reactienota planMER Windbeleid
Tekst van het document
Dit is opgenomen in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau die eerder ter inzage heeft gelegen. Het planMER biedt de basisinformatie rondom geluidsafstanden om, zodra landelijke normen bekend zijn, dit mee te nemen in de afweging. Zie ook reactienummer 82 en 133. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 85 Reactienummer:
85
Indiener:
NN
Samenvatting 1. Indiener benoemd dat windmolens met een tophoogte van 246 meter niet geschikt is voor landelijk gebied, gezien de impact op het landschap en de mens. Uit onderzoek blijkt dat grote windmolens op land het landschap ingrijpend veranderen, dit leidt tot een verlies aan biodiversiteit en het verstoren van het cultuurhistorische karakter van gebieden. Windmolens van dergelijke afmetingen kunnen beter op zee geplaatst worden, zoals wordt aanbevolen in het Nationaal Kader Windenergie. 2. De beoordeling van zoekgebied AH36 dient sterk negatief te scoren op het thema landschap. Het gebied AH36 wordt gekarakteriseerd als een iconisch landschap van Gelderland en is van groot belang voor cultureel erfgoed en recreatieve waarden. Dit gebied moet uitgesloten worden van windenergie. 3. De gehanteerde norm van 47 dB voor geluidshinder van windmolens is volgens wetenschappelijke studies te hoog. Vanwege gezondheidseffecten moet een strengere norm van maximaal 40 dB worden aangehouden, vooral in kwetsbare gebieden zoals AH36. De afstand van 435 meter tot kwetsbare omgevingen is volgens wetenschappelijke bronnen te kort. Volgens de gezondheidsraad zouden windturbines minstens 1.000 meter van woonwijken verwijderd moeten zijn om impact te minimaliseren. Antwoord Pagina 42 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
1. In het planMER zijn de effecten van de genoemde windmolens in beeld gebracht. Hieruit volgen inderdaad effecten op het landschap, natuur, cultuurhistorie en de leefomgeving. Het is aan de RES-partners om af te wegen wat acceptabele effecten zijn binnen de kaders van wet- en regelgeving. 2. De Regionale Aanvulling beschrijft enkel de milieueffecten van windenergie in de zoekgebieden, zodat overheden deze kunnen betrekken bij later te maken afwegingen. Alle zoekgebieden zijn beoordeeld op de thema's natuur en landschap. Zoekgebied AH36 krijgt een sterk negatieve beoordeling op het beoordelingscriterium GNN vanwege de aanwezigheid van natuurgebied. Voor het thema landschap zijn landschappelijke waarden en visuele dominantie meegenomen in de beoordeling. Hierin is het benoemen van iconische landschappen in de Regionale Aanvulling niet als criterium meegenomen. Specifieke toetsing op lokaal niveau vindt plaats bij de uitwerking van een eventueel concreet windproject. Dit geldt ook voor het thema landschap. 3. In de hoofdrapportage en in de Regionale Aanvullingen zijn geen normen gehanteerd, maar is gewerkt met afstanden van verschillende geluidscontouren. Op deze manier is het effect van verschillende (mogelijke) normen in de toekomst inzichtelijk gemaakt.
Specifieke geluidsberekeningen en toetsing aan geluidsnormen vindt plaats bij de uitwerking van een eventueel concreet windproject. Hierbij kan ook specifiek worden ingegaan op de verschillende vormen van hinder voor de leefomgeving als gevolg van geluid, zoals ook eventueel laagfrequent geluid. 4. Wetenschappelijke bronnen geven niet aan dat een afstand van 435 meter te kort is of een afstand van 1000 meter gehanteerd zou moeten worden. Het planMER toont effecten aan bij verschillende afstanden. Er is momenteel geen norm. Het is aan de RES-partners om af te wegen wat een acceptabel hinderniveau is, en welke afstand daarbij hoort. Daarbij kan onder meer informatie uit het planMER gebruikt worden. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 86 Reactienummer:
86
Indiener:
NN
Samenvatting Voor de samenvatting van vragen over de regionale aanvulling zie samenvatting in hoofdstuk 6, reactienummer 87. Indiener vraagt hoe er rekening is gehouden met zaken buiten de provinciegrenzen, bijvoorbeeld of woningen buiten de provinciegrens meetellen voor de weging van de hinder door geluid en slagschaduw, en of er rekening is gehouden met cultuurhistorisch erfgoed buiten de provinciegrens. Antwoord In het planMER is ook rekening gehouden met (bijvoorbeeld) woningen, natuurgebieden en cultuurhistorische waarden buiten de provincie, voor zover hier effecten te verwachten waren. Deze onderwerpen worden op dezelfde manier beoordeeld als dat binnen de provinciegrenzen gedaan wordt. Voor de beantwoording van vragen over de regionale aanvulling zie beantwoording in hoofdstuk 6, reactienummer 87. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 89 Reactienummer:
89
Indiener:
Kennisnetwerk Arnhem Nijmegen Pagina 43 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
Samenvatting De indiener dient zienswijzen in op de NRD voor het milieuonderzoek rondom de RES2.0 van de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen en de vastgestelde RES1.0. Antwoord De zienswijze gaat in op de RES-1.0 en het planMER bij de RES2.0 van de Groene Metropool Arnhem-Nijmegen (GMR). Deze documenten zijn geen onderdeel van het provinciale planMER Windbeleid en RES, lagen niet ter inzage en stonden niet open voor zienswijzen. Wij gaan daarom niet in op vragen die daar betrekking op hebben. De GMR heeft eigenstandig de milieueffecten van windenergie in beeld gebracht met een regionale planMER. Eventuele vragen over milieueffecten van windenergie in de GMR, eventueel in relatie tot de regionale verdieping, adviseren wij contact op te nemen met de regio.
Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 91 Reactienummer:
91
Indiener:
't Schoutenhuis b.v.
Samenvatting Zie reactienummers 81, 82 en 133. Antwoord Zie reactienummers 81, 82 en 133.
Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 93 Reactienummer:
93
Indiener:
NN
Samenvatting 1. Indiener vraagt verduidelijking rondom de uitgangspunten rondom de RES-ambities en huidige situatie van de realisatie van deze ambities. Wat betekent de 'pijplijn', en hoe verhoudt het meetmoment van 2023 zich tot de vaststelling van de RES in 2021? 2. Indiener vraagt zich af hoe de MER-beoordelingen in dit rapport samenhangen met de pijplijn. Is de pijplijn getoetst aan de MER-beoordeling, en zo ja, waar is dit terug te vinden? 3. Tussen de pijplijn gepresenteerd in tabel 2.1 en de pijplijn gepresenteerd in tabel 12.1 zitten verschillen. Waarom is dit niet kritisch geëvalueerd, en worden de substantiële verschillen afkomstig uit dezelfde bron, namelijk 'de regio's' slechts verklaard vanuit uniforme methodiek en weging van projecten? 4. Kan aanvullend op de stukken een rapportage worden gemaakt van wat de reële verwachting is voor opwek van duurzame energie in Gelderland door zon en wind in 2030 per RES? Pagina 44 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
5. In de regio lijkt nagenoeg geen wind mogelijk te zijn, hierdoor kan de ambitie niet gerealiseerd worden. Waarom wordt in de regionale verdieping geen optelsom gemaakt van realistische hoeveelheid wind? Als de tabellen geïnterpreteerd worden met het oog op congestie, natuur en leefomgeving, dan lijkt er weinig ruimte te zijn voor nieuwe ontwikkelingen. Klopt dan de conclusie wel dit laat zien dat de regio ook daadwerkelijk werk maakt van de energietransitie? En wat rechtvaardigt de naam 'groene metropoolregio'? 6. In hoeverre concludeert de provincie dat op basis van de planMER-analyse voor warmte de geïnventariseerde problemen met geothermie, biomassa en aquathermie - hierin worden diverse risico's gezien en deze technieken zijn mogelijk MER-plichtig - de focus gezet wordt op het benutten van restwarmte, aangevuld met collectieve warmtepompen? Een duidelijke keuze zal veel onderzoekstijd besparen, en geeft de industrie de mogelijkheid om te investeren in restwarmte. Met zo'n focus kan de realisatie in gang gezet worden. Antwoord 1. Voor het bepalen van de voortgang van de RES-ambitie is aangesloten bij de monitoringsgegevens van NPRES. Pijplijn wordt gezien als plannen die in ontwikkeling zijn, bijvoorbeeld locaties waar procedures voor zijn gestart, of die verankerd zijn in omgevingsbeleid. 2. De pijplijn-locaties zijn eveneens onderzocht op milieueffecten.
