CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Analyserapport Leefbaarheid onder de loep 2022

Gemeenteraad 30 januari 2025, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Aanvraag Wbmgp-aanwijzing (Rotterdamwet)27.993 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Niet gevonden in dit document.

Leefbaarheid onder de loep Analyse en verdieping Leefbaarometer meting 2022

Jornt Mandemakers Kees Leidelmeijer Marten Middeldorp

februari 2024

Leefbaarometer

Eindredactie Atlas Research Capital C, 4e etage Weesperplein 4c 1018 XA Amsterdam 020 2371400 info@atlasresearch.nl www.leefbaarometer.nl © Atlas Research, Amsterdam, 2024

Leefbaarheid onder de loep 2022

Inhoud Samenvatting en conclusies

5

1

Inleiding

13

1.1 De Leefbaarometer

13

1.2 Deze rapportage

14

2 Ontwikkeling van de leefbaarheid

16

2.1 Landelijk

16

2.2 Ontwikkeling per regio en naar stedelijkheid

21

2.3 Ontwikkelingen in de G4, G40 en gemeenten daarbuiten

25

2.4 Conclusie

28

3 Gebieden onder druk

29

3.1 Convergentie en divergentie

29

3.2 Structureel onder druk

31

3.3 Vergelijking 2020 en 2022

36

3.4 Conclusie

40

4 Stijgers en dalers

41

4.1 Van onvoldoende naar zwak of voldoende

41

4.2 Zwak of onvoldoende én dalende leefbaarheid

44

4.3 Conclusie

47

5 Leefbaarheid en gezondheid

48

5.1 Beperkingen als gevolg van langdurige aandoeningen

48

5.2 Mentale gezondheid

49

5.3 Omgevingsinvloeden

51

5.4 Leefstijl

52

5.5 Ervaren gezondheid

53

5.6 Conclusie

56

Leefbaarometer

6 Nieuwbouw: uitbreiding en verdichting

58

6.1 Inleiding

58

6.2 Beschrijving en opzet

59

6.3 Ontwikkeling en dimensies van leefbaarheid in uitbreidings- en verdichtingsgebieden

62

6.4 Leefbaarheid in nieuwbouwgebieden en druk op de woningmarkt

64

6.5 Effecten van verdichting op leefbaarheid bestaande gebieden

70

6.6 Waterbedeffect nieuwbouw

72

6.7 Conclusie

73

Literatuur

75

Bijlage 1: Toelichting Leefbaarometer Meting 2022

76

Bijlage 2: Gebieden structureel onder druk

84

Bijlage 3: Buurten met een verbetering vanuit onvoldoende

105

Bijlage 4: Buurten met een verslechtering vanuit zwak/onvoldoende

114

4

Leefbaarometer

Samenvatting en conclusies In dit rapport wordt de ontwikkeling van de leefbaarheid in Nederland beschreven zoals we die meten met de Leefbaarometer. De nadruk ligt op de meest recente ontwikkeling: tussen 2020 en 2022. Er wordt ingegaan op de algemene trend, verschillen tussen typen gemeenten en op de ontwikkelingen in gebieden met een gunstige of juist ongunstige leefbaarheid. Verder wordt ingezoomd op de gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat: welke gebieden zijn dit en zijn het er meer of minder dan bij de vorige meting? Aansluitend wordt ingegaan op een drietal verdiepende thema-analyses. Ten eerste wordt aandacht besteed aan de gebieden die vanuit een ongunstige leefbaarheid sterk verbeterden (‘stijgers’) of juist verder verslechterden ('dalers’): waar liggen die gebieden en welke dimensies van de Leefbaarometer waren hierbij van belang? Als tweede thema wordt de relatie onderzocht tussen leefbaarheid aan de ene kant en gezondheid aan de andere kant. Als laatste thema wordt ingegaan op de effecten van nieuwbouw op de leefbaarheid. Deze analyses zijn verkennend van aard en bedoeld om de kennis van de leefbaarheidsproblematiek te vergroten en om te signaleren welke samenhang er is tussen de leefbaarheid en andere opgaven in een gebied.

We hopen dat deze analyses ook op lokaal niveau als inspiratie kunnen dienen om nadere invulling te geven aan verdiepend onderzoek en de evaluatie en ontwikkeling van beleid.

De Leefbaarometer De Leefbaarometer geeft tot op laag schaalniveau (grids van 100 x 100 meter) en voor geheel Nederland een inschatting van hoe prettig mensen het vinden om ergens te wonen en hoeveel ze daarvoor over hebben. Dat doet de Leefbaarometer aan de hand van kenmerken van de woonomgeving die worden ingedeeld in zogenaamde ‘dimensies’. De dimensies van de Leefbaarometer – die ook op kaartbeeld worden getoond op www.leefbaarometer.nl – zijn: ‘fysieke omgeving’, ‘woningvoorraad’, ‘voorzieningen’, ‘sociale samenhang’ en ‘overlast en onveiligheid’. Voor een korte toelichting op de Leefbaarometer zie ook Bijlage 1 van dit rapport1. De score op de Leefbaarometer en de onderscheiden dimensies geven een indruk van hoe het ervoor staat met de leefbaarheid in een gebied en welke ontwikkelingen er zijn. Daarmee -----------1

De Leefbaarometer is in 2019/2020 herijkt. Meer over de achtergrond van de Leefbaarometer 3.0 en hoe het instrument is opgebouwd, staat in de publicatie Mandemakers et al. (2021) Leefbaarometer 3.0: instrumentontwikkeling: https://www.leefbaarometer.nl/resources/LBM3Instrumentontwikkeling.pdf

Leefbaarometer

heeft de Leefbaarometer vooral een signaleringsfunctie. Met de onderscheiden dimensies worden handvatten geboden voor de richting waarin maatregelen voor verbetering van de leefbaarheid gezocht kunnen worden. Hoe de situatie ter plekke écht is, vraagt altijd nader onderzoek omdat er lokaal zaken kunnen spelen die de Leefbaarometer niet (goed) meet. De analyses in deze rapportage hebben betrekking op de nieuwste meting van de Leefbaarometer, met als peildatum 1-1-2022.

Corona In de meting 2022 kunnen effecten doorklinken van de coronaperiode.2 Aantoonbaar afwijkende ontwikkelingen die gerelateerd zijn aan de coronaperiode zijn niet in de monitor verwerkt om een trendbreuk te voorkomen. De Leefbaarometer zou anders een verbetering/verslechtering laten zien, waarvan het zeker is dat dit een zeer tijdelijke dip of piek was. Een voorbeeld hiervan is de luchtkwaliteit. Doordat er veel minder werd autogereden in de coronaperiode was de indicator (fijnstof, pm10) bijzonder positief gewijzigd. Inmiddels is duidelijk dat dit een tijdelijke dip in de concentraties fijnstof was die geen structurele verbetering van de leefbaarheid met zich mee heeft gebracht. Van veel indicatoren is niet goed bekend in hoeverre de coronaperiode erin doorklinkt. Die zijn ‘gewoon’ gehandhaafd. Waar we vermoeden dat die doorklinken in de uitkomsten, maken we daarvan melding in de tekst. Verbetering leefbaarheid zet door, maar niet voor iedereen De leefbaarheid in Nederland verbeterde gemiddeld genomen tussen 2020 en 2022. Hiermee wordt de positieve ontwikkeling van 2018-2020 doorgezet. De verbeteringen zijn echter vooral te vinden in gebieden waar de leefbaarheid al goed was. Er zijn daardoor meer gebieden met een score ‘goed’ tot en met ’uitstekend’ in 2022 dan in 2020.

Het aantal huishoudens in gebieden met een mindere leefbaarheid bleef min of meer constant; per saldo is er een daling van 2% geweest van het aantal huishoudens dat woont in gebieden met een score ‘onvoldoende’ of lager. Er wonen anno 2022 nog zo’n 276 duizend huishoudens (iets minder dan 590 duizend inwoners) in de ‘onvoldoende’ gebieden. In 2020 waren dat er ruim 280 duizend (600 duizend inwoners). In de ‘onvoldoende’ en ‘zwakke’ gebieden samen, wonen anno 2022 bijna 920 duizend huishoudens (ruim 1,9 miljoen inwoners), terwijl dat er in 2020 nog 930 duizend waren (circa 2,0 miljoen inwoners). De sterke vermindering van 180 duizend huishoudens in gebieden met een

-----------2

In het voorjaar van 2022 werden de Corona maatregelen stapsgewijs afgebouwd. Zie: https://www.rivm.nl/gedragsonderzoek/tijdlijn-maatregelen-covid-2022. Het peilmoment van veel indicatoren ligt op 1 januari 2022 of in 2021, dus tijdens de coronaperiode.

