reactienota planMER Windbeleid
Tekst van het document
Hoofdstuk 4.2.3 licht toe waarom tijdelijke effecten wel belangrijk zijn en aan bod moeten komen in concrete projecten, maar niet onderscheidend of maatgevend voor het doel van het planMER. 41. Dit is een pragmatische keuze geweest in het planMER omdat een sterk negatieve score op landschap suggereert dat er een per definitie een ernstige, ingrijpende aantasting van landschappelijke waarden optreedt, terwijl de onderliggende methode bij effecten op landschap aangeeft dat zon of wind in dat geval ‘niet of nauwelijks kansrijk’ is. Deze keuze is toegelicht op p. 91. Hoewel de score hiermee een klasse is afgewaardeerd, is de onderliggende kwalificering van ‘niet of nauwelijks kansrijke’ intact gebleven, wat signaleert dat bij een keuze voor windturbines of zonnevelden in deze gebieden geen mogelijkheden zijn of alleen in specifieke omstandigheden en onder strikte voorwaarden aanzienlijke effecten op landschap te voorkomen zijn. Bijvoorbeeld door de richtlijnen van de community of practice te hanteren. 42. Toegankelijkheid van de stukken is een belangrijk aandachtspunt voor de provincie. Daarom is er een publieksvriendelijke samenvatting opgesteld. 43. In hoofdstuk 5.3. is uitgebreid stilgestaan op de wetenschappelijke kennis over effecten op gezondheid, de beperkingen en overwegingen. Het is volgens ons niet nodig dit nader te onderbouwen. 44.
Het planMER heeft nu vooral een verkennend karakter. De keuzes voor gebieden kunnen later worden gemaakt, als een regio kiest voor een herijking van een RES. Aanvullingen over de optelsom van effecten (cumulatie) kunnen later in het herijkingsproces worden toegevoegd, als de RES daarom vraagt. 45. Zoals aangegeven op p. 110 van het hoofdrapport is bij een fundering van een zonnepark inderdaad uitgegaan van een fundering van maximaal 30 cm diep. 46. Het alternatief leefomgeving beoogt extra afstand te houden tot woningen met een afstand van 585 meter gebaseerd op de advieswaarde van de Wereldgezondheidsorganisatie. Een afstand van 750 meter is niet onderzocht. Wel is duidelijk dat een afstand van 750 meter zou leiden tot vrijwel geen onderzoeksgebied binnen provincie Gelderland. Zie hiervoor ook de effectstudie geluid in hoofdstuk 5.3. 47. Het planMER hanteert de zoekgebieden uit de RES-en, maar kijkt daarnaast ook verder naar alternatieve invullingen en locaties om daarmee invulling te geven aan de verplichtingen die vanuit artikel 11.3 van het Omgevingsbesluit gelden voor een planMER. Daarmee worden deze gebieden niet gekozen of vastgelegd. 48. Met de beantwoording van de punten uit de zienswijze geven we invulling aan de door de indiener gevraagde motivering. 49.
Het planMER kijkt verder dan de zoekgebieden uit de RES 1.0 of de afspraken uit het coalitieakkoord door ook alternatieve invullingen en locaties te onderzoeken. Daarmee geeft het planMER invulling aan de verplichtingen die vanuit artikel 11.3 van het Omgevingsbesluit gelden voor een planMER. Daarmee worden deze gebieden niet gekozen of vastgelegd en worden afspraken uit de RES of het coalitieakkoord niet doorkruist. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 159 Reactienummer:
159
Indiener:
NN Pagina 60 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
Samenvatting De indiener twijfelt aan de onafhankelijkheid en objectiviteit van het planMER en alle vooronderzoeken, en vraagt de provincie meer te vertellen over de wijze waarop onafhankelijkheid en objectiviteit gewaarborgd worden 1. In de reactienota op de NRD wordt benoemd dat dit het geval is, maar tegelijkertijd werkt de provincie mee aan een principeverzoek rondom de A50 van Windunie. Uit opgevraagde mailwisseling blijkt dat op provinciaal niveau direct een projectteam klaarstaat om Windunie optimaal te begeleiden, terwijl omwonenden niet door de provincie betrokken of gehoord zijn. 2. Bij de informatiebijeenkomst is toegezegd dat de personen die zich opgegeven hadden voor de informatiebijeenkomst een mail zouden ontvangen met presentaties en link naar de projectsite met antwoorden op de gestelde vragen. Deze bijlagen zijn op 28 februari niet ontvangen door de indiener. 3. In antwoorden bij de NRD staat dat afstemming gezocht wordt met windpark Horst en Telgt en de Groene Metropoolregio om geen tegenstrijdige resultaten te krijgen. Het meenemen van de resultaten in deze mer-procedure klinkt als sturen op de resultaten. Er wordt namelijk niet gekeken naar juiste conclusies, maar naar wel of geen andere conclusies. Antwoord Het planMER is opgesteld door onafhankelijke adviesbureaus, dat herleidbaar gebruik hebben gemaakt van wetenschappelijke inzichten. 1.
De provincie is verplicht om te reageren op een principeverzoek. Als dit tot een project leidt, wordt participatie opgestart. Niet eerder. Dit staat echter los van dit planMER. 2. Iedere aanmelder van een informatiebijeenkomst heeft op 28 februari een mail ontvangen met beantwoording op alle door eenieder gestelde – en vooraf aangeleverde – vragen. Wellicht heeft deze zienswijze en de mail elkaar doorkruist. Als de mail niet is ontvangen wordt geadviseerd contact op te nemen met het provincieloket, provincieloket@gelderland.nl. 3. De afstemming richtte zich niet op het verkrijgen van vergelijkbare resultaten, maar op de gebruikte uitgangspunten. Niet dat deze uitgangspunten hetzelfde dienen te zijn, maar ze moeten niet strijdig met elkaar zijn. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 160 Reactienummer:
160
Indiener:
Natuur en Milieu federatie Gelderland
Samenvatting De indiener benoemt dat de inhoud van het planMER in ruime mate voldoet aan hetgeen onderzocht moest worden. Daarom gaat de indiener voornamelijk in op punten van aandacht voor het vervolg 1. De indiener is blij dat de provincie dit planMER heeft laten opstellen, omdat het in beeld brengt welke effecten spelen bij potentiële windlocaties. Er is discussie mogelijk over de gehanteerde afstanden en turbinetypes, maar er ligt een prima basis voor de afweging van gebieden. De indiener hoopt dat het planMER het bestuurlijk proces kan helpen om alsnog groen licht te krijgen voor nieuwe windprojecten om de resterende 4,7 TWh op te wekken. De indiener benoemt de landelijke milieuregels voor wind op land als sterk beperkende factor. Het is goed dat de leefomgeving van mensen wordt beschermd, maar omdat het elektriciteitsgebruik flink blijft groeien is het RES-bod voor 2030 slechts een eerste stap. Het nog meer benutten van zonne- en windenergie blijft een urgente opgave. Té strenge regels voor wind op land Pagina 61 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
mogen dit niet in de weg zitten. De indiener hoopt dat de provincie zich in IPO-verband sterk maakt voor realistische milieuregels voor wind op land. 2. In alternatief Energiesysteem wordt niet rekening gehouden met slimme methoden van lokale benutting. Dit is begrijpelijk, het is lastig te duiden waar en welk soort opwekproject hierbij past, maar ook een gemis, omdat het uitgaan van de prognose voor netcapaciteit in een bepaald gebied met de dag minder recht doet aan deze ontwikkeling. De indiener benoemt dat het misschien interessant is om, in het licht van voorgaande, weer eens te kijken naar kleinere windturbines. Deze kunnen op kortere afstand van bedrijven of woonwijken geplaatst worden. Wijziging van het provinciale beleid is hiervoor nodig. 3. In het planMER en de regionale aanvullingen zijn in algemene zin natuurbelangen goed in beeld gebracht. Voor concrete windprojecten zal altijd nog gedetailleerder onderzoek nodig zijn. De indiener benoemt hiervoor alvast wat aandachtspunten die meegewogen kunnen worden de regionale keuze voor gebieden, de inrichting van windparken, en de inrichting van compensatiegebieden nog vóór projecten worden gerealiseerd. Hiervoor verwijst de indiener graag naar kennisblad 'Wind op land en natuur' van de Natuur en Milieufederaties. 4.
