CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

07 Verkennend bodemonderzoek

Gemeenteraad 27 juni 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Oostrum-Oost.30.637 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Niet gevonden in dit document.

RAPPORT:

Diverse (bodem)onderzoeken Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray)

PROJECTNUMMER: B22.8528 Versie: 01

VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V. De Tweede Geerden 21 5334 LH Velddriel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl

RAPPORT: Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray)

PROJECTNUMMER: B22.8528 Versie: 01

OPDRACHTGEVER: Hendriks Projectontwikkeling B.V.

DATUM: 25 mei 2022

Auteur:

Autorisatie:

M. Schimmel MSc. Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.

Ing. H.M.W. van der Donk Senior Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.

B22.8528/R8528-01/MS

De informatie in deze rapportage mag niet worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

2

SAMENVATTING Hendriks Projectontwikkeling B.V. heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een historisch onderzoek, een verkennend bodemonderzoek, een verkennend onderzoek naar asbest en een infiltratie onderzoek voor de onderzoekslocatie gelegen aan de Geysterseweg 2 en omgeving te Oostrum (gemeente Venray). De aanleiding voor uitvoering van de onderzoeken wordt gevormd door de voorgenomen toekomstige onroerend goed transactie en herontwikkeling van de locatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017, NEN 5740/A1:2016 en de NEN 5707:2015/C2:2017. De onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest) en infiltratiecapaciteit op de onderzoekslocatie vast te leggen en vast te stellen of bezwaren bestaan tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en toekomstige herontwikkeling. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek.

Conclusies historisch onderzoek Op basis van de beschikbare informatie zijn geen actuele gegevens bekend van de bodemkwaliteit en dient ten behoeve van de voorgenomen herontwikkeling een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 te worden uitgevoerd. Voor het erf dient uitgegaan te worden van een verdachte locatie in verband met de aanwezige en voormalige bebouwing en verhardingen en voormalige aanwezigheid van een bovengrondse tank. Voor het overig terrein kan uitgegaan worden van een onverdachte locatie, echter vormt de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen (OCB) in de teellaag wel een aandachtspunt, gezien het mogelijk gebruik van de locatie als boomgaard. Aanvullend dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van een bijgebouw met (voormalige) asbestverdachte dakbedekking en asbestverdachte puinverharding. Derhalve is het erf wel verdacht op het voorkomen van een verontreiniging met asbest en dient een aanvullend een verkennend onderzoek naar asbest conform de NEN 5707 en/of NEN 5897 uitgevoerd te worden. Het overige terrein (weiland) is vooralsnog onverdacht op het voorkomen van asbest. Conclusies en aanbevelingen Verkennend bodemonderzoek Voor het verkennend bodemonderzoek naar de bodemkwaliteit ter plaatse van het erf werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie.

Voor het overig terrein werd de hypothese gesteld van een onverdachte locatie, waarbij het voorkomen van bestrijdingsmiddelen (OCB) in de (oorspronkelijke) teeltlaag wel een aandachtspunt vormde. Op basis van de resultaten kan ons inziens de verdachte hypothese voor het erf worden verworpen en de onverdachte hypothese voor het overig terrein worden aangenomen, aangezien in de grond en in het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters (NEN en OCB) zijn aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende streef- en achtergrondwaarden. Aangezien de (gestandaardiseerde) meetwaarden de indexwaarde van 0,5 niet overschrijden, zijn verder geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb. Uit indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit voldoet de bovengrond maximaal aan de klasse Industrie. Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray) Rapportnr.: B22.8528 versie: 01 datum: 25 mei 2022

3 Verkennend onderzoek naar asbest erf Voor het verkennend onderzoek naar asbest is voor het erf de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een verontreiniging met asbest. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de gestelde hypothese aangenomen te worden, aangezien zowel zintuiglijk (> 20 mm) als analytisch (< 20 mm) asbest is aangetoond boven de interventiewaarde (100 mg/kg d.s.). Rondom de schuur, waar in het verleden asbesthoudende dakbedekking aanwezig is geweest, zijn zowel in de contactlaag (0,0-0,1 m-mv) ter plaatse van de voormalige druppelzones als in de bovengrond met asbestverdacht plaatmateriaal, gehalten voor asbest aangetoond boven de interventiewaarde (voorlopig tot 4.923 mg/kg d.s.). Het betreft voornamelijk niet hecht-gebonden asbest, waarbij in de druppelzones tevens respirabele vezels (fractie < 0,5 mm) zijn aangetroffen. Ten westen van de schuur, waar eveneens asbest op maaiveld is aangetroffen, is in de bovengrond zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen. De verontreinig met asbest lijkt zich te concentreren in de voormalige druppelzones (voornamelijk niet-hechtgebonden asbest), aan de noord en zuidzijde van de schuur, en in de bovengrond ten oosten van de schuur. Nader onderzoek is noodzakelijk om de exacte omvang en spoedeisendheid te bepalen.

Over de contactzone kan echter nog geen definitieve uitspraak worden gedaan, aangezien in afwijking op de SIKB BRL 2000, protocol 2018, geen efficiënte maaiveldinspectie is uitgevoerd in verband met de aanwezige obstakels (verhardingen/begroeiing) op het maaiveld Verhoeven Milieutechniek B.V. besteedt veel zorg aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden, maar de mogelijkheid bestaat dat niet alle asbesthoudende (plaat)materialen zijn waargenomen. Indien in de toekomst asbesthoudende (plaat)materialen op de locatie worden aangetroffen, kan Verhoeven Milieutechniek B.V. hiervoor niet aansprakelijk worden gesteld. Infiltratie onderzoek De onverzadigde bodem is op circa 1,0 m-mv vrij goed tot goed doorlatend (0,5-10 m/dag) en is derhalve normaliter geschikt voor het infiltreren van hemelwater. De verzadigde zone, op circa 3,0 m-mv is eveneens vrij goed tot goed doorlatend (0,5-10 m/dag) en derhalve geschikt voor infiltratie vanuit een wadi. Opgemerkt wordt dat vanaf 1,0 m-mv plaatselijk leem is aangetroffen in de zandgrond. Daarnaast was sprake van een behoorlijke toestroom in de verzadigde zone. Dit heeft mogelijk wel invloed gehad op de metingen en berouwbaarheid van de resultaten. Mogelijk zijn de K-waarden onderschat, maar is door de aanwezigheid van plaatselijk leem in de ondergrond wel kans dat hier de grond sneller verzadigd is, wat weer de stroomsnelheid vertraagd.

Algehele conclusies en aanbevelingen Middels de voorliggende onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest) ter plaatse van onderzoekslocatie gelegen aan de Geysterseweg 2 en omgeving te Oostrum (gemeente Venray) vooralsnog, in onvoldoende mate onderzocht voor wat betreft de ernstige verontreinigingen met asbest in de grond. Tevens is plaatselijk in het grondwater een gehalte voor koper (index > 0,5) aangetoond dat aanleiding geeft tot vervolg. Vooralsnog bestaan er derhalve bezwaren tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en toekomstige herontwikkeling in verband met de aangetroffen ernstige verontreiniging met asbest in de grond rondom de schuur en het aangetroffen gehalte voor koper in het grondwater ter plaatse van peilbuis PB12 boven de norm voor nader onderzoek.

Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray) Rapportnr.: B22.8528 versie: 01 datum: 25 mei 2022

4 Voorafgaand aan de toekomstige herontwikkeling dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd naar de ernstige verontreiniging met asbest rondom de schuur. Tevens wordt geadviseerd aanvullend grondwateronderzoek uit te voeren om vast te stellen of geen sprake is van een sterke grondwaterverontreiniging ter plaatse van peilbuis PB12. Aanvullend wordt geadviseerd om, na verwijdering van de momenteel aanwezige vegetatie, nog aanvullend een maaiveldinspectie uit te voeren om een definitieve uitspraak te kunnen doen over de contactzone. Het nader onderzoek naar asbest rondom de schuur dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707 middels proefsleuven om de ernstige verontreinigingen met asbest zowel horizontaal als verticaal af te perken / verifiëren. Tevens dient middels aanvullende SEM analyses vastgesteld te worden of gehalten voor respirabele vezels aanwezig zijn die het criterium voor spoedeisendheid overschrijden (10 mg/kg d.s.). De aangetroffen asbestverontreiniging wordt gerelateerd aan de bebouwing waar in het verleden asbesthoudende dakbedekking aanwezig is geweest zonder dakgoot. Aangezien de schuur op de onderzoekslocatie in 1968 is gerealiseerd en de bron (asbesthoudende dakbedekking) is verwijderd, wordt uitgegaan van een historisch geval van bodemverontreiniging en is derhalve geen sprake van Zorgplicht.

Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst. Op basis van de resultaten van de nadere onderzoeken wordt bepaald in welke mate sanerende maatregelen noodzakelijk zijn. Tevens dienen de veiligheidsklassen nog te worden vastgesteld conform de CROW 400. Daarnaast is er een verhoogd gehalte voor koper in het grondwater aangetoond. Mogelijk is het matig verhoogd gehalte toe te schrijven aan van nature aanwezig verhoogde concentraties. Hiervoor wordt verwezen naar het RIVM-rapport ‘Achtergrondconcentraties van 17 sporenmetalen in het grondwater van Nederland’ [6]. Uit de resultaten van onderhavig onderzoek kan worden geconcludeerd dat op de locatie in het grondwater heterogeen verhoogde gehalten voor zware metalen aanwezig zijn. In landbouwgebieden is vaker sprake van fluctuerende en heterogeen voorkomende gehalten voor zware metalen in het grondwater en is gekend dat sanerende maatregelen niet zinvol zijn. Derhalve wordt aanbevolen om het grondwater te herbemonsteren en te analyseren op koper. Op basis van de analyseresultaten kan (mogelijk) worden bepaald of er inderdaad sprake is van een fluctuerend en heterogeen verhoogd gehalte voor koper. Voor wat betreft de overige onderzochte grond (inclusief OCB), grondwater en asbest, is de milieuhygiënische kwaliteit in voldoende mate onderzocht.

Tevens is een indicatie verkregen van de infiltratiecapaciteit voor de eventuele realisatie van wadi’s. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat, buiten de bekende nog nader te onderzoeken verontreiniging, rekening moet worden gehouden met de overige resultaten van voorliggende onderzoeken en dienen bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders altijd de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen en onderzoeken (PFAS) worden verlangd. Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden.

Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray) Rapportnr.: B22.8528 versie: 01 datum: 25 mei 2022

5 INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING................................................................................................................................................ 2 1.

INLEIDING .................................................................................................................................................. 6

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN .................................................................................. 6

3.

LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................................................... 6 3.1. ALGEMENE GEGEVENS................................................................................................................................ 6 3.2. HISTORISCH ONDERZOEK EN LOCATIEBEZOEK (NEN 5725:2017) ........................................................... 7

4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE........................................................................................... 9 4.1. BODEMOPBOUW .......................................................................................................................................... 9 4.2. GEOHYDROLOGIE ....................................................................................................................................... 9

5.

HYPOTHESE ............................................................................................................................................... 9

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK .......................................................................................................... 10 6.1. ONDERZOEKSSTRATEGIEËN DIVERSE ONDERZOEKEN ............................................................................ 10 6.2. VELDWERKZAAMHEDEN ........................................................................................................................... 11

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ........................................................................ 13 7.1. GROND/GRONDWATER .............................................................................................................................. 13 7.2. ASBEST ...................................................................................................................................................... 14 7.3. INFILTRATIE .............................................................................................................................................. 15

8.

RESULTATEN ........................................................................................................................................... 16 8.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ............................................................................................................... 16 8.2. LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN .............................................................. 17 8.3. INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ................................................................................................... 21

9.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................. 24 9.1. VERKENNEND BODEMONDERZOEK........................................................................................................... 24 9.2. VERKENNEND ONDERZOEK NAAR ASBEST ERF ........................................................................................ 24 9.3. INFILTRATIE ONDERZOEK ........................................................................................................................ 25 9.4. ALGEHELE CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ........................................................................................... 25

10. REFERENTIES .......................................................................................................................................... 27 BIJLAGEN

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.

Situering in de regio Situatieschets met geplaatste boringen, proefgaten en peilbuizen Boorprofiel beschrijvingen Analysecertificaten grond, grondwater en asbest Streef-, achtergrond- en interventiewaarden grond en grondwater Indicatieve toetsingen Bbk Veldwerkformulieren onderzoek naar asbest (incl. foto’s) Berekeningen asbest K-waarde bepalingen Revelante gegevens historisch onderzoek

Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray) Rapportnr.: B22.8528 versie: 01 datum: 25 mei 2022

6

1.

INLEIDING Hendriks Projectontwikkeling B.V. heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een historisch onderzoek, een verkennend bodemonderzoek, een verkennend onderzoek naar asbest en een infiltratie onderzoek voor de onderzoekslocatie gelegen aan de Geysterseweg 2 en omgeving te Oostrum (gemeente Venray). De aanleiding voor uitvoering van de onderzoeken wordt gevormd door de voorgenomen toekomstige onroerend goed transactie en herontwikkeling van de locatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017 [1], NEN 5740/A1:2016 [2] en de NEN 5707:2015/C2:2017 [3]. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door heer M. Schimmel MSc. en de heer ing. H.M.W. van der Donk.

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN De onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest) en infiltratiecapaciteit op de onderzoekslocatie vast te leggen en vast te stellen of bezwaren bestaan tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en toekomstige herontwikkeling.

3.

LOCATIEGEGEVENS 3.1.

Algemene gegevens

De onderzoekslocatie (kadastraal bekend als gemeente Venray, sectie S, nummers 1876, 339 en 932 ged.) is gelegen aan de Geysterseweg 2 en omgeving te Oostrum en betreft een erf met opstal en erfverharding (circa 1.400 m2) en braakliggend gras-/ akkerland (circa 2,1 hectare). Het voornemen bestaat de locatie aan te kopen en deels te herontwikkelen voor woningbouw. De woning met bijbehorende schuur blijft ongewijzigd en valt buiten de onderzoekslocatie. Een tweede achterliggende schuur valt wel binnen de herontwikkelingslocatie en zal moeten worden gesloopt. De betreffende schuur heeft in het verleden asbesthoudende dakbedekking gehad. Volgens de opdrachtgever zit in het dakbeschot nog asbest. Daarnaast is bekend dat de erfverharding rondom de achterliggende schuur, naar verwachting uit puingranulaat (circa 300 m2) bestaat. Voor de situering van de onderzoekslocatie in de regio wordt verwezen naar bijlage 1.

Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray) Rapportnr.: B22.8528 versie: 01 datum: 25 mei 2022

7 3.2.

Historisch onderzoek en locatiebezoek (NEN 5725:2017)

Algemeen Voorafgaand aan de diverse onderzoeken dient er een historisch vooronderzoek uitgevoerd te worden conform de NEN 5725:2017. Door Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) zijn de relevante gegevens van de websites van de provincie Limburg, gemeente Venray, het kadaster, www.bodemloket.nl, en www.google.nl bekeken. Aanvullend is nog de historische informatie opgevraagd bij de gemeente. Alle beschikbare informatie is door een medewerker van VMT bestudeerd en in onderstaande tekst verwerkt. De meest relevante informatie is opgenomen in de bijlagen. Bodemkwaliteitsgegevens Atlas Limburg Op basis van de digitale bodematlas van de provincie Limburg zijn van de locatie en directe omgeving geen bodemkwaliteitsgegevens bekend bij de provincie. Wel staat er een graanmalerij geregistreerd aan de Geysterseweg 1 (LI098400591), ten westen van voorliggende onderzoekslocatie. Gegevens gemeente Venray Bij de gemeente Venray zijn van de locatie geen voorgaande bodemonderzoeken bekend. Wel zijn er bouw- en milieuvergunningen bekend uit de periode 1948-1978 voor de oprichting van een boerderij en varkens- en rundveestallen. Van enkele stallen is, op basis van het historisch kaartmateriaal en het doorstrepen in de vergunningstekening, geen bewijs dat deze ooit zijn gerealiseerd.

Wel is bekend dat gebruik werd gemaakt van een 600l bovengrondse dieseltank in de schuur binnen de locatie (verwijderd in 1993). Verder is bekend dat de milieuvergunning van de rundveehouderij, varkensfokkerij en varkensmesterij gedeeltelijk is ingetrokken in 1995. Tijdens de laatste milieucontrole in 2017 werden geen bijzonderheden geconstateerd. Daarnaast is bij de gemeente een historisch bodemonderzoek bekend van de Geysterseweg 6 (Vooronderzoek Geysterseweg 6 te Oostrum, kenmerk 04041170-13, d.d. 21 juni 2004) en een verkennend bodemonderzoek van de Geysterseweg 8 (HMB groep, kenmerk 02-0143-13, d.d. 11 april 2002), beide grenzend aan voorliggende onderzoekslocatie. Op beide locaties zijn geen bodembedreigende activiteiten aanwezig geweest. Tijdens het verkennend bodemonderzoek bekend aan de Geysterseweg 8 werden maximaal licht verhoogde gehalten voor enkele zware metalen en/of PAK aangetoond in de bovengrond en in het grondwater. Bodembedreigende activiteiten (zoals boven- en/of ondergrondse brandstoftanks) Op de locatie zijn, behoudens de voormalige bovengrondse dieseltank, voor zover bekend geen overige bodembedreigende activiteiten aanwezig (geweest). Luchtfoto’s gemeente Venray Op basis van het kaartmateriaal van de gemeente Venray is te zien dat de woning en schuur aan ten zuiden van de locatie al in 1945-1951 aanwezig waren.

De eerstvolgende luchtfoto dateert uit 1998 waarop de tweede schuur, binnen de onderzoekslocatie gelegen erf, zichtbaar is. Hierop lijkt dat mogelijk nog asbesthoudende dakbedekking aanwezig is. Hetzelfde geldt voor de luchtfoto uit 2015. Op de volgende luchtfoto, uit 2018, is de dakbedekking veranderd. Dit zou betekenen dat de asbesthoudende dakbedekking in de periode 2015-2018 is verwijderd. Niet gesprongen explosieven De locatie is, gezien de geruime afstand ten opzichte van de verdachte spoorlijn NijmegenRoermond, voor zover als bekend niet gelegen binnen een verdacht gebied met betrekking tot niet-gesprongen explosieven.

Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray) Rapportnr.: B22.8528 versie: 01 datum: 25 mei 2022

8 Historisch kaartmateriaal / BAG viewer / google Uit het historische kaartmateriaal van www.topotijdreis.nl en de BAG viewer van het kadaster blijkt het erf reeds sinds circa 1930 bebouwd is. De huidige woning ten zuiden van de locatie dateert uit 1948. De tweede schuur binnen de onderzoekslocatie, aan de noordoostzijde van het erf, zou in 1968 zijn gebouwd. Verder blijkt uit het historisch kaartmateriaal dat ten westen en ten noordoosten van de 2e schuur in het verleden ook nog (kleinschalige) bebouwing aanwezig is geweest in de periode 1940-1997. Daarnaast is de locatie mogelijk in gebruik geweest als boomgaard in de jaren ’50 en ’60 van vorige eeuw. Verder zijn geen bijzonderheden waargenomen op het historisch kaartmateriaal. Asbest De bebouwing op het erf is gerealiseerd in periode van 1930 tot 1968. De aanwezig schuur binnen de onderzoekslocatie is in het verleden voorzien geweest van asbestverdachte dakbedekking, welke inmiddels is vervangen. Aan de noord- en zuidzijde is mogelijk geen dakgoot aanwezig geweest, waardoor mogelijk sprake is van een verdachte druppelzone (onverhard maaiveld onder asbestverdachte dakbedekking zonder dakgoot). Verder is bekend dat in de bebouwing eveneens asbest toegepast dat nog aanwezig is (in de schuur en in het dakbeschot). Daarnaast is een puin(stabilisatie) als erfverharding toegepast.

Derhalve dient de locatie ter plaatse van het erf als verdacht te worden beschouwd op het voorkomen van asbest in de bodem. De overige locatie is vooralsnog onverdacht op het voorkomen van asbest. Locatiebezoek Tijdens het locatiebezoek, voorafgaand aan de veldwerkzaamheden, is de aanwezigheid van een schuur met een nieuw (asbestvrij) dak bevestigd. Ten oosten, zuiden en westen van de schuur bestaat het maaiveld uit puin/grind. Aan de oostzijde van de schuur is tussen het puin tevens asbestverdacht materiaal (> 20 mm) aangetroffen. Verder zijn, behoudens 2 (waterputten), geen bijzonderheden aangetroffen tijdens het locatiebezoek ter plaatse van het erf en het weiland. PFAS Voor zover als bekend zijn op de locatie geen PFAS bronnen aanwezig (geweest) en betreft GenX geen verdachte parameters voor deze regio. Derhalve is onderzoek naar PFAS en/of GenX niet noodzakelijk. Conclusies vooronderzoek en vervolgtraject Op basis van de beschikbare informatie zijn geen actuele gegevens bekend van de bodemkwaliteit en dient ten behoeve van de voorgenomen herontwikkeling een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 te worden uitgevoerd. Voor het erf dient uitgegaan te worden van een verdachte locatie in verband met de aanwezige en voormalige bebouwing en verhardingen en voormalige aanwezigheid van een bovengrondse tank.

