CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

B2 - Eindrapport zienswijzen en ambtshalve wijzigingen TAM-Omgevingsplan Poort van Castenray

Gemeenteraad 30 juni 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray18.385 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Niet gevonden in dit document.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o ‘Poort van Castenray’ (concept)Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

<> juni 2026 Gemeente Venray Postbus 500 5800 AM Venray

Samengesteld door Team Ruimtelijke Ontwikkeling

1

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

2

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

Inhoud 1

Inleiding

4

2

Zienswijzen

6

2.1

Zienswijze Reclamant 1

6

2.2

Zienswijze Reclamant 2

8

2.3

Zienswijze reclamant 3

12

2.4

Zienswijze Reclamant 4

20

2.5

Zienswijze Reclamant 5

29

2.6

Zienswijze Reclamant 6

3

4

37

Wijzigingen

46

3.1

Inleiding

46

3.2

Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen

46

3.3

Ambtshalve wijzigingen

Vervolgprocedure

47 49

Bijlagen Bijlage A

Ingediende zienswijze (Niet openbaar)

Bijlage B

Memo Endotoxine d.d. 27-3-2026

3

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

1

Inleiding

Dit rapport bevat de gemeentelijke reactie op de binnengekomen zienswijzen naar aanleiding van de terinzagelegging van het ontwerp TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray, met het identificatienummer NL.IMRO.0984.TAM25011-on01. Het ontwerp TAM-Omgevingsplan heeft ter visie gelegen van 19 december 2025 tot en met 29 januari 2026. Tijdens de inzagetermijn heeft eenieder het recht gehad een schriftelijke of mondelinge zienswijze in te dienen bij de gemeenteraad. In deze nota wordt ingegaan op de ingediende zienswijzen op het ontwerp TAM-Omgevingsplan. Zienswijzen Er zijn in totaal 6 zienswijzen op het ontwerp TAM-Omgevingsplan ingekomen. De persoonsgegevens van de indieners van de zienswijzen (hierna: reclamanten) zijn geanonimiseerd verwerkt in dit rapport, in verband met de bescherming van de privacy van de gegevens bij internetpublicatie. -

Reclamant 1, schriftelijke zienswijze d.d. 20 december 2025, ingekomen op 20 december 2025.

-

Reclamant 2, schriftelijke zienswijze d.d. 20 december 2025, ingekomen op 20 december 2025.

-

Reclamant 3, schriftelijke zienswijze d.d. 22 januari 2026, ingekomen op 23 januari 2026.

-

Reclamant 4, schriftelijke zienswijze d.d. 28 januari 2026, ingekomen op 29 januari 2026.

-

Reclamant 5, schriftelijke zienswijze d.d. 21 januari 2026, ingekomen op 21 januari 2026.

-

Reclamant 6, schriftelijke zienswijze d.d. 27 januari 2026, ingekomen op 27 januari 2026.

De inhoudelijke zienswijzen inclusief adresgegevens zijn opgenomen in de vertrouwelijke bijlage A. Ontvankelijkheid De zienswijzen zijn binnen de daartoe gestelde termijn verzonden naar de gemeente en derhalve ontvankelijk. Leeswijzer In hoofdstuk 2 volgt de samenvatting van de zienswijzen. De zienswijzen zijn daarin beknopt en zakelijk weergegeven. Voor zover bij de samenvatting van de zienswijzen onderdelen van de betreffende reacties niet of niet geheel worden genoemd, betekent dit niet dat deze buiten beschouwing zijn gebleven. De zienswijzen zijn in hun geheel beoordeeld. De samengevatte zienswijzen worden voorzien van een gemeentelijk standpunt. Daarbij is aangegeven of en in hoeverre de reacties leiden tot aanpassing van het vast te stellen TAM-Omgevingsplan. In hoofdstuk 3 volgt een uiteenzetting van de (ambtshalve) aanpassingen van het vast te stellen plan ten opzichte van

4

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

het ontwerp TAM-omgevingsplan. Tenslotte volgt in hoofdstuk 4 een toelichting over de vervolgprocedure. Bijlage A bevat de persoonsgegevens van de indiener van de zienswijze en de inhoudelijke reacties. Deze bijlage A is vanwege de vermelde persoonsgegevens van de natuurlijke personen vertrouwelijk en zal niet ter inzage worden gelegd.

5

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

2

Zienswijzen

2.1

Zienswijze Reclamant 1

Ontvankelijkheid -

Schriftelijke zienswijze d.d. 20 december 2025, ontvangen op 20 december 2025.

-

De zienswijze is binnen de gestelde termijn ingediend.

-

De zienswijze is inhoudelijk onderbouwd.

-

De zienswijze is dan ook ontvankelijk.

Reactie De zienswijze van reclamant gaat in op het volgende punten: 1. Reclamant is direct omwonende van het plangebied. In het ontwerp zijn twee ontsluitingswegen voorzien die aansluiten op de Horsterweg, waarvan één recht tegenover de woning en oprit van reclamant is gesitueerd. Reclamant acht deze situering onwenselijk, omdat dit volgens hem zal leiden tot lichtoverlast door koplampen van voertuigen, met name in de avonden nachturen, alsmede tot extra verkeershinder, verminderde privacy en aantasting van het woon- en leefklimaat. Reclamant verzoekt de betreffende ontsluitingsweg verder naar links te verplaatsen, zodat deze uitkomt tegenover het aangrenzende weiland in plaats van tegenover zijn woning, teneinde de overlast te beperken zonder dat dit onevenredig nadelige gevolgen heeft voor de ontsluiting van de nieuwe woonwijk. Standpunt gemeente 1. Aan de huidige stedenbouwkundige opzet, met inbegrip van de situering van de ontsluitingswegen, is een uitgebreid traject voorafgegaan, waarbij vanuit verschillende invalshoeken is gezocht naar een optimale ontsluiting van het beoogde woongebied. Naar aanleiding van de ingediende zienswijze is desondanks nogmaals kritisch naar het verzoek tot verschuiving van de betreffende ontsluitingsweg gekeken. Daarbij is onderzocht of een verschuiving mogelijk en wenselijk zou zijn. Geconcludeerd is dat dit niet het geval is.

Dit onder meer vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid en vanuit het oogpunt van een gelijke behandeling van personen. Er is dan ook voor gekozen om de huidige variant te handhaven. Onderstaand wordt dit nader toegelicht. Met het verder verschuiven van de westelijke ontsluiting is het noodzakelijk dat ook de komgrens mee verschuift. Het plangebied moet namelijk binnen de bebouwde kom komen te liggen. Daaraan gekoppeld zit dan ook de verschuiving van de overgang van ‘fietsers op de rijbaan’ (binnen de bebouwde kom) naar ‘fietsers op de fietspaden’ (buiten de bebouwde kom). Het verschuiven van deze overgang voor fietsers is verkeerstechnisch niet mogelijk gebleken. De enige optie, met de voorwaarde van behoud van alle bomen, is ter hoogte van de inrit huisnummer 41. Het mengen van deze fietsovergang (fietser van de rijbaan naar het fietspad) op een inrit, tussen de bomen, wordt als onveilig beschouwd. Het nog verder weg