6

Leefbaarheid onder de loep 2022

zwakke of onvoldoende leefbaarheid die bij de vorige meting tussen 2018 en 2020 werd geconstateerd, heeft zich niet doorgezet tussen 2020 en 2022 en is daarmee min of meer tot stilstand gekomen. De gemiddelde verbetering van de scores op de Leefbaarometer was te zien in alle landsdelen en zowel in stedelijke als niet-stedelijke gemeenten. De dimensies waarop de verbeteringen werden gerealiseerd verschillen wel. Gemiddeld verbeterden de dimensies ‘fysieke omgeving’ en ‘woningvoorraad’. De dimensie ‘overlast en onveiligheid’ bleef gemiddeld ongeveer gelijk, maar op deze dimensie was er bijvoorbeeld wel een (verdere) verslechtering in de G4 en een (verdere) verbetering in de niet-stedelijke gemeenten en in de G40. Omgekeerd verslechterde de score op de dimensie ‘voorzieningen’ in de weinig stedelijke gemeenten, terwijl die score daar al laag was. De dimensie ‘voorzieningen’ ging ook in de G40 achteruit. Dit bleek vooral te worden veroorzaakt doordat de nabijheid van horeca afnam. Dit kan mogelijk een effect van de coronaperiode zijn geweest. Anderzijds verbeterde in de G4 de score op de dimensie ‘voorzieningen’ juist, terwijl die daar al hoog was. Delen van Nederland raken verder achterop De ontwikkeling van de leefbaarheid was in de gebieden met een onvoldoende tot zeer onvoldoende leefbaarheid tussen 2020 en 2022 minder gunstig dan in de gebieden met een betere leefbaarheid.

De verschillen in leefbaarheid zijn daardoor – na een relatief gunstige ontwikkeling van de gebieden met een mindere leefbaarheid tussen 2018 en 2020 – weer wat toegenomen. Over een langere periode van twintig jaar is te zien dat in veel gebieden – ook in een deel van de gebieden waar de leefbaarheid in 2002 nog onvoldoende was – de leefbaarheid is verbeterd. Dit geldt echter niet voor de gebieden die anno 2022 nog steeds een (zeer) onvoldoende leefbaarheid hebben. In deze gebieden is dat vaak al twintig jaar het geval. Doordat de leefbaarheid in de rest van het land overwegend verbeterde, raken deze gebieden steeds verder achterop; in de laatste periode tussen 2020 en 2022 is zelfs een terugval te zien. Of dat een tijdelijke dip is of een begin van een neerwaartse ontwikkeling kan nu nog niet worden gezegd in afwachting van de meting 2024. Het aantal gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat, is tussen 2020 en 2022 iets afgenomen. Hiermee worden grotere gebieden bedoeld waar de leefbaarheid al langere tijd ‘zwak’ en in ieder geval in een deel ‘onvoldoende’ is. Er staan in 2022 nog 488 buurten in de lijst, waar dit er in 2020 nog 513 waren. Gemeten naar het aantal inwoners gaat het om een daling van 2%. Er wonen daardoor anno 2022 nog steeds ongeveer 528 duizend huishoudens (ca.

1,1 miljoen inwoners) in een gebied waar de leefbaarheid structureel onder druk staat.

7

Leefbaarometer

Veel van de gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat, zijn te vinden in de grote steden. Het zwaartepunt van deze gebieden ligt dan ook in de Randstad. In de vier grote steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht zijn de problemen het meest hardnekkig en verdwijnen er maar weinig gebieden die structureel onder druk staan uit de lijst (zie Bijlage 2). De gebieden díe uit de lijst zijn verdwenen – onafhankelijk van waar ze liggen - hebben dit in het bijzonder te danken aan een gunstige ontwikkeling van de dimensie ‘overlast en onveiligheid’ tussen 2020 en 2022. Omgekeerd is bij de nieuwkomers in de lijst een verslechtering van ‘overlast en onveiligheid’ in die periode de belangrijkste reden van de daling van de leefbaarheid geweest. Dat de leefbaarheid in gebieden structureel onder druk staat is zeker niet alleen een probleem van de grote steden in de Randstad. In de Randstad gaat het ook deels om gemeenten zoals Zaanstad of gemeenten in de regio IJmond (Beverwijk, Velsen en Heemskerk), de Drechtsteden en de zuidvleugel van de Randstad (Vlaardingen, Schiedam, Maassluis, Nissewaard en Capelle aan den IJssel). De gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat, zijn in alle provincies – met uitzondering van Zeeland - te vinden.

In het noorden van het land gaat het om de gemeenten Groningen, Leeuwarden, Eemsdelta, Midden-Groningen en Emmen en om Den Helder in Noord-Holland. In Overijssel liggen deze gebieden in Almelo en Enschede. Verder zijn gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat te vinden in Gelderland (Arnhem, Nijmegen, Tiel), in Noord-Brabant (Tilburg, Eindhoven, Helmond, Breda, Roosendaal, Bergen op Zoom en ‘s-Hertogenbosch), in Limburg (Parkstad Limburg, Sittard-Geleen, Maastricht, Venlo) en in Flevoland (Almere, Lelystad). Stijgers en dalers In de gebieden met een ongunstige leefbaarheid waar de score flink verbeterde (de ‘stijgers’) wonen zo’n 60 duizend huishoudens. De verbeteringen in deze gebieden waren te zien op alle dimensies. ‘ ‘Overlast en onveiligheid’ had de grootste bijdrage aan de totale verbetering (52%), gevolgd door ‘woningvoorraad’ (29%). In Bijlage 3 is een overzicht opgenomen van de gemeenten, wijken en buurten waar deze verbeteringen tussen 2020 en 2022 hebben plaatsgevonden. In deze lijst zijn 258 buurten in 65 gemeenten te vinden. De gemeente met de meeste verbeteringen vanuit ‘onvoldoende’ is Den Haag, gevolgd door de gemeenten Rotterdam, Tilburg, Amsterdam, Leeuwarden en Utrecht. In de gebieden met een ongunstige leefbaarheid waar de score nog verder daalde tussen 2020 en 2022 woonden in 2022 ruim 125 duizend huishoudens.

De daling had hier voor 60% te maken met een verslechtering op ‘overlast en onveiligheid’, maar ook op alle andere dimensies was een verslechtering te zien in deze gebieden. In Bijlage 4 is een overzicht opgenomen

8

Leefbaarheid onder de loep 2022

van gemeenten, wijken en buurten waar deze verslechteringen tussen 2020 en 2022 hebben plaatsgevonden. In deze lijst zijn 419 buurten in 111 gemeenten te vinden. In aantallen huishoudens komen de meeste van deze gebieden voor in Amsterdam (ruim 17 duizend huishoudens in Zuidoost, West en Noord), Rotterdam (ruim 20 duizend huishoudens, vooral in Zuid, maar ook in onder andere Delfshaven, Hoogvliet en Prins Alexander) en Den Haag (ruim 7.000 huishoudens, vooral in Zuidwest). In vrijwel alle gevallen gaat het – net als bij de stijgers – over het algemeen om delen van buurten die achteruitgaan en niet om de gehele buurt (stijgers en dalers kunnen ook binnen eenzelfde buurt liggen). In een enkel geval (Riekerhaven in Amsterdam bijvoorbeeld) gaat de verslechtering wel om de gehele buurt en in een beperkt aantal gevallen om het grootste deel van een buurt. Carnisse in Rotterdam, Gildenbuurt in Velsen (Noord) en Tuikwerd in Eemsdelta zijn daar voorbeelden van. Leefbaarheid en Gezondheid We hebben onderzocht hoe gezond of ongezond inwoners zijn in gebieden met een verschillende leefbaarheid. Ook hebben we de verschillen onderzocht tussen 2020 (pre corona) en 2022 (gedurende corona) in deze gebieden. Er blijkt een zeer sterke samenhang (correlatie) te zijn tussen leefbaarheid en (aspecten van) gezondheid.

Deze vallen in alle gevallen uit in het nadeel van de gebieden met een slechtere leefbaarheid en in het voordeel van gebieden met een gunstigere leefbaarheid. Het aandeel bewoners bijvoorbeeld dat ernstig beperkt is als gevolg van langdurige aandoeningen verschilt een factor 2,8 tussen gebieden waar de leefbaarheid ‘onvoldoende’ scoort en waar die ‘uitstekend’ is. Het aandeel bewoners dat kampt met mentale gezondheidsproblemen (hoog risico op een angststoornis en depressie) is in gebieden met een onvoldoende leefbaarheid zo’n 3,5 keer groter dan in gebieden met een uitstekende leefbaarheid; ook lag tijdens de coronaperiode voor alle leefbaarheidsklassen dit aandeel nog eens ruim 50% hoger ten opzichte van 2020. In gebieden met een mindere leefbaarheid beoordeelt 15% van de bewoners de eigen veerkracht als zeer laag (tegen 4% in gebieden met een uitstekende leefbaarheid). Deze grote verschillen zijn vergelijkbaar voor het oordeel dat men onvoldoende regie ervaart over het eigen leven. In gebieden met een onvoldoende leefbaarheid zijn er ook meer mensen die veel stress ervaren; dat geldt overigens ook, maar in mindere mate, voor een behoorlijk groot aandeel bewoners in gebieden met een gunstige leefbaarheidsscore.