De indiener vraagt speciaal aandacht voor gebieden waar weidevogels broeden, maar die niet meer deze formele status hebben. In of nabij verschillende van deze gebieden zijn windturbines gepland, óók wanneer daar wel agrarisch weidevogelbeheer wordt uitgevoerd. Deze weidevogels zullen verdwijnen terwijl het al zo slecht gaat met de weidevogels. Het behouden van de bestaande natuur is niet voldoende. Weidevogelpopulaties hebben aaneengesloten gebieden van 500 ha nodig om in stand te blijven. Wanneer de provincie zich in zet om dit te creëren kan dit gebruikt worden als compensatie voor windparken. 5. De indiener vraagt ook nog aandacht voor stilstandmogelijkheden om vleermuizen en vogelsoorten te ontzien. Dit kan bijvoorbeeld bij routes met veel vliegbewegingen in de ochtend en avond en bij trekperiodes. De kosten voor detectieapparatuur worden meegenomen bij de berekening voor de SDE++ voor wind op land. 6. De indiener roept op om, ook in relatie tot de huidige stand van zaken rondom Duitse windmolens die effect hebben op Nederlandse Natura 2000-gebieden, aandacht te hebben voor effecten op Duitse Natura 2000-gebieden als Zwillbrocker Venn. 7. Als laatste benoemt de indiener dat het effect van slagschaduw op dieren meegenomen moet worden in het natuuronderzoek bij toekomstige windprojecten. Antwoord 1. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. 2.
Kleine windturbines vallen buiten de scope van dit planMER. Het onderzoek is gericht op de mogelijkheden voor grootschalige opwek met zon en wind op land en de generieke milieueffecten van een warmtesysteem. 3. Dank voor uw adviezen, deze worden ter kennisgeving aangenomen. 4. Het provinciale planMER heeft een abstractieniveau dat niet ingaat op specifieke lokale natuureffecten. Dat inzicht kan een project-MER en/of passende beoordeling wel geven. Binnen dat kader dienen preventieve en/of mitigerende maatregelen worden overwogen. Dat betekent dat bij concrete projecten de effecten in beeld worden gebracht en waar mogelijk gemitigeerd of gecompenseerd wordt. 5. Zie antwoord 4. Daarnaast, hogere turbines hebben in het algemeen voor vleermuizen een lagere aanvaringsrisico. 6. De Duitse natuurgebieden zijn meegenomen in de effectbepaling van natuur. Zie bijvoorbeeld de risicokaart externe werking (figuur 5.1 in Onderzoeksrapport Natuur) waarin effecten worden aangeduid rondom Zwillbrocker Venn. 7. Vanuit literatuur komt naar voren dat er weinig tot geen bewijs bestaat voor de effecten van verstoring door geluid of slagschaduw van windturbines op zoogdieren. Voor vogels is verstoring door slagschaduw wel aan de orde, zoals ook Pagina 62 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
beschreven in het Onderzoeksrapport Natuur (pagina 61). De mate van verstoring is erg afhankelijk van het type turbine, en neemt af met de afstand tot de turbine. In het planMER zijn deze effecten beschreven, maar in een vervolgfase zal inderdaad nader onderzocht moeten worden hoe groot deze verstoring is. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 163 Reactienummer:
163
Indiener:
NN
Samenvatting 1. De indiener vraagt of het planMER GMR nu nog actueel is, waar verschillen tussen beide rapporten in zitten, en of het Gelderse planMER tot andere inzichten leidt dan het planMER voor de GMR. Daarnaast vraagt de indiener welke toets de provincie heeft uitgevoerd om te besluiten dat de planMER GMR buiten het huidige planMER kan blijven, en of dit niet betekend dat met twee maten wordt gemeten. In het planMER van de GMR staat dat met de provincie is afgesproken dat de resultaten van planMER GMR integraal worden overgenomen. Dit gebeurt nu juist niet, het wordt er buiten gehouden. 2. De Commissie mer geeft aan in haar advies over de NRD GMR aan om 500 tot 700 m afstand te houden tot woningen, waarom worden in het planMER voor heel Gelderland kortere afstanden aangehouden? 3. Hoe borgt de provincie dat de resultaten van het planMER ook echt worden gebruikt? In gemeente Heumen is door de gemeente een zoekgebied aangewezen waar veel belemmeringen zijn, en is een zoekgebied met nauwelijks belemmeringen door de gemeenteraad uitgesloten. Het lijkt erop dat harde feiten aan de kant worden geschoven en dat er geen waarde wordt gehecht aan het landschap en de natuur. 4. De indiener vraagt wat er is gebeurd met het advies van de Commissie mer op de NRD.
Hoe is dit verwerkt in het planMER? En wat heeft de provincie gedaan om te borgen dat het advies van de Commisie mer op de NRD van de GMR is verwerkt in het planMER van de GMR? 5. Het planMER is gemaakt zodat elke regio zijn RES kan verbeteren. De gemeente Heumen heeft al windbeleid en zoekgebieden vastgesteld voordat het planMER was gepubliceerd. De informatie uit het planMER is dus niet gebruikt. Geldt dit voor meer gemeenten in Gelderland? De provincie stelt dat gemeentes zelf beleidsregels kunnen maken en zoekgebieden vaststellen, ook in afwachting van de nieuwe normen. In gemeente Heumen is door de raad vastgesteld dat voor regels en normen wordt aangesloten bij de provinciale regels. De provincie zegt nu dat zij zelf geen regels stelt. Het MER bevat slechts informatie waarmee gemeenten zelf hun regels kunnen stellen. Hoe gaat de provincie met deze situatie om? 6. Uit de stukken die er nu liggen wordt niet duidelijk wat de vervolgstappen worden welke besluiten moeten nog worden genomen, door wie en wat is de juridische grondslag van deze besluiten? Ook belangrijk wanneer is er mogelijkheid tot inspraak, bezwaar en beroep? Antwoord 1. Meerdere vragen gaan indirect over het doel van een planMER. Het helpt bestuurders bij het maken van goed onderbouwde keuzes en zorgt ervoor dat het milieu volwaardig wordt meegewogen in de besluitvorming.
Dat er in een regio meerdere planMER’en beschikbaar (regionaal/provinciaal) zijn, veelal gebaseerd op verschillende uitgangspunten, kan juist meer inzicht geven over de impact een windpark op de omgeving. Zolang het besluit helder is op welke planMER het beleid is gebaseerd.
Pagina 63 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
2. Het planMER Windbeleid en RES volgt de uitgangspunten uit de NRD die door provincie Gelderland is vastgesteld. Niet de NRD van GMR. Het zijn uitgangspunten, geen normstellingen, waarmee inzicht wordt verkregen in milieueffecten. Dit verschil in zowel uitgangspunten als resultaten kunnen elkaar goed verdragen; zijn niet strijdig ten opzichte van elkaar. De keuze om voor heel de provincie eenzelfde set aan uitgangspunten te hanteren is voor eenduidig inzicht voor heel het grondgebied. Ook de NRD van dit planMER heeft voorgelegen bij de commissie MER. De commissie heeft over afstanden het volgende geadviseerd ‘De Commissie adviseert de aangehouden afstand van 530 meter nog te beschouwen en toe te lichten in het MER en, afhankelijk daarvan, eventueel voor een iets ruimere afstand te kiezen.’. In het ontwerp planMER is de gehanteerde afstand toegelicht en is er geen reden gezien hiervan af te wijken. 3. Het planMER heeft onder andere twee belangrijke doelen (1) in het RES-proces met partners beoordelen of de huidige RES-windzoekgebieden uitvoerbaar zijn en zo niet, milieu-informatie bieden welke andere gebieden als alternatief kunnen worden aanwezen. En, (2) de regio’s faciliteren in de planMER plicht dat geldt als een RES herijkt wordt vastgesteld en dit besluit zich kwalificeert als programma onder de Omgevingswet. 4.
