CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 13 Programma van Eisen proefsleuvenonderzoek

Gemeenteraad 23 september 2025, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c, Nieuw Medisch Centrum Venray12.324 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niet gevonden in dit document.

te Venray, in de gemeente Venray

Proefsleuvenonderzoek Medisch centrum

Programma van Eisen

Programma van Eisen Proefsleuvenonderzoek Medisch centrum te Venray Gemeente Venray Opdrachtgever

Pouderoyen Tonnaer Berlicumseweg 6D 5248 NT Rosmalen

Rapportnummer

10686.010

Versienummer1

1

Datum

12 november 2024

Opsteller2

De heer drs. A.H. Schutte

Kwaliteitscontrole

Mevrouw P. Beurskens, MA

1 Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoor-

deeld door de bevoegde overheid. 2 Vrijgave

In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.

Econsultancy Programma van Eisen

KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteitsen milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Al onze documenten worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet, NEN en KNA protocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving, waaronder wettelijke eisen uit de Erfgoedwet, prevaleert boven de AVG.

In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. RECHTEN © Econsultancy bv, Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)

Econsultancy Programma van Eisen

Programma van Eisen Locatie

Medisch centrum

Projectnaam

Medisch centrum Venray

Plaats binnen archeologisch proces ●IVO – Proefsleuven (IVO-P) Opsteller

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

Senior KNA Archeoloog

Dhr. drs. bc. A.H. Schutte Econsultancy b.v. Vestiging Limburg Rijksweg Noord 39, 6071 KS Swalmen T: 0475 - 504961 E: schutte@econsultancy.nl

12-11-2024

Opdrachtgever

Naam, adres, telefoon, e-mail

paraaf

Pouderoyen Tonnaer Berlicumseweg 6D 5248 NT Rosmalen De heer B. Weekers T: 024-3224579 E: bweekers@pouderoyentonnaer.nl Goedkeuring bevoegde overheid

Naam, adres, telefoon, e-mail

o Gemeente

Gemeente Venray Westsingel 1 5801 TT Venray Mevr. J. Riechelman T: 0478 – 523333 E: jessie.Riechelman@venray.nl

o Provincie o Rijk o Overig

datum

paraaf

datum

Paraaf

o RCE3 bij beschermd monument, projectvergunning, als adviseur bij Grote Projecten Adviseur namens de bevoegde overheid

Naam, adres, telefoon, e-mail De heer F. Kortlang Kragten locatie Roermond Schoolstraat 8 6049 BN Herten Postbus 14 6040 AA Roermond T: +31 88 3366 386 M: +31 6 3164 7294 E: fko@kragten.nl

3 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Econsultancy Programma van Eisen

Kennisgeving Depothouder /eigenaar

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

Paraaf

Dhr. drs. S.J.J. (Sjeng) Kusters Provinciaal Archeologisch Depot voor Bodemvondsten Limburg De Vondst - Provinciaal Archeologisch Depot Raadhuisplein 20 6411 HK Heerlen T: 043-3897049 M: 06-52720731 E: sjj.kusters@prvlimburg.nl

Econsultancy Programma van Eisen

INHOUDSOPGAVE 1

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED ........................................................... 1

2

AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK ............................................................. 2 2.1 2.2 2.3

Aanleiding ..................................................................................................................................... 2 Motivering ..................................................................................................................................... 2 Besluit............................................................................................................................................ 2

3

EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK ............................................................................................. 3

4

ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING .............................................................................................. 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9

5

DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING ............................................................................................ 8 5.1 5.2 5.3

5.4 6

Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context ............................................ 4 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) ................................................................................ 6 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) ................................................................. 6 Structuren en sporen .................................................................................................................. 6 Anorganische artefacten ............................................................................................................ 7 Organische artefacten ................................................................................................................ 7 Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten .......................... 7 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen ......................................................... 7 Gaafheid en conservering .......................................................................................................... 8

Doelstelling ................................................................................................................................... 8 Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders ........................................................ 9 Onderzoeksvragen ...................................................................................................................... 9 Periode en sites ......................................................................................................................... 10 Landschap en bodem ............................................................................................................... 10 Vraagstelling specialistisch onderzoek .................................................................................. 10 Aanbeveling ................................................................................................................................ 11

STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN ................................................................................ 11 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9 6.10 6.11

Strategie...................................................................................................................................... 11 Methoden en technieken .......................................................................................................... 12 Omgang kwetsbare vondsten en monsters ........................................................................... 13 Structuren en grondsporen ...................................................................................................... 14 Aardwetenschappelijk onderzoek ........................................................................................... 15 Anorganische artefacten .......................................................................................................... 15 Organische artefacten .............................................................................................................. 16 Archeozoölogische en -botanische resten ............................................................................. 16 Overige resten ........................................................................................................................... 16 Dateringstechieken....................................................................................................................

16 Bouwstenen ................................................................................................................................ 17

10686.010

6.12 Complexiteit ................................................................................................................................ 17 6.13 Beperkingen ............................................................................................................................... 17 7

UITWERKING EN CONSERVERING ............................................................................................... 18 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6

8

RAPPORTAGE ..................................................................................................................................... 20 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5

9

Uitvoeringsperiode uitwerking; opleveringstermijn (concept)eind-/evaluatierapport ....... 20 Procedure toetsing standaardrapport door de bevoegde overheid ................................... 20 Inhoud standaardrapport .......................................................................................................... 20 Kwaliteit ....................................................................................................................................... 22 Verschijning en oplage standaardrapport en/of specialistisch deelrapport ...................... 22

(DE)SELECTIE EN CONSERVERING ............................................................................................. 22 9.1 9.2 9.3

10

Structuren, grondsporen en vondstspreidingen .................................................................... 18 Analyse aardewetenschappelijke gegevens ......................................................................... 18 Anorganische artefacten .......................................................................................................... 18 Organische artefacten .............................................................................................................. 19 Archeozoölogische en -botanische resten ............................................................................. 19 Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.).................................................... 20

Selectie materiaal voor uitwerking .......................................................................................... 22 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering ............................................................ 23 Selectie materiaal voor conservering ..................................................................................... 23

DEPONERING ...................................................................................................................................... 23 10.1 Eisen betreffende depot ........................................................................................................... 23 10.2 Te leveren product .................................................................................................................... 24 10.3 E-depot........................................................................................................................................ 24

11

RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN .................................................................... 24 11.1 11.2 11.3 11.4

12

WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VASTGESTELDE PVE ............................................ 26 12.1 12.2 12.3 12.4

