CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Bijlage Toelichting TAM

Gemeenteraad 30 juni 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Lollebeekweg 30a, Castenray.23.520 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Niet gevonden in dit document.

Ondanks dat geur vooral een lokaal aspect is, is het voorkomen of beperken van geurhinder één van de oogmerken van de rijksregels artikel 2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal zijn regels opgenomen over het verplicht binnen uitvoeren van activiteiten en beperkingen van emissies naar lucht die indirect ook een positief effect hebben op geuremmissies. De regels over geur in paragraaf 5.1.4.6 zijn een voortzetting van het Activiteitenbesluit milieubeheer en voor zover het gaat om de geurregels voor het houde

43

n van landbouwhuisdieren zijn deze regels ook een voortzetting van de Wet geurhinder en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij. De geurregels beogen eenzelfde beschermingsniveau te bieden en voorzien in een beleidsneutrale omzetting. Gemeenten leggen in het omgevingsplan waarden en/of afstanden vast ten aanzien van geur door een activiteit op een geurgevoelig object. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijke omgevingsplan dan gelden, indien van toepassing de gemeentelijke geurverordening, of op grond van artikel 22.1 en 22.2 Ow de geurregels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet geurhinder en veehouderij, als onderdeel van de Bruidsschat en maken deze deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege. Aangezien de ontwikkeling van het loonbedrijf voor een groot deel betrekking heeft op het formeel vastleggen van eerder toegekende planologische rechten (middels een artikel 19 WRO-procedure) zijn deze rechten niet opnieuw beoordeeld. Uitsluitend is gekeken naar de effecten van geur op de uitbreiding van het bouwvlak, welke plaatsvindt aan de achterzijde van het bedrijf. Het plangebied valt op basis van de gemeentelijke geurverordening in het type ‘buitengebied’.

In de verordening is bepaald dat voor het buitengebied een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object 14,0 Ou/m³ (voorgrondbelasting) en 20,0 Ou/m³ (achtergrondbelasting).

Afbeelding 16. Uitsnede kaart achtergrondbelasting 2022 (uitbreiding loonbedrijf rood omcirkeld)

Op de kaart voorgrondbelasting van 2022 behorende bij de gemeentelijke geurverordening liggen er geen geurcontouren van 14 OU/m3 over de uitbreiding van het bouwvlak. Ook liggen er geen vaste afstandcontouren (van 50 m) over de uitbreiding van het bouwvlak. Er is zodoende binnen de uitbreiding geen sprake van geurhinder, afkomstig van individuele veehouderijen.

44

Op de kaart achtergrondbelasting van 2022 behorende bij de gemeentelijke geurverordening wordt de indicatieve achtergrondbelasting ter plaatse van de uitbreiding van het bouwvlak als matig (13,1 tot 20,0 OU/m3) beoordeeld. Een matig leefklimaat wordt in het buitengebied op grond van het gemeentelijk beleid aanvaardbaar geacht. Daarnaast wordt ter plaatse van de uitbreiding van het bouwvlak geen bebouwing opgericht. Ter plaatse van de uitbreiding van het bouwvlak zal uitsluitend opslag plaatsvinden. Een opslagterrein betreft geen geurgevoelig object, er is namelijk geen sprake van een gebouw of van een permanent verblijf. De effecten van geur, afkomstig van het loonbedrijf, op de omgeving is gemotiveerd in paragraaf 5.3.

5.7

Externe veiligheid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid, ofwel omgevingsveiligheid. Regels omtrent externe veiligheid zijn gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico die op een locatie is toegestaan. In het Bkl (bijlage VII) is een lijst opgenomen met activiteiten die aangewezen zijn als risicobron. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels omtrent het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ▪ Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; ▪ Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); ▪ Buisleidingen met gevaarlijke stoffen; ▪ Windturbines. Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico (GR) Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke

45

stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van de risicokaart bevinden er zich in de wijde omgeving geen risicovolle activiteiten. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen een beschermingszone van mogelijke omliggende risicovolle activiteiten.

Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het loonbedrijf.

5.8

Trillingen

Trillingen kunnen optreden als gevolg van met name spoorwegverkeer. In sommige gevallen kunnen trillingen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en schade te voorkomen dient dit aspect onderzocht te worden bij ontwikkelingen binnen 200 meter van een spoorweg. Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Onder andere binnen gebouwen toegelaten woonruimten zijn trillinggevoelig. Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen gebied waarbij trillingen aan de orde zijn. Derhalve vormt het aspect trillingen geen belemmeringen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.

