Toelichting Bijlage 6 Passende Beoordeling
Tekst van het document
PASSENDE BEOORDELING CONCEPT TER INTERNE BEOORDELING DE SPURKT TE VENRAY
Rapportage passende beoordeling (versie D3) De Spurkt te Venray Opdrachtgever
Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo Sint Jansweg 20 5928 RC Venlo
Rapportnummer Versienummer
5584.006 D3
Status
Rapportage
Datum
28 oktober 2020
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
drs. L.E.L. Gijsen & R.M.P. Bouten, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
ing. R.M. Sanders & drs. J.G.T. Driessen
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
SAMENVATTING........................................................................................................................ 1
2
INLEIDING .................................................................................................................................. 2
3
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 3 3.1 3.2 3.3
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 3 Toekomstig gebruik van het plangebied en voorgenomen ingrepen ............................... 4 Ligging plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden ...................................... 4
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6
5
BESCHRIJVING NATURA 2000-GEBIEDEN ............................................................................ 7 5.1 5.2 5.3
6
Boschhuizerbergen ........................................................................................................... 7 De Maasduinen................................................................................................................. 8 Deurnsche Peel & Mariapeel .......................................................................................... 11
STIKSTOFDEPOSITIEONDERZOEK ...................................................................................... 13 6.1 6.2 6.3
Inleiding .......................................................................................................................... 13 Uitgangspunten............................................................................................................... 13 Resultaten ....................................................................................................................... 20
7
PASSENDE BEOORDELING EN CONCLUSIE ....................................................................... 21
8
LITERATUURLIJST .................................................................................................................. 22
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bjilage 6
voortoets omschrijving overige Natura 2000-gebieden binnen invloedssfeer stikstofdepositie vermestende depositie in Nederland gegevens aanlegfase verkeersgeneratie bedrijventerrein De Spurkt AERIUS-berekeningen
5584.006
1
SAMENVATTING
Econsultancy heeft van Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo opdracht gekregen voor het uitvoeren van een passende beoordeling voor het bestemmingsplan ‘De Spurkt’ dat voorziet in het planologisch mogelijk maken van het (toekomstige) bedrijventerrein De Spurkt in de gemeente Venray. Uit de voortoets bleek dat het niet op voorhand is uit te sluiten dat negatieve effecten als gevolg van verzuring en vermesting op de instandhoudingsdoelen van onder andere de nabij gelegen Natura 2000gebieden “Boschhuizerbergen”, “Maasduinen” en “Deurnsche Peel & Mariapeel” voor kunnen komen als gevolg van de voorgenomen plannen. In deze passende beoordeling is onderzocht of negatieve effecten door middel van een vergelijking tussen de referentiesituatie en de aanleg- en gebruiksfase alsnog uitgesloten kunnen worden. Om dit aan te kunnen tonen zijn er twee verschilberekeningen uitgevoerd waarbij de referentiesituatie vergeleken is met het projecteffect van respectievelijk de aanleg- en gebruiksfase. Uit de verschilberekeningen die onderdeel uitmaken van voorliggende passende beoordeling is gebleken dat het planeffect (wat betreft de stikstofdepositie) van de met het bestemmingsplan ‘De Spurkt’ mogelijk gemaakte ontwikkelingen, op de Natura 2000-gebieden voor de aanlegfase en gebruiksfase kleiner is dan in de referentiesituatie.
Hiermee wordt aangetoond dat er een afname in stikstofdepositie zal plaatsvinden en dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast als gevolg van verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht. Met betrekking tot overige storingsfactoren (niet zijnde stikstof) is in de voortoets bij voorbaat uitgesloten dat deze een negatieve invloed kunnen hebben op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000gebieden. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden (ook buiten Nederland) ten gevolge van de ontwikkeling van het bedrijventerrein De Spurkt kunnen hiermee worden uitgesloten.
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 1 van 22
2
INLEIDING
Econsultancy heeft van Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo opdracht gekregen voor het uitvoeren van een passende beoordeling voor het bestemmingsplan ‘De Spurkt’ dat voorziet in het planologisch mogelijk maken van het (toekomstige) bedrijventerrein De Spurkt in de gemeente Venray. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie en een bestemmingsplanwijziging. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van de voortoets Natura 2000 die Econsultancy in januari 2018 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (rapport 5584.001, versie D1 d.d. 11 januari 2018). Deze voortoets is opgenomen in Bijlage I bij deze passende beoordeling en dient om een totaalbeeld van de effecten van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ruimtelijke ontwikkelingen op de Natura 2000-gebieden te geven. Uit de voortoets blijkt dat het niet op voorhand is uit te sluiten dat negatieve effecten als gevolg van verzuring en vermesting op de instandhoudingsdoelen van onder andere de nabij gelegen Natura 2000gebieden “Boschhuizerbergen”, “Maasduinen” en “Deurnsche Peel & Mariapeel” voor kunnen komen als gevolg van de voorgenomen plannen. Met deze passende beoordeling worden maatregelen getoetst welke negatieve effecten moeten voorkomen.
Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 2 van 22
3 3.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 44 ha) betreft het ter plaatse nog te ontwikkelen bedrijventerrein De Spurkt (voorheen werd dit gebied ook wel ‘Klaver 15’ genoemd), circa 3 kilometer ten noorden van de kern van Venray. De netto oppervlakte van het toekomstige bedrijventerrein zal circa 30 hectare zijn. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 52 B (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X = 195.847, Y = 396.156.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie (rood kader) ten opzichte van Natura 2000 (groen gearceerd zijn Vogel- en Habitatrichtlijngebieden, geel gearceerd is enkel Habitatrichtlijngebied).
Het plangebied bestaat thans uit agrarische percelen, weilanden, vijf woningen en/of (agrarische) bedrijven met diverse stallen/schuren, bosschages en lijnvormige houtopstanden. De waterloop “Venrayse Spurkt” doorkruist het plangebied en de waterloop “Smakterveld” ligt aan de oostgrens van het plangebied. Bovendien lopen er nog enkele sloten zonder naam door het plangebied. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een natuurgebied bestaande uit hoog- en laagveenbos (N14.02) en rivier- en beekbegeleidend bos (N14.01). Ten oosten van het plangebied bevinden zich enkele agrarische percelen met daarachter de A73. Ten zuiden van het plangebied bevinden zich enkele woningen, enkele weilanden en een bedrijventerrein. Ten westen van het plangebied bevinden zich agrarische percelen.
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 3 van 22
Figuur 2. Luchtfoto plangebied en directe omgeving.