13

Personele randvoorwaarden .................................................................................................... 24 Overlegmomenten ..................................................................................................................... 25 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie .............................................................. 25 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen ................................................................. 26

Wijzigingen tijdens het veldwerk ............................................................................................. 26 Belangrijke wijzigingen ............................................................................................................. 26 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk ......................................... 27 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering ............................................... 27

AANVULLENDE EISEN ....................................................................................................................... 27 13.1 Uitvoeringsperiode en opleveringstermijn veldwerk ............................................................. 27 13.2 Uitvoeringscondities veldwerk ................................................................................................. 28 13.3 Ontplofbare Oorlogsresten (OO (voorheen NGE)) en veldgraven ..................................... 28

10686.010

LITERATUUR EN BRONNEN ....................................................................................................................... 30

Figuren Figuur 1: Het plangebied op de digitale topografische kaart (1:25.000). Figuur 2: Het plangebied op de kadastrale kaart. Figuur 3: Het plangebied op een luchtfoto uit 2022. Figuur 4: Boorpuntenkaart en boorstaten vooronderzoek Figuur 5: Het plangebied op de Geomorfologische kaart 1: 50.000 van Nederland. Figuur 6: Het plangebied op de bodemkaart. Figuur 7: Archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied. Figuur 8: Proefsleuvenplan Bijlagen Bijlage 1: Tabel met de verwachtte aantallen Bijlage 2: Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen

10686.010

1

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED

Projectnaam

10686.010

Provincie

Limburg

Gemeente

Venray

Plaats

Venray

Toponiem

Medisch centrum

Kaartbladnummer

52 B (1:25.000)

Centrum x,y–coördinaat

X : 196.029/ Y: 392.020

Archeologische verwachtingskaart Venray

Volgens de archeologische verwachtingskaart ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting voor droge en natte gebieden.

CMA/AMK-status

n.v.t.

Archis-monumentnummer

n.v.t.

Archis-waarnemingsnummer

n.v.t.

Oppervlakte plangebied4

ca. 2 hectare

Oppervlakte onderzoeksgebied5

ca. 2 hectare

Oppervlakte proefsleuven/werkputten

1.800 m2

Huidig grondgebruik

Het plangebied is momenteel in gebruik als sportveld (honkbalterrein).

Voorgenomen bodemingrepen

Realisatie van een nieuw medisch centrum

NAP-hoogte maaiveld

Circa 25,8 m NAP

Grondwatertrap

VII

4 Het gebied waarbinnen de realisering van de planvorming het bodemarchief kan bedreigen. 5 Het gebied waarop dit onderzoek betrekking heeft.

10686.010 versie 1

1 / 45

2

AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK

2.1 Aanleiding Op de planlocatie, Medisch centrum aan In de Wieen te Venray wordt een nieuw medisch centrum gerealiseerd. Hierbij zal een gebied met een oppervlakte van circa 2 hectare worden heringericht.6 Het onderzoek komt voort uit het gemeentelijk selectiebesluit om in te stemmen met het door Econsultancy gegeven advies voor een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven.

2.2 Motivering Bij het bureauonderzoek is voor een groter plangebied, waar het huidige plangebied in ligt, een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Volgens deze verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische waarden uit de perioden Paleolithicum en Mesolithicum middelhoog en hoog voor de perioden Neolithicum tot en met Nieuwe tijd. Vervolgens is in dat groter plangebied, en ook in het huidige plangebied, een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase, figuur 4) blijkt dat in een groot deel van het huidige plangebied A-C profielen voorkomen, plaatselijk A-B/C profielen. De overgang tussen beide lagen is abrupt. Plaatselijk zijn onder in de A-horizont resten aangetroffen die wijzen op een oude akkerlaag. Er zijn geen aanwijzingen dat de BC-/C-horizont diepgaand is verstoord, het eventuele aanwezige archeologisch sporenniveau is mogelijk nog grotendeels intact. Het ontbreken van een E- en een B-horizont geeft wel aan dat het vondstenniveau verstoord zal zijn. Vooral vindplaatsen van jagers en verzamelaars die bestaan uit vondstspreidingen zullen verstoord zijn.

De aangetroffen bodemopbouw is van dien aard dat de archeologische verwachting zoals deze in het bureauonderzoek is opgesteld grotendeels gehandhaafd blijft alleen voor de perioden Paleolithicum en Mesolithicum wordt deze bijgesteld naar laag. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek heeft Econsultancy geadviseerd om het plangebied nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P).7

2.3 Besluit De bevoegde overheid (gemeente Venray) heeft ingestemd met het advies van Econsultancy om een vervolgonderzoek uit te laten voeren. De bevoegde overheid heeft besloten om een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren voorafgaand aan en ter plaatse van de voorgenomen nieuwbouw. De gemeente heeft niet aangegeven dat er aanvullende eisen zijn, die niet in de KNA staan, waar bij het onderzoek rekening mee moet worden gehouden.

6 Schutte, 2024a. 7 Schutte, 2024b.

10686.010 versie 1

2 / 45

3

EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK

Soort onderzoek

Archeologisch bureauonderzoek

Uitvoerder

Econsultancy bv

Uitvoeringsperiode

Augustus - september 2022

Rapportage

Schutte A.H., 2024: Archeologisch bureauonderzoek Medisch centrum te Venray gemeente Venray (Econsultancy rapportnr. 10686.003), Swalmen.

Soort onderzoek

Archeologisch booronderzoek

Uitvoerder

Econsultancy bv

Uitvoeringsperiode

April 2023

Rapportage

Schutte A.H., 2024: Archeologisch verkennend booronderzoek Medisch centrum te Venray, in de gemeente Venray (Econsultancy rapportnr. 10686.009), Swalmen.

Bewaarplaats documentatie

Econsultancy Swalmen

Resultaten specialistisch onderzoek Archeobotanisch

Niet van toepassing.

Archeozoölogisch

Niet van toepassing.

Fysisch-antropologisch

Niet van toepassing.

Fysisch-geografisch

In een groot deel van het huidige plangebied zijn A-C profielen aangetroffen, plaatselijk A-B/C profielen. De overgang tussen beide lagen was abrupt. Plaatselijk zijn onder in de A-horizont resten aangetroffen die wijzen op een oude akkerlaag. Er zijn geen aanwijzingen dat de BC-/C-horizont diepgaand is verstoord. Er zijn bij het booronderzoek ook geen aanwijzingen gevonden voor een beekdal in het plangebied.

Geofysisch

Niet van toepassing.

Archeologisch materiaal

Niet van toepassing.