Hoe de provincie is omgegaan met het advies van de Commissie mer op de NRD is terug te lezen in het planMER, zie bijlage 7, ‘Omgang advies Commissie mer en reactienota zienswijzen NRD’. Het planMER van de GMR valt buiten de reikwijdte van dit planMER. Informatie over het planMER van de GMR, waaronder de verwerking van het Commissie mer advies, kan worden verkregen bij het regiobureau van de GMR. 5. Het planMER is er onder andere er voor om met RES-partners, in het RES-proces, de RES1.0 te beoordelen op uitvoerbaarheid. De regio’s/gemeenten kunnen het planMER ook gebruiken voor de planMER plicht die geldt bij een herijkte RES. Dit besluit kwalificeert zich als programma onder de Omgevingswet en is planMER plichtig. Alle colleges dus ook gemeenten kunnen dit planMER voor dit besluit gebruiken. Er zijn meer gemeenten die windbeleid hebben vastgesteld voorafgaand aan dit planMER. Dit planMER is niet bedoeld als onderbouwing voor gemeentelijk beleid, maar gemeenten kunnen de informatie wel gebruiken voor de onderbouwing van hun keuzes. Gebieden die uit dit planMER als meest logisch naar voren komen, hoeven niet daadwerkelijk gerealiseerd te worden. Voor een locatiekeuze spelen meer dan alleen milieu-effecten. De provincie schaart zich achter gemeentelijke keuzes als deze goed zijn onderbouwd en passen binnen het provinciale beleid. 6.
Besluiten die kunnen volgen zijn bijvoorbeeld het vaststellen van herijkte RES’en en aanpassing van het provinciaal windbeleid. Beide besluiten zijn beleidsmatig. Dit betekent dat ze niet direct open staan voor inspraak, bezwaar en beroep. Dit kan wel zodra het beleid en of milieurapport gebruikt wordt voor het mogelijk maken van projecten. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 165 Reactienummer:
165
Indiener:
NN
Samenvatting 1. De indiener stelt dat de gehanteerde methode leidt tot stapeling van overlast in het grensgebied. Voor het bepalen van de effecten wordt slechts gekeken naar de situatie binnen de provinciegrenzen. Hierdoor worden gevolgen onderschat, en kunnen onevenredig veel windparken aan beide kanten van de provinciegrens komen. Om dit te voorkomen kan de provincie rekening houden met het aantal woningen op korte afstand van de grens; op kaarten aangeven welke voorkeursgebieden er al zijn in aangrenzende provincies, en; bestuurders van gemeenten in een grensgebied meer bevoegdheden geven, omdat op gemeentelijk niveau vaak al samengewerkt wordt. 2. In het onderzoek wordt er van uit gegaan dat de bestaande geluidsoverlast van weg- of vliegverkeer op hetzelfde niveau blijft. Er wordt wel gesproken over geluidwerende maatregelen aan woningen, maar niet over de vermindering van geluid in de omgeving door bijvoorbeeld snelheidsbeperkingen. Er worden te weinig keuzes gemaakt om de
Pagina 64 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
stapeling van overlast te beperken. Als deze keuzes wel gemaakt worden, ontstaat er meer ruimte voor windmolens. Antwoord 1. In het milieuonderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen het plangebied (in dit geval de provincie Gelderland), en het studiegebied (het gebied waarin milieueffecten kunnen voorkomen). In het planMER is, in verband met dit laatste, rekening gehouden met woningen en natuurgebieden buiten de provinciegrens. Hier kunnen immers ook milieueffecten voorkomen. Vanuit het Espoo-verdrag heeft daarnaast afstemming met buurland Duitsland plaatsgevonden, zodat inwoners en overheden uit Duitsland op een gelijke manier betrokken worden als in het eigen land. Ontwikkelingen als voorkeursgebieden zijn, binnen en buiten de provinciegrens, niet meegenomen in de effectenstudie. Dit komt doordat deze plannen nog niet zeker genoeg zijn om rekening te houden met de effecten die ze veroorzaken. Plannen worden pas meegenomen als autonome ontwikkeling als hier omgevingsbeleid over is vastgesteld. 2. De cumulatie van geluid is op provinciale schaal lastig te onderzoeken. Pas bij concrete initiatieven kan dit gemodelleerd worden, en kan beschreven worden wat de effecten zijn op de omgevingskwaliteit. In deze vervolgprocedure kunnen ook maatregelen zoals degene die u voorstelt betrokken worden. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 166 Reactienummer:
166
Indiener:
NN
Samenvatting 1. De indiener is ongerust over de plannen voor windturbines in de omgeving van natuurgebied Aaltense Goor. 2. De indiener benoemt dat in het achtergrondrapport ecologie diverse effecten beschreven worden op vogelsoorten en vleermuizen, die eveneens in natuurgebied het Aaltense Goor en omgeving leven. Vanwege de effecten op genoemde soorten en aantasting van het landschap passen hier geen windturbines bij. Dit gebied moet zorgvuldiger onderzocht worden en getoetst worden op aanwezigheid van soorten. 3. De indiener verzoekt de provincie om te onderzoeken of er naast het Aaltense Goor en omgeving alternatieve locaties beschikbaar zijn die de visuele integriteit van het landschap niet in gevaar brengen, zonder concessies te doen aan de doelen voor hernieuwbare energie. 4. De indiener roept op om te zoeken naar een evenwicht tussen noodzakelijke verduurzaming van energieproductie en het behoud van de waardevolle natuurgebieden in de regio. 5. Op dit moment zijn er geen landelijke geluidsnormen, maar kunnen overheden zelf gemotiveerd lokale normen vaststellen. Er zijn diverse onderzoeken verschenen over de relatie tussen windturbinegeluid en slaapkwaliteit, en de gevoeligheid voor hinder. Hier kunnen wel normen op gebaseerd worden. Waarom worden deze niet gebruikt? 6.
De indiener verzoekt de provincie om meer onderzoek te doen naar cumulatieve geluidsbelasting van meerdere bronnen en de invloed van geluidsversterking door weersomstandigheden of reflectie van geluid. 7. De indiener vraagt om meer duidelijkheid over hoe bepaald is dat de afstand tussen woningen en windturbines 435 meter zou moeten zijn, en welke veiligheidsmarges daarbij in acht zijn genomen. Wat wordt in dit kader verstaan onder 'veilig'? 8. De indiener vraagt om de effecten op het lokale toerisme in kaart te brengen en mogelijke maatregelen voor de visuele impact te onderzoeken.
Pagina 65 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
Antwoord 1. Het PlanMER en de Regionale Aanvulling geven niet aan waar windturbines gerealiseerd gaan worden. De Regionale Aanvulling beschrijft enkel de milieueffecten van windenergie in de zoekgebieden, zodat overheden deze kunnen betrekken bij later te maken afwegingen. Voor het zoekgebied in de omgeving van het Aaltense Goor is zoekgebied AH36 beoordeeld. Voor natuur geld dat dit zoekgebied een sterk negatieve beoordeling (‘--') krijgt op het beoordelingscriterium GNN vanwege de aanwezigheid van natuurgebied Aaltense Goor. 2. Op provinciale schaal is het lastig om te onderzoeken wat de effecten zijn op flora en fauna. Dit is namelijk sterk afhankelijk van de inrichting van een windpark. Bij een concreet initiatief in een vervolgfase moet dit aanvullend onderzocht worden. 3. In het planMER zijn diverse alternatieve locaties in beeld gebracht. De RES-partners maken in een vervolgtraject hier gezamenlijk een afweging in. 4. . Het planMER geeft inzicht in de effecten van duurzame energieproductie op waardevolle natuurgebieden. Bestuurders kunnen die informatie meewegen in hun keuze voor locaties voor duurzame energie. H 5. . Dit planMER is niet bedoeld om te komen tot nieuwe normen. Lokale normen worden opgesteld bij een concreet project. Dan moet de laatste stand van zaken mbt de effecten op gezondheid ook meegenomen worden. 6.