3.2
Toekomstig gebruik van het plangebied en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van het plangebied een bedrijventerrein te realiseren. Onderdeel van dit bedrijventerrein vormt tevens een aanpassing van de infrastructuur. In Figuur 3 wordt een concept schetsontwerp weergegeven van de voorgenomen plannen (Greenport Venlo, d.d. 21-012020). Een onlosmakelijk gevolg van de voorgenomen plannen, is het verdwijnen van de agrarische percelen en weilanden en de sloop van de aanwezige gebouwen. Daarnaast zullen de waterlopen mogelijk verlegd en/of gedempt worden en zullen delen van bosschages mogelijk verdwijnen. Bovendien mogen overige werkzaamheden binnen de bedrijfssituatie (heftruck, loaders, etc.) geen relevante emissies veroorzaken. De bedrijven zullen echter wel een verkeersaantrekkende werking hebben. Voor het desbetreffende verkeer is zowel rekening gehouden met verkeersbewegingen binnen het plangebied (op het bedrijventerrein), als buiten het plangebied op de openbare weg. Het bestemmingsplan voor De Spurkt maakt de vestiging van bedrijven met milieucategorieën 2, 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2 mogelijk. Deze bedrijven mogen echter geen stikstof uitstoten door bedrijvigheid. Ze moeten bijvoorbeeld zorgen dat ze koelen en verwarmen zonder daarbij gas te gebruiken 3.3
Ligging plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Boschhuizerbergen”, bevindt zich op circa 890 meter afstand ten zuidoosten van het plangebied (zie Figuur 1). Daarnaast ligt op circa 6,5 kilometer ten oosten van het plangebied het Natura 2000-gebied “De Maasduinen”, en ligt het Natura 2000-gebied “Deurnsche Peel & Mariapeel” circa 9,7 kilometer ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Binnen een straal van 15 kilometer van de onderzoekslocatie liggen verder geen Natura 2000-gebieden.
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 4 van 22
Figuur 3. Een voorlopig schetsontwerp van de voorgenomen plannen (Greenport Venlo, d.d. 21-01-2020) waarbij paars uitgeefbaar gebied vormt, groen geeft beplanting of groene elementen weer, de rode lijn geeft de ligging van een hoogspanningskabel weer en aan de oostzijde wordt (in het groen) een compensatiegebied ingericht voor diverse (beschermde) soorten.
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 5 van 22
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep binnen het plangebied wordt getoetst op het gebied van de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er externe effecten kunnen worden verwacht. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen.
Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Een bestuursorgaan stelt een bestemmingsplan uitsluitend vast indien het bestuursorgaan uit de passende beoordeling de zekerheid heeft verkregen dat het bestemmingsplan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten (artikel 2.8 lid 3 Wet natuurbescherming). De voorliggende passende beoordeling voorziet in deze beoordeling.
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 6 van 22
5
BESCHRIJVING NATURA 2000-GEBIEDEN
Inleiding Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek internationaal belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingsdoelen op gebiedsniveau. Algemene doelen zijn behoud en indien van toepassing herstel van: • •
• •
de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Onderstaand zal per Natura 2000-gebied binnen 15 kilometer (Boschhuizerbergen, De Maasduinen en Deurnsche Peel & Mariapeel) een beschrijving worden gegeven van de eigenschappen van het gebied en een overzicht van de beschermde habitattypen, de aangewezen Habitatrichtlijnsoorten en de Vogelrichtlijnsoorten. 5.1
Boschhuizerbergen
De Boschhuizerbergen vormen een stuifzandgebied in Noord-Limburg, gelegen tussen de Peel en de Maas (zie Figuur 4). De stuifduinen van de Boschhuizerbergen zijn na de laatste ijstijd ontstaan als onderdeel van een uitgestrekt zandgebied in Noord-Limburg en Oost-Brabant. Op deze arme gronden werden weinig begroeide zandverstuivingen en droge heiden aangetroffen, waarin de Jeneverbes lange tijd een algemene verschijning was. Tegen het einde van de 19e eeuw werden in het gebied op grote schaal dennenbossen aangeplant, ten behoeve van houtproductie en vastlegging van de open zandgronden. Sindsdien bestaat het gebied uit een complex van naaldbossen, droge heideterreinen, jeneverbesstruwelen en open stuifzand. In het noordwestelijk deel van het gebied bevindt zich een voedselarm ven (bron: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit). De Boschhuizerbergen betreft alleen Habitatrichtlijngebied en geen Vogelrichtlijngebied. Verder zijn er geen aangewezen soorten die extra bescherming genieten vanwege de Natura 2000 wetgeving. De Boschhuizerbergen bevat de volgende habitattypen: • H2310 – Stuifzandheiden met struikhei • H2330 – Zandverstuivingen • H3130 – Zwakgebufferde vennen • H5130 – Jeneverbesstruwelen • H91D0 – *Hoogveenbossen
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 7 van 22
* Prioritair habitattype
Figuur 4. Habitatrichtlijngebied Bosschuizerbergen (bron: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit).
5.2
De Maasduinen
Door de werking van de Maas en de Rijn zijn er terrassen ontstaan, die nu nog zichtbaar zijn in het landschap. Extra reliëf is ontstaan door de werking van de wind. In de laag gelegen delen heeft zich veen gevormd, al dan niet bedekt met een dunne laag dekzand. Vennen zijn ontstaan in de laagtes boven ondoorlatende leemlagen. De paraboolduinen, ontstaan uit stuifzand uit de rivierdalen, vormen het karakteristieke landschap van de Hamert en de rest van de Maasduinen. In het begin van deze eeuw zijn er op grote delen van deze 'Looierheide' eenvormige bossen aangelegd die mijnhout moesten leveren. Door de geïsoleerde ligging van de Maasduinen tussen de Maas en de Duitse grens (zie Figuur 5) is het gebied niet intensief ontwikkeld. Mede hierdoor is de ecologisch belangrijke overgang van hoog- naar laagterras in het stroomdal in stand gebleven. Her en der bleven grotere en kleine stukken heide en stuifzand gespaard, waarvan de Berger Heide en de Hamert de grootste gebieden zijn. In de open heide liggen veel vennen, waarin deels hoogveenvegetaties aanwezig zijn. De overgangen van vennen naar natte heide zijn geleidelijk. Langs de Eckelsche Beek liggen hoge steilranden. Ten zuiden van Nieuw-Bergen ligt een restant van een oud kampenlandschap. In de Hamert ligt tevens een hoogveenrestant, het Pikmeeuwenwater.