6

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

verplaatsen van de komgrens is geen optie. De daadwerkelijke bebouwde kom, en dus ook het snelheidsregime, wordt in praktijk qua uitstraling vervolgens ongeloofwaardig. Bij de oostelijke ontsluiting zou een verplaatsing verkeerskundig in principe mogelijk zijn. Dit zou echter tot gevolg hebben dat de ontsluitingen dicht bij elkaar komen te liggen. Dit is vanuit stedenbouwkundig niet wenselijk. Tot slot wordt het wenselijk geacht om de indieners van de zienswijzen gelijk te behandelen. De analyse heeft geleid tot de conclusie om het huidige ontwerp te handhaven. Bij planvorming is reeds rekening gehouden met de situering van de in- en uitritten, zodat inschijnen zoveel mogelijk beperkt wordt. De inritten en uitritten zijn niet recht tegenover woningen gesitueerd. Van inschijning is alleen sprake bij het afdraaien van voertuigen. Dit is niet anders dan bij reguliere situaties in een woonomgeving. In de uitvoeringsfase wordt het gesprek aangegaan met reclamant om na te gaan of rondom de woning en/of tuin aanvullende middelen kunnen worden getroffen om lichtinval richting de woning verder te beperken. In relatie tot verkeershinder wordt tot slot opgemerkt dat uit het uitgevoerde verkeerskundig onderzoek is gebleken dat de ontwikkeling vanuit verkeerskundig oogpunt inpasbaar wordt geacht op het omliggende wegennet.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat de komgrens wordt verschoven en dat de maximumsnelheid voor het wegdeel dat binnen de bebouwde kom komt te vallen, wordt teruggebracht van 50 km/h naar 30 km/h, hetgeen eventuele hinder zal beperken. Ook zal de drempel worden verplaatst. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om het TAM-Omgevingsplan aan te passen.

7

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

2.2

Zienswijze Reclamant 2

Ontvankelijkheid -

Schriftelijke zienswijze d.d. 20 december 2025, ontvangen op 20 december 2025.

-

De zienswijze is binnen de gestelde termijn ingediend.

-

De zienswijze is inhoudelijk onderbouwd.

-

De zienswijze is dan ook ontvankelijk.

Reactie De zienswijze van reclamant gaat in op het volgende punten: 1. Reclamant kan zich niet vinden in de voorgenomen realisatie van 89 woningen. Zowel het aantal woningen als de locatie worden problematisch en ongeschikt geacht. Volgens reclamant gaat de ontwikkeling ten koste van woonplezier, uitzicht en toename van geluid, trillingen en (verkeers)onveiligheid. 2. Reclamant wijst op de reeds toegenomen verkeersdruk op de Horsterweg en stelt dat de toevoeging van 89 woningen, met naar verwachting minimaal twee auto’s per woning, zal leiden tot een aanzienlijke verdere toename van verkeersbewegingen, inclusief bezoek- en bezorgverkeer. Tevens wordt gewezen op sluipverkeer en toegenomen vracht- en landbouwverkeer, mede als gevolg van bedrijvigheid in Horst. 3. Reclamant geeft aan reeds schade aan de woning te ondervinden door trillingen als gevolg van (zwaar) verkeer. Er is in het verleden een scheurmeter geplaatst waaruit volgens reclamant blijkt dat de schade toeneemt, waarvan reclamant het aannemelijk acht dat dit het gevolg is van toenemend verkeer. 4. Tot slot wordt gewezen op verkeersonveiligheid bij het oversteken van de weg, waarbij reclamant aangeeft meerdere malen bijna te zijn aangereden door hardrijdende voertuigen. Ook indien een 30 km-zone zou worden ingesteld, blijven de zorgen bestaan. Reclamant verzoekt de woningbouwplannen niet uit te voeren.

Standpunt Gemeente 1. De beoogde ontwikkeling bestaat uit 89 woningen, in directe aansluiting op de bestaande kern Castenray. Er is sprake van een grote en actuele vraag naar woningen, zoals ook blijkt uit de toelichting behorende bij het TAM-omgevingsplan en meer specifiek paragraaf 3.1.3 ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Hieruit komt naar voren dat de ontwikkeling vanuit zowel kwalitatief als kwantitatief oogpunt in lijn is met de 'Woondeal Limburg', de op 13 december 2022 door de gemeenteraad van Venray vastgestelde ‘Doelgroepenverordening Wonen Venray 2022’ en het op 13 mei 2025 door het college van burgemeester en wethouders van Venray vastgestelde ‘Woningbehoefteonderzoek Venray’. Voornoemde documenten vormen een belangrijke basis voor het toekomstige volkshuisvestingsbeleid van de gemeente Venray. De ontwikkeling is ook afgestemd binnen de regio en akkoord bevonden. De woningbouwontwikkeling wordt overigens gefaseerd uitgevoerd. Hiervoor zijn in de regels van het TAM-omgevingsplan bepalingen opgenomen.

8

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

Verder is in de toelichting van het TAM-omgevingsplan ingegaan op het woon- en leefklimaat. Onderdeel hiervan vormt onder meer het verkeerskundig onderzoek. Uit dit onderzoek blijkt dat de ontwikkeling vanuit verkeerskundig oogpunt (met inbegrip van verkeersveiligheid) inpasbaar wordt geacht. Op basis van het uitgevoerde akoestisch onderzoek wordt de ontwikkeling eveneens inpasbaar geacht. Vanuit het aspect trillingen worden evenmin onevenredige effecten verwacht. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de komgrens wordt verschoven en dat de maximumsnelheid voor het wegdeel dat binnen de bebouwde kom komt te vallen, wordt teruggebracht van 50 km/h naar 30 km/h, hetgeen eventuele hinder zal beperken. Ook zal de drempel worden verplaatst. Ten aanzien van vermindering van het uitzicht zoals door reclamant wordt gesteld, dient allereerst te worden opgemerkt dat op basis van uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State er geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. Dit neemt niet weg dat het belang van het behoud van uitzicht in de belangenafweging betrokken moet worden. Hiertoe wordt opgemerkt dat sprake is van een ruime afstand van meer dan 50 meter van de woning van reclamant (en ook overige omwonenden) tot de beoogde woningen binnen het plangebied.

Er wordt aan de noordzijde van de Horsterweg voorzien in een ruime zone met een groenfunctie en groen- en waterhuishoudkundige voorzieningen. Daarachter worden pas de woningen gerealiseerd. Deze groenzone zal mede het uitzicht van omwonenden bepalen. Daarnaast is uitsluitend sprake van de realisatie van grondgebonden woningen met reguliere hoogtes en is geen sprake van hoogbouw, waarmee de stedenbouwkundige impact, ook in relatie tot het uitzicht, beperkt blijft. Op basis hiervan is geen sprake van een onevenredige aantasting van het uitzicht van omwonenden aan de zuidkant van de Horsterweg. 2. De toevoeging van 89 woningen leidt, zoals terecht wordt opgemerkt, tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Om onder meer de inpasbaarheid op het omliggende wegennet in beeld te brengen is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd. Zoals blijkt uit het verkeerskundig onderzoek, is de huidige verkeersintensiteit op de Horsterweg relatief beperkt. Op basis van telgegevens uit april 2024 blijkt dat de verkeersintensiteit 3.877 motorvoertuigen per etmaal op een gemiddelde werkdag bedraagt. Als gevolg van de beoogde woningbouw neemt de verkeersintensiteit toe.

De totale toename van het aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van de woningbouwontwikkeling bedraagt op basis van de kentallen van het CROW 621 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag hetgeen neerkomt op 689 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde werkdag. Deze toename verspreidt zich over beide richtingen. Een vuistregel is dat bij gebiedsontsluitingswegen binnen de bebouwde kom uitgaande van 50 km/uur (GOW50) doorgaans een intensiteit van maximaal 6.000 – 15.000 motorvoertuigen per etmaal past. De huidige en toekomstige verkeersintensiteit op de Horsterweg blijft na de ontwikkeling ruimschoots onder deze richtintensiteit. Ook op basis van de verkeersverdeling worden er geen doorstromingsknelpunten verwacht op de Venrayseweg in de richting van Horst. Hetzelfde geldt voor de Horsterweg richting Leunen en Venray. Gesteld kan worden dat op basis van het verkeerskundig onderzoek blijkt dat de ontwikkeling inpasbaar wordt geacht op het omliggende wegennet. Er worden geen knelpunten verwacht op het gebied van verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid.

