CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 16 NGO CE vooronderzoek

Gemeenteraad 23 september 2025, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a, Hoendersveld Venray.29.737 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Niet gevonden in dit document.

128-024-VO-01

Pagina 1 van 128

Vooronderzoek Compleet naar het risico op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied ‘Hoendersveld te Venray’.

128-024-VO-01

Pagina 2 van 128

ONDERZOEKSGEBIED:

Hoendersveld te Venray

OPDRACHTGEVER:

Venterra BV

DATUM:

16-04-2024

TER ACCORDERING MANAGEMENT EN EINDVERANTWOORDELIJKE DIRECTIE:

Ing. F. Pas – Algemeen Directeur Explosive Clearance Group B.V.

………………………………………………………...

DOCUMENTCODE:

128-024-VO-01

VERSIE:

Concept

DISTRIBUTIELIJST:

Explosive Clearance Group B.V. Venterra BV

Copyright Explosive Clearance Group B.V. 2024©. Niets uit deze rapportage mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, internet of welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houders van het auteursrecht. De opdrachtgever mag voor intern gebruik duplicaten maken.

128-024-VO-01

Pagina 3 van 128

Samenvatting Om inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) in het onderzoeksgebied ‘Hoendersveld te Venray’ heeft Venterra BV aan Explosive Clearance Group (ECG) de opdracht verstrekt om een historisch vooronderzoek uit te voeren. In een historisch vooronderzoek wordt vastgesteld of er in (delen van) het onderzoeksgebied sprake is van een aantoonbaar verhoogde kans op het aantreffen van OO. Met deze kennis kan worden bepaald of nader (opsporings)onderzoek raadzaam is opdat bodemroerende werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd. In deze rapportage is een Onderzoek Conflictperiode (indicaties: oorlogshandelingen WOII) en een Onderzoek na-Conflictperiode (contra-indicaties: naoorlogse grondroerende activiteit) opgenomen. Op basis van het uitgevoerde literatuur- en archiefonderzoek en luchtfotoanalyse acht ECG de indicaties ‘GIS ID 001: Artilleriebeschietingen’ en ‘GIS ID 002: Raketaanval door jachtbommenwerpers’ afdoende geverifieerd om verdacht gebied af te bakenen. Het gehele onderzoeksgebied is als verdacht op geschutmunitie (verschoten, Duits en Geallieerd) in de niet-naoorlogs geroerde bodem aangemerkt. Een deel van het onderzoeksgebied is als verdacht op raketten (verschoten, Geallieerd) in de niet-naoorlogs geroerde bodem aangemerkt.

Indien in als ‘verdacht’ aangemerkt gebied (zichtbaar op de Bodembelastingkaart OO in Bijlage 1) werkzaamheden gepland zijn, adviseert ECG u om het opsporingsproces voort te zetten. In de bodemlagen die niet als verdacht zijn aangemerkt, kunnen de geplande werkzaamheden op reguliere wijze worden uitgevoerd. Daarbij wordt u aangeraden om uitvoerende partijen op de hoogte te stellen van het Protocol Toevalsvondst dat in Bijlage 4 van deze rapportage is opgenomen. Mochten er onverhoopt munitie(gelijkende) objecten worden aangetroffen in de als ‘onverdacht’ geclassificeerde bodemlagen, dan wordt u geadviseerd om de werkzaamheden direct te staken en de lokale politie van deze vondst op de hoogte te stellen. Tevens wordt u geadviseerd om in een dergelijke situatie contact op te nemen met een CS-OOO gecertificeerd opsporingsbureau en gezamenlijk vast te stellen of opschaling noodzakelijk is. ECG is in bezit van het CS-OOO certificaat en kan meedenken in een vervolgtraject en eventueel diensten verzorgen bij opsporingswerkzaamheden.

128-024-VO-01

Pagina 4 van 128

Inhoudsopgave 1

INLEIDING ..................................................................................................................... 7

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8

AANLEIDING ..................................................................................................................................... 7 VERANTWOORDING ........................................................................................................................... 7 ALGEMEEN ....................................................................................................................................... 7 NORMEN BETREFFENDE DE BEOORDELING EN AANVAARDBAARHEID VAN DE RISICO ’S VAN OO ........................ 9 DOEL VAN HET VOORONDERZOEK ....................................................................................................... 10 KWALIFICATIE ONDERZOEKSTEAM ....................................................................................................... 11 ONDERZOEKSGEBIED ........................................................................................................................ 12 INVENTARISATIE REEDS UITGEVOERDE RAPPORTAGES ............................................................................. 14

2

ONDERZOEKSMETHODE ...................................................................................................15

2.1 ONDERZOEK CONFLICTPERIODE .......................................................................................................... 15 2.2 ONDERZOEK NA-CONFLICTPERIODE .................................................................................................... 17 2.3 AFBAKENING VERDACHT GEBIED ......................................................................................................... 18 2.4 GERAADPLEEGDE BRONNEN ............................................................................................................... 18 2.5 TOELICHTING BRONNEN .................................................................................................................... 19 2.6 WIJZE VAN RAADPLEGEN ARCHIEFINSTELLINGEN .................................................................................... 23 2.7 GEOGRAFISCHE HERLEIDBAARHEID VAN GEGEVENS UIT INTERNATIONALE ARCHIEVEN................................... 24 2.8 LUCHTFOTO-INTERPRETATIE .............................................................................................................. 25 2.8.1 CLASSIFICATIE, DOEL EN METHODE ...................................................................................................... 25 2.8.2 GRENZEN EN MOGELIJKHEDEN ...........................................................................................................

26 2.9 NAUWKEURIGHEID EN HERLEIDBAARHEID ............................................................................................ 26

3

RESULTATEN ONDERZOEK CONFLICTPERIODE .........................................................................28

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

LOCATIESPECIFIEKE KENMERKEN ......................................................................................................... 28 OVERZICHTSTABEL CONFLICTPERIODE .................................................................................................. 31 FIGUREN BEHORENDE BIJ OVERZICHTSTABEL ......................................................................................... 54 MIJNENVELDREGISTER ...................................................................................................................... 64 NAOORLOGSE RUIMINGEN VAN OO .................................................................................................... 67

4

RESULTATEN ONDERZOEK NA-CONFLICTPERIODE ....................................................................71

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

ARCHIEFMATERIAAL ......................................................................................................................... 71 BEELDVERGELIJKING NAOORLOGSE LUCHTFOTO’S EN SATELLIETBEELDEN.................................................... 73 OPSPORINGSWERKZAAMHEDEN MGR. GOUMANSPLEIN – VONDST ENGELSE GRANAAT ............................... 79 BAG-REGISTER ............................................................................................................................... 80 KLIC-MELDING ................................................................................................................................ 82 OVERZICHTSTABEL NA-CONFLICTPERIODE ............................................................................................ 84

5

AFBAKENING VERDACHT GEBIED .........................................................................................86

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5

BEOORDELING BRONNENMATERIAAL INDICATIES ................................................................................... 86 BEOORDELING BRONNENMATERIAAL CONTRA-INDICATIES ....................................................................... 89 HORIZONTALE AFBAKENING VERDACHT GEBIED ..................................................................................... 91 MOGELIJK AAN TE TREFFEN ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN .................................................................. 94 VERTICALE AFBAKENING .................................................................................................................... 96

128-024-VO-01

Pagina 5 van 128

6 7 8 9

LEEMTEN IN KENNIS ........................................................................................................99 CONCLUSIE EN ADVIES ................................................................................................... 100 OVERZICHT VAN GEHANTEERDE BRONNEN ........................................................................... 102 BIJLAGEN ................................................................................................................... 119

BIJLAGE 1: BODEMBELASTINGKAART OO ..................................................................................................... 119 BIJLAGE 2: GEBEURTENISSENKAART INDICATIES ............................................................................................. 121 BIJLAGE 3: GEBEURTENISSENKAART CONTRA-INDICATIES ................................................................................ 123 BIJLAGE 4: PROTOCOL TOEVALSVONDST ...................................................................................................... 125 BIJLAGE 5: CERTIFICAAT VOORONDERZOEK EN RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN........................... 127