Alleen locaties waar al een omgevingsvergunning voor is verleend worden gezien als autonome ontwikkeling. In paragraaf 12.2 wordt geëvalueerd waar deze verschillen vandaan komen. Hier wordt besproken dat projecten die in de pijplijn zitten vanwege diverse redenen niet altijd gerealiseerd worden. Appcentive houdt hier, in tegenstelling tot NPRES, rekening mee. Ook wordt in deze paragraaf beschreven dat deze verschillen geen effect hebben op de resultaten en conclusies. 3. Onderliggend onderzoek is uitgevoerd om in de in RES-verband afgesproken doelen in 2030 te behalen. 4. Deze vraag gaat in op de regionale verdieping Groene Metropool Arnhem-Nijmegen (GMR), een document dat niet onderdeel is van het provinciale planMER Windbeleid en RES. Deze verdieping niet ter inzage heeft gelegen en stond niet open voor zienswijzen. Wij gaan daarom niet in op vragen die daar betrekking op hebben. De GMR heeft een eigenstandig de milieueffecten van windenergie in beeld gebracht met een regionale planMER. Eventuele vragen over milieueffecten van windenergie -eventueel in relatie tot de regionale verdieping- in de GMR adviseren wij contact op te nemen met de regio. 5. Binnen de warmtetransitie is het belangrijk dat de warmtebron past bij de warmtevraag.
De warmtecapaciteit van restwarmte en/of warmte uit de lucht of water voor warmtepompen is niet altijd voldoende voor grote bedrijven met een grote warmtevraag. Hierom kunnen niet op voorhand technieken uitgesloten worden. Daarnaast kent ook het transport van warmte door buisleidingen, nodig voor het transport van restwarmte, een MER-plicht. Kortom, in de warmtetransitie is een goede match van warmtebron met warmtevraag nodig, dit vergt aanvullend onderzoek.
Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 94 Reactienummer:
94
Indiener:
NN
Samenvatting
Pagina 45 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
Zie reactienummer 69 in dit hoofdstuk.
Antwoord Zie reactienummer 69 in dit hoofdstuk.
Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 95 Reactienummer:
95
Indiener:
Gemeente Winterswijk
Samenvatting 1. De indiener vraagt de provincie om de zoekgebieden in gemeente Winterswijk te beperken tot zoekgebied N1/AH47.
2. De indiener benoemt dat de zoekgebieden nu doorlopen tot op de Duitse grens. Ze wijst de provincie erop dat ze denkt dat bij een goed burenbeleid met Duitsland past om enige afstand te houden tot de grens, denk bijvoorbeeld aan de tiphoogte van de windmolen. Dit sluit aan bij de houding van de indiener en de provincie ten opzichte van de molens die op dit moment in Duitsland in procedure zijn. 3. De indiener vraagt om ook effecten in Duitsland op de kaarten zichtbaar te maken. Nu is dit een wit vlak, dit lijkt alsof hier geen rekening mee gehouden wordt. 4. De indiener is blij dat de provincie, volgens het Espoo Verdrag, de relevante bevoegde autoriteiten in Duitsland hierover informeert. Antwoord 1. In het planMER zijn alle technisch mogelijke gebieden onderzocht op milieueffecten. Aan het planMER is geen besluit gekoppeld, er zijn alleen milieueffecten in kaart gebracht. Het is aan de bestuurders zelf om een afweging te maken over het wel of niet aanwijzen van zoekgebieden. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. Het is aan de gemeenten in de RES-regio's om hier een afweging in te maken. Er zijn afspraken met Duitsland en voortschrijdend afstemming. 2. De effectbeoordelingskaarten geven aan wat het effect is op een bepaald thema bij het plaatsen op die locatie waar de kleur aan gegeven is.
Een sterk negatief effect direct aan de grens kan dus een indicatie geven van bijvoorbeeld de aanwezigheid van woningen in Duitsland. 3. Dank voor uw reactie Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 97 Reactienummer:
97
Indiener:
Sportvisserij MidWest Nederland
Pagina 46 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
Samenvatting Zie reactienummer 78 in dit hoofdstuk de zienswijze op deze specifieke locatie geldt ook voor andere locaties en situaties voor de hengelsport. Antwoord Zie antwoord bij reactienummer 78 in dit hoofdstuk waarbij geldt dat de argumenten ingebracht kunnen worden in de betreffende RES-regio. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 99 Reactienummer: Indiener:
99
Nederlandse Vereniging Duurzame Energie
Samenvatting De indiener is blij met dat de provincie het voortouw neemt om potentiële gebieden voor wind en zon goed in beeld te brengen, en daarnaast aandacht heeft voor duurzame warmtebronnen. Dit biedt een stevige basis voor het ontwikkelen van gemeentelijk beleid en het komen tot een RES2.0 of RES-herijking. Uit de NPRES-foto van 2024 blijkt dat Gelderland van alle Nederlandse provincies het verst verwijderd is van het RESbod voor 2030. Dat is zonde, Gelderland heeft veel mogelijkheden om wind- en zonne-energie te combineren. Daarnaast is het hard nodig om stroom te leveren aan nieuwe ontwikkelingen. Vaak wordt de discussie over windmolens gevoerd in termen van wat mooi of lelijk is. En niet op basis van de vraag waar ons energiesysteem, en daarmee de mogelijkheid om woningen of bedrijfsuitbreidingen te ontwikkelen, behoefte aan heeft. Een benadering waarbij het energiesysteem meer leiding is in de keuze voor locaties zou verstandig zijn. Richting 2050 is de hoeveelheid benodigde duurzame energie nog groter. We juichen het van harte toe dat de provincie nu voor potentiële gebieden heeft laten zien wat de potentie is van duurzame opwek en welke effecten daarvan te verwachten zijn. De indiener hoopt dat het onderzoek gemeenten aanmoedigt om kansen voor duurzame opwek te omarmen en met open vizier te kijken naar de potentie van de zoekgebieden.
Ontwikkelaars zien mogelijkheden voor nieuwe projecten en staan klaar om Gelderse ondernemers en burgers van schone stroom te voorzien. De indiener is van mening dat de contourafstanden van de referentieturbines bij verschillende geluidsniveaus te groot zijn voor het aantal decibellen. Met het toepassen van stille turbines en modi's kan het aantal decibels Lden worden bereikt op significant kortere afstanden. Door deze uitsluiting te hanteren worden onterecht geschikte gebieden uitgesloten. Dit zorgt ervoor dat locaties die wel geschikt zijn niet in de vervolgstappen meegenomen worden, en daarmee geen onderdeel van de afweging zijn. Antwoord Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. Contourafstanden van diverse turbines zijn inderdaad met maatregelen te verkleinen. Het onderzoek is indicatief voor de effecten om een beeld te krijgen van mogelijke milieueffecten in de gehele provincie, en zoekgebieden met elkaar te vergelijken. In nader onderzoek bij een concreet project kan dit gedetailleerder bekeken worden. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 129 Pagina 47 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
Reactienummer:
129
Indiener:
NN
Samenvatting De indiener maakt bezwaar tegen de uitbreiding van een zonnepark en tevens ook tegen hogere windmolens dan de bestaande. De indiener vindt de bestaande hoogte prima, deze is minder schadelijk voor mens en dier. Antwoord Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. Het planMER geeft inzicht in de milieueffecten van zonnevelden en windenergie. De afweging over gebieden en ook hoogtes wordt gemaakt door de RES-partners in een vervolgproces. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 132 Reactienummer:
132
Indiener:
't Schoutenhuis B.V.
