CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Proefsleuvenonderzoek 't Brukske

Gemeenteraad 27 juni 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Venray 2e partiele herziening.14.103 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niet gevonden in dit document.

Proefsleuvenonderzoek Venray 't Brukske

OM-nummer 3990947100

Rapport 848

Proefsleuvenonderzoek Venray-'t Brukske

W.S. van de Graaf A.F. Loonen

Archeodienst OM-nummer

Rapport

3990947100

848

Colofon Proefsleuvenonderzoek Venray 't Brukske

Auteur:

W.S. van de Graaf en A.F. Loonen

Archeodienst rapportnummer

848

ISSN nummer:

1877-2900

Versienummer:

2.2

OM-nummer:

3990947100

Gemeente:

Venray

Opdrachtgever:

Gemeente Venray

Redactie:

A.F. Loonen

Eindredacteur:

W.S. van de Graaf

Determinatie vondsten:

Thomas Spitzers

Foto's en tekeningen:

Archeodienst BV, tenzij anders aangegeven

Plaats:

Zevenaar

Foto omslag:

n.v.t.

Autorisatie:

Willem-Simon van de Graaf 28-06-2016

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder bronvermelding. Archeodienst BV aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven adviezen.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 2

Inhoudsopgave

1

Inleiding

5

2

Vooronderzoek 2.1 Geomorfologie en geologie 2.2 Bodem 2.3 Historische geografie 2.4 Archeologie 2.5 Verwachting op basis van het vooronderzoek

7 7 9 9 11 11

3

Doelstelling 3.1 Onderzoeksvragen

13 13

4

Onderzoeksstrategie 4.1 Werkwijze 4.2 Fysische Geografie

15 17 17

5

Resultaten archeologisch onderzoek 5.1 Bodemopbouw 5.2 Archeologie

19 19 21

6

Conclusie 6.1 Aanbeveling 6.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 6.3 Voorbehoud

27 27 27 28

Literatuur

29

Lijst van afkortingen

30

Verklarende woordenlijst

30

Lijst van afbeeldingen

32

Lijst van tabellen

32

Lijst van bijlagen

32

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 3

Administratieve gegevens OM-nummer provincie gemeente plaats toponiem type project opdrachtgever contactpersoon opdrachtgever uitvoerder bevoegd gezag deskundige namens bevoegd gezag beheer en plaats documentatie

geografische positie (x-y)

uitvoeringsperiode oppervlakte onderzoeksgebied

Afbeelding 0.1.1 |

3990947100 Limburg Venray Venray Winkelcentrum 't Brukske Inventariserend Veldonderzoek, waarderende fase (proefsleuven, IVO-P) Gemeente Venray Dhr. J. Drabbels Archeodienst BV Gemeente Venray Dhr. J. Schotten Zevenaar NW (x) 196810 - (y) 392905 NO (x) 197002 - (y) 392956 ZO (x) 197018 - (y) 392806 ZW (x) 196920 - (y) 392744 21 en 22 maart 2016 2,3 ha

Het plangebied bij aanvang van de werkzaamheden (foto genomen in zuidoostelijke richting).

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 4

1 Inleiding In opdracht van de gemeente Venray heeft archeologisch onderzoeksbureau Archeodienst BV een proefsleuvenonderzoek (Inventariserend Veldonderzoek, waarderende fase (IVO-P)) uitgevoerd in het plangebied 't Brukske te Venray (gemeente Venray, Afbeelding 1.1). De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door de geplande ontwikkeling in het plangebied. In het kader van een integrale vernieuwingsoperatie zullen in de wijk 't Brukske te Venray onder meer een nieuw winkelcentrum en woningen worden gerealiseerd. Onderhavig onderzoek heeft betrekking op het noordelijk deel van het plangebied, te weten daar waar het nieuwe winkelcentrum is gepland. Het grondverzet dat voor de bouw van het winkelcentrum noodzakelijk is, vormt een mogelijke bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische resten. Eventueel aanwezige archeologische resten zullen daarbij verloren gaan.

Afbeelding 1.1 |

Situering van het plangebied op de topografische kaart.

Het onderzoek volgt op het vooronderzoek (Koster/Voeten 2011), waarin vastgesteld werd dat binnen het plangebied sprake is van een hoge trefkans op archeologische waarden vanaf het Neolithicum. Om deze verwachting te controleren diende onderhavig proefsleuvenonderzoek uitgevoerd worden. Het veldwerk vond plaats van op 21 en 22 maart 2016. De wetenschappelijke en dagelijkse leiding was in handen van drs. Willem-Simon van de Graaf. Ondersteuning in het veld werd geleverd door dr. Christian Enzl. Het grondverzet werd uitgevoerd door de firma Chris Jacobs uit VEnray. Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 5. Afkortingen en jargon worden achterin het rapport uitgelegd. Een overzicht van de aangelegde sleuven geeft Bijlage 1. Het onderzoek is uitgevoerd conform het Programma van Eisen (PvE; Loonen 2016) en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 3.3 (CCvD 2013).

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 5

2 Vooronderzoek De tekst uit dit hoofdstuk is overgenomen uit het Programma van Eisen (Loonen 2016).

2.1

Geomorfologie en geologie

Het onderzoeksgebied is gelegen in het dekzandgebied dat wordt gekenmerkt door een sterk wisselend reliëf. De bedekking van het gebied door het landijs in de voorlaatste IJstijd (het Saalien, 200.000-130.000 jaar geleden) is van grote betekenis geweest voor de huidige reliëfverschillen in het landschap. Gedurende het Saalien stroomde de Maas reeds in het plangebied en deponeerde hierbij grindhoudend grof zand (Formatie van Beegden). Deze Maasafzettingen bestaan uit grove zanden met grind onderin en fijnkorrelige lagen bovenin. Als gevolg van breuktektoniek van de Centrale Slenk en de Slenk van Venlo verplaatste de Maas zich richting de Slenk van Venlo waar de Formatie van Veghel C werd afgezet (huidige Formatie van Beegden). Ten westen van de Maas en de Veghel C afzettingen bestond het landschap uit een boomloze toendra. Hier werden periglaciale afzettingen gevormd die bestaan uit fluvioperiglaciale afzettingen bestaande uit grofzandige door dooiwater afgezette zanden, eolische zandafzettingen (al dan niet lemig), en Brabants leem. Gedurende het Weichselien ontstonden ten westen van de Maas een toendra/milieu van eoliosche en periglaciale afzettingen, behorende tot de Formatie van Twente. Ten oosten van de Peelrug werd vooral het Brabants leem afgezet. Tijdens het Laat-Glaciaal werden eolische zanden behorende tot de Formatie van Boxtel afgezet.

In de beekdalen en langs de breukrand van de Peelrandbreuk komen ook grofzandige afzettingen voor. Aan het eind van het Weichselien sneed de Maas zich opnieuw in en werd het huidige Maasdal ontwikkeld. In het Laatglaciaal werden de bovenstroomse beekdalen door de dekzandaccumulaties afgedamd waardoor deze verstopt raakten. Vanaf het begin van het Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden tot heden) trad een blijvende klimaatsverbetering op. Aanvankelijk was het klimaat nog droog en ontstonden plaatselijk weer zandverstuivingen. Echter, tijdens de klimaatsverbetering nam de hoeveelheid neerslag toe en steeg ook de grondwaterspiegel (als gevolg van de stijgende zeespiegel). De vegetatie nam toe waardoor sediment werd vastgehouden. Pas in de Middeleeuwen ontstonden lokaal weer verstuivingen als gevolg van grootschalige ontbossing (Koster/Voeten 2011). Op de geomorfologische kaart is het plangebied gekarteerd als bebouwd terrein. Ca. 200 meter zuidelijk komt er een 60 meter brede noordoost-zuidwest georiënteerde glooiing van een beekdalzijde (3H11) voor. Ten zuiden hiervan komen beekdalbodems met veen (2R4) voor. Ten noorden van de beekdalzijde en ten oosten en westen van Venray komen dekzandruggen voor (+/- oud bouwlanddek, 3L5). Op het AHN is het beekdal ten zuiden van het plangebied goed herkenbaar als een zuidwest-noordoost georiënteerde laagte.