Ook missen bewoners in gebieden met een mindere leefbaarheid steun van anderen (16% om 3,6%) en zijn er meer mensen met een ongezonde leefstijl (ernstig overgewicht, roken, te weinig bewegen; met uitzondering van alcoholgebruik waar de verschillen kleiner zijn en de trend omgekeerd is.

9

Leefbaarometer

Gegeven deze opsomming van gezondheidsverschillen, is het geen verrassing dat de verschillen in ervaren gezondheid van bewoners in gebieden met een goede en minder goede leefbaarheid groot zijn. In gebieden met een zeer goede of uitstekende leefbaarheid ervoer in 2022 net iets minder dan 4% een slechte tot zeer slechte gezondheid. In gebieden met een onvoldoende leefbaarheid was dat bijna 14% en daarmee 3,5 keer meer. In 2020, voor de coronatijd, was het verschil iets kleiner: 3,2 keer (2,1% resp. 6,8%). Overigens was er tijdens de coronaperiode voor alle leefbaarheidsklassen sprake van bijna een verdubbeling van het aandeel mensen met een slechte tot zeer slechte ervaren gezondheid ten opzichte van 2020. De relatie tussen omgevingsfactoren en gezondheid is ingewikkeld. Dat in gebieden met een mindere leefbaarheid meer mensen wonen met gezondheidsproblemen, betekent niet dat die gebieden deze problemen veroorzaken. Het is waarschijnlijk dat ze er voor een deel aan bijdragen, bijvoorbeeld doordat er meer stressfactoren in de woonomgeving zijn (denk aan overlast en onveiligheid) of doordat de sociale samenhang en steun er minder groot zijn. Maar voor een ander en (veel) groter deel wordt de slechtere gezondheid van de bewoners in deze buurten beïnvloed door meer persoonlijke factoren, zoals moeite om rond te komen, leefstijl, veerkracht, inkomen en opleiding.

Hoe de (causale) relatie ook ligt, de buurten met een mindere leefbaarheid zijn de plekken waar veel problemen samenkomen: overlast en onveiligheid, sociaaleconomische problematiek én gezondheidsproblemen.

Thema Nieuwbouw In het afgelopen decennium is Nederland op de schop gegaan. In bijna 10% van woonomgevingen anno 2022 is flink bijgebouwd of een compleet nieuwe wijk verrezen tussen 20102019. De nieuwbouw vond met name plaats in verdichtingsgebieden, ofwel reeds bestaande gebieden. Het gaat goed met de leefbaarheid van nieuwbouwgebieden. De leefbaarheid in uitbreidingsgebieden steekt over het algemeen gunstig af tegen de leefbaarheid in de rest van het land. Met name gebieden die zeer recent zijn gebouwd (2015-2019) doen het goed. Tussen 2014 en 2022 hield de ontwikkeling van de leefbaarheid in uitbreidingsgebieden en de rest van het land ongeveer gelijke tred. Inmiddels is de gemiddelde leefbaarheid in zowel grote uitbreidingslocaties als de rest van het land ‘goed’, waarbij deze nieuwbouwgebieden beter blijven scoren. Als we kijken naar de leefbaarheid(sontwikkeling) van verdichtingsgebieden dan zien we dat die eveneens goed scoren ten opzichte van overig Nederland. Verder blijkt het nieuwbouwdividend in verdichtingsgebieden - de toename in de leefbaarheid van een gebied - al tijdens de bouw op te treden, als we verdichtingsgebieden gebouwd in verschillende perioden met elkaar vergelijken.

10

Leefbaarheid onder de loep 2022

Er zijn grote verschillen tussen uitbreidings- en verdichtingsgebieden en overig Nederland als we inzoomen op de dimensies van leefbaarheid. De leefbaarheid in uitbreidingsgebieden wijkt positief af door een grotere sociale samenhang en minder overlast en onveiligheid; het voorzieningenniveau is echter minder gunstig dan in de rest van het land. Nieuwbouwwijken worden vaak gekenschetst door een hoge saamhorigheid en ’pioniersgeest’ van de bewoners, deze bevindingen passen in dat beeld. Een waarschijnlijke verklaring voor het lagere voorzieningenniveau is dat uitbreidingsgebieden over het algemeen worden gerealiseerd aan de rand van een stad, waardoor er minder voorzieningen in de nabijheid zijn. Verdichtingsgebieden verschillen minder sterk van de rest van het land dan uitbreidingsgebieden. Ook hier steken de sociale samenhang en overlast en onveiligheid positief af, maar de verschillen zijn beduidend kleiner. Het vermoeden dat nieuwbouw in gemeenten met een krappere woningmarkt het beter doet dan nieuwbouw in gebieden met geen of minder gebrek aan woonruimte, komt deels uit. In uitbreidingsgebieden met een hoge woondruk is de aanvangsleefbaarheid beneden gemiddeld, maar verbetert deze in de eerste jaren sterk.

De verklaring hiervoor is dat in uitbreidingsgebieden in gemeenten met een hoge woondruk, juist dóór die vraag naar woningen, nieuwbouw woningen worden ontwikkeld bijvoorbeeld met een kleiner oppervlak en in minder ruim opgezette wijken en meer in hoogbouw. Ook kan het zijn dat in de eerste jaren het voorzieningenniveau zich niet kan meten met bestaande gebieden en dat nieuwbouw plaatsvindt op minder gunstig gelegen plekken. Er zijn geen grote verschillen naar woondruk gevonden voor nieuwbouw in reeds bebouwde gebieden (verdichtingsgebieden). Nieuwbouw in bestaande woongebieden heeft een positief effect op de leefbaarheid. Als we onderscheid maken naar hoe de leefbaarheid was van een gebied vóórdat de verdichting plaatsvond, dan zien we dat er duidelijk positieve verbeteringen optreden bij met name zeer recente verdichtingsgebieden die aanvankelijk zwak of lager scoren. Verder is er sprake van enige positieve uitstraling naar nabijgelegen gebieden (binnen een straal van 200 meter); ook zij vertonen een positieve trend die sterker is naarmate de aanvangssituatie lager was, al is het effect minder sterk dan in de verdichtingsgebieden zelf.

11

Leefbaarometer

12

Leefbaarheid onder de loep 2022

1 Inleiding 1.1

De Leefbaarometer

De Leefbaarometer is een instrument van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om tot op laag schaalniveau (100 x 100 meter) en voor geheel Nederland een inschatting te geven van de leefbaarheid. Dat is gedaan aan de hand van een groot aantal kenmerken van de woonomgeving, zoals type voorzieningen, lokale geluidsbelasting en onveiligheid. Van deze kenmerken is onderzocht hoe sterk ze samenhangen met hoe prettig mensen het vinden om ergens te wonen en hoeveel ze daarvoor over hebben. Op basis van die kenmerken geeft de Leefbaarometer vervolgens een indruk van waar het naar verwachting goed of slecht is gesteld met de leefbaarheid (signalering) en hoe deze zich ontwikkelt (monitoring). Hoe de situatie ter plekke écht is, vraagt om nader onderzoek. Er kunnen lokaal namelijk ook factoren een rol spelen die niet in de Leefbaarometer zijn opgenomen. De Leefbaarometer geeft niet aan wat er lokaal zou moeten veranderen om de leefbaarheid te verbeteren. De Leefbaarometer is een signalerings- en monitoringsinstrument, en geen causaal

model.

Om

de

leefbaarheid

te

verbeteren

zijn

de

erin

opgenomen

omgevingskenmerken niet automatisch de beste ‘knoppen om aan te draaien’. Het instrument signaleert waar het goed lijkt te gaan en waar juist niet en geeft - met de dimensies die erin worden onderscheiden - handvatten voor de richting waarin maatregelen voor verbetering van de leefbaarheid gezocht kunnen worden. COVID-19 Het gehanteerde instrument Leefbaarometer 3.0 is geijkt op omgevingskenmerken, bewonersoordelen en huizentransacties rond het peiljaar 2018, dus in het pre-coronatijdperk. De meting 2022 (en deze rapportage) is echter gebaseerd op de situatie tijdens de COVID-19pandemie (start februari 2020 tot het einde van de laatste coronamaatregelen in maart 2022).3 Het is dus mogelijk dat in de meting 2022 effecten kunnen doorklinken van de coronaperiode. Het is tevens voorstelbaar dat de samenhang van omgevingskenmerken met de leefbaarheid kan zijn veranderd sinds de coronaperiode, aangezien mensen zich meer op hun directe woonomgeving richten dan voorheen. Tegelijkertijd zijn veel effecten van corona van beperkte duur gebleken en is de wereld minder ingrijpend veranderd dan velen

-----------3

https://www.rivm.nl/gedragsonderzoek/tijdlijn-maatregelen-covid-2022.