9

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

3. De zienswijze heeft betrekking op (gestelde) schade aan een woning als gevolg van trillingen veroorzaakt door bestaand (zwaar) verkeer. Indien sprake is van schade door bestaand verkeer, betreft dit een bestaande situatie die losstaat van de voorliggende woningbouwontwikkeling. De mogelijke gevolgen van reeds aanwezige verkeersstromen kunnen niet aan het nieuwe plan worden toegerekend. De voorgenomen ontwikkeling betreft een woningbouwontwikkeling die uitsluitend is bedoeld voor personenauto’s en licht bestemmingsverkeer van en naar de nieuwe woonwijk. Van structureel zwaar verkeer als gevolg van de ontwikkeling is geen sprake. Gelet hierop is niet aannemelijk dat de realisatie van de woonwijk zal leiden tot een relevante toename van trillingshinder of schade aan omliggende woningen. Voor het tijdelijke bouwverkeer gelden afzonderlijke wettelijke en contractuele regels. Eventuele hinder of schade tijdens de bouwfase valt onder de uitvoeringsfase. Deze aspecten maken geen onderdeel uit van de planologische beoordeling van het omgevingsplan. Gelet op het voorgaande ziet de gemeente geen aanleiding om te concluderen dat de woningbouwontwikkeling leidt tot aanvullende trillingsschade.

Verder wordt opgemerkt dat met het verschuiven van de komgrens de maximumsnelheid voor het wegdeel dat binnen de bebouwde kom komt te vallen, wordt teruggebracht van 50 km/h naar 30 km/h, hetgeen eventuele hinder, ook in de vorm van trillingen, zal beperken. 4. De genoemde zorgen zijn begrijpelijk. Tegelijkertijd wordt vastgesteld dat de door reclamant geschetste onveilige situaties betrekking hebben op de bestaande verkeerssituatie. Deze staat los van de voorgenomen woningbouwontwikkeling. In het kader van het plan is onderzocht wat de verkeerseffecten van de nieuwe woonwijk zijn. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling geen onevenredige toename van verkeersintensiteiten veroorzaakt en dat de verkeersafwikkeling op een aanvaardbaar niveau blijft. In combinatie met het verschuiven van de komgrens wordt de maximumsnelheid voor het wegdeel dat binnen de bebouwde kom komt te vallen, teruggebracht van 50 km/h naar 30 km/h, hetgeen eventuele hinder en verkeersonveilige situaties zal beperken. Ook zal de snelheidsremmende drempel worden verplaatst naar de nieuwe komgrens, hetgeen bijdraagt aan een verkeersveilige situatie.

Daarnaast biedt de inrichting van een woonwijk en de daarbij behorende verkeersstructuur juist aanknopingspunten om de verkeersveiligheid te verbeteren, onder meer door het toepassen van een 30 km/uur-regime en een verkeersveilige inrichting die past bij een verblijfsgebied. Eventuele aanvullende verkeersmaatregelen kunnen, indien nodig, los van het bestemmingsplan worden gerealiseerd. Gelet op het voorgaande ziet de gemeente geen aanleiding om te concluderen dat de woningbouwontwikkeling leidt tot een onaanvaardbare verkeersonveilige situatie. De zienswijze vormt derhalve geen aanleiding om af te zien van de uitvoering van de woningbouwplannen of het plan aan te passen.

10

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om het TAM-Omgevingsplan aan te passen.

11

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

2.3

Zienswijze reclamant 3

Ontvankelijkheid -

Schriftelijke zienswijze d.d. 22 januari 2026, ontvangen op 23 januari 2026.

-

De zienswijze is binnen de gestelde termijn ingediend.

-

De zienswijze is inhoudelijk onderbouwd.

-

De zienswijze is dan ook ontvankelijk.

Reactie De zienswijze van reclamant gaat in op het volgende punten: 1. Reclamant exploiteert een intensieve pluimveehouderij (vleeskuikens) aan de Horsterweg 39d. Het bedrijf is gelegen op circa 115 meter van de rand van het plangebied. De dichtstbijzijnde grens van het vigerende bouwvlak ligt op circa 75 meter van het plangebied. Reclamant geeft aan niet tegen woningbouw te zijn, maar stelt dat zijn bedrijfsbelangen onvoldoende zijn meegewogen. Gevreesd wordt dat de ontwikkeling zal leiden tot beperkingen voor de huidige bedrijfsvoering en toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden. 2. Reclamant stelt dat hij voorafgaand aan de besluitvorming niet actief is betrokken bij de omgevingsdialoog. Gezien de korte afstand tot het plangebied en de betrokken bedrijfsbelangen had volgens reclamant een persoonlijke uitnodiging moeten plaatsvinden. Het houden van openbaar geadverteerde bewonersavonden wordt in dit geval door reclamant onvoldoende geacht. 3. Reclamant merkt op dat in de onderbouwing is geconcludeerd dat de geurbelasting vanuit zijn bedrijf op de nieuwe woningen acceptabel is en binnen de geurnormen valt. Reclamant stelt echter dat hij zekerheid mist dat de functiewijziging (woningbouw) geen belemmeringen zal opleveren voor zijn huidige bedrijfsvoering en toekomstige ontwikkelingen van zijn bedrijf. 4.

Reclamant stelt dat het aspect ‘endotoxine’ in de ruimtelijke onderbouwing niet aan de orde komt. Gezien het plangebied nabij een veehouderij (pluimveehouderij) ligt, mag dit aspect volgens reclamant niet ontbreken in het kader van volksgezondheid en de ETFAL. 5. Reclamant stelt dat het aspect luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied niet is opgenomen in de motivering of in een bijlage bij het ontwerpplan. Volgens reclamant is voor luchtkwaliteit gebruik gemaakt van een NIBM-toets, maar dit is geen volledige luchtkwaliteitsbeoordeling en betreft slechts een drempeltoets. Reclamant stelt dat ook bij NIBM-plannen een goede ETFAL-motivering vereist is, waarbij met name cumulatieve effecten beoordeeld moeten worden ter bescherming van een goed woonen leefklimaat. Reclamant merkt daarbij op dat zijn bedrijf een relevante bestaande bron van fijnstof (PM10/PM2,5) is en niet is betrokken in de beoordeling. 6. Reclamant stelt dat voor het aspect geluid met name onderzoek is gedaan naar verkeerslawaai. Hoewel een motivering is gegeven over ‘gecumuleerd en gezamenlijk geluid’, zijn volgens reclamant de geluidsproductie van zijn pluimveehouderij en de nabijgelegen Rijksweg niet of onvoldoende meegewogen. Reclamant stelt dat ter bescherming van het woon- en

12

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

leefklimaat alle geluidsbronnen moeten worden meegenomen in de beoordeling van cumulatieve effecten. 7. Reclamant merkt op dat in de geurparagraaf wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling geen inbreuk maakt op de vigerende milieurechten en planologische rechten voor geur, en dat er ook al bestaande geurgevoelige objecten op kortere afstand liggen. Reclamant stelt echter dat de geurberekeningen die zijn toegevoegd aan het plan vragen oproepen. Reclamant stelt dat er sprake is van een berekening die uitgaat van omgekeerde werking met maximale invulling (althans: dat blijkt volgens reclamant uit de titel). In die berekening worden op enkele rekenpunten binnen het plangebied geurbelastingen van meer dan 14 berekend. Reclamant stelt dat deze uitkomsten ertoe leiden dat het plangebied het meest belemmerend wordt voor zijn bedrijf en vraagt wat dit betekent voor de toekomstbestendigheid van het agrarisch bedrijf. 8. Reclamant stelt dat niet duidelijk is hoe de berekening voor de omgekeerde werking precies is uitgevoerd. In de motivering zou staan dat is uitgegaan van emissie op de rand van het bouwvlak, maar in de tekeningen/afbeeldingen is deze rand / dit rekenpunt niet aangeduid. Reclamant merkt op dat de dichtstbij gelegen rand van het bouwvlak op circa 75 meter van de rand van het plangebied ligt.