Geraadpleegde bronnen en partijen Overige literatuur

10686.010 versie 1

Niet van toepassing.

3 / 45

Amateurarcheologen

4

Bij een archeologische controle, aan de Zuivelweg 3 te Leunen (ten zuidwesten van het huidige plangebied), zijn door leden van de AWV in 2014 vondsten en een spoor aangetroffen uit de prehistorie op een perceel waar eerder een varkensstal was gesloopt. Uit het spoor zijn scherven verzameld van een pot of urn welke door toedoen van een graafmachine kapot was gedrukt. Hierdoor is niet duidelijk wat dit grondspoor voorstelt. Mogelijk een graf of afvalkuil. Bij naspeuren in het archief van de AWV bleek niet ver van deze vindplaats al een melding te zijn over prehistorische vondsten welke op 9 december 1959, door de toenmalige archeologische werkgroep, zijn gevonden in het talud van de aan te leggen weg tussen Veltum en Leunen. Deze weg staat nu bekent als Deurneseweg. De vindplaats lag aan de rand van het veld genaamd “Konsveld”, ook “Kaonsveld” geschreven. Tijdens het onderzoek werden bij het graven van een proefsleuf op 1 meter onder het maaiveld 55 prehistorische scherven gevonden. Deze zaten in een kuil waarbij ook houtskool werd gevonden. Hierdoor is later gespeculeerd dat dit een oven kon zijn. De locatie is destijds door professor dr. P.J.R. Modderman (specialist prehistorie) geïnterpreteerd als zijnde een urnenveld. Hiermee dateren we de vondsten Late Bronstijd – Vroege IJzertijd (ongeveer 1050 - 400 v. Chr.).

ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING

4.1 Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context8 Locatie, recente ingrepen en verstoringen Het plangebied, circa 2 hectare, ligt aan de In de Wieën, ongeveer 1 kilometer ten zuiden van de kern van Venray in de gemeente Venray (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte tussen de circa 25,8 meter +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Venray, sectie L, nummer 5640. Volgens de topografische kaart van Nederland, 52 B (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 196.029/ Y: 392.020. Het plangebied is in gebruik als sportveld (honkbalterrein) (zie figuur 3). Over het algemeen bestaat de bodemopbouw in een groot deel van het plangebied uit A-C profielen, plaatselijk A-B/C profielen. De overgang tussen beide lagen is abrupt. De Ahorizont betreft een bouwvoor/hoge enkeerdgrond. Plaatselijk zijn onder in de A-horizont resten aangetroffen die wijzen op een oude akkerlaag. Er zijn geen aanwijzingen dat de BC-/C-horizont, die bestaat uit matig fijn zwak tot matig siltig zand, diepgaand is verstoord (zie figuur 4). Fysiek-landschappelijke, geologische, geomorfologische en bodemkundige kenmerken Het dekzand, dat in het plangebied aan het oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel.

De afzettingen van de Formatie van Boxtel zijn afgezet gedurende de laatste ijstijd. Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd een pakket dekzand afgezet. In het Dinoloket staat één boring die in het plangebied is gezet. Hieruit blijkt dat de bovenste 4 meter van de ondergrond bestaat uit

8 Schutte, 2024a & Schutte, 2024b.

10686.010 versie 1

4 / 45

matig tot zeer fijne zandafzettingen, plaatselijk zwak tot sterk siltig. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Venray bevindt, is de geomorfologie niet gekarteerd (zie figuur 5). Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied ligt op dekzandwelvingen (code L51yc), mogelijk aan de rand van een beekdal. Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgrond (code zEZ23-VII) (zie figuur 6). Dit zijn oude bouwlanden die op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen. Het plangebied heeft grondwatertrap VII. Regionale archeologische context (zie figuur 7) Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Venray ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting voor droge en natte gebieden. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied ligt één AMK-terrein, 470 meter ten noorden de oude stadskern van Venray. Ongeveer 510 meter te zuidoosten ligt het AMK-terrein oude dorpskern van Leunen. Binnen deze terreinen gaat de bewoning in ieder geval terug tot in de Middeleeuwen.

De resultaten van gravende archeologische onderzoeken die binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied zijn uitgevoerd laten zien dat bij een proefsleuvenonderzoek, ter plaatse van de Sporthal De Wetteling (180 meter ten noorden van het plangebied), geen sporen die wijzen op archeologische vindplaats zijn aangetroffen. Wel zijn vondsten aangetroffen uit de IJzertijd tot Vroege Middeleeuwen die volgens de auteurs wijzen op een vindsplaats uit deze perioden in de nabijheid van de proefsleuven. Bij een archeologische begeleiding voor de regenwaterbuffer korenmolen te Leunen (480 meter ten zuidoosten van het plangebied) zijn in het vlak een aantal oude beekarmen, ontwateringsgreppels en ploegsporen blootgelegd. In deze grondsporen zaten vondsten van recente datum: afvalmateriaal (baksteen, dakpan en aardewerk). Bij een archeologische controle, aan de Zuivelweg 3 te Leunen (ongeveer 140 meter ten zuidwesten van het plangebied), zijn door leden van de Archeologische Werkgroep Venray in 2014 vondsten en een spoor aangetroffen uit de prehistorie op een perceel waar eerder een varkensstal was gesloopt. Uit het spoor zijn scherven verzameld van een pot of urn welke door toedoen van een graafmachine kapot was gedrukt. Hierdoor is niet duidelijk wat dit grondspoor voorstelt. Mogelijk een graf of afvalkuil.

Bij naspeuren in het archief van de AWV bleek niet ver van deze vindplaats al een melding te zijn over prehistorische vondsten welke op 9 december 1959, door de toenmalige archeologische werkgroep, zijn gevonden in het talud van de aan te leggen weg tussen Veltum en Leunen. Deze weg staat nu bekent als Deurneseweg. Tijdens het onderzoek werden bij het graven van een proefsleuf op 1 meter onder het maaiveld 55 prehistorische scherven gevonden. Deze zaten in een kuil waarbij ook houtskool werd gevonden. Hierdoor is later gespeculeerd dat dit een oven kon zijn. De locatie is destijds door professor dr. P.J.R. Modderman (specialist prehistorie) geïnterpreteerd als zijnde een urnenveld. Hiermee dateren we de vondsten Late-Bronstijd – Vroege-IJzertijd (ongeveer 1050 - 400 v. Chr.). De vondsten die binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Een vuursteenvondst is breed gedateerd Paleolithicum tot en met Bronstijd. Voor de rest zijn er geen vondstmeldingen uit het Paleolithicum en Mesolithicum. De andere archeologische periodes zijn wel vertegenwoordigd.