De cumulatie van geluid is op provinciale schaal lastig te onderzoeken. Pas bij concrete initiatieven kan dit gemodelleerd worden, en kan beschreven worden wat de effecten zijn op de omgevingskwaliteit. 7. Deze afstand is een indicatieve afstand van de geluidscontour van 47 dB. Deze afstand staat niet vast, maar geeft aan op welke afstand een bepaald effect op woningen verwacht kan worden. Bij deze afstand is de verwachting dat 10% van de omwonenden hinder ervaart door geluid. Voor het bepalen van deze afstand is gebruik gemaakt van een referentieturbine. Bij een turbine met een andere hoogte of ander vermogen kan deze afstand afwijken. 8. Effecten op economie als recreatie is geen milieueffect zoals leefbaarheid en landschap dat wel zijn. Effecten op recreatie maken daarom geen onderdeel uit van dit planMER. Dit is daarom niet onderzocht in het planMER. De RES-partners kunnen dit type effecten op een andere wijze betrekken bij een besluit, mochten ze hier belang aan hechten. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 168 Reactienummer:
168
Indiener:
NN
Samenvatting 1. De indiener benoemt dat het lastig was om de rapporten te lezen en te beoordelen in de periode dat ze ter inzage lagen. De lengte en het taalgebruik waren niet toegankelijk. Daarnaast benoemt de indiener dat termen als 'groene energie' en 'molenaarswoning' mogelijk niet eerlijk zijn voor een techniek met effecten op de gezondheid. Ook voelde de indiener zich niet serieus genomen in de beantwoording van vragen n.a.v. de webinars vanwege ontwijkende of vage antwoorden. 2. De indiener benoemt dat er wel degelijk wetenschappelijk onderzoek gedaan wordt naar de gezondheidseffecten van windturbines op mens en dier, maar dat deze onderzoeken weggewoven worden. Andere Europese landen hanteren grotere afstanden dan 400m. De indiener vraagt waarom er niet gekozen wordt voor meer onderzoek naar gezondheidseffecten en waarom de resultaten die er zijn niet serieus genomen worden. Ook vraagt de indiener hoe de provincie haar zorgplicht invult voor de gezondheid van omwonenden. Pagina 66 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
3. De indiener vraagt hoe omgegaan wordt met veiligheidsrisico's van windturbines als brand, bladbreuken en structurele problemen bij weersomstandigheden. 4. Op de kaarten in het planMER is het gemeentelijke weidevogelgebied aan de Papenslagweg in Lochem niet te vinden. Hoe komt dit? 5. Waarom is in het planMER niet onderzocht wat de effecten zijn op huisdieren, vee en andere soorten wilde dieren en gewassen? 6. De indiener benoemt dat onderzoek naar de bodem ontbreekt effecten van Bisfenol A in de grond, de biodiversiteit onder en rond windturbines en onderzoek naar bodemstructuren die mogelijk kwetsbaar zijn voor het plaatsen van turbines. 7. Tot slot benoemd de indiener de wens om de besluitvorming op een transparante, eerlijke en participatieve wijze in te vullen, waarin belangen van burgers en lokale overheden voldoende worden meegenomen en omwonenden zich gehoord voelen.
Antwoord 1. De provincie erkent dat de omvang van de rapportage groot is. De complexiteit maakt ook de leesbaarheid lastig. Het ontwerp planMER is voorzien van twee samenvattingen een bij het hoofdrapport en een oplegnotitie. We betreuren het dat u zich niet serieus genomen voelde. 2. Namens de Nederlandse overheid houdt het RIVM onderzoek naar gezondheidseffecten van windturbines in de gaten. Elk kwartaal voert zij een update door van haar factsheet 'Windturbines en gezondheid' waarin de nieuwste onderzoeken verwerkt worden. Hierin kijkt het RIVM ook naar de betrouwbaarheid van het onderzoek. Deze bron is gebruikt in het planMER. Het is aan de lokale bestuurders om hier vervolgens een onderbouwd besluit over te nemen. 3. In Nederland gelden regels voor het persoonlijke risico dat mensen mogen lopen door windturbines. Voor locaties met grote kans op aanwezigheid van meerdere mensen (bijvoorbeeld in huizen) gelden strengere regels als voor locaties met minder grotere kans op aanwezigheid van minder mensen (bijvoorbeeld in fabriekshallen). In de belemmeringen is hier al rekening mee gehouden; standaard wordt er voldoende afstand gehouden tussen woningen en andere gebouwen en de plekken die onderzocht worden om dit als veilig te zien. Onder thema 'Externe Veiligheid' zijn de benoemde thema's verder onderzocht.
Dit onderzoek richt zich voornamelijk op de veiligheid van infrastructuur als buisleidingen, hoogspanningslijnen en wegen. Hier zijn in de wet vaak geen afstanden voor genoemd, maar moet in een vergunningstraject onderzocht worden welke afstand veilig is. 4. In het planMER is geen rekening gehouden met gemeentelijk beleid, zoals lokale weidevogelgebieden. Gemeenten kunnen dit in RES-verband meenemen in hun afweging rondom de aanwijzing van zoekgebieden. In het planMER zijn wel de effecten beschreven rondom verstoring van weidevogels door geluid en slagschaduw. 5. Hier is inderdaad geen onderzoek naar gedaan. Huisdieren wonen in al beschermde huizen, waardoor het niet aannemelijk is dat zij effect ondervinden. Van vee is niet bekend dat zij hinder ondervinden van geluid en/of slagschaduw. Vee is vaak gewend aan het leven in stallen waar veel geluid en beweging aanwezig is. Vanuit onderzoek is ook bekend dat zoogdieren niet tot nauwelijks verstoord worden door windturbines (zie ook Onderzoeksrapport Natuur). 6. Zie reactienummer 23, vraag 6 voor een reactie op Bisfenol A. Het effect van windturbines of zonnevelden op de biodiversiteit is sterk afhankelijk van de inrichting. Door het toepassen van functiecombinaties in zonnevelden, of het veranderen van landgebruik rondom een windturbine kan de biodiversiteit toenemen. 7. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen.
Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Pagina 67 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
Zienswijze 170 Reactienummer:
170
Indiener:
Vereniging Klarenbeeks Belang
Samenvatting De indiener spreekt waardering uit voor de tijd en energie die de provincie in de uitgebreide rapportage heeft gestoken. 1. De indiener is bezorgd over de grote impact van enkele windturbines op geschetste plekken die voor een relatief klein voordeel een ruime omgeving feitelijk voorgoed aantasten. De indiener vraagt zich af of het nog wel van deze tijd is om verspreid hier en daar op land enkele windmolens te willen bouwen vanwege het beperkte rendement, en wijst naar de mogelijkheden op zee. Ook omdat er alternatieven binnen bereik lijken te komen. De indiener benoemd dat een vermindering van woningwaarde niet is benoemd in de rapportages. 2. In het hoofdrapport is niet ingegaan op laagfrequent geluid. De indiener vraagt om beleid inzake dit onderwerp met inachtneming van het voorzorgsbeginsel. 3. In het hoofdrapport is niet ingegaan op het fenomeen 'zwerfstroom'. Dit is het afvoeren van stroom in de bodem op momenten dat het niet teruggeleverd kan worden aan het net. Mogelijk heeft dit effecten op vee op het omliggende land. 4. In het hoofdrapport wordt niet gesproken over het voorzorgsbeginsel. Dit zou uitgangspunt moeten zijn bij plannen met zulk een grote impact in het heden en tot ver in de toekomst. 5. De indiener benoemd dat de relatie tussen overheid en burger onder druk staat, en dat de overheid hier onvoldoende in investeert. 6.