Daarnaast stelt reclamant dat het bouwvlak nog ruimte biedt voor een nieuwe stal en dat geen rekening is gehouden met de maximale planologische mogelijkheden binnen het bedrijf. Dit schetst volgens reclamant een onvolledig beeld van de milieutechnische aspecten en kan bovendien leiden tot nadeelcompensatie. 9. Reclamant stelt dat bij het berekenen van de voorgrondbelasting normaal wordt gewerkt met invoergegevens van de vergunde parameters, bepaald vanaf de rand van het bouwvlak. De emissiepunten zijn volgens reclamant wel genomen op een punt op de rand van het bouwvlak, maar niet met de juiste vergunde parameters. Reclamant stelt dat niet de vergunde parameters zijn ingevoerd voor: ₋

de diameter van de ventilatoren van alle pluimveestallen aan Horsterweg 39d;

₋

de gemiddelde gebouwhoogte van stal 4.

Verder stelt reclamant dat meerdere toetspunten op de rand van het bouwvlak wenselijk zijn om goed te kunnen beoordelen waar de geurcontour ligt, en dat het in dit geval van belang is op welke punten in het plangebied de norm wordt overschreden. Reclamant stelt dat onjuiste input leidt tot een onjuiste uitkomst, waarop besluitvorming heeft plaatsgevonden. Reclamant stelt dat zowel de berekeningen van de voor- als achtergrondbelasting moeten worden aangepast om uit te sluiten dat zijn belang wordt geschaad. 10. Reclamant stelt dat in de achtergrondberekening geurbelasting voor veel bedrijven defaultwaarden zijn gebruikt. Voor de emissiepunthoogte is uitgegaan van 6 meter, terwijl volgens reclamant de defaultwaarde 5 meter moet zijn (paragraaf 2.6 handleiding V-stacks Gebied). Reclamant stelt dat ook dit leidt tot een onjuiste uitkomst waarop besluitvorming heeft plaatsgevonden.

13

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

11. Reclamant stelt zorgen te hebben over deze ontwikkeling nabij zijn veehouderij, met name vanwege de onzekerheid over het nieuwe geurbeleid waar de gemeente aan werkt. Reclamant noemt daarbij: 1. geurnorm buitengebied: 14 2. geurnorm zoekgebied woningbouw: 8 3. geurnorm bestaande woongebieden: 3 Reclamant vraagt of in het nieuwe geurbeleid de geurnorm voor de uitbreidingslocatie gelijk wordt gesteld aan de norm van de kern. Reclamant stelt dat een norm van 3 voor bestaande woongebieden ertoe leidt dat niet meer kan worden voldaan aan de voorgrondgeurbelasting vanuit het bedrijf aan Horsterweg 39d. Reclamant is op zoek naar voldoende zekerheid dat hij nu en in de toekomst niet beperkt wordt in zijn bedrijfsvoering. 12. Reclamant stelt dat het ontwerp-TAM-omgevingsplan inclusief bijlagen op verschillende aspecten onvoldoende is onderbouwd en onvoldoende zekerheid biedt over voortzetting van het bedrijf zonder beperkingen. Verzocht wordt het TAM-omgevingsplan niet definitief vast te stellen, dan wel te komen tot nadere afweging en aanpassing waarbij de belangen van reclamant worden gewaarborgd. Tevens wordt verzocht reclamant op de hoogte te houden van het verdere verloop van de procedure. Standpunt gemeente 1. De afstand van het bouwvlak van de pluimveehouderij tot aan de grens van de gronden binnen het plangebied met een woonfunctie, bedraagt circa 119 meter.

De grens van het plangebied ligt weliswaar dichter bij de grens van het bouwvlak van de pluimveehouderij, maar deze dichterbij gelegen gronden hebben de functie ‘Agrarisch’ overeenkomstig de huidige situatie. De enige wijziging die voor deze gronden is doorgevoerd is het feit dat het gebruik van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen die leiden tot schadelijke effecten voor het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies is uitgesloten. Deze gronden zijn kortom niet geurgevoelig en niet relevant in relatie tot de ligging ten opzichte van de pluimveehouderij. Verder wordt verwezen naar de beantwoording van de hiernavolgende zienswijzen. 2. In het kader van de omgevingsdialoog is een eerste participatieavond gehouden op 3 juli 2024. Hiervoor zijn direct omwonenden, waaronder reclamant, geïnformeerd middels een brief en heeft er een advertentie gestaan in het lokale dorpsblad. Vervolgens is er op 25 juni 2025 een inloopavond geweest. Hiervoor zijn direct omwonenden, waaronder reclamant, geinformeerd middels een brief en heeft er een advertentie gestaan in het lokale dorpsblad. Tijdens beide bijeenkomsten is bezoekers de mogelijkheid geboden om persoonlijk in gesprek te gaan met de initiatiefnemer en eventuele vraagpunten c.q.

opmerkingen te bespreken. Reclamant heeft in de zienswijze ook aangeven dat hij op de hoogte was van de ‘bewonersavonden’. De participatieplicht houdt in dat een initiatiefnemer aantoont dat de omgeving is geïnformeerd, dat reacties zijn opgehaald, dat inzichtelijk is gemaakt wat hiermee is gedaan en dat

14

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

hiervan verslag is gedaan. Het door de initiatiefnemer gevoerde proces voldoet aan deze vereisten. Daarnaast heeft reclamant met het indienen van een zienswijze volledig gebruik kunnen maken van zijn inspraakmogelijkheden. 3. Zoals blijkt uit de beantwoording van de overige zienswijzen van reclamant, wordt reclamant als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet belemmerd in de huidige bedrijfsvoering, ook niet wanneer wordt uitgegaan van de maximaal planologisch toegestane mogelijkheden. De woningbouwontwikkeling vormt daarmee evenmin een belemmering voor eventuele toekomstige ontwikkelingen van het bedrijf, voor zover deze passen binnen de huidige juridischplanologische kaders en geldende wet- en regelgeving. Over eventuele toekomstige wijzigingen in wet- en regelgeving of beleid kunnen op dit moment geen uitspraken worden gedaan. De bestaande vergunningen blijven rechtsgeldig en worden door dit plan niet beperkt. Eventuele toekomstige beleidskaders worden vastgesteld in afzonderlijke procedures. 4. Vooropgesteld wordt dat voor endotoxinen geen landelijk toetsingskader is vastgesteld. En hiervoor geen specifieke wet- of regelgeving van toepassing is. Dit neemt echter niet weg dat endotoxinen, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFALcriterium), kunnen worden betrokken bij de afweging om een woningbouwontwikkeling mogelijk te maken.