13

Leefbaarometer

aanvankelijk dachten. Over mogelijke blijvende gevolgen voor de leefbaarheid blijft het vooralsnog speculeren. Alleen nader onderzoek naar een eventuele herijking van de Leefbaarometer naar de post-coronasituatie kan daar uitsluitsel over geven. We hebben getracht een mogelijk verstorende invloed van de coronaperiode te minimaliseren om de interpretatie van de Leefbaarometer en daarmee de vergelijkbaarheid van de metingen door de tijd heen zoveel mogelijk gelijk te houden. Voor de meting 2022 hebben we de scores voor alle indicatoren tegen het licht gehouden en de ontwikkelingen vergeleken met 2020 om zo mogelijke afwijkingen op te speuren.4 Aantoonbaar afwijkende ontwikkelingen die gerelateerd zijn aan de coronaperiode hebben we niet in de monitor verwerkt. Dit geldt in het bijzonder voor de luchtkwaliteit. Doordat er veel minder werd autogereden in de coronaperiode was die indicator bijzonder positief gewijzigd. Inmiddels is duidelijk dat dit een tijdelijke dip in de concentraties fijnstof was die geen structurele verbetering van de leefbaarheid met zich mee heeft gebracht. Van veel indicatoren is niet goed bekend in hoeverre de coronaperiode erin doorklinkt. Die zijn ‘gewoon’ gehandhaafd. Waar we vermoeden dat die doorklinken in de uitkomsten, maken we daarvan melding in de tekst.

Bijlage 1 geeft een nadere toelichting op de Leefbaarometer en de (aanpassingen in de) meting 2022.

Beschikbaarheid gegevens Alle kaarten en de achterliggende gegevens van de Leefbaarometer zijn openbaar toegankelijk en te raadplegen via www.leefbaarometer.nl. Alle uitkomsten kunnen worden gedownload als open data. Via de website kunnen ook eerdere analyserapporten, alsmede de uitgebreide (technische) toelichting op de herijking voor de Leefbaarometer 3.0 worden geraadpleegd.

1.2 Deze rapportage In deze rapportage worden de uitkomsten van de meting 2022 beschreven vanuit landelijk perspectief. Er wordt ingegaan op de belangrijkste ontwikkeling van de leefbaarheid in Nederland (hoofdstuk 2). Vervolgens zoomt hoofdstuk 3 in op de gebieden in het land waar de leefbaarheid structureel onder druk staat. We geven een update van de in het vorige analyserapport gepresenteerde selectie van deze gebieden op basis van de nieuwe meting 2022. Vervolgens wordt ingezoomd op de gebieden die erbij zijn gekomen en de gebieden die uit

-----------4

De meting van 2020 is niet beïnvloed door Corona, want de peildata van de gehanteerde indicatoren liggen voor de start van de coronaperiode (februari 2020).

14

Leefbaarheid onder de loep 2022

de lijst zijn verdwenen: wat zijn de verschillen met de vorige meting, waar liggen de gebieden en hoe scoren ze op de verschillende dimensies van de Leefbaarometer? De verdiepende thema’s komen aan bod in de hoofdstukken 4 tot en met 6. Hoofdstuk 4 trapt af met het terugkerende thema naar de stijgers en dalers in leefbaarheid. In hoofdstuk 5 verkennen we de relatie tussen de (ervaren) gezondheid en de leefbaarheid van buurten met recente data van de Gezondheidsmonitor 2020 en 2022. Het derde verdiepende thema kijkt naar de relatie tussen nieuwbouw (verdichting en uitleglocaties) en leefbaarheid (hoofdstuk 6).

15

Leefbaarometer

2 Ontwikkeling van de leefbaarheid 2.1 Landelijk De gemiddelde leefbaarheid in Nederland is – op basis van de Leefbaarometer - tussen 2020 en 2022 verder verbeterd (figuur 2-1). Dat betekent dat de kenmerken van de woonomgeving die zijn meegenomen in de Leefbaarometer gemiddeld genomen verbeterden in Nederland. De stijging tussen 2020 en 2022 was iets minder sterk dan tussen 2018 en 2020, maar de leefbaarheid in Nederland is er gemiddeld genomen wel mee op een score ‘goed’ uitgekomen.

figuur 2-1 Ontwikkeling gemiddelde score Leefbaarometer 2002-2022

De verbetering van de scores is terug te zien in een groter aantal huishoudens5 dat in gebieden woont met scores ‘goed’, ‘zeer goed’ en ‘uitstekend’ (figuur 2-2). Het aantal huishoudens -----------5

In deze rapportage vermelden we vaak het aantal huishoudens/woningen dat in gebieden met een bepaalde leefbaarheid woont/staat. Dat doen we omdat we het aantal woningen precies kunnen vaststellen door combinatie van de leefbaarheidskaarten met de Basisadministratie Adressen en Gebouwen. Het aantal personen dat ergens woont is minder precies bekend. Het CBS hanteert hiervoor namelijk regels die de privacy beschermen. Alle inwoneraantallen kleiner dan 10 zijn daardoor onbekend en alle andere aantallen zijn op 5-tallen afgerond. De aantallen personen zijn daarom altijd benaderingen. In voorkomende gevallen geven we wel een inschatting van het aantal inwoners waar het om gaat. De primaire rekeneenheid betreft echter woningen/huishoudens.

16

Leefbaarheid onder de loep 2022

in gebieden met een score ‘ruim voldoende’ is vrijwel gelijk gebleven. Ook het aantal huishoudens in gebieden met lagere scores is niet veel veranderd. Dat betekent dat er nog steeds gebieden zijn met scores ‘zeer onvoldoende’ tot en met ‘zwak’.

figuur 2-2 Verdeling van scores op de Leefbaarometer in 2022, vergeleken met 2020

Dynamiek De toename van het aantal huishoudens in de gebieden met scores ‘goed’ tot en met ‘uitstekend’ in figuur 2-2 komt doordat in meer gebieden de leefbaarheid verbeterde dan verslechterde én door uitbreiding van de woningvoorraad (op nieuwe locaties of in bestaande wijken). Dit wordt voor de gebieden die ‘zeer goed’ scoren, geïllustreerd in figuur 2-3. De figuur laat zien welke scores de gebieden in 2020 hadden die in 2022 een score ‘zeer goed’ hadden. Een kwart van de huishoudens die in 2022 in een gebied woonden met een score ‘zeer goed’, woonde in 2020 in een gebied met een lagere score (‘goed’ of ‘ruim voldoende’). Zij hebben een verbetering doorgemaakt. Voor 11% van de huishoudens die in 2022 in een gebied woonde met een score ‘zeer goed’ was dit echter een verslechtering ten opzichte van 2020. Zij woonden in 2020 namelijk nog in een gebied met een score ‘uitstekend’. En voor 4%

17

Leefbaarometer

van de huishoudens in een gebied met score ‘zeer goed’ in 2022 gaat het om nieuwe woningen die gebouwd zijn in een gebied met een ‘zeer goede’ leefbaarheid. Dit kan zowel om nieuwbouw in een bestaande wijk gaan (inbreiding) als om nieuwbouw op een nieuwe locatie (uitbreiding).

figuur 2-3 Wat was de score in 2020 van gebieden die in 2022 ‘zeer goed’ scoren?

Er is een kleine vermindering geweest van het aantal huishoudens in de gebieden met de laagste scores: ‘zeer onvoldoende’ en ‘ruim onvoldoende’. Dat zijn er anno 2022 circa 7.100 minder dan in 2020. Op de schaal van de Nederlandse bevolking is zo´n afname niet groot, maar omdat slechts weinig gebieden zo’n lage score hebben, is het daarbinnen wel een betekenisvolle afname van 7% geweest. Hier staat tegenover dat er een kleine toename van zo’n 1.800 huishoudens is geweest in de klasse ‘onvoldoende’. Voor een groot deel zijn dat huishoudens waarvan de woonomgeving eerder nog als ‘zeer onvoldoende’ of ‘ruim onvoldoende’ is aangemerkt. Per saldo is er met deze verschuivingen een daling geweest van het aantal huishoudens dat woont in gebieden met een score ‘onvoldoende’ of lager van 2%. Er wonen anno 2022 nog zo’n 276 duizend huishoudens (iets minder dan 590 duizend inwoners) in de ‘onvoldoende’ gebieden. In 2020 waren dat er ruim 280 duizend (600 duizend inwoners). In de ‘onvoldoende’ en ‘zwakke’ gebieden samen wonen anno 2022 bijna 920 duizend huishoudens (ruim 1,9 miljoen inwoners) terwijl dat er in 2020 nog 930 duizend waren

18

Leefbaarheid onder de loep 2022

(circa 2 miljoen inwoners). De sterke vermindering van 180 duizend huishoudens in gebieden met een zwakke of onvoldoende leefbaarheid die bij de vorige meting tussen 2018 en 2020 werd geconstateerd, heeft daarmee niet doorgezet. Er is tussen 2020 en 2022 dus geen grote afname geweest van de ‘zwakke’ en ‘onvoldoende’ gebieden. Dat wil niet zeggen dat er geen verschuivingen zijn geweest, bijvoorbeeld van ‘zwak’ naar ‘onvoldoende’ en omgekeerd. Op die dynamiek gaan we in hoofdstuk 4 verder in. Aan de gebieden die al langere tijd ‘onvoldoende’ of ‘zwak’ scoren, wordt in hoofdstuk 3 meer aandacht besteed.