Het zandgebied grensde aan de oostkant in het verleden aan een uitgestrekt veengebied, delen hiervan worden nu hersteld in het natuurontwikkelingsplan Heerenveen. Aan de westkant van de Hamert is in het Maasdal stroomdalgrasland aanwezig. Het meest zuidelijke deelgebied herbergt een Maasmeander met berkenbroekbos (bron: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit). Het volledige oppervlak van De Maasduinen is aangewezen als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied. Het gebied bevat beschermde habitattypes, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten. Alle Vogelrichtlijnsoorten van De Maasduinen zijn aangewezen als broedvogels. De Maasduinen bevat de volgende habitattypen: • • •
H2310 – Stuifzandheiden met struikhei H2330 – Zandverstuivingen H3130 – Zwakgebufferde vennen
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 8 van 22
• • • • • • • • • •
H3160 – Zure vennen H4010A – Vochtige heiden (hogere zandgronden) H4030 – Droge heiden H6120 – *Stroomdalgraslanden H6430A – Ruigten en zomen (moerasspirea) H6430C – Ruigten en zomen (droge bosranden) H7110B – *Actieve hoogvenen (heideveentjes) H7150 – Pioniervegetaties met snavelbiezen H91D0 – *Hoogveenbossen H91E0C – *Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
In De Maasduinen komen de volgende aangewezen Habitatrichtlijnsoorten voor: • • • • • •
H1042 – Gevlekte witsnuitlibel H1149 – Kleine modderkruiper H1163 – Rivierdonderpad H1166 – Kamsalamander H1337 – Bever H1831 – Drijvende waterweegbree
In de Maasduinen komen de volgende aangewezen broedvogelsoorten van de Vogelrichtlijn voor: • • • • • • • •
A004 – Dodaars A008 – Geoorde fuut A224 – Nachtzwaluw A236 – Zwarte specht A246 – Boomleeuwerik A249 – Oeverzwaluw A276 – Roodborsttapuit A338 – Grauwe klauwier
* Prioritair habitattype Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF komen drijvende waterweegbree, bever, kleine modderkruiper, dodaars, nachtzwaluw, boomleeuwerik, oeverzwaluw en roodborsttapuit in de omgeving van de onderzoekslocatie voor.
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 9 van 22
Figuur 5. Habitat- en Vogelrichtlijngebied de Maasduinen (bron: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit).
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 10 van 22
5.3
Deurnsche Peel & Mariapeel
Het gebied Deurnsche Peel & Mariapeel (zie Figuur 6) bestaat uit de drie deelgebieden: Deurnsche Peel, Mariapeel en Grauwveen. Tezamen met de nabijgelegen Groote Peel zijn het restanten van wat eens een uitgestrekt oerlandschap was van levend hoogveen. Deze peelhoogvenen werden grotendeels afgegraven tot op de zandondergrond. Deze gebieden zijn de zuidelijkste representanten van de vlakke subatlantische hoogvenen, die elders en ook in de Peelregio door afgraving, ontginning en verveningen grotendeels zijn verdwenen. Door de verschillende verveningsgeschiedenis van de onderdelen van het gebied is er een grote en fijnschalige variatie in vegetatie en landschap, met gradiënten naar iets mineraalrijker milieu. In de oudste veenputten is al lange tijd sprake van hoogveengroei op miniatuurschaal. Op de grote restveeneenheden is nog een relatief grote veendikte aanwezig, waarop door herstelbeheer inmiddels ook op verschillende plaatsen ontwikkeling van hoogveenbegroeiingen plaats vindt. De Deurnsche Peel is het Brabantse deel van het gebied en bestaat naast de kern die grenst aan de Mariapeel ook uit een drietal kleinere deelgebieden: De Bult in het noorden en Grauwveen en Het Zinkske in het zuiden. In de Deurnsche Peel is tot in de jaren zeventig turf gewonnen, de sporen hiervan zijn nog duidelijk zichtbaar.
In sommige oude turfputten zijn goed ontwikkelde hoogveenvegetaties te vinden. Het gebied bestaat uit een complex van fragmenten levend hoogveen, beginstadia van regenererend hoogveen, natte heide op rustend hoogveen en droge heide op minerale gronden, opgaand loof- en naaldbos, gras- en bouwlanden en open water (sloten, kanalen en plassen). De Mariapeel bestaat uit drie complexen (Griendtsveen, De Driehonderd Bunders en Mariaveen). Het landschap kenmerkt zich door een rijke afwisseling van onder andere hogere, droge en lage, vochtige heideterreinen en moerasachtige gedeelten, open en gesloten bossen, veenputten, wijken, vennen en open water. Het Mariaveen is een open heidegebied met enkele zandruggen. Na herstelmaatregelen in de jaren negentig herstelt het hoogveen zich weer. Grauwveen bestaat uit een complex van fragmenten levend hoogveen, beginstadia van regenererend hoogveen, droge en vochtige heide, moeras en opgaand loofbos. Er zijn turfgaten aanwezig (bron: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit). Het volledige oppervlak van Deurnsche Peel & Mariapeel is aangewezen als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied. Het gebied bevat beschermde habitattypes, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten. Alle Vogelrichtlijnsoorten van Deurnsche Peel & Mariapeel zijn aangewezen als broedvogels.
Deurnsche Peel & Mariapeel bevat de volgende habitattypen: H4030 – Droge heiden H7110A – *Actieve hoogvenen (hoogveenlandschap) • H7120 – Herstellende hoogvenen * Prioritair habitattype • •
In Deurnsche Peel & Mariapeel komen de volgende aangewezen Habitatrichtlijnsoorten voor: • •
H1134 – Bittervoorn H1149 – Kleine modderkruiper
In Deurnsche Peel & Mariapeel komen de volgende aangewezen broedvogelsoorten van de Vogelrichtlijn voor: • •
A004 – Dodaars A224 – Nachtzwaluw
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 11 van 22
• •
A272 – Blauwborst A276 – Roodborsttapuit
Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF komen kleine modderkruiper, dodaars, nachtzwaluw, blauwborst en roodborsttapuit in de omgeving van de onderzoekslocatie voor.
Figuur 6. Vogel- en Habitatrichtlijngebied Deurnsche Peel & Mariapeel (bron: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit).
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 12 van 22
6 6.1
STIKSTOFDEPOSITIEONDERZOEK Inleiding
Ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan ‘De Spurkt’ dat voorziet in het planologisch mogelijk maken van het gelijknamige bedrijventerrein in Venray heeft Econsultancy onderzoek verricht naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Geen significante toename Met het programma AERIUS Calculator wordt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NO x) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Neemt de stikstofdepositie – ten opzichte van de referentiesituatie (de feitelijk bestaande en planologisch legaal aanwezige situatie) – niet toe, dan is op voorhand duidelijk dat negatieve effecten op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Referentiesituatie Als referentiesituatie voor bestemmingsplannen heeft, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling (ABRS 9 september 2020, 2020:2170), te gelden de feitelijk bestaande en planologisch legaal aanwezige situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. Natura 2000-gebieden Duitsland en België Voor de in Duitsland gelegen natuurgebieden geldt een afwijkend toetsingskader. Op basis van jurisprudentie (ABRS 16 april 2014, 201304768) worden voor activiteiten op Nederlands grondgebied de toetsingskaders van Duitsland gehanteerd.