128-024-VO-01

Pagina 6 van 128

1 INLEIDING Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog. Van al het explosieve materiaal dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) is ingezet, verschoten of afgeworpen, is een gedeelte om verschillende redenen niet tot uitwerking gekomen of gebracht.1

1.1

AANLEIDING

Om inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO)2 in het onderzoeksgebied ‘Hoendersveld te Venray’ heeft Venterra BV aan Explosive Clearance Group (ECG) de opdracht verstrekt om een Vooronderzoek Compleet uit te voeren. Aanleiding voor dit onderzoek is een project bestaande uit ca. 62 woningen in het bouwplan Hoendersveld. In een vooronderzoek wordt vastgesteld of er in (delen van) het onderzoeksgebied sprake is van een aantoonbaar verhoogde kans op het aantreffen van OO. Met deze kennis kan worden bepaald of nader (opsporings)onderzoek raadzaam is opdat bodemroerende werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd. In deze rapportage is een Vooronderzoek Compleet opgenomen, bestaande uit een Onderzoek Conflictperiode (indicaties: oorlogshandelingen WOII) en Onderzoek naConflictperiode (contra-indicaties: naoorlogse grondroerende activiteit).3

1.2

VERANTWOORDING

Deze bureaustudie is uitgevoerd conform de door ECG opgestelde offerte van 13 februari 2024 met kenmerk ‘128-024-VO-01’ betiteld als ‘Hoendersveld Venray’ en de in de offerte opgenomen kaart van het onderzoeksgebied (op bladzijde 12 van de offerte). Het volgende dient expliciet te worden vermeld: een vooronderzoek (d.w.z. een bureaustudie) naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten blijft indicatief van aard; het is geen exacte wetenschap.

1.3

ALGEMEEN

Onderzoek naar en opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten is gericht op het verkleinen van de kans dat OO onverhoeds worden aangetroffen bij het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem en op het voorkomen van ondeskundige en onzorgvuldige omgang met aangetroffen OO. De belangrijkste gevolgen van het ongewenst tot uitwerking komen van OO zijn luchtdruk, schokgolf en

1 Uit Amerikaans onderzoek in Europa na de Tweede Wereldoorlog (1947) waarbij de uitwerking van 26.444 ingezette

bommen (verspreid over 38 doelen) is bestudeerd, is gebleken dat hiervan 13% procent om verschillende redenen niet tot ontploffing zijn gekomen (blindgangers). 2 De term Ontplofbare Oorlogsresten (OO) vervangt de term Conventionele Explosieven (CE). Zie: Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2019, nr. 471, Besluit 28 november 2019. 3 ECG raadt de opdrachtgever aan om de bevindingen van deze bureaustudie te delen met de betreffende gemeente waarin het onderzoeksgebied zich bevindt.

128-024-VO-01

Pagina 7 van 128

scherfwerking, welke een gevaar vormen voor de veiligheid en gezondheid van (bij het opsporen van OO betrokken)4 werknemers, omstanders en andere personen. Deze gevaren ontstaan indien voorafgaand aan (bouw)projecten geen of onvoldoende onderzoek wordt gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van OO, of wanneer het opsporen van OO op een onzorgvuldige en/of ondeskundige wijze plaatsvindt. In het laatstgenoemde geval doet het risico van het onverhoeds aantreffen van OO zich ook voor zodra na een opsporingsproject met de reguliere (bouw)werkzaamheden wordt gestart.5 Om spontane vondsten te voorkomen, dient de opdrachtgever (de initiatiefnemer van de werkzaamheden – degene voor wiens rekening een bouwwerk/civieltechnisch tot stand wordt gebracht) zich ervan te gewissen dat de betrokken werkgevers en zelfstandigen in staat zijn de verplichtingen voor de arbeidsomstandigheden die gelden in de uitvoeringsfase na te komen. Dit is een inspanningsverplichting samenhangende met verantwoord opdrachtgeverschap en betekent dat de opdrachtgever zekerheid verkrijgt dat de aannemer die het werk uitvoert dat op een veilige en gezonde manier kan doen onder naleving van wettelijke regels en door toepassing van maatregelen uit de voor dat werk geldende arbocatalogus, brancherichtlijnen, stand der techniek en wetenschap.

Kortom: de opdrachtgever dient reeds in het ontwerp er zoveel mogelijk voor te zorgen dat er zekerheid bestaat dat het werk veilig kan worden uitgevoerd. Verantwoord opdrachtgeverschap houdt hierbij in dat de aandacht voor de gezondheid en de veiligheid van degenen die het werk uitvoeren in alle fases van een project (van ontwerp tot oplevering) is geborgd en dat de opdrachtgever zich altijd bewust is van zijn verantwoordelijkheid en daarnaar handelt. Door vanaf het begin van een project de gevolgen voor gezond en veilig werken te beoordelen en maatregelen te nemen, kunnen risico’s in de uitvoeringsfase worden voorkomen. Is bij de voorbereiding van een bouwwerk goed nagedacht over de veiligheidsaspecten en de planning, dan leidt dat tot minder arbeidsrisico’s bij de realisering van het bouwwerk. Ten gevolge van het voorgaande dient de opdrachtgever er vooraf zorg voor te dragen dat er bij grond- en/of waterbodemroerende activiteiten informatie beschikbaar is over de samenstelling van de (water)bodem en hiervoor de juiste onderzoeken te (laten) verrichten. Vervolgens kan de opdrachtnemer/uitvoerder beoordelen of er in de uitvoeringsfase bepaalde risico’s kunnen ontstaan en waarmee er in een Risico-Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) en een eventueel Veiligheids- en Gezondheidsplan (V&G plan) rekening mee gehouden dient te worden.

Het vaststellen of er sprake is van specifieke gevaren in verband met de potentiële aanwezigheid van OO kan plaatsvinden middels een vooronderzoek6 waarin beoordeeld wordt of een onderzoekgebied 4 Het opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten mag op Arbo-grondlagen alleen plaatsvinden door bedrijven die hiervoor

gecertificeerd zijn. Per 1 januari 2021 is het Werkveld Specifieke Certificatieschema Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) vervangen door het Certificatieschema voor het Opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO). Het vooronderzoek valt buiten het bereik van het CS-OOO. 5 Voor nadere info betreffende regelgeving etc. zie: www.explosievenopsporing.nl. 6 Richtlijnen voor een vooronderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten zijn in tegenstelling tot het voormalige Werkveldspecifieke Certificatieschema Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) niet in het Certificatieschema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO) opgenomen omdat het ministerie van SZW besloten heeft deze uit de wettelijke certificatie rondom het opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten te halen. Reden hiervoor is dat deze werkzaamheden strikt genomen geen veiligheidsrisico dragen zoals bedoeld in arbo-technische zin. Om een handvat

128-024-VO-01

Pagina 8 van 128

VERDACHT of ONVERDACHT is op de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten.7 Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de onderzoekverplichting in artikel 4.10 van het Arbobesluit om het risico van de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten voorafgaand aan werkzaamheden in een gebied te inventariseren, te analyseren en te evalueren.

1.4

NORMEN BETREFFENDE DE BEOORDELING EN AANVAARDBAARHEID VAN DE RISICO’S VAN OO

Naar de risico’s behorende bij achtergebleven Ontplofbare Oorlogsresten is in Nederland beperkt onderzoek verricht. Het is (vooralsnog) niet mogelijk een percentage toe te wijzen aan de kans op letsel als gevolg van een accidentele/ongecontroleerde in werking tredende OO. Om hier een onderbouwde conclusie op te geven dient kwantitatief wetenschappelijk onderzoek plaats te vinden naar de kans dat er OO gevonden worden en ontploft. Bij het eerste aspect (het beoordelen van de kans dat er OO gevonden worden) speelt evident de kwaliteit en diepgang van het vooronderzoek een rol en bij het tweede aspect (de kans dat OO ongecontroleerd in werking treedt en met welke gevolgen) spelen onder andere de hoofdsoort en subsoort van de OO (inclusief uitwerking), de gebruikte ontstekingsinrichting (bij voorkeur eveneens informatie welke middels een vooronderzoek kan worden achterhaald) de geplande activiteit/het toekomstig gebruik en de locatie een rol. Er is verder geen integraal en formeel vastgelegd normenkader beschikbaar voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van eventuele risico’s samenhangende met het aantreffen van OO.8 In Nederland kennen we geen wet- en regelgeving of landelijk beleid dat richting geeft aan de omgang met risico’s/gevaren van Ontplofbare Oorlogsresten, tenminste waar het gaat om publieke risico’s (dus anders dan het arbeidsomstandighedenrisico).