Samenvatting Zie reactienummers 81, 82 en 133. Antwoord Zie reactienummers 81, 82 en 133. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 135 Reactienummer:
135
Indiener:
NN
Samenvatting Zie reactienummer 29 in dit hoofdstuk.
Antwoord Zie reactienummer 29 in dit hoofdstuk.
Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 138 Reactienummer:
138
Indiener:
Hako Techniek
Pagina 48 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
Samenvatting Zie reactienummer 29 in dit hoofdstuk.
Antwoord Zie reactienummer 29 in dit hoofdstuk.
Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 140 Reactienummer:
140
Indiener:
NN
Samenvatting 1. De indiener onderschrijft de alternatieven die in het planMER worden onderzocht. Verder benoemt de indiener dat de rapporten een grote hoeveelheid onoverzichtelijke informatie delen. Omdat er nog geen definitieve normen zijn bevatten de rapporten daarnaast slechts voorlopige conclusies. De rapporten bieden aan het bevoegde gezag nog onvoldoende handvatten en onvoldoende transparante weging van effecten en criteria om gebieden te kunnen rangschikken en beoordelen.
2. Daarnaast zijn de criteria niet compleet. Er ontbreekt onderzoek naar het vrijkomen van plastic deeltjes en chemische stoffen door slijtage van windturbinebladen. Voor zonnevelden ontbreekt onderzoek naar bodem en bodemleven door bedekking van panelen. 3. De criteria worden in de regionale aanvulling en verdieping verschillend toegepast. Dit leidt tot verschillende wegingen en wel of niet afwijzen van zoekgebieden. Hier moet in gekozen worden welke benadering beter is. De indiener gaat ervan uit dat het bevoegd gezag beleidsvrijheid heeft om de weging van criteria naar eigen inzicht en omstandigheden toe te passen, mits gemotiveerd, en ziet dit graag bevestigd. 4. De indiener stelt dat het planMER met achterhaalde getallen uit 2022 werkt m.b.t. de realisatie van zonne- en windenergie. Ook wordt er onvoldoende rekening gehouden met zon op dak, dit geldt eveneens voor de RES1.0. Ook wordt de verscherpte zonneladder niet meegenomen, dit speelt een cruciale rol bij de rangschikking van gebieden voor zonne-energie. Zon op dak is meer bepalend dan zonneparken. Op daken is nog veel beschikbaar potentieel, dit moet meegenomen worden. De zon-windbalans is dermate zoek dat dit een extra rem moet zijn op grootschalige zonneparken. Er is beleidsruimte en voldoende reden om grote zonneparken als een substantieel landinrichtingsproject te kwalificeren. 5.
De indiener vraagt om apart rekening te houden met de ecologische verbindingszones, ook al maken deze doorgaans deel uit van Groene Ontwikkelingszones. De indiener vraagt om in de regionale aanvulling ook rekening te houden met Nationaal Landschap. 6. De indiener concludeert dat in de tabellen voornamelijk negatieve effecten benoemd worden. In het provinciaal beleid hecht de provincie hier veel waarde aan, en acht de provincie deze thema's leidend. Ook vanuit de samenleving is er groeiende weerstand. Er moet naar meer alternatieven gezocht worden om de nadruk op windmolens te verminderen. Vanuit het planMER moet de provincie de conclusie trekken dat verreweg het grootste deel van Gelderland in principe ongeschikt is voor grote windmolens. De indiener adviseert de provincie om door te gaan met het stimuleren van zon op dak in combinatie met batterijen. Antwoord
Pagina 49 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
1. Het planMER biedt objectieve milieu-informatie over de verwachte effecten van windenergie en zonne-energie. Het is niet de bedoeling dat een planMER al gebieden of effecten weegt, dit is aan de RES-partners in het vervolgtraject. De RES-partners kunnen bij deze weging ook andere informatie betrekken, bijvoorbeeld informatie vanuit de omgeving of gemeentelijk beleid. Zodra de nieuwe normen bekend zijn kunnen deze in het besluit meegenomen worden. Hierbij benoemen we nog dat álle windparken moeten voldoen aan de dan geldende wet- en regelgeving. Bij een vergunningsaanvraag wordt dit getoetst. 2. Zie de reactie bij zienswijze 23, vraag 6. In paragraaf 5.9.2 van het hoofdrapport planMER is beschreven welke effecten op kunnen treden rondom bodemkwaliteit, en waarom dit niet is onderzocht. De bodemkwaliteit kan inderdaad achteruitgaan door het toevoegen van verhard oppervlakte, of het gebruiken van materialen voor de constructies. Op provinciaal en regionaal schaalniveau zorgt dit thema niet voor onderscheidende effecten. Bij concrete projecten kan verder onderzocht worden welke effecten verwacht worden, en of er maatregelen getroffen kunnen worden om dit te beperken. 3. De uitgangspunten van de regionale aanvulling en verdieping zijn op onderdelen verschillend. De regionale aanvullingen zijn meer realistisch en sluit aan op de wensen van de regio.
De regionale verdiepingen zijn geen onderdeel van het planMER en er is in het planMER dan ook geen sprake van keuzen tussen beide. Het bevoegd gezag kan inderdaad gebruik maken van de informatie uit het MER en indien gewenst ook uit de regionale verdiepingen, mits gemotiveerd. 4. In het planMER is inderdaad geen onderzoek gedaan naar zon op dak. Zon op dak is een kleinschalige oplossing met zeer beperkte milieueffecten. Daarnaast is zon op dak niet mer-beoordelingsplichtig. In de RES'en wordt rekening gehouden met de bijdrage van zon op dak aan de ambitie. 5. De ecologische hoofdstructuur (EHS) is op dit moment geen geldend beleid. In 2013 is dit opgegaan in Natuurnetwerk Nederland (NNN). De EHS-gebieden die nog niet zijn ontwikkeld vallen onder de Groene Ontwikkelingszones. Beide zijn meegenomen in het onderzoek. 6. Uit het onderzoek naar netinpassing blijkt dat voor een goede balans op het elektriciteitsnet een combinatie van wind en zon nodig is. Omdat er al veel zonne-energie wordt opgewekt in de provincie, is het nodig om dit aan te vullen met windenergie. Overige technieken vallen buiten scope van dit planMER. In het planMER zijn de effecten onderzocht van eventuele initiatieven voor wind, zon en warmte, maar wordt geen uitspraak gedaan over de wenselijkheid van deze oplossingen. Dit is aan de RES-partners in het vervolgtraject.
Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 143 Reactienummer:
143
Indiener:
Pure Energie Ontwikkeling B.V.
Samenvatting De indiener waardeert de inspanningen van de provincie om een gedegen kader te creëren voor windenergieontwikkelingen. 1. In tabel 3.1 van het hoofdrapport staat een opsomming van windprojecten in ontwikkeling binnen de provincie. Deze projecten zijn nog niet gerealiseerd en worden beschouwd als autonome ontwikkeling. In deze lijst ontbreken mogelijk de al gerealiseerde windprojecten die ook invloed hebben op de ontwikkelruimte binnen de provincie en het beleid. Daarnaast ontbreken de projecten in andere provincies of Duitsland op relatief korte afstand van de provinciegrens.
