TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray Motivering
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
29
beoordelingsplicht. Het kan ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt. De beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft. De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4, artikel 5.53 in het bkl). Toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (stikstofdioxide en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook 'niet in betekende mate' (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie.
Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets. Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaalt voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl. Het planvoornemen maakt de realisatie van een woonwijk mogelijk, deze activiteit valt onder de standaardgevallen: Woonwijken zijn NIBM als het gaat om maximaal: 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen 4.4.2 Toetsing Om te bepalen of het project NIBM bijdraagt wordt er een berekening uitgevoerd met de NIBM-tool. Met de rekentool wordt het effect van de toename van verkeersbewegingen ten gevolge van het medisch centrum inzichtelijk gemaakt. De totale verkeersgeneratie is gebaseerd op basis van een reeds uitgevoerde verkeersstudie. Op basis van de verkeersstudie blijkt dat er 1.700 verkeersbewegingen per etmaal zullen plaatsvinden van en naar het medisch centrum. Daarnaast wordt het aandeel vrachtverkeer op basis van de huidige situatie van het ziekenhuis aan de Merseloseweg nihil geacht. De locatie Venlo wordt als hoofdlocatie gebruikt voor het leveren van goederen. Er rijdt ieder dag 5x een (klein) eigen vrachtwage vanuit Venlo richting Venray.
In een uiterste geval zullen er 2 grote vrachtwagens per week in Venray leveren. Dit zijn in totaal 14 verkeersbewegingen per dag. Dit is een percentage van nog geen 1% op het totaal aantal verkeersbewegingen. Aangezien het medisch centrum niet voor 2028 in gebruik zal zijn, is als jaar van planrealisatie 2027 gehanteerd.
30
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
Als aanvulling op bovenstaande kan worden opgemerkt dat het bij een NIBM-berekening gaat om de toename van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie. Aangezien er bij de berekening van de verkeersgeneratie in dit onderzoek geen rekening is gehouden met het bestaande aantal verkeersbewegingen, van en naar HSV Royals Venray (honk- en softbalvereniging), is er een worstcasescenario inzichtelijk gemaakt. Bij een wijziging van het aantal verkeersbewegingen en/of het onderzoek kan er eventueel nog rekening worden gehouden met het bestaande aantal verkeersbewegingen. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is tevens de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied onderzocht. De belangrijkste luchtkwaliteitsnormen betreffen rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden (NOx), zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood (Pb), zwaveldioxide (SO2) en benzeen (C6H6). Met de verbetering van de luchtkwaliteit vinden in Nederland normaliter echter alleen nog overschrijdingen van de grens-waarden plaats voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes. Overschrijdingen van de omgevingswaarden voor de overige stoffen komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, niet voor.
Met behulp van de gegevens uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit is beoordeeld of er ter plaatse van het te ontwikkelen medisch centrum sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. Hiervoor zijn de dichtstbijzijnde rekenpunten uit de monitoringskaart met de hoogste waardes geraadpleegd. In onderstaande tabel zijn voor de jaren 2025 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven. stoffen grenswaarde 2025 2030 NO2 concentratie 40 ìg/m3 16,42 ìg/m³ 13,88 ìg/m³ PM10 concentratie 40 ìg/m3 15,72 ìg/m³ 14,54 ìg/m³ PM1 0 overschrijdingsdagen 35 dagen 6,0 dagen 6,0 dagen PM2,5 concentratie 25 ìg/m3 8,51 ìg/m³ 7,42 ìg/m³ Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plaatse van het te realiseren medisch centrum wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarnaast wordt voldaan aan de WHO-advies-waarden conform het SLA. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Voor een nieuw medisch centrum geldt tevens dat gebruik zal
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
worden gemaakt van een
31
luchtbehandelingssysteem waardoor er binnen in het gebouw ten alle tijden een goede luchtkwaliteit gehandhaafd kan worden. Hierdoor zal de luchtkwaliteit buiten geen/weinig effect hebben op het woon- en leefklimaat binnen. Daarnaast wordt een medisch centrum aangemerkt als een gevoelige functie zoals bedoeld in de GGD/RIVM-richlijng 'gevoelige bestemmingen'. Deze richtlijn raadt aan om gevoelige functies, zoals een medisch centrum, zover mogelijk van drukke wegen te situeren, waarbij er tenminste 50 meter moet worden aangehouden van een drukke weg als de N270. Gemeten uit de as van de N270 ligt de bouwgrens van het bouwvlak op meer dan 50 meter afstand. Hiermee wordt voldaan aan de richtlijn 'gevoelige bestemmingen'. 4.4.3 Conclusie Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen worden voorzien voor de doorgang van het planvoornemen met betrekking tot de luchtkwaliteit. Op basis van een haalbaarheidsstudie met de NIBM-rekentool is bepaald dat bij een verkeersgeneratie van 1.700 verkeersbewegingen per etmaal en een aandeel vrachtverkeer van 2,39% het medisch centrum niet in betekenende mate bij zal dragen aan de achteruitgang van de luchtkwaliteit. De concentraties van luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van het te realiseren nieuwe medisch centrum zijn tevens ruim beneden de rijksomgevingswaarden.
4.5
Externe Veiligheid
4.5.1 Wettelijk kader Externe veiligheid heeft betrekking op het risico dat een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. In het omgevingsplan moeten externe veiligheid worden gewaarborgd bij het toedelen van functies aan locaties. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan de instructieregels op welke manier dat moet worden gedaan. Hierin staan ook de definities van de gebouwen waarvoor de regels bescherming bieden: zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (bijlage VI bij artikel 5.3 Bkl). Milieubelastende activiteiten (MBA) met externe veiligheidsrisico's moeten worden opgenomen in het omgevingsplan.