Er is dus geen sprake van landelijke risiconormen over welke risico’s/gevaren van Ontplofbare Oorlogsresten al dan niet aanvaardbaar zijn. Dit betekent dat het lokaal bevoegd gezag een eigen afweging moet maken op grond van haar verantwoordelijkheid voor de openbare veiligheid over de acceptatie van risico’s/gevaren van Ontplofbare Oorlogsresten. Dit betekent echter niet dat het bevoegd gezag per definitie actie moet ondernemen ten aanzien van de Ontplofbare Oorlogsresten die zich nog in de (water)bodem bevinden.9

voor de kwaliteitsborging van een Vooronderzoek en Risicoanalyse te bieden is op 8 februari 2021 het vrijwillig Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO-01) voor vrijwillige certificatie vrijgegeven. Zie www.vomes.nl. In het CS-VROO-01 zijn eisen opgenomen waaraan een Vooronderzoek of een Risicoanalyse onafhankelijk kunnen worden beoordeeld/getoetst. 7 VERDACHT of ONVERDACHT houdt niet in dat feitelijk vaststaat dat er wel of geen Ontplofbare Oorlogsresten liggen, maar geeft antwoord op de vraag of het (op basis van primair bronnenmateriaal) aannemelijk (theoretische indicatie) is dat in een bepaald gebied nog OO zouden kunnen worden aangetroffen. Door middel van opsporingswerkzaamheden kan de feitelijke aanwezigheid en exacte ligplaats van OO worden vastgesteld. 8 Raad voor de financiële verhoudingen, Herziening bommenregeling gemeentefonds Kenmerk 2015-0000363666 (26 juni 2015) 9: ‘Om een doelmatige afweging te kunnen maken tussen veiligheid en kosten is een beoordelingskader nodig waarmee gemeentebesturen de risico’s van explosieven in bodem en water in kunnen schatten.’ 9 E. Cator, I. Helsloot en J. Vlagsma, Afbakening van verdacht gebied in Amsterdam. Onderzoek naar nieuwe, onderbouwde methodes voor de afbakening van CE-verdachte gebieden (Nijmegen juni 2017) 40.

128-024-VO-01

Pagina 9 van 128

De tendens is dat op dit moment het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten als een risico wordt gezien, i.p.v. het daadwerkelijk exploderen.10

1.5

DOEL VAN HET VOORONDERZOEK

In het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO-01) is omschreven dat een vooronderzoek tot doel heeft om te beoordelen of er in het onderzoeksgebied sprake is van aanwijzingen van de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten, en indien deze aanwijzingen er zijn, om het verdachte gebied af te bakenen. Het Vooronderzoek Compleet omvat twee onderdelen, namelijk een Onderzoek Conflictperiode (indicaties) en een Onderzoek na-Conflictperiode (contra-indicaties). Beide onderdelen tezamen worden aangeduid als Vooronderzoek Compleet. Eindresultaat is een onderzoeksrapport en Bodembelastingkaart OO.11 Het uitgangspunt van deze studie is, om door middel van het verzamelen en verwerken van relevant historisch feitenmateriaal, een gefundeerd antwoord te verkrijgen op de volgende drie kernvragen: 1. Is het onderzoeksgebied of een deel hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen en potentieel verdacht (aanwijzingen/indicaties voor de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten)? 2. Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk verdacht) gebied of een deel hiervan als onverdacht kan worden aangemerkt (aanwijzingen contraindicaties)? 3.

Indien er sprake is van verdacht gebied wat is dan de hoofdsoort, subsoort, kaliber/gewichtsklasse, nationaliteit, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoede Ontplofbare Oorlogsresten (en voor de hoofdsoort afwerpmunitie tevens het type ontstekingsinrichting en het verwachte aantal)? Oorlogshandelingen zijn gebeurtenissen die tot de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten hebben geleid. Met behulp van historisch feitenmateriaal als literatuur, archief- en luchtfotomateriaal wordt getracht te achterhalen door welke oorlogshandelingen en welke naoorlogse activiteiten er al dan niet een (beredeneerbare) verhoogde kans bestaat op het aantreffen van achtergebleven Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied. Hierbij wordt specifiek en voor zover mogelijk op basis van feitelijkheden bepaald of (en zo ja: waar) in het onderzoeksgebied Ontplofbare Oorlogsresten verwacht kunnen worden. In het onderstaande schema is een overzicht weergegeven van gebeurtenissen/oorzaken die kunnen hebben geleid tot het achterblijven van OO (indicaties).

10 M. Dijkstra, Een op risico gebaseerde methode om de efficiëntie en effectiviteit van Conventionele Explosieven

onderzoeken van RWS projecten te verbeteren (Delft 2013) 97. 11 Stichting Veilig Omgaan met Explosieve Stoffen (VOMES), ‘Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten’, kenmerk CS-VROO-01, versie 23-01a, status definitief, goedkeuringsdatum 19 juli 2023, 5.

128-024-VO-01

Pagina 10 van 128

MOGELIJKE OORZAKEN VOOR ACHTERGEBLEVEN ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN

LUCHTAANVALLEN

Bombardement

Beschieting met boordwapens

Beschieting met raketten

Vliegtuigcrash/ Inslag V-wapen

GRONDGEVECHTEN (SECUNDAIRE GEVOLGEN)

Blindgangers (bijv. artillerie beschieting)

In stellingen achtergelaten, gedumpt of bedolven

MUNITIE VERNIETIGING

MILITAIR GEBRUIK

MUNITIE OPSLAG

Springput

Militair oefenterrein

Munitie fabricage en/of opslag

Munitiedump of stort

Stationering militairen

Munitie inrichtingen

Munitiedump in water

Vliegveld

Incident munitieopslag

Mijnenveld

(explosie)

Vernielingsactiviteiten

Figuur 1: Overzicht van mogelijke oorzaken/scenario’s voor de aanwezigheid van OO.

1.6

KWALIFICATIE ONDERZOEKSTEAM

Een vooronderzoek vereist een multidisciplinaire aanpak, met onderscheid in de volgende expertises: historisch onderzoek, deskundigheid Ontplofbare Oorlogsresten, luchtfoto-interpretatie en Geografische Informatiesystemen (GIS). Het onderzoeksteam voor het vooronderzoek zal daarom bestaan uit meerdere medewerkers van ECG met diverse opleidingen en vakgebieden. Het basisteam dat het vooronderzoek daadwerkelijk uitvoert en rapporteert, bestaat uit academisch geschoolde historici. Daarnaast kunnen bij enkele cruciale onderzoeksfases een senior deskundige OOO en een civiel-technicus worden betrokken, om de verkregen historische gegevens te vertalen in een advies waarbij tevens rekening gehouden wordt met munitietechnische en bouwkundige aspecten. Tevens wordt het onderzoeksteam ondersteund door een GIS-specialist en gekwalificeerde luchtfoto-analisten. Het onderzoeksteam bestaat uit de volgende personen: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Dhr. M.D.H. Beelen MA (Historisch onderzoek); Dhr. drs. H.M.P.J. van der Burgt (Historisch onderzoek, GIS-systemen en luchtfoto-interpretatie); Dhr. T. Derks (Senior deskundige OOO – Deskundigheid ontplofbare oorlogsresten); Mevr. S.M.A. Jussen MA (Historisch onderzoek); Mevr. Ö. Keles MA (Historisch onderzoek en luchtfoto-interpretatie);

128-024-VO-01

Pagina 11 van 128

▪ ▪ ▪ ▪

Dhr. dr. S. Koopmans (GIS-specialist); Dhr. J.M. van Limbeek MA (Historisch onderzoek en luchtfoto-interpretatie); Dhr. D.H.W. Lodewijk MA (Historisch onderzoek en luchtfoto-interpretatie); Dhr. Ing. F. Pas (Civiele techniek).

