Bijlage 3 vaststelling TAM-Omgevingsplan H22G Dorpshart Zwartewaal_Bijlagen
Tekst van het document
bestemmingsplan
TAM-Omgevingsplan H22g Dorpshart Zwartewaal Voorne Aan Zee
04-06-2026
DATUM IMRO IDN
NL.IMRO.1992.OPDorpshrtZWL- 0130
PROJECT PROJECTLEIDER
TAM-Omgevingsplan Dorpshart Zwartewaal ir. R.A. Sips
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Voorne aan Zee 20241275
AUTEUR STATUS
drs. S den Breejen, drs. M. van der Meulen, mr. D.J. Greguss vastgesteld
Bijlagen Bijlage 1
Tabel analyse instructieregels
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek (bestemmingsplan)
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek aangepaste verkaveling (industrielawaai)
Bijlage 4
Stap 3-besluit (vastgesteld 2022)
Bijlage 5
Hogere waardenbesluit (2026)
Bijlage 6
Bodemonderzoek
Bijlage 7
Quick scan ecologie
Bijlage 8
Vleermuizenonderzoek
Bijlage 9
Stikstofnotitie en -berekeningen
Bijlage 1 Tabel analyse instructieregels
Memo
DATUM PROJECT
27 mei 2025 TAM-Omgevingsplan Dorpshart Zwartewaal
KENMERK
20241275
BIJLAGE(N)
ANALYSE INSTRUCTIEREGELS Instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving Afdelingen en paragrafen Relevant voor de Voldoet aan Nadere toelichting ontwikkeling instructieregel Afdeling 5.1 Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties § 5.1.1. Algemene bepalingen Nee n.v.t. artikel 5.1a. (dienstenrichtlijn) § 5.1.2. Waarborgen van de Ja Ja veiligheid § 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen
Ja
Ja
§ 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht
Ja
Ja
§ 5.1.4.2. Geluid door activiteiten Ja
Ja
Verwijzing naar paragraaf TAM-Omgevingsplan
Deze paragraaf is relevant omdat de ontwikkeling voorziet in de Paragraaf 5.2 toelating van kwetsbare gebouwen, zoals gedefinieerd in bijlage VI van het Bkl. Deze paragraaf is van toepassing, omdat de ontwikkeling voorziet Paragraaf 5.3 aanpassingen die gevolgen kunnen hebben voor het watersysteem, bijvoorbeeld verharding. De waterbelangen worden afgewogen in de waterparagraaf. Op basis van artikel 5.54 Bkl kan de ontwikkeling worden geschaard Paragraaf 5.4 onder standaardactiviteiten die in niet betekende mate bijdragen. In het kader van ETFAL met betrekking tot het beschermen van de gezondheid is de luchtkwaliteit in de onderbouwing wel beoordeeld op aanvaardbaarheid bij de toe te laten activiteit. Op basis van artikel 5.59 Bkl dient in het omgevingsplan rekening te Paragraaf 5.5 worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast voorziet een omgevingsplan
§ 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Ja
Ja
erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan) De ontwikkeling voorziet in de realisatie van een geluidgevoelig Paragraaf 5.6 gebouw binnen het geluidsaandachtsgebied van gemeentelijke wegen. Er dient te worden onderbouwd dat aan de standaardwaarde voor gemeentewegen wordt voldaan en daarmee aan de instructieregels Bkl. De ontwikkeling voorziet in het realiseren van een geluidgevoelig gebouwen binnen de geluidszone van het industrieterrein BotlekPernis, zoals vastgelegd in het RAK. Dit industrieterrein veroorzaakt geluid op het geluidgevoelige gebouw. Op basis van de instructieregels uit het Bkl moet de aanvaardbaarheid van het geluid worden beoordeeld en de milieuruimte worden overwogen.
§ 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens § 5.1.4.4. Trillingen
Nee
n.v.t.
Nee
N.v.t.
§ 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines § 5.1.4.5. Bodemkwaliteit
Nee
n.v.t.
Ja
Ja
2/7
Met de wijziging van het omgevingsplan worden geen trillingenveroorzakende activiteiten toegestaan. Wel wordt er een trillinggevoelige gebouw gerealiseerd, namelijk een woning. Er is beoordeeld of er sprake is van trillingen door activiteiten op het beoogde trillinggevoelige gebouw. Dit is niet aan de orde. In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen bronnen (zoals een spoorlijn) die trillinghinder veroorzaken. Hierdoor zijn de instructieregels uit het Bkl niet van toepassing.
Deze paragraaf is van toepassing op de ontwikkeling, omdat de Paragraaf 5.7 ontwikkeling voorziet in de realisatie van een bodemgevoelig gebouw. In de motivering is de bodemkwaliteit dan ook beoordeeld op aanvaardbaarheid voor de toe te laten activiteit.
§ 5.1.4.6. Geur
Ja
Ja
§ 5.1.5.2. Kust Nee § 5.1.3 PKB-Waddenzee en Nee Waddengebied § 5.1.5.4. Ladder voor duurzame Nee verstedelijking
n.v.t. n.v.t.
§ 5.1.5.5. Cultureel erfgoed en werelderfgoed
Ja
Ja
n.v.t.
Op basis van artikel 5.92, eerste lid, van het Bkl moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.
De ontwikkeling voorziet in een toevoeging van 5 woningen, wat onder de drempel blijft van een stedelijke ontwikkeling waarvoor een onderbouwing van de ladder voor duurzame verstedelijking nodig is. Op basis van artikel 5.130 lid 1 van het Bkl moet met een ontwikkeling rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Daarnaast worden met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de in artikel 5.130 lid 2 subleden (a-e) opgenomen beginselen. Op basis van artikel 5.130 lid 3 t/m 5 kunnen in het omgevingsplan regels worden opgenomen ter bescherming van archeologische waarden.
§ 5.1.6. Behoud van ruimte voor Nee toekomstige functies § 5.1.7. Behoeden van de staat en Nee werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten 3/7
n.v.t. n.v.t
Paragraaf 5.8
Paragraaf 5.9
§ 5.1.7a. Gebruik van Nee n.v.t bouwwerken § 5.1.8. Bevorderen van de Nee n.v.t. Eventuele ingrepen in de openbare ruimte nader te bepalen. toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen Afdeling 5.2. Instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving Artikel 5.163 Nee n.v.t. voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen Artikel 5.164 Nee n.v.t. lokale spoorwegen binnen vervoerregio's Artikel 5.165 Nee n.v.t lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool Artikel 5.165a Nee n.v.t Bebouwingscontour jacht Artikel 5.165b Nee n.v.t Bebouwingscontour houtkap Afdeling 5.3. Ontheffing Artikelen opnemen waarvan Nee n.v.t ontheffing wordt verleend.
Instructieregels Hoofdstuk 7 Omgevingsverordening Zuid-Holland 4/7
Paragraaf en subparagraaf
Relevant voor de Voldoet aan Nadere toelichting ontwikkeling instructieregel
§ 7.3.2 Externe veiligheid (omgevingsveiligheid) § 7.3.2.1 Risicogebieden externe Nee veiligheid § 7.3.2.2 Groepsrisicobenadering Ja
§ 7.3.2.3 Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas § 7.3.2.4 Niet-Basisnet transportroutes § 7.3.4 Waterkeringen
Verwijzing naar paragraaf TAMOmgevingsplan
n.v.t. Ja
De planlocatie is gelegen binnen het aandachtsgebied van een Paragraaf 5.2 risicovolle inrichting, dit beïnvloed het groepsrisico. Deze paragraaf is daarom van toepassing op de ontwikkeling.
Nee
n.v.t.
Nee
n.v.t.
Ja
Ja
Deze paragraaf is van toepassing omdat de ontwikkeling voor een Paragraaf 5.3 deel is gelegen binnen een zone voor de regionale waterkering.
Ja
n.t.b.