Het plangebied is geëgaliseerd en helt af richting het zuiden waar het maaiveld ca. 1 meter lager ligt dan het noorden. Op de geologische kaart van Nederland is de ondergrond van het plangebied gekarteerd als Maasafzettingen behorende tot de Formatie van Veghel B (tegenwoordig Formatie van Beegden). Op deze afzettingen bevinden zich de Pleistocene dekzandruggen, die behoren tot de Formatie van Boxtel. Ten zuiden van het plangebied komen Pleistocene afzettingen van de Formatie van Boxtel voor. Deze sedimenten bestaan uit fluvio-periglaciale afzettingen (fijn tot grof zand met planten, houtresten, leem- en veenlaagjes). Volgens de bodemkaart van Nederland komen in het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden in lemig fijn zand voor (zEZ23). Als de bodemkaart wordt vergeleken met de geomorfologische kaart kan worden geconcludeerd dat binnen het plangebied oorspronkelijk veldpodzolen in lemig fijn zand (Hn23) voorkwamen. De top van zwarte enkeerdgronden (zEZ) bestaan meestal uit een zandig tot zwak lemig esdek. Omdat de enkeerdgronden zijn gevormd onder hoge en droge omstandigheden en vaak gelegen zijn nabij oude nederzettingen of hoeven is de kans op het aantreffen van vindplaatsen zeer hoog.

Archeologische vondsten en bewoningssporen kunnen bij een intact bodemprofiel worden verwacht aan de basis van het esdek en in de top (Ah-, E-, Bh- en Bs-horizonten) van een eventueel daar onder begraven bodemprofiel (meestal een humuspodzol) (Koster/Voeten 2011). Er wordt verwacht dat zich binnen het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden bevinden. Uit het booronderzoek in 2011 is gebleken dat de C-horizont in de noordelijke helft van het plangebied (het onderhavige onderzoeksgebied) doorgaans bestaat uit lemig, matig fijn zand. Het betreft hier overwegend in situ dekzand behorende tot de Formatie van Boxtel. In de zuidelijke helft van het plangebied bestaat de Chorizont uit zwak tot uiterst siltig (lemig), matig fijn tot matig grof zand met plaatselijk een bijmenging van fijn grind. Onder en binnen dit pakket zijn inschakelingen van sterk zandig leem aangetroffen. Deze afzettingen worden geïnterpreteerd als fluvioperiglaciale afzettingen, eveneens behorende tot de Formatie van Boxtel. De meer zandige afzettingen in het midden en zuiden van het plangebied zijn ontstaan als gevolg van verspoeling van dekzand. De leemlagen binnen het plangebied worden gevormd door het Brabants Leem.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 7

Afbeelding 2.1 |

Boorpuntenkaart en puttenplan.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 8

2.2

Bodem

Tijdens het veldonderzoek in 2011 (Koster/Voeten 2011) zijn binnen onderhavig onderzoeksgebied de boringen 1, 3 t/m 8, 10, 11, 15, 33 en 35 geplaatst (Afbeelding 2.1). Binnen vrijwel het gehele plangebied is een ca. 50 tot 110 centimeter dikke, opvallend homogene humeuze bovengrond aanwezig is. Binnen dit pakket zijn enkele baksteenfragmenten en houtskoolpartikels waargenomen. Daarnaast zijn op veel plaatsen binnen dit pakket scherp begrensde (zand)vlekken en recente archeologische indicatoren als plastic, kachelgrit en recent glas aangetroffen. De basis van het humeuze dek wordt op enkele locaties gevormd door een menglaag waarin scherp begrensde vlekken van de A- en de C-horizont voorkomen. De overgang tussen het humeuze dek en de onverstoorde C-horizont is veelal abrupt van aard. Hoewel de oorsprong van dit humeuze dek gezocht moet worden in het plaggendek dat hier in het verleden is opgebracht, doen bovengenoemde insluitsels alsmede de homogene aard van pakket sterk vermoeden dat het plaggendek relatief recent verstoord is geraakt. Ter hoogte van boring 4, 6, 7, 10 en 35 (in het midden en zuiden van onderhavig onderzoeksgebied) bevindt zich tussen het humeuze dek en de onverstoorde ondergrond een zwartgrijze laag met een dikte van 15 tot 35 centimeter. Deze laag bestaat uit matig tot sterk siltig, matig fijn zand en doet erg aan loodzand denken.

De afwezigheid van een B- of BC-horizont onder deze laag laat in ieder geval zien dat dit pakket geen in situ AE-horizont betreft. Mede door de afwezigheid van archeologische indicatoren en anderszins specifieke kenmerken is het niet duidelijk geworden wat de oorsprong van deze laag is. Ter hoogte van boring 8 bevindt zich tussen het humeuze dek en de onverstoorde C-horizont een vrij gehomogeniseerde menglaag waarvan op basis van de kleur wordt vermoed dat het een menglaag van A-, B- en eventueel BC-horizont betreft. De B- en BC-horizont zijn hier echter niet meer intact, daar deze menglaag rechtstreeks op de onverstoorde C-horizont is gelegen. De (sub)recente insluitsels, de homogene opbouw en de doorgaans scherpe overgang naar de onderliggende onverstoorde C-horizont laten zien dat het humeuze dek binnen het plangebied relatief kort geleden verstoord moet zijn geraakt. De kans dat zich binnen dit pakket intacte archeologische sporen bevinden is derhalve uiterst laag. De scherpe overgang naar de onderliggende C-horizont illustreert tevens dat de top van het natuurlijke (podzol)bodemprofiel dat mogelijk oorspronkelijk nog onder het plaggendek aanwezig was eveneens volledig is opgenomen in het verstoorde dek.

Slechts ter hoogte van boring 4, 5, 6, 7, 8 en 10 bevindt zich tussen het humeuze dek en de schone C-horizont een laag die mogelijk deels bestaat uit de restanten van het oorspronkelijke bodemprofiel. Hoewel ook deze laag vergraven is, en dus een lage verwachting op intacte archeologische sporen kent, is het niet uit te sluiten dat zich binnen dit pakket nog lithische artefacten zoals bijvoorbeeld vuurstenen werktuigen of afslagen bevinden die als zodanig nog steeds informatie zouden kunnen verschaffen over de archeologische geschiedenis van het plangebied.

2.3

Historische geografie

Rond 1200 wordt Venray beschreven als een nederzetting met de naam Rode, wat wijst op een nederzetting die door ontginning van bosgronden is ontstaan. Door de bloei van het hertogdom Gelre in de 15e eeuw komt er een kerk gewijd aan Sint Peterus’ Banden. Venray was het rijkste dorp van de regio en had kloosters, gilden, schutterijen en een Latijnse school. Venray had een internationale schapenhandel die zijn grootste bloei beleefde tussen 1850 en 1870. Vanaf 1880 werden delen van de heidevelden verkocht aan particulieren die de woeste gronden ontgonnen. Hierbij speelde de in 1888 opgericht Heidemaatschappij een belangrijke rol. Op de percelen werden bossen aangelegd van grotendeels grove dennen; dit dennenhout werd gebruikt in de mijnbouw om de mijnschachten te stutten. Tevens werden de gebieden klaargemaakt voor de landbouw. Op de kadastrale kaart van 1832 (Afbeelding 2.2) is te zien dat het plangebied destijds grotendeels in gebruik was als bouwland (landbouwgrond). Het gebied werd aangeduid als “het Brukxke”. Het Brukxke vormde destijds een buurtschap dat van Venray gescheiden werd door landbouwgronden. Waar de kern van Venray gelegen is op de hoge gronden met dekzandreliëf ligt het Brukxke op de overgang van het dekzandreliëf en het lager gelegen, natte beekdal.

Vanaf het midden van de 19e tot het midden van 20e eeuw verandert er weinig binnen het plangebied (Afbeelding 2.3). Ten noorden van het plangebied breidt de kern van Venray zich sterk uit in oostelijke richting. In 1905 werd ten noorden van het plangebied een psychiatrische inrichting gebouwd. Hiermee wordt een verbinding gelegd tussen de bebouwde kom van Venray en het Brukxke. Tussen 1958 en 1978 wordt binnen het plangebied en de gronden eromheen een nieuwbouwwijk gerealiseerd die bekend staat als Brukske.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 9

Afbeelding 2.2 |

Situering van het plangebied op de kadastrale kaartuit 1832.

Afbeelding 2.3 |

Situering van het plangebied op de kadastrale kaart uit 1895.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 10

2.4

Archeologie

Het plangebied is op de IKAW gekarteerd als een locatie met een hoge trefkans op het aantreffen van archeologische resten en/of waarden uit de periode Neolithicum – Nieuwe tijd. Op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart is het plangebied (behoudens van het meest zuidelijke deel) gekarteerd als een gebied met een lage verwachting op het aantreffen van archeologische sporen/waarden van jagersverzamelaars. Op de cultuurhistorische kaart is het plangebied gekarteerd als bouwland (landbouwgrond). Op de archeologische advieskaart is het gebied gekarteerd als een gebied met een hoge verwachting. Op de bodemverstoringenkaart is het plangebied als niet-verstoord aangeduid. Er wordt wel verwacht dat de aanleg van bebouwing binnen het plangebied heeft geleid tot een onbekende mate van bodemverstoring. Op de Archeologische Monumentenkaart staan terreinen vermeld die door de provincie en de RCE zijn geselecteerd vanwege hun archeologische waarde. Een aantal van deze terreinen heeft eveneens de status van beschermd archeologisch monument. AMK-terrein 11127 is gelegen op een afstand van 670 meter ten oosten van het plangebied en omvat een terrein met sporen van begraving (grafveld) uit de Romeinse tijd en sporen van bewoning uit de Vroege- en Late-Middeleeuwen. Het betreft een grafveld uit de 2e eeuw na Chr. en nederzettingen uit de 7e -8e en de 11e -12e eeuw.

