CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

5.1.3 Bijlage 3

Gemeenteraad 30 juni 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Heidseweg 56 Heide12.293 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niet gevonden in dit document.

Quickscan Flora en Fauna Project Venterra BV, Heidseweg, Venray

Locatie:

Heidseweg 56, Heide (gem. Venray)

Rapportnummer Ven.Hei.25.Ow.QS.01 Status Definitief

Projectnummer 20250155 Datum 13 juni 2025

Vanwege de AVG-regelgeving worden de namen van de projectleider en auteur(s) niet opgenomen in deze rapportage. Het rapport is tot stand gekomen door middel van het vierogen-principe.

Embridge Nederland BV Willem II Singel 42 6041 HT Roermond Telefoon: E-mail: KvK: IBAN:

0475-420191 info@embridge.nl 13036743 NL53RABO0303441194

Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem/haar gebruikt worden voor het doel waarvoor het is opgesteld, met inachtneming van de rechten die voortvloeien uit de wetgeving op het gebied van het intellectuele eigendom. De auteursrechten van dit document en het Geomilieumodel blijven berusten bij Embridge Nederland.

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

13 juni 2025

Inleiding 1 1.

2.

3.

4.

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden

2

1.1

Plangebied

2

Natuurwetgeving

4

2.1 2.2 2.3 2.4

4 4 6 6

Bescherming van soorten Bescherming van gebieden Bescherming van houtopstanden Natuurnetwerk Nederland

Beschermde Soorten

8

3.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7

Planten Zoogdieren Vleermuizen Overige zoogdieren Vogels Reptielen Amfibieën Vissen Ongewervelden

10 11 11 12 13 15 16 16 17

Samenvatting en conclusies

18

4.1 4.2 4.3 4.4

18 18 18 18

Natura 2000-gebieden NatuurNetwerkNederland Houtopstanden Beschermde soorten

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

13 juni 2025

Op de Heidseweg 56 zijn er plannen om het land van een agrarisch bedrijf om te zetten naar diverse natuurlijke elementen en de woning in tweeën te splitsen. Voor deze veranderingen heeft Venterra BV Embridge gevraagd om een Quickscan flora & fauna uit te voeren en passend advies te geven. Bij de plannen om het agrarische land te veranderen, zullen twee schuren worden afgebroken. Daarnaast wordt de huidige woning in tweeën gesplitst en een deel van de woning wordt verbouwd. Verder zal er natuur worden aangeplant, verspreid over drie hectare. Deze natuuronderdelen komen in de vorm van kruidenrijk grasland, waterelementen, imkerplaatsen en hoogboomopstanden. Om te bepalen of beschermde dier- en plantensoorten aanwezig zijn in en rond de twee schuren en de aangrenzende woning, is o.a. een Quickscan flora & fauna noodzakelijk. Een Quickscan flora & fauna bevat een inventarisatie van de in een gebied aanwezige beschermde planten en dieren. Het doel is om vast te stellen of als gevolg van de beoogde werkzaamheden nadelige effecten te verwachten zijn op soorten die wettelijk beschermd zijn vanuit de Flora- en Faunawet. Tevens wordt onderzocht of herinrichtingsplannen nadelige effecten kunnen hebben op natuurwaarden. De eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek.

Op basis van een bureauonderzoek en een veldonderzoek wordt aan de hand van de aanwezige terreintypen en (toevallige) waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden, plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

1

13 juni 2025

Het plangebied ligt aan de rand van agrarisch land en bestaat uit twee schuren en een woning die gesplitst en gedeeltelijk verbouwd zal worden (Figuur 1). De meest zuidelijke schuur wordt gebruikt als opslag, maar voornamelijk als werkplaats. Er is veel natuurlijke lichtinval door meerdere ramen in het dak. De zuidelijke schuur bevat dakisolatie. De noordelijke schuur is groter dan de zuidelijke schuur en wordt voornamelijk gebruikt als opslag van o.a. houtpallets en houtboxen. De daken van beide schuren zijn gemaakt van golfplaten. Er is geen dakisolatie aanwezig in de noordelijke schuur. Tussen de twee schuren is de westelijke helft gedekt met een dak waar ook houtboxen worden opgeslagen. De oostelijke helft tussen de twee schuren is open, waar ook structuurelementen en een aantal bomen staan. De muren van de woning bestaan uit bakstenen met daarop een pannendak. Aan de oostelijke zijde van de woning grenst de Heidseweg. Het pad vanaf de Heidseweg naar de schuren en de woning is zanderig. Verder zijn de schuren en het huis omringd door grasvelden.

De beoogde werkzaamheden omvatten het afbreken van de twee schuren en het splitsen van de woning. Het is echter niet bekend op welke locaties de woning wordt gesplitst en verbouwd. Verder wordt het overige land rond de twee schuren gebruikt om natuurelementen aan te planten.

Figuur 1: Locatie Heidseweg te Heide.

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

2

13 juni 2025

Figuur 2: Zuidzijde schuren

Figuur 5: Afgedekt stuk tussen schuren

Figuur 8: Open stuk tussen schuren

Figuur 11: Voorzijde huis

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

Figuur 3: Oostzijde schuren

Figuur 6: Binnen noordelijke schuur

Figuur 9: Noordzijde woning

Figuur 12: Bosje bij de schuren

3

Figuur 4: Binnen zuidelijke schuur

Figuur 7: Westzijde schuren

Figuur 10: Bomenrij voor het huis

Figuur 13: Aanwezige nestkasten

13 juni 2025

De Omgevingswet bestaat uit drie onderdelen die van toepassing zijn op natuur: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk van natuurgebieden vormt. De provincies zijn het bevoegd gezag en alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied. Flora- en fauna- activiteiten Flora- en fauna-activiteiten zijn activiteiten die significant negatieve gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld de natuurbescherming. Iemand die hiervan op de hoogte is of dit redelijkerwijs kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt in ieder geval voor alle (inter)nationaal beschermde soorten en bijbehorende leefgebieden, waaronder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Rode Lijsten.

Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden veroorzaakt aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes: beschermingsregime “soorten Vogelrichtlijn”, beschermingsregime “soorten Habitatrichtlijn” en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn nesten van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze kan leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet mogelijk blijkt, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen. Gevolgen plangebied De bescherming van soorten is overal en altijd van toepassing bij ontwikkelingen. In het hoofdstuk “Beschermde soorten” wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en op de effecten die de voorgenomen ontwikkeling op deze soorten heeft.

Met het onderdeel gebiedsbescherming worden de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden.

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

4

13 juni 2025

Gevolgen plangebied De aard van de voorgenomen werkzaamheden en de ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied en de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is de Boschhuizerbergen op circa 5,6 km ten noordoosten, en de Deurnsche Peel/Mariapeel op circa 5,9 km ten zuidwesten van het plangebied (Figuur 14). Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebied bevindt zich in de Boschhuizerbergen, op circa 6,2 km van het plangebied. De grote afstand zorgt ervoor dat directe verstoringsfactoren buiten de invloedssfeer van dit project vallen. De werkzaamheden hebben dus geen directe invloed op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Stikstofgevoelige gebieden liggen mogelijk wél binnen de invloedssfeer van dit project. Hierbij is een stikstofberekening noodzakelijk voor de bouwfase en mogelijk ook voor de gebruiksfase, indien er sprake is van een toename in het aantal draaiuren van mobiele werktuigen en/of van bemestingsactiviteiten.