De indiener benoemd dat een huisarts die onderzoek heeft gedaan naar de geschiedenis van geluidsnormen en effecten op de gezondheid benoemd dat normen eerder veel strenger waren, ze nu erg laag zijn, er niet gecontroleerd wordt, de WHO en buurlanden normen naar beneden bijstelt, omwonenden natuur in de omgeving van windturbines zien veranderen en slaapproblemen ervaren. Ondanks al deze zorgen vindt de minister het blijkbaar belangrijker om de klimaatdoelstellingen te behalen dan om 2x zo veel afstand tot woningen aan te houden en streeft de rijksoverheid ernaar om bezwaarprocedures in te korten. Voor de samenvatting van vragen over de regionale aanvulling zie samenvatting in hoofdstuk 6, reactienummer 171. Antwoord 1. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. In het planMER worden milieueffecten onderzocht. Vermindering van woningwaarde is geen milieueffect en wordt in een later fase van planvorming relevant. Wind op land is noodzakelijk in het behalen van de doelstellingen voor duurzame energieopwek in 2030. Alleen windenergie op zee is zeker niet voldoende. Daarnaast is het transport vanuit zee naar land een enorme maatschappelijke kostenpost en streven we ernaar om uiteindelijk als land onafhankelijker te worden in onze energievoorziening. 2. In paragraaf 5.3 in het planMER staan uitgebreid de uitgangspunten voor het thema geluid beschreven.
Daar staat ook beschreven dat het laagfrequent (waaronder infrasoon) geluid van windturbines vergelijkbaar is als van andere bronnen als verkeer. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de voormalige norm van 47 dB voldoende rekening houdt met laagfrequent geluid. Dit is daarom niet onderzocht. Zie ook het kopje ‘Effecten op gezondheid en het voorzorgsbeginsel’ in hoofdstuk 2 ‘Veelgestelde vragen in de zienswijzen’. 3. Zwerfstroom is een elektrische stroom die het gangbare stroomcircuit verlaat en gaat zwerven. Geleidende materialen kunnen hierdoor onder lichte stroom komen te staan. Als een mens of dier in contact komt met zo'n geleider die onder stroom staat, volgt de stroom op dat moment de weg van de minste weerstand naar de grond, en kan een mens of dier een lichte schok voelen. Dit is het gevolg van een elektrische fout, bijvoorbeeld als de isolatie van een kabel kapot is. Als Pagina 68 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
de aarding van een windmolen niet goed is, zou stroom in de grond terecht kunnen komen en bijvoorbeeld via een waterleiding in een stal opduiken. Er is alleen geen wetenschappelijk bewijs dat windmolens zwerfstromen veroorzaken. Mogelijk zijn er foutstromen door blikseminslag of kapotte kabels, maar dat is niet anders bij windmolens dan bijvoorbeeld bij spoorwegen of het distributienet. Om deze reden is het dan ook niet opgenomen in het planMER. 4. Zie het kopje ‘Effecten op gezondheid en het voorzorgsbeginsel’ in hoofdstuk 2 ‘Veelgestelde vragen in de zienswijzen’. 5. Wij begrijpen uw zorg over de relatie tussen overheid en burger en erkennen dat dit een belangrijk aandachtspunt is. De overheid streeft ernaar om transparantie, betrokkenheid en vertrouwen te versterken door middel van beleid en participatie. We blijven investeren in initiatieven die de verbinding tussen overheid en samenleving verbeteren. 6. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. In het planMER zijn de bewezen milieueffecten van windenergie beschreven. Het is aan de RES-partners in het vervolgproces om hierover te beslissen. Voor de samenvatting van vragen over het hoofdrapport zie samenvatting in hoofdstuk 6, reactienummer 171.
Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 172 Reactienummer:
172
Indiener:
Prowind BV
Samenvatting 1. De indiener is positief over de uitvoering van het onderzoek. Ze beschouwt dit als belangrijke stap in de verdere ontwikkeling van windparken binnen de provincie, wat bijdraagt aan het behalen van de klimaatdoelen. Voor veel locaties binnen de Gelderse RES'sen is vergunningverlening nog niet opgestart, waardoor de verwachting is dat deze locaties niet voor 2030 gerealiseerd zullen zijn. De indiener verwacht dat de provincie en betrokken gemeenten na afronding van dit planMER tijdig overgaan tot het starten van vergunningverleningsprocedures. 2. De indiener verwacht dat turbines die tegen het einde van dit decennium gebouwd gaan worden hoger zijn dan de hoogste referentieturbine. Dit gaat om turbines met een verwachte maximale tiphoogte van 250 tot 280 meter. De indiener vraagt zich af of daar in deze planMER voldoende rekening mee is gehouden. 3. In het hoofdrapport en de aanvullingen worden aannames gedaan om geluidsniveaus om te zetten in een afstand tot geluidsgevoelige objecten. Dit wordt vervolgens vertaald naar uitsluitingsgebieden. De indiener is van mening dat de afstanden veel te ruim zijn, en dat met toepassing van mitigatie en locatie specifieke gegevens deze verkleind kunnen worden. Door de keuze voor deze aannames worden gebieden die geschikt zijn uitgesloten en worden gebieden die wel geselecteerd zijn te ver verkleind.
Hierdoor worden niet alle geschikte locaties beoordeeld en vergeleken, waardoor conclusies incompleet zijn. Dit maakt het planMER ongeschikt om beleidskeuzes op te baseren. Antwoord 1. Het streven van provincie Gelderland is om de RES1.0 afspraken zo spoedig mogelijk te realiseren. We zetten ons hiervoor in. 2. In het planMER is onderbouwd waarom de huidige referentieturbines zijn gebruikt. De rol van referentieturbines is om de mogelijke bandbreedte in effecten te beschrijven. Dit is geen vastgelegd besluit, afwijkingen in projecten zijn mogelijk mits onderbouwd kan worden dat de effecten niet afwijken van wat in het planMER is beschreven.
Pagina 69 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
3. In het hoofdrapport worden diverse geluidsniveaus en bijbehorende afstanden in beeld gebracht met als doel het effect op geluidsgevoelige objecten te beschrijven en te beoordelen. Dit is geen besluit, gebieden worden op basis van deze informatie niet uitgesloten in het hoofdrapport. Zie ook reactienummer 173 in hoofdstuk 6. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 175 Reactienummer:
175
Indiener:
Stichting Tegenwind Echteld-Lienden
Samenvatting 1. De indiener stelt dat afstand tot gevoelige locaties, waaronder beschermde natuurgebieden, woningen en waterkeringen, onvoldoende in overweging worden genomen. 2. De indiener stelt dat er onvoldoende rekening wordt gehouden met de akoestische belasting voor omwonenden. De indiener wijst op de duidelijke relatie tussen het geluidsniveau van windturbines en de ervaren hinder wat kan leiden tot stress en op lange termijn schadelijk is voor de gezondheid. De indiener verzoekt de provincie om strengere afstandsnormen te hanteren om de akoestische kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen en de gezondheid van omwonenden te beschermen. 3. De indiener stelt dat er onvoldoende rekening wordt gehouden met de bescherming van Natura 2000-gebieden en dat er in de huidige aanpak Natura 2000-gebieden en andere beschermde gebieden worden weggelaten of genegeerd. 4. De indiener stelt dat er onvoldoende rekening wordt gehouden met de veiligheid rondom infrastructuur voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De indiener wijst op de kwetsbaarheid van infrastructuur in het Rivierengebied door de aanwezigheid van dijken, waterwegen en een hoge bevolkingsdichtheid. De indiener stelt dat windturbines een potentieel gevaar vormen bij extreme weersomstandigheden, mechanische defecten of turbinebrand.