Deze paragraaf is van toepassing op de ontwikkeling, omdat de Paragraaf 5.7 ontwikkeling voorziet in de realisatie van een grondwatergevoelig gebouw. In de onderbouwing moet de grondwaterkwaliteit dan ook beoordeeld worden op verontreiniging. Of er sprake is van verontreiniging zal volgen uit het bodemonderzoek.
§ 7.3.5 Grondwaterkwaliteit § 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie
§ 7.3.5.2 Saneren van de bodem Nee ter uitvoering van een bronaanpak § 7.3.5.3 Lozen op of in de bodem Nee § 7.3.5.4 Activiteiten op een Nee locatie met een historische 5/7
n.v.t.
n.v.t. n.v.t.
bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar verspreidingsrisico § 7.3.5.5 Milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen § 7.3.6 LiB-5 contour Schiphol § 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen
§ 7.3.7 Ruimtelijke kwaliteit
Nee
n.v.t.
Nee Ja
n.v.t. Ja
Ja
Ja
§ 7.3.8 Stedelijke ontwikkelingen Nee
n.v.t.
§ 7.3.8a Wonen
Nee
n.v.t.
§ 7.3.9 Detailhandel § 7.3.10 Kantoren § 7.3.11 Bedrijven
Nee Nee Nee
n.v.t. n.v.t. n.v.t.
6/7
Binnen deze paragraaf is artikel 7.41a (risico’s van Paragraaf 5.3 klimaatverandering) van toepassing. In de motivering moet worden onderbouwd dat rekening is gehouden met de risico’s van klimaatverandering. Deze paragraaf is van toepassing op de ontwikkeling (artikel 7.43a. Paragraaf 5.9 7.43b, 7.43c, 7.43h). in de motivering moet worden aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit en de kwaliteiten van het landschap niet onevenredig worden aangetast. Deze paragraaf is niet van toepassing, omdat de ontwikkeling niet is aan te merken als nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking in artikel 7.45 is daarom ook niet van toepassing. Deze paragraaf is van toepassing wanneer een nieuwe ontwikkeling van één of meer gebouwen met een totale vloeroppervlakte van 1.000 m2 of meer mogelijk wordt gemaakt. Dit plan gaat uit van een programmatische wijziging en marginale verschuivingen in de situering van reeds beoogde bebouwing. Van nieuw mogelijk gemaakte gebouwen is geen sprake. De paragraaf is daarom niet van toepassing.
§ 7.3.12 Glastuinbouwgebied
Nee
n.v.t.
§ 7.3.13 Boom- en sierteeltgebied Nee § 7.3.14 Bollenteeltgebied Nee § 7.3.15 Agrarische bedrijven Nee § 7.3.16 Natuurnetwerk Nee Nederland § 7.3.17 Werelderfgoed Nee § 7.3.18 Archeologie Nee § 7.3.19 Traditionele windmolens Nee
n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
§ 7.3.20 Landgoederen en kastelen § 7.3.21 Energie § 7.3.22 Provinciale vaarwegen § 7.3.23 Recreatietoervaartnet § 7.3.23a Hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden § 7.3.24 Beschermingszones drinkwatervoorziening (infrastructuur) § 7.3.25 Ontheffing en afwijken
Nee
n.v.t.
Nee Nee Nee Nee
n.v.t. n.v.t n.v.t. n.v.t.
Nee
n.v.t.
Nee
n.v.t.
7/7
n.v.t. n.v.t. n.v.t.
.
Bijlage 2 Akoestisch onderzoek (bestemmingsplan)
BP DORPSHART ZWARTEWAAL Akoestisch onderzoek 10 maart 2022
1/46
DATUM KENMERK
10 maart 2021 20200254_0003MJ
PROJECTLEIDER
ir. R.A. Sips
OPDRACHTGEVER Gemeente Brielle PROJECTNUMMER 20200254 AUTEUR STATUS
2/46
R. Koster
INHOUD 1. 2.
3.
4.
5.
6.
Inleiding Planomschrijving en geluidbronnen
4 5
2.1 2.2
5 6
Toetsingskader
7
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
7 8 10 11 12 14
Industrie Wegverkeer Gemeentelijk hogere waarde beleid Interimwet stad‐ en‐milieubenadering Geluiduitstraling basisschool Verkeersaantrekkende werking
Invoergegevens en modellering
15
4.1 4.2 4.3
15 16 20
Industrie Wegverkeer Stemgeluid basisschool
Resultaten
21
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
21 25 29 31 33 41
Industrielawaai Nestgeluid Wegverkeerslawaai Stemgeluid vanwege basisschool Toetsing berekeningsresultaten aan beleid hogere waarden gemeente Brielle Gecumuleerde geluidbelasting
Conclusie
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4
3/46
Planomschrijving Geluidbronnen
Model en rekenresultaten wegverkeerslawaai Model en rekenresultaten industrielawaai Model en rekenresultaten basischool Cumulatie industrielawaai en wegverkeerslawaai
42 43 44 45 46
1. INLEIDING De gemeente Brielle wil het voorzieningenniveau en daarmee ook de levendigheid van Zwartewaal vergroten. Met het plan Dorpshart wordt ingezet op de vernieuwing van de bestaande voorzieningen in dit gebied (school, dorpshuis en sportzaal), nieuwe woningbouw met uiteenlopende woningtypen (maximaal 85 woningen) en het toevoegen van kleinschalige, commerciële voorzieningen. De locatie van het plan is weergegeven in figuur 1.1
Figuur 1.1: overzicht van de planlocatie Om de ontwikkeling juridisch planologisch mogelijk te maken wordt een bestemmingsplan opgesteld. Bij de onderbouwing van het bestemming dient er aandacht te worden besteed aan het aspect geluid. Dit rapport vormt daar de invulling voor. In hoofdstuk 2 wordt de planontwikkeling nader toegelicht alsmede de relevante geluidbronnen. Voor het plan zijn de geluidbronnen wegverkeer en industrie van belang. Zowel de woningen als de basisschool zijn geluidgevoelige objecten.
4/46
2. PLANOMSCHRIJVING EN GELUIDBRONNEN 2.1
Planomschrijving
De beoogde ontwikkeling omvat de bouw van verschillende woningtypen, de vervangende nieuwbouw voor basisschool 't Want, het dorpshuis en de sportzaal, en een nieuwe plint met commerciële voorzieningen. In figuur 2.1 is het definitieve stedenbouw‐ kundig plan weergegeven.
Figuur 2.1 Stedenbouwkundig plan Dorpshart Zwartewaal (bron: Kuiper Compagnons) Het plan omvat 85 woningen, bestaande uit: 31 rijwoningen; 24 seniorenwoningen, gestapeld in twee lagen; 19 vrijstaande en twee‐aaneengebouwde woningen; 11 bovenwoningen boven de commerciële plint met ruimte voor kleinschalige detailhandel, lichte horeca, maatschappe‐ lijke functies en dienstverlening aan het plein. een nieuw voorzieningencluster en vervangende nieuwbouw voor basisschool 't Want, het dorpshuis en de sportzaal.
5/46
2.2
Geluidbronnen
In de omgeving van het plangebied liggen gezoneerde industrieterreinen, scheepvaartroutes, een spoorweg, gezoneerde en niet gezoneerde wegen en windturbines. Hieronder wordt toegelicht welke geluidbronnen relevant zijn de plantontwikkeling. Industrieterrein Botlek Pernis Het plangebied ligt in de geluidzone van industrieterrein Botlek Pernis. Om deze reden wordt de geluidbelasting ten ge‐ volge van dit industrieterrein beschouwd. Industrieterreinen Maasvlakte‐Europoort De grens van de geluidzone ligt ten noorden van de woonkern van Zwartewaal. Het plangebied ligt niet in de geluidzone van industrieterrein Maasvlakte ‐ Europoort. Om deze reden wordt de geluidbelasting ten gevolge van dit industrieterrein niet beschouwd. Nestgeluid Het nestgeluid is het geluid dat afgemeerde schepen produceren als er niet aan de schepen wordt gewerkt en geen laad‐ en losactiviteiten plaatsvinden. Binnen industrieterrein Botlek Pernis is er sprake van nestgeluid. Er vindt een beoordeling plaats of nestgeluid een relevante invloed heeft op het akoestische woon‐ en leefklimaat in het plangebied. Wegen Het plangebed ligt niet binnen de wettelijke geluidzone van wegen. Langs het plangebied liggen wel enkele wegen met een maximum rijsnelheid van 30 km/uur. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden deze wegen beschouwd.