1.7

ONDERZOEKSGEBIED

Het onderzoeksgebied is gelegen temidden van de Eindstraat, Bontekoestraat, Hoenderstraat, Langeweg en St. Jozefweg in Venray. Het gebied maakt – net als ten tijde van de Tweede Wereldoorlog – deel uit van de gelijknamige gemeente Venray. Er wordt voor het onderzoek een bufferzone van 100 meter om het onderzoeksgebied gehanteerd, waarbinnen aantoonbaar relevante indicaties voor het onderzoeksgebied worden geanalyseerd.

128-024-VO-01

Pagina 12 van 128

1.8

INVENTARISATIE REEDS UITGEVOERDE RAPPORTAGES

ECG is bij een aantal potentiële informatiedragers nagegaan of er in het verleden al onderzoek is uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied. Onder een onderzoek wordt door ECG verstaan: een vooronderzoek, een Risicoanalyse en/of (opsporings)onderzoek uitgevoerd volgens de regels van: ▪ ▪ ▪

De Beoordelings Richtlijn Opsporen Conventionele Explosieven (BRL-OCE); Het Werkveldspecifieke Certificatieschema Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE 2012 en WSCS-OCE 2016); Het huidige Certificatieschema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO) of het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO01).

BRON

INFORMATIE

VEO Bommenkaart https://www.explosievenopsporing.nl./veobommenkaart/ op 28 februari 2024 geraadpleegd.

Geen rapportages achterhaald.

Gemeente Venray

Geen rapportages achterhaald.

ProRail

Geen rapportages achterhaald / geen beheersgebied.

Rijkswaterstaat

Geen rapportages achterhaald.

Waterschap

Geen rapportages achterhaald / geen beheersgebied.

Provincie Limburg

Geen rapportages achterhaald.

Tabel 1: Toetsing eerder vooronderzoek, Risicoanalyse en opsporingsonderzoek Ontplofbare Oorlogsresten.

128-024-VO-01

Pagina 14 van 128

2 ONDERZOEKSMETHODE Het Vooronderzoek Compleet bestaat uit twee delen: het Onderzoek Conflictperiode en het Onderzoek na-Conflictperiode. In het eerste deel wordt op basis van (historische) bronnen vastgesteld of er aanwijzingen zijn dat het onderzoeksgebied mogelijk betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. In het tweede deel wordt nagegaan of er reeds naoorlogse bodemingrepen hebben plaatsgevonden in het onderzoeksgebied. De resultaten van beide onderzoeksdelen worden tegen elkaar afgewogen om te beoordelen of een gebied kan worden aangemerkt als ‘verdacht’ op de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten.

2.1

ONDERZOEK CONFLICTPERIODE

Het merendeel van de uit de literatuur, archieven en luchtfoto’s achterhaalde aanwijzingen voor oorlogshandelingen wordt in een chronologische gebeurtenissenlijst in Hoofdstuk 3 weergegeven. Een indicatie wordt bij voorkeur vanuit het perspectief van meerdere primaire bronnen parallel geanalyseerd en geverifieerd op de omschrijving van: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

de aard van de oorlogshandeling; het aantal en de soort Ontplofbare Oorlogsresten dat tijdens de oorlogshandeling is ingezet; de (inslag)locatie van de Ontplofbare Oorlogsresten; eventuele verificatie en lokalisering van de indicatie op luchtfotomateriaal; relevantie; herleidbaarheid tot (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied.

Om dit te bewerkstelligen is de chronologische gebeurtenissenlijst in Hoofdstuk 3 derhalve op de volgende wijze ingedeeld: ▪ De datum waarop de indicatie/aanwijzing en/of oorlogshandeling heeft plaatsgevonden; ▪ Informatie/beschrijving indicatie uit een secundaire bron, bijvoorbeeld literatuur; ▪ Informatie/beschrijving indicatie uit een primaire schriftelijke bron uit een archief in Nederland (in de meeste gevallen het perspectief van de “passieve zijde”, bijvoorbeeld verslag luchtbeschermingsdienst, schademelding of politierapport); ▪ Informatie/beschrijving indicatie uit een primaire schriftelijke bron uit een buitenlands archief (in de meeste gevallen het perspectief van de “actieve zijde” - inclusief de eventuele achterhaalde betrokken eenheid); ▪ Informatie/waarneming indicatie beeld- en luchtfotomateriaal uit zowel nationale als internationale archieven. Deze worden weergegeven in een lichtblauw vak om de beelddata te benadrukken; ▪ Informatie/waarneming indicatiekaart uit zowel nationale en internationale archieven. Deze worden weergegeven in een lichtbruin vak om het kaartmateriaal te benadrukken; ▪ Ingezette OO met verschijningsvorm, hoofdsoort, kaliber/gewichtsklasse, nationaliteit, ontstekingsinrichting, aantal en eventuele nadere informatie (ECG neemt in een aantal gevallen

128-024-VO-01

Pagina 15 van 128

de meest voor de hand liggende informatie op – dat wil zeggen dat de OO zijn weergegeven welke het meest waarschijnlijk tijdens de aanval zijn gebruikt); ▪ Verificatie en herleidbaarheid van de indicatie/oorlogshandeling. De indicatie wordt vanuit het perspectief van meerdere secundaire en bij voorkeur primaire bronnen beoordeeld op de aanwezigheid van voldoende betrouwbare concrete informatie en geografische herleidbaarheid (bijv. middels luchtfoto’s) en in het GIS-systeem voorzien van een ID-code. De tabel in Hoofdstuk 3 is als volgt opgezet. De tabel dient horizontaal te worden gelezen, te beginnen bij de datum van de indicatie, gevolgd door eventuele secundaire en primaire schriftelijke bronnen. Waar mogelijk worden indicaties geverifieerd met behulp van luchtfoto’s en kaartmateriaal in de gearceerde balken. De blauwe arcering dient om de verificatie van indicaties met luchtfoto’s van voor en na de oorlogshandeling te benadrukken; de bruine arcering wordt gebruikt voor het kaartmateriaal. Vervolgens worden de ingezette OO waar mogelijk gespecificeerd naar hoofdsoort, subsoort, kaliber en ontsteker. Tot slot wordt bepaald of de indicatie relevant is voor het onderzoek. Relevante indicaties zijn geografisch herleidbaar en kunnen bij voorkeur worden geverifieerd met een tweede bron.

DATUM

SECUNDAIRE

PRIMAIRE

PRIMAIRE SCHRIFTELIJKE

SCHRIFTELIJKE

SCHRIFTELIJKE BRON

BRON

NATIONALE

INTERNATIONALE

ARCHIEVEN

ARCHIEVEN

INGEZETTE OO

RELEVANTIE

BRON

LITERATUUR

ANALYSE LUCHTFOTO’S ANALYSE KAARTMATERIAAL Tabel 2: Opzet tabel Hoofdstuk 3.

Iedere relevante waarneming is verwerkt in het GIS-systeem, inclusief een unieke GIS-ID indien wordt afgebakend, bronverwijzing en eventuele verdere beschikbare informatie. In de chronologische gebeurtenissenlijst worden voor de bronverwijzingen (uitgezonderd luchtfoto’s) voetnoten gehanteerd. Bij het beoordelen of de bij het onderzoek achterhaalde informatie/aanwijzingen/indicaties relevant zijn, worden selectiecriteria uit het CS-VROO-01 toegepast: ‘Indicaties/contra-indicaties dienen een locatieverwijzing te hebben, aangezien deze essentieel is om te bepalen of de informatie relevant is voor de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied.’12

12 VOMES, CS-VROO-01, 17.

128-024-VO-01

Pagina 16 van 128

Indien de locatieverwijzing niet verwijst naar de omgeving van het onderzoeksgebied, dan wordt de desbetreffende informatie niet in de rapportage opgenomen of als niet relevant of onbetrouwbaar beoordeeld en wordt deze verder buiten beschouwing gelaten. Locatieverwijzingen dienen verder ongewijzigd uit het bronbestand te worden overgenomen.

