energiedoelen. 10. Dit is geen onderdeel van de scope het milieuonderzoek. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. 11. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. 12. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. 13. In het planMER zijn uitgangspunten gekozen die de zoekruimte voor wind en zon maximaal in beeld brengen. Hiermee hebben de RES-partners alle effecten in beeld en kunnen ze deze meewegen in hun besluit. Voor de beantwoording van vragen over de regionale aanvulling zie beantwoording in hoofdstuk 6, reactienummer 235. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 238 Reactienummer: Indiener:

238 NN

Samenvatting Deel 1 1. Indiener benoemd dat windturbines het karakter van het open landschap veranderen. 2. De indiener noemt het belang van een gezonde leefomgeving. De lage tonen van windmolens kunnen leiden tot stress en slaapproblemen, slagschaduw kan hoofdpijn en concentratieproblemen veroorzaken.

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

3. Windturbines brengen aanzienlijke schade toe aan de natuur. Vogels en vleermuizen worden gedood, en geluidstrillingen verstoren leefgebieden. 4. De indiener is als huiseigenaar bezorgt over de daling van de waarde van woningen. 5. De indiener benoemd dat de plannen zonder transparantie of voldoende overleg met inwoners zijn vastgesteld. Dit is geen eerlijke democratische besluitvorming. 6. De indiener benoemd dat windenergie weersafhankelijk is en niet voor een constante stroomvoorziening kan zorgen. Dit maakt dat er vaak fossiele back-up-systemen nodig zijn. 7. De indiener benoemd dat windparken gepaard gaan met hoge kosten die grotendeels door subsidie gedekt worden. Dit betekent dat de belastingbetaler opdraait voor een project met twijfelachtige baten, en geen efficiënte oplossing voor de energietransitie. 8. De indiener benoemt dat windmolens zorgen voor een groeiend afvalprobleem. 9. Uit diverse studies blijkt dat langdurige blootstelling aan laagfrequent geluid kan leiden tot stress en gezondheidsproblemen. 10. Zon op dak, kleinschalige windoplossingen op industrieterreinen, investeringen in waterstof of geothermie zijn duurzamere en minder ingrijpende alternatieven. 11. De indiener beschrijft de effecten die indiener in de eigen omgeving ondervindt geluidsoverlast, bewegingsonrust, en verstoring van het landschap.

Ondanks diverse bezwaarschriften en inspraak zijn deze er toch gekomen. Dit wil indiener niet nog eens meemaken. Deel 2 Voor samenvatting van vragen over de regionale aanvulling zie samenvatting in hoofdstuk 6, reactienummer 239. Antwoord Deel 1 1. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. De effecten die kunnen optreden in open landschap zijn onderzocht in het planMER. 2. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. De genoemde zorgen rondom gezondheid worden beschreven in het planMER. Zie ook punt 9. Zie ook het kopje ‘Effecten op gezondheid en het voorzorgsbeginsel’ in hoofdstuk 2 ‘Veelgestelde vragen 3. in de zienswijzen 4. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. De genoemde effecten zijn beschreven in het natuuronderzoek. 5. Waardedaling behoorde niet tot de scope van het planMER. Dit is geen milieueffect en daarom niet onderzocht. De RES-partners kunnen dit, naast het milieuaspect, eventueel meewegen in hun besluit over de actualisatie van de RES-plannen. Planschade is een onderwerp dat aan de orde komt bij een concreet project, in de uitvoeringsfase. 6. Bij voorliggend planMER is nog geen besluit gepubliceerd. Met dit planMER als input actualiseren de RES-partners in een vervolgtraject hun RES-plannen. De provincie brengt daarna haar windbeleid in lijn met deze RES-plannen. 7.

Samen met zonne-energie vult windenergie een deel van de stroombehoefte in. De momenten waarop het niet waait en de zon niet schijnt moeten inderdaad met alternatieve bronnen, of met opgeslagen energie, ingevuld worden. 8. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. 9. In paragraaf 5.7 is ingegaan op de levenscyclus van een windturbine. Tegenwoordig is het mogelijk om windturbinebladen te recyclen, waardoor het afvalprobleem (deels) verholpen is (zie TNO, 2022).

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

10. In het planMER (paragraaf 5.3) is beschreven dat het laagfrequent geluid van windturbines vergelijkbaar is als van andere bronnen als verkeer. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de voormalige norm van 47 dB voldoende rekening houdt met laagfrequent geluid. 11. Deze oplossingen vallen buiten de scope van de RES'en en zijn daarom niet meegenomen. Effecten van geothermie zijn onderzocht in deelrapport Warmte. 12. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. Deel 2 Voor beantwoording van vragen over de regionale aanvulling zie beantwoording in hoofdstuk 6, reactienummer 239. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.