Ook stelt de indiener dat turbulentie-effecten van windturbines invloed hebben op stabiliteit van het transport. Daarom stelt de indiener dat in het Rivierengebied de plaatsing van windturbines in de nabijheid van transportroutes onacceptabel is. 5. De indiener baart zich zorgen over het voorstel uit de oplegnotitie om de minimale afstand tussen windturbines en bovengrondse hoogspanningslijnen te beperken tot een halve rotordiameter. De indiener stelt dat deze beperking kan leiden tot verhoogde risico’s van interferentie en incidenten. 6. De indiener vermoedt dat de aanpassing van afstandscriteria is ingegeven door de wens om meer locaties voor windturbines te creëren en wijst hier op de tegenstelling met het principe van zorgvuldige ruimtelijke ordening en het waarborgen van een veilige en gezonde leefomgeving. De indiener verzoekt de provincie hierom om de aanpassing van de afstandscriteria te schrappen en de huidige afstandscriteria te hanteren. 7. De indiener stelt dat de streefdoelen voor de wind/zonverhouding in het planMER onrealistisch zijn. 8. De indiener stelt dat 30% van het onderzoeksgebied Echteld-Lienden zich bevindt in een gebied waar het onderstation in 2030 naar verwachting geen capaciteit beschikbaar heeft. 9.
De indiener verzoekt de provincie om de streefdoelen te herzien en een meer gebalanceerde en haalbare benadering te hanteren bij de verdeling van wind- en zonne-energie, met inachtneming van de beschikbare infrastructuurcapaciteit. 10. De indiener wijst op inconsistenties tussen het planMER Windbeleid provincie Gelderland en het project-MER Windpark Echteld Lienden. In het laatste zijn natuurgebieden niet meegenomen. 11. De indiener stelt dat bij milieueffectrapportages, zoals bij de MER voor Windpark Echteld-Lienden, kernkwaliteiten van Nationale Landschappen en Waardevolle Open Gebieden systematisch worden genegeerd of weggelaten. De indiener stelt dat door dit soort selectieve omissies een onvolledig beeld ontstaat van de ruimtelijke impact van windturbines op kwetsbare gebieden.
Pagina 70 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
12. De indiener stelt dat windturbines verstoring kunnen veroorzaken aan radarsystemen en geeft aan dat een radartoets noodzakelijk is bij beoordeling van locaties voor windparken. De indiener noemt als voorbeeld de MER voor windpark Echteld-Lienden, waar geen gedegen radartoets is uitgevoerd. Bij afwezigheid van een radartoets kunnen verstoring of conflicten van luchtvaartbelangen opspelen, alsook achteraf de noodzaak tot het aanpassen van windturbines in hoogte of aantal. De indiener eist een volledige radartoets. 13. De indiener stelt dat het onduidelijk is of in het huidige planMER voldoende rekening is gehouden met beleidslijnen over waterveiligheid nabij windturbines en risico’s voor waterveiligheid in het Rivierengebied. De indiener verzoekt de provincie om te voldoen aan de beleidsregels van Rijkswaterstaat en waterschappen met betrekking tot de plaatsing van windturbines nabij waterkeringen. Antwoord 1. In het planMER is in beeld gebracht op welke afstanden effecten verwacht kunnen worden tot de genoemde gevoelige locaties. Hoe deze effecten meewegen in een besluit is aan de RES-partners in het vervolgproces. 2. Windturbines kunnen chronische hinder veroorzaken. Chronische hinder kan omschreven worden als een stressor, die op lange termijn tot gezondheidsklachten kan leiden.
Voor gezondheidseffecten naast hinder spreken we dan van een indirect gezondheidseffect, omdat er geen direct verband is met het geluidsniveau. Op dit moment is er geen bewijs voor een direct gezondheidseffect naast hinder. Het planMER hanteert of bepaalt geen afstandsnorm, maar onderzoekt effecten, waaronder hinder. In hoofdstuk 5.3 wordt uitgebreid ingegaan op de effecten van geluid van windturbines bij verschillende afstanden en de relatie tot voormalige normen, mogelijk nieuwe normen en advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. Op deze manier waarborgt de provincie een gezonde leefomgeving en geeft ze beslisinformatie mee aan de RES-partners om hier in het vervolgtraject een zorgvuldige afweging in te maken. 3. De provincie herkent zich niet in de stelling dat er onvoldoende rekening wordt gehouden met Natura 2000gebieden. Natura 2000-gebieden genieten een hoog beschermingsregime waar op passende en complete wijze rekening mee wordt gehouden in het planMER. Vanwege het abstractieniveau en de schaal van dit planMER zijn zeer plaatselijke factoren niet altijd goed te vatten in een effectbeoordeling op provinciaal niveau. Indien sprake is van concrete initiatieven is daarom altijd nader ecologisch onderzoek vereist om de plaatselijke effecten in beeld te brengen. 4. In hoofdstuk 5.5 staat uitgebreid beschreven hoe het thema veiligheid wordt getoetst.
Het planMER hanteert de afstanden en risicocontouren die volgen uit de Externe Veiligheidsregels zoals vastgelegd in wet- en regelgeving. De door indiener genoemde effecten treden lokaal op en dragen daarmee niet bij aan de keuze voor een gebied/locatie op het schaalniveau van dit planMER. Als er op projectniveau aanleiding voor is, wordt er altijd concreter onderzoek gedaan en afgestemd met de plaatselijke veiligheidsregio om veiligheid te kunnen garanderen, waarin ook mogelijke cumulatieve effecten worden meegenomen en meegewogen. 5. In de oplegnotitie is te lezen dat deze uitzondering enkel ingezet kan worden na aanvullend onderzoek naar het risico voor de verkeersveiligheid. Vanzelfsprekend wordt deze uitzondering alleen ingezet wanneer extra risico’s voor de verkeersveiligheid uitgesloten zijn. 6. Op dit moment gelden er geen afstandscriteria naast de regels voor veiligheid. De provincie herkent zich niet in de stelling dat de aanpassing van afstandscriteria is ingegeven door de wens om meer locaties voor windturbines te creëren. Het planMER geeft een beeld van de mogelijke effecten op verschillende afstanden, en geeft hiermee de input voor de RES-partners om dit mee te wegen in hun besluit. 7. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. In het planMER is beschreven dat er voldoende technische ruimte is in de provincie om de RES-ambities te realiseren. 8.
In het onderzoeksrapport netinpassing is rekening gehouden met de beperkingen die gelden vanuit netinpassing en de verschillen tussen wind en zon. Ook wordt hier beschreven dat er maatregelen mogelijk zijn om hier op een andere manier mee om te gaan door bijvoorbeeld cablepooling. 9. Zie antwoord 8. 10. In deze zienswijzennota wordt er niet inhoudelijk ingaan op onderwerpen en onderwerpen die daar buitenvallen. Zoals de reikwijdte van het onderzoek dat is gedaan in het kader van het initiatief windpark Echteld Lienden.