2.2

ONDERZOEK NA-CONFLICTPERIODE

In het Onderzoek na-Conflictperiode wordt nagegaan of de bodem in het onderzoeksgebied naoorlogs is geroerd. Zo ja, dan kan een verdacht gebied mogelijk als onverdacht worden aangemerkt binnen de geroerde laag (onverdachte laag na bodemingrepen). Stelregel is dat bij naoorlogse grondroerende werkzaamheden eventuele OO zouden zijn opgemerkt en geruimd. Er worden diverse bronnen geraadpleegd om te achterhalen of er grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Een gedeelte daarvan is verplicht gesteld in het CS-VROO-02. Een tabel met het overzicht van de gebruikte bronnen is opgenomen in paragraaf 2.4 Geraadpleegde bronnen. In Hoofdstuk 4 is een chronologische lijst van bodemingrepen opgenomen, welke op de volgende wijze is ingedeeld: ▪ Datum waarop de contra-indicatie betrekking heeft; ▪ Informatie/beschrijving contra-indicatie uit een secundaire bron, bijvoorbeeld literatuur of van internet; ▪ Informatie/beschrijving contra-indicatie uit een primaire bron uit een archief; ▪ Informatie/waarneming indicatie kaart, beeld en luchtfoto materiaal. Weergegeven in een lichtblauw vak om de beelddata te benadrukken; ▪ Informatie/waarneming indicatie kaart uit zowel nationale en internationale archieven. Weergegeven in een lichtbruin vak om het kaartmateriaal te benadrukken ▪ Informatie/beschrijving contra-indicatie uit een geo-informatiebron.

Het gaat hoofdzakelijk om (open) GIS-datasets van informatiedragers zoals het Kadaster. ▪ Diepte van de contra-indicatie, (indien mogelijk) gespecificeerd t.o.v. NAP of in m-MV; ▪ Relevantie: afweging of de contra-indicatie overlap vertoont met indicaties in hetzelfde gebied.

DATUM

SECUNDAIRE

PRIMAIRE

SCHRIFTELIJKE

SCHRIFTELIJKE BRON

GEO-INFORMATIEBRON

DIEPTE

RELEVANTIE

VECTOR GIS-DATASETS

T.O.V. NAP OF M-MV

BRON

LITERATUUR,

ARCHIEVEN

INTERNET

ANALYSE LUCHTFOTO’S ANALYSE KAARTMATERIAAL Tabel 3: Opzet tabel Hoofdstuk 4.

128-024-VO-01

Pagina 17 van 128

2.3

AFBAKENING VERDACHT GEBIED

Op basis van de informatie uit het Onderzoek Conflictperiode en het Onderzoek na-Conflictperiode wordt er eventueel verdacht gebied afgebakend. Indicaties en contra-indicaties worden tegen elkaar afgewogen. Als er aanwijzingen worden achterhaald dat het onderzoeksgebied betrokken is geweest bij oorlogshandelingen en er beperkt of geen sprake is van naoorlogse bodemingrepen, dan zal de uiteindelijke afbakening van het ‘verdachte’ gebied in zowel horizontale als verticale zin plaatsvinden (indien de noodzakelijke parameters aanwezig zijn). Per indicatie zijn in de ‘Nadere bepalingen voor het uitvoeren van vooronderzoek en Risicoanalyse behorende bij het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse ontplofbare oorlogsresten’ (CS-VROO-02) uitgangspunten opgenomen voor de afbakening van verdacht gebied. De indicaties worden in GIS voorzien van zogenaamde risicobuffers waarin zich Ontplofbare Oorlogsresten zouden kunnen bevinden. Het CS-VROO-02 is een informatief document, niet normatief. Dit betekent dat het niet verplicht is voor de certificaathouder om de onderdelen uit deze CS-VROO-02 toe te passen in het werkproces.

Bij de uitvoering van het vooronderzoek wordt het CS-VROO-02 als richtlijn toegepast, waarvan alleen gemotiveerd mag worden afgeweken.13 In het onderzoeksgebied kunnen activiteiten hebben plaatsgevonden waarbij grond is aangevoerd en/of toegepast welke mogelijk OO bevatten. Dit fenomeen wordt conform de regelgeving buiten beschouwing gelaten.14

2.4

GERAADPLEEGDE BRONNEN

In het indicatieonderzoek (Onderzoek Conflictperiode) dienen de relevante bronnen te worden geïdentificeerd en geraadpleegd. In de onderstaande tabel is aangegeven om welke bronnen het gaat. De als “situationeel” aangeduide bronnen dienen in ieder geval te worden geraadpleegd indien blijkt dat bepaalde legeronderdelen zijn ingezet voor mogelijk relevante oorlogshandelingen. In de rapportage wordt gemotiveerd waarom een aanvullende bron wel of niet geraadpleegd is. Eventuele leemten in kennis worden gespecificeerd, inclusief de gevolgen voor de conclusie van het onderzoek. In paragraaf 2.5 volgt een toelichting van de verschillende bronnen. BRON Literatuur Gemeentelijk archief Venray en Provinciaal archief Limburg Nederlands Instituut voor Militaire Historie, collecties 492 en 575 Nederlands Instituut voor Militaire Historie, collectie 409 NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, collecties 077 en 216k

RAADPLEGEN Verplicht Situationeel  

GERAADPLEEGD Ja Ja Ja

 

Ja Ja

13 VOMES, CS-VROO-01, 17. De nadere bepalingen in het CS-VROO-02 stellen zodoende geen eisen aan de

certificaathouder, maar bevatten informatie over de inhoudelijke uitvoering van het onderzoek door de certificaathouder. 14 VOMES, CS-VROO-01, 12.

128-024-VO-01

Pagina 18 van 128

BRON Nationaal Archief, collecties 2.04.53.15 en 2.13.167 Semi-Statisch Informatiebeheer, collecties Archief Mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D.), Mijnenvelddocumentatie en Ruimregister 1971-heden Kadaster, collecties Historisch topografische kaarten en Defence Overprints Luchtfotocollecties The National Collection of Aerial Photography, Wageningen UR en Kadaster Luchtfotocollecties Laurier Military History Archive en National Archives and Records Administration The National Archives, collecties AIR 14, AIR 15, AIR 24, AIR 27, AIR 37 en War diaries Bundesarchiv-Militärarchiv, collectie RL 2-II National Archives and Records Administration, collecties RG 18 en War diaries Library and Archives Canada, collectie Defence Overprints Library and Archives Canada, collectie War Diaries Online databases SGLO Crash Database, Vergeltungswaffen.nl en Delpher

RAADPLEGEN Verplicht Situationeel 

GERAADPLEEGD Ja Ja

 Ja

Ja

       

Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja

Tabel 4: Overzicht van geraadpleegde bronnen Onderzoek Conflictperiode.

Bij het contra-indicatieonderzoek (Onderzoek na-Conflictperiode) dienen een aantal verplichte bronnen te worden geraadpleegd en geanalyseerd. In de onderstaande tabel is aangegeven welke dit zijn, en of er eventueel aanvullende bronnen zijn geraadpleegd. BRON Opdrachtgever Literatuur Kadaster Websites Rijkswaterstaat Gemeentelijk archief Provinciaal archief Nationaal archief

RAADPLEGEN Verplicht Aanvullend        

GERAADPLEEGD Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja

Tabel 5: Overzicht van geraadpleegde bronnen Onderzoek na-Conflictperiode.