AMK-terrein 15043 grenst aan de noordkant van monument 11127 en omvat dezelfde archeologische waarden en perioden en de verwachting is dat de sporen zich in noordelijke richting, tot binnen de grenzen van het monument, doorzetten. De vindplaatsen liggen op een dekzandrug die schuilgaat onder het esdek. Op een afstand van 840 meter ten noordoosten van het plangebied bevind zich AMK-terrein 16268. Dit monument omvat een cluster van oude bewoning. Hier kunnen in de resten van vroegmoderne en waarschijnlijk laatmiddeleeuwse (vanaf ca. 1300) bewoning aangetroffen worden. AMK-terrein 16277 is gelegen op een afstand van 1000 meter ten westen van het plangebied. Het betreft de historische dorpskern van Venray. Hier worden resten van vroeg- en laatmiddeleeuwse bewoning verwacht. Waarnemingsnummer 29643 (150 meter ten noorden) omvat de vondst van een Durchlochter Breitkeile (bijl) van amfiboliet die gedateerd is in het Neolithicum-B. De vondst werd gedaan in “de Leemskuil”. Waarnemingsnummer 40,507 (340 meter ten noordoosten) omvat de vondst van fragmenten van bronstijdaardewerk, gevonden in een kuil tijdens de bouw van een woonwijk. Waarnemingsnummers 44642, 32846, 52482 en 44644 bevinden zich op een afstand van 550 meter ten noordoosten van het plangebied.

De waarnemingen omvatten de vondst van vroeg- en laat-middeleeuwse nederzettingssporen, houtskoolspikkels en fosfaatsporen onder het esdek alsmede resten baksteenpuin van post-middeleeuwse veldbrandovens (20e eeuw). Bij waarneming 44644 bestaat het vermoeden dat er een Romeins graf is geraakt tijdens de aanleg van een aspergeveld. Vondstmelding 411072 (1100 meter ten noordoosten van het plangebied) omvat de vondst van twee grote leem- of zandwinningskuilen en verschillende noordoostzuidwest georiënteerde greppels, roodbakkend geglazuurd aardewerk en steengoed. Ter hoogte van en rondom het AMK-terrein 11127 heeft RAAP in 1997 archeologisch onderzoek uitgevoerd. Tijdens karterend veldonderzoek werd ter plaatse van het AMK-terrein een grijze cultuurlaag aangetroffen met insluitsels van (prehistorisch) aardewerk, houtskool en vuursteenartefacten.

2.5

Verwachting op basis van het vooronderzoek

Op basis van het bureauonderzoek werd de volgende archeologische verwachting geformuleerd: De mogelijke aanwezigheid van een dekzandreliëf onder een intact esdek in de nabijheid van een beekdal maakt dat het plangebied in het verleden een zekere aantrekkingskracht ten aanzien van tijdelijke of meer permanente bewoning gehad zal hebben. In de directe omgeving van het plangebied zijn archeologische resten uit het Neolithicum, de Romeinse tijd en de Vroege- en Late-Middeleeuwen bekend. Omdat er geen aanwijzingen bestaan dat zich in de directe omgeving van het plangebied archeologische resten uit de periode Paleolithicum – Mesolithicum bevinden, wordt voor deze periode een lage archeologische verwachting gegeven. In de loop van het Neolithicum en in de daarop volgende periodes gingen de mensen sedentair leven en kunnen sporen van nederzettingsterreinen bestaande uit individuele huis- of boerderijplaatsen met erven, afvalkuilen, waterputten en aardewerkstrooïng worden verwacht. Bij nederzettingsterreinen worden soms ook grafvelden aangetroffen. Op basis van de vondst van een neolithische bijl alsmede eerder onderzoek in de directe en ruimere omgeving van het plangebied wordt voor de periode Neolithicum – Late-Middeleeuwen een hoge archeologische verwachting gegeven.

Er zijn geen aanwijzingen gevonden die de aanwezigheid van archeologische resten van na de Middeleeuwen doen vermoeden. Derhalve wordt een lage archeologische verwachting gegeven op de Nieuwe tijd. Tijdens het booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Ter hoogte van de boringen 4, 6, 7, 8, 10 en 35 is een menglaag tussen het esdek en de schone C-horizont aangetroffen waarvan de oorsprong niet duidelijk is. Hoewel er geen directe aanwijzingen voor zijn is evenmin uit te sluiten dat het hier een equivalent betreft van de cultuurlaag die zich ter hoogte van AMK-terrein 11127 bevindt. Het feit dat de oorsprong voor dit pakket niet bekend is maakt dat niet zondermeer kan worden uitgesloten dat deze laag archeologische relevantie bezit. Andere boringen binnen het noordelijke deel van het plangebied laten niet zelden eveneens een menglaag zien waarvan in het veld niet kon worden vastgesteld dat het mogelijk

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 11

om een vermengd podzolprofiel handelt. Op basis van deze resultaten moet worden geconcludeerd dat niet kan worden uitgesloten dat zich in het noorden van het plangebied onder het humeuze dek zich nog een archeologisch interessant niveau bevindt.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 12

3 Doelstelling Doel van het proefsleuvenonderzoek is het vaststellen van de inhoudelijke en fysieke kwaliteit van de archeologische waarde van het plangebied (aard, ouderdom, omvang, gaafheid, conservering).

3.1

Onderzoeksvragen

Om de doelstelling van het onderzoek te verwezenlijken zijn in het Programma van Eisen (Loonen 2016) de volgende onderzoeksvragen gesteld: Wat is de aard, omvang, kwaliteit en verloop van de archeologische sporen en sporenclusters? Wat is de bodemopbouw (bodemkundig, fysisch-geografisch) van het onderzoeksgebied? Welke vindplaatsen zijn te onderscheiden en hoe dateren deze? Wat is de conservering en gaafheid van de vindplaats(en)? Wat is de fasering van de vindplaats(en)? Wat kan over de aard van de vindplaatsen gezegd worden? Wat is de landschappelijke context van de aangetroffen archeologische resten? Hoe verhouden de resultaten zich tot de resultaten van het vooronderzoek? Zijn de vindplaatsen behoudenswaardig? Worden de vindplaatsen bedreigd door de voorgenomen bouwplannen? Wat kan dit onderzoek zeggen over de archeologische potentie van de omgeving? Welk advies kan er gegeven worden voor het vervolg van de procedure?

Afbeelding 3.1 |

Een onbedoelde vondst: een niet ontplofte mortiergranaat uit de Tweede Wereldoorlog.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 13

4 Onderzoeksstrategie Onderhavig onderzoeksgebied heeft een oppervlakte van ca. 22.750 m2. De noordelijke strook van het onderzoeksgebied wordt gevormd door de Henri Dunantstraat, waar, evenals in de strook ten zuiden daarvan, op dit moment geen proefsleuven aangelegd kunnen worden. Hiermee rekening houdend kon volstaan worden met een dekkingsgraad van ca. 8% om eventuele archeologische waarden binnen het gebied goed in kaart te brengen. Dit komt neer op de aanleg van ca. 1800 m2 aan proefsleuven. Hiervoor is de aanleg van 18 proefsleuven gepland met een breedte van 4 m en een lengte van 25 m (Loonen 2016). Doordat de fiets- en wandelpaden, de bomen en bosschages in het gebied behouden moesten blijven en er nog functionerende kabels en leidingen door het gebied lopen, moest het puttenplan van het PvE aangepast worden, waarbij vooral de randen van het gebied minder beschikbaar waren (Afbeelding 2.1). Tijdens het onderzoek moesten de sleuven nog iets aangepast worden aan de omstandigheden. De geplande kleine sleuf 17 is niet aangelegd om deze in een grasperkje tussen bomen lag. Beschadiging van dit perk stond niet in verhouding tot de informatiewinst, omdat de overige sleuven al uitgewezen hadden dat de kans op sporen niet groot was. Wp1 is vanwege een leiding iets smaller geworden. Wp2 is iets naar het oosten verschoven.