Het Theemswegtracé (spoor) Het invloedsgebied van dit spoor bedraagt 600 meter. Het geluidproductieplafond ter hoogte van Zwartewaal is 67,2 dB. Het Theemswegtracé ligt op ongeveer 830 meter afstand van het plangebied. Om deze reden wordt er geen relevante hin‐ der verwacht ten gevolge van spoorweglawaai en wordt dit onderdeel niet verder beschouwd. Windturbines De afstand tot de meest nabijgelegen turbines bedraagt ongeveer 1 km. Om deze reden wordt er geen relevante hinder verwacht ten gevolge van windturbines en wordt dit onderdeel niet verder beschouwd. Basisschool ’t Want In het plan is een basisschool voorzien met schoolplein. Inherent aan het buitenspelen van kinderen is dat de kinderen met elkaar praten en stemgeluid produceren. Om deze reden worden de geluidniveaus ten gevolge van spelende kinderen bij de woningen binnen het plangebied beschouwd.
6/46
3. TOETSINGSKADER 3.1
Industrie
Het plangebied ligt binnen de geluidzone van industrieterrein Botlek‐Pernis. Volgens de Wet geluidhinder mag de geluidbelasting van alle bedrijven samen op een gezoneerd industrieterrein, buiten de zone, niet hoger zijn dan 50 dB(A) etmaalwaarde. Voor nieuwe woningen en andere geluidgevoelige gebouwen binnen de zone is akoestisch onderzoek nodig. Bij een geluidbelasting hoger dan 50 dB(A) kan door het college van burgemeester en wethouders (B&W) een hogere grenswaarde worden vastgesteld tot, behoudens enkele uitzonderingen, maximaal 55 dB(A) voor woningen en 60 dB(A) voor onderwijsgebouwen. Op grond van artikel 163 van de Wet geluidhinder dienen burgemeester en wethouders van de gemeente waarin een industrieterrein geheel of in hoofdzaak is gelegen ervoor te zorgen dat er voldoende informatie beschikbaar is over de geluidruimte binnen de zone. De DCMR Milieudienst Rijnmond (hierna: de DCMR) is namens het bevoegd gezag belast met het zonebeheer van het industrieterrein Botlek‐ Pernis. Regionaal Afsprakenkader Voor de industrieterreinen Maasvlakte‐Europoort en Botlek‐Pernis is door de betrokken gemeenten, de Provincie Zuid‐ Holland, de DCMR, het Havenbedrijf Rotterdam en Deltalinqs een convenant afgesloten.
In dit convenant, het Regionaal Afsprakenkader Geluid & Ruimtelijke Ontwikkeling (RAK), dat is ondertekend op 8 juli 2015, zijn afspraken gemaakt over onder andere de wijze waarop wordt omgegaan met woningbouw binnen de invloedsgebieden van de gezoneerde industrieterreinen. Het RAK voorziet ook in woningbouw binnen de kern Zwartewaal van de gemeente Brielle. De planontwikkeling dorpshart Zwartewaal ligt in de zone met MTG’s tussen de 55 dB(A) tot 60 d(B)A.
Figuur 3.1. Geluidcontouren Regionaal afsprakenkader geluid & ruimtelijke ontwikkeling Het RAK biedt een bepalingsmethode voor het akoestisch onderzoek op basis van vastgestelde geluidcontouren. Daarnaast staan er procesafspraken in voor gevallen waarbij de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden.
7/46
Het vaststellen van een hogere waarde die lager is dan de waarde die op bovenstaande wijze is bepaald, is volgens het RAK mogelijk als uit onderzoek blijkt dat aan die lagere waarde door afscherming kan worden voldaan, afdoende borging voor die afscherming is getroffen en de gemeente hierover overleg heeft gepleegd met de DCMR. Zeehavennorm Voor nieuwe woningen in de zone van een industrieterrein met activiteiten die zeehavengebonden zijn en die noodzakelijkerwijs in de open lucht plaatsvinden, kan voor woningen waarvan de geluidbelasting in hoofdzaak wordt bepaald door die activiteiten, een waarde worden vastgesteld van ten hoogste 60 dB(A). Voorwaarde hierbij is wel dat deze woningen worden gebouwd in het kader van een herstructurering of planmatige verdichting van een bestaand woongebied, of wanneer de woningen worden gebouwd aansluitend aan het bestaande woongebied en slechts sprake is van een beperkte uitbreiding van het bestaande woongebied. Uit informatie van het Havenbedrijf Rotterdam blijkt dat de geluidbelasting in het plangebied wordt veroorzaakt door activiteiten die niet noodzakelijkerwijs zeehavengebonden zijn en in de buitenlucht plaatsvinden. De zeehavennorm is daarom voor deze ontwikkeling niet van toepassing. Nestgeluid Aangemeerde schepen aan de kades veroorzaken zogenaamd nestgeluid.
Voor nestgeluid gelden geen formele grenswaarden en dit geluid is niet meegenomen in de geluidzonering voor het gezoneerde industrielawaai. Naar aanleiding van de uitspraak 201807456/1/A1 van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State van 22 januari 2020 moet het nestgeluid dat afkomstig is van de schepen op de nabijgelegen gezoneerde industrieterreinen worden beschouwd. Wanneer uitgevoerde activiteiten op schepen onderdeel uitmaken van de representatieve bedrijfssituatie van een inrichting, zijn die schepen onderdeel van de inrichting. Dit betekent dat al het geluid van de schepen dan bij de inrichting hoort en als industrielawaai wordt beschouwd. De DCMR adviseert om het nestgeluid niet aan te merken als industrielawaai en alleen te beschouwen in het kader van de goede ruimtelijke ordening. Het is nu namelijk nog niet duidelijk of vanwege het nestgeluid de geluidzones worden aangepast en zo ja, in welke mate. De hogere waarden worden alleen vastgesteld voor het industrieterrein op basis van de 1 dB‐ contourlijnen. De DCMR beveelt wel aan om het nestgeluid op te tellen bij de geluidbelasting vanwege het industrieterrein voor de berekening van de karakteristieke geluidwering van de gevel.
3.2
Wegverkeer
Wettelijke geluidszone wegen Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km/u‐wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wgh geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege een weg aan bepaalde wettelijke normen dient te voldoen. De breedte van een geluidszone voor wegen is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de binnen‐ of buitenstedelijke ligging. De breedte van een geluidszone van een weg is in tabel 3.1 weergegeven. Tabel 3.1 Schema zonebreedte aan weerszijden van de weg volgens artikel 74 Wgh aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2
breedte van de geluidszone (in meters) buitenstedelijk gebied binnenstedelijk gebied 600 350 400 350 250 200
De breedte van de geluidszone wordt hierbij gemeten vanaf de as van de weg. In artikel 1 van de Wgh zijn de definities opgenomen van binnenstedelijk en buitenstedelijk gebied. Deze definities luiden:
8/46
‐ ‐
binnenstedelijk gebied: het gebied binnen de bebouwde kom met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg; buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom, alsmede het gebied binnen de bebouwde kom voor zover gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg.
Dosismaat Lden De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day‐evening‐night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. De berekende geluidswaarde in Lden vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels betreffen waarden inclusief artikel 110g van de Wgh. Dit artikel houdt in dat een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het verkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. Voor wegen met een representatief te achten snelheid lager dan 70 km/u geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of hoger geldt de volgende aftrek: • 4 dB voor situaties dat de geluidsbelasting zonder aftrek artikel 3.4 Rmg 57 dB bedraagt; • 3 dB voor situaties dat de geluidsbelasting zonder aftrek artikel 3.4 Rmg 56 dB bedraagt; • 2 dB voor andere waarden van de geluidsbelasting. De toegestane aftrek conform artikel 3.4 uit het Reken‐ en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is op alle genoemde geluidbelastingen toegepast, tenzij anders vermeld. 30 km/u wegen Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/u of lager zijn op basis van de Wgh niet gezoneerd.
Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Vanuit dat oogpunt worden de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde als referentiekader gehanteerd (zie hierna). De voorkeursgrenswaarde geldt hierbij als richtwaarde en de maximale ontheffingswaarde als maximaal aanvaardbare waarde. In en rond het plangebied, de bebouwde kom van Zwartewaal, geldt een 30 km‐zone. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Willem‐Alexanderstraat, de Wilhelminalaan en de Christinalaan zijn in voorliggende rapportage onderzocht. Toekomstig binnenplanse wegen kennen een dermate lage verkeersintensiteit dat deze niet kwantitatief worden onderzocht. Voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde Voor de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg, gelden voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk.
Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde voor wegen is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de bestemmingen (binnen‐ of buitenstedelijk). Bestemmingen met een binnenstedelijke ligging, maar binnen de geluidszone van een autosnelweg, worden bij het bepalen van de geluidzone voor die autosnelweg gerekend tot buitenstedelijk gebied. De nieuwe woningen en de school worden gerealiseerd in de kern Zwartewaal. In het akoestisch onderzoek is daarom uitgegaan van een ligging in binnenstedelijk gebied. De voorkeursgrenswaarde voor de gezoneerde wegen betreft maximaal 48 dB. De maximale ontheffingswaarde bedraagt op basis van een binnenstedelijke ligging 63 dB. Deze waarden worden als referentie gehanteerd bij de beoordeling van de geluidbelasting op de nieuwe geluidgevoelige functies (woningen en de school) vanwege 30 km wegen in en rond het plangebied.
9/46
De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemmingen dient in alle gevallen te voldoen aan de normen uit het Bouwbesluit.
3.3 Gemeentelijk hogere waarde beleid Bij het vaststellen van hogere waarden heeft de gemeente een zekere beleidsruimte. De gemeente Brielle beschikt over vastgesteld beleid over de invulling van deze afwegingsruimte. Dit beleid is vastgelegd in de nota Hogere waardenbeleid Wet geluidhinder Gemeente Brielle, d.d. 15‐10‐2009. Het beleid wordt hieronder kort samengevat: geluidbeperkende maatregelen worden in de onderstaande volgorde onderzocht en afgewogen: 1. maatregelen aan de bron; 2. overdrachtsmaatregelen; 3. maatregelen bij de ontvanger. Bij het onderzoek naar de in aanmerking komende maatregelen bij de ontvanger zullen de volgende maatregelen standaard moeten zijn onderzocht en overwogen: 1. het creëren van een geluidluwe gevel; 2. het creëren van een geluidluwe buitenruimte; 3. het realiseren van geluidgevoelige ruimten aan de geluidluwe gevel (akoestisch optimale indeling). Van een of meer van deze maatregelen bij de ontvanger kan alleen worden afgeweken als voldoende aandacht wordt geschonken aan de leefomgevingskwaliteit. De leefomgeving en de kwaliteit ervan zijn brede begrippen. Een goede leefomgeving houdt in dat bewoners en gebruikers van de openbare ruimte hun leefomgeving als herkenbaar, prettig, schoon, veilig en aantrekkelijk ervaren, zodat ze er graag wonen, werken en verblijven.
Daarbij gaat het zowel om milieukwaliteit (zoals de aanpak van bodemvervuiling, veiligheidsrisico's van bedrijvigheid, geluiden stankoverlast en afvalinzameling) als om ruimtelijke kwaliteit (het bevorderen van positieve ontwikkelingen, zoals een goede bereikbaarheid, veel verscheidenheid en een sterke ruimtelijke identiteit). Geluidluwe gevel Een van de toetsingscriteria is het creëren van minimaal een geluidluwe gevel. Onder geluidluwe gevel (of geluidluwe zijde) wordt verstaan: een gevel/zijde van een woning, waar de geluidbelasting laag is. Het geluidniveau op deze gevel mag in principe niet hoger zijn dan 50 dB(A) ten gevolge van industrielawaai, 53 dB ten gevolge van wegverkeerslawaai. De woning heeft ten minste één gevel met een lagere geluidbelasting. Geluidluwe buitenruimte Indien de woning beschikt over een buitenruimte, dan is deze bij voorkeur gelegen aan de geluidluwe zijde. Als er geen buitenruimte aanwezig is, wordt met de aanwezigheid van een geluidluwe gevel voldoende kwaliteit gerealiseerd. Als een woning meerdere buitenruimten heeft, is het voldoende als een buitenruimte is gelegen aan de geluidluwe zijde. Aan bewoners wordt de mogelijkheid geboden om aan de geluidluwe zijde van de woning te verblijven. De geluidbelasting mag in principe niet meer dan 5 dB hoger zijn dan bij de geluidluwe gevel.
Indeling van de geluidgevoelige ruimten Het is wenselijk dat geluidgevoelige ruimten, zoals woon‐ en slaapkamers, zo min mogelijk aan de geluidbelaste zijde van de woning worden gesitueerd.
10/46
Cumulatie De hogere waarde kan alleen worden vastgesteld, voor zover de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een naar het oordeel van B&W onaanvaardbare geluidbelasting. In welke gevallen sprake is van ‘onaanvaardbare geluidbelasting’ is niet aangegeven in de regelgeving. Het is zeer lastig om dit vooraf in beleid te formuleren, daarom zal per aanvraag de gecumuleerde geluidbelasting worden beoordeeld. Indien de geluidbelasting van een 30 km/ uur weg hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, dan dient de geluidbelasting van deze weg ook meegenomen te worden in de beoordeling van de cumulatie. In de tabel hieronder is de landelijk geaccepteerde kwalificatie opgenomen van gecumuleerde geluidbelasting. Deze tabel wordt als richtlijn gebruikt bij de beoordeling van de cumulatieve geluidbelasting. Tabel 3.2 Kwalificatie gecumuleerde geluidbelasting gecumuleerde geluidbelasting beoordeling akoestisch klimaat < 50 dB Goed 50 – 55 dB Redelijk 55 – 60 dB Matig 60 – 65 dB Tamelijk slecht 65 – 70 dB Slecht > 70 dB Zeer slecht Vanwege de planontwikkeling zullen hogere waarden nodig zijn vanwege industrielawaai. De geluidbelasting vanwege de 30 km wegen wordt betrokken bij de beoordeling van de gecumuleerde geluidbelasting. Aangezien 30 km wegen niet geluidgezoneerd zijn kunnen hiervoor geen hogere waarden worden vastgesteld.
3.4
Interimwet stad‐ en‐milieubenadering
Sinds 1 februari 2006 is de Interimwet stad‐en‐milieubenadering van kracht. Doelstelling van deze wet is het bereiken van een zuinig ruimtegebruik en een optimale leefomgevingskwaliteit. Op basis van deze wet mogen gemeenten, na zorgvuldig onderzoek en onder bepaalde voorwaarden, afwijken van de wettelijke milieunormen voor bodem, geluid en/of lucht. Daarbij stelt de wet geen maximum of termijn voor een afwijking. Doel hiervan is een grotere beleidsvrijheid voor gemeenten waardoor lokaal meer maatwerk mogelijk is. De wet gaat er daarbij van uit dat gemeenten in hun planvorming de zogenaamde stad‐en‐milieubenadering toepassen die bestaat uit drie stappen: Stap 1: vroegtijdig integreren van milieu in het ruimtelijk plan en werken aan brongerichte maatregelen, uitgaande van een integrale benadering van de leefomgevingskwaliteit; Stap 2: zoeken naar oplossingen binnen de bestaande wet‐ en regelgeving; Stap 3: als milieunormen of wettelijke procedures de gewenste stedelijke leefkwaliteit in de weg staan, kunnen gemeenten via een afzonderlijk besluit van de gemeenteraad afwijken van bestaande regels. Het Stap 3‐besluit op grond van de Interimwet wordt genomen door de gemeenteraad. Van het voornemen van het besluit wordt melding gedaan bij het college van Gedeputeerde Staten.