10686.010 versie 1

5 / 45

Cultuurlandschappelijke en historisch-geografische kenmerken Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal was het plangebied gedurende de 19 e eeuw tot in de tweede helft van de 20e eeuw in agrarisch gebruik als weiland, akker, boomgaard. Tussen 1967 en 1978 is het plangebied in gebruik geraakt als sportveld en dat is het nu nog (heden ten dagen honkbalveld).

4.2 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) Aard en ouderdom van de vindplaatsen zijn onbekend. Aard en ouderdom van de vindplaatsen zijn onbekend. Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting uit het bureauonderzoek van Econsultancy is de kans op het voorkomen van archeologische resten middelhoog voor de perioden Paleolithicum en Mesolithicum en hoog voor de perioden Neolithicum - Nieuwe tijd. Het verkennend booronderzoek heeft de verwachting voor de perioden van de Paleolithicum en Mesolithicum echter bijgesteld naar laag, de andere perioden blijven hoog.

4.3 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) Begrenzing en oppervlakte van de totale vindplaats (dus ook buiten het plangebied) De gemiddelde omvang van bewoningssporen is enkele honderden vierkante meters. Landbouwarealen kunnen enkele duizenden vierkante meters omvatten met daarin sporen van greppels van enkele tientallen tot honderden meters lang. Infrastructuur bestaat uit lijnelementen van onbepaalde lengte en breedte. De omvang van resten van rituele handelingen, begravingen en resten van strijd zijn doorgaans beperkt tot puntvondsten. Begrenzing en oppervlakte van (het deel van) de vindplaats binnen het plangebied Idem, met een maximum van circa 2 hectare (totale omvang plangebied).

4.4 Structuren en sporen Op grond van het archeologische vooronderzoek blijkt dat resten van bewoning in het plangebied terug kunnen gaan tot in het Paleolithicum. De verwachte resten kunnen onder meer bestaan uit vuursteenstrooiingen, akkerlagen, nederzettingssporen, grafvelden en rituele plaatsen. De verwachtte grondsporen kunnen bestaan uit paalsporen, muurresten, uitbraaksleuven, beer- en/ of waterputten, afvalkuilen en perceelsscheidingen.

10686.010 versie 1

6 / 45

4.5 Anorganische artefacten Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast aardewerk en natuursteen ook allerhande gebruiksvoorwerpen van ander materiaal (metaal, glas, keramisch bouwmateriaal, leem, etc.) verwacht worden.

4.6 Organische artefacten Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen ook vergankelijke objecten van organisch materiaal verwacht worden, zoals been, dierlijk en menselijk botmateriaal, hout, textiel en leer. Als algemene vuistregel kan worden gesteld dat in die gebiedsdelen waar in een gedeelte van het jaar de gemiddeld laagste grondwaterspiegel dieper is dan 120 centimeter onder maaiveld en de bodem sterk ontkalkt is, weinig of geen goed geconserveerde organische artefacten in onverkoolde toestand worden verwacht. In deze gebiedsdelen zijn die enkel bewaard in verkoolde toestand, maar de mate van conservering zal wisselend zijn. In die gebiedsdelen waar de laagste grondwaterspiegel hoger is dan 120 centimeter onder maaiveld, kunnen organische artefacten daarentegen goed geconserveerd zijn - al dan niet in verkoolde toestand. Verder is de conservering van organisch materiaal in het algemeen beter in diep ingegraven grondsporen, al dan niet in gebiedsdelen met een ontkalkte bodem. Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied en grondwatertrap VII, is het niet waarschijnlijk dat organisch materiaal buiten diep ingegraven grondsporen goed is geconserveerd.

4.7 Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast anorganische en organische vondsten ook resten van zaden, pollen of organisch afval worden aangetroffen. Waar het grondwater permanent aanwezig is, zijn archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten in het algemeen redelijk tot goed geconserveerd. Gezien de archeologische context worden in het algemeen veel van dergelijke resten verwacht, maar of dit daadwerkelijk het geval is, is afhankelijk van factoren als geomorfologie, textuur van de bodem, ontwatering, aanwezigheid van waterkerende lagen en datering. Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat organisch materiaal onverkoold buiten diep ingegraven grondsporen goed is geconserveerd.

4.8 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen De archeologische resten uit de perioden Paleolithicum tot en met Middeleeuwen worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke dekzandafzettingen (C-horizont of indien aanwezig de BChorizont). De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gespro10686.010 versie 1

7 / 45

ken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen worden in de top van de BC- of Chorizont verwacht. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De kans op het voorkomen van deze resten is hoog. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 centimeter onder maaiveld. Het verkennend booronderzoek, dat in 2023 is uitgevoerd door, toont aan dat de BC- of C-horizont zich bevindt op 50 tot 110 centimeter onder maaiveld.9

4.9 Gaafheid en conservering Structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten. Door de lage grondwaterspiegel zal eventueel aanwezig organisch vondstmateriaal - archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten - niet tot slecht geconserveerd zijn en deze resten zullen waarschijnlijk alleen worden aangetroffen in diepe en vochtige sporen. Over de precieze gaafheid en conservering van de mogelijk aanwezige structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten kan niet veel worden gezegd. Dit zal het archeologische onderzoek moeten uitwijzen. Het verkennend booronderzoek heeft aangetoond dat de bodemopbouw in het plangebied verstoord is. Het ontbreken van een E- en een B-horizont geeft aan dat het vondstenniveau verstoord zal zijn. Vooral vindplaatsen van jagers en verzamelaars die bestaan uit vondstspreidingen zullen verstoord zijn. Er zijn geen aanwijzingen dat de BC-/C-horizont diepgaand is verstoord, het eventuele aanwezige archeologisch sporenniveau is mogelijk nog grotendeels intact. Archeologische resten uit het Paleolithicum tot en met Late-Middeleeuwen zullen verstoord zijn, voor de periode Paleolithicum en Mesolithicum dermate dat er geen behoudenswaardige vindplaats uit deze perioden verwacht worden.

Voor de perioden Neolithicum tot en met Nieuwe tijd wordt verwacht dat het sporenniveau (indien aanwezig) redelijk intact zal zijn.

5

DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING

5.1 Doelstelling Het doel van inventariserend veldonderzoek (IVO) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Het IVO gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een plangebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden.