Zienswijze 243 Reactienummer:

243

Indiener:

Stichting Slagkracht

Samenvatting 1. De indiener stelt dat de intentie van de provincie met het planMER een zo ruim mogelijk onderzoeksgebied voor plaatsing van windturbines vast te stellen op provinciaal niveau, met minimalisering van belemmeringen en normeringen. 2. De indiener stelt dat de rapportage leidt niet tot een concretisering van het windbeleid van de Provincie Gelderland. 3. De indiener stelt dat er onvoldoende toetsing van gezondheidseffecten en cumulatieve effecten heeft plaatsgevonden. Indiener wijst hierbij naar effecten van laagfrequent en infrasoon geluid op o.a. slaapverstoring, stress en andere gezondheidsklachten. 4. De indiener stelt dat de analyse van cumulatieve effecten tekortschiet, waaronder impact van meerdere windparken op luchtkwaliteit, geluidsoverlast en lokaal microklimaat. 5. De indiener stelt dat de opgenomen studies tekens vertonen van belangenconflicten. De indiener noemt de dringende behoefte aan onafhankelijk, peer-reviewed onderzoek, dat de gezondheids- en milieueffecten van de nieuwste, grotere turbineontwerpen, gedegen in kaart brengt. 6. De indiener vraagt om meer aandacht voor het onderscheid tussen subjectieve klachten en objectief aantoonbare schade, waaronder het “nocebo”-effect. De indiener vindt het argument dat klachten voortkomen uit verwachtingen geen sluitende verklaring is voor de reële, klinisch vastgestelde gezondheidsproblemen. 7.

De indiener stelt dat er te karig wordt ingegaan op hinder en/of gezondheidsschade voor trillingen in de grond en stelt dat hiervoor normen ontwikkeld moeten worden. 8. De indiener stelt dat het planMER tekortschiet op het gebied van een volledige levenscyclusanalyse, waarin ook de emissie van stoffen zoals BPA en microplastics worden meegenomen en wijst hierbij naar de SMB-richtlijn (2001/42/EU). 9. De indiener stelt dat de MKBA onvoldoende is en te optimistisch is ingeschat op het gebied van waardedaling, hogere zorgkosten en effecten op lokale economie. 10. De indiener stelt dat de visuele en ruimtelijke impact van windturbines op het landschap, inclusief effecten van slagschaduw en verstoring van stedelijk karakter, onvoldoende wordt gewaardeerd. 11. De indiener stelt dat veiligheidsrisico’s, zoals bladbreuken en problemen bij extreme weersomstandigheden en veiligheid van infrastructuur niet voldoende aan bod komen. 12. De indiener stelt dat er kritisch gekeken dient te worden naar noodzaak van uitbreiding van wind op land, omdat de RES-doelstellingen reeds zijn behaald. De indiener noemt wind op zee als een alternatief dat minder ingrijpend kan zijn voor de leefomgeving.

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

13. De indiener stelt dat er een structureel gebrek is aan betrokkenheid van burgers en lokale gemeenteraden in de besluitvorming en stelt dat belangen van omwonenden onvoldoende ondersteund worden. Dit ondermijnt het democratisch proces. 14. De indiener stelt dat voor veel omwonenden de documenten niet te lezen zijn, vanwege de hoeveelheid in relatie tot de beperkte tijd voor indienen zienswijze en specialistische taal. Dit ondermijnt het democratisch proces. 15. Ad 10 (4.3) - De indiener stelt dat het planMER onvoldoende is ingegaan op welke beschermde soorten in welke dichtheden in de verschillende onderzoeksgebieden voorkomen en wat de mogelijke effecten van windparken zijn op deze soorten. 16. De indiener stelt dat bij toestaan van hogere turbines een nieuwe MER op hetzelfde planniveau plaats moet vinden. De indiener stelt dat de afbakening van dit planMER niet concreet genoeg is, en ruimte overlaat aan initiatiefnemers een opening naar grotere turbines met onbekende milieueffecten geeft. 17. De indiener stelt dat de reactie op de zienswijze en bagatelliserende verwerking in het planMER, waarin slagschaduw als ‘niet-maatgevend’ wordt gehanteerd, een zware tekortkoming is.

