CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

09 Onderzoek explosieven Kerkweg

Gemeenteraad 14 december 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Kerkweg ong. Ysselsteyn.21.429 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Niet gevonden in dit document.

22

271-020-VO-01

Pagina 1 van 77

Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied ‘’Timmermannsweg 13’ en locatie ‘In de Wei’ te Ysselsteyn’.

271-020-VO-01

Pagina 2 van 77

ONDERZOEKSGEBIED:

‘Timmermannsweg 13’ en locatie ‘In de Wei’ te Ysselsteyn

OPDRACHTGEVER:

BRO

DATUM:

30-09-2020

TER ACCORDERING MANAGEMENT EN EINDVERANTWOORDELIJKE DIRECTIE:

Ing. F. Pas – Algemeen Directeur Explosive Clearance Group

………………………………………………………...

DOCUMENTCODE:

271-020-VO-01

VERSIE:

Concept

DISTRIBUTIELIJST:

BRO Explosive Clearance Group BV

Copyright Explosive Clearance Group BV 2020©. Niets uit deze rapportage mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, internet of welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houders van het auteursrecht. De opdrachtgever mag voor intern gebruik duplicaten maken. 271-020-VO-01

Pagina 3 van 77

Inhoudsopgave 1

INLEIDING ..................................................................................................................... 6

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6

AANLEIDING ..................................................................................................................................... 6 ONDERZOEKSGEBIED .......................................................................................................................... 7 ALGEMEEN ....................................................................................................................................... 9 DOEL VAN HET INDICATIEONDERZOEK .................................................................................................. 10 BRONNEN....................................................................................................................................... 12 KWALIFICATIE ONDERZOEKSTEAM ....................................................................................................... 13

2

HET INDICATIE ONDERZOEK ...............................................................................................14

2.1 INDELING EN OPZET VAN HET INDICATIEONDERZOEK............................................................................... 14 2.2 UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEOORDELING VAN DE RELEVANTIE VAN EEN INDICATIE ................................... 14 2.3 HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INFORMATIE ............................................................................................ 14 2.4 REEDS UITGEVOERDE RAPPORTAGES.................................................................................................... 17 2.5 LITERATUUR .................................................................................................................................... 17 2.6 ARCHIEVEN ..................................................................................................................................... 17 2.6.1 GEMEENTEARCHIEF VENRAY .............................................................................................................. 18 2.6.2 REGIONAAL HISTORISCH CENTRUM LIMBURG ....................................................................................... 18 2.6.3 NATIONAAL ARCHIEF DEN HAAG ........................................................................................................ 18 2.6.4 NIOD INSTITUUT VOOR OORLOGS- HOLOCAUST- EN GENOCIDENSTUDIES AMSTERDAM ..............................

19 2.6.5 NEDERLANDS INSTITUUT VOOR MILITAIRE HISTORIE DEN HAAG .............................................................. 19 2.6.6 THE NATIONAL ARCHIVES LONDEN ..................................................................................................... 19 2.6.6.1 The National Archives: omgang en uitgangspunt ontlenen gegevens aan Daily Logs. 20 2.6.6.2 Geallieerden: Nord de Guerre coördinatenstelsel....................................................... 20 2.6.7 NATIONAL ARCHIVES AND RECORDS ADMNISTRATION ........................................................................... 20 2.6.8 BUNDESARCHIV-MILITÄRARCHIV ........................................................................................................ 22 2.7 GEMELDE EN GERUIMDE EXPLOSIEVEN EOD EN M.M.O.D..................................................................... 22 2.7.1 ARCHIEF UITVOERINGSOPDRACHTEN EXPLOSIEVEN OPRUIMINGSDIENST DEFENSIE...................................... 23 2.7.2 ARCHIEF M.M.O.D. SEMISTATISCHE ARCHIEFDIENSTEN MINISTERIE DEFENSIE RIJSWIJK ............................. 26 2.7.3 MIJNENVELDREGISTER ...................................................................................................................... 26 2.8 LUCHTFOTO INTERPRETATIE ...............................................................................................................

27 2.8.1 DOEL VAN DE LUCHTFOTO INTERPRETATIE ............................................................................................ 27 2.8.2 METHODIEK.................................................................................................................................... 27 2.8.3 GRENZEN EN MOGELIJKHEDEN VAN LUCHTFOTO INTERPRETATIE ............................................................... 27 2.8.4 INVENTARISATIE, SELECTIE EN INTERPRETATIE VAN HET GEHANTEERDE BEELDMATERIAAL .............................. 28 2.9 OVERZICHTSTABEL OORLOGSHANDELINGEN UIT LITERATUUR, ARCHIEFMATERIAAL EN LUCHTFOTO’S............... 30 2.10 BEELDMATERIAAL AFKOMSTIG UIT LITERATUUR EN ARCHIEVEN ................................................................ 38 2.11 ANALYSE INDICATIES UIT INDICATIE-ONDERZOEK ................................................................................... 42

3

HET CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK ...................................................................................44

3.1 3.2 3.3

BEELDVERGELIJKING TEN BEHOEVE CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK .......................................................... 44 KLIC-MELDING................................................................................................................................. 47 SAMENVATTING NAOORLOGSE WERKZAAMHEDEN ................................................................................. 47

4

AFBAKENING VERDACHT GEBIED .........................................................................................49

271-020-VO-01

Pagina 4 van 77

4.1 4.2 4.3 4.4

EVALUATIE AFWEGING INDICATIES EN CONTRA-INDICATIES ...................................................................... 49 HORIZONTALE AFBAKENING ............................................................................................................... 49 MOGELIJK AAN TE TREFFEN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN..................................................................... 50 VERTICALE AFBAKENING .................................................................................................................... 51

5 6 7 8

LEEMTEN IN KENNIS ........................................................................................................52 CONCLUSIE EN ADVIES .....................................................................................................53 OVERZICHT VAN GEHANTEERDE BRONNEN .............................................................................55 BIJLAGEN .....................................................................................................................57

BIJLAGE 1: CE BODEMBELASTINGSKAART ....................................................................................................... 57 BIJLAGE 2: SYSTEEM CERTIFICATEN OPSPOREN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN .................................................... 59 BIJLAGE 3: VASTSTELLEN VERDACHT GEBIED EN AFBAKENING IN VOORONDERZOEK ................................................ 60 BIJLAGE 4: TOELICHTING VERPLICHTE EN AANVULLENDE BRONNEN WSCS-OCE................................................... 64 BIJLAGE 5: GERAADPLEEGDE ARCHIEVEN ....................................................................................................... 67 BIJLAGE 6: PROTOCOL TOEVALSVONDST ........................................................................................................ 75

271-020-VO-01

Pagina 5 van 77

1 INLEIDING Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens mondiale, militaire inschatting is van al het explosieve materiaal dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) is ingezet, verschoten of afgeworpen, tussen de zeven en vijftien procent om verschillende redenen niet tot uitwerking gekomen of gebracht. In dit hoofdstuk zullen allereerst de aanleiding en het onderzoeksgebied van de voorliggende bureaustudie worden toegelicht. Hierna volgt een passage over het vooronderzoek in het algemeen, om vervolgens het onderzoeksdoel van deze studie te omschrijven. Tot slot volgt een inzicht van geraadpleegde bronnen en een toelichting van de door ECG gestelde eisen aan haar onderzoekers. 1.1

AANLEIDING

In Ysselsteyn in men voornemens om in de nabije toekomst op een tweetal locaties nieuwe woningen te ontwikkelen. Met het plan “Sint Oda Hofje” wordt er ingesprongen op de woonbehoefte van jonge ouderen en senioren. De insteek is om de huidige boerderij op Timmermannsweg 13 op te delen in ca. zeven woningen, terwijl op het achterliggende perceel nieuwbouw van ongeveer acht woningen staat gepland. Tussen de woningen wordt naar verwachting een binnenhof gecreëerd.1

Figuur 1: Weergave van de voorlopige ontwikkelplannen op het perceel Timmermannsweg 13.

1

Sint Oda Hofje, ‘Sint Oda Hofje’ <http://www.odahofje.nl/> [geraadpleegd september 2020].

271-020-VO-01

Pagina 6 van 77

Nieuwbouwplan “In de Wei” bestaat uit de realisering van in totaal 33 woningen, zowel bestaande uit een vrijstaand huis, twee-onder-één-kap woningen en appartementen. Tevens wordt er een speelplein in een groen middengebied gecreëerd en worden 55 parkeerplaatsen aangelegd.