Voor het overig terrein kan uitgegaan worden van een onverdachte locatie, echter vormt de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen (OCB) in de teellaag wel een aandachtspunt, gezien het mogelijk gebruik van de locatie als boomgaard. Aanvullend dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van een bijgebouw met (voormalige) asbestverdachte dakbedekking en asbestverdachte puinverharding. Derhalve is het erf wel verdacht op het voorkomen van een verontreiniging met asbest en dient een aanvullend een verkennend onderzoek naar asbest conform de NEN 5707 en/of NEN 5897 uitgevoerd te worden. Het overige terrein (weiland) is vooralsnog onverdacht op het voorkomen van asbest.

Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray) Rapportnr.: B22.8528 versie: 01 datum: 25 mei 2022

9

4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE Bij de bepaling van de regionale geologie en geohydrologie zijn de gegevens van de websites www.dinoloket.nl en www.grondwatertools.nl gebruikt. 4.1.

Bodemopbouw

Het oorspronkelijke bodemprofiel bestaat uit een matig tot slecht doorlatende deklaag van circa 4 meter, bestaande uit fijne zanden en zandige klei behorend tot de Formatie van Boxtel. Hieronder bevindt zich het eerste watervoerend pakket met een dikte van circa 9 meter. Het pakket behoord tot de Formatie van Beegden en bestaat uit midden tot grof zand en/of grind. Het eerste watervoerende pakket wordt gescheiden van het tweede watervoerende pakket door een slecht doorlatende laag met zandige klei, klei en midden zand behorend tot de Kiezeloöliet Formatie. Hieronder bevinden zich de watervoerende lagen behorend tot de Kiezeloöliet Formatie en de Formatie van Breda. 4.2.

Geohydrologie

De grondwaterstroming in het eerste watervoerende pakket is naar verwachting globaal noordnoordoostelijk gericht als gevolg van de nabijgelegen rivier de Maas. De stromingsrichting van het freatisch grondwater is naar verwachting (zuid)oostelijk gericht en wordt voornamelijk beïnvloed door lokale factoren, zoals de nabij gelegen Oostrumsche Beek, het drainagepatroon, de ligging van rioleringen, de aanwezigheid van zandlichamen (voor kabels, leidingen en funderingen) en overig oppervlaktewater. De locatie is niet gesitueerd binnen een grondwaterbeschermingsgebied. 5.

HYPOTHESE Op basis van de beschikbare informatie is voor het erf de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodem- en asbestverontreiniging, waarbij de aanwezigheid van (voormalige) bebouwing, verhardingen en een voormalige bovengrondse tank aandachtspunten vormen. Voor wat betreft het agrarische en onbebouwde deel van het perceel (gras- /akkerland) kan met betrekking tot asbest en algemene bodemkwaliteit (NEN) uitgegaan worden van een onverdachte locatie. Wel vormt het voorkomen van bestrijdingsmiddelen (OCB) in de (oorspronkelijke) teeltlaag een aandachtspunt.

Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray) Rapportnr.: B22.8528 versie: 01 datum: 25 mei 2022

10

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.

Onderzoeksstrategieën diverse onderzoeken

Verkennend bodemonderzoek Algemene kwaliteit Voor de algemene bodemkwaliteit wordt voor het erf uitgegaan van de NEN 5740/A1 voor een diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigde stof op schaal van monsterneming (VED-HE-NL) met een oppervlakte van maximaal 1.500 m2. Hierbij wordt rekening gehouden met de (voormalige) bebouwing en halfverhardingen. Alle boringen ter plaatse van het erf worden doorgezet tot minimaal 1,0 m-mv in verband met de (voormalige) bebouwing en verhardingen. Hierbij wordt rekening gehouden met de situering van de voormalige bovengrondse dieseltank. Voor de onverdachte ondergrond wordt uitgegaan van de NEN 5740/A1 voor een onverdachte niet lijnvormige locatie (ONV-NL) met een oppervlakte van maximaal 1.500 m2. Voor het agrarische en onbebouwde deel van percelen S 931, S 339 en S 1876 wordt voor de algemene kwaliteit uitgegaan van de NEN 5740/A1 voor een onverdachte niet lijnvormige locatie (ONV-NL) met een oppervlakte van maximaal 2,1 hectare. Teeltlaagonderzoek Aanvullend wordt een teeltlaagonderzoek uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie voor een ‘diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming’ (VED-HO-NL, waarbij de oppervlakte naar boven is afgerond (maximaal 3 ha).

Hierbij wordt de teeltlaag afzonderlijk bemonsterd en geanalyseerd op OCB. Verkennend onderzoek naar asbest erf Voor het verkennend onderzoek naar asbest ter plaatse van het erf wordt uitgegaan van de NEN 5707/C2 voor een diffuse locatie met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging (VED-HE) met een oppervlakte van maximaal 1.500 m2. Voorafgaand aan het onderzoek naar asbest wordt een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Ten behoeve van het onderzoek naar asbest worden proefgaten gegraven met een omvang van 0,3 m x 0,3 m tot minimaal 0,5 m-mv, waarbij in de druppelzone van het bijgebouw met asbesthoudende dakbedekking met naar verwachting slechte afwatering naar beide kanten krijgen 4 proefgaten in de contactlaag (bovenste 10 cm) een omvang van 1,0 x 1,0 m gegraven. Hierbij is één extra asbestanalyse van de druppelzone opgenomen en wordt één asbestanalyse van de druppelzone gecombineerd met het onderzoek naar asbest voor het overig deel. Zintuiglijk kan tot 20 mm worden beoordeeld of asbestverdachte materialen aanwezig zijn. Voor de fractie < 20 mm dient dit middels een analyse te worden geverifieerd. De meest verdachte grondlagen worden geanalyseerd op een kwalitatieve/kwantitatieve analyse op asbest conform NEN5898:2015: asbest in grond of puin (< 20 mm).

Hierbij wordt rekening gehouden met de actuele contactlaag (bovenste 10 cm) ter plaatse van de druppelzone van de asbesthoudende schuur. Infiltratieonderzoek (K-waarde bepaling) Voor de bepaling van de k-waarden worden ter plaatse van de onderzoekslocatie infiltratieproeven uitgevoerd in duplo. Op 2 plekken in de onverzadigde zone (circa 1,0 m-mv) en op 2 plekken in de verzadigde zone (circa 3,0 m-mv). De veld- en laboratoriumwerkzaamheden voor de diverse (bodem)onderzoeken worden zoveel mogelijk gecombineerd. Met het plaatsen van de boringen, proefgaten en peilbuizen is rekening gehouden met de bekende gegevens en waarnemingen in het veld. Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray) Rapportnr.: B22.8528 versie: 01 datum: 25 mei 2022

11

6.2.

Veldwerkzaamheden

Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat conform de geldende NEN/NPRnormen, conform BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2001, het plaatsen van handboringen en peilbuizen (versie 6), protocol 2002: het nemen van grondwatermonsters (versie 6) en, afgezien van een efficiënte maaiveldinspectie, protocol 2018: locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem (versie 6). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een schop, Edelmanboor en zuigerboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is het opgeboorde en opgegraven materiaal zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm). In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerkers weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data 19 t/m 21april 2022

Bedrijf Verhoeven Milieutechniek B.V.