Pagina 50 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
2. De indiener plaatst vraagtekens bij het onderzoek naar netcapaciteit. Dit is geen milieuaspect, en een tijdelijk probleem. Door het meenemen van dit aspect krijgen locaties onterecht een mogelijk negatievere beoordeling, terwijl dit issue tegen de tijd van realisatie al verholpen kan zijn. Ook wordt enkel uitgegaan van een reguliere netaansluiting, terwijl er creatieve manieren zijn om met netcongestie om te gaan. De indiener verzoekt dit aspect achterwege te laten of de beoordeling minder zwaar te laten wegen. 3. De indiener is van mening dat de referentieturbine met een tiphoogte van 178,5 meter niet realistisch is in de huidige markt. Een grotere hoogte en rotor zijn nodig om de productie per turbine te verhogen, hiermee zijn de kosten per opgewekte kWh later, wat nodig is voor een verantwoorde financiële investering. Dit alles maakt dat het in dit stadium van belang is om een zo groot mogelijke windturbine als uitgangspunt te nemen. Deze leveren een grotere bijdrage aan de opgave, resulteren onder aan de streep in minder milieueffecten en zijn met het oog op leverbaarheid en subsidieregelingen een vereiste voor de haalbaarheid van nieuwe projecten. De indiener verzoekt de provincie om aansluiting te vinden bij de bandbreedte die wordt gehanteerd in het planMER nationale windturbinebepalingen (150180 m ashoogte en 170-200 m rotordiameter). 4.
De indiener roept de provincie op om bij het opstellen van het nieuwe beleid rekening te houden met het opnemen van voldoende overschot aan ruimte voor windenergie. Er is geen garantie dat alle gebieden die in de RES zijn aangewezen ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. De risicomarges in de RES'en zijn behoorlijk krap. Daarnaast spelen er diverse ontwikkelingen (wespendief, nieuwe normen) die invloed kunnen hebben op de ontwikkelruimte en haalbaarheid van initiatieven. 5. De indiener ondersteunt de visie uit Onderzoeksrapport Netinpassing om de RES-doelstellingen te behalen door vanaf nu in te zetten op windenergie. Dit heeft vanuit het energiesysteem bezien de sterkste voorkeur. De indiener gaat ervan uit dat de provincie deze inzichten uitdraagt bij gemeenten en belanghebbenden. Voor de samenvatting van vragen over de regionale aanvulling zie samenvatting in hoofdstuk 6, reactienummer 144. Antwoord 1. De genoemde tabel is een overzicht van de meegenomen autonome ontwikkelingen. Al gerealiseerde windparken zijn meegenomen in de huidige situatie. Hier is geen locatieoverzicht van opgenomen, deze zijn verwerkt in de cijfers van de stand van zaken van de RES-ambities. Autonome ontwikkelingen in Duitsland of in andere provincies zijn niet meegenomen.
Tijdens het opstellen van het onderzoek was er geen sprake van autonome ontwikkelingen in Duitsland of andere provincies binnen ongeveer 500 meter van de provinciegrens. 2. Netcapaciteit is inderdaad geen milieuthema. Het is echter wel een zeer bepalende factor in de haalbaarheid van de RES-doelen tot 2030. Door de beperkingen die netcapaciteit met zich meebrengt ook in beeld te brengen in het planMER ontstaat een completer beeld. Het toevoegen van netcapaciteit was een verzoek van de RES-regio's en is bovendien noodzakelijk om invulling te geven aan de verplichting tot het opstellen van 'redelijke alternatieven' in een planMER die volgt uit artikel 11.3 lid 1 onder f van het Omgevingsbesluit. Het is inderdaad zo dat er in individuele gevallen maatwerkoplossingen als cablepooling denkbaar zijn en dat er op langere termijn wellicht meer mogelijkheden zijn op met deze beperkingen om te gaan. Dat neemt niet weg dat netcapaciteit voor het ruimtelijk alloceren van de RESdoelstelling tot 2033/2035 wel degelijk een beperking kan vormen waarvoor bij de besluitvorming op RES-niveau aandacht nodig is. 3. In het planMER is een bandbreedte van referentieturbines onderzocht die, op het moment van onderzoeken, representatief was voor wat er op de markt werd aangeboden.
De referentieturbines zijn een middel om de bandbreedte van effecten op hoofdlijnen te bepalen, niet om specificatie van turbines in projecten voor te schrijven. Afwijken van de bandbreedte kan, mits aangetoond wordt dat de milieueffecten niet groter zijn dan de onderzoeken in het planMER uitwijzen. 4. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. De zogenaamde overprogrammering van windzoekgebieden is een onderwerp voor RES-partners, niet voor dit planMER.
Pagina 51 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
5. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. Het onderwerp netefficiency door o.a. gebruik van meer windenergie is een onderwerp voor RES-partners, niet voor dit planMER. Voor de beantwoording van vragen over de regionale aanvulling zie samenvatting in hoofdstuk 6, reactienummer 144.
Wijzigingen Uitgangspuntennotitie (bijlage 1 van de Regionale Aanvullingen) wordt aangepast; de genoemde 2e ontwerpvoorkeur wordt geschrapt.
Zienswijze 146 Reactienummer:
146
Indiener:
NN
Samenvatting 1. Indiener benoemt dat afwegingen over geluidhinder en het halen van klimaatdoelen gemaakt moeten worden op basis van goed onderzochte feiten. Hierbij moet de gezondheid van burgers doorslaggevend zijn. Nu is dit niet zo klimaatdoelen zijn gemaakt in een tijd waarin er nog weinig bekend was over geluidhinder, er is een sterke pro- windlobby, en de rol van het RIVM is onzuiver (ze voeren zelf geen onderzoek uit maar gebruiken externe rapporten). De indiener benoemt dat de afstand tot woningen minimaal 2 km moet zijn om hoorbare geluidsoverlast en overlast door laagfrequent geluid tegen te gaan. 2. De indiener maakt zich grote zorgen over de stoffen die vrijkomen door slijtage van windturbinebladen. De indiener roept op om meer onderzoek uit te voeren naar het vrijkomen van Bisfenol A en het effect van deze stof op het milieu. 3. De indiener benoemt dat windturbines hoger dan 150 m obstakelverlichting hebben, om zichtbaar te zijn voor vliegverkeer. Met een naderingsdetectiesysteem kan deze verlichting in de nacht uitgeschakeld worden om minder overlast voor omwonenden te veroorzaken. De indiener roept de provincie op om naderingsdetectie als een verplichte maatregel in haar beleid op te nemen, om naast hinder voor omwonenden, ook de impact op het Gelders landschap te voorkomen.
Tot slot wenst de indiener de provincie inzicht en wijsheid toe, en doet ze een beroep op de verantwoordelijkheid voor de gezondheid en het welzijn van inwoners van Gelderland. Antwoord 1. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. Het planMER biedt een overzicht van de mogelijke effecten van windturbines en zonnevelden op het milieu, en kan gebruikt worden bij een dergelijke afweging. In het planMER zijn actuele inzichten over de rol van geluid van windturbines op gezondheid betrokken. 2. Deze vraag is beantwoord bij reactienummer 23, vraag 6. 3. De provincie is een voorstander van de inzet van naderingsdetectie. Het is echter geen onderwerp dat onderdeel is van dit planMER. Het omvat geen beleidsvoornemen. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 150 Reactienummer:
150
Pagina 52 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
Indiener:
NN
Samenvatting De indiener stelt dat er geen cijfermatige onderbouwing is voor de noodzaak van extra windturbines. In het Onderzoeksrapport Netinpassing wordt beschreven dat in regio Foodvalley de verhouding wind-zon erg slecht is (3% zon, 97% wind voor gerealiseerde projecten samen met projecten in de pijplijn). Uit beide rapporten wordt geconcludeerd dat er meer windturbines nodig zijn in regio Foodvalley. Dit vindt de indiener prematuur. De indiener verzoekt de provincie om een cijfermatige onderbouwing op te stellen van alle windturbines die ten grondslag liggen aan de gerealiseerde 198 GWh windenergie en projecten in de pijplijn, om hiermee te onderbouwen waarom het nodig is om de RES1.0 aan te passen. Antwoord In de RES1.0 van de regio Foodvalley zijn afspraken gemaakt over Wind op Land en Zonne-energie. Voor een optimaal gebruik van het energiesysteem is er een gewenste verhouding nodig tussen wind en zonne-energie. In deze regio is van die verhouding geen sprake. Het is vooral aan de regio om voor de toekomst deze verhouding te heroverwegen en hierover eventueel nieuwe afspraken te maken. De regio die nauw samenwerkt met de netbeheerder beschikt of kan beschikken over de hiervoor noodzakelijke informatie. Een cijfermatige onderbouwing door provincie in het kader van dit planMER voegt hieraan niets toe. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 153 Reactienummer:
153
Indiener:
Gemeente Bronckhorst
Samenvatting 1. In het planMER is beschreven dat een objectieve afbakening van het onderzoeksgebied lastig is vanwege het ontbreken van wettelijke geluidsnormen en maatwerkoplossingen op projectniveau. Daarom wordt er gerekend met een minimale geluidsafstand van 210 m tussen een woning en een windturbine. De Regionale Aanvulling gaat echter uit van een afstand van 435m bij deze geluidsnorm. Op basis van de stand van zaken van de geluidsnormen kan aangenomen worden dat deze eerder strenger worden, daarnaast is jurisprudentie kritisch ten aanzien van molenaarswoningen bij windparken. De indiener is van mening dat een aanwijzing van molenaarswoning en het ontbreken van een geluidsnorm geen reden is om uit te gaan van een afstand van 210 m en roept de provincie op om de uitgangspunten en normen van het hoofdrapport aan te laten sluiten bij die van de Regionale Aanvulling RES-regio Achterhoek; deze normen en afstanden worden algemeen gebruikt door ruimtelijke analisten in de energietransitie. 2. In het rapport concludeert de provincie dat het kampenlandschap matig kansrijk tot kansrijk te maken zijn, met als onderbouwing dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan mogelijkheden om het landschap te versterken.