Het gaat om de activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven (Bal), het basisnet (weg, water, spoor), buisleidingen met vervoer van gevaarlijke stoffen (Bal) en windturbines. Voor MBA's met externe veiligheidsrisco's zijn het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden relevant. Plaatsgebonden risico (PR) De kans dat één persoon buiten het inrichtingsterrein overlijdt als gevolg van een calamiteit bij het bedrijf (plaatsgebonden risico). In een omgevingsplan wordt op de begrenzing van een risicogebied externe veiligheid een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico in acht genomen van ten hoogste 1 op de miljoen per jaar. Voor nieuwe kwetsbare gebouwen, zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties geldt dat het plaatsgebonden risico van 10-6/jaar een grenswaarde is. Dit betekent dat binnen de plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar geen nieuwe kwetsbare gebouwen, zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties gerealiseerd mogen worden. Groepsrisico (GR) en aandachtsgebieden De kans dat meerdere personen buiten het inrichtingsterrein overlijden als gevolg van een calamiteit bij het bedrijf (groepsrisico). De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Voor het groepsrisico gelden aandachtsgebieden waar mensen binnenshuis
32
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
onvoldoende beschermd zijn tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied. 4.5.2 Toetsing Voor de realisatie van het nieuwe medisch centrum is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd (Econsultancy, rapportnummer 10686.011 D3, d.d. 13 januari 2025, Bijlage 5). In dit onderzoek zijn de risicovolle objecten geïnventariseerd. Dit betreft transport van gevaarlijke stoffen, buisleidingen en inrichtingen. Transport van gevaarlijke stoffen Op ongeveer 1,65 kilometer ten oosten van de grens van het plangebied ligt rijksweg A73. Voor rijkswegen geldt volgens het Bkl een explosieaandachtsgebied van 200 meter en een brandaandachtsgebied van 30 meter. Het plangebied ligt niet binnen het explosie- en brandaandachtsgebied van de rijksweg A73. Over de bovenstaande genoemde basisnetroute worden toxische stoffen vervoerd. Als gevolg van een ongewoon ongeval op de rijksweg A73 kunnen gifwolken ontstaan. Een gifwolkaandachtsgebied kan enkele kilometers groot zijn en hangt af van het soort en hoeveelheid giftige stoffen die vrijkomen. Bij een besluit van een ruimtelijke ontwikkeling in de omgeving van een MBA is het gebied waar rekening moet worden gehouden als gevolg van een gifwolk afgekapt op 1,5 kilometer.
Het plangebied ligt volledig buiten het gifwolkaandachtsgebied van de rijksweg A73. Gezien de afstand van het plangebied tot de rijksweg A73 gelden er geen belemmeringen. Ten zuiden van de grens van het plangebied, op ongeveer 10 meter, ligt de provinciale weg N270 (Deurneseweg). Een provinciale weg heeft geen aandachtsgebieden voor explosie, brand of gifwolk, tenzij de gemeente een eigen beleid of visie heeft vastgesteld ten aanzien van het transport van gevaarlijke stoffen over provinciale wegen. Vooralsnog heeft de gemeente Venray geen specifiek beleid voor externe veiligheid opgesteld. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het transport van gevaarlijke stoffen over de N270 wel beschouwd als een milieubelastende activiteit (MBA) met externe veiligheidsrisico's. Analoog aan de basisnetroutes heeft de N270 een explosieaandachtsgebied van 200 meter en een brandaandachtsgebied van 30 meter. Het plangebied is volledig bnnen het explosie- en brandaandachtsgebied. In dat kader is in het onderzoek externe veiligheid (hoofdstuk 4) een verantwoording van het groepsrisico gegeven als gevolg van een calamiteit (BLEVE) op de N270. Tot slot heeft de provincie in 2022 tellingen verricht op de N270. Hieruit blijkt dat er geen toxische stoffen over de N270 worden vervoerd.
Hogedruk aardgastransportleidingen In de nabijheid van het plangebied liggen twee hogedruk aardgastransportleidingen, namelijk de Z-541-06 en de Z-541-15. Het brandaandachtsgebied van leiding Z-541-06 reikt tot 71 meter aan weerszijden van de leiding en voor leiding Z-541-15 is dit 94 meter. In onderstaande afbeelding zijn de brandaandachtsgebieden van de betreffende leidingen weergegeven.
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
33
Uitsnede kaart externe veiligheid Atlas leefomgeving De (onderbroken) lijnen ten noorden en westen van het plangebied zijn nog niet bijgewerkt op de kaart en hebben geen brandaandachtsgebieden. Het plangebied ligt niet binnen het brandaandachtsgebied van de leidingen, waardoor er geen belemmeringen zijn. Inrichtingen Op ongeveer 110 meter ten noorden van de grens van het plangebied ligt een LPG-tankstation. De grens van het explosieaandachtsgebied ligt op 160 meter vanaf het vulpunt en de bovengrondse opslagtank. Omdat het plangebied niet binnen het huidige wettelijke explosieaandachtsgebied ligt, vormt het LPG-tankstation geen belemmering voor het plangebied. Op ongeveer 272 meter ten noordoosten van de grens van het plangebied ligt een gasontvangststation van de Gasunie. De grens van de veiligheidszone ligt op 15 meter rondom de installatie. Gezien de afstand tot het plangebied vormt het gasontvangststation geen belemmering. Overige risicovolle inrichtingen op meer dan 1 kilometer van het plangebied zijn niet relevant.
34
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
4.5.3 Conclusie Op basis van de inventarisatie van de risicobronnen in de omgeving van het plangebied kan geconcludeerd worden dat de N270 relevant is voor het planvoornemen. Het maatgevende scenario op de N270 is een BLEVE met hittestraling en schokgolf als gevolg. Door het toepassen van (bouwkundige) maatregelen kunnen de risico's worden beperkt en kan de kans op slachtoffers gereduceerd worden. Afhankelijk van de plaats kan het handelingsperspectief verschillen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan uit schuilen binnen het gebouw of vluchten in de noordelijk richting via de Leun-seweg in verband met branden. De Veiligheidsregio Limburg-Noord dient advies gevraagd te worden om in verband met de realisatie van een zeer kwetsbaar gebouw in de nabijheid van de N270 over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen. Dit advies geeft tezamen met de voorliggende rapportage de input voor het bevoegd gezag om invulling te geven aan de groepsrisicoverantwoordingsplicht. 4.5.4 Advies veiligheidsregio Limburg-Noord Het planvoornemen is nader beoordeelt door de veiligheidsregio Limburg-Noord. In dat kader heeft de veiligheidsregio advies uitgebracht (kenmerk Z2025-00000498, d.d. 19 februari 2025, Bijlage 6).
In haar advies stelt de veiligheidsregio dat een nader onderbouwing voor het uitgaan van een zeer kwetsbaar gebouw ontbreekt omdat sprake is van een gezondheidszorgfunctie zonder bedgebied. Echter in het onderzoek externe veiligheid is uitgegaan van een worst case situatie, dus van een gezondheidsfunctie met bedgebied zodat daarmee ten alle tijde de veiligheid ter plaatse in voldoende mate is gewaarborgd. In haar advies wordt door de veiligheidsregio verder het volgende geadviseerd De verantwoording van de hoogte van het groepsrisico in het rapport onderzoek externe veiligheid is akkoord met de volgende opmerking. Een medisch centrum waar alleen dagbehandeling plaatsvindt kan worden aangemerkt als een kwetsbaar gebouw volgens bijlage VI van het Bkl. Richt de uitrit aan de zijde van de Leunseweg zodanig in, dat hulpdiensten deze zo nodig kunnen gebruiken als inrit. Indien het wenselijk is om inrijden door derden te voorkomen, dan kan deze inrit worden afgesloten met bijvoorbeeld een slagboom in combinatie met een SOS toegangssysteem (www.sostoegang.nl) De bluswatervoorziening voor het medisch centrum moet voldoen aan het gemeentelijke beleid bluswater en bereikbaarheid. De benodigde bluswatervoorziening die hiervoor wordt aangelegd door WML en/of de initiatiefnemer, moet worden beoordeeld door de brandweer.