De indiener stelt dat er in het planMER een beeld van gegeven moet worden hoe zoveel mogelijk woningen in de omgeving ontzien kunnen worden door mitigatie en passende locatiekeuzes van het (onder)zoekgebied. 18. De indiener stelt dat het feit dat niet alle buisleidingen van Defensie openbaar zijn, niet mag betekenen dat er in het planMER slechts beperkt rekening mee gehouden kan worden. 19. De indiener vraagt zich af waarom er op oude voet de oorspronkelijke ambities van het RES nagestreefd worden, en er geen recht aan veranderende condities (landelijke ontwikkelingen energietransitie, toenemende kennis van schadelijkheid industriële windparken) gedaan wordt. 20. De indiener vraagt zich af hoe de provincie borgt dat referentieturbines en initiatieven met grotere windturbines ‘bewezen technieken’ zijn en zo in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. 21. De indiener heeft de ervaring dat de Windladder Gelderland bij het initiatief Windpark Papenslagweg niet geborgd is, en vraagt zich af wanneer en via welke weg de provincie de beleidslijn windenergie gaat actualiseren. 22. De indiener stelt dat ten onrechte beperkingen vanuit de gemeentelijke omgevingsvisie niet zijn meegenomen in het planMER. 23. De indiener verzoekt een weergave van beschermde natuurgebieden tot 25 km over de provinciegrens, gezien de externe werking van Natura 2000-gebieden.

De indiener verzoekt dit nogmaals voor de risicokaart externe werking op vogelrichtlijnsoorten. 24. De indiener stelt dat de ecologische verbondenheden van Nationaal Landschap de Graafschap en aangrenzende natte-, heide-, en broekontginningslandschappen veel verder tussen deze landschappen en in de omgeving gaan. De indiener vraagt zich af of dit planMER voldoende rekening houdt met hoe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kernkwaliteiten van dit soort landschappen kunnen aantasten. 25. De indiener stelt dat, hoewel de omgeving Papenslagweg in Lochem geen deel van een laagvliegroute betreft, er toch vaak militaire helikopters en straaljagers bijzonder laag over vliegen. De indiener vraagt zich hierdoor af hoe solide de referentiesituatie is. 26. De indiener stelt dat de gehanteerde normen voor geluidbelasting worden gepresenteerd als een serieuze benadering van de ernstige geluidhinder die windparken kunnen veroorzaken. De indiener stelt dat deze normen, in tegenstelling, hele ruime zachte normen zijn, welke qua effectiviteit steeds nadrukkelijker door wetenschappelijke argumenten wat betreft gezondheidsschade weerlegd worden. De indiener noemt hier onder andere het rekenen met jaargemiddeldes en het niet meenemen van trillingen en resonantie in de geluidsnorm. Ook stelt de indiener dat de 3 dB mitigatie illegaal is. 27.

De indiener stelt dat het rekenen met theoretische geluidcontouren, molenaarswoningen en verspreid liggende woningen wellicht theoretische plaatsingsmogelijkheden weergeeft, maar dat hier ook plaatsingsmogelijkheden uit komen die zeker niet haalbaar zijn. 28. De indiener stelt dat bij ingreep-effectrelaties, tijdelijke effecten in het planMER ten onrechte niet worden onderzocht. De indiener wijst hierbij naar de stikstofproblematiek, waar tijdelijke effecten wel degelijk van belang zijn. 29. De indiener is er niet gerust op dat ernstige verstoring van kwetsbare soorten door nieuwe windparken op land beperkt zal zijn en verzoekt om verspreiding van beschermde broedvogels en vleermuizen in GNN/GO gebieden beter in kaart te brengen. 30. De indiener stelt dat de benadering voor aantasting van landschappen niet concreet is. De indiener stelt dat door oprukkende verstedelijking behoud van openheid in sommige landschappen zeer wenselijk is. 31. De indiener stelt dat de beschrijving dat over het algemeen er relatief weinig geluidhinder ervaren wordt van windturbines in vergelijking tot andere geluidbronnen onjuist is. 32. De indiener ziet de toegepaste verzachtende aanpassingen bij de grotere ashoogte als beleidsbeïnvloeding van de effectbeschrijving en stelt dat deze benadering niet geschikt is voor toepassing op dunner bevolkte gebieden.

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

33. De indiener vraagt zich af of windparkontwikkelingen nog wel in behandeling genomen kunnen worden als betreffend gebied tot 2030 geen capaciteit voor nieuwe aansluitingen heeft? De indiener vraagt zich ook af in hoeverre dit onderzoeksgebieden uitsluit en welk effect dit heeft op realiteitswaarde van andere alternatieven. 34. De indiener wijst op het resultaat dat 94% van het zoekgebied voor (sterk) negatieve impact op de gezonde leefomgeving zorgt. De indiener stelt dat alle behandelde alternatieven een ‘doorslag’ dienen te krijgen om beter te kunnen bepalen waar werkelijk nog ruimte voor realisatie van windparken aanwezig is in Gelderland. 35. De indiener verzoekt om in hoofdstuk 11 ‘belangrijkste bevindingen voor zin en zon’ ook de nadelen van wind op land te benoemen, zoals hinder, veiligheid en schade op lokaal niveau. 36. De indiener stelt dat de provincie de invloed zwaar onderschat en bestaand wetenschappelijk bewijs ontkent. 37. De indiener verzoekt alternatieven, zoals wind op zee, expliciet in overweging te nemen. 38. De indiener stelt dat, gezien de reeds behaalde RES-doelstellingen en de beschikbare alternatieven, zoals de uitrol van windenergie op zee, het van belang is dat de keuze voor de huidige afbakening/alternatieven kritisch wordt heroverwogen. 39.