In dat kader is alsnog een aanvullende beoordeling uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn opgenomen in bijlage B bij deze nota en bijlage 13 van de motivering. Uit deze beoordeling blijkt dat, gelet op de afstand van circa 225 meter tussen de bron en de beoogde woonpercelen, endotoxinen geen belemmering vormen voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling. Ter verdere verduidelijking zal paragraaf 4.2 ‘Gezondheid’ van de motivering hierop worden aangevuld. 5. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving behoort de gemeente Venray tot de aangewezen aandachtsgebieden voor fijnstof (artikel 5.51, lid 3). Deze aandachtsgebieden worden elke drie jaar geëvalueerd en zo nodig aangepast naar de actuele inzichten over de luchtkwaliteit. Uit zowel de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) als het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit, blijkt dat de jaargemiddelde achtergrondconcentraties ter hoogte van het plangebied en de omgeving (zowel langs de Horsterweg als langs de rijksweg A73), voldoen aan de daarvoor geldende normen, zijnde 40,0 μg/m³ voor NO2, 40,0 μg/m³ voor PM10 en 25,0 μg/m³ voor PM2,5.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat bij het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit veehouderijen, waaronder ook de veehouderij van reclamant, zijn meegenomen in monitoring van de luchtkwaliteit, zoals ook is te zien op de bijgevoegde afbeelding. Het specifiek betrekken van reclamant bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit wordt op basis van het voorgaande derhalve niet noodzakelijk geacht. Ter verdere verduidelijking zal paragraaf 4.8 ‘Luchtkwaliteit’ van de motivering worden aangevuld met een nadere onderbouwing met betrekking tot de achtergrondconcentraties.

15

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

6. In het kader van het uitgevoerde akoestisch onderzoek is gekeken naar alle relevante wegen, waaronder ook de rijksweg A73, waarvan wordt aangenomen dat reclamant hierop doelt. De stelling van reclamant dat de nabijgelegen rijksweg A73 niet of onvoldoende zou zijn meegewogen, is niet nader onderbouwd. Het onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig de daartoe geldende wettelijke kaders en richtlijnen, zoals ook beschreven in de rapportage van het akoestisch onderzoek. Voor wat betreft de geluidproductie van de pluimveehouderij geldt dat de verkeersbewegingen als gevolg van de pluimveehouderij op de openbare weg onderdeel uitmaken van de bestaande verkeersintensiteiten die zijn gehanteerd als uitgangspunt voor het onderzoek. Dit betekent dat de verkeersgeneratie als gevolg van de pluimveehouderij is meegewogen in het akoestisch onderzoek. Voor activiteiten op de bedrijfslocatie van de pluimveehouderij zelf gelden andere normen, waaraan de pluimveehouderij zich ook dient te houden. Voor wat betreft geluid als gevolg van bedrijfsactiviteiten op het perceel van reclamant, geldt op basis van het onderliggende bestemmingsplan en de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ een richtafstand van 50 meter voor geluid voor het fokken en houden van pluimvee.

Gelet op de afstand van het bouwvlak (waarmee de maximale planologische mogelijkheden zijn begrensd) van het perceel van reclamant van circa 119 meter tot aan de dichtstbij gelegen woonpercelen binnen het plangebied, wordt ruimschoots aan deze afstand voldaan. Reclamant wordt dan ook niet in zijn huidige bedrijfsactiviteiten belemmerd en ook niet in de toekomstige uitbreidingsmogelijkheden. Hierbij dient volledigheidshalve te worden opgemerkt dat ook bij een eventuele

16

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

wijziging naar een ander type agrarische bedrijvigheid over het algemeen 50 meter als maximale richtafstand voor geluid geldt. Ook geldt dat voor een deel van het agrarisch bedrijfsperceel van reclamant voor wat betreft het aspect geluid de woning aan de Horsterweg 41 maatgevend is aangezien deze dichterbij is gelegen dan een groot deel van de woningen binnen het plangebied. Gelet op de tussenliggende afstand tussen de beoogde woningen en de pluimveehouderij, wordt ter hoogte van de beoogde woningen binnen het plangebied op basis van het voorgaande geen onevenredige hinder verwacht. Ter verdere verduidelijking zal paragraaf 4.6 ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de motivering worden aangevuld met bovenstaande nadere onderbouwing. Ten aanzien van de beoordeling van het gecumuleerd geluid, dient te worden opgemerkt dat dit een onderdeel is van de instructieregels zoals opgenomen in het Besluitkwaliteit leefomgeving, die horen bij de geluidbronsoorten industrieterreinen met een geluidproductieplafond, wegen en spoorwegen. De pluimveehouderij van reclamant valt hier niet onder. Verder wordt opgemerkt dat in de revisievergunning van 3 augustus 2018 voor de pluimveehouderij geluidnormen zijn opgenomen.

Hierin is onder andere opgenomen dat zowel voor het langtijdgemiddelde geluidsniveau als voor het maximale geluidsniveau geluidnormen van toepassing zijn op enig punt op 50 meter van de grens van de inrichting. Daarmee zijn de geluidrechten van de inrichting begrensd tot een afstand van 50 meter vanaf de inrichtingsgrens. De grens van de inrichting (zie rode contour op de navolgende afbeelding) is daarbij ruimer aangegeven dan het huidige bouwvlak en de aanduiding intensieve veehouderij, zoals opgenomen in het van rechtswege van toepassing zijnde bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 2010’ en waarmee de maximale planologische mogelijkheden zijn begrensd. De beoogde woonpercelen liggen buiten de genoemde afstand van 50 meter vanaf inrichtingsgrens, waaruit geconcludeerd kan worden dat reclamant, zowel op grond van de planologische mogelijkheden uit het bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010 als op grond van de vigerende milieuvergunning, niet wordt belemmerd in zijn huidige en toekomstige bedrijfsvoering als gevolg van de beoogde woningbouwontwikkeling.

17

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

7. Voor het beschouwen van de planologische groeimogelijkheden voor het aspect geur is een berekening van de ‘omgekeerde werking’ uitgevoerd. Hierbij is uitgegaan van het emissiepunt op de rand van het bouwvlak van de veehouderij Horsterweg 39D en een geuremissie waarmee ter plaatse van de bestaande woningen (Horsterweg 26, 26A, 28, 30, 30E, 32 en 43) nog net voldaan wordt aan de daarvoor geldende geurnorm. Uit de berekening volgt dat bij een geuremissie van 39.981 OUE ter plaatse van de bestaande woningen aan de Horsterweg 30E en 32 de geurbelasting 3,0 OUE /m³ bedraagt. Hiermee wordt net voldaan aan de geldende norm van 3 OUE/m³ voor deze bestaande woningen. Uit deze berekening volgt dat de geuremissie van de veehouderij aan de Horsterweg 39D van 19.503 OUE (vigerende vergunde geuremissie) kan groeien tot 39.981 OUE (maximaal planologische geurruimte). Uitgaande van de maximaal planologische geurruimte bedraagt de voorgrondgeurbelasting ter plaatse van de nieuwe woningen binnen het plangebied ten hoogste 12,5 OUE/m³ en voldoet daarmee aan de geldende geurnorm van 14 OUE/m³. Gesteld wordt dat de planologische geurruimte voor de veehouderij beperkt wordt door de bestaande woningen aan de Horsterweg.

Daarnaast is de berekening voor het inzichtelijk maken van de maximaal planologische geurruimte voor in totaal vier verschillende liggingen van het emissiepunt inzichtelijk gemaakt. Op basis van de uitgevoerde berekeningen kan worden geconcludeerd dat de planontwikkeling geen inbreuk maakt op de voor de veehouderij Horsterweg 39D vigerende milieurechten en planologische rechten voor het aspect geur. Ter verduidelijking zal in paragraaf 4.9 Geur (veehouderijen) van de motivering behorende bij het TAM-omgevingsplan deze nadere onderbouwing worden toegevoegd. 8. Verwezen wordt naar de beantwoording onder sub 7. Verder wordt in bijlage 5 bij de motivering behorende bij het TAM-omgevingsplan, afbeeldingen met toelichtende tekst toegevoegd ter verduidelijking de wijze waarop de berekeningen zijn uitgevoerd en ter verduidelijking van de situering van rekenpunten in het kader van de uitgevoerde berekeningen. 9. Bij de berekeningen zoals opgenomen in het ontwerp TAM-omgevingsplan is uitgegaan van de gegevens op basis van de Kernregistratie dierverblijven. Volledigheidshalve is in het kader van de vaststelling een doorrekening gemaakt op basis van de vigerende milieuvergunning van de pluimveehouderij. Voor het overige wordt verwezen naar de beantwoording onder sub 7.