Ontwikkeling op dimensies De gemiddelde verbetering in Nederland tussen 2020 en 2022 komt vooral door de dimensies ‘fysieke leefomgeving’ en ‘woningvoorraad’ (figuur 2-4). ‘Overlast en onveiligheid’ laat sinds 2018 slechts een zeer kleine verbetering zien en de dimensies ‘sociale samenhang’ en ‘voorzieningen’ zijn gemiddeld genomen wat gedaald. Bij de dimensie ‘sociale samenhang’ is er een beperkte, maar wel doorgaande negatieve trend. Dat is anders voor de dimensie ‘voorzieningen’. Daarvan steeg de score tussen 2014 en 2020 nog vrij sterk. De daling tussen 2020 en 2022 is daar duidelijk een afwijking van. Inspectie van de onderliggende indicatoren laat zien dat bij de verslechtering op de dimensie ‘voorzieningen’ in het bijzonder de (toegenomen) afstand tot horeca (hotels, restaurants, cafés en cafetaria’s) een rol speelt. Het is denkbaar dat dit een ontwikkeling is die samenhangt met de coronaperiode waarin het aantal horecazaken afnam. De verbetering op de dimensie ‘woningvoorraad’ tussen 2020 en 2022 is ook opvallend. Deze verbetering hangt in het bijzonder samen met een afname van het aantal financieel kwetsbare eigenaar-bewoners.6 Die afname wordt vooral veroorzaakt door de toename van de WOZ-waarde van hun woningen. Daardoor valt een kleiner deel van de eigenaar-bewoners in de laagste welvaartsklasse.

Dat is anders in situaties waarin de WOZ-waarde daalt en koopwoningen ‘onder water’ komen te staan. Dan neemt het aantal financieel kwetsbare eigenaar-bewoners toe.

-----------6

Zie ook https://www.leefbaarometer.nl/resources/LBM3Instrumentontwikkeling.pdf voor een meer gedetailleerde beschrijving van deze indicator (en alle andere indicatoren) in de Leefbaarometer.

19

Leefbaarometer

figuur 2-4 Ontwikkeling van de Leefbaarometer per onderliggende dimensie

Noot. De ontwikkelingen per dimensie vallen binnen wat in de Leefbaarometer wordt aangeduid als de klasse ‘geen afwijking’. Voor de schaal van Nederland als geheel (waarbij we rekenen met ruim 460 duizend 6ppc-gebieden) zijn ook kleine ontwikkelingen vaak wel betekenisvol en past de aanduiding ‘geen afwijking’ minder goed.

20

Leefbaarheid onder de loep 2022

2.2 Ontwikkeling per regio en naar stedelijkheid Tussen 2020 en 2022 is er in alle vier landsdelen een verbetering van de score op de Leefbaarometer geweest (figuur 2-5). Die verbetering was overal min of meer gelijk. In de periode 2018-2020 was de ontwikkeling veel minder gelijk. Toen zagen we een verslechtering van de score in landsdeel Noord en juist een relatief sterke verbetering in landsdeel West. De convergerende trend die tussen 2018 en 2020 zichtbaar was, is in de periode 2020-2022 gestopt, waardoor de verschillen ongeveer even groot zijn gebleven als ze in 2020 waren. De score op de Leefbaarometer is nog steeds het hoogst in landsdeel Noord en het laagst in Zuid. Landsdelen West en Oost ontlopen elkaar gemiddeld genomen niet veel meer. De verandering van de ontwikkeling die bij de landsdelen te zien is, correspondeert met de verandering van de ontwikkeling van de leefbaarheid naar stedelijkheidsgraad 7 van de gemeente (figuur 2-6). Waar er tussen 2016 en 2020 een daling was van de score in nietstedelijke gemeenten (die veel in landsdeel Noord te vinden zijn), is er tussen 2020 en 2022 weer een stijging in deze gemeenten.

figuur 2-5 Ontwikkeling gemiddelde score Leefbaarometer 2002-2022 per landsdeel

-----------7

De stedelijkheidsgraad van een gemeente is een indeling in vijf klassen en wordt bepaald op basis van de gemiddelde adressendichtheid in een gemeente. Zeer sterk stedelijke gemeenten zijn bijvoorbeeld Groningen, Gouda en Rotterdam. Sterk stedelijke gemeenten zijn bijvoorbeeld Almere, Deventer en Zwolle. Matig stedelijke gemeenten zijn bijvoorbeeld Castricum, Goirle en Meppel. Weinig stedelijke gemeenten zijn bijvoorbeeld Aalsmeer, Midden-Groningen en Land van Cuijk. Niet stedelijke gemeenten zijn bijvoorbeeld Ameland, Midden-Drenthe en Veere. Via https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85067NED/table kan worden gezien welke stedelijkheidsgraad elke afzonderlijke gemeente in Nederland volgens deze indeling heeft.

21

Leefbaarometer

figuur 2-6 Ontwikkeling gemiddelde score Leefbaarometer 2002-2022 naar stedelijkheidsgraad van de gemeente

De relatief grote verbetering tussen 2018 en 2020 van de score in zeer sterk stedelijke gemeenten (waarvan een groot deel in landsdeel West ligt) is in de periode 2020-2022 weer wat afgevlakt. Per saldo was de ontwikkeling in de niet-stedelijke gemeenten net iets gunstiger dan in de zeer sterk stedelijke gemeenten. De ontwikkeling was het minst gunstig in de weinig stedelijke gemeenten. De gemiddelde ontwikkelingen in figuur 2-6 zijn een optelsom van de ontwikkelingen op de onderliggende dimensies. Zo is de positieve ontwikkeling tussen 2018 en 2020 in zeer sterk stedelijke gemeenten een optelsom van een verbetering in die periode op de dimensies ‘voorzieningen’ en ‘fysieke omgeving’ en kleinere verbeteringen op ‘overlast en onveiligheid’ en ‘woningvoorraad’ (figuur 2-7). Dat er tussen 2020 en 2022 nog steeds een kleine positieve ontwikkeling is in de zeer sterk stedelijke gemeenten, komt door de dimensie ‘woningvoorraad’. De dimensie ‘overlast en onveiligheid’ verslechterde in deze gemeenten en de andere dimensies bleven de laatste twee jaar nagenoeg gelijk.

22

Leefbaarheid onder de loep 2022

figuur 2-7 Ontwikkeling in zeer sterk stedelijke gemeenten per dimensie

Het beeld in de niet-stedelijke gemeenten (figuur 2-8) is op meerdere vlakken tegengesteld aan dat in de zeer sterk stedelijke gemeenten. Zo zijn de dimensies die ongunstig scoren in zeer sterk stedelijke gemeenten, juist de dimensies die gunstig scoren in niet-stedelijke gemeenten, en omgekeerd. Waar sociale samenhang en (weinig) overlast en onveiligheid aantrekkelijke kanten zijn van de niet-stedelijke gemeenten, zijn dat juist de zwakke punten in de zeer sterk stedelijke gemeenten. En voor voorzieningen geldt het omgekeerde. Het voorzieningenniveau biedt een grote positieve bijdrage aan de leefbaarheid in zeer sterk stedelijke gemeenten, maar juist niet in de niet-stedelijke gemeenten.

23

Leefbaarometer

figuur 2-8 Ontwikkeling in niet-stedelijke gemeenten per dimensie

figuur 2-8 laat zien dat de ongunstige ontwikkeling tussen 2018 en 2020 in de niet-stedelijke gemeenten kwam door een verslechtering op de dimensie ‘sociale samenhang’ en door een kleinere verslechtering op de dimensie ‘fysieke omgeving’. De dimensie ‘voorzieningen’ liet in die periode een kleine verbetering zien. Maar die was onvoldoende om de verslechteringen op andere dimensies te compenseren. Dat de daling tussen 2018 en 2020 in de niet-stedelijke gemeenten ten goede is gekeerd, heeft vooral te maken met verbeteringen op de dimensies ‘overlast en onveiligheid’ en ‘woningvoorraad’. De daling van de score op de dimensie ‘sociale samenhang’ is ook tussen 2020 en 2022 te zien en ook het voorzieningenniveau daalde iets. Per saldo resteert echter een gunstige ontwikkeling. De weinig stedelijke gemeenten lieten de minst gunstige ontwikkeling zien in figuur 2-6. Uit figuur 2-9 blijkt dat de ontwikkelingen in deze gemeenten sterk vergelijkbaar zijn met die in de niet-stedelijke gemeenten (figuur 2-8). Er is echter een belangrijk verschil. Tussen 2020 en 2022 verbeterde de dimensie ‘overlast en onveiligheid’ in de niet-stedelijke gemeenten, maar bleef deze ongeveer gelijk in de weinig stedelijke gemeenten. Daardoor wordt - anders dan in de niet-stedelijke gemeenten - de daling op de dimensies ‘sociale samenhang’ en ‘voorzieningen’ niet gecompenseerd.