Wp3 is naar het westen iets langer geworden om de weg die van het minuutplan bekend was, in het vlak te krijgen. In het westelijke deel is een tweede vlak aangelegd om de weg ook op een dieper niveau te onderzoeken. Wp4 lag in dezelfde omstandigheden als wp17. Er is besloten hier wel een sleuf aan te leggen omdat de sleuf relatief ver van de overige sleuven lag, en de kans daardoor groter was dat hier een andere situatie voorhanden kon zijn. Wp5 is in het oosten iets korter geworden om de wortels van de hoge boom ernaast niet kapot te maken. Wp6 is in het westen iets korter geworden en is een stuk smaller geworden door aanwezige kabels, leidingen en een asfaltveldje. Wp7 is een stuk naar het oosten verplaatst met het doel buiten de verstoring van de recent gesloopte tennishal te raken. Toen bleek dat de sleuf nog steeds in deze verstoring lag, is de rest van de sleuf nog verder naar het oosten verplaatst. Wp8 is iets naar het oosten verplaatst vanwege dezelfde leiding als in wp1. Wp13 is naar het oosten verplaatst vanwege bosschages. Daar lag echter een hoofdwaterleiding, waardoor de sleuf smaller gemaakt is. Naar het zuiden is de sleuf iets korter gemaakt vanwege een andere leiding. In wp19 was sprake van een dik pakket recent verstoorde grond.

Middels drie kijkgaten is de dikte van het pakket vastgesteld, de rest van de sleuf is minder diep aangelegd, maar wel op een diepte die onder het mogelijke archeologische niveau lag. In totaal zijn 18 proefsleuven aangelegd met een variërende omvang (Tabel 4.1; Bijlage 1). Hiermee is in totaal ca. 1450 m² onderzocht. diepte (NAP)

m2

90

23,6

70

90

23,7

88

100

23,9 23,80

124 28

2

90

23,9

10

20

3,5

100

23,8

70

6

22

2,5

110

23,5

55

7

18

4

35-95

23,7/24,4

72

8

16

4

90

23,7

64

9

25

4

90

23,7

100

10

25

4

90-105

23,5

100

11

26

4

50-80

23,8

104

12

24

4

100

23,2

96

13

16

3

100

23,7

48

14

26

4

50-110

23,6

104

15

25

4

80-100

23,8

100

16

10

4

130

23,5

40

18

23

4

35-105

23,4

92

19

25

4

100-165

23,4

100 1465

wp

lengte (m)

breedte (m)

diepte (cm)

1

20

3,5

2

22

4

3

31

4

55-100

3-2

7

4

4

5

5

totaal m2 Tabel 4.1 |

Afmetingen en m2's per werkput.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 15

Afbeelding 4.1 |

Het noordelijke deel van het onderzoeksgebied vanuit de lucht, blik naar noordwesten. Wp7 is nog niet aangelegd.

Afbeelding 4.2 |

Het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied vanuit de lucht, blik naar zuiden.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 16

4.1

Werkwijze

De vlakken zijn aangelegd met een graafmachine met gladde bak (Afbeelding 4.3). Bij de aanleg van de vlakken en bij het afzoeken van het opgravingsvlak en de stort is een metaaldetector ingezet. Het vlak is per werkput gefotografeerd. De vondsten zijn per spoor of per stratigrafische eenheid verzameld. Alle sporen zijn gecoupeerd. Alleen een greppel en een weg die ook al in een andere werkput gecoupeerd waren, zijn in een tweede werkput niet nog een keer gecoupeerd. Van spoor 10 is een grondmonster voor C14-datering genomen. Naast de gebruikelijke foto’s zijn ook luchtfoto’s en een filmpje met een drone gemaakt Afbeelding 4.1 en Afbeelding 4.2. De tekeningen van de profielkolommen en de coupes zijn analoog vervaardigd (schaal 1:20). De vlaktekening is digitaal vervaardigd. Daarbij is gebruik gemaakt van een GPS. Met behulp van een gestandaardiseerde codering die bij elk meetpunt is ingevoerd, zijn de punten in een digitale vectortekening omgezet. Alle meetgegevens, zoals hoogtematen van het vlak en maaiveld (die om de 5 m zijn genomen) en van sporen, putgrenzen, verstoringen, meetpunten etc., zijn op deze manier gedocumenteerd. De GPS maakt gebruik van realtime correctiegegevens van de firma 06-GPS te Sliedrecht waardoor er direct met grote nauwkeurigheid in het nationale coördinatenstelsel van de Rijksdriehoeksmeting (RD-stelsel) ingemeten wordt.

Het onderzoek is uitgevoerd conform het Programma van Eisen (PvE; Loonen 2016) en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 3.3 (CCvD 2013).

4.2

Fysische Geografie

In de lange zijde van elke proefsleuf zijn twee profielkolommen gedocumenteerd. In twee werkputten zijn drie kolommen gedocumenteerd en in twee kleine putten slechts één. In totaal zijn 36 kolommen gedocumenteerd. In Bijlage 1 is de ligging van de kolommen weergegeven. De profielkolommen zijn driedimensionaal ingemeten, schoongemaakt, gefotografeerd, beschreven en getekend op een schaal van 1:20. De lithologische en bodemkundige beschrijving is conform de NEN5104 norm, de Archeologische Standaard Boormethode (Bosch 2008) en De Bakker en Schelling (1989) uitgevoerd. Dit betekent dat bij het beschrijven van de lagen is gelet op textuur (grondsoort), bodemopbouw, oxidatie- en reductievlekken van ijzer en mangaan, kalkgehalte, kleur en archeologische indicatoren waaronder aardewerk en houtskool.

Afbeelding 4.3 |

De aanleg van het vlak in werkput 3.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 17

5 Resultaten archeologisch onderzoek

5.1

Bodemopbouw

Het onderzoeksgebied is onder te verdelen in een noordelijk (wp1-8) en zuidelijk (wp9-19) deel. In het noorden heeft een tennishal gestaan en lagen wat sportveldjes, in het zuidelijke deel stond een school met een schoolplein ten noorden ervan (Bijlage 1). Bij de recente sloop van de school is het terrein ernstig verstoord. Er bleef een laagte in het terrein over die recentelijk gedeeltelijk weer met grond van elders opgevuld is (mededeling Chris Jacobs). De werkputten 14, 18 en 19 lagen binnen het voormalige gebouw en lagen nu voor het grootste deel ook in de laagte. In wp19 was de verstoorde laag zo diep dat middels drie kijkgaten de onderkant van de verstoring vastgesteld is. De rest van de werkput is op een diepte aangelegd die ruim onder het te verwachten archeologische niveau lag. In deze werkputten was alleen de recente gele zandlaag aanwezig boven de C-horizont (Afbeelding 5.1). In veel werkputten is sprake van grote recente verstoringen. Waarschijnlijk zijn deze ontstaan bij de sloop van de school en de tennishal. De grond moest gezeefd achtergelaten worden (mededeling Martin Allards), waardoor de bovenlaag waarschijnlijk ontgraven is. De gaten zijn met geel zand met kleine brokjes anders gekleurd zand opgevuld. Toch zijn alleen wp9 en 19 geheel verstoord. In de overige werkputten is in ieder geval in een deel nog de oorspronkelijke bodem aanwezig.

De oorspronkelijke bodemopbouw was overal hetzelfde, maar niet overal even goed bewaard. Een goed representatief profiel is kolom 2 in wp15 (Afbeelding 5.2). Op het geoxideerde dekzand dat veel ijzeroer bevat, is een podzolbodem ontstaan in de (vermoedelijke) heidegrond. Deze podzolbodem is bij de ontginning van het gebied geheel omgespit om de grond geschikt te maken voor landbouw. De bruinzwarte brokken van de B-horizont zijn zichtbaar in Afbeelding 5.2 en Afbeelding 5.4. In deze laatste afbeelding zijn ook duidelijk de spitsporen tot in de C-horizont te zien. De onderkant van de oorspronkelijke podzolbodem zal op ca. 23,75 m +NAP gelegen hebben. De gehele omgespitte donkere laag is ca. 30 cm dik. Het gaat hier om de in het vooronderzoek (Koster/Voeten 2011) vermelde menglaag waarvoor geen duidelijke verklaring gevonden kon worden. In Afbeelding 5.3 is de structuur van deze laag in het vlak duidelijk zichtbaar. Daarboven bevindt zich een lichtere bruine laag met kleine brokjes geel zand. Dit is een laag die antropogeen opgebracht is, waarschijnlijk in korte tijd. Het gaat dus niet om een esdek maar om een ophogingslaag. Zowel in de omgespitte laag als in de ophogingslaag komen nauwelijks vondsten voor. De vondsten die aanwezig zijn dateren in de 20e eeuw. Bovenop de ophogingslaag bevindt zich een recente verstoringslaag die verschillende verschijningsvormen heeft.