Vanwege industrielawaai van Botlek‐Pernis wordt voor de ontwikkeling dorpshart Zwartewaal gebruik gemaakt van de mogelijkheid om af te wijken van de normen voor industrielawaai met behulp van een Stap 3‐Besluit.
11/46
3.5
Geluiduitstraling basisschool
Bedrijven en milieuzonering Om een belangenafweging tussen een goed woon‐ en leefklimaat in de omgeving en de activiteiten te kunnen maken, is voor dit plan gebruik gemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden/milieunormen die gehanteerd worden voor gevoelige functies. Tevens wordt de uitvoerbaarheid van het plan getoetst aan de hand van de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Gebiedstypering De VNG‐brochure hanteert twee soorten omgevingstypen. Een rustige woonwijk/ rustig buitengebied en een gemengd gebied. Voor beide omgevingstypen gelden andere richtafstanden en richtwaarden. De definitie van een gemengd gebied is: “een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden en hogere milieunormen rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten meestal bepalend.“ Vanwege de ligging binnen de geluidzone van industrieterrein Botlek‐Pernis kan de gebiedstypering van de woningen in de nabijheid van de basisschool gekenmerkt worden als “gemengd gebied”. De richtwaarden die gelden voor woningen in een gemengd gebied zijn in tabel 3.3 weergegeven.
Tabel 3.3:
VNG‐richtwaarden geluid voor een gemengd gebied
Periode dagperiode (07:00 ‐ 19:00) avondperiode (19:00 ‐ 23:00) nachtperiode (23:00 ‐ 07:00)
langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A)
Maximaal geluidniveau (LAmax) 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A)
Deze richtwaarden hebben geen wettelijke status, maar zijn algemeen aanvaarde waarden. Het is mogelijk om op basis van een bestuurlijke afweging af te wijken van deze richtwaarden. De VNG‐brochure biedt hiervoor een stappenplan. Activiteitenbesluit Scholen en sportaccommodaties vallen onder de werking van het Activiteitenbesluit en de daarin opgenomen algemene regels. De relevante geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit zijn:
12/46
Afdeling 2.8. Geluidhinder Artikel 2.17 Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:
1.
a.
de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
Tabel 2.17a 07:00–19:00 uur
19:00–23:00 uur
23:00–07:00 uur
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
b.
de in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidsniveaus LAmax niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten;
Artikel 2.18 1.
Bij het bepalen van de geluidsniveaus, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20, blijft buiten beschouwing: a.
2. 3.
het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein; b. het stemgeluid van bezoekers op het open terrein van een inrichting voor sport- of recreatieactiviteiten; c. het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; d. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire inrichtingen; e. het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uren per week op militaire inrichtingen; f. het ten gehore brengen van onversterkte muziek tenzij en voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; g. het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 3.7.2., tenzij en voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; h.
het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een inrichting voor primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs; i. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang. Bij het bepalen van de geluidsniveaus, bedoeld in artikel 2.17, 2.17a dan wel 2.20, wordt voor muziekgeluid geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. Bij het bepalen van het maximaal geluidsniveau (LAmax), bedoeld in artikel 2.17, 2.17a dan wel 2.20, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:
a. b. c. d.
het komen en gaan van bezoekers bij inrichtingen waar uitsluitend of in hoofdzaak horeca-, sport- en recreatieactiviteiten plaatsvinden; het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan; laad- en losactiviteiten in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur ten behoeve van de aan- en afvoer van producten bij inrichtingen als bedoeld in artikel 2.17, vijfde en zesde lid, voor zover dat ten hoogste een keer in de genoemde periode plaatsvindt; het verrichten van activiteiten in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur ten behoeve van het wassen van kasdekken bij inrichtingen als bedoeld in artikel 2.17, vijfde en zesde lid.
Geluid spelende kinderen Vanwege de ligging van nieuwe woningen nabij de school wordt de geluidhinder vanwege de spelende kinderen op het school plein inzichtelijk gemaakt.
13/46
3.6
Verkeersaantrekkende werking
Wegens het ontbreken van een toetsingskader voor de ruimtelijke ordening, wordt aangesloten bij het toetsingskader voor vergunningverlening in het kader van de Wet milieubeheer/Wabo. Dit toetsingskader betreft de Circulaire Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening Wm (VROM, 29 februari 1996), ook wel bekend als de Schrikkelcirculaire. De voorkeursgrenswaarde voor indirecte hinder bedraagt volgens de circulaire 50 dB(A) en de maximale grenswaarde bedraagt 65 dB(A) etmaalwaarde. De verkeersgeneratie bedraagt op een werkdag 914 mvt/etmaal. Hiervan wordt 30% afgewikkeld op de Willem‐Alexanderstraat en 70% op de Wilhelminalaan. Deze aantallen zijn dermate laag, dat gesteld wordt dat dit niet voor overschrijding zorgt van de voorkeursgrenswaarde. Om deze reden is er verder geen onderzoek naar verricht.
14/46
4. INVOERGEGEVENS EN MODELLERING 4.1
Industrie
De berekeningen met betrekking tot industrielawaai zijn uitgevoerd conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (VROM, 1999) en het bepaalde in het RAK. De overdrachtsmodellen zijn opgesteld in het softwareprogramma Geomilieu, versie 2021.1 van dgmr‐software. Het RAK wijst een bepalingsmethode aan voor de geluidbelasting ten gevolge van het industrieterrein. In bijlage 5 van het RAK zijn zogenaamde geluidcontouren opgenomen. Deze geluidcontouren zijn afgebeeld op een topografische ondergrond, waardoor de geluidbelasting kan worden afgelezen. In het plangebied liggen de geluidcontouren op korte onderlinge afstand, waardoor het aflezen van de kaart niet nauwkeurig is. Om deze reden heeft de DCMR Milieudienst Rijnmond de geluidcontouren waarop de afbeeldingen zijn gebaseerd digitaal aangeleverd met behulp van shapefiles (Botlek‐ Pernis_MTG_contour_55_60_dBA d.d. 01‐12‐2016). Deze shapefiles zijn ingelezen in een rekenmodel met behulp van het programma Geomilieu. In dit programma is tevens het plangebied ingevoerd. Op deze wijze kunnen de woningen nauwkeurig worden afgebeeld binnen de geluidcontouren. De geluidbelasting op de eerste tot en met de derde bouwlaag is gelijk aan de hoogste waarde van de geluidcontouren waartussen de woning is gelegen.
Als een woning gelegen is tussen bijvoorbeeld de 59 en de 58 dB(A)‐geluidcontour, dan is de geluidbelasting gelijk aan 59 dB(A). Voor hogere bouwlagen geldt een toeslag op de afgelezen waarde. Bij de onderzochte woningen is dit niet aan de orde; de maximale goothoogte bedraagt 6 meter en de maximale bouwhoogte 11 meter.
Figuur 4.1 Rak contouren Uit figuur 4.1 blijkt dat de 57, 58 en 59 dB(A) contouren over het plangebied lopen.
15/46
De RAK‐contouren vormen het uitgangspunt voor de vaststelling van de hogere waarden voor de eerstelijns bebouwing. Voor het bepalen van de geluidbelasting op de gevels die niet direct naar de geluidbron zijn gericht wordt een rekenmodel toegepast. Dit rekenmodel is verstrekt door de DCMR Milieudienst Rijnmond (C2BP‐MTG met omgeving volgens A‐model 2013). In dit rekenmodel worden de beoogde woningen met toetspunten op alle relevante gevels ingevoerd. Vervolgens wordt het verschil berekend tussen de geluidbelasting op de meest geluidbelaste gevels en de overige gevels. Dit verschil is de geluidreductie die van de afgelezen waarde met behulp van de geluidcontouren kan worden afgetrokken. De gebouwen in het plangebied bieden onderling enige afscherming. Wanneer de geluidbelasting bij de toetspunten zou worden afgelezen met de geluidcontouren, dan zou de geluidbelasting worden overschat. Om deze reden is de geluidbelasting bij deze toetspunten bepaald volgens dezelfde methode als voor de gevels die niet direct naar de geluidbron zijn gericht. Deze methode is afgestemd met de DCMR Milieudienst Rijnmond en het Havenbedrijf Rotterdam. De ontwikkeling dorpshart Zwarte Waal is een initiatief van de gemeente en wordt niet in fases uitgevoerd. Hiermee is zeker gesteld dat de afschermende gebouwen daadwerkelijk worden gerealiseerd.