Voor de Duitse Natura 2000-gebieden geldt een drempelwaarde van 7,14 mol/ha/jaar. Een aantoonbaar schadelijk gevolg kan worden uitgesloten bij een stikstofdepositie lager dan of gelijk aan deze drempelwaarde, een toestemming voor een plan is dan niet vereist. Bij een overschrijding van de drempelwaarde zal overleg moeten plaatsvinden tussen de Provincie Limburg en het desbetreffend Duits bevoegd gezag. Bij mogelijke significante gevolgen is op grond van de Habitatrichtlijn een passende beoordeling noodzakelijk. Voor de in België gelegen Natura 2000-gebieden geldt tevens een afwijkend toetsingskader. Op basis van jurisprudentie (ABRS 16 april 2014, 201304768) worden voor activiteiten op Nederlands grondgebied de toetsingskaders van België gehanteerd. Voor Vlaanderen geldt een drempelwaarde van 5% van de kritische depositie-waarde van een voor stikstof gevoelig habitattype of leefgebied binnen een Natura 2000-gebied. De kritische depositiewaarde is het laagst voor ‘zeer zwakgebufferde vennen’, namelijk 429 mol/ha/jaar. Hieruit kan geconcludeerd worden dat bij een stikstofdepositie van meer dan 21,45 mol/ha/jaar sprake is van een overschrijding van de drempelwaarde. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied in het buitenland is ‘Erlenwälder bei Gut Hovesaat’ en ligt op bijna 20 kilometer afstand.
In de berekening is rekening gehouden met alle buitenlandse gebieden binnen 30 kilometer afstand van het plan. 6.2
Uitgangspunten
De initiatiefnemer is voornemens om in het plangebied een bedrijventerrein te realiseren. Uit een verkennend vooronderzoek is geconstateerd dat de voorgenomen ontwikkeling op zichzelf beschouwd tijdens zowel de aanlegfase als de toekomstige gebruiksfase voor een planeffect boven de 0,00 mol/ha/jaar zal zorgen. In onderhavig onderzoek is onderzocht of negatieve effecten van de aanleg- en gebruiksfase afgezet kunnen worden tegen de emissies en deposities van de referentiesituatie, waarbij
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 13 van 22
er geen toename in stikstofemmissie en -depositie dient te zijn. Om dit aan te kunnen tonen zijn er twee verschilberekeningen uitgevoerd waarbij de referentiesituatie vergeleken is met het planeffect van respectievelijk de aanleg- en gebruiksfase. 6.2.1
Uitgangspunten referentiesituatie
Als referentiesituatie dient de feitelijk bestaande en planologisch legaal aanwezige situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt. Derhalve is voor het onderzoek uitgegaan van de meest actuele, beschikbare informatie die op dit moment beschikbaar is. Uitgangspunt is dat de huidige feitelijk bestaande en planologisch legale situatie niet meer zal veranderen tot de vaststelling van het bestemmingsplan. De onderzoekslocatie bestaat op dit moment uit agrarische percelen, weilanden, woningen en/of (agrarische) bedrijven met diverse stallen en schuren. Het beëindigen van deze activiteiten staat rechtstreeks in verband met de realisatie van het bestemmingsplan (pers.comm. Arcadis, 18-07-2019). De beëindiging betreft dus een direct planeffect en is daarmee een onlosmakelijk gevolg van het bestemmingsplan ‘De Spurkt’. De relevante emissies welke ten tijde van het verkrijgen van de uitgangspunten plaatsvinden binnen het gehele plangebied zullen als referentiesituatie worden ingevoerd in de AERIUS Calculator. Paardenhouderij Spurkt 5C Aan de Spurkt 5C, binnen het plangebied, is de paardenhouderij Swinkels gelegen. Deze paardenhouderij neemt niet deel aan de subsidieregeling sanering varkenshouderijen en/of stoppersregeling Actieplan Ammoniak Veehouderij.
Bovendien is op de paardenhouderij het Besluit Emmisiearme Huisvesting niet van toepassing. De paardenhouderij is, tot vaststelling van het bestemmingsplan, nog actief en maakt nog gebruik van de vigerende vergunningen. Tevens zijn de bestaande panden nog niet gesloopt. De paardenhouderij zal zijn bedrijfsactiviteiten pas na vaststelling van het bestemmingsplan beëindigen. Hierdoor kan de paardenhouderij meegenomen worden in de verschilberekening van het onderzoek stikstofdepositie. De te hanteren uitgangspunten voor de emissies van de paarden, mobiele werktuigen, bemesting van paardenweides en het verwarmen van de stallen bij Spurkt 5C zijn verkregen (via de opdrachtgever) op basis van de vigerende vergunningen en het Activiteitenbesluit (zie Figuur 7).
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 14 van 22
Figuur 7. Emissiebronnen referentiesituatie (bron 1 en 2 zijn paardenstal, 3 is mestaanwending, 4 zijn de mobiele werktuigen en 5 de verwarming van de panden).
Paarden In totaal worden er binnen de inrichting 94 paarden gehouden waarvan 28 volwassen paarden van 3 jaar en ouder (RAV K1) en 66 paarden in opfok jonger dan 3 jaar (RAV K2). De paarden worden gehouden in traditionele huisvesting (overige huisvestigingssystemen). Hoewel er tijdens het weideseizoen circa 30 paarden buiten zullen verblijven, is er in onderhavig onderzoek van uitgegaan dat alle paarden het hele jaar binnen de stallen gehouden worden. In Figuur 7 zijn de emissiebronnen van de paardenstallen (bron 1 en 2) weergegeven). Mobiele werktuigen Tijdens het weideseizoen (april tot oktober) vinden er op de naastgelegen weilanden, circa 5 hectare, activiteiten plaats met relevante emissies. Zo wordt er elke week 2 a 3 keer drinkwater met een tractor vervoerd naar de paardenweide. Tevens wordt er 2 keer per jaar 30 m 3 mest uitgereden met een zodenbemester. Daarnaast worden 2 keer per jaar de weides gemaaid, geschud, geharkt en wordt het hooi vervolgens in balen geperst (zie Tabel 1 voor een overzicht). In Figuur 7 zijn de emissiebronnen van de mobiele werktuigen weergegeven als bron 4.
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 15 van 22
Tabel 1. Overzicht van gegevens van mobiele werktuigen tijdens de referentiesituatie.