Figuur 2: Nieuwbouwplan In de Wei.

Om het risico op het aantreffen van CE voorafgaande aan de bodemroerende werkzaamheden in te kunnen schatten, is door BRO aan ECG opdracht verstrekt voor de uitvoering van een vooronderzoek conform het vigerende WSCS-OCE. De bureaustudie is door ECG uitgevoerd conform het in Nederland vigerende WSCS-OCE en de inspanningen zoals aangegeven in de door ECG opgestelde offerte bureaustudie met kenmerk ‘271-020-02’ betiteld als ‘’Timmermannsweg 13’ en locatie ‘In de Wei’ te Ysselsteyn’ daterende van 25 juni 2020. 1.2

ONDERZOEKSGEBIED

Het onderzoeksgebied beslaat twee gebieden in Ysselsteyn, gelegen in de gemeente Venray. In het deelgebied ‘Timmermannsweg 13’ is een gebouw gelegen, terwijl ‘In de Wei’ onbebouwd land betreft. Het onderzoeksgebied bevindt zich in de provincie Limburg en is op de volgende pagina weergegeven (tekening 203-020-TE-01).

271-020-VO-01

Pagina 7 van 77

1.3

ALGEMEEN

Hoofdrisico van het werkveld van het opsporen van Conventionele Explosieven (CE) is het onverhoeds aantreffen van deze CE bij het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem en/of de ondeskundige en onzorgvuldige omgang met aangetroffen CE. Hierdoor bestaat het gevaar op het ongewenst tot (uit)werking komen van CE en dat kan grote uitwerkingsgevolgen teweegbrengen. De belangrijkste daarvan zijn luchtdruk, schokgolf en scherfwerking, welke een groot gevaar vormen voor de veiligheid en gezondheid van bij het opsporen van CE betrokken werknemers en andere personen. Het voornoemd risico doet zich voor indien voorafgaand aan (bouw)projecten geen/onvoldoende onderzoek wordt gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van CE en/of het opsporen van CE op een onzorgvuldige en/of ondeskundige wijze plaatsvindt. In het laatstgenoemde geval doet het risico van het onverhoeds aantreffen van CE zich ook voor zodra na een opsporingsproject met de reguliere (bouw)werkzaamheden wordt gestart.2 Om spontane vondsten en eventuele daaruit voortvloeiende ongewilde gebeurtenissen te voorkomen, dient de opdrachtgever ervoor te zorgen (inspanningsverplichting) dat in de ontwerpfase – als onderdeel van de Risico-Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) – er rekening wordt gehouden met (veiligheids) verplichtingen die gelden in de uitvoeringsfase.

Dat wil onder andere zeggen dat de opdrachtgever (de initiatiefnemer van de werkzaamheden) het mogelijk moet maken dat de aannemer die het werk uitvoert dat op een veilige en gezonde manier kan doen, onder naleving van wettelijke regels en door toepassing van maatregelen uit de voor dat werk geldende arbocatalogus, brancherichtlijnen, stand der techniek en wetenschap.3 Als gevolg van het voorgaande dient de opdrachtgever er vooraf zorg voor te dragen dat er bij gronden/of waterbodemroerende activiteiten informatie beschikbaar (inventariseren en evalueren) is over de samenstelling van de (water)bodem. Zoals of er bijvoorbeeld sprake is van de vermoede aanwezigheid van CE en/of de identificatie van potentiële risicolocaties. Om het maatschappelijk belang (veiligheid en gezondheid van en rondom arbeid) te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de kwaliteit/veiligheid van het opsporen van Conventionele Explosieven. Dat wil zeggen dat opsporingswerkzaamheden met betrekking tot CE op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) enkel uitgevoerd mogen worden door de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD) en bedrijven die in het bezit zijn van een certificaat voor het opsporen van Conventionele Explosieven.

Om dit certificaat te verkrijgen dient het bedrijf (en de EOD) te voldoen aan de eisen zoals gesteld in het ‘Werkveldspecifieke certificatieschema voor het systeemcertificaat opsporing conventionele explosieven zoals opgenomen in bijlage XII van de Arbeidsomstandighedenregeling’ (afgekort als WSCS-OCE). Het toepassingsgebied

2 Voor nadere info betreffende regelgeving etc. zie: www.explosievenopsporing.nl. 3 Zie ook voor achtergrond Nederland: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Inspectie Sociale Zaken en

Werkgelegenheid, Jaarplan 2015 (Den Haag 2014) 18 (https://www.inspectieszw.nl/binaries/inspectieszw/documenten/jaarplannen/2014/09/15/jaarplan-2015/JaarplanInspectieSZW-2015.pdf); De Inspectie blijft zich inzetten om bij de opdrachtgevers, inclusief gemeenten, indringend concrete aandacht en zorg te eisen voor hun verantwoordelijkheid bij de voorbereidingen voor GWW-projecten. Bijvoorbeeld het veilig opleveren van projectgrond – gevrijwaard van explosieven – en sturing op arbo-aspecten in het opdrachtverlenings-traject.

271-020-VO-01

Pagina 9 van 77

van het Certificatieschema is verdeeld in twee deelgebieden: A (Opsporing, inclusief vooronderzoek) en B (Civieltechnisch Opsporingsproces). De doelstelling van dit door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) vastgestelde certificatieschema is drieledig: ▪ ‘bewerkstelligen dat risicovolle werkzaamheden voldoende veilig voor het eigen personeel en derden aanwezig op het project worden uitgevoerd; ▪ bewerkstelligen dat risicovolle werkzaamheden zodanig en met die deskundigheid worden uitgevoerd dat omwonenden veilig zijn en dat de openbare orde en publieke veiligheid wordt gewaarborgd; ▪ bewerkstelligen dat het vooronderzoek en/of de opsporing volgens de gegunde opdracht wordt uitgevoerd en opgeleverd (vast te leggen in het proces-verbaal van oplevering).’4 Explosive Clearance Group B.V. (ECG) is voor beide deelgebieden (A+B) gecertificeerd.5 Een eerste stap in het opsporingsproces wordt (doorgaans) gevormd door een (historisch) vooronderzoek waarin beoordeeld wordt of een onderzoekgebied VERDACHT of ONVERDACHT is op de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven. 1.4

DOEL VAN HET INDICATIEONDERZOEK

Het onderzoeksdoel en de te volgen werkwijze betreffende een vooronderzoek zijn in het WSCS-OCE als volgt omschreven: ‘Het vooronderzoek heeft tot doel om te beoordelen of er indicaties zijn dat binnen het onderzoeksgebied CE aanwezig zijn, en zo ja, om het verdachte gebied [in horizontale en verticale dimensie] af te bakenen. Het vooronderzoek bestaat uit zowel het inventariseren als beoordelen (analyseren) van bronnenmateriaal en resulteert in een rapportage en een CE bodembelastingskaart.’6 Het uitgangspunt van deze studie is het verkrijgen van een, door middel van het verzamelen en verwerken van relevant (historisch) feitenmateriaal, gefundeerd antwoord op de volgende drie kernvragen: 1. Is het onderzoeksgebied of delen hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen (indicaties) en is er daardoor sprake van een verhoogd risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven, oftewel van VERDACHT gebied?

4 Werkveldspecifieke certificatieschema voor het systeemcertificaat opsporing conventionele explosieven zoals opgenomen

in bijlage XII van de Arbeidsomstandighedenregeling (WSCS-OCE) 2. 5 Het certificaat is opgenomen onder bijlage 2. 6 WSCS-OCE, 16.