46

5.9

Water

Bij het realiseren van nieuwe verharding en/of het toestaan van nieuwe activiteiten kan er sprake zijn van wijzigingen in de waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Daarnaast zijn instructieregels opgenomen in het Bkl. Artikel 5.37 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Deze paragraaf geeft verder specifieke instructieregels over onderdelen van watersystemen in het omgevingsplan, waaronder primaire waterkeringen, grote rivieren en het IJsselmeergebied, waarbij onder andere het rivierbed en reserveringsgebieden worden aangewezen. 5.9.1 Waterbeleid Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, de Omgevingsvisie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden.

De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de provinciale omgevingsvisie sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.

Conform de Omgevingsverordening Limburg ligt het plangebied (deels) binnen een grondwaterbeschermingsgebied (het westelijk deel). Grondwaterbeschermingsgebieden zijn erop gericht om de kwaliteit van het grondwater zodanig op peil te houden dat het middels eenvoudige zuivering geschikt is en blijft voor de drinkwaterwinning. Voor deze gebieden bevat de Omgevingsverordening één of meer verboden. In het vigerende bestemmingsplan zijn deze bijzonderheden in het grondwaterbeschermingsgebied planologisch geborgd door de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’. In de nieuwe situatie blijft deze gebiedsaanduiding van toepassing voor dat deel van het plangebied. De specifieke regels uit de Omgevingsvergunning blijven daarmee onverminderd van toepassing voor deze locatie. Dit betekent dat de ontwikkeling van het loonbedrijf, maar ook bijvoorbeeld de (algemene) activiteiten, geen negatieve effecten mogen hebben voor het grondwater. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te

47

worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit de gemeente Venray en Waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is; 2. de trits vasthouden-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon hemelwater de voorkeur heeft; 3. verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; 4. grondwateroverlast dient voorkomen te worden; 5. een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewater is toegestaan. 5.9.2

Waterhuishoudkundige situatie plangebied (huidige situatie)

Bodemgesteldheid en grondwater Conform de Bodemkaart van Nederland is het bestaande deel van het loonbedrijf aangeduid als veldpodzolgronden, bestaande uit lemig fijn zand. De uitbreiding van het bouwvlak is aangeduid als gooreerdgronden, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Het freatisch grondwater bevindt zich naar verwachting op circa 2,0 m-mv. Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt het bestaande deel van het loonbedrijf een matige bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45 tot 0,75 m/dag. De uitbreiding van het bouwvlak vindt juist plaats in een gebied dat een goede bodemdoorlatendheid kent van 0,75 tot 1,5 m/dag. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied zelf geen oppervlaktewater van betekenis ligt. Ten zuiden van het plangebied, op een afstand van 105 meter, stroomt de Lollebeek. Dit betreft een primaire watergang van het waterschap. De Keur van het waterschap is op deze watergang daarom van toepassing. Er vinden geen werkzaamheden plaats ter plaatse van of nabij de watergang in het kader van de ontwikkeling van het loonbedrijf. Aan de randen van het bedrijfsterrein van het loonbedrijf bevinden zich twee infiltratiesloten. Ook bevindt zich in de dierenweide voor het bedrijf een infiltratievijver.

Hemelwater dat valt op de dakoppervlaktes van de bebouwing wordt naar deze infiltratievijver geleid alwaar het kan infiltreren. Hemelwater dat valt op de erfverharding wordt (via een olie-, slib- en vetafscheider) afgevoerd naar de infiltratiesloot aan de westzijde van het bedrijfsterrein. De olie-, slib- en vetafscheider scheidt het schone hemelwater van vet, olie en andere zware deeltjes. Het afstromende water wordt vertraagd waardoor zwaarder slib naar de bodem zakt en lichter vet aan het oppervlak drijft. Het verder schone water stroomt vervolgens door, terwijl het vet en slib achterblijven en periodiek geleegd worden. Deze wijze van infiltreren heeft in de praktijk nog nooit tot problemen of wateroverlast geleidt. Afvalwater Het loonbedrijf is aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. 5.9.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Onderhavige ontwikkeling heeft mede tot doel het uitbreiden van de erfverharding aan de achterzijde van het bedrijf. Met de uitbreiding van de erfverharding is sprake van een toename aan verhard oppervlak. Iedere toename aan verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Het waterschap hanteert hiervoor vuistregels waarmee op basis van de toename aan verharding een wateropgave kan worden bepaald.