In de berekeningen van de voorgrondgeurbelasting van de veehouderij Horsterweg 39D zijn voor de parameters de in de vergunning opgenomen parameters gehanteerd. Voor de berekening van de achtergrondgeurbelasting zijn in de bij het ontwerp TAM-omgevingsplan gevoegde berekeningen, de rekenparameters opgenomen uit de Kernregistratie Dierenverblijven (hierna: KRD). Voor de veehouderij Horsterweg 39D blijkt dat tussen de KRD en de bij de vergunning behorende V-Stacks berekening voor stal 4 een verschil zit tussen de parameter ‘Emissiepunt diameter’ en ‘Gemiddelde gebouwhoogte’. Waarbij wordt opgemerkt dat de getallen van deze twee parameters in de KRD lijken te zijn omgewisseld. Daarom zijn in het kader van de vaststelling voor de achtergrondgeurbelasting de invoergegevens van het KRD van de Horsterweg 39D aangepast op basis van de vigerende vergunning. 10. Verwezen wordt naar de beantwoording onder sub 9.

18

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

11. Deze zienswijze gaat niet over het onderhavige plan maar over toekomstige, zelfstandige ontwikkelingen. Het ontwerp‑TAM‑omgevingsplan kan niet worden beoordeeld op mogelijke beleidswijzigingen of autonome ontwikkelingen elders. De huidige vergunning blijft rechtsgeldig en wordt door dit plan niet beperkt. Eventuele toekomstige beleidskaders worden vastgesteld in afzonderlijke procedures. 12. Op basis van de beantwoording van de voorgaande zienswijzen en de aanvullingen in de motivering behorende bij het TAM-omgevingsplan, is sprake van een voldoende en zorgvuldige onderbouwing van enerzijds de inpasbaarheid van de beoogde ontwikkeling en anderzijds het feit dat de ontwikkeling geen beperkingen oplevert voor de bedrijfsvoering van reclamant. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding om het TAM-Omgevingsplan aan te passen. Wel wordt de motivering, ter verduidelijking en ter bevordering van de volledigheid, op de navolgende onderdelen aangevuld: -

4.2 Gezondheid naar aanleiding van het endotoxine onderzoek incl. toevoegen bijlage 13 Memo Endotoxine onderzoek d.d. 27-03-2026

-

4.6 Activiteiten en milieuzonering met nadere onderbouwing voor het aspect geluid afkomstig van bedrijfsactiviteiten.

-

4.8 Luchtkwaliteit met nadere onderbouwing met betrekking tot de achtergrondconcentraties.

-

4.9 Geur (Veehouderij) met nadere onderbouwing met betrekking tot omgekeerde werking incl. aanvullen bijlage 5 met afbeeldingen, wijze waarop de berekeningen zijn uitgevoerd, situering rekenpunten en actualiseren invoergegevens KRD voor achtergrondgeurbelasting.

19

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

2.4

Zienswijze Reclamant 4

Ontvankelijkheid -

Schriftelijke zienswijze d.d. 28 januari 2026, ontvangen op 29 januari 2026.

-

De zienswijze is binnen de gestelde termijn ingediend.

-

De zienswijze is inhoudelijk onderbouwd.

-

De zienswijze is dan ook ontvankelijk.

Reactie De zienswijze van reclamant gaat in op het volgende punten: 1. Reclamant stelt dat het ontwerpplan woningbouw mogelijk maakt op korte afstand van zijn agrarisch bedrijf, waardoor volgens hem sprake is van een wezenlijke wijziging van de ruimtelijke context. Het plan biedt naar zijn mening geen juridische bescherming voor het bestaande agrarische gebruik. In de planregels ontbreekt een nadere omschrijving van wat onder ‘bestaand agrarisch gebruik’ moet worden verstaan en op welke wijze dit gebruik wordt beschermd tegen klachten van toekomstige bewoners, handhavingsverzoeken of beleidswijzigingen. Ook ontbreken volgens reclamant bepalingen over hinderafstanden, spuitzones en afspraken over de wederzijdse aanvaardbaarheid van functies. De verwijzing in de toelichting naar de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009) acht reclamant ontoereikend. Volgens hem is deze brochure bedoeld voor nieuwe situaties en niet voor het inpassen van nieuwe woningen naast een bestaand agrarisch bedrijf. Daarnaast biedt de brochure volgens reclamant geen concrete handvatten voor vollegrondsteelten, zoals bij zijn bedrijf aan de orde is. Hierdoor ontstaat volgens hem een reëel risico op juridische of beleidsmatige beperkingen van zijn bedrijfsvoering.

In dit verband verwijst hij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1263), waarin volgens hem is geoordeeld dat in een dergelijke situatie planregels nodig zijn ter bescherming van een bestaand bedrijf. Dergelijke regels ontbreken volgens reclamant in het ontwerpplan. Voorts wijst reclamant op een nabijgelegen perceel dat in het ontwerpplan is herbestemd van ‘veehouderij’ naar ‘agrarisch’. Deze wijziging wordt volgens hem niet toegelicht, terwijl onduidelijk is of hier nieuwe, mogelijk intensieve activiteiten kunnen plaatsvinden. In combinatie met de voorziene woningbouw leidt dit volgens reclamant tot extra onzekerheid en een juridisch onduidelijke situatie. Reclamant concludeert dat zonder nadere regeling rechtsonzekerheid en beleidsdruk ontstaan en dat de belangen van zijn agrarisch bedrijf onvoldoende zijn gewaarborgd. Volgens hem is het plan daarmee in strijd met artikel 4.2 van de Omgevingswet (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (deugdelijke motivering). 2. Reclamant stelt dat het plan woningbouw mogelijk maakt op een locatie waar intensieve teelt plaatsvindt, zonder dat in de toelichting een deugdelijke onderbouwing is opgenomen van de

20

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

milieugevolgen van deze functiemenging. Volgens reclamant wordt niet ingegaan op aspecten zoals spuitdrift, geur en andere emissies, terwijl deze bij de combinatie van agrarisch gebruik en wonen van groot belang zijn. Volgens reclamant is onvoldoende onderzoek verricht naar de mogelijke blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen als gevolg van spuitdrift, die zich ook buiten het perceel kan voordoen. Tevens wordt gewezen op het ontbreken van onderzoek naar cumulatieve effecten, gelet op de aanwezigheid van andere agrarische functies en woningen in het gebied. Daarnaast acht reclamant het toekomstig gebruik van het herbestemde perceel (van ‘veehouderij’ naar ‘agrarisch’) onduidelijk, nu niet is toegelicht welke activiteiten daar kunnen plaatsvinden en welke milieueffecten dat kan hebben. Reclamant voert verder aan dat geen mitigerende maatregelen zijn opgenomen, zoals bufferzones, fysieke afscheidingen of regels ten aanzien van maximale emissies. Ook wijst hij op de aanwezigheid van twee wadi’s in de nabijheid van het perceel, zonder dat volgens hem is onderzocht of sprake kan zijn van uitspoeling of verontreiniging door gewasbeschermingsmiddelen. Volgens reclamant zijn wadi’s kwetsbaar voor afspoeling en kunnen zij, bij gebruik als infiltratievoorziening, risico’s opleveren voor de waterkwaliteit. Een analyse van deze mogelijke effecten ontbreekt volgens hem volledig.