271-020-VO-01

Pagina 10 van 77

2. Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk verdacht) gebied of een deel hiervan als ONVERDACHT kan worden aangemerkt? 3. Indien er sprake is van VERDACHT gebied wat is dan de (sub)soort, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoede Conventionele Explosieven? De indicaties zijn onder te verdelen naar: geografisch herleidbare gebeurtenissen met informatie die een aanwijzing vormen dat het gebied ‘verdacht’ is op Conventionele Explosieven of geografisch herleidbare gebeurtenissen die een aanwijzing vormen dat het gebied als ‘onverdacht’ kan worden aangemerkt (contra-indicaties).7 Oorlogshandelingen (in dit geval gebeurtenissen die tot de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven leiden) kunnen over het algemeen onderverdeeld worden naar een bepaald(e) oorzaak of scenario, zoals in het navolgende overzicht (figuur 3) is weergegeven.8 MOGELIJKE OORZAKEN VOOR ACHTERGEBLEVEN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN

LUCHTAANVALLEN

Bombardement

Beschieting met boordwapens

Beschieting met raketten

Vliegtuigcrash

GRONDGEVECHTEN (SECUNDAIRE GEVOLGEN)

Blindgangers (bijv. artillerie beschieting)

In stellingen achtergelaten, gedumpt of bedolven

MUNITIE VERNIETIGING

MILITAIR GEBRUIK

MUNITIE OPSLAG

Springputten en dergelijke

Militair oefenterrein

Munitie fabricage en/of opslag

Munitiedump of stort

Stationering militairen

Munitie inrichtingen

Munitiedump in water

Vliegveld

(afzinking)

Mijnenveld(en)

Vernielingsactiviteiten

Figuur 3: Overzicht van mogelijk te achterhalen oorlogshandelingen in en rond een onderzoeksgebied.

7 VERDACHT of ONVERDACHT houdt niet in dat feitelijk vaststaat dat er wel of geen CE liggen, maar geeft antwoord op de

vraag of het (op basis van feiten/bronnenmateriaal) aannemelijk is dat in een bepaald gebied CE kunnen worden aangetroffen. Enkel door middel van opsporingswerkzaamheden kan de feitelijke aanwezigheid en exacte ligplaats van CE worden vastgesteld. 8 De weergegeven scenario’s zijn exemplarisch en pretenderen geen volledigheid.

271-020-VO-01

Pagina 11 van 77

Gebeurtenissen die mogelijk geleid hebben tot het uit de bodem verwijderen van conventionele explosieven (contra-indicaties) kunnen over het algemeen onderverdeeld worden naar een bepaald(e) oorzaak of scenario, zoals hieronder is weergegeven. MOGELIJKE OORZAKEN VOOR CONTRA-INDICATIES VAN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN

GRONDROERENDE WERKZAAMHEDEN

Ontgravingen

BAGGERWERKZAAMHEDEN

Gronddepositie

OPSPORINGSWERKZAAMHEDEN

EODD en voorgangers

Civiele opsporingsbedrijven

Figuur 4: Overzicht van mogelijk te achterhalen naoorlogse (bodem)activiteiten in en rond een onderzoeksgebied

Deze rapportage omvat (naast de eerder genoemde zaken): ▪ ▪ ▪ ▪

Aanleiding van het vooronderzoek; omschrijving en doelstelling van de opdracht; begrenzing van het onderzoeksgebied; beschrijving van de uitvoering van het onderzoek (inclusief de betrokken, door het management van ECG bevoegde, personen); ▪ verantwoording van het bronnenmateriaal (inclusief bronverwijzing); ▪ resultaten van de beoordeling van het bronnenmateriaal; ▪ beschrijving leemten in kennis. Als er aanwijzingen worden achterhaald dat het onderzoeksgebied betrokken is geweest bij oorlogshandelingen en er geen sprake is van relevante contra-indicaties dan zal de uiteindelijke afbakening van het ‘verdachte’ gebied in zowel horizontale (indien mogelijk aan de hand van bijlage 3 uit het WSCS-OCE9) als verticale zin plaatsvinden (indien de in het WSCS-OCE weergegeven vereiste parameters aanwezig zijn). 1.5

BRONNEN

Bij het indicatieonderzoek dienen volgens het WSCS-OCE een aantal bronnen verplicht te worden geraadpleegd.10 In het navolgende overzicht (tabel 1) staat schematisch weergegeven welke bronnen dit zijn en of hieraan bij dit onderzoek gehoor is gegeven. Optionele bronnen dienen in bepaalde, in het certificatieschema vastgelegde, situaties te worden gehanteerd. Daarnaast raadpleegt ECG aanvullend een tweetal archieven welke niet zijn opgenomen 9 Zie bijlage 3 rapportage. 10 WSCS-OCE, 16.

271-020-VO-01

Pagina 12 van 77

in het vigerende WSCS-OCE. De conclusie ‘verdacht’ wordt bij voorkeur vastgesteld op basis van twee of meer onafhankelijke bronnen. Een toelichting betreffende de verplicht en aanvullend te raadplegen bronnen is opgenomen in bijlage 4. BRONNEN CONFORM WSCS-OCE: Literatuur Gemeente- en Provinciaal archief Nederlands Instituut voor Militaire Historie NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies Explosieven Opruimingsdienst Defensie Luchtfotocollectie Universiteit Wageningen Luchtfotocollectie Topografische Dienst Zwolle Luchtfotocollectie The Aerial Reconnaissance Archives/National Collection of Aerial Photography (Edinburgh) The National Archives (Londen) Bundesarchiv-Militärarchiv (Freiburg) The National Archives (Washington) Getuigen

RAADPLEGEN: Verplicht Optioneel ✓ ✓

GERAADPLEEGD

✓

Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja

✓ ✓ ✓ ✓

Ja Ja Ja Nee

✓ ✓ ✓ ✓ ✓

AANVULLEND BRONNENONDERZOEK ECG: Semistatische archiefdiensten Ministerie Defensie te Rijswijk Nationaal Archief te Den Haag

Nvt. Nvt.

Ja Ja

Tabel 1: Overzicht van geraadpleegde bronnen.

1.6

KWALIFICATIE ONDERZOEKSTEAM

Hoewel in de geldende regels geen ervarings- en opleidingseisen zijn gesteld aan de uitvoerende(n) van een vooronderzoek naar de kans op het aantreffen van achtergebleven explosieven, stelt ECG deze eisen wel aan haar onderzoekers. Het basisteam dat het vooronderzoek daadwerkelijk uitvoert en rapporteert, bestaat uit academisch geschoolde historici. Reden voor deze opleidingseis van ECG is het feit dat academisch geschoolde historici gespecialiseerd zijn in het vergaren, selecteren en beoordelen van relevant (feiten)materiaal en in staat zijn deze op een duidelijke manier te rapporteren. Het onderscheiden van hoofd- en bijzaken is daarbij van essentieel belang.

271-020-VO-01

Pagina 13 van 77

2 HET INDICATIE ONDERZOEK In het indicatie onderzoek wordt op basis van bronnenonderzoek vastgesteld of het onderzoeksgebied mogelijk betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. 2.1

INDELING EN OPZET VAN HET INDICATIEONDERZOEK

In dit hoofdstuk wordt ten eerste het uitgangspunt voor de beoordeling van de relevantie van een indicatie toegelicht, waarna er met behulp van historisch kaartmateriaal een historisch-geografische situatie wordt gekenschetst van het onderzoeksgebied ten tijde van de oorlogsperiode. Hierop volgend wordt een inventarisatie uitgevoerd naar bij ECG bekende gegevens omtrent eerder uitgevoerd(e) onderzoek(en) naar de aanwezigheid van conventionele explosieven in of bij het onderzoeksgebied.11 Daarop volgt er een opsomming van de geraadpleegde literatuur en de bezochte archiefinstanties. Vervolgens worden de eventueel achterhaalde naoorlogse ruimingen van Conventionele Explosieven en daaraan gerelateerde zaken in beeld gebracht. Tot slot zullen vanuit een combinatie van bronspecifieke en historische benadering (waaronder de mogelijk reeds achterhaalde indicaties) luchtfoto's uit de Tweede Wereldoorlog geanalyseerd worden om de hierboven aangehaalde omschrijvingen verder te verifiëren en/of te herleiden. De indicaties die relevant zijn voor het onderzoeksgebied zullen in paragraaf 2.9 in een chronologisch overzicht worden weergegeven en nader getoetst op verificatie en herleidbaarheid. 2.2

UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEOORDELING VAN DE RELEVANTIE VAN EEN INDICATIE

Bij het beoordelen of de bij het indicatieonderzoek achterhaalde informatie/indicatie relevant is/of kan zijn, wordt een selectiecriterium uit het WSCS-OCE toegepast: ‘Indicaties/contra-indicaties dienen een locatieverwijzing te hebben, aangezien deze essentieel is om te bepalen of de informatie relevant is voor de aanwezigheid van CE in het onderzoeksgebied.’12 Indien de locatieverwijzing niet verwijst naar de omgeving van het onderzoeksgebied of op een andere wijze een relatie met het onderzoeksgebied (bijvoorbeeld op basis van voorkennis) impliceert of van invloed kan zijn, dan wordt de desbetreffende informatie niet in de rapportage opgenomen of als niet relevant beoordeeld en wordt deze verder buiten beschouwing gelaten. 2.3

HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INFORMATIE

Aangezien locatieverwijzingen een essentiële rol spelen bij het vaststellen van de relevantie van achterhaalde indicaties, wordt er gekeken naar de geografische situatie voor of ten tijde van aanvang van de oorlog. Derhalve kunnen locatieverwijzingen die uit het huidige stratenbeeld zijn verdwenen toch worden achterhaald. 11 Onder onderzoek wordt door ECG bij voorkeur verstaan: een (opsporings)onderzoek uitgevoerd volgens de regels

van de voormalige Beoordelingsrichtlijn Opsporing Conventionele Explosieven (BRL-OCE) of het vigerende WSCS-OCE. 12 WSCS-OCE, 17.