Afbeelding 5.1 |

Kolom 1 in wp19: een volledig verstoord profiel tot op de C-horizont.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 19

Afbeelding 5.2 |

Kolom 2 in wp15: een representatieve bodemopbouw.

Afbeelding 5.3 |

De omgespitte laag in het vlak in wp5.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 20

Afbeelding 5.4 |

5.2

Duidelijke spitsporen in kolom 2 van wp13.

Archeologie

Er zijn nauwelijks archeologische sporen aangetroffen. De sporen zijn afgebeeld in Bijlage 2 en de beschrijvingen in Bijlage 3. Ook vondsten zijn er maar zeer mondjesmaat (Bijlage 4). Bij het aanleggen van de vlakken is naast de onbedoelde vondst van een niet ontplofte mortiergranaat (Afbeelding 3.1) een loden kogel in wp8, een hondenpenning in wp3 en een industrieel wit scherfje in wp3 in de verstoorde laag gevonden. In de ophogingslaag is een fragment van een mogelijk Romeinse fibula gevonden in wp14 en een niet nauwkeurig te dateren roodbakkend geglazuurd fragment aardewerk en een handgevormde scherf die waarschijnlijk in de IJzertijd te dateren is, gevonden. In wp3 kwam een middeleeuwse grijsbakkende scherf uit deze laag. Uit dezelfde laag komen echter ook recente vondsten die niet verzameld zijn, zodat de laag een recente datering moet krijgen. Vermoedelijk is de grond van elders aangevoerd zodat deze enkele archeologisch relevante vondsten in deze context geen waarde hebben. In totaal zijn 22 spoornummers uitgegeven, waarbij soms meerdere nummers aan een enkel fenomeen. De sporen 2, 5, 6, 7, 8, 17 en 22 hebben een natuurlijke oorsprong. Spoor 10 in wp13 is een lichtgrijze vlek met duidelijke, stevige stukken houtskool erin. Hier is een C14-monster van genomen. In de coupe is het spoor niet duidelijk afgegrensd (Afbeelding 5.5).

Er zijn echter helemaal geen vondsten, waardoor het de vraag blijft of het om een antropogeen gegraven kuil gaat of om een op natuurlijke wijze ontstaan spoor waar houtskool in beland is. Ook de datering van het houtskool zou deze vraag niet beantwoorden, waardoor aanbevolen wordt het C14-monster niet te laten dateren. Dit voorstel is door de archeologisch adviseur van de gemeente Venray overgenomen. Aangezien het om een geïsoleerd spoor handelt, moet er vanuit gegaan worden dat het geen archeologische relevantie heeft.

Afbeelding 5.5 |

Spoor 10 in wp13 in de coupe, blik naar noorden.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 21

Ook bij spoor 4 moet een vraagteken gezet worden bij de antropogene oorsprong. Zowel in het vlak als in de coupe (Afbeelding 5.6) geeft het de indruk van een antropogeen gegraven kuil. Ook hier ontbreken echter vondsten zowel in het spoor zelf als bij de aanleg van het vlak. Bovendien bevinden zich in dezelfde werkput twee boomvallen, waartoe s9 ook behoort. Vermoedelijk moet daarom s4 als het diepere deel van een boomval geïnterpreteerd worden.

Afbeelding 5.6 |

Spoor 4 in wp10 in de coupe, blik naar noordwesten.

Duidelijke sporen waren er echter ook. In wp3, 5 en 6 is een greppel aangetroffen (s11, 12 en 13), die precies noord-zuid georiënteerd is. Op het minuutplan en op latere topografische kaarten is de greppel niet aanwezig. De greppel is in wp3 en wp6 gecoupeerd (Afbeelding 5.7). De greppel is 170 cm breed en 40 cm diep bewaard. In de coupe is te zien dat de vulling van de greppel overeenkomt met de omgespitte podzolbodem. Hieruit kan opgemaakt worden dat de greppel bij de ontginning van het land dichtgegooid is. Er zijn geen vondsten in aangetroffen. Een tweede greppel is aangetroffen in wp12 (Afbeelding 5.8). De vulling is hier egaal bruin-zwart. De ophogingslaag ligt hier direct op de greppelvulling, waardoor aan te nemen is dat de greppel pas na of tijdens het ontginnen van het terrein gegraven is. De oriëntatie is licht NW-ZO, dus afwijkend van de andere greppel.

Afbeelding 5.7 |

Greppel s13 in wp3 in het profiel, blik naar noordoosten.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 22

Afbeelding 5.8 |

Spoor 1 in het vlak van werkput 12, blik naar westen.

Wp3 had met opzet een afwijkende oriëntatie om een weg die op het minuutplan te zien is in kaart te brengen. De weg kwam in wp3 inderdaad tevoorschijn, maar iets westelijker dan gedacht (Afbeelding 5.9). De weg werd ook in wp7 aangetroffen (s18), waar hij een stuk breder was, misschien omdat hij hier 20 cm hoger aangesneden was (Afbeelding 5.12). De weg was in het vlak slecht herkenbaar. Hij was eigenlijk alleen herkenbaar aan de parallel verlopende karrensporen (Afbeelding 5.10). Ook in het profiel was de weg moeilijk herkenbaar (Afbeelding 5.13). Ook hier zijn met wat moeite de gecoupeerde karrensporen herkenbaar (Afbeelding 5.14). Er is in wp3 een tweede vlak aangelegd (Afbeelding 5.11). Hierbij bleek dat de weg tot op de C-horizont reikte. In de C-horizont bleven nog twee karrensporen over (s20 en 21). Het wegpakket was zodoende ca. 60 cm dik. Dit betekent dat de weg telkens weer opgehoogd is. Dit is gebeurd met grond die nauwelijks te onderscheiden is van de overal aanwezige ophogingslaag. Er zijn geen sporen van een bestrating of versteviging van de weg in de vorm van bijvoorbeeld grind of puin. Het is dus altijd (op deze plek) een zandpad geweest. In het wegpakket zijn enkele vondsten gedaan, die dateren in de 14e-15e eeuw (grijsbakkend aardewerk, Elmpter waar, steengoed; vnr. 9). Ook komen er twee spijkers uit, waarvan er één in het onderste deel van de weg (vnr. 5).

Uit het vlak van s18 in wp7 is een niet nauwkeurig te dateren pijpesteeltje en een stuk ijzer , vermoedelijk van een ketel gevonden. Naast de weg zijn twee (paal-)kuilen gevonden (s14 en s21) die waarschijnlijk in verband staan met de weg. Ook al vanwege de aanwezigheid op het minuutplan kan er vanuit gegaan worden dat de weg een redelijk hoge ouderdom heeft. De gevonden middeleeuwse scherven kunnen een realistische datering van de weg geven.

Afbeelding 5.9 |

Het minuutplan met daarop de opgegraven weg geprojecteerd.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 23

Afbeelding 5.10 |

De weg s15/16 in het eerste vlak, blik naar zuiden.

Afbeelding 5.11 |

De weg (hier s20 en 21) in het tweede vlak, blik naar zuidwesten.

Afbeelding 5.12 |

De weg s18 in wp7 in het vlak, blik naar noorden.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 24

Afbeelding 5.13 |

Profiel door de weg s15/16/20/21, blik naar zuiden.

Afbeelding 5.14 |

Detail van het profiel door de weg s15/16/20/21, blik naar zuiden.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 25

6 Conclusie Bij het proefsleuvenonderzoek in plangebied ’t Brukske in Venray is vastgesteld dat er geen archeologische vindplaats aanwezig is. Er zijn twee greppels uit de Nieuwe tijd aangetroffen en een weg met karrensporen die vermoedelijk teruggaat tot in de Middeleeuwen. Bij de overige sporen gaat het zeker niet om archeologische sporen of is het twijfelachtig of ze een antropogene oorsprong hebben. Aangezien de weliswaar omgespitte podzolbodem op veel plekken aanwezig was en omdat er vrijwel geen vondsten gedaan zijn, kan geconcludeerd worden dat het ontbreken van archeologische sporen betekent dat er nooit archeologische sporen zijn geweest. Anders waren er onder de omgespitte laag zeker resten van aangetroffen.

6.1

Aanbeveling

Aangezien in het plangebied geen behoudenswaardige vindplaats aanwezig is, adviseert Archeodienst BV de locatie vrij te geven voor verdere ontwikkeling.

Voor goedkeuring van dit advies kan contact opgenomen worden met de gemeente als bevoegd gezag.