2.5

TOELICHTING BRONNEN

Literatuur Voor het onderzoeksgebied dienen relevante literatuurbronnen te worden geraadpleegd, zowel standaardwerken als eventuele specifieke regionale informatiebronnen. Daarbij gelden voor het Onderzoek Conflictperiode als verplicht te raadplegen standaardwerken in ieder geval:

128-024-VO-01

Pagina 19 van 128

▪ Amersfoort, H. en P. Kamphuis (red.), Mei 1940 : De strijd op Nederlands grondgebied (4e druk; Den Haag 2012). ▪ Foreman, J., The Fighter Command War Diaries : July 1944 to May 1945 (zonder plaats 2004). ▪ Klep, C. en B. Schoenmaker, De bevrijding van Nederland 1944-1945 : Oorlog op de flank (’sGravenhage 1995). ▪ Molenaar, F.J., De luchtverdediging in de meidagen 1940 2 delen (‘s-Gravenhage 1970). ▪ Nierstrasz, e.a. (Ministerie van Oorlog, hoofdkwartier van de chef van de generale staf, kriegsgeschiedkundige afdeling), De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II, diverse delen (’s-Gravenhage 1953); ▪ Zwanenburg, G.J., En nooit was het stil…: kroniek van een luchtoorlog 2 delen (Den Haag 19901993). Gemeentelijk archief en Provinciaal archief Bij het raadplegen van het gemeentelijk en provinciaal archief worden de stukken van de luchtbeschermingsdienst, de stukken over aangetroffen/geruimde Ontplofbare Oorlogsresten en de oorlogsschaderapporten verplicht geraadpleegd. Bij het onderzoek in het provinciaal archief wordt in elk geval onderzoek verricht in de relevante archieven van het Militair Gezag. Verder worden er in het provinciaal archief (indien beschikbaar) ook stukken van de luchtbeschermingsdienst, stukken over aangetroffen/geruimde Ontplofbare Oorlogsresten en de oorlogsschade verplicht geraadpleegd.

Indien er indicaties zijn voor de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten dient in het gemeentelijk en provinciaal archief voorts te worden gezocht naar gegevens over relevante naoorlogse ontwikkelingen (contra-indicaties), tenzij met de opdrachtgever overeen is gekomen dat dergelijk onderzoek geen deel uit maakt van de opdracht. Indien deze gegevens niet aanwezig zijn, wordt dit vermeld in de rapportage. Nederlands Intituut voor Militaire Historie De collecties ‘492 De Strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II’ en ‘575 Duitse verdedigingswerken in Nederland en rapporten van het Bureau Inlichtingen te Londen (1940-1945)’ worden geraadpleegd om te onderzoeken of er Duitse militaire werken in het onderzoeksgebied aanwezig waren, of als er oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden gedurende mei 1940. Eerstgenoemde collectie bevat alle werken van ‘De Groene Serie’ van Nierstrasz en kan ook onder literatuur worden geschaard. De collectie ‘409 Gevechtsverslagen en -rapporten mei 1940’ geldt als verplichte bron als uit het literatuuronderzoek of andere bronnen blijkt dat er in mei 1940 gevechtshandelingen hebben plaatsgevonden in het onderzoeksgebied.

NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies Uit het NIOD gelden de collecties ‘077 Generalkommissariat für das Sicherheitswesen-Höhere SSund Polizeiführer Nord-West’ en ‘216k Collectie Departement van Justitie’ als verplichte bronnen. Collectie 077 omvat een overzicht van luchtaanvallen op Nederlands grondgebied in de periode 128-024-VO-01

Pagina 20 van 128

september 1940-april 1941, terwijl zich in collectie 216k processen-verbaal met betrekking tot luchtaanvallen op Nederlandse gemeenten bevinden. Nationaal Archief De collectie ‘2.04.53.15 Binnenlandse Zaken’ bevat berichten van gemeenten aan de Rijksinspectie Luchtbescherming te Den Haag in de periode 1940-1943 en dient bij het Onderzoek Conflictperiode verplicht te worden geraadpleegd. De collectie ‘2.13.167 Bunkerarchief’ moet eveneens in het indicatieonderzoek worden geraadpleegd. Binnen dit archief worden Blok- en overzichtskaarten geraadpleegd om te onderzoeken of er sprake was van Duitse militaire infrastructuur binnen het onderzoeksgebied. Zo ja, dan worden de betreffende situatietekeningen bestudeerd. Semi-Statisch Informatiebeheer De rapportages van de ruimingen van OO door de Explosieven Opruimingsdienst Defensie in de periode 1971-heden dienen ter verificatie, indicatie en contra-indicatie te worden geraadpleegd. Tevens dient het archief van de mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D.) geraadpleegd te worden. Hierin zijn de munitieruimingen in de periode 1945-1947 ontsloten. Aan de hand van de mijnenveldkaarten van de EOD wordt geanalyseerd of ter plaatse van het onderzoeksgebied mijnenvelden of op mijnen verdachte gebieden hebben gelegen. Mocht dat het geval zijn, dan worden de bijbehorende mijnenruimrapportages geraadpleegd.

Kadaster Via het Kadaster Zwolle wordt (historisch) kaartmateriaal geraadpleegd, zoals Historische topografische kaarten, Geallieerde stafkaarten en, indien beschikbaar, Defence Overprints. Luchtfotocollecties ECG inventariseert de beschikbare luchtfoto’s op basis van de datum waarop oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. De inventarisatie geschiedt in ieder geval in de volgende collecties: ▪ The National Collection of Aerial Photography (NCAP); ▪ Wageningen UR (WUR); ▪ Kadaster (TOPO). De volgende luchtfotocollecties zijn als situationeel verplicht aangemerkt: ▪ Laurier Military History Archives, bij inzet Canadese eenheden; ▪ National Archives and Records Administration, bij inzet USAAF of Amerikaanse eenheden. Bij de selectie van luchtfoto’s wordt gezocht naar luchtfoto’s die zowel kort voor als vlak na relevante oorlogshandelingen genomen zijn. Daarbij geldt dat de luchtfoto’s het onderzoeksgebied of de locatie waar de oorlogshandeling heeft plaatsgevonden geheel of gedeeltelijk moeten afdekken (dekking), en dat de luchtfoto voor een gedegen interpretatie van een zo hoog mogelijke kwaliteit moet zijn in relatief tot de oorlogshandeling (kwaliteit).

128-024-VO-01

Pagina 21 van 128

In de rapportage geeft de organisatie aan op welke wijze het luchtfoto-onderzoek is uitgevoerd en een onderbouwing waarom collecties hierbij wel of niet zijn geraadpleegd. Wanneer er geen geschikte luchtfoto’s beschikbaar zijn, dan wordt dit in de rapportage vermeld. The National Archives te Londen Voor het onderzoek naar luchtaanvallen uitgevoerd door de Royal Air Force (RAF) in de periode 1940-1945 worden in ieder geval de volgende collecties geraadpleegd: ▪ Bomber Command AIR 14 day and night bomb raid sheets (1940-1945) en form E summaries (1940-1942), bij inzet van Bomber Command; ▪ Coastal Command AIR 15 strike sheets, bij inzet van Coastal Command; ▪ Fighter Command AIR 24 appendices, bij inzet van Fighter Command; ▪ Allied Expeditionary Air Force / Second Tactical Air Force AIR 37 daily logs, bij inzet 2nd TAF; ▪ Operation Record Books AIR 27 Squadron-dagboeken van relevante eenheden, indien raadpleging van de voorgaande toegangen daartoe aanleiding geeft. Het onderzoek in bovenstaande collecties is gericht op het vaststellen van het aantal, de hoofd- en subsoort, kaliber, type ontsteker(s) en inslaglocaties van de vliegtuigbommen en raketten die tijdens de luchtaanval zijn ingezet. Indien beschikbaar worden eveneens de gegevens geanalyseerd die betrekking hebben op de afwerphoogte en vliegsnelheid ten tijde van het afwerpen.