Figuur 14: Ligging van plangebied (rode ster) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: AERIUS calculator 2024.1.2, geraadpleegd op 15/05/2025.

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

5

13 juni 2025

Het omhakken of rooien houtopstanden is niet zomaar toegestaan in de Omgevingswet. Het begrip ‘houtopstand’ is in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet als volgt gedefinieerd: “zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend”. Onder artikel 3:12 van de Verordening fysieke leefomgeving 2024, staat: ‘het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen’. Gevolgen plangebied Tussen de twee schuren staan enkele gewone esdoornbomen die gekapt zullen worden bij het afbreken van de twee schuren. Het oppervlak van de bomen bedraagt circa 50 m². Dit is kleiner dan de minimale oppervlakte van 1000 m² om te vallen onder een houtopstand, en de "rij" is korter dan 20 bomen. Verder staan de bomen op privéterrein, zijn het geen monumentale of waardevolle bomen, en bevinden ze zich niet in een gebied dat is aangewezen in het Bestemmingsplan Bescherming Houtopstanden. Hierdoor is het niet noodzakelijk om een melding te maken of een kapvergunning aan te vragen.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Binnen het NNN zijn verschillende (ambities van) beheertypen (wezenlijke waarden en kenmerken) aangewezen door de verschillende provincies. Voor ieder deelgebied zijn de “huidige beheertypen” (H) en de “ambitiebeheertypen” (A) weergegeven voor de gebieden waar het plangebied doorheen loopt. Voor de verschillende beheertypen is beoordeeld hoe goed de beheertypen, inclusief de ambities, herstelbaar zijn. Hiervoor zijn de beheertypen in drie categorieën opgedeeld: ‘Eenvoudig herstelbaar’, ‘Moeilijk herstelbaar’ en ‘Niet herstelbaar’. Onder ‘Niet herstelbaar’ vallen alle bostypen en beheertypen waar bomen een onderdeel van uitmaken. Onder ‘Moeilijk herstelbaar; vallen de beheertypen met grote wateroppervlakten, (hydrologisch) kwetsbare beheertypen en beheertypen waarvoor meerjarige herstelperioden noodzakelijk zijn.

Alle overige beheertypen vallen onder de categorie ‘Eenvoudig herstelbaar’. De categorie ‘Eenvoudig herstelbaar’ vormt een laag risico en de categorieën ‘Moeilijk herstelbaar’ en ‘Niet herstelbaar’ vormen een groot risico op de aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken. Gevolgen plangebied Het plangebied ligt niet in een NNN-gebied. De werkzaamheden hebben geen negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN, omdat zij de ambities, wenselijke waarden en kenmerken niet aantasten. In Figuur 15 is een kaart weergegeven van de NNN-gebieden in de buurt van de werkzaamheden. De natuurwaarden blijven tijdens en na de werkzaamheden hetzelfde.

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

6

13 juni 2025

Figuur 15: Ligging van NNN (groene vlakken) ten opzichte van het plangebied (rode ster). Bron: www.atlasleefomgeving.nl 1, geraadpleegd op 15/05/2025.

1 Kaarten | Atlas Leefomgeving : atlasleefomgeving.nl/kaarten

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

7

13 juni 2025

Bureauonderzoek Voorgaand aan het veldbezoek is een bureauonderzoek uitgevoerd. Hiermee is onderzocht welke soorten mogelijk voorkomen in het plangebied en de omliggende structuren. Dit heeft als doel om beter voorbereid het veldbezoek te kunnen uitvoeren. In het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie. Naast spreidingskaarten en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) wordt ook het Rapport Beschermde Soorten Indicator (BeSI) gebruikt van BIJ12. Veldbezoek Op 14 mei 2025 is het veldbezoek uitgevoerd tussen 09:13 en 10:34. Wat betreft het weer was de temperatuur 14 tot 17 °C, droog en zonnig met windkracht 3 Bft (NO). Tijdens het veldbezoek is gekeken naar de geschiktheid van het plangebied als groeiplaats/verblijfplaats voor (in de omgeving aanwezige) beschermde soorten. Tevens is gelet op de aanwezigheid van beschermde soorten en de daarbij behorende sporen, zoals uitwerpselen, pootafdrukken, vraatsporen en aanwezige (oude) nesten/verblijfplaatsen. Het plangebied voor deze Quickscan betreft twee schuren die voornamelijk gebruikt worden als werkplaats en opslag. In het plangebied is ook een woning aanwezig, die gedeeltelijk verbouwd zal worden. De twee schuren en de westzijde van het huis grenzen aan een landbouwperceel waar nog actieve landbouw plaatsvindt.

In en langs de twee schuren staan meerdere structuurelementen die als beschutting kunnen dienen voor verschillende diersoorten. Voorbeelden van deze structuurelementen zijn laag groeiende struiken, gemixt gestapeld hout, steen en dakpannen, en houten en plastic kratten tussen de twee schuren. In de schuren zijn meerdere uitwerpselen van dieren gevonden. Zo zijn er in de noordelijke schuur uitwerpselen van vogels en een marterachtige waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn in de zuidelijke schuur geluiden en bewegingen gehoord tussen de dakisolatie en de dakplaat. Aan de buitenkant van de schuur zijn openingen waargenomen tussen de buitenmuur en de golvende dakplaat. In de zuidelijke schuur aan de westzijde zijn ook foerageersporen gevonden, waaronder kleine stukjes piepschuim en halve walnoten. Verder zijn er geen sporen of vogelnesten gevonden in de zuidelijke schuur. Er zijn wel vogelnesten waargenomen in en rond de noordelijke schuur. Er zijn vier grasnesten in de noordelijke schuur gevonden, waarvan er één leeg was en de andere drie te hoog lagen om te inspecteren. In de buitenmuur van de noordelijke schuur zijn verder nog drie grasnesten gevonden, die allemaal leeg waren. In de noordelijke schuur is ook een takkennest waargenomen in de kano’s die bovenin de schuur hangen. Onder dit nest is een leeg ei gevonden en het was mogelijk om twee eieren in het takkennest te zien.

Tijdens de inspectie vloog een houtduif weg van het takkennest. Verder is een huismus waargenomen in de bomen tussen de schuren (zonder nest) en werd ook de ekster in het plangebied gezien. In de bomengroepering zuidwestelijk van de schuren hangen meerdere nestkasten. In een van deze kasten werd waargenomen dat twee pimpelmeesjes in- en uitvlogen en werden geluiden van kuikens gehoord. Tijdens het veldbezoek zijn bijen waargenomen bij struiken met bloeiende bloemen die langs de muren van de schuren groeiden. Er waren geen waterelementen aanwezig in het plangebied en er zijn geen amfibieën waargenomen. Ook werden geen beschermde planten gezien. De bomen tussen de schuren waren gewone esdoorns. Verder zijn pitrus, brandnetels, klimop, akkervergeet-mij-nietje, kruipkardinaalsmuts en hondsdraf in het plangebied aangetroffen. Tijdens het veldbezoek was onduidelijk welk gedeelte van het huis verbouwd zou worden, daarom is het hele huis geïnspecteerd. Het dak van het huis heeft dakpannen, waarbij enkele openingen onder de dakpannen zijn waargenomen. Er zijn geen vogelnesten gevonden tussen het dak en de buitenmuren. Wel is een mogelijke nestlocatie gevonden bij het westelijke raamkozijn. Ook is een opening waargenomen tussen het dak en de buitenmuur, dicht bij een rooster in de buitenmuur aan de noordelijke zijde. Tot slot

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

8

13 juni 2025

is een mogelijk hol waargenomen in de buitenmuur in de noordwestelijke hoek. Bij dit hol lagen ook foerageersporen, zoals halve walnoten. Zie figuren 16 tot en met 28 voor foto’s van bijzondere waarnemingen.

Figuur 16: Visuele beschrijving van bijzondere waarnemingen

Figuur 17: Ruimte tussen dak en isolatie Figuur 18: Ruimte bij muurdecoratie

Figuur 20: Ei onder takkennest

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

Figuur 21: Eieren in takkennest

9

Figuur 19: Foerageer sporen

Figuur 22: Voorbeeld van grasnest

13 juni 2025

Figuur 23: Marterachtige uitwerpselen Figuur 24: Nesten in de buitenmuur

Figuur 25: Voorbeeld van een grasnest

Figuur 26: Hol met foerageer sporen Figuur 27: Gat tussen het dak en de muur Figuur 28: Mogelijk nest bij het kozijn

Voorkomen Volgens de NDFF komen de volgende wet en beleid en Rode lijst plantensoorten voor in de omgeving van het plangebied: Beemdkroon, bergsteentijm, bevertjes, bolderik, borstelgras, bosaardbei, blauwe knoop, gewone agrimonie, gele kornoelje, gulden sleutelbloem, jeneverbes, kartuizer anjer, klimopwaterranonkel, kleine ratelaar, knolsteenbreek, korenbloem, kruidvlier, kruisbladwalstro, moerashertshooi, moeraskartelblad, prachtanjer, rapunzelklokje, rond kaasjeskruid, slanke mantelanjer, steelanjer, stekelbrem, stijve ogentroost, torenkruid, trosdravik, veldkruidkers, veldsalie, valse kamille en zachte hennepnetel Tijdens het veldbezoek zijn de volgende plantensoorten waargenomen: gewone esdoorns, pitrus, brandnetels, klimop, akkervergeet-mij-nietje, kruipkardinaalsmuts en hondsdraf. Beschermde plantensoorten zijn niet waargenomen in het plangebied en worden daar ook niet verwacht vanwege het beheer en gebruik van het gebied. Sinds 2021 zijn er bovendien geen waarnemingen van beschermde planten binnen een straal van 2,5 km rondom het plangebied geweest. Daarom worden beschermde planten in het plangebied niet verwacht. Effecten Schade door de werkzaamheden aan beschermde planten kan worden uitgesloten, aangezien er geen beschermde planten in of rondom het plangebied zijn aangetroffen. Ook worden geen effecten op beschermde plantensoorten verwacht.

Conclusie Nader onderzoek is in het kader van de Omgevingswet voor beschermde flora niet noodzakelijk.

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

10

13 juni 2025

Voorkomen en functie Volgens de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom het plangebied de volgende streng beschermde vleermuissoorten aangetroffen: Gewone dwerg vleermuis en laatvlieger. In het plangebied is tijdens het veldbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Omgevingswet met beschermingsregime soorten uit de Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Omgevingswet. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven.

Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen. Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • • • •

Houtopstanden kraamverblijfplaats; Zomerverblijfplaats; Paar- en/of baltsverblijfplaats; Winterverblijfplaats

Tijdens het veldbezoek zijn meerdere open plekken gevonden die kunnen dienen als rust- of verblijfplaats. Er zijn holle openingen waargenomen in de muren van beide schuren, tussen de golfplaten, losse dakpannen op het dak van het huis en tussen het dak en de muur in de noordwestelijke hoek van het huis. Hierdoor is geschikt leefgebied aanwezig voor vleermuizen in het plangebied. De aanwezigheid van vleermuizen kan niet worden uitgesloten, waardoor nader onderzoek noodzakelijk is.

Foerageergebied en vliegroutes Door de aanwezigheid van diverse groenelementen kan het plangebied geschikt zijn als foerageergebied voor vleermuizen. Er is echter geen sprake van een essentieel foerageergebied, omdat er tijdens de bouwfase voldoende foerageermogelijkheden overblijven en deze mogelijkheden daarna toenemen door de aangeplante natuur. Hierdoor komt het aanbod aan foerageermogelijkheden niet in gevaar door de werkzaamheden. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen, zoals bomenrijen, watergangen en singels, voor vliegroutes. Voor de werkzaamheden in het plangebied worden geen lijnvormige gebieden verwijderd, waardoor er geen direct effect zal zijn op de vliegroutes van mogelijk aanwezige vleermuizen. Wel bevinden zich vlak naast het plangebied lijnvormige landschapselementen in de vorm van de bomenrij aan de Heidseweg en de bomengroepering langs de twee schuren. Omdat bouwwerkzaamheden niet ’s nachts zullen plaatsvinden, zullen er geen significante verstoringen optreden voor vliegroutes als deze bomen daarvoor gebruikt worden. Effecten Het gebruik van het plangebied door vleermuizen kan niet worden uitgesloten. Door de toekomstige werkzaamheden kunnen functionele verblijfplaatsen van vleermuizen beschadigd of vernietigd worden, wat in strijd is met de Omgevingswet.

Nader onderzoek is daarom noodzakelijk om de afwezigheid of aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen te bevestigen en de functionaliteit van deze verblijfplaatsen te identificeren. Tijdens de bouwfase blijven voldoende foerageermogelijkheden beschikbaar en deze nemen toe na het aanleggen van nieuwe en diverse natuurelementen. Lijnvormige landschapselementen blijven intact

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

11

13 juni 2025

binnen het plangebied en omdat er geen werkzaamheden ’s nachts plaatsvinden, worden ook geen indirecte effecten op de functionaliteit van vliegroutes verwacht. Conclusie Nader onderzoek is noodzakelijk voor vleermuizen om af- en aanwezigheid uit te sluiten.

Voorkomen en functie Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de volgende zoogdieren in de omgeving van het plangebied voor: bever, aardmuis, bosmuis, bunzing, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, eekhoorn, egel, gewone bosspitsmuis, huisspitsmuis, ondergrondse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel, wild zwijn, woelrat, haas en konijn. Van de bovengenoemde soorten is het merendeel vrijgesteld van bescherming voor ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Limburg. De bever, das en wild zwijn zijn hiervoor niet vrijgesteld. Verder is de steenmarter vrijgesteld voor ontwikkelingen tussen 15 augustus tot en met februari en is de eekhoorn vrijgesteld tussen maart tot april en juli tot en met november. Er zal verder niet worden ingegaan op soorten die volledig zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Limburg.

Steenmarter In het plangebied zijn uitwerpselen gevonden van kleine marterachtigen (wezel, hermelijn, bunzing of steenmarter). Hierbij worden de wezel, hermelijn en bunzing vrijgesteld van bescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Limburg. De steenmarter wordt niet volledig vrijgesteld. Verder zijn landschapselementen zoals de oudere schuren, struiken en stapels kratten of hout in het plangebied aanwezig die het plangebied voor de steenmarter aantrekkelijk maken om te gebruiken als leefgebied. Hierdoor is de aanwezigheid van de steenmarter in het plangebied niet uit te sluiten. Er is wel een vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen bij de aanwezigheid van de steenmarter tussen 15 augustus tot en met februari. Er wordt geadviseerd om het afbreken van de schuren en in de nabij liggende landschapselementen in deze vrijgestelde periode uit te voeren. Hierbij moet de start van de werkzaamheden in de vrijgestelde periode beginnen (15 augustus tot en met februari) en ononderbroken doorgaan. De ruimte binnen de schuren moet eerst worden leeggeruimd voordat de sloopwerkzaamheden van start gaan. Hierdoor kan gesloopt worden zonder risico op doding en verwonding.

Mochten werkzaamheden starten buiten de vrijgestelde periode (15 augustus tot en met februari) of na een onderbreking buiten de vrijgestelde periode worden hervat, dan dient voorafgaand de aanwezigheid van de steenmarter uitgesloten te worden door middel van nader onderzoek.

Eekhoorn Er zijn geen eekhoorns of indicatieve sporen waargenomen tijdens het veldbezoek. Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos en gemengd bos, maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Hun voorkeur gaat uit naar ouder bos (naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40-80 jaar) vanwege de hogere voedselbeschikbaarheid en nestmogelijkheden. Eekhoorns kunnen in bebouwd gebied voorkomen als er voldoende voedsel beschikbaar is. De eekhoorn is volgens de NDFF meerdere keren sinds 2021 waargenomen op 350 meter afstand van het plangebied. Hierdoor is niet uit te sluiten of de eekhoorn van het plangebied gebruikmaakt of op verstoorbare afstand van het plangebied leeft. Werkzaamheden die het leefgebied van de eekhoorn verstoren of beschadigen zijn verboden volgens de Omgevingswet. Er is wel een vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen tussen maart tot april en juli tot en met november. Helaas overlapt deze periode niet met de vrijgestelde periode van de steenmarter, waardoor werkzaamheden onmogelijk worden. Nader onderzoek is daarom noodzakelijk om de aanwezigheid van de eekhoorn in het plangebied uit te sluiten.

Bever Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water, zoals moerassen, beken, rivieren en meren. Dit is niet van toepassing in het plangebied of in de nabije omgeving, aangezien er geen vochtige elementen aanwezig zijn. Hierdoor is de aanwezigheid van de bever in het plangebied uit te sluiten en is geen nader onderzoek noodzakelijk.

Das

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

12

13 juni 2025

Dassen komen voor in gebieden met voldoende dekking, weinig verstoring, groot voedselaanbod, een zand- of lössbodem voor het graven van de burcht en een grondwaterstand van ten minste 1,5 meter onder het maaiveld. Deze landschapskenmerken zijn niet waargenomen tijdens het veldbezoek, net zoals een mogelijke burcht. De aanwezigheid van de mens in het plangebied maakt het plangebied niet aantrekkelijk voor de das. Hierdoor wordt de aanwezigheid van de das in het plangebied uitgesloten en is er geen nader onderzoek noodzakelijk.

Wild zwijn Wilde zwijnen komen voor in droge en vochtige loofbossen en gemengde bossen, wat afgewisseld kan worden met landbouwgebieden. Hierbij is het vooral belangrijk dat er genoeg beschutting, voedsel en water aanwezig is. Dit is niet het geval in het plangebied door te kleinschalige beschutting en te weinig voedsel- en watermogelijkheden. Hierdoor is de aanwezigheid van het wild zwijn in het plangebied uit te sluiten en is geen nader onderzoek noodzakelijk. Effecten De meeste beschermde zoogdieren worden in de provincie Limburg vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen. Van de niet-vrijgestelde beschermde zoogdieren worden de das, bever en wild zwijn niet in het plangebied verwacht en zijn ook niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Voor deze soorten is dus geen nader onderzoek noodzakelijk. Er zijn wel sporen gevonden van marterachtigen. Hierdoor is de aanwezigheid van de steenmarter in het plangebied niet uit te sluiten. Echter, als de beoogde werkzaamheden binnen de vrijgestelde periode starten (15 augustus tot en met februari) en ononderbroken worden uitgevoerd, is geen nader onderzoek noodzakelijk voor de steenmarter. Mochten toch werkzaamheden starten buiten deze periode, dan is het mogelijk dat de beoogde werkzaamheden verblijfplaatsen beschadigen of vernietigen, wat verboden is volgens de Omgevingswet.

In deze situatie is nader onderzoek noodzakelijk om de aanwezigheid van de steenmarter in het plangebied uit te sluiten. De aanwezigheid van de eekhoorn in het plangebied is niet uit te sluiten door waarnemingen op korte afstand van het plangebied sinds 2021. Vanwege ongunstige vrijgestelde periodes tussen de steenmarter en de eekhoorn is nader onderzoek noodzakelijk om de aanwezigheid van de eekhoorn uit te sluiten. Conclusie Nader onderzoek of een ontheffing Flora en Fauna is noodzakelijk voor overige zoogdieren om de aanwezigheid van de eekhoorn in het plangebied uit te sluiten. Verder moeten werkzaamheden worden gestart buiten de gevoelige periode van de steenmarter en onafgebroken worden uitgevoerd. Hierbij zouden werkzaamheden dus moeten starten tussen 15 augustus tot en met februari en mogen na een mogelijke onderbreking werkzaamheden niet verder gaan buiten deze periode.

Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Omgevingswet. Voor alle beschermde inheemse en algemeen voorkomende vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, of nesten van vogels wegnemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Deze verbodsbepalingen kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk, indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Omgevingswet zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. De genoemde termijn moet daarom niet al te strikt worden toegepast. Voorkomen en functie

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

13

13 juni 2025

In het plangebied is tijdens het veldbezoek beoordeeld of er geschikte nestlocaties zijn binnen het plangebied of direct ernaast. In het plangebied zijn meerdere nesten en mogelijkheden voor nesten waargenomen. Zuidelijke schuur Tijdens het veldbezoek zijn geluiden en/of bewegingen waargenomen tussen de golvende dakplaat en de onderliggende isolatie. De openingen onder de golfplaten zijn groot genoeg om vogels onder het dak te laten vliegen. Hierdoor is geschikt leefgebied onder het dak van de zuidelijke schuur (bijvoorbeeld voor de huismus) niet uit te sluiten. Er zijn echter geen nesten in deze schuur aangetroffen. Noordelijke schuur In de noordelijke schuur zijn meerdere nesten aangetroffen: vier grasnesten in de schuur, drie grasnesten in de buitenmuur, en één takkennest in de kano’s die in de schuur hangen. Tijdens het veldbezoek bleken de drie nesten in de muur en één nest in de schuur leeg te zijn. De overige grasnesten konden niet worden geïnspecteerd. Onder het takkennest is een gevallen ei aangetroffen, en in het nest zelf zijn twee eieren waargenomen (zie figuur 20 en 21 voor foto’s). Tijdens het veldbezoek is een houtduif waargenomen die van het takkennest wegvloog. De woning Rond de woning zijn geen nesten waargenomen. Wel zijn er nestsporen aangetroffen onder het raamkozijn aan de oostzijde van het huis.

Daarnaast zijn potentiële nestlocaties aangetroffen, zoals openingen tussen het dak en de buitenmuur, evenals een rooster met een opening en grassporen. Op het dak zijn losse dakpannen aan zowel de voor- als achterzijde waargenomen, waar huismussen mogelijk nesten kunnen maken. Er zijn meerdere nestkasten aanwezig in de bomengroepering naast de zuidelijke schuur. Bij één van deze kasten, gelegen op korte afstand van de schuur, zijn twee pimpelmezen waargenomen die in en uit de kast vlogen. Ook zijn kuikengeluiden gehoord. Pimpelmezen broeden van eind maart tot juli en zijn jaarrond aanwezig in Nederland. Uit verspreidingskaarten blijkt dat de volgende beschermde vogels aanwezig zijn in de omgeving: Categorie 1 t/m 3 (jaarrond beschermde nesten) Boerenzwaluw, boomvalk, bosuil, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, huiszwaluw, kerkuil, oehoe, ooievaar, raaf, ransuil, rode wouw, roek, slechtvalk, steenuil, torenvalk en wespendief. Tijdens het veldbezoek is de huismus waargenomen in de esdoornbomen tussen de schuren, maar hier zijn geen nesten in gevonden. Categorie 4 (Vogels waarvan voldoende functioneel leefgebied aanwezig moet blijven) Blauwe reiger, buizerd, draaihals, grauwe klauwier, grutto, ijsvogel, kramvogel, oeverzwaluw, paapje, ringmus, roerdomp, sperwer, spotvogel, wulp, zomertortel en zwarte specht.

Tijdens het veld bezoek zijn geen categorie 4 vogels waargenomen. Algemene soorten aalscholver, anatinae, appelvink, baardman, beflijster, blauwborst, blauwe kiekendief, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boomleeuwerik, boompieper, bosrietzanger, bosruiter, braamsluiper, bruine kiekendief, cetti's zanger, dodaars, ekster, falco peregrinus pelegrinoides, fazant, fitis, fluiter, fuut, gaai, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, goudplevier, goudvink, grasmus, graspieper, grauwe gans, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, groenpootruiter, grote barmsijs, grote bonte specht, grote canadese gans, grote karekiet, grote lijster, grote zilverreiger, heggenmus, holenduif, houtduif, houtsnip, kauw, keep, kievit, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zwaan, kleinst waterhoen, kneu, knobbelzwaan, koekoek, kokmeeuw, kolgans, koolmees, koperwiek, kraanvogel, krakeend, kruisbek, kuifeend, kuifmees, kwak, kwartel, larus, matkop, meerkoet, merel, middelste bonte specht, morinelplevier, nachtegaal, nachtzwaluw, nijlgans, ortolaan, paridae, patrijs, pijlstaart, pimpelmees, porseleinhoen, purperreiger, putter, regenwulp, reuzenstern, rietgors, rietzanger, roodborst, roodborsttapuit, scholekster, sijs, slobeend, smient, soepeend, sprinkhaanzanger, staartmees,

stadsduif, stormmeeuw, tapuit, tjiftjaf,

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

14

13 juni 2025

toendrarietgans, tuinfluiter, tureluur, turkse tortel, vale gier, veldleeuwerik, vink, visarend, vogel (onbekend), vuurgoudhaan, waterhoen, waterral, watersnip, witte kwikstaart, witte/rouwkwikstaart, woudaap, zanglijster, zeearend, zilvermeeuw, zwarte kraai, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte ruiter en zwartkop Onderlijnde vogels zijn waargenomen boven/rond/in het plangebied, maar hebben er geen direct gebruik van gemaakt. Tijdens het veld- en bureau onderzoek is ook rekening gehouden met overige wet- en beleidssoorten onder de provincie Limburg en Rode lijst soorten. Deze zijn niet in het plangebied waargenomen en worden er ook niet verwacht door het beheer en gebruik van het plangebied. Effecten Nesten van vogels uit beschermingscategorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd. Voor categorie 4-soorten geldt dat hun functioneel leefgebied behouden moet blijven. De voorgenomen werkzaamheden — sloop van de schuren en verbouwing van de woning — kunnen tijdelijk leiden tot minder nestgelegenheid. Echter, er zal rond het plangebied drie hectare aan diverse natuurelementen worden aangeplant, waarmee aangenomen wordt dat er na de werkzaamheden voldoende of meer functioneel leefgebied beschikbaar is. De werkzaamheden kunnen bestaande vogelnesten beschadigen, vernietigen of verstoren.

Dit geldt ook voor nesten in nestkasten in de bomengroepering ten zuidwesten van de schuren. Om negatieve effecten te voorkomen, wordt aanbevolen werkzaamheden aan de schuren en de woning buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) uit te voeren. Voordat werkzaamheden starten, moeten waargenomen nesten worden gecontroleerd op aanwezigheid van eieren of andere tekenen van actief nestgebruik — ook in de nestkasten in de bomengroepering. Bij de woning zijn losse dakpannen en openingen waargenomen die geschikt zijn voor huismusnesten. Hoewel er geen huismusnesten zijn aangetroffen, zijn wel huismussen in de omgeving gezien, waardoor hun aanwezigheid niet uit te sluiten is. Om aanwezigheid van nesten in het dak uit te sluiten of te bevestigen, is nader onderzoek noodzakelijk. Conclusie Werkzaamheden dienen bij voorkeur buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) te worden uitgevoerd, of vóór deze periode te starten en ononderbroken voortgezet te worden om verstoring van broedvogels te voorkomen. Er is voldoende alternatief broedgebied in de omgeving aanwezig. Onafhankelijk van de tijd van het jaar moet voorafgaand aan de werkzaamheden worden vastgesteld of zich actieve nesten in het plangebied bevinden. Indien geen actieve nesten worden aangetroffen, kunnen de werkzaamheden zonder aanvullende voorwaarden plaatsvinden.

Indien wel actieve nesten aanwezig zijn, moeten werkzaamheden buiten een verstoringszone rondom die nesten blijven. Aangezien er nesten van de huismus zijn aangetroffen in de noordelijke schuur, is sprake van vernietiging van een categorie 2-soort. Daarom moeten mitigerende maatregelen worden genomen om de populatie in stand te houden. Dit houdt onder meer in dat alternatieve nestgelegenheden gerealiseerd moeten worden, ter vervanging van de verloren nesten. Deze maatregelen moeten worden opgenomen in een ontheffingsaanvraag bij het bevoegd gezag (gemeente Venray). Voor de geplande werkzaamheden aan de woning moet het dak worden geïnspecteerd op mogelijke huismusnesten. Indien er geen nesten aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden zonder aanvullende voorwaarden doorgaan. Indien er wel nesten worden aangetroffen, moeten mitigerende maatregelen worden genomen om de soortpopulatie in de omgeving niet in gevaar te brengen.

Voorkomen en functie Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen waargenomen, noch zijn er sporen van reptielen aangetroffen. Beschermde reptielen zijn doorgaans gebonden aan specifieke terreintypen. Uit gegevens van de NDFF

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

15

13 juni 2025

blijkt dat de levendbarende hagedis het enige beschermde reptiel is dat in de omgeving van het plangebied mogelijk voorkomt. De levendbarende hagedis leeft in open bossen, ruige graslanden, bermen van (spoor)wegen en in delen van de duinen, bij voorkeur op vochtige terreindelen binnen deze habitatten. Het plangebied mist essentiële landschapselementen die noodzakelijk zijn voor deze soort. Daardoor is het gebied niet geschikt als leefgebied voor de levendbarende hagedis. Daarnaast blijkt uit verspreidingsgegevens dat de soort sinds 2021 slechts zelden is waargenomen binnen een straal van 2,5 km rond het plangebied. De dichtstbijzijnde waarneming dateert van 2,5 km ten westen van het gebied. Op basis hiervan wordt de aanwezigheid van de levendbarende hagedis in het plangebied uitgesloten. Effecten De levendbarende hagedis of sporen van deze soort zijn niet waargenomen in het plangebied. Vanwege de ongeschiktheid van het terrein als leefgebied en het lage aantal waarnemingen in de omgeving wordt de aanwezigheid van de soort uitgesloten. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Nader onderzoek of een ontheffing Flora en Fauna is niet noodzakelijk voor reptielen.

Voorkomen en functie Volgens gegevens van de NDFF kunnen de volgende beschermde amfibieën in de omgeving van het plangebied voorkomen: alpenwatersalamander, boomkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, poelkikker en vinpootsalamander. Van deze soorten zijn de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander vrijgesteld van beschermingsmaatregelen bij ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Limburg. Door het ontbreken van waterelementen en de frequente aanwezigheid van mensen is het plangebied niet geschikt als leefgebied, en zeker niet als essentieel leefgebied, voor amfibieën. Effecten Algemene amfibieën (zoals bruine kikker, gewone pad en groene kikker) die in de directe omgeving van het plangebied voorkomen, zullen geen negatieve effecten ondervinden van de geplande werkzaamheden. Dit komt doordat de functionaliteit van hun leefgebied niet wordt aangetast. De functionaliteit van het plangebied kan mogelijk toenemen na uitvoering van de werkzaamheden, doordat in de directe omgeving diverse natuur- en waterelementen worden aangebracht. Hoewel de beoogde werkzaamheden tijdelijk kunnen leiden tot een toename van trillingen, geluid en optische verstoring, worden hiervan geen negatieve effecten voor amfibieën verwacht. Conclusie Nader onderzoek of een ontheffing Flora en Fauna is niet noodzakelijk voor amfibieën.

Voorkomen en functie Permanent open water welke geschikt is voor vissen is niet aanwezig in het plangebied. Effecten Significante effecten van de werkzaamheden op vissen zijn uitgesloten gezien er geen geschikte waterelementen in het plangebied aanwezig zijn. Conclusie Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing Flora en Fauna is voor vissen niet noodzakelijk.

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

16

13 juni 2025

Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) zijn volgens de NDFF sinds 2021 de volgende beschermde soorten waargenomen in de omgeving (binnen een straal van 2,5 km) van het plangebied: gevlekte witsnuitlibel, vermiljoenkever, grote vos en spiegeldikkopje. Deze soorten zijn zeldzaam in Nederland en ook in de omgeving van het plangebied. De meest frequent waargenomen soort is de vermiljoenkever, met vijf waarnemingen sinds 2021. Het plangebied zelf is niet geschikt als leefgebied voor deze beschermde soorten. Zo ontbreekt het aan waterelementen, belangrijke nectarplanten (zoals grote kattenstaart, gewone dophei, kale jonker en braam) en dood hout, waardoor de gevlekte witsnuitlibel, vermiljoenkever en het spiegeldikkopje hier niet worden verwacht. De grote vos komt voor op koele en donkere plekken met veel dood hout, zoals in schuren. Hoewel de twee schuren in het plangebied mogelijk een geschikt microklimaat bieden, is er sprake van frequente menselijke activiteit. Daarnaast is deze soort sinds 2021 slechts zeer beperkt in de omgeving waargenomen, met de dichtstbijzijnde melding op 2 km ten oosten van het plangebied. Ook de grote vos wordt daarom niet in het plangebied verwacht. Rode lijst-soorten zijn meegenomen in het veld- en bureauonderzoek.

Geen van deze soorten is tijdens het veldbezoek waargenomen en ze worden ook niet in het plangebied verwacht, gezien het huidige beheer en gebruik van het gebied. Effecten In het plangebied worden geen beschermde ongewervelde soorten verwacht vanwege het ontbreken van geschikte landschapselementen. Negatieve effecten op deze soorten worden daarom uitgesloten. Na afronding van de beoogde werkzaamheden zal de aanleg van diverse natuurstructuren en waterelementen de ecologische waarde van het gebied vergroten. Hierdoor zal de functionaliteit van het plangebied voor ongewervelden toenemen. Conclusie Nader onderzoek en een ontheffing Flora en Fauna voor beschermde ongewervelden is niet noodzakelijk.

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

17

13 juni 2025

In opdracht van Venterra BV is door Embridge een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor project Heidseweg te Venray.

Vanwege de afstand tussen Natura 2000-gebieden en het plangebied zijn directe effecten uitgesloten. Wel liggen stikstofgevoelige gebieden binnen de invloedsfeer van het project. Daarom is een stikstofberekening noodzakelijk voor de bouwfase. Voor de gebruiksfase kan een berekening nodig zijn indien sprake is van een toename in het gebruik van mobiele werktuigen of een toename in bemesting.

Door de afstand van NNN-gebieden tot het plangebied worden significant storende effecten vanwege de beoogde werkzaamheden uitgesloten. Verdere toetsing van effecten op NNN-gebieden zijn niet noodzakelijk.

Tussen de schuren staan meerdere bomen die worden gekapt. Deze bomengroepering is kleiner dan 1000 m² en bevat minder dan 20 bomen op een rij, waardoor deze niet als houtopstand wordt aangemerkt. De bomen bevinden zich op privéterrein, zijn niet monumentaal of waardevol en vallen niet onder het Beschermingsgebied Houtopstanden van het bestemmingsplan. Daarom is geen kapvergunning of melding nodig.

Vleermuizen De aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied is niet uit te sluiten. Dit geldt zowel voor de twee schuren als voor de woning. De geplande werkzaamheden kunnen mogelijk functionele verblijfplaatsen van vleermuizen aantasten. Daarom is nader onderzoek noodzakelijk om de aanwezigheid of afwezigheid van verblijfplaatsen vast te stellen en hun functionaliteit te beoordelen. Volgens NDFF-gegevens zijn in de omgeving de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger waargenomen. Vanwege de ligging en kenmerken van het plangebied zal ook de aanwezigheid van de meervleermuis worden onderzocht. Voor het vleermuisonderzoek wordt het vleermuis protocol 2021 gevolgd. Hierbij zullen twee avondonderzoeken en een ochtendonderzoek worden uitgevoerd tussen 15 mei en eind juli om mogelijke kraam- of zomerverblijven te identificeren. Verder zullen twee onderzoeken uitgevoerd worden tuusen halververwege augustus en halverwege september om mogelijke paarverblijven te identificeren. Tussen alle onderzoeken dient minstens 20 dagen tussen bezoeken te zitten. Overige zoogdieren Van de beschermde zoogdiersoorten in de omgeving van het plangebied is de aanwezigheid van marterachtigen en de eekhoorn niet uit te sluiten.