Zoals hiervoor ook aangegeven is de daling op de dimensie ‘voorzieningen’ in de Leefbaarometer tussen 2020 en 2022 vooral het gevolg geweest van een grotere afstand tot horecavoorzieningen.

24

Leefbaarheid onder de loep 2022

figuur 2-9 Ontwikkeling in weinig stedelijke gemeenten per dimensie

2.3 Ontwikkelingen in de G4, G40 en gemeenten daarbuiten De G4 - Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht - hebben gemiddeld een hogere score op de Leefbaarometer dan de G40 (de 41 grote en middelgrote steden in Nederland die in het G40 Stedennetwerk zijn verenigd).8 De ontwikkeling in de G40 was tussen 2020 en 2022 positiever dan in de G4, maar daarmee is het tussen 2018 en 2020 toegenomen verschil niet ingelopen (figuur 2-10). Dat de G4 op een hogere gemiddelde score uitkomen, wil niet zeggen dat de vier grote steden op alle aspecten van de Leefbaarometer ook gunstiger scoren. Het omgekeerde is het geval. Alleen op de dimensie ‘voorzieningen’ hebben de G4 een beduidend hogere score dan de G40. Op de vier andere dimensies hebben de G4 een minder gunstige score dan de G40. Het beeld in de G4 is extreem vergeleken met dat in andere gemeenten. De voorzieningen hebben er een zeer positieve bijdrage aan de leefbaarheid, maar zowel ‘overlast en onveiligheid’ als ‘sociale samenhang’ zijn er opvallend laag en leveren in de G4 een duidelijk negatieve bijdrage aan de leefbaarheid (figuur 2-11).

-----------8

Dit zijn de gemeenten Alkmaar, Almelo, Almere, Alphen aan den Rijn, Amersfoort, Amstelveen, Apeldoorn, Arnhem, Assen, Breda, Delft, Deventer, Dordrecht, Ede, Eindhoven, Emmen, Enschede, Gouda, Groningen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heerlen, Helmond, Hengelo, ’s-Hertogenbosch, Hilversum, Hoorn, Leeuwarden, Leiden, Lelystad, Maastricht, Nijmegen, Oss, Roosendaal, Sittard-Geleen, Schiedam, Tilburg, Venlo, Zaanstad, Zoetermeer en Zwolle.

25

Leefbaarometer

figuur 2-10 Ontwikkeling score Leefbaarometer 2002-2022 in de G4, G40 en de gemeenten daarbuiten

figuur 2-11 Ontwikkeling dimensiescores Leefbaarometer in de G4

De positieve ontwikkeling in de G4 tussen 2020 en 2022 hangt samen met de dimensies ‘woningvoorraad’ en ‘voorzieningen’. De dimensie ‘overlast en onveiligheid’ verslechterde in die periode en ‘sociale samenhang’ en ‘fysieke omgeving’ bleven ongeveer gelijk. De positieve ontwikkeling tussen 2018 en 2020 werd vooral veroorzaakt door de dimensies

26

Leefbaarheid onder de loep 2022

‘voorzieningen’ en ‘fysieke omgeving’. De periode 2020-2022 laat dus een ander patroon zien dan de periode 2018-2020. In de G40 (figuur 2-12) is het beeld veel minder extreem dan in de G4. Welke dimensies positief of negatief bijdragen aan de score op de Leefbaarometer is hetzelfde als in de G4, maar de mate waarin verschilt sterk. De dimensie ‘voorzieningen’ levert de meest positieve bijdrage en de dimensies ‘overlast en onveiligheid’ en ‘sociale samenhang’ de meest negatieve. Maar waar deze dimensies in de G4 vrij extreme scores hebben, zijn ze in de G40 eerder gemiddeld. In 2022 ligt het gemiddelde niveau van de dimensies in de G40 op dat van ‘geen afwijking’ van het gemiddelde in Nederland. Vanzelfsprekend bestaan er tussen de verschillende gemeenten binnen de G40 grote verschillen, maar het gemiddelde beeld in de G40 is ‘gemiddeld’.

figuur 2-12 Ontwikkeling dimensiescores Leefbaarometer in de G40

Ook in de G40 is er – net als in de G4 - tussen 2020 en 2022 een verbetering op de dimensie ‘woningvoorraad’ geweest. Maar anders dan in de G4 verbeterde de dimensie ‘overlast en onveiligheid’ en ging de dimensie ‘voorzieningen’ juist achteruit. Gecombineerd met een lichte verbetering op de dimensie ‘fysieke omgeving’ was er in de G40 tussen 2020 en 2022 per saldo een gunstigere ontwikkeling dan in de G4.

27

Leefbaarometer

2.4 Conclusie De score op de Leefbaarometer verbeterde gemiddeld in Nederland tussen 2020 en 2022, zoals ook tussen 2018 en 2020 het geval was. Verbeteringen kwamen doordat in meer gebieden de leefbaarheid verbeterde dan verslechterde. Maar nieuwbouw speelde ook een rol. Veel van de uitbreiding van de woningvoorraad vond plaats in gebieden die na die nieuwbouw een gunstige leefbaarheidsscore hadden. Per saldo is er daardoor een toename te zien van het aantal huishoudens dat in een gebied woont met een score ‘goed’ tot en met ’uitstekend’ terwijl het aantal huishoudens in de gebieden met een mindere leefbaarheid meer constant bleef. Het aantal huishoudens dat in een gebied woont met een score ‘zwak’ of ‘(zeer) onvoldoende’ is slechts weinig afgenomen tussen 2020 en 2022. De bijzonder gunstige ontwikkeling in deze gebieden tussen 2018 en 2020, is daarmee min of meer tot stilstand gekomen. De gemiddelde verbetering van de scores op de Leefbaarometer waren te zien in alle landsdelen en zowel in stedelijke als niet-stedelijke gemeenten. De dimensies waarop de verbeteringen werden gerealiseerd verschillen wel. Gemiddeld in Nederland verbeterden de dimensies ‘fysieke omgeving’ en ‘woningvoorraad’.

De dimensie ‘overlast en onveiligheid’ bleef ongeveer gelijk, maar op deze dimensie was er bijvoorbeeld wel een (verdere) verslechtering in de G4 en een (verdere) verbetering in de niet-stedelijke gemeenten en in de G40. Omgekeerd verslechterde de score op de dimensie ‘voorzieningen’ in de weinig stedelijke gemeenten terwijl die score daar al laag was. De dimensie ‘voorzieningen’ ging ook in de G40 achteruit. Dit bleek vooral te worden veroorzaakt doordat de nabijheid van horeca afnam. Dit kan mogelijk een effect van de coronaperiode zijn geweest. Anderzijds verbeterde in de G4 de score op de dimensie ‘voorzieningen’ juist terwijl die daar al hoog was.

28

Leefbaarheid onder de loep 2022

3 Gebieden onder druk In dit hoofdstuk gaan we nader in op de gebieden in Nederland waar het minder goed gesteld is met de leefbaarheid. We nemen een langetermijnperspectief en bezien de ontwikkeling van alle woongebieden naar leefbaarheidsklasse tussen 2002 en 2022. Vervolgens gaan we in op de gebieden waar de leefbaarheid structureel - al langere tijd en in een gebied van enige omvang - onder druk staat. We maken een nieuwe selectie van gebieden die structureel onder druk staan en kijken wat er is veranderd ten opzichte van de selectie bij de vorige meting: welke gebieden staan nog steeds onder druk, welke zijn uit de lijst verdwenen en welke zijn er nieuw bij gekomen?