271-020-VO-01

Pagina 14 van 77

Met behulp van een Stafkaart kan de topografie van het onderzoeksgebied ten tijde van de oorlog worden achterhaald.13 Middels ArcGIS Pro kan het huidige onderzoeksgebied op de oude situatie worden geprojecteerd. Een overzicht van de situatie rond 1945 is op de volgende pagina weergegeven (tekening 271-020-TE-02). In de wetenschap van deze locatieverwijzingen zal het indicatieonderzoek worden uitgevoerd. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog viel het onderzoeksgebied al binnen de gemeente Venray. Derhalve dient het archief van deze gemeente te worden geraadpleegd, als ook het provinciale archief van Limburg, te weten het Regionaal Historisch Centrum Limburg. De boerderij op adres Timmermannsweg 13 werd gedurende de oorlogsjaren bewoond door de heer Jan Mathijs Smeets. In april 1944 trouwde Jan Vergeldt met Smeets’ dochter Emilia en gingen zij bij haar ouders inwonen.14 Gedurende de oorlogsjaren kende Ysselsteyn nog een wijkindeling in plaats van straatnamen en huisnummering. Via het Gemeentearchief Venray is achterhaald welke straatnaam en huisnummer voor de oude nummers in de plaats zijn gekomen toen in de jaren 19501960 ook in het buitengebied straatnamen werden ingevoerd. Hierbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat huizen na 1960 ook weer vernummerd kunnen zijn. In het register worden J.M. Smeets en J.A.J.

Vergeldt als bewoners van Timmermannsweg 1, het voormalige I 81 genoteerd.15 Het lijkt er dus op dat de boerderij na 1960 inderdaad is vernummerd en dat het pand in het onderzoeksgebied in de oorlogsjaren als I 81 bekend stond. Dit nummer wordt meegenomen in het indicatieonderzoek. Het pand direct ten westen van deelgebied ‘In de Wei’, Kerkweg 28, werd gedurende de oorlogsjaren bewoond door Grad Spreeuwenberg en Gertruda Verlinden. Grad overleed echter al in 1943. In 1961 hebben zoon Sjef en Anny Spreeuwenberg-Arts het boerenbedrijf overgenomen.16 In het register van huisnummering, zoals dus opgesteld in de periode 1950-1960, wordt Spreeuwenberg-Verlinden als bewoner van Kerkweg 14, het voormalige I 77 genoteerd.17 Wederom kan worden gesteld dat het pand na 1960 is vernummerd en dat de huidige Kerkweg 28 in de oorlogsjaren als I 77 bekend stond. Ook dit nummer wordt meegenomen in het indicatieonderzoek.

13 Venraij, sheet 19 S.W., G.S.G.S. 4427 First Edition 1944, Holland 1:25.000. 14 J. Jansen, L. Potten e.a., Zo is het begonnen: de huizen van Ysselsteyn van voor 1940 met zijn bewoners van 1916 tot 2016

(Ysselsteyn 2016) 309. 15 Gemeentearchief Venray, ‘Gemeentearchief – Huisnummering’ < https://rooynet.nl/gemeentearchiefvenray/huisnummering> [geraadpleegd september 2020]. 16 J. Jansen, L. Potten e.a., Zo is het begonnen: de huizen van Ysselsteyn van voor 1940 met zijn bewoners van 1916 tot 2016 (Ysselsteyn 2016) 105. 17 Gemeentearchief Venray, ‘Gemeentearchief – Huisnummering’ < https://rooynet.nl/gemeentearchiefvenray/huisnummering> [geraadpleegd september 2020].

271-020-VO-01

Pagina 15 van 77

REEDS UITGEVOERDE RAPPORTAGES

2.4

Conform de proceseisen vooronderzoek zoals opgenomen in het WSCS-OCE, heeft ECG een inventarisatie gemaakt van reeds uitgevoerde bureaustudies door zowel ECG als derden. Er zijn bij ECG geen rapportages voorhanden die het huidige onderzoeksgebied dekken.

LITERATUUR

2.5

Om een totaalbeeld te krijgen van mogelijk relevante oorlogshandelingen in en nabij het onderzoeksgebied heeft ECG onder meer de onderstaande (deels locatiespecifieke) literatuur. Een compleet overzicht van geraadpleegde literatuur is opgenomen in hoofdstuk 7. ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Derix, J., Vliegveld Venlo: Met een kroniek van de luchtoorlog in Zuid-Nederland 1941-1944 2 dln (1990). Didden, J. en M. Swarts, Einddoel Maas: de strijd in Zuidelijk Nederland tussen september en december 1944 (Weesp 1984). Levels, H en E. Munnicks, Waar blijven de bevrijders! Frontperiode Noord- en Midden-Limburg. Deel 1: September – oktober 1944: van hoop naar wanhoop (Roermond 2016). Verlinden, J., Oorlogsfragmenten uit de Peel : een terugblik op de Tweede Wereldoorlog (Venray 2013). Weelen, P., Limburg bevrijd (Ljubljana 1995). Wildekamp, R., Vliegtuigcrashes en noodlandingen 1940-1945 in de gemeente Venray (zonder plaats 2015). Willemsen, W., ‘De luchtoorlog boven Venray 1940-1945’, Peel en Maas (28 december 1979) 8. Willemsen, W., ‘De luchtoorlog boven Venray 1940-1945’, Peel en Maas (4 januari 1980) 6.

In de geraadpleegde literatuur kunnen verwijzingen naar oorlogshandelingen worden aangetroffen welke op basis van de locatiebeschrijvingen herleidbaar zijn naar het onderzoeksgebied. Deze feitelijk herleidbare indicaties zullen in het chronologisch overzicht in paragraaf 2.9 worden opgenomen. 2.6

ARCHIEVEN

In het indicatieonderzoek ligt bij het raadplegen van de diverse archieven de nadruk op het bestuderen van de stukken van de luchtbeschermingsdienst, de stukken over aangetroffen/geruimde CE en oorlogsschaderapporten. De eventueel achterhaalde indicaties worden in paragraaf 2.9 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid.

271-020-VO-01

Pagina 17 van 77

2.6.1

GEMEENTEARCHIEF VENRAY

In het Gemeentearchief Venray zijn dossiers geraadpleegd aangaande de oorlogsperiode afkomstig uit de archieven 4 Archief van het Gemeentebestuur Venray 1815-1941, 5 Archief van het Gemeentebestuur Venray 1942-1990 en 6 Archief Gemeente Politie Venray Blok 1, 1897-1942 geraadpleegd. Tevens zijn archiefstukken uit de collectie 163 Documentatie W.J.M. Willemsen (Tweede Wereldoorlog) ingezien. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in bijlage 5. 2.6.2

REGIONAAL HISTORISCH CENTRUM LIMBURG

In het Regionaal Historisch Centrum Limburg te Maastricht zijn de archieven 04.05 Kabinet van de Commissaris der Koningin in Limburg, 1914-1944 en 07.E09 Militair Gezag Limburg, 1944-1947 geraadpleegd. Het Militair Gezag (MG) was een orgaan dat in de bevrijde delen van Nederland een interim-bestuur moest vestigen zolang er een oorlogstoestand heerste en de regering het gezag nog niet kon overnemen. Het MG hield zich onder meer bezig met het herstel en handhaving van de veiligheid en het weer op gang brengen van het maatschappelijk leven. Dit hield ook in, dat men zich bezighield met luchtbescherming, het herstellen van oorlogsschade, explosievenopruiming etc. Stukken omtrent deze onderwerpen kunnen relevant zijn voor het vooronderzoek. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in bijlage 5. 2.6.3 NATIONAAL ARCHIEF DEN HAAG In het Nationaal Archief (NA) is archief 2.04.53.15 Ministerie van Binnenlandse Zaken: Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen, 1937-1946 geraadpleegd. De Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen werd naar aanleiding van de Wet tot Bescherming van de Bevolking tegen Luchtaanvallen, die in 1936 in werking trad, opgericht. De taak van dit overheidsorgaan was de gemeentelijke activiteiten op dit terrein te begeleiden en te controleren.