De indiener benoemt dat in de Achterhoek deze kleinschalige landschappen hoog gewaardeerd worden en daarmee niet geschikt gevonden worden voor grootschalige ontwikkelingen met een industrieel karakter als windturbines. De bewoording 'waardevol' en beoordeling 'sterk negatief' uit de Regionale Aanvulling sluit beter aan bij de opvatting van de indiener. 3. De indiener wijst erop dat, ondanks de toets- en compensatiemogelijkheden, windparken in natuurgebieden binnen het GNN zeer lastig te ontwikkelen zijn. In het hoofdrapport worden diverse natuurgebieden, en ook Nationaal Landschap, beschouwd als onderzoeksgebied voor windenergie. In totaal is hiermee ongeveer 445% van de RESdoelstelling in beeld. In het rapport wordt dit een overschatting genoemd, maar de indiener is van mening dat een dergelijke conclusie geen waarde kan hebben. De praktijk leert dat gezien de vele belemmeringen slechts een klein deel van alle onderzoeksgebieden beschikbaar zijn voor windenergie. Antwoord Pagina 53 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
1. In het planMER is uitgegaan van een minimumafstand van 210 meter om op voorhand een zo ruim mogelijk zoekgebied te hanteren. Een zo ruim mogelijk zoekgebied zorgt dat de RES-partners een zo volledig mogelijk overzicht krijgen van milieueffecten op locaties, dit is nodig voor een zorgvuldige afweging van alle mogelijke gebieden. Nu er geen landelijke normen zijn voor hinder door geluid is het aan bestuurders om hier uitspraken over te doen. 2. Het onderzoek naar landschap is een globale verkenning van effecten die verwacht kunnen worden in diverse landschapstypen. Het kampenlandschap kan zeer kleinschalig en besloten zijn, waardoor windturbines mogelijk uit het oog zijn. Bij concrete projecten zal dit nader onderzocht moeten worden. 3. Het planMER geeft een beeld van de technisch mogelijke gebieden en de daar verwachtte milieueffecten. Ook gaat ze in op de beleidsstatus van de gebieden, en de compensatieplicht die hier soms bij komt kijken. Vanuit het Gelders natuurbeleid is er de mogelijkheid om een vergunning aan te vragen voor duurzame energieopwek in natuurgebieden. Dit betekent dat het op voorhand niet mogelijk is om dit in het onderzoek uit te sluiten. Het is aan de RES-partners om hier een afweging in te maken, ook in relatie tot de overige mogelijkheden voor opwek in de regio. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.
Zienswijze 154 Reactienummer:
154
Indiener:
NN
Samenvatting Zie reactienummer 29 in dit hoofdstuk.
Antwoord Zie reactienummer 29 in dit hoofdstuk.
Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 157 Reactienummer:
157
Indiener:
NN
Samenvatting 1. De indiener heeft een WOO-verzoek ingediend en verzoekt de zienswijze als pro-forma te behandelen. 2. De indiener verzoekt de provincie om het planMER in lijn te brengen met onder andere Europese en nationale wet- en regelgeving, WHO adviezen, nationaal en provinciaal beleid, Algemene beginselen van behoorlijn bestuur, SMB-richtlijn, Verdrag van Aarhus en het huis van Thorbecke. 3. De indiener stelt dat omwonenden het participatieproces van de RES-sen en het planMER als schokkend en ondermaats ervaren. De indiener geeft aan dat inwoners weinig terugzien van hun inbreng in het planMER. Ook stelt de indiener dat er geen gehoor is gegeven aan het uitdaagrecht en vraagt zich af of er is voldaan aan artikel 2.8 Omgevingswet. Aanvullend stelt de indiener dat burgers pas in een te late fase meegenomen worden in het planMER proces waardoor er geen sprake is van reële invloed en zeggenschap van het eerste moment in het planproces. De indiener verzoekt de provincie om aan te geven hoe ze participatie in dit proces heeft ingericht en op basis van welke motiveringen. 4. De indiener stelt dat in de planMER, RES1.0 en komende RES 2.0 de gevolgen op de fysieke woon- en
Pagina 54 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
leefomgeving van mens en dier onvoldoende is meegenomen en verzoekt de provincie om alle maatschappelijke baten en kosten mee te nemen, waaronder op agrarische en recreatieve functies. 5. De indiener stelt dat de planMER en RES-sen op een onjuiste manier onder de naweeën van de Crisis- en herstelwet zijn voorbereid en verzoekt de provincie om aan te tonen dat er sprake is van de juiste juridische grondslag. 6. De indiener stelt dat uit het planMER onvoldoende blijkt of eventuele nadelige gevolgen van voortvloeiende besluiten voor belanghebbenden in verhouding zijn met het besluit te dienen doelen. 7. De indiener stelt dat het planMER niet inzichtelijk maakt wat de gevolgen zijn voor indieners gezondheid en welzijn en die van indieners woon- en leefomgeving. Daarnaast stelt de indiener dat er onvoldoende milieuinformatie beschikbaar is bij de ter inzage liggende stukken. Indiener verzoekt de provincie alle onderzoeken inzake de gevolgen van mens, dier en omgeving die hebben bijgedragen aan de concept RES, de RES1.0 inzichtelijk te maken voor zover deze ontbreken bij het planMER. 8. De indiener verzoekt de volgende punten mee te nemen in het planMER 1. Meenemen verplichte invliegpunt bij de invliegroute van Teuge Airport; 2. Laagvliegroutes Lelystad Airport; 3. Effecten van A50, A1, spoorwegen en bestaande industrie en bedrijven. 9.