Reclamant concludeert dat, nu een afzonderlijke milieukundige paragraaf ontbreekt, geen sprake is van een zorgvuldig voorbereide besluitvorming. Hierdoor bestaat volgens hem het risico dat bij toekomstige klachten of juridische procedures geen duidelijk toetsingskader beschikbaar is, met mogelijke gevolgen voor zijn bedrijfsvoering. 3. Reclamant stelt dat het ontwerpplan niet onderbouwt waarom de gekozen locatie – aan de rand van zijn agrarisch perceel – geschikt of noodzakelijk is voor de voorziene woningbouw. Volgens reclamant ontbreekt een analyse van mogelijke alternatieve locaties binnen of nabij de kern en is evenmin inzichtelijk gemaakt waarom niet is gekozen voor locaties met minder ruimtelijke spanningen. Dit acht hij temeer opmerkelijk nu de ontwikkeling volgens hem aanzienlijke impact heeft op zijn agrarisch bedrijf en op het landschap. Volgens reclamant ontbreekt in de toelichting een verwijzing naar de gemeentelijke woningbouwprogrammering of -visie, alsmede een motivering waarom juist deze locatie, direct grenzend aan agrarisch gebruik, de voorkeur verdient. Ook een beleidsmatige afweging van alternatieven of een beschouwing over mogelijke clustering van woningbouw elders is volgens hem niet opgenomen. Daarnaast wijst reclamant erop dat het ontwerpplan ruimtelijke keuzes bevat die niet worden toegelicht.

Zo wordt een perceel dat voorheen als ‘veehouderij’ in gebruik was, herbestemd naar ‘agrarisch’, zonder dat wordt uitgelegd wat dit betekent voor het toekomstig gebruik en hoe dit zich verhoudt tot de nabijgelegen woningbouw. Door deze wijziging zonder nadere ruimtelijke of beleidsmatige motivering op te nemen, ontbreekt volgens reclamant samenhang en inzicht in de gemaakte ruimtelijke keuzes. Reclamant concludeert dat het ontbreken van een analyse van alternatieven en een motivering van de locatiekeuze maakt dat het plan op dit punt niet voldoet aan de motiveringseis van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens hem wekt het plan de indruk

21

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

dat de locatiekeuze als gegeven is aangenomen, zonder een zorgvuldige belangenafweging en ruimtelijke onderbouwing. 4. Reclamant stelt dat het plan nieuwe woningbouw mogelijk maakt op relatief korte afstand van zijn bestaande woning. Hoewel in de planregels bouwkundige randvoorwaarden zijn opgenomen, zoals bouwhoogtes en bouwvlakken, ontbreekt volgens reclamant in de toelichting een concrete analyse van de gevolgen van deze bebouwing voor zijn bestaande woongebruik. Volgens hem wordt niet onderbouwd dat het woon- en leefklimaat ter plaatse behouden blijft of slechts op aanvaardbare wijze wordt beïnvloed. In het bijzonder wordt volgens reclamant niet ingegaan op de mate waarin het uitzicht, de daglichttoetreding en de privacy van zijn woning worden beïnvloed. Ook ontbreekt een beoordeling van de visuele impact van de geplande bebouwing op het open karakter van het perceel. Daarnaast wordt niet gemotiveerd of en in hoeverre extra bebouwing kan leiden tot overlast of aantasting van het gevoel van beschutting en rust in de bestaande woonomgeving. Reclamant voert aan dat de plantoelichting zich beperkt tot algemene beschrijvingen van het dorpse karakter en het streven naar gevarieerde woningbouw, zonder dat wordt toegelicht hoe deze ontwikkeling zich concreet verhoudt tot de belangen van direct omwonenden.

Volgens hem is daarmee sprake van een gebrekkige motivering in de zin van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en van een onzorgvuldige voorbereiding als bedoeld in artikel 3:2 van die wet. Reclamant stelt dat bij uitbreiding van gevoelige functies zoals wonen in de nabijheid van bestaande woningen duidelijk moet worden gemaakt hoe het bestaande woongebruik wordt gerespecteerd en beschermd. Nu deze afweging ontbreekt, leidt dit volgens hem tot rechtsonzekerheid in zijn hoedanigheid van omwonende. 5. Reclamant stelt dat het plan extra woningbouw mogelijk maakt in een gebied met een beperkte ontsluitingsstructuur, waarbij gebruik wordt gemaakt van wegen en erfontsluitingen die tevens door zijn agrarisch bedrijf worden benut. Hoewel bij het ontwerpplan een verkeerskundig rapport is gevoegd (Verkeersadvies TAM Castenray d.d. 3 mei 2023), biedt dit volgens reclamant onvoldoende concrete onderbouwing van de verkeerskundige gevolgen vanuit het perspectief van de huidige gebruikers van het gebied. Volgens reclamant blijft de analyse grotendeels beperkt tot een globale inschatting van extra verkeersbewegingen en de formele wegcapaciteit, zonder dat aandacht wordt besteed aan de feitelijke gebruikskenmerken van de omgeving.

Zo wordt niet ingegaan op de verwevenheid van landbouwverkeer en woonverkeer op onder meer de Horsterweg en de Matthiasstraat, waar landbouwvoertuigen, spelende kinderen en voetgangers gebruikmaken van dezelfde smalle rijprofielen. Evenmin wordt volgens reclamant onderzocht in hoeverre onverharde paden en smalle erfontsluitingen geschikt zijn als toegangswegen tot de geplande woningen. Daarnaast ontbreken volgens hem snelheidsremmende of conflictvermijdende maatregelen, terwijl in het verkeersrapport zelf wordt erkend dat de Horsterweg relatief lang en recht is en daardoor uitnodigt tot hogere snelheden.

22

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

Reclamant voert verder aan dat het plan geen juridische vertaling bevat van het verkeersadvies. Er zijn volgens hem geen planregels opgenomen die voorwaarden stellen aan de ontsluiting per woningcluster of die randvoorwaarden vastleggen ten aanzien van bereikbaarheid, verkeersveiligheid of noodzakelijke infrastructurele aanpassingen. Daarmee worden de verkeerskundige consequenties volgens reclamant niet juridisch geborgd, terwijl dit bij functiemenging in een gebied met beperkte infrastructuur wel noodzakelijk is. Daarnaast merkt reclamant op dat het verkeersadvies dateert uit mei 2023, een periode waarin het verkeersbeeld mogelijk nog beïnvloed werd door de nasleep van de coronapandemie. Indien de verkeersintensiteiten en gebruiksprofielen zijn gebaseerd op verouderde of uitzonderlijke omstandigheden, kunnen de conclusies volgens hem niet als representatief worden beschouwd. Gelet op het ontbreken van een actuele, gebiedsspecifieke verkeerskundige analyse en het uitblijven van juridische borging, stelt reclamant dat het plan in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (zorgvuldige voorbereiding). 6. Reclamant stelt dat de locatie waar de woningen zijn voorzien thans open is, met vrije zichtlijnen en een landelijk karakter. Deze openheid draagt volgens hem bij aan zijn woon- en leefklimaat.

De toevoeging van meerdere woningen in deze zone heeft volgens reclamant een ingrijpend effect op het uitzicht, de beleving van ruimte en het karakter van de omgeving. Volgens reclamant ontbreekt een landschappelijke onderbouwing waaruit blijkt hoe in het plan wordt omgegaan met deze ruimtelijke waarden. Evenmin zijn volgens hem maatregelen opgenomen ter landschappelijke inpassing, zoals groenstructuren, hagen of beplanting. Hierdoor is de visuele en ruimtelijke impact van de voorziene bebouwing volgens reclamant onvoldoende beoordeeld en niet verzacht. Reclamant concludeert dat het plan daarmee tekortschiet in het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor bestaande bewoners en dat sprake is van strijd met artikel 4.2 van de Omgevingswet en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. 7. Reclamant stelt dat hij niet actief is betrokken bij de planvorming en dat de mogelijkheden tot inspraak beperkt zijn geweest. Volgens hem is geen verslag of terugkoppeling bekend van participatie in de directe omgeving van zijn perceel, terwijl hij als agrariër en omwonende behoort tot de meest direct belanghebbenden. Reclamant wijst erop dat de Omgevingswet nadruk legt op participatie en vroegtijdige betrokkenheid van belanghebbenden.