Bij de verdere uitwerking van het concrete bouwplan zal de uitrit aan de Leunseweg zodanig ingericht worden dat de hulpdienste deze bij eventuele calamiteiten tevens kunnen gebruiken als inrit. Tevens zal in voldoende mate worden voorzien in de noodzakelijke bluswatervoorziening. Hierbij zal in voldoende mate rekening worden gehouden met het gemeentelijke beleid 'Bluswater en bereikbaarheid'. Verder wordt door de veiligheidsregio en RUD aanvullend geadviseerd om vanwege het ontbreken van voldoende zelfredzaamheidsmogelijkheden voor het schuilen en/of vluchten bij een incident op de N270 en de kans op eventuele slachtoffers het medisch centrum toe te staan met de aanvullende bouweisen voor nieuwe gebouwen die gesteld zijn in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 uit het Besluit bouwwerken leefomgeving en de volgende aanvullende omgevingsveiligheidsmaatregelen: geen openingen en overkappingen in de gevel aan de risicozijde; vlakke gevel aan de risicozijde; explosiewerend glas; geen of kleinere glasoppervlakken risicozijde; geen deuren risicozijde; drukbestendige dakvorm; gevelstevigheid;
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
35
stevigheid constructie. Dat voldaan dient te worden aan de aanvullende bouweisen voor nieuwe gebouwen die gesteld zijn in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 uit het Besluit bouwwerken leefomgeving is geborgd in de beoordelingsregels. De aanvullende omgevingsveiligheidmaatregelen zullen voor zover ver mogelijk bij de uiteindelijke uitwerking van het concrete bouwplan meegenomen worden in overleg met de gemeente, veiligheidsregio en RUD.
4.6
Flora en Fauna
4.6.1 Wettelijk kader De Wet natuurbescherming, het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming zijn per 1 januari 2024 vervallen en beleidsneutraal overgegaan naar de Omgevingswet via het aanvullingsspoor natuur. Ter bescherming van de natuur zijn in de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming (flora en fauna) en regels ter bescherming van houtopstanden. Natuurgebieden Natura 2000 is de verzamelnaam voor het netwerk van Europese natuurgebieden. Natura 2000-gebieden vallen onder de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en zijn verankerd in de Omgevingswet. De wet verbiedt Natura 2000-activiteiten in art. 5.1 lid 1, aanhef en onder e. Natura 2000-activiteiten zijn activiteiten of het realiseren van projecten die een significante gevolg kan hebben op een Natura 2000 gebied. Bij een wijziging van het omgevingsplan dient de gemeenteraad rekening te houden met de gevolgen voor de Natura 2000-gebieden.
Een besluit mag alleen genomen indien de raad zich op grond van de Voortoets of Passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast. Onderdeel van de instandhoudingsmaatregelen is het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het doel van het netwerk is om natuurgebieden beter met elkaar en met omringend agrarisch gebied te verbinden. Uiteindelijk moet er in Nederland een robuust netwerk liggen dat zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze functioneert en klimaatbestendig is. Aanvullend kunnen Gedeputeerde Staten gebieden aanwijzen die buiten het Natuurnetwerk Nederland liggen, maar wel van een provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarde. Deze gebieden worden samen met het NNN aangeduid als bijzondere provinciale natuurgebieden. Voor de provincie Limburg is dit het LNN. Soortenbescherming In de Omgevingswet is ook soortenbescherming geregeld (flora en fauna). Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit uit te voeren (art. 5.1 lid 2 onder g, Omgevingswet). Een flora- en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten.
In de wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels conform de Europese Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten conform de Europese Habitatrichtlijn en voor overige te beschermen soorten. Het is kort gezegd verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. De Omgevingswet maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten. Dit is voor de provincie Limburg geregeld in het Omgevingsverordening Limburg, geconsolideerd op 1 december 2023. In de bijlagen van deze verordening zijn soorten opgenomen welke bij ruimtelijke ontwikkeling binnen de provincie zijn vrijgesteld voor de aanvraag van een ontheffing.
36
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming golden de rijksregels over houtopstanden niet voor houtopstanden binnen de grenzen van de bebouwde kom (artikel 4.1, Wet natuurbescherming). Het was aan de gemeenteraad om die grenzen vast te stellen. De Omgevingswet spreekt van 'bebouwingscontour houtkap' in plaats van 'grenzen van de bebouwde kom' zoals dat in de Wet natuurbescherming staat. De Omgevingswet verplicht de gemeenteraad om een bebouwingscontour houtkap vast te stellen in het omgevingsplan. Met het aanwijzen van de bebouwingscontour houtkap bepaalt de gemeente in feiten wanneer de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) over het vellen van houtopstanden gelden. Die gelden namelijk alleen buiten de bebouwingscontour houtkap. 4.6.2 Toetsing Natuurgebieden De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn Boschhuizerbergen en Maasduinen. Deze liggen respectievelijk op ongeveer 3,3 kilometer en ongeveer 9 kilometer afstand van het plangebied. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien eventueel sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trillingen en geluid als de gevolg van het planvoornemen binnen het plangebied, zijn gezien de afstand tot de meest nabij gelegen Natura 200-gebieden dan ook niet te verwachten.
Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege het voorgenomen planvoornemen op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator). Op de effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden wordt hierna nader ingegaan. De locatie valt niet binnen de natuurbeheersgebieden van de Provincie Limburg of binnen het Limburgse deel van het Nationale Natuurnetwerk (LNN). Het dichtstbijzijnde LNN-gebied ligt op ruim 1 kilometer ten oosten van het plangebied. Het betreft een goudgroene natuurzone. Het Natuurnetwerk betreft in Limburg een louter planologische bescherming van de aangewezen gebieden zelf. Aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het LNN is niet aan de orde. Stikstof Om de effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken is een notitie beoordeling stikstof opgesteld (Pouderoyen Tonnaer, project J222381, d.d. 11 december 2024, Bijlage 7). De emissies tijdens de bouwfase en toekomstige gebruiksfase zijn doorgerekend met de Aerius calculator om te beoordelen of er sprake is van een stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jaar.
Voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase is er sprake van een stikstofdepositie die niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus geen sprake van een overschrijding. Uit de Aerius berekeningen is gebleken dat er geen sprake is van een overschrijding van de 0,00 mol/ha/jaar norm en dat daarmee significante gevolgen ten aanzien van de instandhoudingsdoelstellingen zijn uit te sluiten. Indien met de bouwfase binnen de emissieruimte van het kengetal wordt gebouwd, is er daarmee geen vergunningplicht als Natura 2000 activiteit. . Soortenbescherming Om in te schatten of er binnen het plangebied beschermenden planten- en diersoorten aanwezig zijn is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Econsultancy, rapportnummer 10686.004 D2, d.d. 23 februari 2023, Bijlage 8). De resultaten van deze quickscan zijn in onderstaande tabel weergegeven.
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
37
Naar aanleiding van de resultaten uit de quickscan zijn aanvullende inspecties uitgevoerd (Econsultancy, project 10686.008, d.d. 15 februari 2023, Bijlage 9). Deze inspecties hebben betrekking op nesten van roofvogels, ransuil, raaf, roek, nesten van eekhoorns en vaste rust- en voortplantingsplaatsen van boombewonende vleermuizen. Uit deze inspecties is gebleken dat er drie potentiële nesten van de boomvalk, torenvalk en ransuil zijn waargenomen, twee eekhoornnesten en acht bomen met holtes of scheuren welke
38
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
potentieel geschikt zijn als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Geadviseerd wordt om voorafgaand aan de werkzaamheden aanvullend ecologisch onderzoek naar boomvalk, torenvalk, ransuil en eekhoorn uit te voeren. Onderzoek naar boombewonende vleermuizen is enkel benodigd indien de bomen met holtes en scheuren gekapt worden of indien verstorende werkzaamheden in de directe omgeving van de bomen plaatsvinden. Ten behoeve van de realisatie van het nieuwe medisch centrum hoeven geen van de bomen gekapt te worden. Voor de ontsluiting van het plangebied vanaf In de Wieën wordt een in-/uitrit aangelegd ter plaatse van de 'open plek' in de bomenrij, ongeveer ter hoogte van de werpheuvel van het huidige honkbalveld. Deze 'open plek' is voldoende breed (ongeveer 25 meter) dat een dat minimaal een afstand van 5 meter tot de bomen aan weerszijde van de 'open plek' kan worden aangehouden. De bomen waar de jaarrond beschermende nesten zijn geconstateerd staan op enige afstand van het plangebied al dan niet met tussenliggende bebouwing. Gezien de afstand en de tussenliggende bebouwing zullen de werkzaamheden bij de daadwerkelijke realisatie van het nieuwe medisch centrum geen negatieve effecten hebben op deze beschermde nesten.
Door de situering van het bouwvlak op relatief korte afstand van het bestaande gebouw aan de oostzijde van het plangebied en de aanleg van in-/uitrit ter plaatse van de open plek in de bomenrij aan de zijde van In de Wieën is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd (Aelmans, rapportnummer N23002, d.d. 18 november 2024, Bijlage 10). Uit dit nader ecologisch onderzoek is ten aanzien van vleermuizen gebleken dat in de te rooien bomen en het nabijgelegen pand geen verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. Wel is er tijdens het najaar binding met het pand waargenomen, echter was dit aan de westzijde wat niet onder invloed is van de geplande werkzaamheden. Derhalve leidt de bouw van het nieuwe pand niet tot een overtreding van de Omgevingswet. Een vergunningsaanvraag voor een flora en fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet is niet noodzakelijk. De houtwal wordt gebruikt als vliegroute door vleermuizen, Ter plaatse van de aan te leggen ontsluitingsweg is reeds een gat in deze houtwal, echter is deze deels gevuld met hoog gegroeide struiken. Deze struiken zullen gerooid worden met mogelijk de direct hiernaast gelegen bomen. Gezien de bomen aan de overzijde van de openbare weg met hun blad kroon aansluiten met de te behouden bomen van de laan kan hier door vleermuizen het gat overbrugt worden.
Zodoende kunnen vleermuizen de route blijven gebruiken ondanks de voorgenomen kap, echter dient deze vliegroute niet verstoort te worden met verlichting. Geadviseerd wordt om vleermuisvriendelijke verlichting aan te leggen zodat de houtwal als vliegroute kan blijven fungeren. Zie voor de inrichting van vleermuisvriendelijke verlichting bijlage 3. Aangezien het plangebied naast of onder een migratie route ligt wordt er geadviseerd om tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden vleermuisvriendelijke verlichting toe te passen. Ook wordt geadviseerd om de bouwlampen in de avond- en schemeruren uit te schakelen of naar beneden en naar de locatie toe te richten. Verder kan gesteld worden de te rooien bomen en struiken gebruikt kunnen worden door algemene broedvogels als broedlocatie. Deze soorten zijn bij een ruimtelijke ontwikkeling vrijgesteld waardoor een vergunningsaanvraag voor een flora en fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet niet noodzakelijk is. Wel dient er voor vogels rekening gehouden te worden met het broedseizoen. Dit houdt in dat de rooiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd moeten worden. Indien dit niet mogelijk is zal er voor aanvang van de rioolwerkzaamheden een broedcontrole uitgevoerd moeten worden. Houtopstanden Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom en daarmee naar verwachting ook binnen de toekomstige 'bouwingscontour houtkap'.
Dit betekent dat de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing zijn. De bomen binnen het plangebied vallen dan ook niet onder de definitie houtopstanden. Daarom geldt er geen meldingspicht en herplantplicht.
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
39
4.6.3 Conclusie De realisatie van het nieuwe medisch centrum vormt geen belemmering voor het aspect flora en fauna. Wel wordt in het nader ecologisch onderzoek geadviseerd om vleermuisvriendelijke verlichting toe te passen. en de bomen/struiken buiten het broedseizoen te rooien (voor zover aan de orde).
4.7
Archeologie en cultuurhistorie
4.7.1 Wettelijk kader Bij de ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Daaronder valt ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Er moet inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) en de Erfgoedwet (2016). Daarnaast heeft het plangebied op basis van het (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4. In deze dubbelbestemming is bepaald dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en dieper dan 50 cm. In dat kader is dan ook een archeologisch bureau (Econsultancy, rapportnummer 10686.003 versie 2, d.d. 10 oktober 2024, Bijlage 11) en verkennend archeologisch booronderzoek (Econsultancy, rapportnummer 10686.009 verzie 2, 10 oktober 2024, Bijlage 12) uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn hierna weergegeven. 4.7.2 Toetsing Archeologisch bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is.
Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden en de kans daarop is hoog. Gezien de mogelijke ligging 200 meter ten noorden van een beekdal is de verwachting hoog voor de perioden Paleolithicum en Mesolithicum. De waarschijnlijke ligging van het plangebied op dekzand-welvingen en de mogelijke aanwezigheid van een grafveld uit de Bronstijd-Ijzertijd direct ten zuiden van het plangebied geeft het plangebied een hoge verwachting voor de perioden Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen. Het plangebied ligt aan doorgaande wegen en op de oudste kaarten staat aan de noord-oostzijde van het plangebied bebouwing. Daarnaast is het ook landschappelijk geschikt geweest voor bewoning in de perioden Late-Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd waardoor het een hoge verwachting krijgt voor deze perioden.
Advies Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek voor een groot deel van het plangebied kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek. Gezien de aanwezigheid van een historisch erf aan de noordoostzijde van het plangebied kan hier het beste een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd.
40
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
Advieskaart archeologie (groen advies verkennend booronderzoek, geel advies proefsleuven) Het plangebied beperkt zich tot het groene gedeelte waardoor in aanvulling op het bureau onderzoek een verkennend booronderzoek is uitgevoerd. Verkennend archeologisch booronderzoek Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat in een groot deel van het plangebied A-B/C profielen zijn aangetroffen. De overgang tussen beide lagen was abrupt. Plaatselijk zijn onder in de A-horizont resten aangetroffen die wijzen op een oude akkerlaag. Er zijn geen aanwijzingen dat de BC-/C-horizont diepgaand is verstoord, het eventuele aanwezige archeologisch sporenniveau is mogelijk nog grotendeels intact. Het ontbreken van een E- en een B-horizont geeft wel aan dat het vondstenniveau verstoord zal zijn. Vooral vindplaatsen van jagers en verzamelaars die bestaan uit vondstspreidingen zullen verstoord zijn. Er zijn bij het booronderzoek ook geen aanwijzingen gevonden voor een beekdal in het plangebied. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de bodem dermate intact is dat de alleen de verwachting voor archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum bijgesteld moet worden naar laag. Voor alle andere perioden blijft deze verwachting hoog.
Op basis van deze resultaten wordt geadviseerd om voor het gehele plangebied een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Als voorbereiding hierop is een Programm van Eigen opgesteld. Het proefsleuvenonderzoek zelf zal vooraf aan de realisatie van het medisch centrum worden uitgevoerd. Dit zal als voorwaarde gesteld worden in de te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen. Programma van Eisen proefsleuvenonderzoek
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
41
Het Programma van Eisen is ter informatie als Bijlage 13 bij deze motivering bijgevoegd (Econsultancy, rapportnummer 10686.010, d.d. 12 november 2024). Hierin wordten een 18-tal proefsleuven voorgesteld volgend onderstaande afbeelding voor een gebiedsdekken beeld van het plangebied.
Schematische weergave beoogde proefsleuven binnen het plangebied Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Het plangebied is onbebouwd en uitsluitend in gebruik als sportcomplex. Er is binnen het plangebied geen sprake van aanwezige cultuurhistorische waarden. 4.7.3 Conclusie Op grond van de resultaten van het verkennend booronderzoek wordt voor het gehele plangebied een proefsleuvenonderzoek geadviseerd, inclusief het gele gedeelte omdat hier ook bodemingrepen zullen plaatsvinden. Dit proefsleuven onderzoek zal uitgevoerd worden voor aanvang van de sart van de bouw. Dit zal als voorwaarde in de te verlenen omgevingsvergunning voor de 'technisch bouwactiviteit' worden opgenomen. Om te waarborgen dat het aspect archeologie voldoende beschermd blijft de beschermende regeling ten aanzien van archeologie in de regels behouden. Verder gaan er met de realisatie van het nieuwe medisch centrum geen cultuurhistorische waarden verloren.
42
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
4.8
Geur
4.8.1 Wettelijk kader Ten aanzien van geur zijn de volgende wettelijke kaders relevant: Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Venray 2011. Geurhinder en woon- en leefklimaat. Toetsing omgekeerde werking. Voor de omschrijving van deze kaders wordt verwezen naar paragraaf 3.1.2 toetsingskader in het Onderzoek geur en gezondheid (Aelmans, rapportnummer TON240021.001.002.R1, 14 oktober 2024, Bijlage 14). 4.8.2 Toetsing De veehouderijbedrijven in de omgeving van het plangebied liggen op meer dan 100 meter afstand van het plangebied. Dit betekent dat veehouderijen met dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld (ofwel waarvoor vaste afstanden gelden, onder andere melkrundvee en paarden) niet belemmerd worden in hun bedrijfsvoering en dat het plangebied niet binnen de geurcontour van betreffende veehouderijen ligt. Navolgend wordt nader in gegaan op de geurbelasting ten gevolge van de veehouderijen in de omgeving met dieren waarvoor emissiefactoren zijn vastgesteld, met name pluimvee en varkens. Geurhinder kan worden veroorzaakt door de voorgrondbelasting van één individuele veehouderij, maar ook door de achtergrondbelasting van geur van meerdere veehouderijen samen (cumulatie van geur).
Achtergrondbelasting en leefklimaat De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting van alle veehouderijen in de omgeving van het geurgevoelig object. Voor het plangebied is de achtergrondbelasting berekend. Dit is gedaan op basis van de vigerende vergunningen, welke zijn geregistreerd in de Kernregistratie dierverblijven (KRD, oktober 2024). De achtergrondbelasting is berekend met V-Stacks Gebied (v2020). In het bronnenbestand zijn de vergunde veehouderijen binnen een straal van 3 kilometer rondom het plangebied meegenomen (48 veehouderijen met vergunde geuremissies). Het te berekenen gebied is conform de handleiding V-stacks gebied afgebakend op 2 km rondom het plangebied (37 van de 48 veehouderijen liggen verder dan 2 km van het plangebied). Deze veehouderijen zijn als bron meegenomen op basis van default emissiepunt-parameters zoals geregistreerd in het KRD (één emissiepunt op het midden van het bedrijf met standaard waarden). Hierdoor is de berekende achtergrondbelasting indicatief en alleen bedoeld voor het beoordelen van het woon- en leefklimaat).
Omdat varkenshouderij Enge Steeg 1 de meest relevante veehouderij is voor wat betreft geur, is deze veehouderij voor extra nauwkeurigheid wel per emissiepunt ingevoerd op basis van de specifieke vergunde emissiepunt-parameters (zie bron 2001 t/m 2005 in het bronnenbestand, welke is bijgevoegd in bijlage 2 van het geur en gezondheidsonderzoek). De berekende indicatieve achtergrondbelasting geeft hierdoor een goed beeld van het woon- en leefklimaat. De berekende indicatieve achtergrondbelasting en de door vertaling naar woon- en leefklimaat is weergegeven in onderstaande afbeeldingen.