De indiener stelt zich op het standpunt dat onvoldoende invulling gegeven is aan de inspraak bij een milieueffectrapportage zoals beoogd met artikel 6 van het Verdrag van Aarhus. 10. De indiener vraagt de provincie aan te geven hoe is voldaan aan de SMB-richtlijn. 11. De indiener stelt dat het planMER op meerdere punten niet voldoet aan de Algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De indiener geeft aan dat er aan het volgende niet voldaan is 1. Zorgvuldigheidsbeginsel 2. Specialiteitsbeginsel 3. Gelijkheidsbeginsel 4. Beginsel van fair play 5. Gedragsregel tegen vooringenomenheid 6. Verbod op détournement de procédure 7. Voorzorgsbeginsel 12. De indiener stelt dat industriële windturbines schade leveren voor de gezondheid van de omwonende mens bij voldoende blootstelling. De indiener geeft hierbij aan dat het planMER onvoldoende invulling geeft aan de voorzorgsplicht ten aanzien van gezondheid in het kader van wonen nabij windturbines. De indiener verzoekt de provincie om het voorzorgsprincipe toe te passen binnen het planMER. 13. De indiener maakt zich ernstig zorgen over de gevolgen van zijn gezondheid. 14. De indiener stelt dat de zoekgebieden die uit het planMER volgen een verwachting voor realisatie en een vorm van zelfbindendheid creëert. 15. De indiener stelt dat de planMER geen relatie legt tussen de schade aan de bodem door grondgebonden zonneparken en windturbines.
Daarnaast geeft de indiener aan dat de aangegeven investering om biodiversiteit aan te brengen onvoldoende ter compensatie is voor de schade aan de bodem. 16. De indiener stelt dat het planMER geen of onvoldoende motivatie en onderzoek verschaft inzake de verstoring van de luchtlagen door windturbines en zonnevelden. Hieronder valt ook de door indiener benoemde toename van stikstofdepositie door de verstoring van de luchtlagen. 17. De indiener stelt dat de provincie veel te lage afstandsnormen hanteert voor onder andere slagschaduw en geluidhinder. De indiener merkt op dat de provincie geen motivering voor deze afstandsnormen verschaft waaruit blijkt dat op basis van wetenschappelijke literatuur welke hinder en nadelige gezondheidseffecten te verwachten zijn. 18. De indiener verzoekt de provincie om het planMER aan te vullen met onderzoek waar inzichtelijk wordt gemaakt welke scenario’s, mondiaal gezien, welke besparingen van broeikasgassen en overige uitstoot geven. De indiener voegt hieraan toe dat in dit onderzoek, onder andere, rekening gehouden dient te worden met inwinning en productie van alle benodigde grondstoffen en materialen, aanleg-, beheer-, en exploitatiefase, demontage en recycling, afschrijvingstermijn, e.d. Deze aspecten dienen volgens de indiener afgezet te zijn ten opzichte van mondiaal opgewekte energie en de huidige en verwachte energiemix.
Pagina 55 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
19. De indiener mist onderzoek en overwegingen over geluidshinder. De indiener mist onder andere het effect van zog (downwind), motivatie van toegepaste modellen, effecten van Laag Frequent Geluid en subjectieve hinder dosis-effect-relaties. Aanvullend stelt de indiener dat niet alle verschillende type geluiden afdoende zijn opgenomen in het planMER. 20. De indiener mist een aantal leefomgeving en milieuaspecten in de planMER en verzoekt de provincie om aan te geven waar indiener deze onderdelen kan treffen in het planMER. De indiener noemt onder andere slijtage wieken en vrijkomende giftige stoffen, waardedaling woningen, verstoring lokaal klimaat, schade aan flora en fauna, afweging behoud van leefomgeving t.o.v. industriële activiteit windmolens. 21. De indiener stelt dat de planMER is gebaseerd op verouderde uitgangspunten en aannames die inmiddels door wetenschap, realiteit en industrie zijn achterhaald of onjuist gebleken. De indiener concludeert dat de planMER inaccuraat en onbruikbaar is als basis voor besluitvorming. 22. De indiener stelt dat de provincie zich niet houdt aan haar eigen beleid op twee punten. 1. De indiener stelt dat ten onrechte zoekgebieden worden gemaakt, en dat een MER enkel benut kan worden voor het aanpassen van bestaande zoekgebieden totdat een nieuwe omgevingsverordening is vastgesteld. 2.
De indiener stelt dat ten onrechte eerder gemaakt keuzes en afwegingen buiten beschouwing worden gelaten. 23. De indiener stelt dat de richtafstand van 530 m niet overal juist wordt aangehouden. Als voorbeeld geeft de indiener aan dat aan de oostkant van de A50 bij Klarenbeek deze afstandswaarde niet wordt gehaald in relatie tot woningen. 24. De indiener stelt dat in het planMER lokale wegen op de kaarten missen, waardoor het oriënteren in de buitengebieden lastig is. De indiener stelt voor om interactieve kaarten beschikbaar te stellen waarbij ingezoomd kan worden en lokale wegen en bebouwing duidelijk zichtbaar zijn. 25. De indiener stelt dat, in ieder geval zoekgebied S3H11, midden in GNN en GO gebied ligt en verzoekt de provincie om alle GNN en GO (en overige al bestemde en eveneens kansloze gebieden) duidelijk te verwerken in de planMER. 26. De indiener stelt dat de opsomming op p. 25 van het hoofdrapport over artikel 5.90 (gebieden of locaties voor zonneparken) niet in lijn is met de landelijke afspraken uit 2023 over het ‘geen zon op land, tenzij’ principe. 27. De indiener stelt dat de gebruikte peildatum van januari 2023 vanuit de voortgangsrapportages van de RESregio’s zeer verouderd is en verzoekt de provincie actuele en accurate milieu-informatie te gebruiken. 28.
De indiener stelt dat de nieuwe zoekgebieden niet overeenkomen met vigerend beleid en de afspraken uit de RES1.0. De indiener wijst hierbij naar afbeelding 2.3 in het hoofdrapport 29. De indiener stelt dat er, verwijzend naar p. 29, geen duidelijk onderscheid gemaakt wordt tussen zoekgebieden voor en na 2030 en verzoekt de provincie in beeld te brengen welke dit zijn. 30. De indiener stelt dat bepaalde projecten en/of beleidsstukken missen in het planMER. De indiener wijst onder andere naar 1. Overeenkomst provincie Gelderland met gemeente Apeldoorn - natuurherstelproject van ca. 20ha in zoekgebied S3H12; 2. Woningbouwproject van 1.050 woningen in zoekgebied S3H11. 31. De indiener vraagt hoe het kan dat er zoekgebieden bovenop GNN en GO-gebieden, gebieden met houtopstanden en gebieden met cultuurhistorische waarden zijn ingetekend. 32. De indiener vraagt zich af of afbeelding 3.16, de inschatting van netcapaciteit door Liander, wel actueel is. 33. De indiener stelt dat de omschreven turbines, bij afbeelding 4.3, niet meer representatief zijn. De indiener bemerkt daarnaast dat bij alle actuele projecten hogere turbines zijn opgenomen. Tot slot stelt de indiener dat in sommige plannen turbines met een tiphoogte van 300 meter zijn genoemd en derhalve meegenomen dienen te worden in de planMER. 34.
De indiener stelt dat ten onrechte niet wordt gewerkt met een maximale hoogte van de turbines in het planMER, omdat immers het ‘slechts mogelijke scenario’ onderzocht moet worden. 35. De indiener stelt dat de bij de energetische uitgangspunten genoemde 2.950 vollasturen een onjuist getal is, omdat dit getal volgens de indiener hoger ligt bij huidige hogere windturbines. 36. De indiener stelt dat zon op dak ten onrechte niet is meegenomen in de doelstellingen. 37. De indiener stelt dat er geen enkele noodzaak is om binnen de 1-8km contour rondom de Veluwe zoekgebieden aan te wijzen gezien er al zoveel zoekgebieden zijn.