Nestgeluid De DCMR Milieudienst Rijnmond heeft rekenmodellen voor de berekening van het nestgeluid voor het industrieterrein Botlek‐Pernis aangeleverd voor een jaargemiddelde steigerbezetting van 33%, de minimale variant en een jaargemiddelde steigerbezetting van 70%, de maximale variant. De berekeningen wordt uitgevoerd met de maximale variant.
4.2
Wegverkeer
Verkeersintensiteiten Voor het bestemmingsplan is de verkeersgeneratie van de planontwikkeling berekend met de kencijfers van het CROW (publicatie 381). De gemeente Brielle heeft de gegevens van de Sluisweg en Hollemarestraat opgenomen in het verkeersmodel. Dit zijn de belangrijkste ontsluitingswegen die leiden naar de N218 richting Brielle en Spijkenisse. De wegen direct naast het plangebied zitten niet in het verkeersmodel, maar de verkeersintensiteiten zijn hiervan afgeleid. Voor de berekening van de verkeersintensiteiten wordt verwezen naar paragraaf 5.1 van de plantoelichting van het bestemmingsplan. Deze verkeersintensiteiten zijn vermeld in tabel 4.1 en de betreffende wegen zijn weergegeven in figuur 4.2. Tabel 4.1 Weg
Invoergegevens wegen
Wilhelminalaan Christinalaan Willem‐Alexanderstraat
16/46
Snelheid [km/uur] 30 30 30
Intensiteit [mvt/etm] 897 700 1226
Wegdek Klinkers Klinkers Klinkers
Figuur 4.2 Ligging wegen Voertuigcategorieën De motorvoertuigen worden verdeeld in drie categorieën: ‐ lichte voertuigen (voornamelijk personenauto's); ‐ middelzware voertuigen (middelzware vrachtauto's en bussen); ‐ zware voertuigen (zware vrachtauto's). De voertuig‐ en etmaalverdelingen zijn gebaseerd op standaardverdelingen. Voor de Wilhelminalaan, Willem‐ Alexanderstraat en de Christinalaan is de verdeling van een erftoegangsweg met verblijfsfunctie gehanteerd (buurtverzamelweg), zie tabel 4.2. Tabel 4.2 Voertuig‐ en etmaalverdeling van een wijkverzamelweg Voertuigcategorie Dag Lichte voertuigen 94,59% Middelzware voertuigen 4,76% Zware voertuigen 0,65% Etmaalverdeling 6,54%
Avond 94,59% 4,76% 0,65% 3,76%
Nacht 94,59% 4,76% 0,65% 0,81%
Verkeerssnelheid De verkeerssnelheid is de representatief te achten gemiddelde snelheid van een categorie voertuigen. Dit is in het algemeen de wettelijke toegestane rijsnelheid. De Wilhelminalaan, Willem‐Alexanderstraat en de Christinalaan behoren tot de 30 km‐ zone van de bebouwde kom van Zwartewaal.
17/46
Type wegdek Geluid ten gevolge van wegverkeer kan men onderscheiden in motorgeluid en rolgeluid. Het rolgeluid is een gevolg van de wisselwerking tussen banden en wegdek. De aard van het wegdek is hierbij van invloed. Daarom worden in het rekenschema verschillende typen wegdek onderscheiden. Bij lichte motorvoertuigen is de bijdrage van het rolgeluid aan het totale geluid groter dan bij de zware en middelzware motorvoertuigen. Als gevolg hiervan heeft het wegdek een grotere invloed op de geluidsbelasting naarmate het percentage vrachtverkeer kleiner is. De te hanteren wegdekverhardingen zijn ingevoerd als elementenverharding in keperverband (klinkers). In bijlage x is een overzicht opgenomen van de ingevoerde verkeersgegevens. Ruimtelijke gegevens Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd conform de Standaard Rekenmethode II uit het Reken‐ en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG 2012). In de geluidberekeningen is rekening gehouden met alle relevante gebouwde ruimtelijke objecten in de omgeving. Deze gegevens zijn afkomstig uit kadastrale kaarten en als Shape‐bestand geïmporteerd. De hoogteligging van ruimtelijke objecten zijn gecontroleerd met behulp van Actueel Hoogtebestand Nederland. De nieuwbouw is ingevoerd middels een digitale tekening die door de opdrachtgever ter beschikking is gesteld.
Ook de aanwezigheid van hard (bijvoorbeeld verhard oppervlak of water) of zacht (bijvoorbeeld zandgrond of grasland) bodemgebied is relevant. Het model is vanwege de stedelijke omgeving standaard op een harde ondergrond (Bf=0). De zachte oppervlakten in de directe omgeving van het plangebied zijn als zacht bodemgebied in het model ingevoerd. In bijlage y wordt een overzicht gegeven van het rekenmodel en de invoergegevens. Rijlijnen De weg wordt geschematiseerd in rijlijnen die 0,75 m boven het wegdek liggen. De relevante rijlijnen zijn in het rekenmodel ingevoerd. Toetspunten Er is sprake van een concreet uitgewerkt stedenbouwkundig plan. Voor de geluidberekeningen zijn daarom toetspunten gehanteerd op de gevels van de te realiseren woningen en school. De 74 gebouwde objecten met daarin 85 woningen en een school bevatten toetspunten gelijkmatig verdeeld over de gevels. De toetshoogten waarop de toetspunten zijn gesitueerd zijn afhankelijk van de hoogte van de woningen. De bouwvlakken beschikken over een maximale goothoogte van 6 meter en maximale bouwhoogte van 11 meter. In het model is gerekend voor maximaal 3 bouwlagen. Op iedere bouwlaag van 3 meter is op 1,5 meter hoogte een toetspunt aangebracht.
Sectorhoek en reflecties Het maximum aantal reflecties waarmee de berekeningen zijn uitgevoerd bedraagt 1 reflectie en een sectorhoek van 2˚, conform de aanbeveling van de projectgroep Vergelijkend Onderzoek Akoestische Bureaus (VOAB). In deze projectgroep VOAB zijn afspraken gemaakt om de onderlinge verschillen in rekenprogrammatuur te minimaliseren. In figuur 4.3 is een overzicht van de modellering weergegeven.
18/46
Figuur 4.3 Rekenmodel wegverkeerslawaai
19/46
4.3
Stemgeluid basisschool
In het plan is een basisschool voorzien met schoolplein. Inherent aan het buitenspelen van kinderen is dat de kinderen met elkaar praten en stemgeluid produceren. De equivalente geluidemissie van menselijk stemgeluid varieert globaal van LW = 65 dB(A) voor normaal spreken tot LW = 95 dB(A) voor schreeuwen.
Figuur 4.4 Basisschool Voor het akoestisch bronvermogen van spelende kinderen op de verschillende speelpleinen wordt uitgegaan van LW = 84 dB(A) voor de onder‐ en bovenbouw. Voor peuters/kleuters wordt uitgegaan van LW = 74 dB(A). Deze uitgangspunten zijn gebaseerd op de publicatie “Menselijk stemgeluid” van Martin Tennekes (Journaal Geluid, december 2009). Hierbij is het gemiddelde van de aangegeven spreiding in bronvermogens toegepast. Naast het bronvermogen is ook het aantal leerlingen van belang. Er is een aantal van 200 leerlingen als uitgangspunt gehanteerd. 50 kinderen in groep 1 en 150 kinderen in groep 3 t/m 8. Er wordt uitgegaan van een speeltijd van 45 minuten per dag per kind buiten. Omdat niet alle kinderen tegelijkertijd stemgeluid produceren, wordt ervan uit gegaan dat 50% van de leerlingen tegelijkertijd stemgeluid produceert (3 dB reductie op het bronvermogen.) Het bronvermogen van 50 kinderen in groep 1 en 2 bedraagt LW = 74 + 10*log(50) ‐ 3 = 87,7 dB(A) gedurende 45 minuten. Het bronvermogen van 150 leerlingen in groep 3 t/m 8 bedraagt LW = 84 + 10*log(150) ‐ 3 = 102,8 dB(A) gedurende 45 minuten. Voor het maximaal geluidniveau vanwege stemgeluid wordt uitgegaan van 107 dB(A), gebaseerd op dezelfde publicatie. Er zijn geen gegevens bekend van op te stellen technische installaties.