6.2

Beantwoording van de onderzoeksvragen Wat is de aard, omvang, kwaliteit en verloop van de archeologische sporen en sporenclusters? Er zijn twee greppels uit de Nieuwe tijd aangetroffen en een weg met karrensporen die vermoedelijk teruggaat tot in de Middeleeuwen. Wat is de bodemopbouw (bodemkundig, fysisch-geografisch) van het onderzoeksgebied? Boven het geoxideerde dekzand van de C-horizont ligt een omgespitte podzolbodem, waarop een ophogingslaag ligt, die uit de 20e eeuw dateert. Welke vindplaatsen zijn te onderscheiden en hoe dateren deze? Er is geen vindplaats aangetroffen. De greppels en weg worden hier niet als vindplaats gezien. Wat is de conservering en gaafheid van de vindplaats(en)? Niet van toepassing. Wat is de fasering van de vindplaats(en)? Niet van toepassing. Wat kan over de aard van de vindplaatsen gezegd worden? Niet van toepassing. Wat is de landschappelijke context van de aangetroffen archeologische resten? Niet van toepassing. Hoe verhouden de resultaten zich tot de resultaten van het vooronderzoek? In het vooronderzoek was niet duidelijk hoe de menglaag tussen de A- en C-horizont verklaard moest worden. Het onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat het gaat om een podzolbodem die in het kader van de ontginning omgespit is. Zijn de vindplaatsen behoudenswaardig? Niet van toepassing.

Worden de vindplaatsen bedreigd door de voorgenomen bouwplannen? Niet van toepassing. Wat kan dit onderzoek zeggen over de archeologische potentie van de omgeving? Gezien het feit dat er geen archeologische vindplaats gelegen heeft in het onderzoeksgebied kan voorzichtig geconcludeerd worden dat de kans op vindplaatsen in de direct aansluitende gebieden klein is.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 27

Welk advies kan er gegeven worden voor het vervolg van de procedure? Het advies luidt dat er geen vervolgonderzoek nodig is en dat de locatie vrijgegeven kan worden.

6.3

Voorbehoud

Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologische onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bodemingrepen in het onderzoeksgebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kunnen de onderzoeksresultaten geen zekerheid garanderen over de aan- of afwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen dienen deze conform de Monumentenwet 1988, artikel 53, bij de gemeente gemeld te worden.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 28

Literatuur Bakker, H. de/J. Schelling, 1989 (1966): Systeem van de bodemclassificatie voor Nederland, Wageningen. Bosch, J.H.A., 2008: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1., Op basis van de Standaard Boorbeschrijvingmethode versie 5.2, Utrecht (Deltares-rapport 2008-U-R0881/A). CCvD (Centraal College van Deskundigen Archeologie), 2013: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 3.3, Gouda. Koster, L.F.M./D.F.A.E. Voeten, 2011: Venray - Plangebied centrumplan Brukske. Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase), BAAC rapport V-11.0088, 's Hertogenbosch. Loonen, A.F., 2016: Programma van Eisen IVO-P Venray- 't Brukske, Zevenaar. NEN (Nederlands Normalisatie Instituut), 1990: NEN-5104:1989 NL, Classificatie van onverharde grondmonsters. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft. Webpagina's: https://archis.cultureelerfgoed.nl/ http://topotijdreis.nl/ http://www.ahn.nl

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 29

Lijst van afkortingen Term AHN AMK ARCHIS art. BC BS BV C14 ca. CcvD Chr. cm d dr. drs. etc. GPS ha IKAW ing. IVO IVO-P j KNA l L m m² n N NAP NEN nr. PvE RCE RD tel. v vnr. W XXX ZW

Omschrijving Actueel Hoogtebestand Nederland Archeologische Monumentenkaart ARCHeologisch Informatie Systeem artikel Before Christ (datering voor Christus) Baksteen Bouwvoor Koolstofdatering (ook wel 14C) circa Centraal College van Deskundigen Archeologie Christus centimeter donker doctor doctorandus etcetera Global Positioning System hectare Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden ingenieur Inventariserend Veldonderzoek Inventariserend Veldonderzoek, Proefsleuven ja Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie licht leem meter vierkante meter nee noord of aantal Normaal Amsterdams Peil Nederlandse Norm nummer Programma van Eisen. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Rijksdriehoekssysteem (landelijk coördinatensysteem) telefoon vondst vondstnummer west onbekend Zwart

Verklarende woordenlijst Term Omschrijving 14 C Radioactieve koolstof (isotoop) met een constante halfwaardetijd, in de archeologie vaak gebruikt voor datering. AHN Actueel Hoogtebestand Nederland. Digitaal bestand met voor heel Nederland gedetailleerde en precieze hoogtegegevens Allesporenkaart Overzichtskaart waarop alle grondsporen zijn aangegeven die bij een archeologisch onderzoek zijn aangetroffen (secundaire veldtekening ). AMK Archeologische Monumentenkaart: digitaal bestand van alle bekende behoudenswaardige archeologische terreinen in Nederland dat door de RCE in samenwerking met de desbetreffende provincie is opgesteld. Op de kaart staan terreinen met een archeologische status aangegeven. De kaart baseert zich op gegevens uit ARCHIS. Statustoekenning vindt plaats nadat het terrein is getoetst aan een aantal door de RCE gehanteerde criteria (o.a. kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde). Antropogeen Ten gevolge van menselijk handelen of door mensen gemaakt. Archeologie Wetenschap die zich tot doel stelt door middel van het bestuderen van de materiële nalatenschap inzicht te verwerven in alle facetten van menselijke samenlevingen in het verleden.

Archeologische indicatoren Typische fenomenen zoals archeologisch vondstmateriaal of houtskoolconcentraties, die bij (boor)onderzoek aanwijzingen kunnen geven voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats ter plaatse of in de omgeving. ARCHIS Archeologisch Informatie Systeem. Dit door de RCE beheerde digitale systeem bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen, daterend van de Prehistorie tot de Nieuwe tijd. Het bevat o.a. informatie over onderzoeksmeldingen, vondstmeldingen, waarnemingen, complexen en monumenten.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 30

B-horizont Een minerale of moerige horizont waaraan door inspoeling bestanddelen zijn toegevoegd, zoals humus, ijzer en/of lutum (inspoelingshorizont). C-horizont Een minerale of moerige horizont, die weinig of nauwelijks door bodemvorming is veranderd. Aangenomen wordt dat de bovenliggende horizonten uit soortgelijk materiaal zijn ontstaan (moedermateriaal). Conservering De mate waarin anorganische (aardewerk, steen, metaal, glas etc.) en organische archeologische resten (bot, zaden, hout etc.) bewaard zijn gebleven. Onder conservering wordt tevens verstaan het met speciale technieken en methoden verduurzamen van materiaal, met als doel het (langer) te kunnen behouden. Cultuurlaag Een pakket of bodemlaag met afvalresten, die is ontstaan door (meestal) langdurige bewoning van een bepaalde locatie. Dekzand Fijnzandige afzettingen die onder periglaciale omstandigheden voornamelijk door windwerking ontstaan zijn; de dekzanden van het Weichselien vormen in grote delen van Nederland een 'dek' (Saalien: Formatie van Eindhoven; Weichselien: Formatie van van Boxtel, Laagpakket van Wierden). In de perioden waarin dekzand is afgezet, zijn dekzandhoogtes (ruggen en koppen), dekzandvlaktes en dekzandlaagtes ontstaan. E-horizont Een minerale, licht gekleurde horizont die door uitspoeling verarmd is aan kleimineralen, ijzer, aluminium of aan alle drie (uitspoelingshorizont of loodzandlaag).

Esdek (ook wel plaggendek) Oud verhoogd bouwland, ontstaan door ophoging ten gevolge van bemesting met plaggen of potstalmest. Op bodemkaarten is ter plaatse van plaggendekken meestal sprake van een enkeerdgrond. Fibula Latijnse benaming voor sier- of mantelspeld, gebruikt voor het dichthouden van de kleding. Gaafheid De mate van (fysieke) verstoring van de bodem en/of de (eventueel aanwezige) archeologische waarden, zowel in verticale zin (diepte) als in horizontale zin (omvang). Geomorfologie Verklarende beschrijving van de vormen aan het aardoppervlakte in verband met de wijze van hun ontstaan. GPS Global Positioning System. Meetapparaat waarmee met een ontvanger via satellieten de exacte positie op aarde kan worden bepaald. Holoceen Jongste geologisch tijdvak van het Kwartair (na de laatste ijstijd: ca. 8800 voor Chr. tot heden), vroeger Alluvium genoemd. Horizont Laag binnen een bodemprofiel die zich door de kleur en andere morfologische kenmerken onderscheidt van boven- en/of onderliggende lagen die onderhevig zijn geweest aan bodemvorming. IJzeroer Verharde natuurlijke concreties van sterk uiteenlopende omvang die een grote hoeveelheid geoxideerd ijzer bevatten; een ijzererts dat vooral in vlakke landstreken, in dalen en moerassige gebieden op geringe diepte voorkomt. IKAW Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden.