Toen in 1942 de Duitse bezetter de wet verving door de Luchtbeschermingsverordening kwam de luchtbescherming sterker onder controle te staan van de bezetter. De archiefstukken beslaan diverse onderwerpen betreffende de luchtbeschermingsdienst, waaronder door gemeenten ingestuurde rapporten betreffende Geallieerde luchtactiviteiten. Tevens is archief 2.13.210 Commissie van Proefneming met hierin opgenomen afgedwaalde archiefbescheiden van onderdelen van de Artillerie-Inrichtingen en Artillerie onderdelen, (1814-) 18671942 geraadpleegd. De Commissie van Proefneming (CvP) was een instelling die zich bezighield met proeven betreffende wapens en artilleriegeschut. In de archiefstukken zijn ook staten opgenomen betreffende plaatsen waar mogelijk onontplofte projectielen zijn gevonden, die wel of niet geruimd zijn, in het begin van de oorlog. Ook 2.13.71 Archieven van het Ministerie van Defensie te Londen [1940-1941]; Ministerie van Oorlog te Londen [1941-1945]; Departement van Oorlog: Bureau Londen [1945-1947], (1933) 1940-1947 (1974) is geraadpleegd met betrekking tot mogelijk relevante gegevens voor het onderzoeksgebied. Dit betreft het archief van het ministerie van Defensie (later Oorlog) dat vanaf 14 mei 1940 in Londen was gevestigd. Het hield zich onder meer bezig met luchtvaart, militaire operaties en inlichtingen uit 271-020-VO-01

Pagina 18 van 77

Nederland. Ook een onderzoek naar het verloop van de Meidagen van 1940 en de voorbereiding van de terugkeer naar Nederland behoorde tot het takenpakket. Het Bureau Londen hield zich na de bevrijding bezig met de afwikkeling van zaken in Engeland, waarna het in 1947 werd opgeheven. In het NA is het archief 2.04.110 Korps Hulpverleningsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1945-1974 geraadpleegd. Het Korps Hulpverleningsdienst (HVD) nam vanaf juli 1947 de taken van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D.) over. Eind juli 1947 werd de H.V.D. verantwoordelijk voor het ruimen van explosieven die in de civiele sector werden aangetroffen en vanaf januari 1948 ook voor het ruimen op militaire objecten en terreinen. In 1971 werd de taak van de H.V.D. overgedragen aan de EOD.18 Door middel van het raadplegen van delen van het archief van de Hulpverleningsdienst is getracht inzicht te verkrijgen in mogelijke ruimingen van CE in de periode van ca. 1947 tot en met het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in bijlage 5. De achterhaalde indicaties worden in paragraaf 2.9 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid.

2.6.4 NIOD INSTITUUT VOOR OORLOGS- HOLOCAUST- EN GENOCIDENSTUDIES AMSTERDAM Aangezien er uit de literatuurcollectie bij het NIOD geen (niet reeds in de literatuurlijst opgenomen) mogelijk relevante boektitels naar voren kwamen, is het interesseveld voor dit archief naar een aantal aldaar gedeponeerde archieven verschoven. In het NIOD is het archief van ‘Generalkommissar für das Sicherheitswesen en Höhere SS- und Polizeiführer’ Hanns Albin Rauter (1892-1949), die was belast met ‘de openbare orde en veiligheid’ in Nederland, en het archief van het Departement van Justitie tussen 1940 en 1945 geraadpleegd, respectievelijk archief 077 Generalkommissariat für das Sicherheitswesen (Höhere SS-und Polizeiführer Nord-West), (1938) 1940-1945 en 216k Departement van Justitie (1935) 1940-1945 (1950). Ook het archief 226B Bureau Inlichtingen – Hoofdbureau Londen 1940-1945 is geraadpleegd. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in bijlage 5. 2.6.5 NEDERLANDS INSTITUUT VOOR MILITAIRE HISTORIE DEN HAAG De collecties 575 Duitse verdedigingswerken en inundaties van Nederlands Grondgebied in de oorlog / Rapporten van militaire aard vanuit bezet Nederland aan Bureau Inlichtingen Londen (collectie 575) 1940-1945 is geraadpleegd. Een overzicht van de geraadpleegde stukken is opgenomen in bijlage 5.

2.6.6 THE NATIONAL ARCHIVES LONDEN ECG beschikt over de Daily Logs van de Geallieerde 2nd Tactical Airforce (2nd TAF – een Geallieerd luchtleger welke veelvuldig in de periode september 1944-april 1945 boven Nederland actief was) en enkele overige AIR-collecties. Deze gegevens zijn afkomstig uit The National Archives te Londen. Uit deze gegevens kan in de meeste gevallen (onder andere) informatie worden gehaald omtrent de aanvalsdoelen, het verloop van de gebeurtenissen/gevechtshandelingen en de gehanteerde wapens en/of gebruikte CE.

18 J. van Woensel, Vrij van explosieven. De geschiedenis van het EOCKL en zijn voorgangers, 1944-2004 (Meppel 2004) 107

en 142.

271-020-VO-01

Pagina 19 van 77

Naast voornoemde data aangaande de luchtoorlog, beschikt ECG over oorlogsverslagen, afkomstig uit de War Office collectie van The National Archives, van in Nederland ingezette Geallieerde regimenten. Voor dit onderzoek zijn onder andere archiefstukken van de 11th Armoured Division geraadpleegd. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in bijlage 5. 2.6.6.1

THE NATIONAL ARCHIVES: OMGANG EN UITGANGSPUNT ONTLENEN GEGEVENS AAN DAILY LOGS

Alvorens de gegevens uit de Daily Logs verwerkt worden, dienen de volgende zaken opgemerkt te worden. De ervaring leert dat enige terughoudendheid bij het hanteren van de gegevens hieruit op zijn plaats is. Coördinaat aanduidingen, informatie over bommenlast en gevechts-/ bombardementsbeschrijvingen kunnen door allerlei oorzaken niet overeenkomen met de werkelijke gebeurtenissen en/of locaties. Door middel van ander bronnenmateriaal (zoals de Operation Record Books van de betrokken RAF squadrons) en luchtfotoanalyse zal ECG trachten de (beschreven locaties van de) oorlogshandelingen te verifiëren en (indien relevant) te herleiden. 2.6.6.2

GEALLIEERDEN: NORD DE GUERRE COÖRDINATENSTELSEL

De Geallieerden hanteerden gedurende de Tweede Wereldoorlog onder andere het zogeheten Nord de Guerre coördinatenstelsel. De gegevens uit de Daily Logs met de eventueel daarin aangehaalde coördinaten zijn door middel van Geallieerde stafkaarten herleidbaar naar een locatie. Een met vier cijfers aangeduid coördinaat beslaat een kaartvierkant van 1000 bij 1000 meter. Indien een locatie met zes (100 meter) of acht cijfers (10 meter) wordt aangeduid, is het in de meeste gevallen mogelijk een specifiekere positie binnen het desbetreffende kaartvierkant aan te geven. De navolgende Geallieerde stafkaart heeft betrekking op het onderzoeksgebied: ▪ Venraij, sheet 19 S.W., G.S.G.S. 4427 First Edition 1944, Holland 1:25.000. De volgende kaartvierkanten zijn bij het doornemen van de Geallieerde bronnen gehanteerd: NORD DE GUERRE COÖRDINATEN: QE7122

QE7222

Tabel 2: De gehanteerde kaartvierkanten met basis coördinaat bij het doornemen van de Daily Logs.