9 Schutte, 2024b.

10686.010 versie 1

8 / 45

5.2 Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders Het in dit PvE omschreven onderzoek is inventariserend van karakter en heeft niet als primair doel voort te bouwen op de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie. Beleidsplatform Erfgoed Limburg10 De Provincie Limburg heeft de archeologische kennisstand, kennislacunes en kenniswinst laten onderzoeken op basis van onderzoeksrapporten vervaardigd tussen 2007 en 2013. In 2007 was reeds een kennisstand opgemaakt op basis van onderzoeken uitgevoerd tussen 1995 en 2006. Om de opgedane archeologische kennis te synthetiseren zijn in 2017 vier rapporten gepubliceerd die samen een actueel overzicht geven van de kennis per periode, per thema en per landschap.11 De syntheserapporten beslaan de Vroege-Prehistorie, LatePrehistorie, Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De komende jaren wensen Provincie en gemeenten, samenwerkend in het Beleidsplatform Erfgoed Limburg, te werken aan het actueel houden van de opgedane kennis. In dat kader worden de syntheserapporten verbonden aan elk gravend archeologisch onderzoek in de Provincie Limburg. In dit kader dienen bij gravende onderzoeken binnen de Provincie Limburg de onderstaande vragen behandeld te worden.

• Heeft het onderhavige onderzoek een bijdrage geleverd aan de kennisstand archeologie zoals weergegeven in de provinciale synthese uit 2017 en het nu beschikbare rapport over de Middeleeuwen en Nieuwe tijd? • Welke nieuwe inzichten heeft het onderzoek in dat opzicht opgeleverd en op welk vlak (periode, gebied, thema)?

5.3 Onderzoeksvragen De belangrijkste vraagstelling betreft het toetsen van de archeologische verwachting. Bij het Inventariserend Veldonderzoek Proefsleuven dienen de onderstaande onderzoeksvragen te worden beantwoord. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig? Zo ja, wat is de aard, omvang, ouderdom, herkomst, kwaliteit en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)? Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat? Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio en Venray aanscherpen? Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? In welke mate zijn de plangebieden verstoord? Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats(en) (licht dit toe)? Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving?

10 Beleidsplatform Erfgoed Limburg. 11 https://www.limburg.nl/onderwerpen/cultuur/archeologie/arch-onderzoek/.

10686.010 versie 1

9 / 45

9. Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving? 10. Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is de reden voor de afwezigheid van archeologisch resten? De mogelijke aanwezige vindplaatsen worden aan de hand van de gestelde vragen gewaardeerd conform KNA versie 4.1 (d.d. 19-02-2018), bijlage IV Waarderen van vindplaatsen. Aanbevolen wordt ook om de methodiek uit de SIKB leidraad Standaard Archeologische Monitoring te volgen voor het bepalen van de fysieke kwaliteit. Periode en sites Dit aspect van het onderzoek richt zich op de aard, ouderdom, omvang en andere archeologische kenmerken van de vindplaatsen. Hieruit zijn de volgende vragen afgeleid: 11. Welke en hoeveel vindplaatsen zijn in het plangebied te herkennen? 12. Wat is per archeologische site in het plangebied: o de ligging (inclusief diepteligging) o de geologische en/of bodemkundige eenheid o de omvang (inclusief verticale dimensies) o het type en de functie van de sites of off-site patronen o de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia)? 13. Wat is, indien aanwezig: o de ouderdom van de cultuurlaag o de vondst- en spoordichtheid o de stratigrafie voor zover aanwezig o de ouderdom, periodisering, typechronologische classificatie? 14.

Wanneer zijn vindplaatsen in onbruik geraakt? Landschap en bodem Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaatsen in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: 15. Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? 16. Waar bevindt zich binnen het plangebied het eerddek? Als een eerddek afwezig is, komt dat doordat het er waarschijnlijk niet ontwikkeld is of omdat het in een later stadium weer verwijderd is? 17. Indien er een eerddek wordt aangetroffen, wat is de dikte en wanneer is dit eerddek aangelegd? 18. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? 19. Wat is de paleo-ecologische context van het plangebied? Liggen in het plangebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)? 20. In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein? Vraagstelling specialistisch onderzoek 21. Is de vindplaats geschikt voor archeobotanisch, archeozoölogisch, fysisch-antropologisch, fysisch geografisch, geofysisch en dateringsonderzoek? Licht dit toe. 10686.010 versie 1

10 / 45

5.4 Aanbeveling Op basis van de resultaten van het archeologisch proefsleuvenonderzoek dient een aanbeveling te worden gedaan betreffende een archeologisch verantwoorde omgang met het plangebied. Met betrekking tot die omgang zijn er drie opties: • behoud in situ; • definitief onderzoek; • vrijgeven. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de bevoegde overheid een selectiebesluit te kunnen maken. Het proefsleuvenonderzoek dient ook uitspraken te doen over de archeologische verwachting van de directe omgeving van het plangebied.

6

STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN

6.1 Strategie De onderzoeksvragen kunnen worden beantwoord door middel van een karterend/waarderend proefsleuvenonderzoek. Het uitgangspunt is een vindplaatsgerichte benadering. Door middel van het proefsleuvenonderzoek moet inzicht worden verkregen in onder andere de aan- of afwezigheid en gaafheid van grondsporen en vondstconcentraties en de aan- of afwezigheid en conservering van paleo-ecologische resten. Het team dat het proefsleuvenonderzoek uitvoert staat onder leiding van een Senior KNA Archeoloog die ervaring heeft met onderzoek in het Brabants zandgebied, of in vergelijkbare regio’s. In het veld worden de werkzaamheden uitgevoerd door dezelfde Senior KNA Archeoloog als dagelijks wetenschappelijk leider, bijgestaan door minimaal een veldtechnicus/archeoloog. De aanleg van het eerste vlak gebeurt in aanwezigheid van de Senior KNA Archeoloog. In het plangebied worden 18 proefsleuven aangelegd van 25 x 4 meter (zie figuur 8). Hiermee wordt 1.800 m2, ongeveer 9 % van het plangebied onderzocht. Er kan maximaal 200 m² extra proefsleuf aangelegd worden, indien van belang en noodzakelijk voor een goede waardenstelling.