activiteit aanvoer drinkwater mestaanwending gras maaien gras schudden gras harken en persen
bouwjaar v.a. 2005 v.a. 2005 v.a. 2005 v.a. 2005 v.a. 2005
brandstof diesel diesel diesel diesel diesel
vermogen [kW] 200 260 200 200 200
belasting [%] 40 40 40 40 40
draaiuren per jaar [uur] 13,26 10 1,7 1,7 4
Bemesting paardenweides Uit opgave blijkt dat er twee keer per jaar circa 30 m3 aan mest verreden wordt over het land. In totaal wordt er per jaar dus 60 m 3 aan mest verreden over de percelen van de paardenhouderij. De dichtheid (ton/m3) van mest wordt geschat op circa 1,0, waardoor er in totaal 60 ton mest verreden wordt. Deze mest wordt verdeeld over circa 5 hectare land. In één ton mest zit 4,4 kg stikstof, waardoor er in totaal 264 kg stikstof op het land (5 ha) wordt aangebracht. De emissie van ammoniak (NH3) kan vervolgens berekend worden aan de hand van het gehalte totaal ammoniakaal stikstof (TAN) en de emissiefactor van de mesttoedieningstechniek. Voor het aanbrengen van de mest wordt een zodenbemester gebruikt. Hierdoor zal 19% van de stikstof in de mest vervliegen naar de lucht. In combinatie met de TAN (50) zorgt het toebrengen van 60 ton mest voor een emissie van 25,1 kg NH3 per jaar (264 kg stikstof * 19% * 50%) (Velthof et al., 2009). De emissiebron voor mestaanwending is in Figuur 7 met bron 3 aangegeven. Verwarming panden Tot slot worden de panden op het perceel van de paardenhouderij verwarmd met behulp van vloeibaar propaan. Het propaan wordt opgeslagen in een tank op het erf. De tank wordt jaarlijks gevuld met minimaal 4.000 liter propaan. Één m3 propaangas neemt in vloeibare vorm circa 3,70 liter ruimte in.
4.000 liter vloeibaar propaan komt daarom overeen met ± 1.081 m3 propaangas. De calorische onderwaarde van propaangas bedraagt 95 MJ/m³, waardoor bij verbranding van het gas circa 102,7 GJ aan warmte wordt afgeleverd (1.081 m3 * 95 MJ/m3 = 102.695 MJ = 102.7 GJ). Als worstcasescenario wordt er van uitgegaan dat de verwarming plaats zal vinden met een relatief nieuwe cv-installatie welke circa 22 gram NOx per GJ emitteert (TNO, 2014). Bij de verbranding van het propaan zal derhalve 2,3 kg NOx per jaar vrijkomen (102.7 GJ * 22 gram NOx per GJ = 2,3 gram NOx). De emissie van de panden is weergegeven in Figuur 7 als bron 5. Bemesting Naast de bemesting van de paardenweides bij Spurkt 5C worden de overige percelen en weilanden ter plekke van het plangebied ook bemest. Voor de berekening van de relevante emissies is uitgegaan van kentallen (CBS, PBL, RIVM en WUR, 2019a). De gemiddelde stikstofemissies die ontstaan bij bemesting wordt ‘vermestende depositie’ genoemd. In 2017 bedroeg de gemiddelde vermestende depositie 1.655 mol stikstof per hectare landbouwgrond per jaar (CBS, PBL, RIVM en WUR, 2019a) Hierbij dient te worden opgemerkt dat ter plaatse van het plan, in de gemeente Venray, de daadwerkelijke stikstofdeposities hoger zijn dan het landelijk gemiddelde (zie bijlage 2, vermestende depositie in Nederland).
Dit wordt veroorzaakt doordat de dichtheid van (intensieve) veehouderijen en agrarische grond in het zuiden van Nederland over het algemeen hoger is. Daarbij dient tevens opgemerkt te worden dat de vermestende depositie in 2018 (meest recente gegevens) 1.730 mol stikstof per hectare landbouwgrond per jaar bedroeg (CBS, PBL, RIVM en WUR, 2019b). In onderhavige rapportage is worstcase gerekend met de getallen van 2017.
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 16 van 22
Een deel van de vermestende depositie komt voort uit geoxideerde stikstof (NO x) en een deel uit ammoniak (NH3). In Tabel 2 is een overzicht weergegeven van de vermestende depositie. De uiteindelijke stikstofemissies per perceel zijn berekend op basis van de molaire massa van stikstof (14,0067 g/mol) en de grootte van de percelen. In Figuur 8 zijn de percelen met nummering weergegeven. In Figuur 9 is een overzicht weergegeven van alle percelen die gebruikt zijn bij de AERIUS berekening. Tabel 2. Stikstofdepositie van agrarisch percelen.
vorm
vermestende depositie 2017 [mol N per hectare per jaar]
NOx NH3
528 1.128
bron 6 (3,9 ha) 28,84 61,62
stikstofemissie [kg N per jaar] bron 7 bron 8 bron 9 bron 10 (6,2 ha) (6 ha) (4,2 ha) (9,1 ha) 45,85 44,37 31,06 67,30 97,96 94,80 66,36 143,78
bron 11 (2,8 ha) 20,71 44,24
Figuur 8. Bemeste percelen binnen de onderzoekslocatie.
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 17 van 22
Figuur 9. Overzicht van gebruikte percelen. Zie tevens Figuur 7 en 8.
Afroming Volgens de Provinciale Beleidsregels (BIJ12, 2019a) mag, bij vergunningverlening, maximaal 70% van de saldering gebruikt worden voor nieuwe ontwikkelingen. Deze beleidsregels en de afromingsnorm gelden echter niet bij een bestemmingsplanwijziging. Uit de stikstofberekeningen die onderdeel uitmaken van deze passende beoordeling blijkt dat de stikstofdepositie als gevolg van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen aanzienlijk lager ligt dan in de referentiesituatie. Zelfs indien – zie de stikstofberekeningen – de stikstofdepositie als gevolg van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, zou worden afgezet tegen slechts 70% van de stikstofdepositie uit de referentiesituatie. 6.2.2
Uitgangspunten aanlegfase
Met het plan wordt de bouw van een nieuw bedrijventerrein mogelijk gemaakt. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen en personen, en de inzet van mobiele werktuigen. De aanlegfase betreft een tijdelijke ontwikkeling. De werkzaamheden zullen in totaal circa 2 jaar en 9 maanden duren. De werkzaamheden zullen vanaf 2021 worden uitgevoerd. Voor de berekening is echter 2020 als uitgangspunt genomen, wat worstcase is ten opzichte van 2021. Voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden zullen de bestaande activiteiten binnen het plangebied volledig zijn stilgelegd.
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 18 van 22
De benodigde gegevens (bouwjaar, brandstof, vermogen en draaiuren) voor de aanlegfase zijn aangeleverd door de opdrachtgever. Voor de aanlegfase is de inzet van de in bijlage 4 opgenomen mobiele werktuigen en verkeersbewegingen voorzien. De invoergegevens zijn gebaseerd op het bouwjaar, het vermogen en draaiuren en de in AERIUS Calculator opgenomen kentallen voor een gemiddelde belasting bij reguliere werkzaamheden. Het bouwverkeer zal zich voornamelijk binnen het plangebied begeven. De ontsluiting zal via de Spurkt plaatsvinden. Een criterium voor wanneer verkeer in het heersende verkeersbeeld is opgenomen wordt gegeven in de instructie van AERIUS Calculator (PAS-bureau, 2019), namelijk: ‘Op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Hierbij weegt ook mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer dat door de voorgenomen ontwikkeling wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer.’ Voor onderhavig onderzoek wordt er van uitgegaan dat het bouwverkeer ten gevolge van de aanlegfase ter hoogte van de Spurkt wordt opgenomen in het heersende verkeersbeeld.