Een door de RCE geproduceerde kaart op landelijk niveau met de verwachte relatieve of absolute dichtheid van (bepaalde) archeologische verschijnselen in de bodem. De kaart is voornamelijk gebaseerd op het bodemtype. In situ Achtergebleven op exact de plaats waar de laatste gebruiker het heeft gedeponeerd of verloren. Behoud in situ: het behouden (niet roeren) van archeologische waarden in de bodem. IVO Inventariserend Veld Onderzoek. Archeologisch onderzoek gericht op het verwerven van (extra) informatie over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied, als aanvulling op en toetsing van de archeologische verwachting, gebaseerd op het bureauonderzoek. KNA Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. De belangrijkste richtlijn voor archeologisch onderzoek in Nederland. Kom Laag gebied waar na overstroming van een rivier vaak water blijft staan en klei kan bezinken. Kwartair Geologische periode van 2 miljoen jaar geleden tot nu, de tijd van het menselijk leven op aarde, die het Pleistoceen en het Holoceen omvat. Laag (ook wel horizont) Een vervolgbare grondeenheid die op archeologische of geologische gronden als eenheid wordt onderscheiden. Leem Grondsoort die wordt gekenmerkt door een hoog siltgehalte (bodemdeeltjes tussen 0,002 en 0,05 mm). Samenstelling van meer dan 50% silt, minder dan 50% zand en minder dan 25% klei.

Lutum Kleideeltjes kleiner dan 0,002 mm. Middeleeuwen Periode tussen de val van het West-Romeinse Rijk (476) tot de ontdekking van Amerika (1492), globaal tussen ca. 450 en 1500 na Chr.Wordt nader onderverdeeld in de Vroege-Middeleeuwen (ca. 450–950), Volle-Middeleeuwen (ca. 950–1250) en de Late-Middeleeuwen (ca. 1250–1500). Monster Een deel c.q. representatieve hoeveelheid van een voorwerp of sediment dat ten behoeve van nader onderzoek en/of opslag wordt geborgen. Niveau Een herkenbaar (oud) oppervlak, zoals een loopniveau of een erosieniveau. Onderzoeksgebied Het begrensde gebied waarbinnen het archeologisch onderzoek plaatsvindt. Oxidatie Reactie met zuurstof (roesten/corrosie bij metalen; 'verbranding' bij veen). Plaggendek (ook wel esdek) Oud verhoogd bouwland, ontstaan door ophoging ten gevolge van bemesting met plaggen of potstalmest. Op bodemkaarten is ter plaatse van plaggendekken meestal sprake van een enkeerdgrond. Plangebied Het begrensde gebied waarbinnen de realisering van de ontwikkelingsplannen beoogd wordt of plaats gaat vinden. Het gedeelte van dit gebied waarvoor geldt dat de plannen een potentiële bedreiging voor het archeologisch bodemarchief vormen, wordt in veel gevallen aangemerkt als het onderzoeksgebied voor archeologisch onderzoek. Pleistoceen Geologisch tijdperk dat ca. 2,5 miljoen jaar geleden begon.

Gedurende deze periode waren er sterke klimaatswisselingen van gematigd warm tot zeer koud. Na de laatste ijstijd begint het Holoceen (ca. 8800 voor Chr.). Podzol Bodem met een uitspoelingslaag (E-horizont) en een inspoelingslaag (B-horizont). Het proces van het uitlogen van de E-horizont en de vorming van een B-horizont door inspoeling van amorfe humus en ijzer wordt podzolering genoemd. Potstalmest Mest uit een potstal dat vermengd met bosstrooiseldan wel heideplaggen of plaggen die gestoken waren in een beek- of rivierdal, op het akkerland werd opgebracht om de grond te bemesten Prehistorie Dat deel van de geschiedenis waarvan in een gebied geen geschreven bronnen bewaard zijn gebleven. In Nederland eindigt de prehistorie met het begin van de Romeinse tijd, omstreeks 12 voor Chr. PvE Programma van Eisen. Het PvE is een door een bevoegde overheid opgesteld of bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de te verrichten werkzaamheden van de vindplaats geeft en de daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk.

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 31

RCE Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, voorheen ROB (Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek) en later RACM (Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten). Romeinse tijd De periode van het West-Romeinse Rijk. In Nederland de periode tussen ca. 12 voor Chr. en 450 na Chr. Saalien Geologische periode; voorlaatste ijstijd (glaciaal), waarin het landijs tot in Nederland doordrong en hier stuwwallen vormde, ca. 200.00-130.000 jaar geleden. Sediment Afzetting gevormd door het bijeenbrengen van losse gesteentefragmentjes (zoals zand of klei) en eventueel delen van organismen. Silt Gronddeeltjes ter grootte van 2 tot 50 μm. Spoor (ook wel grondspoor) Elk type verandering van de oorspronkelijke bodemopbouw. Archeologisch onderzoek is specifiek gericht op grondsporen die zijn veroorzaakt door mensen. Deze kunnen vele verschijningsvormen hebben, zoals bodemverkleuringen die samenhangen met paalkuilen, kuilen, putten, greppels of graven, maar bijvoorbeeld ook fosfaatvlekken, ovens, muren, vloeren, intacte palen en ophogingen zoals wallen en graf- of woonheuvels. Structuur Meerdere met elkaar in ruimte, tijd en functioneel opzicht samenhangende sporen. Verstoring Aantasting van een gebied met archeologische waarden.

Dit verschijnsel kan zich voordoen door erosie, afgraving of egalisatie, door (diepe) bewerking van de bovengrond, door zetting als gevolg van ophoging, door verdroging en verzuring. Vindplaats Een ruimtelijk begrensd gebied waarbinnen zich een concentratie van archeologisch materiaal, dan wel een verdichting van archeologische informatie bevindt. Vondst Alle soorten mobilia: roerende of roerend geraakte onderdelen van onroerende goederen afkomstig van archeologisch veldwerk of uit bestaande collecties. Weichselien Geologische periode; laatste ijstijd (glaciaal), waarin het landijs Nederland niet bereikte, maar onder zeer koude omstandigheden wel veel dekzand is afgezet, ca. 114.000-9700 jaar voor Chr. Werkput (ook wel put) Ruimtelijk begrensde eenheid ofwel uitgegraven gedeelte van een terrein waarbinnen (een deel van) het archeologisch onderzoek plaatsvindt. Zeldzaamheid Mate waarin een bepaald type monument schaars is (of is geworden) voor een periode of in een gebied.

Lijst van afbeeldingen Afbeelding 0.1.1 | Afbeelding 1.1 | Afbeelding 2.1 | Afbeelding 2.2 | Afbeelding 2.3 | Afbeelding 3.1 | Afbeelding 4.1 | Afbeelding 4.2 | Afbeelding 4.3 | Afbeelding 5.1 | Afbeelding 5.2 | Afbeelding 5.3 | Afbeelding 5.4 | Afbeelding 5.5 | Afbeelding 5.6 | Afbeelding 5.7 | Afbeelding 5.8 | Afbeelding 5.9 | Afbeelding 5.10 | Afbeelding 5.11 | Afbeelding 5.12 | Afbeelding 5.13 | Afbeelding 5.14 |

Het plangebied bij aanvang van de werkzaamheden (foto genomen in zuidoostelijke richting). Situering van het plangebied op de topografische kaart. Boorpuntenkaart en puttenplan. Situering van het plangebied op de kadastrale kaartuit 1832. Situering van het plangebied op de kadastrale kaart uit 1895. Een onbedoelde vondst: een niet ontplofte mortiergranaat uit de Tweede Wereldoorlog. Het noordelijke deel van het onderzoeksgebied vanuit de lucht, blik naar noordwesten. Wp7 is nog niet aangelegd. Het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied vanuit de lucht, blik naar zuiden. De aanleg van het vlak in werkput 3. Kolom 1 in wp19: een volledig verstoord profiel tot op de C-horizont. Kolom 2 in wp15: een representatieve bodemopbouw. De omgespitte laag in het vlak in wp5. Duidelijke spitsporen in kolom 2 van wp13. Spoor 10 in wp13 in de coupe, blik naar noorden. Spoor 4 in wp10 in de coupe, blik naar noordwesten. Greppel s13 in wp3 in het profiel, blik naar noordoosten. Spoor 1 in het vlak, blik naar westen. Het minuutplan met daarop de opgegraven weg geprojecteerd. De weg s15/16 in het eerste vlak, blik naar zuiden. De weg (hier s20 en 21) in het tweede vlak, blik naar zuidwesten. De weg s18 in wp7 in het vlak, blik naar noorden. Profiel door de weg s15/16/20/21, blik naar zuiden. Detail van het profiel door de weg s15/16/20/21, blik naar zuiden.