Pagina 71 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
Tegelijk verwijzen wij naar zienswijzennota van het ontwerp-projectbesluit, in thema 7.2 in hoofdstuk 2. Daar wordt nader op ingegaan op dit onderwerp. Op de projectsite van windpark Echteld-Lienden van de provincie Gelderland is deze zienswijzennota te vinden. 11. In het planMER is gebruik gemaakt van een landschapstypologie die passend is bij het abstractieniveau van provincie Gelderland. Uiteraard is een typologie altijd een versimpeling. Het planMER gaat niet in op nuances van elk van de specifieke gebieden omdat hoort bij de nadere uitwerking en besluitvorming binnen RESregio’s. 12. Windturbines kunnen inderdaad verstoring veroorzaken aan radarsystemen. Een radartoets is echter pas relevant op projectniveau en wanneer exacte plaatsing van een windturbine bekend is. Dit planMER voorziet niet in het vastleggen van turbinelocaties. Onder het aspect luchtvaartveiligheid en radar staat duidelijk beschreven hoe er wordt omgegaan met luchtvaartveiligheid en mogelijke radarverstoringen. 13. De provincie voldoet aan de beleidsregels van Rijkswaterstaat en waterschappen met betrekking tot de plaatsing van windturbines nabij waterkeringen. In paragraaf 5.5.3 Invloed op waterkeringsveiligheid staat beschreven hoe er in het planMER mee wordt omgegaan. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 178 Reactienummer:
178
Indiener:
NMV Nederlandse Melkveehouders Vakbond
Samenvatting 1. De indiener stelt dat er zonder mandaat van de Tweede Kamer zwaarwegende besluiten worden genomen over de energietransitie, vanuit internationale akkoorden. De indiener pleit voor zon op dak en rondom verstedelijking en infrastructuur, en benoemd dat er weinig aandacht is voor energie uit water. Daarnaast is er ontoereikende infrastructuur voor stroom, dit moet snel verbeterd worden om vergroening mogelijk te maken. 2. De indiener benoemt dat nu zonnevelden gepland worden op vruchtbare landbouwgrond, terwijl hier nauwelijks behoefte is aan stroom. Ook is de infrastructuur vaak onvoldoende geregeld. 3. De indiener wijst op de milieurisico's bij brand en uitstoot van PFAS-achtige materialen door windturbines. Ook gaan de geluidsonderzoeken uit van gunstige gemiddelden en nemen deze geen pieken mee. 4. De indiener adviseert de provincie om via een PIP/bestemmingsplan mogelijk te maken dat bij boerderijen kleine windmolens geplaatst worden. Ook rondom zon op dak worden nu veel kostbare eisen gesteld aan melkveehouders, waardoor dit lastig te realiseren is. 5. De indiener vindt het verbazingwekkend dat de provincie bezwaar maakt tegen kleine windmolens in weidevogelgebied, en deze gebieden wel opneemt in haar onderzoek. 6. De indiener benoemt dat veel RES-plannen niet realistisch zijn.
Bijvoorbeeld door beschermde dorpsgezichten, radarstations en schade bij vorst of een wisselend waterpeil voor zon op water. Met wat boerenverstand kunnen veel kostbare onderzoeken achterwege blijven. Ook komen de RES-plannen en gemeentelijke visies, verkiezingsprogramma's en coalitieakkoorden vaak niet overeen. 7. De indiener is geen voorstander van de inzet van biomassa als oplossing voor als het niet waait en de zon niet schijnt. Dit vergroot het stikstofprobleem. De indiener pleit voor kernenergie als oplossing, en ziet graag dat er doorgegaan wordt met gaswinning. Ook wijst de indiener erop dat er rekening gehouden moet worden met de plannen van Defensie en de dreigende nieuwe wereldorde.
Pagina 72 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
Antwoord 1. Zon op dak, en de door de indiener andere genoemde technieken, vallen buiten de scope van het planMER. In de RES-en wordt overigens wel rekening gehouden met de autonome, trendmatige bijdrage van zon op dak in het behalen van de doelstellingen voor hernieuwbare energie. 2. Vanuit de zonneladder heeft zon op landbouwgrond niet de voorkeur. 3. Uit diverse onderzoeken komt naar voren dat de emissies van microplastics en Bisfenol A uit windmolens marginaal zijn ten opzichte van emissies uit andere bronnen als verkeer, industrie en landbouw. In de lucht gedragen deze stoffen zich als fijnstof, en worden diffuus verspreid over de provincie. De geringe uitstoot zorgt naar verwachting niet voor een meetbare lokale verhoging in concentraties rond windmolens. Hieruit volgt dat er geen meetbare effecten zijn op bodem- en watersysteem. Vanuit wetgeving rondom veiligheid wordt de omgeving beschermd tegen het falen van windturbines door het breken van een wiek of het omvallen van een turbine. In het geluidsonderzoek wordt gebruik gemaakt van een tijdgewogen, jaargemiddelde eenheid Lden waarin geluid in de avond en nacht extra zwaar wordt meegewogen. Daarnaast wordt in deze waarde, omdat dit een jaargemiddelde waarde is, rekening gehouden met de meteorologische omstandigheden door het jaar heen. 4.
Het bevoegd gezag van kleine windturbines en zon op dak van veehouderijen zijn gemeenten, niet provincie. Wij maken met ons beleid geen erfmolens onmogelijk. Wel gelden er eisen vanuit Europese natuurwetgeving. 5. Weidevogelgebieden zijn in dit onderzoek uitgesloten voor windturbines vanuit het provinciale beleid. Er wordt daarmee geen onderscheid gemaakt tussen erfmolens en dit onderzoek. 6. Juist door het inzichtelijk maken van milieueffecten kan dit planMER bijdragen aan het realistischer en haalbaarder maken van toekomstige RES-plannen. 7. We streven ernaar om als land onafhankelijker te worden in onze energievoorziening. De door de indiener genoemde alternatieven vallen buiten de scope van dit planMER en hebben mogelijk binnen een ander project een plek. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 179 Reactienummer:
179
Indiener:
NN
Samenvatting De indiener adviseert de provincie om de energietransitie te temporiseren, om in de tussentijd meer duidelijkheid te krijgen over de kosten van de energietransitie, gezondheidsrisico's van omwonenden, de wijze van opslag van energie en nodige ruimtebeslag hiervoor, de milieueffecten van de productie van windmolens en zonnepanelen. Daarnaast roept de indiener de provincie op om kritisch te zijn op aanvragen voor de bouw van energie- en waterverslindende datacenters, te investeren in klimaatadaptatie en in te zetten op atoomenergie. Antwoord Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. Wij zijn op de hoogte van de laatste informatie over zonne- en windenergie. Hiervoor worden de laatste wetenschappelijke inzichten gebruikt. Deze zien geen noodzaak tot het temporiseren van de energietransitie. We streven ernaar om als land onafhankelijker te worden in onze energievoorziening. Dit is afgesproken in het klimaatakkoord. Hiervoor is wind op land noodzakelijk. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 180 Reactienummer:
180
Pagina 73 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
Indiener:
NN
Samenvatting Indiener vindt de benadering rondom de geluidsnormen uitermate zorgwekkend. Een afstand van 250 meter getuigd niet van een voorzorgsprincipe. Veel omwonenden zullen ernstige hinder ondervinden. Ook is het merkwaardig dat uitgegaan wordt van jaargemiddelden. Gelderland is te dicht bevolkt voor windmolens op land. Er kan niet voldoende afstand gehouden worden tot omwonenden. Antwoord Zie het kopje ‘Effecten op gezondheid en het voorzorgsbeginsel’ in hoofdstuk 2 ‘Veelgestelde vragen in de zienswijzen’. Om de effecten op de omgeving zorgvuldig in beeld te brengen zijn in het planMER diverse geluidsniveaus doorgerekend. Ook is hier een percentage gehinderden aan verbonden. Het is aan de RES-partners in het RES-proces om hier vervolgens over te beslissen. Voor geluid wordt een Lden waarde gebruikt. Dit is een tijdgewogen, jaargemiddelde waarde waarin rekening wordt gehouden met wisselende meteorologische omstandigheden. Het tijdgewogen aspect houdt in dat geluid dat in de avond en nacht klinkt zwaarder wordt meegenomen dan geluid dat overdag klinkt, wanneer er veel omgevingsgeluid aanwezig is. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 181 Reactienummer:
181
Indiener:
NN
Samenvatting Zie ook reactienummer 65 in dit hoofdstuk. Aanvullend vraagt de indiener aandacht voor het 'windturbinesyndroom'; een reeks gezondheidsklachten specifiek komen voort uit geluidsproductie van windturbines. De mentale en fysieke impact van windturbines op omwonenden moet serieus genomen worden. Dit verdient een diepere analyse binnen het planMER, ook moet er meer onderzoek gedaan worden naar lange termijn gevolgen voor de gezondheid van bewoners. Antwoord Geluidshinder kan indirect slaapverstoring of andere gezondheidsproblemen, zoals hart- en vaatziekten en mentale gezondheidsproblemen, veroorzaken. Er is echter geen causaal verband aangetoond tussen geluidshinder door windturbines en gezondheidsklachten. Deze klachten zijn voornamelijk gerelateerd aan niet-akoestische factoren in plaats van het daadwerkelijke geluidsniveau (de berekende geluidbelasting). Bij participatie- en besluitvormingsprocessen en de ontwikkeling van plannen zijn niet-akoestische factoren een belangrijk aandachtspunt. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 183 Reactienummer:
183
Indiener:
NN
Pagina 74 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
Samenvatting De indiener vraagt aandacht voor de opgenomen zoekgebieden die grenzen aan natuurgebieden, zoals het Aaltense Goor. Deze gebieden zijn tot stand gekomen binnen kaders van wet- en regelgeving, echter, de indiener acht het noodzakelijk om extra aandacht te vragen voor de impact op het landschap en de ecologische waarden. Hoge windturbines domineren de horizon en hebben effect op grote schaal. De plaatsing van windturbines in gebieden als het Aaltense Goor doet afbreuk aan de beleving en het open en weidse karakter van het landschap. Daarnaast wordt de regio minder aantrekkelijk. Windturbines hebben negatieve gevolgen voor flora en fauna. De wijze waarop het landschap is opgebouwd zorgt voor waardevolle ecologische stapstenen binnen het grotere natuurnetwerk. Het verstoren van de leefomgeving van o.a. vogels en vleermuizen staat haaks op het natuurbeleid van de provincie. De indiener pleit voor een heroverweging van zoekgebieden, waarbij de focus wordt verlegd naar locaties met minder landschappelijke en ecologische impact, als industrieterreinen en infrastructuurbundels. In de buurt van natuur moeten mitigerende maatregelen verplicht gemaakt worden. Antwoord De door de indiener genoemde milieueffecten zijn beschreven in de onderzoeksgebieden van het planMER. Het is aan de RES-partners in het RES- proces om dit mee te wegen in hun aanwijzing van zoekgebieden.