De overzichtskaart op de volgende pagina (tekening 271-020-TE-03) toont de locatie van de gehanteerde Nord de Guerre-coördinaten ter hoogte van het onderzoeksgebied. 2.6.7 NATIONAL ARCHIVES AND RECORDS ADMNISTRATION ECG heeft in de National Archives and Records Administration te College Park, Maryland, documenten betreffende de Amerikaanse bevrijdingstroepen geraadpleegd. Het betreft de collectie Record Group 407 WW2 Operation Reports. Uit deze collectie zijn voor het voorliggende onderzoek archiefstukken van de 434th Field Artillery Battalion bestudeerd. In de bronnen wordt verwezen middels Nord de Guerre-coördinaten. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in bijlage 5. 271-020-VO-01

Pagina 20 van 77

2.6.8 BUNDESARCHIV-MILITÄRARCHIV Het Militärarchiv is een onderdeel van het Duitse Bundesarchiv en is gehuisvest in Freiburg im Breisgau. Deze instelling beheert onder meer het archiefmateriaal en documenten van de Duitse strijdkrachten en het Ministerie van Defensie. Uit de periode van het Deutsches Reich 1933-1945, beheert het onder meer de archieven van de Reichswehr, Wehrmacht en Waffen-SS. Opgemerkt dient te worden dat de archieven door verschillende oorlogsactiviteiten ernstig hebben geleden. De schade aan de collecties wordt als volgt omschreven door het Militärarchiv: “Die Überlieferungen aus der Zeit bis 1945 haben durch Kriegseinwirkungen erhebliche Verluste erlitten. Die Unterlagen der zentralen Dienststellen der Wehrmacht und der Heeresführung, der Dienststellen und der Truppen des Heeres unterhalb der Divisionsebene sowie der Luftwaffe und der Waffen-SS sind weitgehend verlorengegangen. Dagegen haben die Masse der Kriegstagebücher der Kommandobehörden des Heeres und der Divisionsstäbe bis 1943 sowie das Archivgut der Marine den Krieg überdauert. Ebenso blieb das Archivgut der wehrtechnischen Einrichtungen und Dienststellen der Wehrmacht nahezu vollständig erhalten.

Der größte Teil der Akten der Preußischen Armee wurde 1945 mit dem Brand des Heeresarchivs Potsdam vernichtet.”19 ECG heeft de beschikking over een aantal Lageberichten van de Duitse Luftwaffenführungsstab uit de periode 1940-1941. In deze rapporten, die per dag werden opgesteld, werd informatie verzameld omtrent de voortgang van de strijd in de verschillende oorlogsgebieden. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in bijlage 5. De achterhaalde indicaties worden in paragraaf 2.9 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 2.7

GEMELDE EN GERUIMDE EXPLOSIEVEN EOD EN M.M.O.D.

Voor deze bureaustudie is ten behoeve voor verder inzicht betreffende eerdere gedocumenteerde ruimingen van Conventionele Explosieven in of nabij het onderzoeksgebied het archief van de Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EOD) te Soesterberg bestudeerd. De EOD is eigenaar van twee archieven: het Mijnenveldregister en het archief met de ‘Uitvoeringsopdrachten (UO’s)’ – ook betiteld als ‘Melding Opdracht Ruimrapportage Afdoening (MORA’s)’; de zgn. ruimrapporten. Dit laatstgenoemde archief bevindt zich in het Semistatisch archiefdiensten Ministerie Defensie (SSA) te Rijswijk. Een nadeel van deze bron is dat deze niet volledig is: over de meldingen/ruimingen tussen 1940-1944 en 1947/1948-1971 zijn bij de EOD en het SSA nauwelijks gegevens beschikbaar. Eventuele meldingen of ruimingen van (vermoede) explosieven in of direct grenzend aan het onderzoeksgebied over de periode medio 2010-2020 zijn digitaal raadpleegbaar bij de EOD.

19 https://www.bundesarchiv.de/DE/Content/Artikel/Benutzen/Hinweise-zur-Benutzung/benutzen-hinweise-militaerische-

unterlagen.html (geraadpleegd: april 2020).

271-020-VO-01

Pagina 22 van 77

2.7.1 ARCHIEF UITVOERINGSOPDRACHTEN EXPLOSIEVEN OPRUIMINGSDIENST DEFENSIE ECG heeft een overzicht van de UO’s/MORA’s van het onderzoeksgebied en het omliggende gebied welk in Nederland is gelegen, ontvangen. Uit de praktijk is gebleken dat door de EOD en haar voorgangers het dichtstbijzijnde adres in de omgeving van de vindplaats als locatie aanduiding wordt gehanteerd. Dit kan betekenen dat het gemelde of geruimde object op een locatie (bijvoorbeeld in akkerland achter het vermelde adres) is gevonden zodat naderhand slechts bij benadering de locatie kan worden aangegeven. Om de door de EOD opgegeven adressen en plaatsaanduidingen te lokaliseren is door ECG gebruik gemaakt van Google Earth & Maps. Er heeft beperkte controle plaatsgevonden of de hieraan ontleende adresgegevens corresponderen met mogelijk in de loop van de jaren veranderde huisnummering, straatnamen of perceelindelingen. Verder zijn te globale locatieaanduidingen en ruimingen waarbij geen CE zijn aangetroffen (bijvoorbeeld “schroot”) niet meegenomen. MELDING NR.

DATUM20

LOCATIE

AANGETROFFEN

19741753

19-06-1974

1x pistoolgranaat 32mm

19760715 19791668

29-03-1976 20-06-1979

19791883 19842391

09-07-1979 13-07-1984

Middenpeelweg te Ysselsteijn (in de bossen) (Ysselsteyn) Heijtse Peelweg (Venray) Pionierstraat t.o. 23, IJselstein (Venray) Putteweg in droge sloot (Venray) Zijlbergseweg IJselstein (Venray)

19850509

14-03-1985

Heytsepeelweg (Venray)

19863345

05-10-1986

19950895

02-05-1995

19960521

27-03-1996

Pionierstraat 15 Ysselstein (Venray) Bij de 5e paal v/d afrastering aan de Timmersmansweg t.o. nr 28 te Ysselsteyn (Venray) Puttenweg te IJselstein (Venray)

20021474 20051748

17-09-2002

20060057

12-01-2006

20081520

20-10-2008

Timmersmansweg (Ysselsteyn) Timmersmansweg te Ysselsteyn, (Ysselsteyn) Peter Janssenweg nr. 5 te Ysselsteyn (Ysselsteyn) Timmersmansweg (Ysselsteyn)

1x rookgranaat van 10,5mm met tijdbuis 1x brisantgranaat van 4,5 inch met schokbuis 117, verschoten 1x kop van Pantzerfaust (klein model) 1x rookgranaat van 8cm mortier zonder schokbuis; 1x tijdbuis M54; restanten van rookgranaat van 8cm mortier zonder schokbuis; 2x kleinkalibermunitie 1x brisantgranaat van 5,5 inch, met buisgatschroef, niet verschoten 1x springrookgranaat van 2” mortier met schokbuis no. 151 1x rookgranaat van 75mm bodemuitstralend, niet verschoten 1x brisantgranaatraket van 15cm (Duits) met BZDOV, verschoten 1x pantsergranaat 6 ponder, verschoten Niet aangeleverd 1x brisantgranaat van 76mm met restant ontsteker M48, verschoten 1x brisantpantsergranaat van 75mm met bodembuis M66A1, verschoten; 1x brisantgranaat van 8cm, mortier met WGR238, verschoten

20 Meldingsdatum

271-020-VO-01

Pagina 23 van 77

MELDING NR.

DATUM20

LOCATIE

AANGETROFFEN

20111451

14-09-2011

Timmersmannsweg (Ysselsteyn)

Brisantpantsergranaat; 7,5 cm Gr 39 zonder onsteker met restant springstof (Duits) (verschoten) Rookgranaat; 95 mm bodemuitstralend (verschoten)

20130368

Ringweg tegenover perceel 17 (Ysselsteyn) Zeilbergseweg (Ysselsteyn)

20140850 20161817

26-10-2016

Heidese Peelweg (Ysselstein)

Rookgranaat; 25 pdr met restant tijdschokbuis No 221 serie (verschoten) 1x staartstuk 3 inch mortiergranaat; 1x bodemplaat rookgranaat 25 ponder

Tabel 3: Meldingen en ruimingen van mogelijke conventionele explosieven in (de omgeving van) het onderzoeksgebied.

De ruimingen duiden voornamelijk op artilleriemunitie van Duitse en Geallieerde komaf. De indicaties die naar een exacte locatie herleidbaar zijn (groen), zijn in figuur 5 op de volgende pagina weergegeven. Het merendeel van de ruimingen is echter niet naar een exacte locatie herleidbaar. Er zijn geen ruimingen naar een locatie binnen de contouren van het onderzoeksgebied herleidbaar.