Gelet op de omvang van de ruimtelijke ingreep en de aanwezigheid van potentieel conflicterende functies, had het volgens hem voor de hand gelegen om omwonenden in een vroeg stadium actief te betrekken. Dit is volgens reclamant nagelaten. Reclamant concludeert dat hiermee sprake is van een onvoldoende zorgvuldig voorbereidingsproces in de zin van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij essentiële belangen van omwonenden niet of onvoldoende zijn meegewogen. Reclamant verzoekt het ontwerpbestemmingsplan niet, althans niet in de huidige vorm, vast te stellen zolang de genoemde bezwaren niet zijn weggenomen en geen passende maatregelen zijn getroffen ter bescherming van zijn belangen.

23

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

Standpunt gemeente 1. Het agrarisch bedrijf van reclamant ligt op meer dan 150 meter van de geprojecteerde nieuwe woningen binnen het plangebied. Het betreffende bedrijfsperceel wordt in de huidige situatie omsloten door het perceel aan de Matthiasstraat 3 en woningen behorende tot de kern Castenray. Deze woningen grenzen direct aan het agrarisch bedrijfsperceel en zijn daarmee (net als andere woningen die dichterbij zijn gelegen dan de beoogde woningen binnen het plangebied) maatgevend in de zin van het vormen van een beperking voor de bedrijfsactiviteiten. De beoogde ontwikkeling vormt geen beperking voor de bestaande agrarische bedrijfsactiviteiten van reclamant. De stelling dat bepalingen over hinderafstanden, spuitzones en afspraken over de wederzijdse aanvaardbaarheid van functies ontbreken wordt niet gedeeld. Gelet op de meer dan 150 meter tussen het agrarisch bedrijfsperceel van reclamant valt de beoogde woningbouwontwikkeling buiten de hinderafstand van het agrarisch bedrijfsperceel. Voor het perceel aan de Matthiasstraat 3 geldt dat sprake is van een wijziging van een intensieve veehouderij naar lichte bedrijvigheid. Deze wijziging vormt geen belemmering voor de bedrijfsactiviteiten van reclamant. Daarnaast is in de motivering behorende bij het TAM-omgevingsplan toegelicht dat sprake is van lichte bedrijvigheid, inpasbaar in relatie tot de beoogde woningbouw.

Hierbij is bewust voldoende afstand aangehouden tussen het bedrijfsperceel aan de Matthiasstraat 3 en de beoogde woonpercelen binnen het plangebied. Op grond van jurisprudentie is, voor zover de omliggende gronden rondom de beoogde woonpercelen een agrarische bestemming hebben, een zone aangehouden van 50 meter rondom de functievlakken met de functie 'Wonen' waarvoor de gebiedsaanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' is opgenomen. Op de gronden met de gebiedsaanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' is het gebruik van gewasbeschermings- en/of bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen die kunnen leiden tot schadelijke effecten voor het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van hiervoor gevoelige functies, uitgesloten. Hiermee is in voldoende mate rekening gehouden met spuitzones en is in z’n geheel beschouwd sprake van een aanvaardbaarheid van functies c.q. evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zoals ook nader onderbouwd in de motivering behorende bij het TAM-omgevingsplan. 2. In tegenstelling tot hetgeen reclamant stelt, is in de motivering behorende bij het TAM-omgevingsplan wel degelijk ingegaan op aspecten als drift van gewasbeschermingsmiddelen, geurhinder en andere emissies.

Uit de in de motivering opgenomen onderbouwing, de hiertoe uitgevoerde onderzoeken en bijvoorbeeld de gebiedsaanduiding ‘milieuzone - spuitvrije zone’ zoals opgenomen op de verbeelding en in de regels, blijkt dat vanuit het oogpunt van de door reclamant genoemde aspecten, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor wat betreft de mogelijke blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen wordt tevens verwezen naar de beantwoording onder sub 1. De stelling dat met betrekking tot het toekomstig gebruik van het herbestemde perceel aan de Matthiasstraat 3 niet is toegelicht welke activiteiten daar kunnen plaatsvinden en welke milieueffecten dat kan hebben, wordt niet gedeeld. In de regels en op de verbeelding is aan deze gronden de functie ‘Bedrijf – Landbouwverwant’ toegekend. In artikel 8.2 is duidelijk

24

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray (NL.IMRO.0984.TAM25011-va01) Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen

beschreven welke functies ter plaatse zijn toegestaan. Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als `Bedrijf - Landbouwverwant´ heeft de volgende functies: a.

de uitoefening van een landbouwverwant bedrijf, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsmatige activiteiten uitgesloten', geen bedrijfsmatige activiteiten zijn toegestaan maar de gronden de functie tuin hebben behorende bij de bedrijfswoning als bedoeld onder d;

b.

voorzieningen van openbaar nut;

c.

wonen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';

d.

aan-huis-gebonden-beroep tot een maximum van 40 m²;

Een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder groen, parkeervoorzieningen, inen uitritten en tuinen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat in de begrippen een landbouwverwant bedrijf is gedefinieerd als ‘een niet-agrarisch bedrijf dat door de activiteiten aan het buitengebied is gebonden, zoals een agrarisch hulpbedrijf of een bedrijf met een agrarisch karakter. Dit betreft een hovenier, KI-station of bosbouwbedrijf, behorend tot milieucategorie 1 of 2.’ Van enige onduidelijkheid is dan ook geen sprake. Voor wat betreft het naar mening van reclamant ontbreken van regels ten aanzien van maximale emissies, dient te worden opgemerkt dat in de bruidsschat als onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Venray, reeds normen zijn opgenomen met betrekking tot emissies in relatie tot diverse onderzoeksaspecten. Verder voorziet het TAM-omgevingsplan in voldoende waarborgen in relatie tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor wat betreft de wadi’s geldt dat ter plaatse op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen verontreinigingen te verwachten zijn. Daarnaast dient te worden voorzien in passende maatregelen om in de toekomstige situatie verontreiniging van grondwater te voorkomen.

De stelling van reclamant dat een afzonderlijke milieukundige paragraaf ontbreekt, geen sprake is van een zorgvuldig voorbereide besluitvorming en hierdoor het risico zou ontstaan dat bij toekomstige klachten of juridische procedures geen duidelijk toetsingskader beschikbaar zou zijn met mogelijke gevolgen voor de bedrijfsvoering, wordt niet gedeeld. De stelling wordt daarbij door reclamant overigens ook niet op inhoudelijke gronden onderbouwd. 3. Van een aanzienlijke impact op het agrarisch bedrijf van reclamant is geen sprake. Hiervoor wordt mede verwezen naar de beantwoording van de zienswijzen onder sub 1 en 2. In de motivering behorende bij het TAM-omgevingsplan is nader onderbouwd waarom het plangebied geschikt wordt geacht voor de beoogde ontwikkeling. Beschreven is dat het plangebied wordt beschouwd als een geschikte locatie voor de uitbreiding van Castenray met woningen, in aansluiting op de reeds aanwezige lintbebouwing langs de Horsterweg. Door de beëindiging van de intensieve veehouderij aan de Matthiasstraat 3, ontstaat een gebied waarbinnen een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Verder in westelijke richting wordt woningbouw met name beperkt door intensieve veehouderijen en aan de zuidkant van de Horsterweg en de kern Castenray, wordt woningbouw beperkt door het beekdal en bos-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16974229/1