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
43
Indicatieve achtergrondbelasting geur (vergunde situatie oktober 2024)
44
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
Indicatieve achtergrondbelasting vertaald naar leefklimaat (vergunde situatie oktober 2024) Binnen het plangebied varieert de achtergrondbelasting van 8,6 OU in het zuidwesten tot 3,4 OU in het noordoosten van het plangebied. Dit komt overeen met een goed leefklimaat in het grootste deel van het plangebied tot redelijk goed in het zuidwestelijke puntje van het plangebied. Het medisch centrum is voorzien in het oostelijke deel van het plangebied waar de achtergrondbelasting ongeveer 4 - 5 OU bedraagt en waar sprake is van een goed leefklimaat. Ter plaatse van het bouwvlak voldoet de achtergrondbelasting van geur op basis van het gemeentelijk geurbeleid aan een aanvaardbaar leefklimaat voor bestaande woongebieden. Dit leefklimaat is ook aanvaardbaar voor een gezondheidszorgfunctie met bedgebieden. Voorgrondbelasting Enge Steeg 1 Leunen (leefklimaat en omgekeerde werking) Met de voorgrondbelasting wordt de individuele geurbelasting van één veehouderij bedoeld. De voorgrondbelasting is van belang voor het bepalen van de verwachte hinder, omdat uit onderzoek is gebleken dat bij gelijke belastingen de geurhinder als gevolg van de voorgrondbelasting hoger is dan als gevolg van de achtergrondbelasting. Varkenshouderij Enge Steeg 1 in Leunen is ten aanzien van de voorgrondbelasting de enige relevante veehouderij.
Binnen het plangebied varieert de voorgrondbelasting van 8,5 OU in het zuidwesten tot 3 OU in het noordoosten van het plangebied (berekend met de actuele versie van V-stacks Vergunning v2020). Deze voorgrondbelasting komt overeen met een goed leefklimaat in het noordoostelijke deel van het plangebied, een redelijk goed leefklimaat in het midden en een matig leefklimaat in het zuidwesten van het plangebied. Het medisch centrum is voorzien in het oostelijke deel van het plangebied waar ter plaatse van het bouwvlak de vergunde voorgrondbelasting ongeveer 3,7 - 5 OU bedraagt en waar op basis van voorgrondbelasting sprake is van een redelijk goed leefklimaat. Tot 6,5 OU voorgrondbelasting is volgens het gemeentelijk beleid sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. Hieraan wordt voldaan binnen het beoogde bouwvlak.
Vergunde voorgrondbelasting geur Enge Steeg 1 (vergunde situatie oktober 2024)
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
45
Vergunde voorgrondbelasting vertaald naar leefklimaat (vergunde situatie oktober 2024) Omgekeerde werking Planologisch gezien mag deze veehouderij het hele bouwblok benutten. In deze situatie heeft de veehouderij binnen het milieuspoor/vergunning echter geen mogelijkheden om emissiepunten te verschuiven in noordelijke of oostelijke richting zonder dat (nog niet-overbelaste) bestaande geurgevoelige objecten overbelast raken. Een aanvraag die op bestaande geurgevoelige objecten resulteert in een overschrijding van de geurnorm is niet vergunbaar. Dus mag voor de beoordeling van het geurbelasting in relatie tot leefklimaat en de omgekeerde werking uitgegaan worden van de bestaande, vergunde situering van de emissiepunten. Hierna een korte motivering bij de onmogelijkheid om emissiepunten te verschuiven richting het noorden en oosten van het bouwvlak: De vergunde 14 Ou contour overlapt in de bestaande, vergunde situatie de burgerwoning In de Wieën 8 én raakt bijna het geurgevoelig object Sportlaan 10 in Venray met bestemming detailhandel met woning (zie de uitsneden in figuur 9). De berekende voorgrondbelasting op Sportlaan 10 bedraagt 12,9 OU.
Verschuiven van emissiepunten binnen het bouwvlak in de richting van het noordelijk deel van het bouwblok resulteert al snel in een overschrijding van de geurnorm op Sportlaan 10 en een aanvraag met nieuwe overbelaste geurgevoelige objecten is niet vergunbaar. Het zal lastig zijn om met een kortere afstand tot de overbelaste woning In de Wieën 8 de geurbelasting (vergunde voorgrondbelasting van 19,7 Ou) voldoende te laten afnemen. Voor de vergunde 3 Ou contour geldt dat een aanzienlijk deel van woonkern Leunen al overbelast is. Het verschuiven van emissiepunten in de richting van het noordelijk deel van het bouwvlak resulteert bij ongeveer 25-30 meter al in een overbelasting van woningen aan de Zandakker en Sint Anthoniusstraat in de woonkern Venray (vergunde voorgrondbelasting op Zandakker 25 en Sint Anthonusstraat 121 bedraagt 2,6 Ou), hetgeen niet vergunbaar is. De vergunde 8 Ou contour raakt bijna de burgerwoning Zuivelweg 6 in Leunen (vergunde voorgrondbelasting bedraagt 7,9 Ou) en mag niet over deze woning komen te liggen, aangezien dan een
46
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
overbelaste situatie ontstaat. De emissiepunten verschuiven richting het (noord)oostelijk deel van het bouwblok resulteert niet tot een vergunbare situatie en is daarom niet mogelijk. Als deze veehouderij wil wijzigen en/of uitbreiden zal de voorgrondbelasting op de reeds overbelaste woningen in het buitengebied en de woonkern Leunen moeten afnemen door toepassing van geurreducerende maatregelen en eventueel combineren met het verschuiven van emissiepunten richting het zuidelijk deel van het bouwvlak (=afwaartse beweging van het plangebied). Door de reeds aanwezige beperkingen voor deze veehouderij vanuit de geurregelgeving zullen de vergunde geurcontouren (voorgrondbelasting) nooit het bouwblok in het plangebied gaan overlappen. Andersom zal het nieuwe medische centrum geen beperkende factor zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van dit varkensbedrijf.
Uitsnede vergunde 14 OU contour (voorgrondbelasting) van Enge Steeg 1 Leunen t.o.v. vigerende geurgevoelige objecten Sportlaan 10 (detailhandel met woning) en In de Wieën 8 (wonen) Het nieuwe gebouw wordt niet gesitueerd binnen de vergunde geurcontour van deze varkenshouderij en resulteert gezien voorgaande uiteenzetting niet in (extra) beperkingen voor deze veehouderij. Als de gemeente bij de volgende actualisatie van het geurbeleid de geurnorm voor het plangebied wil aanscherpen dan zal in dat traject de omgekeerde werking op basis van de specifieke, vergunde emissiepunt-parameters berekend moeten worden. Uit de indicatieve contourenkaart in figuur 8 kan afgeleid worden dat voor het nieuwe medische centrum (uitgaande van het bouwvlak) een geurnorm van ongeveer 5 Ou mogelijk is zonder dat er sprake is van een omgekeerde werking voor deze veehouderij.