Als uit het overige bronnenmateriaal blijkt dat Britse en aanverwante Geallieerde landmachteenheden betrokken waren bij oorlogshandelingen in het onderzoeksgebied, dan worden in TNA relevante War diaries van de betreffende eenheden geraadpleegd (situationeel verplicht). Dit onderzoek is gericht op het vergaren van informatie ten aanzien van getroffen locaties, aantallen en kalibers ingezette geschutmunitie. Bundes-Militärarchiv te Freiburg In het Bundesarchiv-Miltärarchiv wordt tenminste de collectie Lageberichte van de Luftwaffenführungsstab Ic geraadpleegd, die meldingen bevat over bomafworpen op Nederlands grondgebied in de periode 10 mei 1940 – 10 november 1941. National Archives and Records Administration Dit archief wordt verplicht geraadpleegd als uit het literatuur- en archiefonderzoek blijkt dat het onderzoeksgebied is getroffen door luchtaanvallen uitgevoerd door de United States Army Air Forces. Het onderzoek in deze collecties is gericht op het vaststellen van het aantal, de hoofd- en subsoort, kaliber, het type ontsteker(s) van de vliegtuigbommen en/of raketten en inslaglocaties die tijdens de luchtaanval zijn ingezet. Het onderzoek bevat in elk geval raadpleging van collectie ‘Record Group 18 – World War II Combat Operations Reports 194 – 1946’.

Als uit het overige bronnenmateriaal blijkt dat Amerikaanse landmachteenheden betrokken waren bij oorlogshandelingen in het onderzoeksgebied, dan worden relevante War diaries van de betreffende eenheden geraadpleegd (situationeel verplicht). Dit onderzoek is gericht op het

128-024-VO-01

Pagina 22 van 128

vergaren van informatie ten aanzien van getroffen locaties, aantallen en kalibers van ingezette geschutmunitie. Library and Archives Canada Als uit het overige bronnenmateriaal blijkt dat Canadese landmachteenheden betrokken waren bij oorlogshandelingen in het onderzoeksgebied, dan worden relevante War diaries van de betreffende eenheden geraadpleegd (situationeel verplicht). Dit onderzoek is gericht op het vergaren van informatie ten aanzien van getroffen locaties, aantallen en kalibers van ingezette geschutmunitie. De Library and Archives Canada bezit ook een groot aantal Defence Overprints, die gezamenlijk een groot dele van het Nederlands grondgebied dekken. Indien beschikbaar voor het onderzoeksgebied, moeten deze kaarten worden geraadpleegd. Defence Overprints mogen/kunnen ook via het Kadaster worden geraadpleegd. Online databases De volgende online databases worden verplicht geraadpleegd: ▪ SGLO Crash Database, oftewel het Verliesregister van de Studiegroep Luchtoorlog 1939-1945; ▪ Vergeltungswaffen.nl- V1- en V2-wapens in Nederland; ▪ Krantendatabase Delpher.

2.6

WIJZE VAN RAADPLEGEN ARCHIEFINSTELLINGEN

Voor deze bureaustudie zijn diverse archiefinstellingen geraadpleegd. De wijze van raadplegen van de archiefbewaarplaatsen is in de tabel gespecificeerd conform de eisen in het CS-VROO-01.

ARCHIEF Gemeentelijk archief Provinciaal archief Nederlands Instituut voor Militaire Historie NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies Nationaal Archief Semi-Statisch Informatiebeheer Kadaster The National Collection of Aerial Photography Wageningen UR Laurier Military History Archive 128-024-VO-01

WIJZE VAN RAADPLEGEN FYSIEK DATABASE ANDERS BEZOCHT

(EERDER BEZOCHT)

✓

✓ ✓ ✓

TOELICHTING Bezocht door een historicus op 21 maart 2024. Online -

✓ ✓

✓

✓

✓ ✓ ✓ ✓ ✓

Deels online Deel aanvraag per mail. Database ruimregister. Online Online Online Online Pagina 23 van 128

ARCHIEF National Archives and Records Administration The National Archives Bundesarchiv-Militärarchiv Library and Archives Canada Online databases

WIJZE VAN RAADPLEGEN FYSIEK DATABASE ANDERS BEZOCHT

(EERDER BEZOCHT)

TOELICHTING -

✓ ✓ ✓ ✓ ✓

Online

Tabel 6: Wijze van het raadplegen van de diverse archiefbewaarplaatsen.

Bij het inventariseren van relevante archiefstukken zijn de toponiemen uit paragraaf 3.1 en op zijn minst de volgende zoektermen gehanteerd: luchtbescherming*, munitie*, ruiming*, oorlogsschade*, schaderapport*, verdedigingswerk*, omnummering*.

2.7

GEOGRAFISCHE HERLEIDBAARHEID VAN GEGEVENS UIT INTERNATIONALE ARCHIEVEN

Archiefdocumenten van de Geallieerde strijdmachten kunnen passages van oorlogshandelingen bevatten waarin locaties met Nord de Guerre-coördinaten zijn aangeduid. Het Nord de Guerrecoördinatenstelsel is buiten gebruik geraakt, maar de locaties waar de coördinaten naar verwijzen kunnen alsnog worden achterhaald. De eenvoudigste methode omvat het gebruik van stafkaarten uit de oorlogsperiode waarop het Nord de Guerre-stelsel werd geprint door de Geallieerden. Door de kaart te georefereren (op de huidige locatie plaatsen in een GIS), kunnen de coördinaten op het oog worden afgelezen. De tweede methode is het omrekenen van Nord de Guerre-coördinaten naar moderne coördinatenstelsels met behulp van de ‘Echodelta coordinate translator’.15 Deze tool is op het internet beschikbaar voor openbaar gebruik. Naast de voornoemde methodes hanteert ECG voor het vooronderzoek een eigen GIS-dataset waarin het Nord de Guerre-coördinatenstelsel voor Nederlands grondgebied is gereconstrueerd. Op deze wijze kunnen Nord de Guerre-coördinaten eenvoudig naar een huidige locatie worden herleid in een GIS. Het coördinaten-grid besloeg een groot gebied in Noordwest-Europa en was onderverdeeld in vakken van 500x500km, welke op hun beurt onderverdeeld waren in vakken van 100x100 km.

Nord de Guerre-coördinaten werden genoteerd met de unieke letter van de betreffende 500x500 km zone, de unieke letter van de 100x100km zone en een X- en Y-coördinaat. Een locatie kan bijvoorbeeld liggen in 500x500km zone Q, 100x100km zone D, op X-coördinaat 23 en Y-coördinaat 45. De juiste notatie is dan: QD2345. Een met vier cijfers aangeduid coördinaat zoals QD2345 beslaat een kaartvierkant van 1000 bij 1000 meter. Indien een locatie met zes of acht cijfers is genoteerd, dan wordt respectievelijk verwezen naar een locatie van 100 bij 100 meter en 10 bij 10 meter.

15 Thierry Arsicaud, ‘The “Coordinates Translator”’ <https://www.echodelta.net/mbs/eng-translator.php>.

128-024-VO-01

Pagina 24 van 128

2.8

LUCHTFOTO-INTERPRETATIE

Luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog kunnen een bruikbare bron vormen bij het vergaren van informatie betreffende de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten. Het primaire doel van de luchtfoto-interpretatie is het vaststellen of een gebied zichtbaar betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Met andere woorden: zijn er sporen waarneembaar van kraters, stellingen (militaire werken), vernielde of beschadigde bebouwing en andere oorlog gerelateerde handelingen. Ten gevolge van deze constatering kan een inschatting worden gemaakt of er een verhoogde kans bestaat op het aantreffen van achtergebleven Ontplofbare Oorlogsresten. 2.8.1 CLASSIFICATIE, DOEL EN METHODE Er zijn meerdere typen luchtfoto’s, dit heeft onder andere te maken met de opnamehoek. De meest bruikbare voor interpretatie zijn de zgn. verticals. Het interpreteren van deze luchtfoto’s gebeurt op diverse manieren. Eenvoudig gesteld: de foto’s worden zo nauwkeurig mogelijk geanalyseerd op zichtbare verstoringen die mogelijk in verband staan met oorlogshandelingen. Een aantal van de geselecteerde foto’s heeft de overlapping en kwaliteit om het stereoscopisch interpreteren (creëren van diepte voor dimensionaal inzicht door middel van het gebruik beeldparen) mogelijk te maken.