De verkeersintensitiet op de Spurkt ligt met circa 2.000 motorvoertuigen per dag vele malen hoger dan de maximale verkeersgeneratie van onderhavig plan (circa 22 per dag; Gemeente Venray, prognose 2018-2030). Het verkeer zal in de praktijk bij uitsplitsing in verschillende rijrichtingen snel in het heersende verkeersbeeld worden opgenomen. 6.2.3
Uitgangspunten gebruiksfase
Met het oog op duurzaamheid, worden de nieuwe bedrijven binnen het bedrijventerrein de Spurkt gerealiseerd met een zo laag mogelijke uitstoot van stikstof. In het bestemmingsplan is onder andere opgenomen dat “[…] het bedrijfsmatige gebruik van gronden en bebouwing, daaronder begrepen de interne voertuigbewegingen, indien dit gebruik leidt tot stikstofemissie. Onder het genoemde strijdige gebruik wordt niet verstaan de uitstoot van stikstof veroorzaakt door de externe voertuigbewegingen van en naar de gronden en bebouwing.” Hieruit kan geconcludeerd worden dat de relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de gebruiksfase derhalve uitsluitend plaats vinden door de verkeersbewegingen van en naar het bedrijventerrein. De gegevens voor de gebruiksfase zijn gebaseerd op een verkeersonderzoek welke is opgesteld voor onderhavige ontwikkeling (Arcadis, 2019). Voor een gemengd bedrijventerrein wordt er uitgegaan van een verkeersgeneratie van 135 lichte verkeersbewegingen, 9,1 middelzware en 25,9 zware vrachtbewegingen per weekdag per hectare (gebaseerd op Arcadis, 2019). De verkeersgeneratie dient te worden berekend aan de hand van het netto oppervlak van het bedrijventerrein. Het netto oppervlak is circa 30 hectare. Dit komt volgens de CROWpublicatie 381 (2018) overeen met een netto oppervlak van 23,1 hectare.
In Tabel 3 is de totale verkeersgeneratie weergegeven. In bijlage 5 is de volledige berekening van de verkeersgeneratie opgenomen.
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 19 van 22
Voor onderhavig onderzoek is de totale verkeersgeneratie uitgesplitst over de verschillende percelen. In bijlage 5 is deze uitsplitsing opgenomen. Tabel 3. Verkeersgeneratie toekomstig bedrijventerrein de Spurkt.
licht verkeer middelzwaar vrachtverkeer zwaar vrachtverkeer
kencijfer gemengd bedrijventerrein [mvt/ha/weekdag] 135 9,1 25,9
totale verkeersgeneratie [mvt/weekdag] 3111 210 597
De ontsluiting van het verkeer tijdens de gebruiksfase zal voor een groot deel richting de A73 plaatsvinden. In het onderhavig onderzoek is derhalve een volledige ontsluiting richting de A73 gehanteerd. Een criterium voor wanneer verkeer in het heersende verkeersbeeld is opgenomen wordt gegeven in de instructie van AERIUS Calculator (PAS-bureau, 2019), en hoofdstuk 6.2.2. De etmaalintensiteit op de A73 ligt met circa 50.000 motorvoertuigen (NSL, 2019) vele malen hoger dan de maximale verkeersgeneratie van het plan. Het verkeer ten gevolge van de gebruiksfase zal derhalve ter hoogte van de A73 volledig zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Het verkeer zal in de praktijk bij uitsplitsing in verschillende rijrichtingen reeds eerder in het heersende verkeersbeeld zijn opgenomen dan in het onderhavig onderzoek gehanteerd. 6.3
Resultaten
De verschilberekeningen tussen de referentiesituatie en de aanleg- en de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2019A), en zijn bijgevoegd in bijlage 6. Uit de verschilberekeningen is gebleken dat het planeffect op de Natura 2000-gebieden voor de aanlegfase en gebruiksfase kleiner is dan de stikstofemissie en -depositie in de referentiesituatie. Hiermee wordt aangetoond dat er een afname in stikstofdepositie zal plaatsvinden op de Natura 2000-gebieden. Ook voor de Natura 2000-gebieden in het buitenland welke binnen 30 kilometer van het plan liggen is een berekening gemaakt. Uit de berekening voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase blijkt dat het planeffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar.
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 20 van 22
7
PASSENDE BEOORDELING EN CONCLUSIE
Uit de verschilberekeningen die onderdeel uitmaken van voorliggende passende beoordeling is gebleken dat het planeffect (wat betreft de stikstofdepositie) van de met het bestemmingsplan ‘De Spurkt’ mogelijk gemaakte ontwikkelingen, op de Natura 2000-gebieden voor de aanlegfase en gebruiksfase kleiner is dan in de referentiesituatie. Hiermee wordt aangetoond dat er een afname in stikstofdepositie zal plaatsvinden en dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast als gevolg van verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht. Met betrekking tot overige storingsfactoren is in de voortoets bij voorbaat uitgesloten dat deze een negatieve invloed kunnen hebben op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden (ook buiten Nederland) ten gevolge van de met het bestemmingsplan ‘De Spurkt’ mogelijk gemaakte ontwikkelingen kunnen hiermee worden uitgesloten.
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 21 van 22
8
LITERATUURLIJST
Arcadis, 2019. De Spurkt Verkeersonderzoek, Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo, referentie 083979333 A, 29 november 2019. BIJ12, 2019a. Beleidsregels intern en extern salderen, 13 december 2019. Beschikbaar via https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2019/12/Beleidsregels-13-december.pdf. CBS, PBL, RIVM, WUR 2019a. Vermestende depositie, 1990-2017, indicator 018917. Versie 17, 4 juni 2019. Beschikbaar via https://www.clo.nl/indicatoren/nl018917-stikstofdepositie. CBS, PBL, RIVM, WUR 2019b. Vermestende depositie, 1990-2017, indicator 0189. Versie 18, 21 november 2019. Beschikbaar via https://www.clo.nl/indicatoren/nl0189-stikstofdepositie. CROW, 2018. Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen. ISBN: 9789066286665. 1e druk, 10 december 2018. Gemeente Venray, B-2 Verkeersgegevens Venray +prognose 2018-2030 (selectie), D062: Venray | Telstraat: Spurkt | Wegvak: Metaalweg – Spurkterweg. NSL, 2019. NSL monitoringskaart 2019. Beschikbaar via https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/. PAS-bureau, 2019. Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator, Versie 2019.0 1.0, 11 oktober 2019. TNO, 2014. Update NOx-emissiefactoren kleine vuurhaarden - glastuinbouw en huishoudens, Rapport R10584, 31 maart 2014. Velthof, G.L., C. van Bruggen, C.M. Groenestein, B.J. de Haan, M.W. Hoogeveen en J.F.M. Huijsmans 2009.