De indiener stelt dat de ecologische waarde van de Natura 2000-gebieden en Gelders Natuurnetwerk (GNN) om extra bescherming vraagt. Er dient te worden vastgesteld of de huidige indeling van zoekgebieden voor windenergie het meest passend is om zowel de ecologische belangen als de belangen van de inwoners, het landschap en de volksgezondheid te waarborgen. 40. De indiener stelt dat in het achtergrondrapport de gebruikte gegevens, in elk geval voor zeearenden en rode wouwen, sterk zijn verouderd (tellingen 2013-2015) en dat huidige kennisbronnen beschikbaar zijn. 41. De indiener stelt dat andere (dier)soorten buiten Natura 2000 gebieden ten onrechte niet worden meegenomen in het ecologie rapport. De indiener vraagt zich af of andere dieren, huisdieren, vee en gewassen ondergeschikt zijn en daardoor niet meegenomen in het onderzoek. 42. De indiener stelt dat het gebied nabij de Papenslagweg als weidevogelgebied is aangemerkt in de Omgevingsvisie Lochem en dat dit gebied mist in het rapport. 43. De indiener stelt dat het rapport landschap en cultuurhistorie tekortschiet in een objectieve, meetbare onderbouwing. De indiener stelt dat de impact van windturbineprojecten op het culturele erfgoed en de historische identiteit van de regio onvoldoende wordt gekwantificeerd. 44.

De indiener stelt dat de mogelijke langdurige en cumulatieve effecten op het landschap, zowel visueel als cultureel, niet integraal worden meegenomen. De indiener wijst op het belang van de toetsing van de som van ingrepen op historische en esthetische waarden. 45. De indiener stelt dat er geen gedegen participatieproces was waarbij bewoners, erfgoedinstanties, lokale gemeenteraden, gezondheidsdeskundigen, netbeheerders en andere stakeholders tijdig betrokken werden. 46. De indiener stelt dat onderzoek mist naar bodemstructuren die mogelijk kwetsbaar zijn voor het plaatsen van turbines. Hierbij wijst de indiener op de effecten van het slijten van IWT’s voor mens en milieu, zoals vrijkomen bisfenol A. 47. De indiener stelt dat het rapport niet diep genoeg ingaat op consequenties voor bestaande infrastructuur, zoals stabiliteit van het elektriciteitsnet, extra investeringsbehoefte en risico’s op overbelasting. 48. De indiener stelt dat de evaluatie van risico’s voor netintegriteit, mede door cumulatieve effecten, te summier worden behandeld. De indiener stelt dat een volledige kosten-batenanalyse waarin deze risico’s worden opgenomen ontbreekt. 49. De indiener vraagt of er de mogelijkheid is de windturbines rechtstreeks op het hoogspanningsnet aan te sluiten, dat immers dichtbij loopt. 50.

De indiener stelt dat de gegevens voor zon op dak voor het middel scenario van Gelderse basis ZonPV op dak voor het laatst in 2020 zijn geactualiseerd en daarmee verouderd zijn. 51. De indiener vraagt naar de verschillen tussen de gebruikte versie van de RES-monitor en de vernieuwde versie en vraagt waarom zon op dak niet is meegenomen. 52. De indiener stelt dat windturbines veel hogere pieken leveren om op te vangen door het net en stelt dat de beeldvorming in het rapport misleidend is. 53. De indiener benoemt de kans van het promoten van zon op dak, gezien dit ruimte wegneemt voor aansluiting windturbines op het onderstation. 54. De indiener stelt dat er meer ingezet moet worden op cable pooling en curtailment. 55. De indiener benoemt het gebruik van middelgrote 3,6 MW turbines in de analyse als misleidend. De indiener wijst hierbij naar het principeverzoek aan de Papenslagweg, waar wordt uitgegaan van 280 m tiphoogte maar waar 300 m is gereserveerd voor toekomstige ontwikkelingen. 56. De indiener stelt dat sommige RES-regio’s achterblijven in hun doelstellingen, er veel politieke druk komt op windenergie, terwijl er genoeg mogelijkheden liggen voor alternatieven op wind-op-land.

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16052860/2