29 april 2022

Verhoeven Milieutechniek B.V.

Gecertificeerde medewerker De heer J.B. Koppelman De heer M.A.H. van Baal De heer J.B. Koppelman

Protocol BRL SIKB 2001 (v. 6) 2018 (v. 6) 2002 (v. 6)

Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Verkennend bodemonderzoek Grond Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek zijn in totaal 43 boringen (B01 t/m B43) geplaatst. De boringen B01 t/m B09 en de extra boringen B42 en B43 zijn ter plaatse van het verdachte erf geplaatst, waarbij boring B04 uitpandig is gesitueerd in directe omgeving van de bovengrondse tank. De overige boringen zijn verdeeld over het overig terrein. Boring PB07, stroomafwaarts van de schuur met voormalige bovengrondse tank, en PB12, PB19 en PB33 zijn dieper doorgezet en afgewerkt als peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek. In tabel 6.2 zijn de uitgevoerde veldwerkzaamheden van het verkennend bodemonderzoek weergegeven. Tabel 6.2: Uitgevoerde veldwerkzaamheden (Deel)locatie/ onderdeel Boringen tot circa 0,5 m-mv Erf B42, B43 Agrarische en B11, B13 t/m B18, B20, onbebouwde deel B22, B24 t/m B26, B28, B30 t/m B32, B34 t/m B36, B38 t/m B40 Geen boring tot genoemde diepte.

Boringen/peilbuizen Boringen tot circa Boringen tot 1,0 m-mv circa 2,0 m-mv B01 t/m B06, B09 B08 B10, B21, B23, B27, B29, B37, B41

Peilbuis (filterstelling m-mv) PB07 (2,50-3,50) PB12 (2,05-3,05) PB19 (2,30-3,30) PB33 (2,10-3,10)

Grondwater Het grondwater uit peilbuizen PB07, PB12, PB19 en PB33 is, na een standtijd van minimaal één week en twee keer afpompen, op 29 april 2022 bemonsterd. De bemonstering heeft plaatsgevonden volgens de techniek van lage troebelheidsbemonstering, waarbij de grondwaterstand (GWS), zuurgraad (pH), geleidbaarheid (EC) en troebelheid van het grondwater in het veld zijn bepaald.

Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray) Rapportnr.: B22.8528 versie: 01 datum: 25 mei 2022

12 Verkennend onderzoek naar asbest Ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest is allereerst een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het maaiveld ter plaatse van locatie grotendeels begroeid en bedekt was vegetatie (> 2 cm) en puin en/of grind (totaal 95 %). Er heeft derhalve, in afwijking van de BRL 2018, geen efficiënte maaiveldinspectie ( > 25% zichtbaar) plaats kunnen vinden. Mogelijk zijn hierdoor de resultaten beïnvloed. Op het maaiveld zijn desondanks, rekening houdend hiermee, asbestverdachte (plaat)materialen (fractie > 20 mm) aangetroffen ten oosten en westen van de schuur. Het aangetroffen asbestverdachte materiaal (golfplaat, type A) is in het veld direct dubbel verpakt, gecodeerd en aangeboden aan het laboratorium. De ligging van het aangetroffen materiaal is globaal weergegeven op de situatieschets in bijlage 2. Ten behoeve van de onderzoeksopzet en op basis van de waarnemingen in het veld zijn in totaal 11 proefgaten (B01 t/m B09, B42 en B42) gegraven met een afmeting van 0,3 m x 0,3 m tot circa 0,5 m-mv. Hierbij zijn proefgat B03, B04, B08 en B09 ter plaatse van de druppelzones (noordzijde en zuidzijde) van de schuur met voormalige asbestdak gegraven en heeft deze in de actuele contactlaag (bovenste 10 cm) een omvang van 1,0 x 1,0 m.

De extra proefgaten B42 en B43 zijn ten oosten van de schuur gegraven waar het asbestverdacht plaatmateriaal op maaiveld is aangetroffen. Proefgat B02 is ten westen van de schuur gesitueerd, waar eveneens asbestverdacht plaatmateriaal was aangetroffen. Voor de inspectie van de ondergrond zijn enkele proefgaten doorgezet middels een Edelmanboor met een diameter van 12 cm tot in de ongeroerde ondergrond (gecombineerd met boringen). Om een bodemverontreiniging met asbest vast te stellen is per proefgat de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. Hierbij zijn in de proefgaten B03 (golfplaat, type A en plaat type B), B42 (golfplaat, type A) en B43 (golfplaat, type A) asbestverdachte (plaat)materialen (> 20 mm) aangetroffen. De aangetroffen materialen in de proefgaten zijn weergegeven in de tabel met zintuiglijke waarnemingen, tabel 8.1 van hoofdstuk 8. Het aangetroffen asbestverdachte materiaal is in het veld direct dubbel verpakt, gecodeerd en aangeboden aan het laboratorium voor analyse op de aanwezigheid van asbest conform de NEN5896:2003 (asbest in plaatmateriaal). Het onderzochte materiaal (per type) en de hoeveelheid is weergegeven in tabel 8.4 van hoofdstuk 8 weergegeven.

In het veld zijn twaalf grondmonsters samengesteld ten behoeve van het analytisch onderzoek naar asbest in de fijne fractie (< 20 mm). Een overzicht van de samengestelde grondmonsters en de zintuiglijke waarnemingen met bijbehorende analyses is in tabel 8.5 van hoofdstuk 8 weergegeven. De veldwerkformulieren van het asbestonderzoek zijn opgenomen in bijlage 7. Infiltratie onderzoekslocatie Op de locatie zijn ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek diverse boringen geplaatst en is de globale bodemopbouw beschreven. Ten behoeve van de doorlatendheidsproeven (K-waarde bepalingen) zijn de boringen PB12 en B41 geselecteerd. Voor het bepalen van de verticale doorlatendheid (onverzadigde zone; boven de grondwaterstand) is zowel bij boring PB12 en als bij boring B41 op een diepte van circa 1,0 m-mv een infiltratieproef uitgevoerd met behulp van een ‘open-end-test’. Voor de horizontale doorlatendheid (verzadigde zone; onder de grondwaterstand) is zowel bij boring PB12 en als bij boring B41 een infiltratieproef op een diepte van circa 3,0 m-mv uitgevoerd met behulp van de ‘Hooghoudt methode’. Alle infiltratieproeven zijn in duplo uitgevoerd. De situatieschets met de geplaatste boringen, proefgaten en peilbuizen is opgenomen als bijlage 2. Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray) Rapportnr.: B22.8528 versie: 01 datum: 25 mei 2022

13

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 7.1.

Grond/grondwater

De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en/of grondwater aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [4]. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [5] en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De streefwaarden geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De achtergrondwaarden geven voor de grond het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de grond aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.

De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde achtergrondwaarde). Voor grondwater wordt de achtergrondwaarde in de formule vervangen door de streefwaarde. Indien de index groter is dan 1 wordt de interventiewaarde overschreden. Uit de toetsing van de GSSD aan de streef-, achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid:  Bij een overschrijding van de streef- en/of achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd.  Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een verkennend bodemonderzoek, dient de omvang van de verontreiniging(en) te worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering.

Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray) Rapportnr.: B22.8528 versie: 01 datum: 25 mei 2022

14 Momenteel wordt gewerkt aan het toevoegen van toetsingswaarden voor PFAS aan de Regeling bodemkwaliteit [4] tot die tijd moet het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (geactualiseerd d.d. 13 december 2021), worden gehanteerd. In het handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/ natuur” (achtergrondwaarde) voor PFOA een toepassingsnorm van 1,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 1,4 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het is nu nog niet mogelijk om interventiewaarden voor PFAS te bepalen. Daarom heeft het RIVM (d.d. 5 maart 2020 met aanpassing d.d. 9 mei 2022) voorlopige waarden afgeleid: de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV). Met de INEV’s kunnen gemeenten en provincies bepalen waar de bodem ernstig verontreinigd is en of meer onderzoek nodig is. Als de concentraties onder de INEV’s blijven, zijn er doorgaans geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. 7.2.

Asbest

De interventiewaarde voor asbest in de grond is vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [5] en maximale samenstellingswaarde voor asbest in puin is opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [4] en bedraagt in beide gevallen 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De aangetroffen concentraties voor asbestverdachte grond- en/of puinmonsters en aan asbestverdachte plaatmaterialen worden teruggerekend naar het in het veld geïnspecteerde volume en vervolgens getoetst aan de interventiewaarde bodemsanering. Als tijdens de analyse van asbest in fijne fractie (< 20 mm) blijkt dat er in een monster niethechtgebonden asbest is aangetroffen en dat er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie < 500 µm, wordt in de NEN 5898 geadviseerd een onderzoek naar het aantal respirabele vezels uit te voeren middels een Stereo Electro Microscoop (SEM) analyse. Als tijdens het onderzoek naar asbest in de grond een gewogen asbestgehalte van meer dan 1.000 mg/kg d.s. (hechtgebonden) en/of meer dan 100 mg/kg d.s. (niet-hechtgebonden) wordt aangetoond, moet op basis van de risicobeoordeling in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd.

Indien de gewogen asbestconcentratie groter is dan de halve interventiewaarde/maximale samenstellingswaarde, bestaat het vermoeden van een geval van ernstige (bodem)verontreiniging. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest is dan verplicht. De hoogst berekende waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest indien de berekende concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde/maximale samenstellingswaarde. Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707/NEN5897. Als respirabele vezels in de toplaag (contactzone, of diepte graafwerkzaamheden) worden aangetoond en het gewogen gehalte van 10 mg/kg d.s. wordt overschreden is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst.

Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray) Rapportnr.: B22.8528 versie: 01 datum: 25 mei 2022

15

7.3.

Infiltratie

Op basis van de doorlatendheid (k-waarde) kan de grond worden gekwalificeerd in mate van doorlatendheid. De kwalificaties op basis van de k-waarde zijn opgenomen in tabel 7.1. Tabel 7.1: Kwalificatie doorlatendheid (k-waarde) Doorlatendheid in m/dag < 0,01 0,01-0,1 0,1-0,5 0,5-1,0 1,0-10 >10

Kwalificatie Zeer slecht doorlatend Slecht doorlatend Matig doorlatend Vrij goed doorlatend Goed doorlatend Zeer goed doorlatend

Bron: Cultuurtechnisch Vademecum

Aan de hand van de vastgestelde doorlatendheid van de grond kan een uitspraak worden gedaan over de infiltratiemogelijkheden. De ISSO-publicatie 70-1, “Omgaan met hemelwater binnen de perceelsgrens” (uitgave 2008), geeft criteria voor de mogelijkheden van infiltratie. In figuur 7.1 is het beslisschema weergegeven waarmee wordt getoetst. Figuur 7.1: Beslisschema infiltratiecriteria met mogelijkheden

Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray) Rapportnr.: B22.8528 versie: 01 datum: 25 mei 2022

16

8.

RESULTATEN 8.1.

Zintuiglijke waarnemingen

De bodem op de onderzoekslocatie bestaat vanaf maaiveld verharding tot circa 0,5 à 1,0 m-mv over het algemeen uit matig fijn, zwak siltig, zwak tot matig humeus, zand. Hieronder bestaat de bodem afwisselend uit zwakt tot matig siltig zand met plaatselijk brokken of laagjes leem, en/of zwak tot sterk zandig leem, tot de maximaal geboord diepte van circa 3,5 m-mv. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk diverse bijmengingen waargenomen. Een volledige laag puingranulaat rondom de schuur, zoals werd verwacht, is niet aangetroffen. Een volledig overzicht van de zintuiglijk waargenomen bijzonderheden is weergegeven in tabel 8.1. Tabel 8.1: Zintuiglijke waarnemingen Boring

Proefgat

B01 B02 B03

Ja Ja Ja

Diepte boring/ proefgat (m -mv) 1,00 1,00 1,00

B04 Ja 1,00 B05 Ja 1,00 B06 Ja 1,00 PB07 Ja 3,50 B08 Ja 2,00 B09 Ja 1,00 B15 Nee 0,50 B16 Nee 0,50 B17 Nee 0,50 B18 Nee 0,50 B22 Nee 0,50 B26 Nee 0,50 B27 Nee 2,00 B28 Nee 0,50 B31 Nee 0,50 B34 Nee 0,50 B35 Nee 0,50 B36 Nee 0,50 B37 2,00 Nee B39 Nee 0,50 B40 Nee 0,50 B41 Nee 2,00 B42 Ja 0,50 B43 Ja 0,50 Toelichting bij de tabel: Sporen < 1 %; Zwak ≥ 1 % < 5 %; Matig ≥ 5 % < 10 %; Sterk ≥ 10 % < 20 %.

Traject (m -mv)

Grondsoort

Waargenomen bijzonderheden

0,00 - 1,00 0,00 - 0,50 0,00 - 0,10 0,10 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 1,00 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 1,00 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50

Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand

sporen baksteen, sporen glas sporen glas, matig puinhoudend sporen baksteen, ca. 1.022 gr. asbest (type A en B) sporen baksteen sporen baksteen, zwak betonhoudend sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen glas, matig puinhoudend sterk puinhoudend sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen zwak baksteenhoudend, ca. 733 gr. asbest (type A) zwak baksteenhoudend, ca. 1.095 gr. asbest (type A)

Tevens zijn op het maaiveld aan de oostzijde en aan de westzijde, diverse asbestverdachte plaatmaterialen aangetroffen (> 20 mm) zoals beschreven in paragraaf 6.2. De ligging van het aangetroffen materiaal is globaal weergegeven op de situatieschets in bijlage 2. Op het weiland zijn slechts sporen van baksteen waargenomen, die conform de NEN 5707 definieerbare bijmengingen betreffen en derhalve niet asbestverdacht zijn. Op basis hiervan is het niet noodzakelijk om ter plaatse van het weiland een verkennend onderzoek naar asbest uit te voeren. Verder zijn tijdens de veldwerkzaamheden geen overige waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. De volledige boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen als bijlage 3. Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray) Rapportnr.: B22.8528 versie: 01 datum: 25 mei 2022

17

8.2.

Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten

De analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium van SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam (grond, grondwater en asbest). De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond en asbest in grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de grond en het grondwater is opgenomen als bijlage 5. Tevens zijn de grondresultaten indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit, welke is opgenomen als bijlage 6. Grond Verkennend bodemonderzoek (Wbb) Op basis van de onderzoeksopzet en de zintuiglijke waarnemingen tijdens de veldwerkzaamheden zijn grond(meng)monsters samengesteld, geselecteerd en geanalyseerd. De grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten zijn in tabel 8.2 weergegeven.

Tabel 8.2: Overzicht grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten (Meng-) Omschrijving monster Algemene kwaliteit erf MM01 Bovengrond, zand Zintuiglijk: matig tot sterk puinhoudend en/of sporen glas M02 Bovengrond, zand Zintuiglijk: sporen baksteen, sporen beton (tpv voormalige bovengrondse dieseltank) MM03 Bovengrond, zand Zintuiglijk: sporen tot baksteenhoudend en/of sporen glas MM04

Ondergrond, zand Zintuiglijk: -

Algemene kwaliteit overig terrein MM05 Bovengrond, zand Zintuiglijk: sporen baksteen

MM06

Bovengrond, zand Zintuiglijk: sporen baksteen

MM07

Bovengrond, zand Zintuiglijk: sporen baksteen

MM08

Bovengrond, zand Zintuiglijk: -

Boringen (traject in m -mv)

Analysepakket

B02 (0,00 - 0,50) B08 (0,00 - 0,50) B09 (0,00 - 0,50) B04 (0,00 - 0,50)

NEN

Cd, Pb, Zn, PAK, MO

NEN

-

B01 (0,00 - 0,50) B03 (0,00 - 0,50) B06 (0,00 - 0,50) B43 (0,00 - 0,50) B02 (0,50 - 0,80) B04 (0,50 - 1,00) B09 (0,50 - 1,00) PB07 (0,50 - 1,00) PB07 (1,00 - 1,50) PB07 (1,50 - 2,00)

NEN

Cd, Cu, Pb, Zn, PAK

NEN

-

-

B15 (0,00 - 0,50) B16 (0,00 - 0,50) B17 (0,00 - 0,50) B18 (0,00 - 0,50) B22 (0,00 - 0,50) B26 (0,00 - 0,50) B27 (0,00 - 0,50) B28 (0,00 - 0,50) B31 (0,00 - 0,50) B34 (0,00 - 0,50) B35 (0,00 - 0,50) B36 (0,00 - 0,50) B37 (0,00 - 0,50) B39 (0,00 - 0,50) B40 (0,00 - 0,50) B41 (0,00 - 0,50) B11 (0,00 - 0,50) B13 (0,00 - 0,50) B14 (0,00 - 0,50) B20 (0,00 - 0,50) B23 (0,00 - 0,50) B25 (0,00 - 0,50) B30 (0,00 - 0,50) B32 (0,00 - 0,50) B38 (0,00 - 0,50)

NEN

Cd

-

NEN

-

-

NEN

PAK

-

NEN

-

-

Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray) Rapportnr.: B22.8528 versie: 01 datum: 25 mei 2022

> AW < I

Resultaten >I

-

18 Vervolg tabel 8.2: Overzicht grondmengmonsters met bijbehorende analyses en resultaten (Meng-) Omschrijving monster Algemene kwaliteit overig terrein MM09 Ondergrond, leem Zintuiglijk: -

MM10

Ondergrond, zand Zintuiglijk: -

MM11

Ondergrond, zand Zintuiglijk: -

Teeltlaagonderzoek (overig terrein) MMOCB01 Teeltlaag, zwak humeus zand Zintuiglijk: MMOCB02

Teeltlaag, zwak humeus zand Zintuiglijk: -

MMOCB03

Teeltlaag, zwak humeus zand Zintuiglijk: sporen baksteen

MMOCB04

Teeltlaag, zwak humeus zand Zintuiglijk: sporen baksteen

Boringen (traject in m -mv)

Analysepakket

> AW < I

Resultaten >I

B08 (0,50 - 1,00) B08 (1,50 - 2,00) B29 (0,50 - 1,00) B37 (1,00 - 1,50) PB19 (0,70 - 1,10) PB33 (1,00 - 1,50) B21 (0,50 - 1,00) B21 (1,00 - 1,50) B27 (1,00 - 1,50) B37 (0,50 - 1,00) B41 (1,00 - 1,50) PB12 (1,00 - 1,50) B10 (0,50 - 1,00) B21 (1,50 - 2,00) B23 (0,50 - 1,00) B27 (1,50 - 2,00) B29 (1,00 - 1,50) B37 (1,50 - 2,00) B41 (1,50 - 2,00) PB12 (0,50 - 1,00) PB19 (1,10 - 1,60) PB33 (0,50 - 1,00)

NEN

-

-

NEN

-

-

NEN

-

-

B10 (0,00 - 0,30) B14 (0,00 - 0,30) B20 (0,00 - 0,30) PB12 (0,00 - 0,30) B25 (0,00 - 0,30) B29 (0,00 - 0,30) B30 (0,00 - 0,30) PB19 (0,00 - 0,30) B15 (0,00 - 0,30) B22 (0,00 - 0,30) B26 (0,00 - 0,30) B31 (0,00 - 0,30) B34 (0,00 - 0,30) B36 (0,00 - 0,30) B38 (0,00 - 0,30) B40 (0,00 - 0,30)

OCB

Drins

-

OCB

-

-

OCB

-

-

OCB

-

-

Toelichting bij tabel 8.2: NEN De zware metalen barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni] en zink [Zn], polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, 10 VROM), Polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie (MO), inclusief lutum en organische stof (humus); OCB Organochloorbestrijdingsmiddelen, inclusief organische stof (humus); AW Achtergrondwaarde; I Interventiewaarde; Niets waargenomen/aangetoond.

Grondwater De grondwatermonsters met bijbehorende analyses- en toetsingsresultaten zijn in tabel 8.3 weergegeven. Tabel 8.3: Peilbuizen met bijbehorende analyses- en toetsingsresultaten grondwater Peilbuis

Filterdiepte GWS pH EC Troebelheid AnalyseResultaten (m-mv) (m-mv) (µS/cm) (NTU) pakket >S<I >I PB07 2,50 - 3,50 2,05 5,8 349 61,8 NEN PB12 2,05 - 3,05 1,64 5,3 679 26,3 NEN Ba, Cd, Cu*, Ni PB19 2,30 - 3,30 1,43 5,6 499 17,1 NEN Ba, Ni PB33 2,10 - 3,10 2,05 5,6 296 45,8 NEN Ba Toelichting bij de tabel 8.3: NEN Zware metalen (Barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni], zink [Zn]), vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen), vluchtige chloorkoolwaterstoffen (VOCl) en minerale olie (MO); S Streefwaarde; I Interventiewaarde; Niets aangetoond.

Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray) Rapportnr.: B22.8528 versie: 01 datum: 25 mei 2022

19 De gemeten waarden voor de zuurgraad (pH) en de geleidbaarheid (EC) zijn niet afwijkend van een natuurlijke situatie. In de genomen grondwatermonsters uit alle vier de peilbuizen is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (< 10 NTU). De peilbuis heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Daarnaast is de peilbuis zorgvuldig en met een voldoende laag debiet (≤ 0,1 l/min) afgepompt zodat de grondwaterstand in de peilbuis minder dan 50 cm (niet belucht) is gedaald. Daarom wordt aangenomen dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Asbest erf Tijdens het verkennend onderzoek naar asbest op het erf zijn ten oosten en ten westen van de schuur, waar in het verleden asbesthoudende dakbedekking aanwezig is geweest, diverse asbestverdacht (plaat)materialen (fractie > 20 mm) waargenomen. Om een verontreiniging met asbest vast te stellen is per proefgat de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. Hierbij is in de bovengrond/toplaag (tot 0,1 à 0,5 m-mv) van proefgaten B03, B42 en B43 eveneens asbestverdacht (plaat)materiaal (fractie > 20 mm) waargenomen (2 types).

De aangetroffen asbestverdachte (plaat)materialen zijn per type in het veld direct dubbel verpakt, gecodeerd en aangeboden aan het laboratorium voor analyse op de aanwezigheid van asbest (tot 700 gram per type) conform de NEN5896:2003 (asbest in plaatmateriaal). De resultaten zijn weergegeven in tabel 8.4. Tabel 8.4: Asbestverdacht (plaat)materiaal en percentage asbest conform analysecertificaat Proefgat (traject in m-mv)

Monstercode

Massa (gram)

Materiaal

Hechtgebonden

Type*

Schatting gewichtspercentage (%)

B43 (0,0-0,5)

ASB-A1

1.069

Plaat

Ja

Chrysotiel

10-15

Gemiddeld gewichtspercentage (%) 12,5

B03 (0,0-0,1) ASB-B 9,5 Asbestboard Ja Chrysotiel 5-10 7,5 Toelichting bij tabel 8.4: 1 Tevens representatief voor het aangetroffen materiaal, type A, op maaiveld en in proefgaten B03 en B42. Voor de in het veld vastgestelde massa wordt verwezen naar tabel 8.1 en de veldwerkformulieren in bijlage 7; * Chrysotiel (witte asbest) is een serpentijnasbest. Bij serpentijnasbest zijn de vezels gekruld. Crocidoliet (blauwe asbest) en amosiet (bruine asbest) zijn een amfiboolasbest. Bij amfiboolasbest zijn de vezels staafvormig en daardoor gevaarlijker. Daarom wordt de amfiboolconcentratie met een factor 10 verhoogd.

Op basis van de onderzoeksopzet en de zintuiglijke waarnemingen tijdens de veldwerkzaamheden zijn in twaalf grondmonsters samengesteld, waarvan de vier meest verdachte monsters zijn aangeboden aan het lab voor analyse op asbest conform NEN 5898:2015 (asbest in grond of puin in de fractie < 20 mm). De samenstelling van de onderzochte mengmonsters met zintuiglijke waarnemingen en de bijbehorende analyses zijn in tabel 8.5 weergegeven. Tabel 8.5: Samenstelling grondmonsters asbest Monstercode

Proefgaten

Zintuiglijke waarnemingen

MMASB01

B03

MMASB02

B08

MMASB03

B08, B09

MMASB04

B09

MMASB05

B42, B43

MMASB06 MMASB07

B05, B06 PB07

Sporen baksteen, ca. 1.022 gr. asbest (actuele contactlaag druppelzone) Matig puinhoudend, sporen glas (grondlaag onder contactlaag druppelzone) Matig tot sterk puinhoudend (actuele contactlaag druppelzone) Sterk puinhoudend (grondlaag onder contactlaag druppelzone) Sporen baksteen, ca. 733 + 1.095 gr. asbest (en asbest op maaiveld) Sporen baksteen Sporen baksteen

Diverse (bodem)onderzoeken, Geysterseweg 2 e.o. te Oostrum (Venray) Rapportnr.: B22.8528 versie: 01 datum: 25 mei 2022

Traject (m -mv) 0,00-0,10

Soort

Analysepakket

Grond

Asbest in grond (> 10 kg)1

0,10-0,50

Grond

Niet geanalyseerd

0,00-0,10

Grond

Asbest in grond (> 10 kg)1

0,10-0,50

Grond

Niet geanalyseerd

0,00-0,50

Grond

Asbest in grond (> 10 kg)1

0,00-0,50 0,00-0,50

Grond Grond

Niet geanalyseerd Niet geanalyseerd

20 Vervolg tabel 8.5: Samenstelling grondmonsters asbest Monstercode

Proefgaten

Zintuiglijke waarnemingen

Traject (m -mv) 0,10-0,50

Soort

Analysepakket

MMASB08

B03

MMASB09

B04

MMASB10

B04

MMASB11

B02

Sporen baksteen (grondlaag onder contactlaag druppelzone) Sporen baksteen, zwak betonhoudend (actuele contactlaag druppelzone) Sporen baksteen, zwak betonhoudend (grondlaag onder contactlaag druppelzone) Sporen glas, matig puinhoudend (asbest op maaiveld) Sporen baksteen, sporen glas

Grond

Niet geanalyseerd

0,00-0,10

Grond

Niet geanalyseerd

0,10-0,50

Grond

Niet geanalyseerd

0,00-0,50

Grond

Asbest in grond (> 10 kg)1

MMASB12 B01 0,00-0,50 Toelichting bij de tabel 8.5: Niet van toepassing/niets waargenomen; 1 Asbestanalyse conform NEN5898:2015: asbest in grond < 20 mm.

Grond

Niet geanalyseerd

De resultaten van de geanalyseerde grondmonsters en de gewogen hoeveelheid asbest (< 20 mm, conform analysecertificaten) zijn weergegeven in tabel 8.6. Tabel 8.6: Overzicht onderzochte monsters en gewogen hoeveelheid asbest < 20 mm conform analysecertificaten Monstercode

Soort

MMASB01

Grond met bundels

Hechtgebonden Nee

MMASB03

Bundels Amosiet Isolatie Plaat Golfplaat

Nee Nee Ja Ja

MMASB05

Type* Chrysotiel Crocidoliet Chrysotiel Chrysotiel Chrysotiel Chrysotiel & Amosiet Chrysotiel -

Gemeten <20 mm (mg/kg d.s.) 1.000 310 4101 13,9 4,4 0,2 < 0,1 29,6 <2

Totaal gewogen <20 mm (mg/kg d.s.) 4.119 428 30

Plaat Ja MMASB11 <2 Toelichting bij de tabel 8.6: * Chrysotiel (witte asbest) is een serpentijnasbest. Bij serpentijnasbest zijn de vezels gekruld. Crocidoliet (blauwe asbest) en amosiet (bruine asbest) zijn een amfiboolasbest. Bij amfiboolasbest zijn de vezels staafvormig en daardoor gevaarlijker. Daarom wordt de amfiboolconcentratie met een factor 10 verhoogd; 1 Tevens zijn losse bundels aangetroffen in de fractie < 0,5 mm; Niets aangetoond.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12762427/1