Metho-diek voor berekening van ammoniakemissie uit de landbouw in Nederland , Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-rapport 70. www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten)
Econsultancy Boxmeer, 28 oktober 2020
Rapport 5584.006 versie D3
Pagina 22 van 22
Bijlage 1: Voortoets
Rapport 5584.006 versie D2 (concept ter interne beoordeling)
Inleiding De toetsing van de mogelijke effecten is uitgevoerd aan de hand van de effectenindicator van het Ministerie van Economische Zaken. In de effectenindicator zijn de meest voorkomende storende factoren met betrekking tot het Natura 2000-gebied in het kader van diverse werkzaamheden beschreven. In Figuur 10 tot en met Figuur 11 staan de uitkomsten van de effectenindicator voor Boschhuizerbergen, Deurnsche Peel & Mariapeel en De Maasduinen waarbij getoetst wordt aan de voorgenomen plannen, te weten: “bedrijventerrein”. Hoewel de factoren verzuring en vermesting door stikstofdepositie niet uit de effectenindicator naar voren komen, zijn deze factoren op basis van ‘expert judgement’ wel meegenomen. Dit omdat een bedrijventerrein van deze schaal veel extra stikstofuitstoot kan hebben wat mogelijk een effect op de Natura 2000-gebieden kan hebben. De Natura 2000-gebieden zijn mogelijk gevoelig zijn voor dezelfde effecten van de komst van een bedrijventerrein (namelijk oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, licht en trillingen, optische verstoring en verstoring voor mechanische effecten). In de Boschhuizerbergen komen alleen beschermde habitattypen voor. Deze zijn echter niet gevoelig voor verstoring door geluid, licht en trilling waardoor deze effecten op de Boschhuizerbergen op voorhand zijn uit te sluiten.
Daarnaast zijn Deurnsche Peel & Mariapeel en De Maasduinen op zodanig grote afstand van de onderzoekslocatie gelegen (respectievelijk 9,7 en 6,5 kilometer) dat bijna alle potentiële effecten op voorhand zijn uit te sluiten. Alleen verzuring en vermesting door stikstofdepositie kan op een dergelijke afstand nog een effect hebben op de habitattypen en/of aangewezen soorten van Deurnsche Peel & Mariapeel en De Maasduinen. In tabel I tot en met III staan vetgedrukt de storende factoren voor “Boschhuizerbergen”, “Deurnsche Peel & Mariapeel” en “De Maasduinen” weergegeven die bij de toetsing worden beoordeeld. De niet vetgedrukte factoren kunnen op voorhand worden uitgesloten In de voortoets wordt zowel aan de aanlegfase als aan de gebruiksfase van het bedrijventerrein getoetst.
Rapport 5584.006 versie D2 (concept ter interne beoordeling)
Figuur 10. Effectenindicator Boschhuizerbergen bedrijventerrein (bron: ministerie van Economische Zaken)
Figuur 11. Effectenindicator De Maasduinen bedrijventerrein (bron: ministerie van Economische Zaken)
Figuur 11. Effectenindicator Deurnsche Peel & Mariapeel bedrijventerrein (bron: ministerie van Economische Zaken)
Rapport 5584.006 versie D2 (concept ter interne beoordeling)
Tabel I. Samenvatting storende factoren voor Boschhuizerbergen conform effectenindicator en expert judgement*. 1. Oppervlakteverlies 2. Versnippering 3. Verzuring 4. Vermesting 5. Verzoeting 6. Verzilting 7. Verontreiniging 8. Verdroging 9. Vernatting 10. Verandering stroomsnelheid
11. Verandering overstromingsfrequentie 12. Verandering dynamiek substraat 13. Verstoring door geluid 14. Verstoring door licht 15. Verstoring door trilling 16. Optische verstoring 17. Verstoring door mechanische effecten 18. Verandering in populatiedynamiek 19. Bewuste verandering soortensamenstelling
* De vetgedrukte factoren worden bij de toetsing betrokken, de overige factoren zijn op voorhand niet aan de orde.
Tabel II. Samenvatting storende factoren voor De Maasduinen conform effectenindicator en expert judgement*. 1. Oppervlakteverlies 2. Versnippering 3. Verzuring 4. Vermesting 5. Verzoeting 6. Verzilting 7. Verontreiniging 8. Verdroging 9. Vernatting 10. Verandering stroomsnelheid
11. Verandering overstromingsfrequentie 12. Verandering dynamiek substraat 13. Verstoring door geluid 14. Verstoring door licht 15. Verstoring door trilling 16. Optische verstoring 17. Verstoring door mechanische effecten 18. Verandering in populatiedynamiek 19. Bewuste verandering soortensamenstelling
* De vetgedrukte factoren worden bij de toetsing betrokken, de overige factoren zijn op voorhand niet aan de orde.
Tabel II. Samenvatting storende factoren voor Deurnsche Peel & Mariapeel conform effectenindicator en expert judgement*. 1. Oppervlakteverlies 2. Versnippering 3. Verzuring 4. Vermesting 5. Verzoeting 6. Verzilting 7. Verontreiniging 8. Verdroging 9. Vernatting 10. Verandering stroomsnelheid
11. Verandering overstromingsfrequentie 12. Verandering dynamiek substraat 13. Verstoring door geluid 14. Verstoring door licht 15. Verstoring door trilling 16. Optische verstoring 17. Verstoring door mechanische effecten 18. Verandering in populatiedynamiek 19. Bewuste verandering soortensamenstelling
* De vetgedrukte factoren worden bij de toetsing betrokken, de overige factoren zijn op voorhand niet aan de orde.
Per factor is beschreven of deze als gevolg van de voorgenomen ingreep in zijn algemeenheid kan plaatsvinden. Vervolgens wordt beschreven of het optreden van de verstorende factor tot negatieve effecten kan leiden. Niet iedere soort of habitat is even gevoelig voor de mogelijk optredende storende factoren. Uiteindelijk blijk uit een analyse welke van onderstaande situaties aan de orde is: 1. Er is zeker geen negatief effect. Dit betekent dat er geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. 2. Er is een kans op een significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat er een kans op een significant negatief effect bestaat, is een passende beoordeling vereist.
Rapport 5584.006 versie D2 (concept ter interne beoordeling)
Oppervlakteverlies Kenmerk: Afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten en/of habitattypen. Interactie andere factoren: Verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied. Een kleiner gebied heeft bovendien meer te leiden van randinvloeden: vaak is de kwaliteit van het leefmilieu aan de rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Werking: Door afname van het beschikbare oppervlak neemt ook het aantal individuen van een soort af. Om duurzaam te kunnen voortbestaan moet elke soort uit een minimum aantal individuen bestaan; bij diersoorten wordt meestal van een minimum aantal paartjes (reproductieve eenheden) gesproken. Wanneer een populatie te klein wordt neemt de kans op uitsterven toe, zeker als deze populatie geen onderdeel uitmaakt van een samenhangend netwerk van leefgebieden. Bij een populatie die uit te weinig individuen bestaat, neemt ook de kans op inteelt toe en dus de genetische variatie af. Hierdoor wordt een populatie kwetsbaar voor veranderingen ten gevolge van bijvoorbeeld predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. Ook habitattypen kennen een ondergrens voor een duurzame oppervlakte. Analyse: De onderzoekslocatie ligt volledig buiten de Natura 2000. Hierdoor zal geen oppervlak verloren gaan.