Pagina 56 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
38. De indiener stelt dat het “nul = niks doen scenario” ten onrechte ontbreekt, immers er in een planMER een worstcasescenario meegenomen moet worden en die op deze manier ontbreekt. 1. De indiener stelt dat de volgende stelling uit het hoofdrapport (p. 63) onjuist is: “Geluidcontouren rondom verspreid liggende woningen in het buitengebied kunnen in de praktijk minder belemmerend zijn.”. De indiener stelt dat elk geluidgevoelig object bescherming geniet en dat geluidcontouren bij verspreid liggende woningen in het buitengebied even belemmerend zijn. 39. De indiener stelt dat in het planMER ten onrechte dezelfde onderzoeksgebieden voor beide referentieturbines worden gehanteerd en stelt dat er op deze manier een zo groot mogelijk zoekgebied wordt gecreëerd. 40. De indiener stelt dat ten onrechte tijdelijke effecten niet worden meegenomen in het planMER. 41. De indiener vraagt zich af waarom bij windturbines van 166 m rotorhoogte het beoordelingseffect ‘sterk negatief’ ontbreekt (p. 92), omdat deze wel bij andere kaarten voorkomt. 42. De indiener verzoekt de provincie om het planMER opnieuw in taalniveau B1 op te stellen. 43. De indiener verzoekt nadere onderbouwing op het aspect gezonde leefomgeving. 44. De indiener stelt dat cumulatie van milieueffecten ten onrechte niet is onderzocht in het planMER. 45. De indiener betwijfelt dat zonneparken een fundering hebben van ca.
30 cm diep en vraagt de provincie om te bevestigen dat de worst case aanname van max. 30 cm correct is. 46. De indiener mist de variant “inwoner centraal en minimaal 750 m tot geluidgevoelige objecten”. 47. De indiener stelt dat veel van de zoeklocaties niet overeenkomen met het beleid uit de RES1.0 en daarmee niet ontvankelijk zijn. De indiener verzoekt de provincie zich om de afspraken uit het RES1.0 te respecteren. 48. De indiener verzoekt de provincie alle bovenstaande punten in overweging te nemen en het planMER hiermee in lijn te brengen. Doet de provincie dit niet, dan verzoekt de indiener een heldere motivatie te geven waarom dit punt geen aanleiding tot wijziging geeft en/of opnieuw in procedure te brengen. 49. De indiener verzoekt de provincie om de planMER aan te passen op basis van het beleid uit het coalitieakkoord. Antwoord 1. Aan het WOO-verzoek is gehoor gegeven en er is mogelijkheid geboden om de pro-zienswijze aan te vullen. We hebben geen aanvulling van u ontvangen. 2. Bij het planMER is rekening gehouden met de door de indiener aangehaalde wet- en regelgeving, beginselen, verdragen en adviezen. 3. Er is op meerdere manieren participatie ingezet voor dit project. Zo zijn er online bijeenkomsten georganiseerd en zijn inwoners van de provincie via huis-aan-huisbladen geïnformeerd. Er is geen ‘uitdaagrecht’ toegepast op het planMER.
Artikel 2.8 Omgevingswet dat gaat over delegatie is niet van toepassing op het planMER. 4. Het planMER beoogt inzicht te geven in de effecten voor mens en dier als onderdeel van een bredere belangenafweging. Bij de uiteindelijke besluiten over de RES-opgave en het windbeleid kunnen naast het planMER ook andere belangen meegewogen worden. 5. De Crisis- en herstelwet is niet van toepassing op het planMER. 6. Het planMER maakt geen keuze waaruit effecten voortvloeien, maar schetst mogelijke effecten bij diverse alternatieven en in diverse gebieden die gebruikt kunnen worden bij toekomstige besluitvorming. 7. Het planMER geeft inzicht in de gevolgen voor gezondheid, welzijn van mens, dier en omgeving. Deze inzichten kunnen benut worden bij besluitvorming. Afhankelijk van de aard van het besluit wordt waar nodig nadere (milieu)-informatie toegevoegd of wordt gemotiveerd waarom de informatie uit het planMER volstaat. 8. Verzoek om diverse punten mee te nemen in het planMER worden als volgt behandeld 1. Het verplichte invliegpunt bij invliegroute van Teuge Airport is betrokken in het planMER onder het aspect luchtvaartveiligheid en radar. 2. De laagvliegroutes van Lelystad Airport zijn betrokken in het planMER onder het aspect luchtvaartveiligheid en radar. 3.
De effecten op en belemmeringen door infrastructuur, industrie en bedrijven zijn betrokken in het planMER als onder meer harde belemmeringen en onder de aspecten geluid en gebruiksfuncties. 9. Zie antwoord 3. Daarmee heeft provincie Gelderland invulling geven aan artikel 6 van het verdrag van Aarhus. Ook voorziet het planMER in de aangehaalde vereisten uit artikel 4 a t/m f van het verdrag. Bij het nemen van daadwerkelijke besluiten waarbij gebruik gemaakt wordt van het planMER, wordt door betreffende bevoegde gezagen opnieuw rekening gehouden met de verplichtingen die uit het verdrag van Aarhus voortvloeien.
Pagina 57 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
10. Juist door het uitvoeren van het planMER geeft de provincie invulling aan de SMB-richtlijn, door het vroegtijdig in beeld brengen van mogelijke milieueffecten. 11. Het planMER voldoet aan de verschillende aangehaalde algemene beginselen van behoorlijke bestuur. De indiener maakt niet concreet waarom een bepaald beginsel in zijn ogen onvoldoende betrokken is. 12. Zie het kopje ‘Effecten op gezondheid en het voorzorgsbeginsel’ in hoofdstuk 2 ‘Veelgestelde vragen in de zienswijzen’. 13. Windturbines kunnen chronische hinder veroorzaken. Chronische hinder kan omschreven worden als een stressor, die op lange termijn tot gezondheidsklachten kan leiden. Voor gezondheidseffecten naast hinder spreken we dan van een indirect gezondheidseffect, omdat er geen direct verband is met het geluidsniveau. Op dit moment is er geen bewijs voor een direct gezondheidseffect. Het planMER hanteert of bepaalt geen afstandsnorm, maar onderzoek effecten, waaronder hinder. In hoofdstuk 5.3 wordt uitgebreid ingegaan op de effecten van geluid van windturbines bij verschillende afstanden en de relatie tot voormalige normen, mogelijk nieuwe normen en advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. Op deze manier waarborgt de provincie een gezonde leefomgeving en geeft ze beslisinformatie mee aan de RES-partners om hier in het vervolgtraject een zorgvuldige afweging in te maken. 14.
In het planMER zijn in verschillende type gebieden en locaties onderzoeken uitgevoerd naar effecten van windenergie en zon. Een definitie van deze verschillen typen gebieden is te vinden in hoofdstuk 4.3 en hoofdstuk 6.1 van het planMER. Geen van deze gebieden leidt tot zelfbinding voor provincie of andere RES-partners. In de analyses zijn ook de zoekgebieden voor wind en zon uit de RES-en 1.0 gehanteerd als één van de mogelijke invullingen van de opgave. Deze zoekgebieden hebben wel een zekere bestuurlijke status vanuit de RES-en, niet vanuit het planMER. Bij besluitvorming over de RES-en zullen RES-partners aangeven hoe ze omgaan met de in de RES 1.0 gehanteerde gebieden. 15. In hoofdstuk 5.9.2 van het planMER gaan we in op de effecten die kunnen optreden op de bodem als gevolg van windturbines en zonneparken. Hoe groot deze effecten exact zijn en welke (compensatie)maatregelen nodig of wenselijk zijn, is op het niveau van het planMER niet bekend en niet onderscheidend. Dit wordt bij uitwerking van concrete projecten nader bepaald. 16. Uit onderzoek blijkt dat de mate van toename van stikstofdioxide (NO2) in de atmosfeer door een windpark ruim onder de ‘in betekende mate’ grens lag. Vanuit dit onderzoek is het niet aannemelijk dat er een significante of betekenisvolle toename zal zijn in verspreiding van luchtverontreiniging.