Deze kunnen dermate worden gedimensioneerd dat ruimschoots voldaan kan worden aan de richt‐ en grenswaarden. Om deze reden worden deze in dit stadium niet verder beschouwd.
20/46
5. RESULTATEN 5.1
Industrielawaai
In de onderstaande figuren zijn de berekeningsresultaten ten gevolge van het industrieterrein Botlek Pernis op de ingevoerde waarneempunten ter plaatse van het bouwplan gegeven van het bouwplan ten opzichte van het RAK (blauw).
Figuur 5.1 Overzicht van rekenresultaten industrielawaai ten opzichte van RAK contouren
21/46
Figuur 5.2 Overzicht van rekenresultaten industrielawaai ten opzichte van RAK contouren
22/46
Figuur 5.3 Overzicht van rekenresultaten industrielawaai ten opzichte van RAK contouren
23/46
Figuur 5.4 Overzicht van rekenresultaten industrielawaai ten opzichte van RAK contouren
24/46
5.2
Nestgeluid
In de onderstaande figuren zijn de berekeningsresultaten ten gevolge van het nestgeluid op de ingevoerde waarneempunten ter plaatse van het bouwplan gegeven van het bouwplan.
Figuur 5.5 Overzicht van rekenresultaten nestgeluid
25/46
Figuur 5.6 Overzicht van rekenresultaten nestgeluid
26/46
Figuur 5.7 Overzicht van rekenresultaten nestgeluid
27/46
Figuur 5.8 Overzicht van rekenresultaten nestgeluid
28/46
5.3
Wegverkeerslawaai
In de figuren 5.9 t/m 5.11 zijn de gecumuleerde berekeningsresultaten ten gevolge van wegverkeerslawaai zonder aftrek artikel 110 Wgh weergegeven. Weergegeven zijn de woningen / geluidgevoelige objecten die een geluidbelasting boven de 48 dB hebben.
Figuur 5.9 Berekeningsresultaten wegverkeer gecumuleerd excl aftrek art. 110 Wgh
29/46
Figuur 5.10 Berekeningsresultaten wegverkeer gecumuleerd excl aftrek art. 110 Wgh
Figuur 5.11 Berekeningsresultaten wegverkeer gecumuleerd excl aftrek art. 110 Wgh
30/46
5.4
Stemgeluid vanwege basisschool
Uit de berekeningen volgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van de basisschool ten hoogste 54 dB(A) bedraagt op de achterliggende gevels van objecten 30 t/m 34. In figuur 5.12 zijn de resultaten visueel weergeven.
Figuur 5.12 Rekenresultaten ten gevolge van spelende kinderen basisschool De richtwaarden van 50 dB(A) wordt op de objecten 30 t/m 34 overschreden. Op alle overige woningen wordt voldaan aan deze richtwaarde. Het berekende maximaal geluidniveau bedraagt 72 dB(A) op de achtergevels van de woningen ten westen van het schoolplein. De richtwaarden van 70 dB(A) wordt hiermee overschreden. Maatregel scherm 2 m langs westzijde schoolplein Om te kunnen voldoen aan de richtwaarden zijn aanvullend maatregelen onderzocht om de geluidniveau te verlagen. Hiervoor is een geluidscherm met een hoogte van 2 m langs de westzijde van het schoolplein ingevoerd. In figuur 5.13 zijn de resultaten inclusief de toepassing van het geluidscherm visueel weergeven.
31/46
Figuur 5.13 Rekenresultaten ten gevolge van spelende kinderen basisschool inclusief geluidscherm. Op begane grond kan met toepassing van het geluidscherm worden voldaan aan de richtwaarde van 50 dB(A) geldend voor gemengd gebied. Het berekende maximaal geluidniveau bedraagt met deze maatregel 68 dB(A) op de achtergevels van de woningen ten westen van het schoolplein en voldoet daarmee ook aan de richtwaarde. Doordat stemgeluid uitgesloten is van toetsing voor het Activiteitenbesluit kan hieraan ook voldaan worden.
32/46
5.5
Toetsing berekeningsresultaten aan beleid hogere waarden gemeente Brielle
Het beleid van de gemeente Brielle is samengevat in hoofdstuk 2. In deze paragraaf wordt aan dit beleid getoetst. Er zijn hogere waarden nodig is in het kader van industrielawaai deels op basis van de Interimwet stad‐en‐milieubenadering en deels via reguliere hogere waarden. Maatregelen aan de bron Gedeputeerde Staten van Zuid‐Holland heeft voor het industrieterrein Botlek‐Pernis op 19 februari 1998 een saneringsprogramma vastgesteld. Met dit saneringsprogramma is geborgd dat de bedrijven op dit industrieterrein alle in redelijkheid te treffen maatregelen doorvoeren, om de geluidemissie van het industrieterrein zo veel mogelijk te reduceren. Door de Minister van het toenmalige ministerie van VROM is op basis van dit saneringsprogramma op 5 juli 2000 een besluit genomen over de maximaal toelaatbare geluidniveaus (MTG’s) bij de rondom het industrieterrein gelegen woonkernen. De MTG’s bieden voor de bedrijven een recht tot het emitteren van een bepaalde hoeveelheid geluid. Een verdere reductie van de geluidemissie is daarom niet aan de orde. Een bijkomend probleem bij het reduceren van de geluidemissie van het industrieterrein is dat de emissie wordt veroorzaakt door een groot aantal geluidbronnen, verspreid over een zeer uitgestrekt terrein. Het treffen van maatregelen aan enkele geluidbronnen zou daarom geen merkbaar effect hebben in de omgeving.
De conclusie is dat het treffen van doelmatige maatregelen aan de bron in dit geval niet mogelijk is. Overdrachtsmaatregelen Ook de plaatsing van geluidschermen bij de bron zijn niet mogelijk of doelmatig. De industriële geluidbronnen liggen op grote afstand van het plangebied. Dit heeft tot gevolg dat het geluid schuin van boven komt ter plaatse van het bouwplan. Eventuele geluidschermen ter plaatse van het bouwplan moeten minstens even hoog zijn als het pand zelf om significant effect te hebben. Dit wordt niet als realistisch geacht en stuit op stedenbouwkundige bezwaren. Maatregelen bij de ontvanger Volgens het beleid van de gemeente zijn er drie aspecten die standaard worden betrokken bij de afweging van maatregelen, namelijk het creëren van een geluidluwe gevel, het creëren van een geluidluwe buitenruimte en een akoestisch optimale indeling. Het creëren van een geluidluwe gevel Een gevel is geluidluw indien over de gehele zijde van het gebouw wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde vanwege industrielawaai en 53 dB vanwege wegverkeer. Dit geldt ook wanneer het wegverkeer afkomstig is van 30 km‐wegen (waarop de Wgh niet van toepassing is). Het creëren van een geluidluwe buitenruimte Indien de woning beschikt over een buitenruimte, dan is deze bij voorkeur gelegen aan de geluidluwe zijde.