3.1 Convergentie en divergentie Worden de verschillen in Nederland kleiner (convergentie) of groter (divergentie)? Het hangt er vanaf hoe je ernaar kijkt. Als woongebieden in Nederland door de tijd worden gevolgd, blijkt dat de verschillen in leefbaarheid gemiddeld genomen kleiner worden. Figuur 3-1 laat de ontwikkeling zien van gebieden vanuit de leefbaarheid die ze in 2002 hadden. We kijken in deze figuur als het ware vooruit, vanuit de situatie in 2002. Dan blijkt bijvoorbeeld dat de gebieden die in 2002 een score ‘onvoldoende’ tot en met ‘zeer onvoldoende’ hadden inmiddels gemiddeld een score ‘zwak’ hebben. Ze zijn namelijk in het gele gebied terechtgekomen.

figuur 3-1 Ontwikkeling gemiddelde score Leefbaarometer 2002-2022 (vanuit de positie in 2002)

29

Leefbaarometer

De verbetering van de leefbaarheid is minder sterk als de leefbaarheid in 2002 al relatief goed was. Gebieden die in 2002 een score ‘goed’ of ‘uitstekend’ hadden, hebben dat gemiddeld genomen nog steeds. Voor deze gebieden was de ‘verbeterruimte’ ook beperkt. De gebieden die in 2002 een mindere leefbaarheid hadden, zijn er gemiddeld genomen meer op vooruit gegaan. Tussen 2020 en 2022 is die verbetering wel minder sterk dan in de twee jaar daarvoor. Als we terugkijken in de tijd, verandert het beeld. Bij dit terugkijken gaan we uit van de score die gebieden in 2022 hebben en gaan vervolgens na hoe ze zich in de afgelopen twintig jaar hebben ontwikkeld. Dan blijkt dat gebieden die in 2022 een score ‘onvoldoende’ tot en met ‘zeer onvoldoende’ hebben die score gemiddeld genomen al sinds 2002 hebben (en vermoedelijk daarvoor ook al). Soms gaat het beter, zoals recent tussen 2018 en 2020, maar soms is er ook een terugval, zoals in de laatste periode tussen 2020 en 2022 te zien is (figuur 3-2). Of dat een tijdelijke dip is of een begin van een neerwaartse ontwikkeling kan nu nog niet worden gezegd. Daarvoor moeten we wachten op de meting 2024.

figuur 3-2 Ontwikkeling gemiddelde score Leefbaarometer 2002-2020 (gegeven de score in 2022)

figuur 3-2 laat ook zien dat gebieden die in 2022 een gunstige leefbaarheid hadden in de afgelopen jaren een flinke verbetering hebben doorgemaakt. Die verbetering was het grootst voor gebieden met een score ‘zeer goed of uitstekend’ in 2022 en wordt steeds wat kleiner

30

Leefbaarheid onder de loep 2022

bij een minder goede leefbaarheidsscore. Vanaf een score ‘voldoende’ was er zelfs een daling tussen 2020 en 2022. Vanuit dit perspectief is er dus eerder sprake geweest van divergentie, waarbij de verschillen groter worden. Als we beide perspectieven combineren, kunnen we vaststellen dat het in veel gebieden in Nederland goed gaat met de leefbaarheid, ook in een deel van de gebieden die ooit een zeer lage score hadden. Er is echter een groep van gebieden waar de leefbaarheid al zeer lang ongunstig is. Deze groep blijft achter bij de overwegend gunstige ontwikkelingen in de rest van het land. Vanuit het perspectief van deze gebieden worden de verschillen dus alleen maar groter.

3.2 Structureel onder druk In dit rapport geven we een update van de gebieden die structureel onder druk staan. Dit zijn de gebieden waar - bezien vanuit landelijk perspectief - de aard en omvang van leefbaarheidsproblematiek structureel en omvangrijk is.9 De selectie vindt plaats in twee stappen. In de eerste stap worden buurten geselecteerd op basis van de mate waarin er leefbaarheidsproblemen

zijn.

We

beperken

ons

hierbij

tot

buurten

met

minimaal

100

woningen/huishoudens om bedrijventerreinen en dergelijke uit te sluiten. In de tweede stap wordt de eerste selectie verder beperkt tot buurten in gemeenten/agglomeraties met - vanuit landelijk perspectief - omvangrijke leefbaarheidsproblematiek. •

Stap 1: buurten met leefbaarheidsproblemen die voldoen aan alle van de volgende drie criteria: 1)

minimaal 25% van de woningen had een leefbaarheidsscore ‘zwak’ of lager in zowel 2018, 2020 als 2022;

2)

in 2022 was er minimaal één woning in het gebied met een leefbaarheidsscore ‘onvoldoende’ of lager;

3) in 2022 stond minimaal 50% van de woningen in een gebied met een leefbaarheidsscore ‘zwak’ of lager óf stond minimaal 15% van de woningen in een gebied met leefbaarheidsscore ‘onvoldoende’ of lager. •

Stap 2: beperking naar omvang leefbaarheidsproblematiek 1)

de buurt ligt in een gemeente met minimaal 5.000 woningen met in 2022 een leefbaarheidsscore ‘zwak’ of lager, óf

-----------9

Voor een uitgebreidere omschrijving en motivatie van de gekozen afbakening van de gebieden structureel onder druk verwijzen we naar het Analyserapport 2020. De huidige aanpak wijkt licht af van die van vorige keer aangezien die was gebaseerd op scores uit de metingen 2014, 2018 en 2020, zodat er 6 jaar zat tussen de eerste en laatste meting. Nu zit er 4 jaar tussen de eerste meting (2018) en de laatste (2022) omdat er geen meting is voor 2016.

31

Leefbaarometer

2)

de buurt ligt in een agglomeratie van meerdere gemeenten met minimaal 3.000 woningen met in 2022 een leefbaarheidsscore ‘zwak’ of lager én met minimaal 1000 woningen met een score ‘onvoldoende’ of lager, óf

3) de buurt ligt in een gemeente waar minimaal 25% van de woningen in 2022 een leefbaarheidsscore ‘zwak’ of lager heeft. De op deze wijze samengestelde lijst bestaat uit 488 buurten in 225 wijken in 46 gemeenten waar de leefbaarheid structureel onder druk staat. De gebieden die structureel onder druk staan zijn de 6ppc-gebieden met een score ‘zwak’ of lager in 2022 in deze buurten. Tabel 3.1 geeft een overzicht van de gemeenten en de aantallen woningen waar het om gaat. De volledige lijst van buurten per gemeente is weergegeven in tabel B2.1 in bijlage 2.

tabel 3-1

Lijst van gemeenten met gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat. Percentages t.o.v. aantal woningen/huishoudens in gemeente Gemeente totaal