Deze aanvullende vierkante meters kunnen worden gebruikt om nieuwe proefsleuven aan te leggen of een proefsleuf te verlengen of te verbreden, bijvoorbeeld om een groter deel van een structuur bloot te leggen, een spoor te vervolgen of om de begrenzing van een vindplaats beter in beeld te brengen. Dit gebeurt alleen in overleg en na goedkeuring van de bevoegde overheid. Onder toezicht van een Senior KNA Archeoloog, bijgestaan door een (KNA) archeoloog of veldtechnicus, dient bij het proefsleuvenonderzoek laagsgewijs ontgraven te worden. Alle aangetroffen archeologische sporen (van voor 1946) dienen te worden onderzocht en gedocumenteerd, behoud ex situ. 10686.010 versie 1

11 / 45

6.2 Methoden en technieken Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA versie 4.1 (d.d. 19-02-2018). Voorwerk • Het schrijven van een Plan van Aanpak (PvA) (KNA-specificatie OS01); dit is een handleiding voor het onderzoek. • Het doen van de onderzoeksmelding bij het centrale systeem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) door het aanvragen van een Archis3 onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr). • Het definitieve PvE wordt door de uitvoerder per email en vóór aanvang van het onderzoek, ter kennisgeving naar de depothouder gestuurd. Veldwerk

• Er wordt uitgegaan van een onderzoek met een standaard complexiteit. Alle werkzaamheden zullen wor•

•

• • • • • • •

•

• •

den uitgevoerd conform KNA-specificaties OS02 t/m OS 09. In het plangebied worden 18 proefsleuven aangelegd van 25 x 4 meter (zie figuur 8). Hiermee wordt 1800 m2, ongeveer 9 % van het plangebied onderzocht. Er kan maximaal 200 m² extra proefsleuf aangelegd worden, indien van belang en noodzakelijk voor een goede waardenstelling. Het graafwerk wordt uitgevoerd door een machinist die ervaring heeft met archeologisch werk. Indien deze niet voorhanden is dient de machinist extra goed geïnstrueerd en begeleid te worden door de Senior KNA Archeoloog. Er wordt gewerkt met een machine met voldoende capaciteit die is voorzien van een zogenaamde gladde bak. De proefsleuven wordt laagsgewijs verdiept totdat het niveau is bereikt waarop de verwachte grondsporen zichtbaar worden. Zodra archeologische sporen worden aangetroffen, zal een leesbaar vlak moeten worden aangelegd. Er wordt uitgegaan van de aanleg van één vlak. Mocht het noodzakelijk zijn om een tweede vlak aan te leggen, dan dienen de sporen in het eerste vlak afgewerkt te zijn. In verband met de mogelijkheid dat de mogelijke vindplaats(en) behouden blijft/blijven, in situ, mag het graafwerk niet destructiever zijn dan strikt noodzakelijk. Er worden foto’s gemaakt van de algemene situatie, waaronder het terrein en omgeving bij aanvang van het werk, de vlakken, de profielen, en de coupes.

Tevens worden er van belangwekkende en/of kwetsbare vondsten op de plaats van aantreffen foto’s gemaakt. Ten behoeve van publicatie of expositie worden ook actie- of illustratieve foto’s gemaakt. De algemene velddocumentatie bestaat uit de registratie en documentatie van de werkzaamheden in het veld, met name de administratieve zijde daarvan. Dit omvat tevens het digitale gegevensbeheer van de velddocumentatie. Tijdens het onderzoek wordt materiaal verzameld om een uitspraak te kunnen doen over de datering, de eventuele fasering en de conserveringstoestand van de bodemlagen. Vondsten uit bodemlagen gedaan bij de aanleg van de proefsleuven worden in vakken van 5 x 4 m per bodemlaag verzameld.

10686.010 versie 1

12 / 45

• Vondsten afkomstig van en uit sporen, worden per spoor en vulling geregistreerd. • Stortvondsten worden per proefsleuf onder een vondstnummer verzameld. • Bijzondere vondsten dienen apart te worden ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer te worden geregistreerd. • Ook bijzondere deposities binnen sporen worden afzonderlijk geregistreerd door middel van fotografie en tekening. Het materiaal zelf wordt individueel (X-, Y- en Z-waarde) en gescheiden van het overige vondstmateriaal in het spoor verzameld. • Bij de aanleg van de proefsleuven wordt per haal van de graafmachine het dan voorliggende vlak met een metaaldetector gecontroleerd op de aanwezigheid van metalen voorwerpen. Dit geldt eveneens voor de uitgekomen grond. • Het discriminatieniveau van de metaaldetector dient zo laag mogelijk gehouden te worden. • De metaaldetector dient te worden gehanteerd door een hierin ervaren medewerker. • Metaalvondsten in het vlak en in sporen worden als puntvondst ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer geregistreerd. • Daarnaast dient de stort met een metaaldetector te worden onderzocht. • Bij het waterpassen van het vlak om de 5 m, wordt telkens ook het maaiveld direct buiten de proefsleuven meegenomen. • De verschillende vondstcategorieën worden zodanig verpakt, dat de conditie van het materiaal zo goed mogelijk blijft. Registratie vindt plaats op een vondstenlijst.

Registratie en inventarisatie van het vondstmateriaal gebeurt direct na afronding van het veldwerk. • Alle aanpassingen van het proefsleuvenonderzoek gebeuren te allen tijde in overleg met de voor het project verantwoordelijke Senior KNA Archeoloog. Grote aanpassingen gebeuren te allen tijde in overleg met de bevoegde overheid. • Er wordt vooralsnog niet uitgegaan van specialistisch onderzoek in het veld. Indien dit noodzakelijk blijkt, dan alleen na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. • Bij het aantreffen van meer dan drie stuks bewerkt vuursteen in situ in een vak van 5 x 4 m, dient er rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van een vuursteenconcentratie. In een dergelijk geval worden verspreid over de vermoede concentratie vier megaboringen gezet, diameter 15 cm. De grond wordt gezeefd met een zeef met een maaswijdte van 3 mm. Het boren vindt plaats tot een diepte waarop in twee achtereenvolgende boringen geen artefacten meer worden aangetroffen. Bij positieve resultaten wordt het vlak niet verder verdiept, omdat een vuursteenvindplaats met een andere opgravingsstrategie moet worden opgegraven.

6.3 Omgang kwetsbare vondsten en monsters Kwetsbare vondsten en monsters dienen behandeld te worden conform OS11/OS11wb en de KNA-Leidraad “Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal”. In gevallen van kwetsbaar materiaal waarbij direct ernstig informatieverlies kan optreden, dient een specialist betrokken te worden. Wat betreft de opslag van vondstmateriaal levert een koele en donkere ruimte de meeste stabiliteit op. Voor kwetsbare materiaalgroepen is doorgaans meer nodig om de stabiliteit zo veel mogelijk te garanderen. Voor het behandelen en verpakken van vondsten en monsters ten behoeve van de tijdelijke

10686.010 versie 1

13 / 45

opslag dienen per kwetsbare materiaalgroep de betreffende subspecificaties binnen OS11 gehanteerd te worden; ook de KNA-leidraad Veldhandleiding archeologie en de KNA-leidraad Eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal dienen tijdens het veldwerk en de opslag gehanteerd te worden. Tevens geldt voor alle materiaalcategorieën het advies van de specialist.