Het is op voorhand uit te sluiten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van oppervlakteverlies in het geding komen. Versnippering Kenmerk: Van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van het leefgebied van soorten. Interactie andere factoren: Treedt op ten gevolge van verlies leefgebied of verandering in abiotische condities van het leefgebied. Kan leiden tot verandering in populatiedynamiek. Werking: Als het leefgebied niet meer voldoende groot is voor een populatie, of individuen van één populatie kunnen de verschillende leefgebieden niet meer bereiken, neemt de duurzaamheid van de populatie af. Een gevolg kan zijn een verandering in de soortensamenstelling en het ecosysteem. Soorten zijn in verschillende mate gevoelig voor de versnippering van hun leefgebied. Het meest gevoelig zijn soorten met een gering verspreidingsvermogen, soorten die zich over de grond bewegen en soorten met een grote oppervlaktebehoefte. Versnippering door barrières zoals wegen en spoorlijnen leidt mogelijk ook tot sterfte van individuen en kan zo effect hebben op de populatiesamenstelling. Bij versnippering moet men altijd goed rekening houden met het schaalniveau van het populatienetwerk. Analyse: De onderzoekslocatie ligt volledig buiten de Natura 2000. Tevens wordt er geen verbindingszone tussen twee Natura 2000-gebieden verbroken door de voorgenomen plannen.
Hierdoor is versnippering niet aan de orde. Het is op voorhand uit te sluiten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van versnippering in het geding komen. Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Kenmerk: Verzuring en vermesting van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van vervuilende gassen zoals NOx, NH3, SO2 en vluchtige organische stoffen (VOS), veroorzaakt door landbouw, industrie en/of (vracht)verkeer. Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond
Rapport 5584.006 versie D2 (concept ter interne beoordeling)
terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. Vermesting is de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie vanuit de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden), en door nitraat- en fosfaataanvoer via het oppervlaktewater. Interactie andere factoren: De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof). Vermesting (en verzuring) kunnen op hun beurt leiden tot verontreiniging van het oppervlakteen grondwater. Werking: Verzuring leidt tot een directe of indirecte afname van de buffercapaciteit (het neutralisatievermogen) van bodem of water. Op termijn resulteert dit proces in een daling van de zuurgraad. Hierdoor zullen voor verzuring gevoelige soorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verandering van het habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen van typische (dier)soorten, zoals bijvoorbeeld amfibieën en reptielen die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van waterlichamen. De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden worden gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstofdepositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft van stikstofminnende planten.
Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van andere plantensoorten. Dit heeft ook effect op de fauna doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreedt, waardoor een gebied ongeschikt wordt als bijvoorbeeld broed- of foerageergebied. Analyse: Hoewel verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht niet naar voren komt in de effectenindicator is wel gekeken naar een eventuele stikstoftoename. Door Econsultancy is een AERIUS-berekening uitgevoerd waarin enkel de stikstofdepositie werd berekend, zonder passende maatregelen. Zowel de aanleg- als de gebruiksfase kunnen negatieve gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen binnen omliggende beschermde natuurgebieden. Gedurende de aanlegfase als gevolg van de inzet van mobiele werktuigen en door de verkeersbewegingen van het werkverkeer en in de gebruiksfase als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van het bedrijventerrein en de uitstoot van het bedrijventerrein zelf.
Uit de AERIUS stikstofberekening is gebleken dat er niet alleen op de Natura 2000-gebieden Bosschuizerbergen, Maasduinen en Deurnsche Peel & Mariapeel een toename in stikstofdepositie zou plaatsvinden, maar ook op de Natura 2000-gebieden Strabrechtste Heide & Beuven, Rijntakken, Weerter- en Budelerbergen & Ringselven, Leenderbos, Groote Heide & Plateaux, Groote Peel, De Bruuk, Sint Jansberg, Oeffelter Meent en Zeldersche Driessen. Voor de volledigheid is de omschrijving (inclusief habitattypen en de aangewezen soorten van de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten) van deze Natura 2000-gebieden opgenomen in Bijlage I van deze rapportage. Naast verzuring door stikstof uit de lucht, zal mogelijk tevens vermesting van de bodem optreden als gevolg van de stikstofdepositie, wat een negatief gevolg kan hebben op de aanwezige habitattypen. Het is derhalve niet op voorhand uit te sluiten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden niet in het geding komen. Een passende beoordeling, inclusief maatregelen, is benodigd en dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan het bevoegd gezag middels een ontheffingsaanvraag. Verontreiniging Kenmerk: Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn.
Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen:
Rapport 5584.006 versie D2 (concept ter interne beoordeling)
organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. Interactie andere factoren: geen directe interactie met andere factoren. Wel kan verontreiniging als gevolg van andere factoren optreden. Werking: Vrijwel alle soorten en habitattypen reageren op verontreiniging. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige ecologische processen. Deze beïnvloeding kan direct plaatsvinden maar ook indirect via een opeenvolging van ecologische interacties. Bovendien kan verontreiniging zich pas vele jaren/decennia later manifesteren. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex. In het algemeen kan gesteld worden dat aquatische habitattypen en soorten gevoeliger zijn dan terrestrische systemen. Ook geldt dat soorten in de top van de voedselpiramide, als gevolg van accumulatie, van verontreinigingen gevoeliger zijn. Echter, afhankelijk van de concentratie en duur van de verontreiniging zijn alle habitattypen en soorten gevoelig en kan verontreiniging leiden tot verandering van de soortensamenstelling. Analyse: Op de onderzoekslocatie is men voornemens een bedrijventerrein te realiseren met maximaal milieucategorie 4.2.
Echter zullen de te vestigen bedrijven zich moeten houden aan voorschriften en regels uit de Waterwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In dit kader zullen bij het ontwerp en de inrichting van het bedrijventerrein voorzieningen worden getroffen om verontreiniging te voorkomen. Dit, in combinatie met de afstand van circa 890 meter tot het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied, is voldoende om met zekerheid te zeggen dat geen van de bovengenoemde stoffen in het Natura 2000-gebied terecht komen. Het is op voorhand uit te sluiten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van verontreiniging in het geding komen. Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Verdroging Kenmerk: Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Interactie andere factoren: verdroging kan tevens leiden tot verzilting. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken. Op deze wijze leidt verdroging tevens tot vermesting. Er zijn ook gebieden waar verdroging kan optreden zonder dat de grondwaterstand in de ondiepe bodem daalt. Het gaat daarbij om gebieden waar van oudsher grondwater omhoogkomt. Dit water heet kwelwater.