Vervolgens worden de luchtfoto’s middels georeferentie en georectificatie in een GIS zo exact mogelijk middels 10 tot 15 controlepunten gepositioneerd op een recente ondergrond om de waarnemingen op de luchtfoto’s zo nauwkeurig mogelijk te herleiden naar de hedendaagse locaties. De luchtfoto’s zijn met behulp van digitale beeldbewerkingsprogramma’s (IrfanView en Photoshop) bewerkt om de beeldkwaliteit daar waar nodig te optimaliseren. De luchtfoto’s worden geïnterpreteerd op indicaties van oorlogshandelingen door twee deskundigen met ervaring in de interpretatie van luchtfoto’s uit het tijdvak 1940-1945. Luchtfoto’s kunnen in de meeste gevallen als een betrouwbare bron worden gezien, waarmee tevens indicaties uit literatuur en archiefbronnen geografisch herleid en geverifieerd kunnen worden. Er worden voor de waargenomen indicaties op een luchtfoto drie niveaus van betrouwbaarheid onderscheiden: ▪ Classificatie A: Bevestigd: betrouwbaarheid grenst aan zekerheid. De waarneming kan worden bevestigd met een tweede bron (betrouwbaarheid 99%); ▪ Classificatie B: Waarschijnlijk: de organisatie is overwegend zeker van de validiteit van de classificatie van het object op de luchtfoto (betrouwbaarheid 50% of hoger); ▪ Classificatie C: Mogelijk: de organisatie is overwegend onzeker van de validiteit van de classificatie van het object op de luchtfoto (betrouwbaarheid lager dan 50%).

De betrouwbaarheid van de classificatie wordt per object vastgelegd. Indien een object met de betrouwbaarheid “mogelijk” invloed uitoefent op de afbakening van het verdachte gebied, wordt dit duidelijk in de rapportage beschreven.’16

16 VOMES, CS-VROO-01, 18.

128-024-VO-01

Pagina 25 van 128

2.8.2 GRENZEN EN MOGELIJKHEDEN Hoewel luchtfoto’s een belangrijke bron van informatie vormen voor het explosievenonderzoek, dient rekening te worden gehouden met een aantal kwaliteits- en randvoorwaarden: ▪ Beschikbaarheid van luchtfoto’s van het gebied (inclusief gebiedsafdekking); ▪ Opnamedata; ▪ Hanteren van beeldparen/overlappend beeldmateriaal (voor stereoscopische interpretatie en ontdekken beeldfouten/beschadigingen); ▪ Beeldkwaliteit (en eventuele digitale beeldverbeteringsmogelijkheden); ▪ Opnamehoogte en (brandpunt van) de gehanteerde lens (schaal); ▪ Beschikbare neveninformatie (bijv. bombardements- en aanvalsdata); ▪ Kwaliteit van de scan (bijvoorbeeld belichtingsfouten ed.); ▪ Ondersteunende technische mogelijkheden (bijv. analoge of digitale interpretatie-systemen); ▪ Ervaring en kwalificaties van het uitvoerende personeel met interpreteren/analyseren. Daarnaast blijft een luchtfoto een momentopname van een situatie die bijvoorbeeld een week, een maand of een jaar later totaal anders zou kunnen zijn. Het is mogelijk dat een bomkrater of een loopgraaf op de ene foto wel, maar op een eerdere of latere luchtfoto niet (meer) zichtbaar is. Tussentijdse herstel- en/of dempwerkzaamheden en camouflage kunnen een vertekend/onvolledig beeld geven. Bovendien kunnen bijvoorbeeld: jaargetijden, bebouwing, schaduwwerking, wolken, puin, begroeiing (bijv.

een bos, boomgaard of park) en water een belemmerend effect hebben op het ontlenen van gegevens aan luchtfotografie. Voor dit onderzoek is er door ECG een inventarisatie uitgevoerd van beschikbare luchtopnamen in de luchtfotocollecties van Wageningen University (WUR), de Topografische Dienst/Kadaster te Zwolle (TOPO/Kadaster), The National Archives te Londen (TNA), The National Archives and Record Administration in College Park te Maryland USA (NARA II), Laurier Military History Archive te Waterloo (Canada) en The National Collection of Aerial Photography (NCAP) – The Aerial Reconnaissance Archives (TARA) te Edinburgh (Schotland). Het overzicht van de geïnventariseerde luchtfoto’s bevindt zich in Hoofdstuk 8.

2.9

NAUWKEURIGHEID EN HERLEIDBAARHEID

De resultaten van een vooronderzoek worden beïnvloed door de nauwkeurigheid van de achterhaalde informatie en de mate waarin oorlogshandelingen kunnen worden herleid naar specifieke locaties. Herleidbaarheid speelt een zeer belangrijke rol in het onderzoek. Onnauwkeurigheid is ten eerste aanwezig in het primaire bronnenmateriaal. Beschrijvingen van oorlogshandelingen in archiefdocumenten kunnen onvolledig zijn en/of onnauwkeurige locatieomschrijvingen bevatten. Dit is bijvoorbeeld het geval in diverse bronnen uit internationale archieven van de Geallieerden, waarin locaties met Nord de Guerre-coördinaten worden aangeduid. Afhankelijk van de notatie zijn de coördinaten herleidbaar tot een gebied van 1 x 1 km of kleiner, maar de praktijk leert dat de daadwerkelijke locatie van een oorlogshandeling kan afwijken van het 128-024-VO-01

Pagina 26 van 128

aangegeven kaartvierkant. Als gevolg kunnen onjuiste locaties als verdacht gebied worden bestempeld, of wordt er een te groot verdacht gebied afgebakend. ECG voorkomt dit zo veel mogelijk door gebruik te maken van luchtfotoanalyse. Met behulp van luchtfoto’s is het in veel gevallen mogelijk om oorlogshandelingen feitelijk naar een specifieke locatie te herleiden. Onnauwkeurigheid is ten tweede aanwezig op het gebied van de Uitvoeringsopdrachten van de Explosieven Opruimingsdienst (EOD) in het onderzoeksgebied en het omliggende gebied. De omschrijvingen van de locaties zijn inclusief spelfouten en dergelijke letterlijk overgenomen. Uit de praktijk is gebleken dat door de EOD en haar voorgangers het dichtstbijzijnde adres in de omgeving van de vindplaats als locatie-aanduiding wordt gehanteerd. Dit kan betekenen dat het gemelde of geruimde object op een locatie (bijvoorbeeld in akkerland achter het vermelde adres) is gevonden zodat naderhand slechts bij benadering de locatie kan worden aangegeven. Om de door de EOD opgegeven adressen en plaatsaanduidingen te lokaliseren is door ECG gebruik gemaakt van Google Earth & Maps. Er heeft geen controle plaatsgevonden of de hieraan ontleende adresgegevens corresponderen met mogelijk in de loop van de jaren veranderde huisnummering, straatnamen of perceelindelingen.

Verder zijn te globale locatieaanduidingen en ruimingen waarbij geen Ontplofbare Oorlogsresten zijn aangetroffen (bijvoorbeeld “schroot”) niet meegenomen. Tevens is een ander nadeel van deze bronnen dat zij niet volledig zijn: over de meldingen/ruimingen tussen 1940-1944 en 1947/1948-1971 zijn bij de EOD nauwelijks gegevens beschikbaar. Onnauwkeurigheid kan ten derde ontstaan door het georefereren van luchtfoto’s in een GIS. Deze afwijking ontstaat doordat de luchtfoto als tweedimensionaal vlak over het gekromde aardoppervlak wordt gelegd. Met name langs de randen van de luchtfoto kan de afwijking toenemen, alsook wanneer er weinig referentiepunten te vinden zijn. Dit laatste komt voor wanneer een gebied na de Tweede Wereldoorlog ingrijpend is veranderd. ECG onderkent deze onnauwkeurigheid en hanteert in de meeste gevallen een geografische tolerantie van 5 meter. Deze tolerantie wordt toegevoegd aan de risicobuffers voor verdacht gebied voor indicaties die met behulp van luchtfoto’s zijn afgebakend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15858872/1