6.4 Structuren en grondsporen • •

• • • •

• • • •

•

• •

• • •

Er dient te worden gewerkt conform KNA-specificatie OS03 t/m OS09 (opgraven). De sporen worden getekend; de vlakken op schaal 1:50 en de eventuele coupetekeningen en profielen op schaal 1:20, graven op schaal 1:10. Verder worden de sporen gefotografeerd en wordt de hoogte ten opzichte van NAP bepaald. De vlakken mogen ook met een GPS of Total Station getekend worden. Sporen in het vlak worden gedocumenteerd; de geïdentificeerde sporen worden beschreven en vastgelegd in dag- en weekrapporten en op daartoe geëigende formulieren, conform KNA versie 4.1 (d.d. 19-02-2018). Van de aangetroffen sporen wordt een representatieve selectie gecoupeerd met als doel de kwaliteit vast te stellen. De sporen worden vooralsnog niet afgewerkt. Greppels en geïsoleerde sporen worden gecoupeerd en gedocumenteerd. Grondsporen die deel uit maken van een (gebouw)structuur of grote concentraties grondsporen dienen daarentegen in eerste instantie alleen (selectief) te worden gecoupeerd en niet te worden afgewerkt. Dit heeft als doel de datering en de conservering zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, waarbij de archeologische resten zoveel mogelijk intact gehouden worden. Dit ter beantwoording van de onderzoeksvragen. Aangetroffen graven (inhumaties/crematies) worden gedocumenteerd conform KNA versie 4.1 (d.d. 19-022018), de graven worden niet geborgen.

Aangetroffen funderingen, vloeren en water- of beerputten dienen aanvankelijk behouden te blijven. De coupes dienen individueel ingemeten te worden (X-, Y-, en Z-waarden). Splitsingen en oversnijdingen van sporen dienen op een dusdanige manier vastgelegd en onderzocht te worden, dat een eventuele fasering vastgesteld kan worden. Vondsten afkomstig uit dergelijke sporen worden per spoor en eventueel daarin te onderscheiden vullingen verzameld. De gevonden lagen, grondsporen en structuren dienen zo mogelijk per periode te worden beschreven. De mate van uitwerking dient te zijn afgestemd op de vraagstellingen. Tevens dienen ze te worden meegenomen in de interpretatie en conclusie(s). De vulling van sporen uit de Steentijd dient te worden gezeefd over een maaswijdte van 3 mm. Muurwerk moet worden ingemeten, gefotografeerd en onderzocht op constructieve aard, omvang en ouderdom conform KNA versie 4.1 (d.d. 19-02-2018). Baksteengrootte, metselverband en tienlaagsmaat dient genoteerd te worden, indien aanwezig. Bodemlagen moeten ten opzichte van eventueel muurwerk afzonderlijk worden beoordeeld. Bij putten dient het onderscheid gemaakt te worden tussen water-, afval- en beerputten. Indien de vulling een vondstcomplex bevat, wordt materiaal met diagnostische kenmerken verzameld. Kansrijke sporen worden bemonsterd.

10686.010 versie 1

14 / 45

6.5 Aardwetenschappelijk onderzoek Het aardwetenschappelijk onderzoek dient te worden uitgevoerd door een fysisch-geograaf of een Senior KNA archeoloog/prospector met aantoonbare ervaring op de hier verwachte bodem en geologie. Van de proefsleuven dient een lengte profiel te worden onderzocht op mogelijke verstoringen, het bewoningsniveau en de mate waarin de eventuele vindplaats is opgenomen in de enkeerdgrond/de bouwvoor. Van het lengteprofiel worden in iedere proefsleuf twee profielkolommen (aan het eind en aan het begin van de sleuf) van 1 m breed tot 30 cm in de schone C aangelegd en gedocumenteerd. Mochten er tussen de kolommen grote verschillen zitten dan dient het tussenliggende deel aangelegd en gedocumenteerd te worden om overgangen vast te leggen.

6.6 Anorganische artefacten • Archeologisch relevante artefacten die worden aangetroffen worden verzameld. Indien mogelijk worden verschillende lagen van elkaar gescheiden. Spoorvondsten worden per spoor verzameld. Stortvondsten worden onder één nummer per proefsleuf verzameld. • Archeologisch relevante vondsten en/of vondststrooiingen en/of clusters artefacten worden ter plaatse ingemeten en voorzien van een X-, Y-, en Z-waarden. • Kwetsbare vondsten moeten door middel van speciale zorg en behandeling behouden (c.q. geconserveerd) worden conform KNA versie 4.1 (d.d. 19-02-2018). • Bij de vondst van bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de uitwerking ter hand genomen wordt. • Wanneer de in het veld aangetroffen vondsten (hoeveelheden, soorten materialen, soorten objecten en/of dateringen en conservering) significant afwijken van wat er verwacht wordt of kan worden, is overleg nodig tussen de bevoegde overheid, de opdrachtgever en de depothouder, op aangeven van de opdrachtnemer. De depothouder maakt zijn wensen ten aanzien van selectie-deselectie van het onvoorziene materiaal kenbaar aan de opdrachtgever. Zo nodig komt ook de omgang met daarmee gemoeide extra kosten aan bod. De opdrachtnemer wordt over de uitkomsten van het overleg geïnformeerd door de bevoegde overheid.

Zo nodig informeert de depothouder (/eigenaar) tevens de depotbeheerder. Binnen twee dagen vanaf het moment van aantoonbaar melden/persoonlijk contact met/bij de depothouder dient een reactie ten aanzien van het wel/niet meenemen van het materiaal door de depothouder te zijn gegeven. Bij het uitblijven van een reactie binnen de afgesproken termijn mogen de overige partijen beslissen of zij het materiaal wel/niet uit het veld meenemen. • Uitzondering op het bovenstaande vormt de materiaalcategorie ‘bouwmateriaal, onversierd’; dit kan meteen in het veld door de uitvoerende archeologen representatief worden geselecteerd.