271-020-VO-01

Pagina 24 van 77

Figuur 5: Overzicht van geruimde explosieven met een eenduidige adresopgave in een straal van 300 meter rond het onderzoeksgebied.

271-020-VO-01

Pagina 25 van 77

2.7.2 ARCHIEF M.M.O.D. SEMISTATISCHE ARCHIEFDIENSTEN MINISTERIE DEFENSIE RIJSWIJK In het Semistatisch Archief van Defensie te Rijswijk bevindt zich eveneens het archief van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D). Deze dienst was in de periode 1945-1947 verantwoordelijk voor het opruimen van mijnen en achtergelaten munitie. Het archief bestaat uit meldingen, kaarten, plattegronden en ruimingrapporten uit diverse Nederlandse gemeenten. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in bijlage 5. De achterhaalde indicaties worden in paragraaf 2.9 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 2.7.3

MIJNENVELDREGISTER

Gedurende de oorlog zijn door de strijdende partijen mijnenvelden ingericht. Deze velden werden voor verschillende doeleinden aangelegd: bescherming, verdediging, het stoppen of desorganiseren van de vijandelijke opmars. Daarnaast werden zogenaamde ‘schijnmijnenvelden’ aangelegd. Een dergelijk veld bevatte geen explosieven en had ten doel de vijandelijke opmars te vertragen. Het soort (antitankof antipersoneelmijnen) en aantal gelegde mijnen binnen een mijnenveld was afhankelijk van de functie van het veld. Na de oorlog zijn de mijnenvelden in Nederland (voor zover bekend) in kaart gebracht in zogenaamde “mijnenboeken”. Deze mijnenkaarten zijn in het bezit van de EOD. ECG heeft bij de EOD navraag gedaan of er voor de onderzoeksgebieden mijnenvelden zijn gedocumenteerd. Uit de door de EOD aangeleverde gegevens blijkt dat er in het onderzoeksgebied geen geregistreerde mijnenvelden lagen.

Figuur 6: Locaties van geregistreerde mijnenvelden ten opzichte van het onderzoeksgebied.

271-020-VO-01

Pagina 26 van 77

2.8

LUCHTFOTO INTERPRETATIE

Luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog kunnen in een aantal gevallen een bruikbare bron vormen bij het vergaren van informatie betreffende de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven. 2.8.1 DOEL VAN DE LUCHTFOTO INTERPRETATIE Het primaire doel van de luchtfoto interpretatie is het vaststellen of een gebied zichtbaar betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Met andere woorden: zijn er sporen waarneembaar van kraters, stellingen (militaire werken), vernielde of beschadigde bebouwing en andere oorlogsgerelateerde handelingen. Ten gevolge van deze constatering kan een inschatting worden gemaakt of er een verhoogde kans bestaat op het aantreffen van achtergebleven Conventionele Explosieven. Luchtfoto’s kunnen in de meeste gevallen als een betrouwbare bron worden geclassificeerd, waarmee tevens indicaties geografisch herleid en geverifieerd kunnen worden. 2.8.2 METHODIEK Er zijn meerdere typen luchtfoto's, dit heeft onder andere te maken met de opnamehoek. De meest bruikbare voor interpretatie zijn de zgn. verticals. Het interpreteren van deze luchtfoto’s gebeurt op diverse manieren. Eenvoudig gesteld: de foto’s worden zo nauwkeurig mogelijk geanalyseerd op zichtbare verstoringen die mogelijk in verband staan met oorlogshandelingen.

Een aantal van de geselecteerde foto’s heeft de overlapping en kwaliteit om het stereoscopisch interpreteren (creëren van diepte voor dimensionaal inzicht door middel van het gebruik beeldparen) mogelijk te maken. Vervolgens worden middels georeferentie en georectificatie (door middel van ArcGIS Pro) de luchtfoto's zo exact mogelijk gepositioneerd op een recente ondergrond om de analyseresultaten te transponeren naar de hedendaagse situatie.21 2.8.3 GRENZEN EN MOGELIJKHEDEN VAN LUCHTFOTO INTERPRETATIE Het hanteren van luchtfoto’s bij explosievenonderzoek wordt sterk beïnvloed door een aantal kwaliteits- en randvoorwaarden: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Beschikbaarheid van luchtfoto’s van het gebied; Opnamedata; Beeldkwaliteit; Opnamehoogte en (brandpunt van) de gehanteerde lens (schaal); Beschikbare neveninformatie (bijv. bombardements- en aanvalsdata); Ondersteunende technische mogelijkheden (bijv. analoge of digitale interpretatie-systemen); Ervaring van het uitvoerende personeel met interpreteren/analyseren.

21 Afhankelijk van de fotohoek (verticals - split verticals e.d.), vlieghoogte, de schaal, de gehanteerde fotolens, de

beeldkwaliteit, de stabiliteit tijdens de vlucht van het fotograferende vliegtuig, de beschikbare georeferentiepunten, hoogteverschillen in het landschap en de georectificatie, treden er tijdens de georeferentie van de verschillende foto’s afwijkingen (toleranties) van 5 meter tot maximaal 10 meter op.

271-020-VO-01

Pagina 27 van 77

Daarnaast blijft een luchtfoto een momentopname van een situatie die bijvoorbeeld een week, een maand of een jaar later totaal anders zou kunnen zijn. Het is mogelijk dat een bomkrater of een loopgraaf op de ene foto wel, maar op een eerdere of latere luchtfoto niet (meer) zichtbaar is. Tussentijdse herstel- en/of dempwerkzaamheden en camouflage kunnen een vertekend/onvolledig beeld geven. Bovendien kunnen bijvoorbeeld: jaargetijden, bebouwing, schaduwwerking, wolken, puin, begroeiing en water een belemmerend effect hebben op het ontlenen van gegevens aan luchtfotografie. Voor het huidige onderzoek geldt dat de bodemgesteldheid en bebouwing rond Timmermansweg 13 de analyse van de luchtopnamen bemoeilijkt. 2.8.4 INVENTARISATIE, SELECTIE EN INTERPRETATIE VAN HET GEHANTEERDE BEELDMATERIAAL Voor dit onderzoek is er door ECG een inventarisatie uitgevoerd van beschikbare luchtopnamen in de luchtfotocollecties van Wageningen University (WUR), de Topografische Dienst te Zwolle (TOPO), National Collection of Aerial Photography (NCAP) - The Aerial Reconnaissance Archives (TARA) te Edinburgh (Schotland) en The National Archives and Record Administration (NARA) te Washington D.C. (USA).

In het overzicht opgenomen op de volgende pagina zijn de opnamen beschreven welke voor de luchtfoto interpretatie zijn gebruikt.22 De resultaten van de luchtfotoanalyse zijn verwerkt in de indicatietabel in paragraaf 2.9.

22 Bij de selectie van luchtfoto’s is rekening gehouden met: opnamedatum in relatie tot oorlogshandelingen, kwaliteit van

het fotobeeld en de schaal.

271-020-VO-01

Pagina 28 van 77

NR.:

DATUM:

SORTIE NR.:

SCHAAL (1:X):

BEELDNUMMER(S):

MOTIVATIE SELECTIE:

KWALITEIT:

ARCHIEF:

AANTAL:

1

23-02-1944

7-AA-713

16.500

5004; 5005; 5006; 5007

Multitemporele analyse

Matig

NCAP

4

2

15-10-1944

400-1303

8.000

3251; 3252; 4244

Bevrijdingsgevechten

Goed

WUR

3

3

29-10-1944

F-53-44

16.000

297

Bevrijdingsgevechten

Redelijk

NARA

1

4

21-11-1944

F-726-R-44

22.000

409

Multitemporele analyse

Matig

NARA

1

5

14-07-1945

3G-TUD-S133

50.000

5186; 5187; 5188

Naoorlogse luchtopnamen

Slecht

TARA

3

6

15-07-1945

3G-TUD-S147

40.000

5026

Naoorlogse luchtopnamen

Slecht

TARA

1

Tabel 4: Selectietabel van de beschikbare, bewerkte en geanalyseerde luchtfoto’s ten behoeve van het onderzoek ‘’Timmermannsweg 13’ en locatie ‘In de Wei’ te Ysselsteyn’.