Gemeente

Gebieden structureel onder druk

‘zwak’ of

‘zwak’ of

'onvoldoende’ of

lager in 2022

lager in 2022

lager in 2022

Woningen

%

Woningen

%

Woningen

%

Almelo

6.100

17,7

3.970

11,5

1.500

4,3

Almere

20.980

22,6

10.730

11,6

4.700

5,1

Amsterdam

93.950

19,4

73.330

15,2

45.030

9,3

Arnhem

22.060

27,3

17.120

21,2

7.520

9,3

Bergen op Zoom

7.240

22,6

6.620

20,7

3.080

9,6

Beverwijk

7.030

34,8

5.660

28,0

1.920

9,5

Breda

13.720

15,6

9.240

10,5

2.210

2,5

Brunssum

2.740

18,8

790

5,4

690

4,7

Capelle aan den IJssel

6.580

20,3

4.470

13,8

2.480

7,7

Delft

14.380

26,4

9.770

18,0

5.070

9,3

Den Haag

68.960

24,9

62.080

22,4

24.240

8,8

Den Helder

6.820

23,7

3.470

12,0

1.030

3,6

Dordrecht

10.870

18,8

7.180

12,4

3.040

5,3

Eemsdelta

4.360

18,1

3.340

13,9

1.870

7,8

Eindhoven

11.870

9,9

4.030

3,3

1.350

1,1

Emmen

8.250

16,3

7.140

14,1

2.700

5,3

Enschede

19.390

24,9

14.920

19,2

3.990

5,1

Groningen

11.900

9,5

5.090

4,0

1.540

1,2

Haarlem

11.230

14,0

6.520

8,1

2.160

2,7

Heemskerk

2.680

14,9

1.760

9,8

960

5,3

Heerlen

14.720

31,2

10.330

21,9

3.210

6,8

Helmond

15.360

35,6

9.160

21,2

3.080

7,1

32

Leefbaarheid onder de loep 2022

Gemeente totaal

Gemeente

Gebieden structureel onder druk

‘zwak’ of

‘zwak’ of

'onvoldoende’ of

lager in 2022

lager in 2022

lager in 2022

Woningen

%

Woningen

%

Woningen

%

's-Hertogenbosch

8.270

10,8

1.020

1,3

10

0,0

Kerkrade

8.990

37,0

6.600

27,2

1.780

7,3

Leeuwarden

9.040

13,7

6.340

9,6

2.660

4,0

Leiden

7.380

11,3

1.410

2,2

700

1,1

Lelystad

7.780

21,9

4.820

13,6

990

2,8

Maassluis

4.260

25,9

3.020

18,4

980

6,0

Maastricht

10.880

16,7

7.390

11,3

2.390

3,7

Midden-Groningen

5.320

18,5

3.690

12,8

1.160

4,0

Nijmegen

16.530

19,1

14.210

16,4

5.940

6,9

Nissewaard

15.930

39,4

11.120

27,5

3.660

9,1

Roosendaal

12.220

33,8

8.140

22,5

4.590

12,7

Rotterdam

101.540

30,4

78.460

23,5

37.570

11,3

Schiedam

12.320

31,8

10.480

27,0

4.360

11,2

Sittard-Geleen

10.410

22,1

7.870

16,7

2.960

6,3

Sliedrecht

2.200

19,4

710

6,3

510

4,5

Tiel

7.810

41,7

5.610

30,0

2.770

14,8

Tilburg

24.740

23,1

15.960

14,9

6.380

6,0

Utrecht

33.280

19,5

26.030

15,3

14.020

8,2

Velsen

6.510

20,4

3.340

10,5

1.600

5,0

Venlo

8.590

17,5

5.590

11,4

2.230

4,6

Vlaardingen

13.730

37,8

10.350

28,5

6.030

16,6

Zaanstad

14.760

20,4

8.770

12,1

4.470

6,2

Zoetermeer

10.830

18,7

8.300

14,3

3.550

6,1

Zwijndrecht

3.440

16,5

1.750

8,4

960

4,6

In de gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat (tabel 3-1) wonen ongeveer 528 duizend huishoudens (ca. 1,1 miljoen inwoners), waarvan ongeveer 236 duizend woningen in gebieden met een score ‘onvoldoende’ of lager liggen. De gebieden die structureel onder druk staan, vormen verreweg het grootste deel (86,2%, gemeten naar het aantal woningen/huishoudens) van alle ‘onvoldoende’ gebieden in Nederland. De gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat zijn in heel het land te vinden, op de provincie Zeeland na (zie tabel 3-1 en figuur 3-3). Het zwaartepunt van de problematiek ligt in de Randstad. Daarnaast zijn deze gebieden te vinden in de (middel)grote steden in het noorden van het land, in Twente, de regio Arnhem-Nijmegen, West- en Oost-Brabant en in Limburg. Ook in Almere, Lelystad, Tiel, en Den Helder bevinden zich gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat.

33

Leefbaarometer

figuur 3-3 Gemeenten met gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat in 2022. Percentage woningen in gebieden structureel onder druk t.o.v. totaal aantal woningen in de gemeente

Om een goed beeld te krijgen van de ruimtelijke verdeling van de gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat, hebben we voor al deze gebieden kaarten gemaakt op een lager schaalniveau met het percentage woningen per buurt met de score ‘zwak’ of lager. Figuur 3-4 toont een dergelijke ingezoomde kaart voor de Randstad. Hier is duidelijk te zien dat leefbaarheidsproblematiek vooral, maar niet uitsluitend, geconcentreerd is in de grote steden. Gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat bevinden zich in de regio Rijnmond, de Drechtsteden, Den Haag, de regio IJmond, in en rond Amsterdam en in Utrecht. Verder is goed te zien waar de problematiek zich met name concentreert. Amsterdam Zuidoost, Utrecht Overvecht en delen van Almere, Den Haag, Delft en RotterdamZuid springen in het oog met relatief hoge percentages woningen in gebieden die ‘zwak’ of

34

Leefbaarheid onder de loep 2022

lager scoren. Zie bijlage 2 voor de kaarten op laag schaalniveau - per provincie - voor de gebieden in Nederland waar de leefbaarheid structureel onder druk staat (figuur B2-1 tot en met figuur B2-11. Zeeland is hierin niet opgenomen omdat dergelijke gebieden in deze provincie niet voorkomen. Deze kaarten zijn met name handig voor een ruimtelijk inzicht in de problematiek, maar geven niet weer om hoeveel woningen het precies gaat en geven dus geen inzicht in de absolute mate van de problematiek. Daarvoor zijn de aantallen woningen in ‘zwak’ en ‘onvoldoende’ gebied per buurt beter geschikt. Deze zijn terug te vinden in tabel B2-1 van bijlage 2.

figuur 3-4 Buurten in de Randstad met gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat. Percentage woningen in gebieden met leefbaarheid ‘zwak’ of lager per buurt in 2022.

35

Leefbaarometer

3.3 Vergelijking 2020 en 2022 Het aantal buurten waar de leefbaarheid structureel onder druk staat, is tussen 2020 en 2022 afgenomen van 513 naar 488. Dat is een daling van 25 buurten (zo’n 5% van het totaal bij de vorige meting). In termen van het aantal huishoudens en inwoners dat in een deel van een buurt woont waar de leefbaarheid structureel onder druk staat, is de daling echter kleiner. Anno 2022 wonen er zo’n 6.000 huishoudens minder (-1%) en zo’n 22.000 inwoners minder (-2%) in de gebieden die structureel onder druk staan (tabel 3-22). Voor het overgrote deel van de bewoners (98%) van de gebieden die in 2020 als ‘structureel onder druk’ werden aangemerkt, is er niet veel veranderd. Nog steeds wonen ruwweg 1,1 miljoen mensen in een gebied waar de leefbaarheid structureel onder druk staat.

tabel 3-2 Structureel onder druk: blijvend, verdwenen en nieuw in de lijst buurten

huishoudens

inwoners

blijvend onder druk

425

485.400

1.017.400

uit de lijst verdwenen

88

48.400

102.500

nieuw in de lijst

63

42.400

80.400

verandering

-25

-6.000

-22.100

ontwikkeling

-5%

-1%

-2%

Lokalisering De gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat, zijn niet gelijk verdeeld over het land (zie bijlage 2 voor details). De meeste ervan zijn in de grotere steden te vinden; 45% van de woningen die in een gebied staan waar de leefbaarheid structureel onder druk staat, ligt in een van de vier grote steden en nog eens 41% staat in een van de G40-gemeenten. Toch zijn er ook buiten de G4 en G40 wel degelijk gemeenten te vinden met structurele leefbaarheidsproblemen. Denk bijvoorbeeld aan de IJmond-gemeenten Velsen en Beverwijk, aan kleinere gemeenten nabij/in grotere agglomeraties, zoals Nissewaard, Heemskerk en Zwijndrecht, maar ook aan Den Helder, Midden-Groningen, Eemsdelta en Tiel. In de G4 hebben de gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat het meest structurele karakter. In de G4 staat 88% blijvend onder druk (en kwam dus zowel voor in de lijst van 2020 als in die van 2022); 6% verdween hier uit de lijst en 6% kwam nieuw in de lijst (tabel 3-3). Buiten de G4 en G40 zijn er wat meer verschuivingen. Daar staat – als we de lijsten van 2020 en 2022 samennemen - ‘slechts’ 75% blijvend onder druk; 13% is verdwenen uit de lijst en 12% is nieuw. Buiten de G4 en G40 zijn er meer – vaak relatief kleine – gebieden waar de problemen soms gedurende enige jaren achtereen groot zijn om daarna weer te

36

Leefbaarheid onder de loep 2022

verbeteren (en omgekeerd). In de grotere steden en in het bijzonder in de G4 zijn de problemen hardnekkiger en vraagt het blijkbaar een (nog) langere adem om ze te verbeteren. tabel 3-3

Aandeel gebieden, gemeten naar het aantal huishoudens, blijvend onder druk, ver-

dwenen en nieuw in de lijst naar type gemeente blijvend onder druk

van de lijst verdwenen

nieuw in de lijst

G4

88%

6%

6%

100%

G40

83%

9%

8%

100%

NL buiten G4 en G40

75%

13%

12%

100%

Total NL

84%

8%

7%

100%

Ontwikkeling De ontwikkeling van de leefbaarheid over de periode 2014-2022 in de gebieden die in de lijst zijn gebleven, er nieuw in zijn gekomen en eruit zijn verdwenen is weergegeven in figuur 3-5).

figuur 3-5 Ontwikkeling van gebieden die blijvend onder druk staan, verdwenen zijn uit de lijst en er nieuw in zijn gekomen

De figuur laat zien dat in de gebieden die blijvend onder druk staan de leefbaarheid ook in 2014 gemiddeld al het laagst was. De leefbaarheid is er sinds 2014 wel verbeterd, maar blijft tussen 2020 en 2022 ‘hangen’ op de grens tussen ‘onvoldoende’ en ‘zwak’. Bij de gebieden die in 2022 uit de lijst zijn verdwenen, was er sinds 2014 al een verbetering gaande. Die verbetering heeft tussen 2020 en 2022 versterkt doorgezet. De gebieden die nieuw in de lijst zijn

37

Leefbaarometer

gekomen, hebben recent juist een verslechtering van de leefbaarheid doorgemaakt nadat er tussen 2018 en 2020 gemiddeld nog een verbetering was.

Dimensies Om de achtergrond van de ontwikkelingen beter te begrijpen, kijken we naar de verschillende dimensies en de ontwikkelingen die de drie groepen gebieden hebben doorgemaakt tussen 2014 en 2022. In de gebieden die blijvend onder druk staan, was er sinds 2018 een lichte verslechtering op de dimensie ‘overlast en onveiligheid’ (figuur 3-6). De verbetering tussen 2018 en 2020 kwam vooral op rekening van de dimensie ‘voorzieningen’ en er was een lichte verbetering op de dimensie ‘woningvoorraad’. Per saldo gebeurde er dus niet veel in deze gebieden. De dalende lijn van de dimensie ‘overlast en onveiligheid’ – die in deze gebieden een grote negatieve bijdrage levert aan de score op de Leefbaarometer – is wel zorgwekkend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14896934/1