Voor de beantwoording van vragen over de regionale aanvulling zie beantwoording in hoofdstuk 6, reactienummer 184.
Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 185 Reactienummer:
185
Indiener:
NN
Samenvatting 1. De indiener stelt dat er geen recht wordt gedaan aan het voorzorgsbeginsel en stelt dat de doelen van de energietransitie boven het belang van omwonenden wordt gesteld. De indiener deelt hierbij de zorg en angst dat het gezondheidsperspectief van omwonenden totaal wordt gebagatelliseerd. 2. De indiener heeft de angst dat het mooie Gelderse landschap een hel wordt om in te wonen, rust te vinden. Dit terwijl de regio juist wordt aangemerkt als groeiregio. 3. De indiener stelt dat het beoordelingskader van het aspect geluid de gezondheidseffecten van Laagfrequent Geluid (LFG) en infrasoon geluid missen in het onderzoek. Hierop aanvullend stelt de indiener dat er ook andere tekortkomingen zijn van het gebruik van Lden 1. Duitse en Nederlandse metingen wijzen op veel ILFG op grote afstand; 2. Bepalingen van geluidcontouren volgens ISO-9613-2 een onacceptabele onderschatting van de, ook nachtelijke, hinder; 3. Hoge windturbines kennen geen lagere geluidbelasting. 4. De indiener stelt dat de hantering van de Lden-norm ongeschikt is voor het meten van windturbinegeluid, omdat windturbines geen stationaire belasting kennen maar een variabele belasting. 5. De indiener wijst op de gezondheidsgevolgen onder omwonenden van windturbines en noemt hierbij een verhoogde kans op o.a.
stress, hoge bloeddruk, hart- en vaatzieken, depressie, angst, concentratie-, slaap- en immuunproblemen/stoornissen en noemt hierbij ILFG als belangrijkste veroorzaker.
Pagina 75 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
6. De indiener stelt dat bij slijtage van turbinebladen schadelijke stoffen vrijkomen, zoals BPA. De indiener stelt dat dit sterk negatieve invloed heeft op waterkwaliteit en daarmee gezondheid voor mens, dier, en gewassen. 7. De indiener wijst de provincie op de zorgplicht van de overheid. 8. De indiener betwijfelt de noodzaak van wind op land en verwijst hierbij naar andere combinaties van energiebronnen (zon op dak, wind op zee). Antwoord 1. Zie het kopje ‘Effecten op gezondheid en het voorzorgsbeginsel’ in hoofdstuk 2 ‘Veelgestelde vragen in de zienswijzen’. Het gezondheidsperspectief van omwonenden is daarmee niet ondergeschikt aan de doelen van de energietransitie. 2. De Provincie Gelderland deelt deze zorg. In hoofdstuk 5.2 van het planMER wordt daarom onderzocht wat de mogelijke effecten op het Gelders landschap zijn. Dit zijn bijvoorbeeld het verstoren van structuren en het aantasten van de openheid van het landschap. 3. Het planMER hanteert of bepaalt geen afstandsnorm, maar onderzoek effecten. In hoofdstuk 5.3 wordt uitgebreid ingegaan op de effecten van geluid van windturbines bij verschillende afstanden en de relatie tot voormalige normen, mogelijk nieuwe normen en advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie en de verschillende uitgangspunten en inzichten rondom geluid. Deze informatie kunnen de RES-partners gebruiken bij hun afwegingen van de zoekgebieden.
4. De Lden norm is een tijdgewogen, jaargemiddelde norm. In deze norm wordt rekening gehouden met de weersvariatie over het jaar, en wordt geluidsbelasting in stille momenten als de avond en nacht zwaarder meegerekend. Hiermee geeft de norm invulling aan de diversiteit van de geluidsbeleving. 5. Geluidshinder kan indirect slaapverstoring of andere gezondheidsproblemen, zoals hart- en vaatziekten en mentale gezondheidsproblemen, veroorzaken. Er is echter geen causaal verband aangetoond tussen geluidshinder door windturbines en gezondheidsklachten. Deze klachten zijn voornamelijk gerelateerd aan nietakoestische factoren in plaats van het daadwerkelijke geluidsniveau (de berekende geluidbelasting). Bij participatie- en besluitvormingsprocessen en de ontwikkeling van plannen zijn niet-akoestische factoren een belangrijk aandachtspunt. In het planMER (paragraaf 5.3) is beschreven dat het laagfrequent geluid van windturbines vergelijkbaar is als van andere bronnen als verkeer. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de voormalige norm van 47 dB voldoende rekening houdt met laagfrequent geluid. Dit is daarom niet onderzocht. 6. Uit diverse onderzoeken komt naar voren dat de emissies van microplastic en Bisfenol A uit windmolens marginaal zijn ten opzichte van emissies uit andere bronnen als verkeer, industrie en landbouw.
In de lucht gedragen deze stoffen zich als fijnstof, en worden diffuus verspreid over de provincie. De geringe uitstoot zorgt naar verwachting niet voor een meetbare lokale verhoging in concentraties rond windmolens. Hieruit volgt dat er geen meetbare effecten zijn op bodem- en watersysteem. 7. Zie de reactie op vraag 1. Met het uitvoeren van de mer-procedure geven we invulling aan de zorgplicht voor het milieu. 8. Wind op land is noodzakelijk in het behalen van de doelstellingen voor duurzame energieopwek in 2030. Alleen windenergie op zee is zeker niet voldoende. Daarnaast is het transport vanuit zee naar land een enorme maatschappelijke kostenpost en streven we ernaar om uiteindelijk als land onafhankelijker te worden in onze energievoorziening. Ook zon op dak valt buiten de scope van de RES-en en daarmee ook buiten de scope van het planMER. In de RES-en wordt overigens wel rekening gehouden met de autonome, trendmatige bijdrage van zon op dak in het behalen van de doelstellingen voor hernieuwbare energie. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 186 Reactienummer: