16 Rapport quickscan flora en fauna
Tekst van het document
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA STATIONSWEG TE VENRAY
Rapportage quickscan flora en fauna Stationsweg te Venray Opdrachtgever
Gemeente Venray Postbus 500 5800 MB Venray
Rapportnummer Versienummer
10189.001 D1
Status
Eindrapportage
Datum
10 september 2019
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
ir. D. Sanders
Paraaf
Kwaliteitscontrole
ir. F.M. IJdema
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 11 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 12 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 13 Ongewervelden............................................................................................................... 13 Vaatplanten..................................................................................................................... 14
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 15 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8
Jaarrond beschermde nesten ......................................................................................... 15 Algemene broedvogels ................................................................................................... 15 Vleermuizen .................................................................................................................... 15 Eekhoorn ........................................................................................................................ 16 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 16 Iepenpage ....................................................................................................................... 17 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 17
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 18 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 18 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 19
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 20
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 21
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
tabel bomen controle toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 10189.001
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van gemeente Venray opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de Stationsweg te Venray. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van de reconstructie en aanleg van wegen en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 1 van 22
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 3,8 ha, ± 1,6 km lang) ligt aan de Stationsstraat en een nieuw te construeren weg ten oosten van de A73, circa 600 meter ten oosten van de kern van Venray. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 196.831, Y = 393.489.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft de Stationsweg vanaf de rotonde met de Oostsingel tot en met het viaduct onder de A73 door, én een nieuw te realiseren weg vanaf de Stationsweg richting het zuiden, parallel aan de A73 nabij het bedrijventerrein de Hulst. De onderzoekslocatie betreft tevens de bomenlanen aan beide kanten, de berm, het trottoir/fietspad en enkele perkjes. Aan het talud van de A73 wordt niets gedaan. De onderzoekslocatie kan opgedeeld worden in twee delen, deze verschillen sterk in gebruik en uiterlijk. Het deel ten westen van de A73 zal worden benoemd als de ‘Stationsweg’, het deel ten oosten van de A73 zal worden benoemd als de ‘Hulst’. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 2 van 22
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Straatbeeld van Stationsweg richting het oosten.
Figuur 4. Straatbeeld kruising Stationsweg/Kruidenlaan.
Figuur 5. Straatbeeld van Stationsweg nabij kruising met Klaproos richting het westen.
Figuur 6. Aanzicht noordelijk deel ‘de Hulst’ bij kruising met Stationsweg.
Figuur 7. Ruigtestruweel ten midden van ‘de Hulst’.
Figuur 8. Zuidelijk deel ‘de Hulst’ met hoge coniferen.
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 3 van 22
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens de Stationsstraat te reconstrueren waarbij enkele bomen (mogelijk) gekapt gaan worden en enkele delen van de berm (mogelijk) zullen verdwijnen of worden verhard. Bovendien is de initiatiefnemer voornemens een nieuw tracé aan te leggen parallel aan de A73, nabij bedrijventerrein de Hulst.
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 4 van 22
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 18 juli 2019. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 5 van 22
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 6 van 22
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 7 van 22
genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 8 van 22
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen en aan de rand van de bebouwde kom kunnen dit zijn: huismus, gierzwaluw, steenuil, kerkuil, ransuil, boomvalk, buizerd, sperwer, havik en roek. Van deze soorten kunnen de huismus en gierzwaluw op voorhand worden uitgesloten. Deze soorten broedt enkel in en rond bebouwing, wat op de onderzoekslocatie niet aanwezig is. Eventueel broedende huismussen en gierzwaluwen in de bebouwing grenzend aan de onderzoekslocatie zullen tevens niet verstoord worden. Hun essentiële foerageerhabitat blijft bij de voorgenomen plannen behouden. Steenuil De steenuil komt voor in de omgeving van Venray maar volgens de gegevens uit de NDFF zijn er geen waarnemingen bekend uit te directe omgeving van de onderzoekslocatie. Tijdens het veldbezoek zijn er op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving geen nestkasten, potentiele nestholtes, braakballen of krijtsporen waargenomen die op de aanwezigheid van de steenuil duiden. Het gedeelte van de onderzoekslocatie ‘de Stationsweg’ is door de dichte bebouwing en de hoge verkeersdichtheid niet aantrekkelijk als leefgebied voor de steenuil. Het gedeelte van de onderzoekslocatie ‘de Hulst’ zou bij regulier maaibeheer een klein gedeelte van het jaar geschikt kunnen zijn als foerageergebied van de steenuil.
Op het moment van het veldbezoek lag dat deel echter al een tijd braak en was er een ruigte vegetatie aanwezig. De steenuil heeft zijn primaire habitat voornamelijk op beweid grasland. De vegetatie op de onderzoekslocatie is te hoog om geschikt te kunnen zijn als foerageergebied voor de steenuil. Tevens zijn er geen territoria van de steenuil bekend in de omgeving van de onderzoekslocatie. Verstoring ten aanzien van de steenuil is uit te sluiten. Kerkuil De beplanting op de onderzoekslocatie is goed geïnspecteerd; er zijn geen kasten of openingen van voldoende grootte aanwezig die geschikt zijn als nestlocatie voor de kerkuil. Er zijn volgens de gegevens van de NDFF geen vastgestelde territoria van de kerkuil bekend uit de omgeving van de onderzoekslocatie. Wel zijn er enkele waarnemingen bekend van kerkuilen binnen 300 meter van ‘de Hulst’. De geplande werkzaamheden op de onderzoekslocatie hebben echter vanwege de afstand en de aard van de werkzaamheden geen negatief effect op eventueel in de omgeving nestelende kerkuilen. Tevens gaat er geen belangrijk foerageergebied verloren; in de omgeving is voldoende alternatief foerageergebied voorhanden.
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 9 van 22
Ransuil De ransuil maakt voor zijn leefgebied gebruik van veel verschillende landschapstypen als akkers, bosranden, parken en wegbermen. Als nestlocatie maakt hij vaak gebruik van oude nesten van bijvoorbeeld kraaien of eksters in naaldbomen en coniferen die jaarrond voldoende dekking bieden. In de winter verzamelen ransuilen zich in grote groepen op vaste roestplekken. Aan de zuidzijde bij ‘de Hulst’ staat een rij grote coniferen. Deze zouden mogelijk gebruikt kunnen worden door de ransuil als roestplek en nestlocatie. De coniferen zijn goed onderzocht op de aanwezigheid van nesten die door de ransuil gebruikt zouden kunnen worden. Er zijn volgens de gegevens van de NDFF echter geen waarnemingen bekend van de ransuil uit de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Tevens zijn er tijdens het veldbezoek geen nesten of sporen als braakballen of krijtsporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van de ransuil op de onderzoekslocatie of net daarbuiten. Derhalve kan de aanwezigheid van ransuilen op de onderzoekslocatie redelijkerwijs worden uitgesloten. Roek De roek is een koloniebroeder met slordige nesten in de toppen van hoge bomen. Roekenkolonies bevinden zich vaak in vrijstaande hoge groepen bomen langs wegen, sporen of kanalen. Roekenkolonies zijn makkelijk te herkennen.
De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het dichte bladerdek niet geheel geïnspecteerd worden op dergelijke nesten. Aangezien er geen waarnemingen bekend zijn van roeken in de omgeving van de onderzoekslocatie is het onwaarschijnlijk dat er zich een roekenkolonie bevind. Echter is het niet volledig uit te sluiten, tevens zijn sommige andere typen nesten niet uit te sluiten. Voor het uitsluiten dan wel bevestigen van alle typen nesten van vogels en de eekhoorn is een aanvullende inspectie in het bladerloze seizoen noodzakelijk. Overige roofvogels Volgens gegevens van de NDFF komen boomvalk, buizerd, havik, slechtvalk, sperwer en wespendief voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. De hoge bomen op en rond de onderzoekslocatie zijn geïnspecteerd op grote nesten, niet alle bomen konden volledig onderzocht worden door het dichte bladerdek. In de tabel in bijlage 1 is weergegeven welke bomen wel of niet volledig onderzocht zijn. 5.1.2
Overige broedvogels
De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals heggemus, staartmees, merel, houtduif en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6).
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 10 van 22
5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, franjestaart, meervleermuis, baardvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd, de aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, welke kunnen dienen als potentiële vaste rusten verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. In enkele bomen zijn holtes, takbreuken, loszittende schors en kieren aangetroffen welke potentieel geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen (zie figuur 9 en 10). In de tabel in bijlage 1 is aangegeven welke bomen dit betreft. Een groot deel van de overige bomen zijn tevens grondig geïnspecteerd maar hebben geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen.
Figuur 9. Paardekastanje met holte t.h.v. Stationsweg 113.
Figuur 10. Robinia met holte t.h.v. Stationsweg 60.
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat Een deel van de onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk ruige dwergvleermuis om te foerageren. Dit betreft voornamelijk ‘de Hulst’, de omgeving rondom de Stationsweg is door de aanwezigheid van straatverlichting minder geschikt als foerageergebied. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving immers meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de herin-
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 11 van 22
richting van de onderzoekslocatie worden geen vliegroutes verstoord. Een groot deel van de bomen op de onderzoekslocatie staan te ver van elkaar of zijn de klein om als geleidingsbomen te fungeren. Tevens zijn op korte afstand sterkere potentiële vliegroutes aanwezig door onder andere aansluitende bebouwing en de aanwezigheid van grotere bomen. Er zijn voldoende alternatieven voor vleermuizen om zich te kunnen oriënteren op hun vliegroute, deze alternatieven zullen naar verwachting geen negatief effect hebben op de overlevingskansen van de vleermuizen. 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie bewoningssporen van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen: das, bever, steenmarter en eekhoorn. Streng beschermde soorten Das Er zijn volgens gegevens van de NDFF enkele waarnemingen gedaan van de das op korte afstand van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie is door de afwezigheid van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor dassen. Echter is het direct aangrenzende talud van de A73 wel geschikt voor rust- en verblijfplaatsen van de das. Tijdens het veldbezoek is de onderzoekslocatie en de directe omgeving grondig geïnspecteerd op loop-, graaf-, en eetsporen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Er zijn geen van dergelijke sporen aangetroffen echter is het niet volledig uit te sluiten dat de das incidenteel gebruik maakt van de onderzoekslocatie als foerageergebied.
In de directe omgeving bevindt zich meer geschikt foerageergebied in het bos en in de begraasde graslanden aangrenzend aan de onderzoekslocatie. Bij de voorgenomen plannen gaat geen essentieel deel van het foerageergebied van de das verloren. Vanwege de afwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie en sporen op en net buiten de onderzoekslocatie kan verstoring van de das worden uitgesloten. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt matig geschikt habitat voor de steenmarter. Deze soort komt in de omgeving veelvuldig voor. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Er zijn geen potentiele verblijfplaatsen van steenmarters aanwezig binnen de onderzoekslocatie, wel zou de steenmarter gebruik kunnen maken van de onderzoekslocatie om te foerageren. Bij de voorgenomen werkzaamheden zal het foerageergebied tijdelijk worden verstoord en deels verloren gaan ter plaatse van ‘de Hulst’. Er is voldoende alternatief foerageergebied in de omgeving aanwezig in de vorm van de parkomgeving op- en rondom het Vincent van Gogh terrein, het talud van de A73 en overige groenstructuren. Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn, deze is tijdens het veldbezoek ook in de bomen tegenover de Stationsweg 113 waargenomen.
Niet alle hoge bomen op de onderzoekslocatie konden goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Voor de meerderheid van de bomen is met zekerheid te zeggen dat er geen eekhoorn nesten in aanwezig zijn. In de tabel in bijlage 1 is weergegeven welke bomen dit zijn. Bij de overige bomen kan niet geheel worden uitgesloten of er eekhoornnesten aanwezig zijn. Bij de kap van deze bomen zullen maatregelen moeten worden genomen om verstoring van de eekhoorn in de kwetsbare periode te voorkomen.
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 12 van 22
Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, egel, mol en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van deze soorten worden aangetast (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is er in de afgelopen 10 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de levendbarende hagedis waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. De verspreidingsgegevens van levendbarende hagedis zullen betrekking hebben op de nabijgelegen natuurgebieden. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: kleine watersalamander, Alpenwatersalamander, gewone pad, meerkikker en bruine kikker. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. De onderzoekslocatie vormt minimaal geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. Het ruigte struweel bij ‘de Hulst’ en struiken in het openbaar groen langs de Stationsweg kunnen onderkomen bieden aan beide soorten. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de begroeiing. De waarnemingen van de streng beschermde Alpenwatersalamander, hebben naar verwachting betrekking op de nabij gelegen natuurgebieden.
Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.5
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Voor libellen geldt tevens dat water nodig is ter voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 13 van 22
sleedoornpage (sleedoorn) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Wel zijn bij de aansluiting van de Kruidenlaan op de Stationsweg drie grote Hollandse iepen aanwezig. Deze zouden door de streng beschermde iepenpage gebruikt kunnen worden als waardboom. Er zijn in de NDFF in de afgelopen 10 jaar geen waarnemingen bekend van de iepenpage in de gemeente Venray. Het is echter een soort die vaak over het hoofd word gezien omdat deze in rondom de boomtoppen vliegt. De afgelopen jaren zijn er populaties ontdekt in onder andere Eindhoven en Tilburg en waarnemingen gedaan in Roermond en Venlo. Het is derhalve niet uit te sluiten dat deze bomen habitat bieden voor een (deel)populatie van de iepenpage. Indien de betreffende iepen niet behouden kunnen blijven, dienen maatregelen te worden genomen om de lokale populatie in stand te houden. Voor de overige streng beschermde dagvlindersoorten is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6
Vaatplanten
Het deel van de onderzoekslocatie aan de Stationsweg bestaat geheel uit verharding, intensief beheerde bermen en aangeplant openbaargroen, derhalve is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op dit deel van de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten ook op het deel ‘de Hulst’ niet te verwachten. Tijdens het veldbezoek zijn onder andere de volgende soorten waargenomen: duizendblad, jakobskruiskruid, boerenwormkruid, brandnetel, braam, hop, verschillende soorten distels, wilgenroosje, jonge opslag van berk en wilg, guldenroede, melganzenvoet, bijvoet en canadese fijnstraal. Deze soorten duiden op droge, matig tot voedselrijke en zwakzure bodem waar geen beschermde plantensoorten zijn te verwachten.
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 14 van 22
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1
Jaarrond beschermde nesten
Voor de aanleg van de ontsluitingsweg geldt dat vastgesteld zal moeten worden of zich in de te kappen bomen en in de bomen binnen 75 meter van het tracé zich nesten van roofvogels als buizerd, havik of ransuil bevinden. Indien dit het geval is zal er ten aanzien van de ingreep een alternatieven afweging gemaakt moeten worden. 6.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.3
Vleermuizen
Enkele van de mogelijk te kappen bomen op de onderzoekslocatie zijn geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Van enkele andere bomen kon dit op basis van het veldbezoek niet geheel worden uitgesloten. De kap van deze bomen zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal bij kap van bomen met holtes, kieren en losse bast aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, franjestaart, meervleermuis, baardvleermuis en watervleermuis. Een dergelijk aanvullend
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 15 van 22
onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een projectplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Limburg, middels een ontheffingsaanvraag. 6.4
Eekhoorn
In de bomen op de onderzoekslocatie zijn mogelijk voortplantings- en winternesten van de eekhoorn aanwezig. De eekhoorn staat op de lijst van vrijgestelde soorten van de provincie Limburg, de eekhoorn is vrijgesteld van maart tot april en juli tot en met november. De eekhoorn maakt jaarlijks op een andere plek een nest voor het grootbrengen van de jongen. De nesten zijn beschermd in de periode dat het nest gebruikt wordt voor de verzorging van de jongen. De voortplantingsperiode van de eekhoorn begint al in december. In december tot februari en mei en juni worden de jongen geboren. Aan het eind van de herfst worden een aantal winternesten gebouwd om de winter in door te brengen. Elk jaar worden ook de winternesten op een andere plek gebouwd. De winternesten zijn alleen beschermd als deze in gebruik zijn voor de overwintering. In de winterperiode is de eekhoorn afhankelijk van een veilige schuilplaats en van de wintervoorraad, die verstopt is in de nabijheid van de winterverblijven. Door te werken conform een goedgekeurde gedragscode en door het zorgvuldig handelen kan de gunstige staat van instandhouding van de eekhoorn gegarandeerd worden en wordt overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen.
Om te voorkomen dat er toch door eekhoorn in gebruik zijnde nesten worden beschadigd of verwijderd, wordt geadviseerd de bomen in de periode van eind september tot half november te kappen. Dit betreft de periode tussen de voortplantingsperiode en de winterperiode. Indien de kap van bomen met eekhoornnesten niet binnen de aanbevolen periode kan worden uitgevoerd is kap gedurende de voortplantingsperiode en buiten de winterperiode (mei-eind september) een mogelijkheid, mits het een niet in gebruik zijnd nest betreft. Een ter zake kundige dient een controle uit te voeren om te bepalen of het een in gebruik zijnd nest betreft. 6.5
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 16 van 22
Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.6
Iepenpage
Bij de aansluiting van de Kruidenlaan op de Stationsweg zijn drie grote Hollandse iepen aanwezig. Deze zouden door de streng beschermde iepenpage gebruikt kunnen worden als waardboom. Het is op basis van de huidige beschikbare informatie niet uit te sluiten dat deze bomen habitat bieden voor een (deel)populatie van de iepenpage. Indien de betreffende iepen niet behouden kunnen blijven is aanvullend onderzoek naar het voorkomen van de iepenpage noodzakelijk. Door middel van twee gerichte veldbezoeken in de vliegperiode van de iepenpage kan uitsluitsel worden verkregen over de aan of afwezigheid van de iepenpage bij deze bomen. 6.7
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 17 van 22
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Boschhuizerbergen, bevindt zich op circa 1,3 kilometer afstand ten noordoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 11).
Figuur 11. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie ligt binnen de invloedsfeer van het Natura-2000 gebied Boschhuizerbergen. Indien er een effect te verwachten valt dan zal dit een extern effect zijn, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Gezien de aard van de werkzaamheden in combinatie met de afstand tot het natuurgebied zullen effecten als gevolg van geluid en licht kunnen worden uitgesloten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 uitgesproken dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten gebruikt mag worden. Daarmee vervalt de in het PAS gehanteerde grenswaarde voor stikstofdepositie van 0,05 mol N/ha/jaar. Het gevolg hiervan is dat alle ingrepen die de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied in de omgeving ook maar enigszins verhogen in principe niet zijn toegestaan. Een verhoging van de stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ingreep kan niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve wordt geadviseerd om een stikstofdepositie onderzoek uit te laten voeren.
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 18 van 22
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 600 meter ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Het betreft kruiden- en faunarijkgrasland. Tevens is de onderzoekslocatie niet gelegen in door de Provincie Limburg beschermde natuur- en landschapszones als ‘brons’ en ‘zilver’. De ‘goud’ categorie komt overeen met het Natuur Netwerk Nederland. In figuur 12 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 12. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
De onderzoekslocatie is op ruim 500 meter afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 19 van 22
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. Enkele van de bomen op de onderzoekslocatie zijn door de gemeente aangeduid als monumentale of waardevolle bomen. Aangezien de gemeente Venray zelf initiatiefnemer is van de voorgenomen werkzaamheden is het aan hen zelf hoe hier mee om te gaan.
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 20 van 22
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van gemeente Venray een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Stationsweg te Venray. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van de reconstructie en aanleg van wegen en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens de Stationsstraat te reconstrueren waarbij enkele bomen (mogelijk) gekapt gaan worden en enkele delen van de berm (mogelijk) zullen verdwijnen of worden verhard. Bovendien is de initiatiefnemer voornemens een nieuw tracé aan te leggen parallel aan de A73, nabij bedrijventerrein de Hulst. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
algemeen
ja
ja
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren
jaarrond beschermd
mogelijk
mogelijk
ja
nee
nadere inspectie jaarrondbeschermde nesten in bladerloze seizoen
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
mogelijk
mogelijk
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
-
vliegroutes
ja
nee
nee
nee
er is voldoende alternatief zonder afbreuk te doen aan overlevingskansen.
Eekhoorn
ja
mogelijk
mogelijk
nee
indien bomen met mogelijke eekhoornnesten gekapt dienen te worden dit buiten kwetsbare periode doen of in bladerloze seizoen inspectie uitvoeren.
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten als mol, egel konijn en diverse muissoorten.
Amfibieën
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten als bruine kikker en gewone pad.
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en dagvlinders
ja
mogelijk
mogelijk
mogelijk
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Broedvogels
Vleermuizen
Rapport 10189.001 versie D1
Bijzonderheden / opmerkingen*
indien betreffende bomen behouden kunnen blijven is nader onderzoek en het verdere traject niet noodzakelijk.
bij voorgenomen kap van Hollandse iep is nader onderzoek naar iepenpage noodzakelijk.
Pagina 21 van 22
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
1,3 km
mogelijk
ja
mogelijk
Natuurnetwerk Nederland
600 m
nee
nee
nee
ja
mogelijk
nee
nee
Houtopstanden
stikstofdepositieonderzoek
aanwezige bomen zijn niet beschermd onder Wnb, enkele bomen zijn door de gemeente echter wel aangemerkt als monumentaal of waardevol
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Op basis van onderhavige quickscan flora en fauna hoeft voor uitvoering van de plannen mogelijk aanvullende duidelijkheid te worden verkregen middels aanvullend veldonderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten, boombewonende vleermuizen, eekhoornnesten en de iepenpage. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene zoogdieren en amfibieën. Aangaande Natura 2000-gebieden zal een stikstofdepositie onderzoek moeten uitwijzen of er met de geplande werkzaamheden sprake is van overschrijding van vastgestelde normen. In kader van het Natuurnetwerk Nederland worden bij de voorgenomen werkzaamheden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen herontwikkeling op de onderzoekslocatie. Op de locatie zijn geen bomen aanwezig die beschermd zijn onder de Wnb.
Econsultancy Boxmeer, 10 september 2019
Rapport 10189.001 versie D1
Pagina 22 van 22
GERAADPLEEGDE BRONNEN Limpens H., Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Gemeente Venray, periode 2009-2019 Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J. Thissen, K. Canters, & J. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) Provinciale websites www.limburg.nl (NNN en beschermde gebieden in Limburg) www.natuurgegevensprovincielimburg.nl (natuurgegevens provincie Limburg)
Rapport 10189.001 versie D1
Bijlage 1 tabel bomen controle De kolom ‘Opm_Econsu’ geeft aan welke bomen mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen of nesten van eekhoorn of jaarrond beschermde vogels bevatten. Sommige van de bomen zijn niet onderzocht omdat deze buiten de onderzoekslocatie liggen of konden door het dichte bladerdek niet volledig onderzocht worden. IMGEO_ID 54225
ID
54528
126758
62329
127214
54227
126744
64188
127517
62282
NEDBOOMSOO
LATBOOMSOO
GV_X
GV_Y
Opm_Econsu
Robinia pseudoacacia 'Bessoniana' Robinia pseudoacacia 'Bessoniana' Paulownia tomentosa
197.213.933
393.493.729
Geen nesten of holtes
197.048.333
393.473.538
Geen nesten of holtes
197.028.901
393.506.895
Geen holtes of nesten
197.176.151
393.483.450
Geen nesten of holtes
196.602.142
393.474.779
Geen nesten of holtes
127520
Eenstijlige meidoorn Hollandse iep
Robinia pseudoacacia 'Bessoniana' Crataegus monogyna 'Stricta' Ulmus hollandica 'Lobel'
196.624.244
393.493.887
54703
127365
Acacia
Robinia pseudoacacia
197.230.305
393.500.616
Geen nesten of holtes, iepenpage Geen nesten of holtes
64193
127511
393.468.421
Geen nesten of holtes
130851 130852 132178
197.067.987 197.073.592 196.670.716
393.510.699 393.508.540 393.456.539
Geen holtes of nesten Geen holtes of nesten Geen nesten of holtes
64094
133677
197.179.761
393.540.756
Niet onderzocht
148523
136825
Ginkgo biloba (mannelijke) Quercus robur Quercus robur Ginkgo biloba (mannelijke) Carpinus betulus 'Frans Fontaine' Acer platanoides
196.586.372
62325 62324 75854
Japanse notenboom Zomereik Zomereik Japanse notenboom
196.339.751
393.468.213
Niet onderzocht
687116
162810
Prunus serrulata
196.904.122
393.516.539
Niet onderzocht
54251
126745
197.167.108
393.490.526
Geen nesten of holtes
306148
149747
196.937.016
393.470.655
Niet volledig onderzocht
93758
124621
Robinia pseudoacacia 'Bessoniana' Sequoiadendron giganteum Acer platanoides
196.998.782
393.499.190
Geen nesten of holtes
62488 231073
124624 125682
Tilia x europaea Aesculus hippocastanum
197.335.700 196.862.377
393.552.262 393.472.987
54529
126759
197.036.606
393.465.286
666329
162760
197.084.471
393.476.091
Geen nesten of holtes
54840
127578
Acacia
197.438.146
393.489.299
Niet onderzocht
64440
128321
196.453.589
393.481.795
Geen nesten of holtes
64443
128322
196.468.898
393.479.674
Geen nesten of holtes
687103
129994
196.470.832
393.490.029
Niet onderzocht
236280
130666
Japanse notenboom Japanse notenboom Witte paardekastanje Zomereik
Robinia pseudoacacia 'Bessoniana' Robinia pseudoacacia 'Bessoniana' Robinia pseudoacacia 'Uniflora' Ginkgo biloba (mannelijke) Ginkgo biloba (vrouwelijke) Aesculus hippocastanum
Niet onderzocht Mogelijk verblijfplaatsen en nesten Geen nesten of holtes
Quercus robur
197.086.866
393.509.144
Geen holtes of nesten
624193
161670
Beuk
197.192.597
393.485.765
Geen nesten of holtes
75857
132176
196.643.723
393.455.188
Geen nesten of holtes
231064
145122
196.744.356
393.468.193
Geen nesten of holtes
231075
125679
Japanse notenboom Japanse notenboom Witte paardekastanje
Fagus sylvatica 'Atropunicea' Ginkgo biloba (mannelijke) Ginkgo biloba (vrouwelijke) Aesculus hippocastanum
196.888.200
393.474.332
Mogelijk verblijfplaatsen en nesten
126742
Anna Paulownaboom
Noorse esdoorn
Mammoetboom Noorse esdoorn Linde Witte paardekastanje
Rapport 10189.001 versie D1
231074
125680
Quercus rubra
196.879.429
393.473.770
125683
Amerikaanse eik Zilveresdoorn
Acer saccharinum
196.853.656
393.472.620
236283
127215
Hemelboom
Ailanthus altissima
197.035.366
393.502.191
Mogelijk verblijfplaatsen en nesten Mogelijk verblijfplaatsen en nesten Geen holtes of nesten
231070
54254
126748
197.153.102
393.477.179
Geen nesten of holtes
54842
127577
Acacia
197.439.499
393.498.005
Niet onderzocht
54702
127364
Acacia
Robinia pseudoacacia 'Bessoniana' Robinia pseudoacacia 'Uniflora' Robinia pseudoacacia
197.235.486
393.490.723
Niet onderzocht
64197
127507
393.470.950
Geen nesten of holtes
128492 128473
196.640.054 197.433.775
393.504.864 393.498.972
Sierkers, geen nesten of holtes Niet onderzocht
236279 62326
130665 130850
Ginkgo biloba (vrouwelijke) Ulmus hollandica 'Lobel' Robinia pseudoacacia 'Uniflora' Quercus robur Aesculus x carnea
196.531.081
235658 54841
Japanse notenboom Hollandse iep Acacia
197.092.223 197.056.700
393.506.256 393.506.270
Geen holtes of nesten Niet volledig onderzocht
237786 75855
130853 132177
197.089.407 196.662.680
393.499.919 393.456.013
Geen nesten of holtes Geen nesten of holtes
75853
132179
196.694.434
393.460.702
Geen nesten of holtes