In het planMER wordt dit daarom niet verder onderzocht, maar enkel beschouwd. 17. Het planMER hanteert of bepaalt geen afstandsnorm, maar onderzoek effecten. In hoofdstuk 5.3 wordt uitgebreid ingegaan op de effecten van geluid van windturbines bij verschillende afstanden en de relatie tot voormalige normen, mogelijk nieuwe normen en advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. 18. Deze informatie is weergegeven voor zon op veld, wind op land in relatie tot gas en kolen in hoofdstuk 5.7 van het planMER. Hieruit blijkt wat de voor- en nadelen zijn van deze verschillend energiebronnen hier en nu en elders op de wereld en later in de tijd. 19. In hoofdstuk 5.3 wordt uitgebreid ingegaan op de verschillende uitgangspunten en inzichten rondom geluid. 20. De genoemde milieuaspecten zijn betrokken in het planMER. De slijtage van wieken en stoffen die vrijkomen over de levensduur zijn niet specifiek beschreven in het planMER. Uit diverse onderzoeken komt naar voren dat de emissies van microplastic en Bisfenol A uit windmolens marginaal zijn ten opzichte van emissies uit andere bronnen als verkeer, industrie en landbouw. In de lucht gedragen deze stoffen zich als fijnstof, en worden diffuus verspreid over de provincie. De geringe uitstoot zorgt naar verwachting niet voor een meetbare lokale verhoging in concentraties rond windmolens.
Hieruit volgt dat er geen meetbare effecten zijn op bodem- en watersysteem. De waardedaling van woningen is geen leefomgevings- of milieueffecten voor het planMER, maar komt aan bod als concrete ruimtelijk besluiten genomen worden. 21. Het planMER is voldoende actueel. Er zijn uiteraard allerlei actuele ontwikkelingen gaande, maar deze leiden niet tot heel ander effecten of bevindingen en kan dus dienen als basis voor besluitvorming. Diverse leemten in kennis, onderzoeksbeperkingen en andere relevante ontwikkelingen worden benoemd in het plan- MER (bijvoorbeeld mogelijk nieuwe normen voor windturbines). Bij besluitvorming houdt bevoegd gezag rekening met de dan geldende inzichten, ook wat betreft milieu-informatie. Als er dus belangrijke informatie zou ontbreken op dat moment, wordt het bij het besluit alsnog betrokken. 22. 1. Het planMER onderzoek diverse typen gebieden en locaties, maar legt geen zoekgebieden vast.
Pagina 58 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
2. Het planMER baseert zich op eerder gemaakte keuzes en afwegingen uit het klimaatakkoord en de RESen, maar kijkt daarnaast ook verder naar alternatieve invullingen en locaties om daarmee invulling te geven aan de verplichtingen die vanuit artikel 11.3 van het Omgevingsbesluit gelden voor een planMER. 23. In het planMER zijn diverse andere afstanden gehanteerd voor het bepalen van effecten. Zie hiervoor tabel 5.17. De onderbouwing is gegeven in hoofdstuk 5.3. 24. Om hieraan tegemoet te komen zijn interactieve kaarten opgenomen waarbij ook gebruik kan worden gemaakt van verschillende ondergronden (topografisch, luchtfoto’s, etc.) zodat goede oriëntatie mogelijk. 25. Dit zoekgebied is onderzocht om juist inzicht te krijgen in de effecten op GNN en GO. Daaruit blijkt dat deze effecten op GNN en GO een belangrijk effect vormt dat in overweging genomen kan worden bij besluitvorming over dit zoekgebied door de RES-partners. 26. Dit is een passage uit de omgevingsverordening die een gegeven is voor het planMER. De zonneladder is een voorkeursvolgorde die per situatie bepaald moet worden. Het is daarmee geen harde belemmering vooraf voor het planMER. Om te voorkomen dat milieu-informatie ontbreekt in concrete gevallen, zijn dus ook gebieden onderzocht die bij concrete toepassing van de zonneladder al afvallen. 27.
Ten tijde van het opstellen van het planMER was dit de meest actuele informatie. De cijfers volgen ook met ruimeen jaar vertraging. Bovendien wijzigt het algemene beeld niet ingrijpend in de voortgangsrapportages. Bij de besluitvorming houden bevoegde gezagen rekening met de dan geldende actuele informatie uit de voortgangsrapportages. 28. Het planMER hanteert de zoekgebieden uit de RES-en, maar kijkt daarnaast ook verder naar alternatieve invullingen en locaties om daarmee invulling te geven aan de verplichtingen die vanuit artikel 11.3 van het Omgevingsbesluit gelden voor een planMER. Daarmee worden deze gebieden niet gekozen of vastgelegd. 29. De legenda bij afbeelding 2.3 maakt dit onderscheid duidelijk. In de regionale aanvulling regio Rivierenland en het RES Rivierenland is meer informatie over het verschil in status van deze gebieden te vinden. 30. Er is rekening gehouden met projecten waar ook reeds concrete besluiten over zijn genomen. De gemeenten hebben hier ook input voor geleverd. 31. Het planMER kijkt alleen naar gebieden die mogelijk geschikt zijn voor wind- en zonne-energie. Gebieden waar het duidelijk is dat het niet mogelijk is, zijn al van tevoren uitgesloten. Voor andere gebieden, waar belangrijke zaken zoals natuur, erfgoed of landschap in gevaar zijn, wordt bewust onderzoek gedaan. Dit helpt om te begrijpen hoe groot de negatieve effecten zijn.
Op basis van deze informatie kunnen de RES-partners beter beslissen welke gebieden geschikt zijn en welke niet. Dit wordt uitgelegd in hoofdstuk 4.3. 32. Deze afbeelding is niet geheel actueel, maar geeft een goede indicatie van de beperkingen en afwegingen rondom netcapaciteit op het globale niveau van provincie Gelderland. Bij besluitvorming wordt waar nodig actuele informatie over netcapaciteit betrokken door bevoegde gezagen. 33. De gehanteerde referentieturbines geven een goede indruk van de bandbreedte van effecten en energieopbrengst van grotere en kleiner turbines. Ook bij iets grotere turbines is daarmee voldoende inzicht in het effect en de energieopbrengsten van dergelijke turbines. Het planMER bevat daarmee voldoende informatie op dit punt. Bij concrete projecten wordt de keuze voor het turbinetype gemaakt en dienen effecten en opbrengsten concreter onderzocht te worden. 34. Zie antwoord 33. 35. Zie antwoord 33. 36. Zon op dak valt buiten de scope van de RES-en en daarmee ook buiten de scope van het planMER. In de RES-en wordt overigens wel rekening gehouden met de autonome, trendmatige bijdrage van zon op dak in het behalen van de doelstellingen voor hernieuwbare energie. 37.
Het planMER kijkt bewust naar een zo ruim mogelijk onderzoeksgebied (zie hoofdstuk 4.3) met ook andere locaties dan de zoekgebieden uit RES 1.0 om daarmee invulling te geven aan de verplichtingen die vanuit artikel
Pagina 59 van 198
Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland
11.3 van het Omgevingsbesluit gelden voor een planMER. Daarmee worden deze gebieden niet gekozen of vastgelegd. 38. Dit is de referentiesituatie waartegen de effecten zijn afgezet in het planMER. Dit leidt tot het niet behalen van de RES-doelstellingen en bijdrage aan het klimaatakkoord. 1. In het planMER (hoofdrapport) wordt voor alle woningen eenzelfde beschermingsniveau gehanteerd en worden effecten op eenzelfde manier in beeld gebracht. Deze passage heeft als doel om te signaleren dat er in de praktijk in specifieke gevallen mogelijkheden zijn om af te wijken van dit beschermingsniveau als woningen nabij windturbines onderdeel worden gemaakt van de inrichting (het windpark). Dit zijn zogeheten molenaarswoningen. Het planMER legt niet vast of er molenaarswoningen moeten komen en welke dat moeten zijn. Dat is aan bevoegde gezagen om af te wegen. 39. Er wordt bewust gebruik gemaakt van het grootste onderzoeksgebied voor windenergie omdat dit de complexiteit van het onderzoek beperkt en vergelijkbaarheid in effecten tussen de twee turbinetypen vereenvoudigd. Zoals verwoord in hoofdstuk 4.3.4 worden de effecten van de grote en kleine referentieturbine wel afzonderlijk in beeld gebracht. Er worden dus geen effecten weggelaten, onderschat of gemaskeerd. 40.