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
47
4.8.3 Conclusie Binnen het plangebied is overeenkomstig het geurbeleid van de gemeente Venray in het midden en oosten van het plangebied op basis van zowel achtergrond- als voorgrondbelasting sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Het bouwvlak is gesitueerd in het oosten van het plangebied. De bepalende veehouderij voor het leefklimaat ten gevolge van geur is de varkenshouderij Enge Steeg 1. Deze varkenshouderij moet uiterlijk 1 januari 2030 nog geurreducerende maatregelen treffen, waardoor het leefklimaat in het plangebied nog verder zal verbeteren. Het voorgenomen plan resulteert vanuit de omgekeerde werking niet in (extra) beperkingen in de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderij Enge Steeg 1 of andere veehouderijen in de omgeving. Om het woon- en leefklimaat in voldoende mate te waarborgen zodat ter plaatse langdurig mensen kunnen verblijven is op voorhand besloten om het gebouw als geurgevoelig gebouw aan te wijzen en dat het als zodanig ook dient te worden uitgevoerd. Dit is in de bouwregels nader bepaald.
4.9
Gezondheid
4.9.1 Wettelijk kader Bij ruimtelijke besluiten moet worden afgewogen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies. Eén van de leidende principes is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geborgd moet zijn. Gezondheid is hier een belangrijk onderdeel van. Geur (zie paragraaf 4.8), fijn stof, endotoxinen afkomstig van veehouderijen en aanwezigheid van geitenhouderijen binnen een afstand van 2 km kunnen mogelijk leiden tot een verhoogd gezondheidsrisico en moeten daarom betrokken worden in de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het plan. De kaders voor fijn stof, endotoxinen en geitenhouderij zijn omschreven in respectievelijk paragraaf 3.2.1, 3.3.1 en 3.4.1 (toetsingskader) in het Onderzoek geur en gezondheid (Aelmans, rapportnummer TON240021.001.002.R1, 14 oktober 2024, Bijlage 14). 4.9.2 Toetsing Fijn stof (luchtkwaliteit) Het RIVM maakt jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties in Nederland (GCN). De achtergrondconcentratie binnen het plangebied ligt in monitoringsjaar 2023 (GCN mei 2024) tussen de 15 en 16 ìg/m3 , zie onderstaande tabel.
Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is beoordeeld of er ter plaatse van het te realiseren nieuwe medisch centrum sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen (Rijksoverheid, CIMLK, monitoringsronde 2023, peiljaar 2025 en 2030, verkregen op 28 mei 2024, via https://www.cimlk.nl/kaart). Hiervoor zijn de dichtstbijzijnde rekenpunten met de hoogste waardes geraadpleegd (Rekenpunt ID: 69543 en 69545 aan de Deurneseweg en 70221 aan de Leunseweg, verkregen op 12-10-2022).
Ter plaatse van het plangebied is geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Hier wordt
48
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
ruimschoots voldaan aan de grenswaarden uit het Besluit luchtkwaliteit. De gezondheidskundige advieswaarden worden benaderd en voor wat betreft PM10 ligt de concentratie onder de gezondheidskundige advieswaarde in 2030. Er is ter plaatse van het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat. De PM10 concentratie is lager dan de grenswaarde voor PM2,5. Omdat PM2,5 een onderdeel (fractie) is van PM10, wordt er ter plaatse van het plangebied ook voldaan aan de wettelijk PM2,5 grenswaarde. Uit RIVM-onderzoek blijkt dat bij een PM10-concentratie lager dan 32,5 ìg/m3 de kans op een overschrijding van de PM2,5 grenswaarden kleiner dan 1% is (bron: Handreiking fijn stof en veehouderijen, Infomil).
Achtergrondconcentratie fijn stof (PM10) in monitoringsjaar 2023 (GCN, oktober 2024) De indicatieve cumulatieve belasting fijn stof PM10 vanuit emissie van veehouderij bedrijven is weergegeven in onderstaande afbeelding. De fijnstofbelasting is gebaseerd veehouderij gegevens van het KRD in 2024. Er is gerekend met één emissiepunt gelegen op het midden van de veehouderij. Met name pluimveehouderijen hebben een relatief hoge fijnstofemissie. De cumulatieve bijdrage van fijn stof PM10 van veehouderijbedrijven ligt binnen het plangebied tussen de 0-1 ìg/m3 .
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
49
Indicatieve cumulatieve belasting fijn stof (PM10) vanuit veehouderijbedrijven (KRD, oktober 2024) Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van fijn stof (PM10 en PM2,5). Fijn stof vormt geen belemmering voor het plan en omgekeerd ook niet voor veehouderijen in de omgeving. Endotoxinen In onderstaande figuur zijn de vergunde individuele endotoxinen-risicocontouren en (indicatieve) cumulatieve risicocontouren op basis van vergunde fijnstof emissies met één fictief emissiepunt weergegeven. Weergave van deze risicocontouren geeft inzicht of op een locatie gezondheidsrisico's ten gevolge van endotoxinen uit veehouderijen kunnen worden uitgesloten en waar dit niet gegarandeerd kan worden. Risicocontouren zijn berekend volgens het 'Endotoxine toetsingskader 1.0'. Er is gerekend met vergunde fijnstof emissie vergunningen zoals opgenomen in het KRD (oktober 2024). Hierbij is de volledige fijnstofemissie van een bedrijf op een emissiepunt in het midden van de kavel geplaatst. Het plangebied ligt niet binnen een indicatieve endotoxine-risicocontour van een veehouderij. Hierdoor kunnen gezondheidsrisico's ten gevolge van endotoxinen worden uitgesloten. Er is ook geen sprake van beperkingen voor veehouderijen door de omgekeerde werking van het plan.
50
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
Indicatieve endotoxine risicocontouren op basis van vergunde fijn stof emissies (KRD oktober 2024) Veehouderij sectoren Binnen een afstand van 250 meter ligt alleen de varkenshouderij Enge Steeg 1 (op 185 meter van het plangebied). Overige veehouderijen liggen op een afstand van ongeveer 900 meter en verder. Pluimvee- en geitenhouderij wordt afzonderlijk getoetst. De afstand tot overige veehouderijen voldoet ruim aan het advies van de GGD. Binnen 1 kilometer van het plangebied liggen geen pluimveehouderijen. Tussen 1,5 en 2 km liggen twee pluimveehouderijen (Steegse Peelweg 45 en Scheiweg 15). De afstand tot pluimveehouderijen voldoet ruim aan het advies van de GGD. Op ongeveer 1 km afstand van het plangebied ligt op Weideweg 7 een gemengde veehouderij met vergunning voor 800 geiten. Uit de VGO-onderzoeken volgt dat in de nabijheid van een geitenhouderij (bij een maximale afstand variërend van 1,5 km tot 2 km) sprake is van een verhoogd risico op longontsteking, dat groter wordt naarmate de afstand tot de geitenhouderij kleiner wordt. Het VGO-onderzoek III geeft risicofactoren voor de afstand in stappen van 500 meter. Buiten de afstand van 500 meter treedt een sterke daling van het risico op, die afvlakt op grotere afstand. Dit betekent dat na 500 meter van een geitenhouderij aanzienlijk minder extra risico bestaat dan daarbinnen.