10686.010 versie 1

15 / 45

6.7 Organische artefacten •

• • •

Archeologisch relevante artefacten die worden aangetroffen, worden verzameld. Indien mogelijk worden vondsten uit verschillende lagen van elkaar gescheiden. Spoorvondsten worden per spoor verzameld. Stortvondsten worden onder één nummer per proefsleuf verzameld. Kwetsbare vondsten moeten door middel van speciale zorg en behandeling behouden (c.q. geconserveerd) worden conform KNA versie 4.1 (d.d. 19-02-2018). De organische artefacten dienen in het veld op zodanige wijze te worden verzameld zodat ze na determinatie en uitwerking een antwoord geven op de gestelde onderzoeksvragen. Bij de vondst van bijzondere organische artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de uitwerking en conservering ter hand genomen wordt.

6.8 Archeozoölogische en -botanische resten •

• • •

Uit relevante, kansrijke contexten (bijvoorbeeld sporen of vondststrooingen met veel verkoold materiaal en andere paleo-ecologische resten) dienen monsters genomen te worden ten behoeve van analyse door specialisten (archeobotanisch onderzoek). Monstername ten behoeve van absolute dateringsmethoden gebeurt uitsluitend indien de aangetroffen archeologische sporen en materialen niet op andere wijze te dateren zijn. De monsters worden nog niet gezeefd tijdens het veldwerk. In overleg met de bevoegde overheid en de opdrachtgever zal worden bepaald of analyse van de monsters noodzakelijk is. Analyse dient zich primair te richten op het verkrijgen van antwoorden op de boven verwoorde onderzoeksvragen.

6.9 Overige resten Ter beantwoording van de onderzoeksvragen dienen relevante monsters genomen te worden voor onder meer micromorfologisch, botanisch, diatomeeën, mijten, insecten onderzoek, pollen en nonpalynomorfe pollen (NPP) analyse en geochemisch onderzoek. Deze monsternames dienen te geschieden op basis van interpretatie door de Senior KNA Archeoloog indien noodzakelijk in samenspraak met de daartoe ter zakekundige specialist.

6.10 Dateringstechieken Belangrijke sporen, die niet met behulp van vondsten kunnen worden gedateerd, kunnen, indien zij organisch materiaal bevatten, met behulp van een 14C-datering worden gedateerd. Daartoe dienen monsters van kansrij-

10686.010 versie 1

16 / 45

ke lagen of materialen te worden genomen. Een andere mogelijkheid om de ouderdom vast te stellen, is door middel van Optical Stimulated Luminescence (OSL-datering).

6.11 Bouwstenen Een bouwsteen is gedefinieerd als een logische of logistieke informatie-eenheid van de documentatie van een gravend onderzoek. Deze bouwstenen definiëren de wijze van documenteren van de basisgegevens van een specifiek (waarnemings)proces of een specifieke activiteit binnen een archeologisch onderzoek, te weten administratieve (bijvoorbeeld: project en Archis3 onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)) en ruimtelijkgeografische (de positie en ruimtelijke begrenzing). Een bouwsteen, of een combinatie van bouwstenen, kan bijvoorbeeld de vorm hebben van een analoge (papieren) lijst of veldtekening, maar ook van een digitale databasetabel of een kaartlaag in een CAD- of GIS-toepassing. Van de werkzaamheden in het veld dienen dag- en weekrapporten te worden bijgehouden. Tevens dienen sporen op spoorformulieren, vondsten op vondstformulieren, monsters op monsterformulieren, tekeningen op tekeningformulieren en foto’ s op fotoformulieren te worden geregistreerd.

6.12 Complexiteit De complexiteit van het archeologisch onderzoek is standaard. De mogelijkheid van het voorkomen van meerdere perioden is het enige dat het onderzoek gecompliceerd kan maken.

6.13 Beperkingen Vanwege het inventariserende karakter van het proefsleuvenonderzoek mogen grotere structuren (bijvoorbeeld beschoeiingen en muurresten) niet verwijderd worden, deze zullen pas volledig worden onderzocht indien er een opgraving plaats zal vinden. Door deze beperking kan mogelijk niet op alle onderzoeksvragen een duidelijk antwoord gegeven worden. Het nader uitwerken van materiaalgroepen en het conserveren van artefacten gebeurt nadat er een selectie- en waarderingsrapport is geschreven waarin de voorgenomen uitwerkingen worden verwoord en beargumenteerd. Uiteindelijke uitwerking en conservering wordt in overleg met en na goedkeuring van de opdrachtgever en de bevoegde overheid gedaan.

10686.010 versie 1

17 / 45

7

UITWERKING EN CONSERVERING

7.1 Structuren, grondsporen en vondstspreidingen • De structuren en grondsporen worden zodanig uitgewerkt dat de vraagstelling kan worden beantwoord. • De analyse van de sporen is gericht op het herkennen van structuren, het toekennen van een betekenis aan de individuele sporen en/of structuren, het vinden van patronen in de materiële cultuur en het dateren van de betreffende sporen. • Beschrijving structuren en grondsporen: - verspreiding en diepteligging; - beschrijving aard, fysieke kwaliteit en ouderdom (zo mogelijk). • De aangetroffen lagen, grondsporen en structuren dienen per periode te worden beschreven. De mate van uitwerking dient te zijn afgestemd op de beantwoording van de vraagstellingen. Tevens dienen de lagen, grondsporen en structuren te worden meegenomen in de interpretatie en in de conclusie(s). • Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een allesporenkaart voorzien van het landelijke coördinatengrid en topografie. Daarnaast wordt per periode een overzichtskaart gemaakt van alle sporen en structuren.

7.2 Analyse aardewetenschappelijke gegevens Aardwetenschappelijke analyse vindt indien mogelijk plaats in het veld op basis van het bestudeerde profiel. Deze analyse zal in de regel worden uitgevoerd door de Senior KNA Archeoloog/fysisch geograaf. De veldgegevens van het vlak en de profielen moeten uitgewerkt worden in tekeningen en kaarten met een overzichtelijke codering conform KNA versie 4.1 (d.d. 19-02-2018). De bodemlagen moeten duidelijk worden aangegeven in de profielen met daaraan gekoppeld een (globale) datering.

7.3 Anorganische artefacten • De primaire vondstverwerking bestaat uit het wassen van vondsten, het administreren van de vondsten per vondstnummer en het scheiden in verschillende materiaalcategorieën. • De anorganische artefacten dienen te worden uitgewerkt tot op het niveau dat nodig is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. • Aardewerk: determinatie per periode, eventueel op type. • Natuursteen: determinaties op gesteentesoort en op werktuig/gebruikstype. • Metaal: op metaalsoort, zo mogelijk op artefacttype en periode. • Vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak worden oppervlakkig bekeken en slechts bij bijzondere vondsten nader beschreven en geanalyseerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15858674/1