Als er geen buitenruimte aanwezig is, wordt met de aanwezigheid van een geluidluwe gevel voldoende kwaliteit gerealiseerd. De geluidbelasting van de geluidluwe buitenruimte mag in principe niet meer dan 5 dB hoger zijn dan bij de geluidluwe gevel. Toetsing aan het geluidbeleid Voor het bepalen van de geluidbelasting op de gevels wordt het door de DCMR Milieudienst Rijnmond verstrekte rekenmodel ‘C2BP‐MTG met omgeving volgens A‐model 2013’. Door middel van het toepassen van een groepsreductie op het totaal komen de resultaten van het rekenmodel komen op de eerstelijns bebouwing overeen met de vastgelegde RAK contour van 59 dB(A). Doordat het plan voorziet in afscherming van de achterliggende objecten binnen het plan worden de berekende waarden met dit model gebruikt voor het vaststellen van de hogere waarden en het onderzoek naar geluidluwe gevels en geluidluwe buitenruimten.
33/46
Objecten 1 t/m 8 In Figuur 5.14. zijn de rekenresultaten op de objecten 1 t/m 8 weergegeven. De met het rekenmodel berekende geluidcontour heeft een berekeningshoogte van 1,5 m boven het maaiveld.
Figuur 5.14 Rekenresultaten industrielawaai objecten 1 t/m 8, geluidcontour op 1,5 m Uit de berekeningsresultaten is af te leiden dat objecten 1 t/m 5 een geluidbelasting van meer dan 50 dB(A) hebben op alle gevels en dat objecten 6, 7 en 8 geluidluwe gevels hebben. Alle woningen zullen een geluidluwe buitenruimte hebben (< 55 d(B)A).
34/46
Objecten 9 t/m 26 In Figuur 5.15. zijn de rekenresultaten op de objecten 9 t/m 26 weergegeven.
Figuur 5.15 Rekenresultaten industrielawaai objecten 9 t/m 26, geluidcontour op 1,5 m Uit de berekeningsresultaten is af te leiden dat objecten 9 t/m 11, 15 t/m 18 en 20 een geluidbelasting van meer dan 50 dB(A) hebben op alle gevels. Objecten 13,14, 19 en 21 t/m 26 hebben geluidluwe gevels. Alle woningen zullen een geluidluwe buitenruimte hebben (< 55 d(B)A).
35/46
Objecten 27 t/m 34 In Figuur 5.16. zijn de rekenresultaten op de objecten 27 t/m 34 weergegeven.
Figuur 5.16 Rekenresultaten industrielawaai objecten 27 t/m 34, geluidcontour op 1,5 m Uit de berekeningsresultaten is af te leiden dat objecten 27 t/m 34 geluidluwe gevels hebben. Alle woningen zullen een geluidluwe buitenruimte hebben (< 55 d(B)A).
36/46
Objecten 35 t/m 42 In Figuur 5.17. zijn de rekenresultaten op de objecten 35 t/m 42 weergegeven.
Figuur 5.17 Rekenresultaten industrielawaai objecten 35 t/m 42, geluidcontour op 1,5 m Uit de berekeningsresultaten is af te leiden dat objecten 35 en 36 geluidluwe gevels hebben. Alle woningen zullen een geluidluwe buitenruimte hebben (< 55 d(B)A).
37/46
Objecten 43 t/m 49 In Figuur 5.18 zijn de rekenresultaten op de objecten 43 t/m 49 weergegeven.
Figuur 5.18 Rekenresultaten industrielawaai objecten 43t/m 49, geluidcontour op 1,5 m Uit de berekeningsresultaten is af te leiden dat objecten 43 t/m 45 en 47 t/m 49 geluidluwe gevels hebben. Object 49 zal aan de zuidzijde belast worden door wegverkeerslawaai op de Christinalaan. De geluidbelasting bedraagt ten gevolge van wegverkeer ten hoogste 53 dB zonder aftrek art. 110 Wgh. Voor wegverkeer is hiermee sprake van een geluidluwe gevel. Alle woningen zullen een geluidluwe buitenruimte hebben (< 55 d(B)A).
38/46
Objecten 50 t/m 73 In Figuur 5.19. zijn de rekenresultaten op de objecten 50 t/m 73 weergegeven.
Figuur 5.19 Rekenresultaten industrielawaai objecten 50t/m 73, geluidcontour op 1,5 m Uit de berekeningsresultaten is af te leiden dat objecten 52 en 66 t/m 73 geluidluwe gevels hebben. Deze woningen zullen aan de zuidzijde belast worden door wegverkeerslawaai op de Christinalaan. De geluidbelasting bedraagt ten gevolge van wegverkeer ten hoogste 53 dB zonder aftrek art. 110 Wgh. Voor wegverkeer is hiermee sprake van een geluidluwe gevel. Alle woningen zullen een geluidluwe buitenruimte hebben (< 55 d(B)A).
39/46
Figuur 5.20 Rekenresultaten industrielawaai object 74 (school), geluidcontour op 1,5 m Uit de berekeningsresultaten is af te leiden dat de school geluidluwe gevels zal hebben. Ook is er geen relevante geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer. Conclusie Uit de voorgaande analyse blijkt dat een aanzienlijk deel van de woningen beschikt over een geluidluwe gevel, maar dat dit niet voor alle woningen geldt. In de onderbouwing van het Stap 3‐besluit zal worden gemotiveerd hoe hiermee wordt omgegaan. Daar waar woningen niet beschikken over een geluidluwe gevel is het uitgangspunt dat er waar mogelijk maatregelen worden getroffen om de kans op geluidhinder te beperken. Door met maatregelen een geluidluwe gevel of afgeschermd geveldeel te realiseren, hebben bewoners de mogelijkheid om ramen en deuren te openen en de woning te voorzien van buitenlucht met een beperkte geluidbelasting. Ook wordt hiermee het slapen met geopende ramen mogelijk gemaakt. Alle woningen beschikken wel over een geluidluwe buitenruimte.
40/46
5.6
Gecumuleerde geluidbelasting
Voor deze beoordeling is de gecumuleerde geluidbelasting Lcum berekend volgens de methode van het Reken‐ en meetvoorschrift geluid 2012. Hierbij is het geluid afkomstig van het industrieterrein, het nestgeluid en het wegverkeer (zonder aftrek) gecumuleerd. De rekenresultaten voor de gecumuleerde geluidbelasting zijn opgenomen in bijlage 4. In tabel 5.1 is een samenvatting opgenomen. Tabel 5.1 Samenvatting rekenresultaten gecumuleerde geluidbelasting Lden in dB Geluidkwaliteit Aantal objecten <45
zeer goed
0
46‐50
goed
0
51‐55
redelijk
0
56‐60
matig
60
61‐65
slecht
13
>65
zeer slecht
0
De maximale gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 61 dB. De geluidbelasting wordt hierbij veroorzaakt door het industrielawaai afkomstig van Botlek‐Pernis.
41/46
6. CONCLUSIE Met het bestemmingsplan Dorpshart in Zwartewaal, gemeente Brielle worden 85 woningen, een school en dorpscentrum mogelijk gemaakt. Voor deze woningen en de school is onderzoek uitgevoerd naar de relevante geluidbronnen te weten de geluidbelasting van industrieterrein Botlek‐Pernis, lokale ontsluitingswegen en de school als geluidbron. Andere bronnen in de omgeving zijn niet relevant zie paragraaf 2.2. Geluidbelasting industrie Uit het onderzoek blijkt dat bij elk van de 85 woningen de voorkeurswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt overschreden. Maatregelen aan de bron zijn reeds getroffen naar aanleiding van het saneringsprogramma voor Botlek‐Pernis. Aanvullende bronmaatregelen zijn niet doelmatig. Bovendien vormen de vastgestelde MTG‐contouren een recht voor de bedrijven om een bepaalde hoeveelheid geluid uit te emitteren. Maatregelen in de overdracht zijn aan de bronzijde niet doelmatig en stuiten aan de ontvangerszijde op bezwaren van stedenbouwkundige aard en technische aard. Bij de indeling van het plangebied is het aspect geluid in een vroegtijdig stadium betrokken. De gebouwen bieden onderling zo veel als mogelijk afscherming tegen geluid, rekening houdend met de andere randvoorwaarden die meespelen bij de indeling van het plangebied.