271-020-VO-01

Pagina 29 van 77

2.9

OVERZICHTSTABEL OORLOGSHANDELINGEN UIT LITERATUUR, ARCHIEFMATERIAAL EN LUCHTFOTO’S

In navolgend overzicht zijn de gegevens opgenomen welke zijn achterhaald uit hiervoor opgesomde geraadpleegde literatuur, archieven en luchtopnamen. In de tabel worden de locatie beschrijvingen nader getoetst op verificatie, herleidbaarheid en relevantie tot het onderzoeksgebied DATUM:

LITERATUUR:

NATIONALE ARCHIEVEN

31-07-1942/ 01-08-1942

Bombardement op IJsselstein.23

‘(…) in dien voormiddag te omstreeks twee uur en vijftien minuten onder de gemeente Venray te IJsselsteyn nabij de aldaar gelegen Werkkampen (…) brandbommen uit een vliegmachine waren gevallen. (…) Tijdens ik beambte Janssen met dit onderzoek bezig was, vernam ik dat in de nabijheid van IJsselsteyn vermoedelijk onder de gemeente Venray een brisantbom ontploft was waardoor verschillende huizen beschadigd waren. (…) Bij dit onderzoek bleek mij dat, ten eerste van de woning van de aldaar te IJsselsteyn I.62 [Jan Poelsweg 225] wonende Hendrikus van Lipzig 30 pannen van het dak gevallen waren doch in zijn geheel op den grond lagen (…) ten tweede is in de woning van de aldaar I.68 [Heidse Peelweg 29] wonende Johannes Janssen een glasraam vernield, ten derde in de woning van de aldaar I.67 [Ringweg 4] wonende Antoon Pouwels een glasruit, ten vierde in de woning van den aldaar I.72 wonende Willem Jacobs [Timmermannsweg 2], twee glasruiten, ten vijfde in de woning van de aldaar I.83 [Timmermannsweg 42] wonende weduwe E. Teunissen, tien glasruiten en van een glasraam een houten lood. De bewoners van de beschadigde huizen verklaarden mij dat de vernieling die voormiddag te omstreeks 2.15 uur na een ontploffing had plaats gehad.

Ik hoorde daarop Hendrikus Wilhelmus Hubers (…) wonende te Venray IJsselsteyn I.79a [voormalig Heidse Peel 4] die verklaarde; (…) Toen dit luchtgevecht enige ogenblikken geduurd had zag ik in zuidwestelijke richting van mij daar de spoorlijn gelegen is van Eindhoven naar Venlo een vuurbal op de grond vallen, waarna een zware ontploffing volgde. Mijn inziens was deze ontploffing onder de gemeente Venray in de zogenaamde Heidschepeel, naar schatting twee kilometer ten oosten van de spoorlijn van Eindhoven naar Venlo. Na deze verklaring heb ik mij beambte Janssen begeven naar de plaats mij door getuigen H.W Bus aangewezen de zogenaamde Heidschepeel en aldaar een onderzoek ingesteld. Bij dit onderzoek aldaar heb ik geen bommentrechter kunnen vinden. Mijn vermoeden is daar de Heidschepeel water en moeras is en men niet overal komen kan dat de bom in het water of moeras gevallen en ontploft is.’26 ‘In de voormiddag (…) te omstreeks 9 uur (…) IJsselsteijn dat aldaar uit een vliegmachine brandbommen waren gevallen waardoor aldaar in een hoop takkenbossen brand was ontstaan (…) zodat de brand bij de hoop takkenbossen beperkt was gebleven.

(…) Bij dit onderzoek is mij gebleken dat aldaar over een lengte afstand van twee kilometer en een breedte van honderd meter van zuidwestelijke richting in noordoostelijke richting 200 zeskantige brandbommen en plusminus 50 fosforbommen waren gevallen. Van de 200 zeskantige

‘Nabij het arbeidskamp D in Ysselsteyn (Peelplan Zuid) vielen enkele brandbommen, die daar geen noemenswaardige schade veroorzaakten.’24

14-05-1943

‘Vooral in de jaren 1942, 1943 en nog een gedeelte van 1944 moesten wij (…) gebruikmaken van de schuilkelder. (…) Zoals op een nacht dat er bij de boerderij van de familie Derikx [Deurneseweg 147], op amper 200 meter bij ons vandaan, een partijtje Engelse brandbommen (fosfor) neerkwam die behalve een brandje ook de nodige heisa met een in de buurt wonend lid van de NSB veroorzaakten. Verder kwamen op nog enkele andere plaatsen in

INTERNATIONALE ARCHIEVEN

HERLEIDBAARHEID & RELEVANTIE ONDERZOEKSGEBIED: De indicatie duidt op een bombardement met brandbommen en één brisantbom op de wijde omgeving van Ysselsteyn. De brandbommen zouden met name bij de kampen ten zuiden van Ysselsteyn terecht zijn gekomen. De brisantbom zou in de Heidsche Peel zijn ontploft, waarbij een aantal huizen in de omgeving van het onderzoeksgebied beschadigd raakte. Middels de omschrijvingen kan de indicatie niet naar het onderzoeksgebied worden herleid. De indicatie wordt derhalve niet verder in het onderzoek meegenomen.

De indicatie duidt op een bombardement met brandbommen op Ysselsteyn. Middels de omschrijvingen kan het bombardement niet naar de (directe omgeving van) het onderzoeksgebied worden herleid. De panden Ringweg 10 en Puttenweg 34 bevinden zich op relatief grote afstand van het onderzoeksgebied. Het bombardement is niet naar Timmermannsweg 13 of naar de directe omgeving van het deelgebied In de Wei herleidbaar. De indicatie

23 T. Eversteijn, Bombardementen en verongelukte vliegtuigen in de periode 10 mei 1940 – 5 mei 1945 (niet gepubliceerd) 1190. 24 J. Verlinden, Oorlogsfragmenten uit de Peel : een terugblik op de Tweede Wereldoorlog (Venray 2013) 267. 25 De huidige huisnummers zijn achterhaald op basis van wijzigende huisnummering en bewoners, via de volgende literatuur/bronnen: Rooynet, ‘Gemeentearchief – Huisnummering’ <https://rooynet.nl/gemeentearchiefvenray/huisnummering> [geraadpleegd september 2020]; Derix, J., W.

Moorman en T. Tielen, Pioniers in de Peel : Ysselsteyn 75, 1921-1996 (Ysselsteyn 1996); Verlinden, Oorlogsfragmenten uit de Peel, 8-9. 26 Proces-verbaal no. 216, 2 augustus 1942, Gemeentearchief Venray, 6 Archief Gemeente Politie Venray Blok 1, 1897-1942, inv. nr. 22.

271-020-VO-01

Pagina 30 van 77

DATUM:

LITERATUUR:

NATIONALE ARCHIEVEN

Ysselsteyn brandbommen neer maar dat was in het open veld waardoor ze weinig schade veroorzaakten.’27

brandbommen waren er 90 niet ontploft terwijl van de 50 fosforbommen een niet ontploft was. (…) Lambertus Janssen (…) wonende te Venray IJsselsteijn Wijk I no. 41 [Ringweg 10], die mij verklaarde (…) Mij naar buiten mijn woning begevende zag ik dat een aan mij toebehorende op 30 meter afstand van mijn woning op mijn erf, een hoop takkenbossen brandde en dat er over een lengte van plusminus twee kilometer verschillende vuurhaarden op bouw en weiland waren. (…) Op mijn bouwland werden ten gevolge van het vallen van de fosforbrandbommen die allen ontploft waren naar schatting 6 are rogge, 9 are haver en twee are wortels vernield. (…) Johannes Peters (…) IJsselsteijn Wijk I no. 85 [voormalig Timmermannsweg 5] die verklaarde (…) Mij naar buiten mijn woning begevende zag ik dat een aan mij toebehorend maïsschuurtje dat door mij zelf gebouwd was en twintig meter van mijn woning op mijn erf staat brandde. (…) In een van mijn percelen bouwland bezaaid met rogge is eveneens een fosfor brandbom gevallen en ontploft (…) Gerardus Hubertus Vergeld (…) IJsselsteijn Wijk I no. 40 [Puttenweg 34] (…) Verschillende vuurhaarden waren op mijn bouwland bezaaid met rogge en haver, waardoor de rogge over een oppervlakte van 6 are en de haver over een oppervlakte van 2 are vernield werd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10738286/1