Voor de steenmarter geldt een periodieke vrijstelling tussen 15 augustus tot en met februari en andere marterachtigen zijn volledig vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen onder de provincie Limburg. Voor de eekhoorn geldt ook een periodieke vrijstelling tussen maart tot april en juli tot en met november. Omdat de vrijstellingsperiode van de eekhoorn en steenmarter niet overlappen, is nader onderzoek noodzakelijk om de aanwezigheid van de eekhoorn uit te sluiten en werkzaamheden mogelijk te maken. Om de aanwezigheid van de eekhoorn uit te sluiten, worden bomen in het plangebied en de bomen in de bomengroepering naast het plangebied onderzocht op mogelijke nesten. Worden er geen nesten gevonden tijdens dit veldbezoek, dan wordt de aanwezigheid van de eekhoorn uitgesloten. Als er wel nesten worden waargenomen, dan zullen vervolgveldbezoeken noodzakelijk zijn in het najaar en de kraamtijd (april – september) om vast te stellen of deze nesten actief door eekhoorns worden gebruikt. Verder moeten de beoogde werkzaamheden in de vrijgestelde periode van de steenmarter starten (15 augustus tot en met februari) en ononderbroken worden uitgevoerd. Worden werkzaamheden toch buiten de vrijgestelde

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

18

13 juni 2025

periode ge-/herstart, dan is nader onderzoek noodzakelijk om de aanwezigheid van de steenmarter in het plangebied uit te sluiten of om de functionaliteit van het plangebied voor de steenmarter te identificeren. Vogels Er dient rekening gehouden te worden met nesten van broedvogels en er wordt geadviseerd om werkzaamheden te starten buiten het algemene broedseizoen in Nederland (15 maart tot 15 juli). Door buiten het broedseizoen te starten en continu door te werken, wordt verstoring van categorie 1 t/m 4 broedvogels zo ruim mogelijk voorkomen. Kort voordat de werkzaamheden aanvangen (ongeacht de periode van het jaar), is een broedvogelcontrole nodig om aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden aan te tonen of uit te sluiten. Als er wel broedvogels aanwezig zijn, dan dienen er geen werkzaamheden uitgevoerd te worden binnen een bepaalde verstoringszone van de betreffende broedvogels. Omdat er nesten aanwezig zijn van de huismus in de schuur, is er sprake van een vernietiging van nesten van categorie 2 broedvogels. Mitigerende maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de populatie van de huismus niet in gevaar komt. Alternatieve verblijfplaatsen moeten worden gerealiseerd ter vervanging van de te verdwijnen nesten in de schuren.

Dit moet worden gerapporteerd in een ontheffingsaanvraag en moet worden ingediend bij het bevoegd gezag (gemeente Venray).

Ven.Hei.25.Ow.QS.01

19

13 juni 2025

Nader ecologisch onderzoek Heidseweg 56 te Heide. Venterra BV 25 september 2025

Nader Onderzoek Heidseweg 56, Heide

Nader ecologisch onderzoek Heidseweg 56 te Heide. Opdrachtgever:

Venterra B.V. Noorderpoort 11a 5916 PJ, Venlo

Locatie:

Heidseweg 56 5812 AB, Heide

Rapportnummer Hei.Ven.OW.25.NO.01 Status Definitief

Datum 25 september 2025 Projectnummer 20250155

Vanwege de AVG-regelgeving worden de namen van de projectleider en auteur(s) niet opgenomen in deze rapportage. Het rapport is tot stand gekomen door middel van het vierogen-principe.

Embridge Nederland BV Willem II Singel 42 6041 HT Roermond Telefoon: E-mail: KvK: IBAN:

0475-420191 info@embridge.nl 13036743 NL53RABO0303441194

Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem/haar gebruikt worden voor het doel waarvoor het is opgesteld, met inachtneming van de rechten die voortvloeien uit de wetgeving op het gebied van het intellectuele eigendom. De auteursrechten van dit document en het Geomilieumodel blijven berusten bij Embridge Nederland.

Nader Onderzoek Heidseweg 56, Heide

Inhoudsopgave Huidige situatie en ruimtelijke ingreep

2

Natuurwetgeving

3

Bescherming van soorten Onderzoeksmethodiek Vleermuis Eekhoorn Huismus Resultaten Vleermuis Eekhoorn Huismus Effectanalyse Vleermuis Eekhoorn Huismus Maatregels Eekhoorn Marterachtige Huismus Vleermuizen Conclusies

3 4 4 5 5 6 6 6 7 8 8 8 8 9 9 9 9 10 14

Nader Onderzoek Heidseweg 56, Heide

Inleiding Embridge heeft in opdracht van Venterra BV (verder Venterra) in mei 2025 een Quickscan flora en fauna uitgevoerd voor de locatie aan de Heidseweg 56 te Heide. Het plangebied is een privé perceel waarvan twee schuren afgebroken zullen worden en een deel van de woning zal na afbraak opnieuw op worden gebouwd. Het totale perceel (nu landbouw en schuren) gaat met veel natuurelementen worden ingericht waaronder bossen, kruidenrijke graslanden en waterelementen. Uit de Quickscan blijkt dat het plangebied geschikt is voor de volgende soortengroepen: Vleermuizen, steenmarter, huismus en de Eekhoorn. Verstoring door de werkzaamheden op vleermuizen en eekhoorns zijn niet uit te sluiten zonder nader onderzoek. Voor de steenmarter zal rekening gehouden worden met de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkeling en voor de huismus zal er gekeken worden naar de activiteit rond de nesten. Het doel van een dergelijk nader ecologisch onderzoek is om de daadwerkelijke aan- of afwezigheid van vleermuizen, huismussen en eekhoorns te bepalen binnen de grenzen van het plangebied. Indien de genoemde soorten aanwezig zijn worden de functies van het plangebied voor deze soorten bepaald. Vervolgens wordt ingeschat wat mogelijk nadelige effecten zijn voor de aanwezige soorten, bij uitvoering van de beoogde werkzaamheden.

Met deze informatie wordt verder een advies gegeven over hoe de nadelige effecten voorkomen of verkleind kunnen worden en welke voorzorgs- of mitigerende maatregelen toegepast kunnen worden. Ten slotte wordt er nog advies gegeven over mogelijke vervolgstappen, zoals het aanvragen van een ontheffing op de Omgevingswet (OW).

Figuur 1, plangebied Heidseweg 56 te Heide (rood omlijn).

Hei.Ven.OW.25.NO.01

1

25 september 2025

Nader Onderzoek Heidseweg 56, Heide

Huidige situatie en ruimtelijke ingreep Het plangebied bevind zich in het zuiden van Heide en wordt omringd door akkerlanden. Verder staan er meerdere bomen in het plangebied en twee kleine schuren die zullen blijven staan. De twee grote schuren worden momenteel gebruikt als opslag en werkplaats. De woning zal aan de westelijke zijde blijven staan en het gebouw aan de Heidseweg zal eerst worden afgebroken en daarna vernieuwd worden opgebouwd. Na de sloop van de schuren en de verbouwing van de woning wordt het perceel ingericht als natuur. Hierbij zullen kruidenrijke graslanden, bomen en struiken aangeplant worden en zullen waterelementen toegevoegd worden. Op deze manier wordt het gebied verrijkt met geschikt leefgebied voor een grote diversiteit aan soorten. De te slopen elementen en het aanwezige bos kunnen momenteel worden gebruikt door onder andere vleermuizen en eekhoorns. Bij de uitvoering van de werkzaamheden bestaat er een risico op verstoring, verwonding of doding van beschermde soorten, hetgeen – indien noodzakelijk – voorkomen dient te worden.

Figuur 2, impressie plangebied.

Hei.Ven.OW.25.NO.01

2

25 september 2025

Nader Onderzoek Heidseweg 56, Heide

Natuurwetgeving De Omgevingswet bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De provincies zijn het bevoegd gezag en alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied. Flora- en fauna- activiteiten Flora- en fauna- activiteiten zijn activiteiten die gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Een floraen fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dit weet of redelijkerwijs kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt in ieder geval voor alle (inter)nationale beschermde soorten bijbehorende leefgebieden, waaronder de vogelrichtlijn, habitatrichtlijn en de rode lijsten. Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”.

Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leidt tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet mogelijk blijkt, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen.

Hei.Ven.OW.25.NO.01

3

25 september 2025

Nader Onderzoek Heidseweg 56, Heide

Onderzoeksmethodiek De inventarisaties van beschermde (niet-vrijgestelde) soorten heeft plaatsgevonden in de periode van 12 juni 2025 tot en met 10 september 2025. In voorliggende paragrafen wordt per soort(groep) de onderzoeksmethodiek, inventarisatiemethode en bezoekdata beschreven. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de geldende richtlijnen en/of protocollen zoals de Kennisdocumenten van BIJ12 en/of de Soorteninventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) voor de betreffende soorten. Op deze wijze wordt voldaan aan vereist protocollair onderzoek ten behoeve van de vergunningenprocedure en resulteert in een vlak dekkend beeld van de verspreiding van betreffende beschermde soorten. De onderzoeken zijn uitgevoerd door ter zake kundige ecologen van het adviserend bureau Embridge Nederland BV. Onderstaande wordt per soort(groep) de gehanteerde methodiek beschreven. Vleermuis Voor vleermuizen is het nader onderzoek afgestemd op het vleermuisprotocol (versie 1 januari 2021, geactualiseerde m.b.t. meervleermuis, 24 maart 2025)1. Dit is een door het Netwerk Groen Bureaus, Zoogdiervereniging en bevoegd gezag goedgekeurde methodiek voor vleermuisonderzoek. Uit de QuickScans van mei 20252 is de mogelijke geschiktheid van het gebouw binnen het plangebied voor vleermuizen beoordeeld.

Hierbij is beoordeeld dat het onderzoeksgebied geschikt is als kraam-, paar- en zomerverblijfplaats. De woning en met name de zuidelijke schuur hebben openingen die lijden onder het dak of in de spouwmuur, waar vleermuizen (met name de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) vaak verblijven. Ook in de omgeving van het plangebied is er gekeken naar verblijfplaatsen. Vleermuizen kunnen op meerdere manieren gebruik maken van de bebouwing in verschillende perioden van het jaar. Er zijn daarom meerdere bezoekronden uitgevoerd in de actieve periode van vleermuizen voor het nadere onderzoek: -

-

-

Twee bezoeken zijn in de kraamperiode uitgevoerd (15 mei – 15 juli) met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. Eén van deze onderzoek is gecombineerd met een zomerverblijfplaatsen onderzoek. Twee bezoeken zijn uitgevoerd om zomerverblijfplaatsen vast te stellen in de periode 15 mei – 15 augustus (afhankelijk van de soorten die er verwacht wordt uit de QuickScans). Eén van deze onderzoek is gecombineerd met een kraamperiode onderzoek. Twee bezoeken zijn uitgevoerd in de paarperiode (15 augustus - 1 oktober) met een tussenperiode van 20 dagen.

Het aantal veldbezoeken is gebaseerd op de 75% regel. 75% van de projectlocatie moet op elk moment zichtbaar zijn. De onderzoeksinspanning is gericht op de aanname dat het gebouw geschikt is voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger (gezien de eigenschappen van de woning en de schuren). De Heidseweg bevind zich buiten de radius van een bekend kraam en/of mannenverblijf van de meervleermuis. Verder is er dagelijkse menselijke activiteit in de schuren en woning wat de locatie minder aantrekkelijk maakt voor vleermuizen. Om deze redenen is de meervleermuis niet meegenomen in het naderonderzoek. Indien de meervleermuis tijdens één van de onderzoeken zou zijn vastgesteld, zou het onderzoek zijn uitgebreid met deze soort. Aangezien de meervleermuis niet is vastgesteld, was een uitbreiding van het onderzoek niet noodzakelijk. Met behulp van een batdetector van het type Pettersson M500-384 USB Ultrasound Microphone en zichtwaarnemingen is het onderzoek uitgevoerd om de activiteiten van vleermuizen vast te stellen binnen en nabij het plangebied. Een batdetector zet de voor mensen onhoorbare geluiden van vleermuizen om in hoorbare geluiden. Aan de hand van frequentie en ritme van de geluiden is het mogelijk om de vleermuissoorten te 1 https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/soortinventarisatieprotocollen/vleermuisprotocol

2

Rapport nummer - Quickscan.Ven.Hei.25.Ow.QS.01.def

Hei.Ven.OW.25.NO.01

4

25 september 2025

Nader Onderzoek Heidseweg 56, Heide

onderscheiden. Er zijn tevens opnames gemaakt voor nadere analyse om de aanwezigheid van verschillende soorten te bevestigen. Op basis van deze onderzoeksmethode is een compleet beeld verkregen van het gebruik van het plangebied (en directe omgeving) door vleermuizen. Tijdens het laatste onderzoek was het ook mogelijk om een warmte beeld te gebruiken. Deze warmtebeeldcamera is tijdens het laatste veldbezoek gebruikt om vleermuis activiteit rond de bekende verblijfplaats en tijdens de paarroepen te bevestigen of uit te sluiten. Tabel 1. Gegevens van onderzoekmomenten Tijd zon Temp Wind (Bft Datum en -opkomst/ (°C) en tijd ondergang richting) 12-06-2025 21:50-23:54 3-07-2025 21:50-23:57 29-07-2025 03:42-05:52 18-8-2025 20:20-1:00 (19-8) 10-9-2025 19:45-23:02

Weer

Onderzoek gericht op

Vleermuis (zomer/kraam verblijven) Vleermuis (zomer/kraamverblijven) Vleermuis (zomer/kraamverblijven)

Aantal onderzoekers

21:55

23

2W

Droog

3

23:57

18

2N

Droog, licht bewolkt

05:52

13

1W

Droog

20:54

22

2 NO

Droog en helder

Vleermuis (paarverblijven)

2

23:02

18

2Z

Droog, bewolkt

Vleermuizen (paarverblijven)

3

3 3

15 minuten voor alle onderzoek momenten zijn de nesten in de schuren gecontroleerd op activiteit. Daarnaast is tijdens de laatste twee onderzoeken, gedurende 15 minuten voorafgaand aan het vleermuisonderzoek, gezocht naar sporen van eekhoorns in het bosje naast de grote schuren Eekhoorn Tijdens de laatste twee vleermuisonderzoeken zijn de onderzoekers eerder op het terrein aanwezig geweest. Dertig minuten vóór aanvang van de vleermuisonderzoeken is in de bomengroepering ten zuidwesten van de twee grote schuren gezocht naar mogelijke eekhoornnesten en naar sporen die duiden op de aanwezigheid van de eekhoorn. De bomengroepering is relatief klein waardoor een bezoek van 30 minuten met twee mensen meer dan genoeg tijd was om alle bomen te onderzoeken. Hierbij is gelet op karakteristieken van een eekhoornnest, (bolvormig en een doorsnede van 30 tot 50 cm). Huismus Tijdens alle veldbezoeken zijn de nesten in de noordelijke schuur gecheckt die tijdens de Quickscan geschikt waren als een mogelijk huismusnest. Hierbij is gelet of activiteit rond het nest en de staat van de nesten. Bij niet onderhouden of stoffige nesten wordt er geen activiteit verwacht van vogels en dus ook niet van de huismus.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16975826/1