Het is niet dat er na 2 km geen risico meer bestaat, maar dit is de grootste onderzochte afstand. Windrichting is geen factor in het risico. Provinciale Staten van Limburg hebben besloten tot een moratorium op de geitenhouderij, om uitbreiden van dierenverblijven en omschakelen naar geitenhouderij tegen te gaan. Het moratorium is een voorzorgsmaatregel en is verwerkt in de Omgevingsverordening Limburg 2014. De provincie is voornemens dit moratorium te verlengen tot de deelonderzoeken van VGOIII afgerond zijn (eind 2024). Het doel van het geitenmoratorium is te voorkomen dat rond geitenhouderijen de gezondheidslast toeneemt en (nieuwe)
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
51
knelpunten ontstaan. Bij ruimtelijke besluiten – moet altijd worden afgewogen of er sprake is van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Eén van de leidende principes is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geborgd moet zijn. Gezondheid is hier een belangrijk onderdeel van. Het is uit voorzorg niet gewenst om gevoelige objecten te bouwen binnen 2 km rond geitenhouderijen met meer dan 50 geiten, om gezondheidsrisico's te voorkomen. Het is uiteindelijk aan het gemeentebestuur om bij de besluitvorming over ruimtelijke plannen een belangenafweging te maken. Aangezien de geitenhouderij op 1 km afstand ligt en binnen het plangebied sprake is van een goed leefklimaat ten aanzien van fijnstof kan een beperkt gezondheidsrisico door de geitenhouderij aanvaardbaar worden geacht. Voorgaande informatie dient te worden betrokken in de besluitvorming over het plan. De gemeenteraad moet een belangenafweging maken en voorzien van een deugdelijke motivering. 4.9.3 Conclusie De achtergrondconcentratie fijn stof PM10 ligt tussen de 15 en 16 µg/m3. De bronbijdrage van veehouderijen is klein (ongeveer 0-1 µg/m3). Gezien de relatief lage achtergrondconcentratie en de beperkte bronbijdrage door veehouderijen is er geen sprake van verhoogde gezondheidsrisico's ten gevolge van fijnstof door veehouderijen en is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Het plangebied ligt niet binnen de indicatieve endotoxine-risicocontour van een veehouderij. Hierdoor kunnen gezondheidsrisico's ten gevolge van endotoxinen worden uitgesloten en is sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. Binnen 250 meter van het plangebied ligt slechts 1 veehouderij (Enge Steeg 1 ligt op ongeveer 185 meter) en binnen 1 km liggen geen pluimveehouderijen. Het plangebied voldoet qua afstand tot veehouderijen (geitenhouderijen uitgezonderd) aan de GGD-adviezen. Op 1 km ligt een gemengde veehouderij met een vergunning voor 800 geiten. Het is uit voorzorg niet gewenst om gevoelige objecten te bouwen binnen 2 km rond geitenhouderijen met meer dan 50 geiten, om gezondheidsrisico's te voorkomen. Het risico neemt aanzienlijk af bij een afstand van 500 meter en meer. De geitenhouderij mag daarbij niet uitbreiden vanwege het geitenmoratorium. Gezien de afstand, en omdat binnen het plangebied sprake is van een goed leefklimaat ten aanzien van fijnstof, kan een beperkt gezondheidsrisico ten gevolge van deze geitenhouderij als aanvaardbaar worden geacht. De gemeenteraad moet een belangenafweging maken en voorzien van een deugdelijke motivering. Verder worden veehouderijen in de omgeving niet in hun belangen geschaad (veehouderijen worden door het plan niet extra beperkt in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden).
Uit voorgaande blijkt dat de gezondheidseffecten door veehouderijen ter plaatse van het plangebied voor wat betreft geur, fijnstof, endotoxine en veehouderijsectoren de situatie als aanvaardbaar kan worden beoordeeld.
4.10
Duurzaamheid en klimaat
4.10.1 Wettelijk kader Duurzaamheid Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie'
52
TAM-omgevingsplan Nieuw Medisch Centrum Venray
als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's. In het omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voorzover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels. Klimaat Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden.
In de Omgevingsverordening Limburg is in artikel 3.5, lid 1 voorgeschreven (instructieregel) dat de motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving van bevat van (a) de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering, en (b) de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij die beschrijving dient in ieder geval te worden ingegaan op wateroverlast, overstroming, en droogte. Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn mogelijke meekoppelkansen geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan ten aanzien van het aspect 'klimaatadaptatie' beoordeeld. 4.10.2 Toetsing Duurzaamheid Op 12 december 2023 heeft de gemeente Venray haar energiestrategie 2030 vastgesteld.
Hierin beschrijft de gemeente Venray haar kaders ten aanzien van zon, wind, waterstof en batterij opslag. Daarnaast wordt in de omgevingsvisie aangeven dat voor het opvangen van de gevolgen van de klimaatverandering er twee sporen worden bewandeld: Er wordt ingezet op het afremmen van de klimaatverandering door het gebruik van fossiele energiebronnen in te ruilen voor schone energiebronnen. Hierdoor wordt er minder koolstofdioxide (CO2) uitgestoten, een belangrijk broeikasgas, in de atmosfeer. Dit wordt klimaatmitigatie ofwel energietransitie genoemd. Daarnaast wordt er ook gekeken naar het weerbaarder maken tegen de gevolgen van de opwarming van de aarde, zoals het extremere weer. Dit heet klimaatadaptatie. In dat kader besteed de gemeente Venray de nodige aandacht hieraan op haar website middels de volgende onderwerpen: Energietransitie in Venray: van fossiele energie naar duurzame energiebronnen. Duurzaam bouwloket: hoe u van uw huis een duurzame woning kunt maken. Groene energie: Venray werkt aan groene energie, afkomstig van onze eigen wind en zon. Warmtetransitie: Samen toewerken naar geen gebruik van aardgas om woningen te verwarmen in 2050. Duurzaam bouwen en wonen: duurzaam bouwloket, een duurzaam huis, bespraken en lening en