4 5 8 10 10 13 16 16 17 19 20 20 21 21 22 22 23 23 24 24 24 25 25

Lijst van tabellen Tabel 4.1 |

Afmetingen en m2's per werkput.

15

Lijst van bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5

Puttenkaart Allesporenkaarten Sporenlijst Determinatielijst Periodentabel

34 36 54 58 60

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 32

Bijlage 1 Puttenkaart

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 34

Puttenkaart

392,950

1:1,500

k1 !

WP 4

WP 2

k2

k1

!

!

k1 !

k1

WP 1

!

WP 7

!

k1

k2 !

!

k2

k1

!

k1k2

!

WP 5

WP 6

k2

!

k2 !

WP 8

!

k1

k2

!

WP 9

WP 12

WP 10

k1

!

!

k1 !

k2

k2

WP 11 !

!

WP 15

k2

k1

!

!

k1

k2

WP 13 WP 14 k2 !

!

k1 !

k2

!

k3 !

WP 19

!

!

k1

392,850

!

!

k3

WP 18

k3

k2

!

k1

392,800

k1

k2

392,900

WP 3 !

k2 !

!

k1 ! !

k1

392,750

WP 16

196,850

!

196,900

196,950

197,000

Plangebied Werkputgrens vlak 1 Kolomopname 0

15

C 30

60

meter

3990947100_PUTTENKAART_20160323CE Achtergrond: GBKN via ESRI

Archeodienst BV

Bijlage 2 Allesporenkaarten

Bijlage 2a. Bijlage 2b. Bijlage 2c.

Allesporenkaart overzicht (A0-formaat) Allesporenkaart in 15 deelkaarten (A4-formaat) Allesporenkaart tweede vlak wp3

IVO-P 't Brukske te Venray, eindrapport

Archeodienst BV 36

Allesporenkaart:

Wp3 vlak2

1:200 kolom1

! D

23.9

4051 22

23.73

21 D 23.79 20

D 3050

3050

D

19 3050

D

WP 4

23.81

23.83

D

24.72

24.75

D

392,900

D

24.7

kolom2 3010 D

24.18

15

D

!

14

24.14 D

16

23.91 D

D

23.82

3051

D

23.86

23.93

kolom3

3011

13

D

WP 3

!

24.7

D

23.91 D

D

23.7

24.68

23.79

D

3050 D

24.66

23.79

D

D

23.86

kolom2

D

!

D

D

WP 2

D

kolom1

24.71

17

!

23.7 D

2050

23.81

24.59

24.74

23.74

D 24.69 D

23.7524.73 DD

D

D

24.88

24.76 D 23.7

!

kolom1

kolom1

!

23.69

D

D

24.71

D

23.75

24.69

D

D

D

23.72

D

23.73

kolom1 !

kolom1

WP 7 D

WP 1 1050

D

23.76

23.72

D

D

24.66 23.75

D

24.68 D

D

24.7D

24.73

24.71

D

7050 !

24.72

23.71

D

5050

WP 5

kolom2 !

24.7

D

23.78

24.34

D

D

24.71 D

23.76

23.84

D

24.58

18

24.36

D

23.72

D

24.69

D

12

23.81

D

!

D

kolom2

WP 7

24.66

D

D

D

24.59

23.64

D

24.31

7010

24.67

24.76

D

D

24.28

24.56

D

23.6 24.75 D

11

D

D

24.67 D

23.61

kolom2 !

24.81

D

kolom1

24.66

! D

D

23.76 D

24.59

kolom2 6050 kolom1 ! !

D

D

24.54

D

23.74

23.47 D

WP 6

D

23.52

D

23.49

D

24.77

24.73

23.5

D 24.67 D

kolom2 ! 8050

WP 8 D

24.55

D

D

24.65 D

24.66

23.77

D

23.75

D

24.69 D

23.74

D

24.62 D

!

kolom1

24.59

!

D23.71 D

WP 9

9051

kolom2

23.73

D 23.72

24.53

3

D

D

23.74 D

24.53

23.63 D

D

D

24.52

D

23.75

D

392,850

D

23.66

24.55

23.72

kolom1 !

D

D

D

8

23.5

24.6 D 23.79 D

23.57 D

23.48

D

24.62

23.28 1D 23.2

24.59

WP 12

!kolom2

24.51

D

D

24.58

23.19

D

D

D

12050

23.52

23.5

24.6

24.55

D

23.65

D

D

D

6

WP 10 10050 4 D

24.6

D

24.47 D 23.4

23.38 D

7

23.48 24.39 D

D

kolom2

9

24.32

D

!

D D

5 D

23.57

24.58

D

D

24.58

24.64

D

23.6

12051

2

23.63

23.61

D

kolom1 !

D

23.7

11051

24.49

24.48

D

kolom2

23.56 D 24.31

D

23.97

11050

23.77

D

24.5

!

D

23.42D

D

D

24.47 23.63 D

WP 11

D

23.76

D

22.85

D 23.47

D

kolom3 !

23.54 D

D

24.48

Plangebied

Kuil

Werkputgrens

Paalspoor

Coupe Trap in vlak

Omgespitte podzolbodem

Karrespoor

!

C-horizont

Vlek

D

NAP hoogte maiveld

Ophogingslaag

Natuurlijke verkleuring

D

NAP hoogte vlak1

Greppel

Recente verstoring

D

Kolomopname

D

23.41

D

23.73 23.25 D

kolom1 !

D

kolom1 !

23.16 D

D

23.69D D

!

23.74 D

24.57

D

15050

D

24.5D

D

D

D

24.44

24.27

15017

24.42

D

D

D

D

22.58

kolom2

!

D

24.52 23.52

24.16

0

23.34

14050

D

WP 14

24.53

D

23.58

D

23.87

D

23.9

D

D

23.83

D

23.37

D

23.85

D

19050

24.09

22.7

D 22.7 D

kolom1

!

D D

24.05

24.56

kolom3 !

20

WP 19

23.54

24.06

D

23.27

10

meter

D

D

D

C

23.42

23.67

24.47 23.58

NAP hoogte vlak2

D

23.79

D

WP 15

kolom2

24.38

23.55

23.62

WP 4

23.56

D

23.34 D

24.53

WP 3

D

D

!

kolom2

23.95

kolom1 !

23.61 24.5

D

D

!

D

D

24.69

D

!

23.14

23.64

24.73

kolom2

D 24.56 D

392,800

D

24.77D

kolom2

23.63

D

23.52

WP 2

10

D

WP 5

WP 7

WP 1

D

WP 7

24.25

23.6

WP 6

D

24.47

D

D D

13050

WP 13

D

D

23.56

D D

!

23.64

!

kolom1

kolom1 D

D

WP 11

23.49

WP 19 23.73

WP 15

18050

WP 14

WP 16 D

WP 12

WP 10

D

24.71

16050

23.69

23.74

D

23.59

24.47

D

WP 9

WP 18

24.67

D

WP 8

23.49

23.53

D

23.39

WP 13

WP 18 WP 16

24.47 D

24.71

23.89

D

23.51

D

23.44

D

!

kolom1 D

D

24.34

24.67

D

196,900

196,950

24.44

197,000

Archeodienst BV

Allesporenkaart: Wp1, 2 en Wp7 deel noord 1:200

D

23.81

24.71

D

23.7

D

WP 2

2050

24.74

392,890

D 23.74

D 24.69 D

23.75 24.73

DD

D

24.77 23.66

D

24.76 D D23.7

24.88

D

23.69

D

24.71

D

D

23.75

24.69

D

23.72

7050

1050

23.73

WP 7 D

WP 1

D

392,880

D

23.72

D

24.66 23.75

D

24.7D

23.71

D

WP 7 7010

D

D

23.72

392,870

D

24.58

24.66

D D

D

24.59

23.64

24.67

D

D

24.67

WP 8 8050 D

196,870

196,880

D

Werkputgrens

Paalspoor

Omgespitte podzolbod em

Karrespoor

C-horizont

Vlek

D

Op hoginglaag

Natuurlijke verkleuring

D

Grepp el

Recente verstoring

196,890

Coupe Trap in vlak NAP hoogte maiveld NAP hoogte vlak1

Kuil

0

2

C 4

8

meter

Archeodienst BV

Allesporenkaart: Wp3 deel west

392,910

1:200

24.72

D

24.75

392,900

D

24.7

D 3010

D

24.18

WP 3

15

D

24.14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12762530/1