Hydrologische neutraal ontwikkeling houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en/of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van (extra) waterberging. Via deze

48

(tijdelijke) berging kan het water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem. Conform richtlijnen van het waterschap dient een infiltratievoorziening voor nieuwe verhardingen gedimensioneerd te worden op een bui die eens in de 10 jaar voorkomt en waarbij 60 mm neerslag valt (Toetssteen Openbare Ruimte 2022). In dit geval neemt het verhard oppervlak met 4.140 m2 toe. Dit betekent dat in het kader van de uitbreiding minimaal 248 m3 water moet kunnen worden opgevangen. Het loonbedrijf verkiest ervoor om in de landschappelijke inpassing direct achter de uitbreiding een wadi / infiltratievijver te realiseren. Naast ecologische en landschappelijke waarden kan het overtollige hemelwater hiernaartoe worden afgevoerd. In deze infiltratievoorziening krijgt het hemelwater de kans te infiltreren in de bodem. Net zoals het hemelwater dat valt op de bestaande erfverharding wordt gezuiverd door een olie-, slib- en vetafscheider voordat het in de infiltratiesloot wordt opgevangen, wordt het hemelwater dat valt op de nieuwe erfverharding eveneens gezuiverd door een te plaatsen olie-, slib- en vetafscheider. Alleen schoon water zal zodoende worden opgevangen in de nieuwe wadi / infiltratievijver.

Percolaatwater afkomstig van het tuinbouwloof wordt separaat opgevangen en afgevoerd en komt daardoor niet terecht in de nieuwe wadi / infiltratievijver.

5.10 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen worden middels een planologische beschermingszone vastgelegd. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.

5.11 Natuur De Europese natuurwetgeving was in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. De Wnb gaat in het kader van de Omgevingswet op in het Aanvullingsbesluit natuur en Aanvullingsregeling Natuur. Deze overgang is beleidsneutraal, de thans geldende normenkaders, instrumenten en bevoegdheidsverdeling blijven dan ook ongewijzigd. 5.11.1 Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna aan te tonen ter plaatse van de uitbreiding van het bouwvlak is een quickscan flora & fauna5 uitgevoerd. In de te verwijderen vegetaties komen / kwamen mogelijk bewoonde vogelnesten voor. Indien de vegetatie tijdens het broedseizoen is verwijderd, heeft dit mogelijk geleid tot vernietiging van vogelnesten, eieren en (jonge) vogels. Omdat vogels, hun nesten en eieren zijn beschermd is dit een mogelijk overtreding op de wet.

5

Faunaconsult, Quickscan natuurwetgeving Lollebeekweg 30a te Castenray, 15 oktober 2024

49

In de gras- en opgaande vegetatie in het plangebied komen tijdens het broedseizoen mogelijk beschermde vogelnesten voor. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Omgevingswet begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Omgevingswet zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde andere beschermde soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud.

Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten voor is verkregen (deze soorten zijn opgenomen in Bijlage X van de Omgevingsverordening Limburg; Provinciale Staten van Limburg, 2023). Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 11.27 Bal); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. 5.11.2 Natura2000 Regels omtrent stikstofdepositie zijn geregeld in artikel 22.20 Ow. Hierin staat vermeld dat de regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot bij een koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. In het verleden is de vestiging van het loonbedrijf op de huidige locatie niet passend beoordeeld op mogelijke negatieve effecten op de natuur. Het loonbedrijf is echter wel planologisch toegestaan en aanwezig zodat sprake is van een referentiesituatie.

Deze referentiesituatie is, in het kader van de beoordeling of sprake is van negatieve gevolgen als gevolg van stikstof, ingezet voor saldering. Op 18 december 2024 heeft de Raad van State bepaald dat intern salderen vergunningsplichtig is. Op een afstand van 6,5 km van het plangebied bevindt zich het Natura2000-gebied Boschhuizerbergen. In het Aanvullingsbesluit natuur is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een vergunning vereist is. Over een afstand van 6,5 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Stikstofdepositie kan plaatsvinden, afhankelijk van het beoogde project, gedurende de bouw-/aanlegfase en gebruiksfase. Om de effecten van stikstofdepositie door het project op de Natura2000-gebieden te bepalen is een passende beoordeling6 uitgevoerd. Aan de hand van de aangevraagde situatie is een rekenmodel opgesteld.

Middels dit rekenmodel zijn de effecten van de stikstofdepositie van de aangevraagde activiteiten inzichtelijk gemaakt. Op basis van de AERIUS-berekeningen wordt geconcludeerd dat in de bouwfase en gebruiksfase in geen enkel Natura 2000-gebied sprake is van een toename van stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jr ten opzichte van de referentiesituatie voor een plan. Zonder 6

Embridge, Passende beoordeling Lollebeekweg 30a Castenray Loonbedrijf Hendrix & Smits B.V., 30 maart 2026, rapportnummer: Lol.Cas.25.PB-01

50

referentiesituatie is er wel sprake van een toename van stikstofdepositie (0,02 mol/ha/jr.) op het Natura2000-gebied Boschhuizerbergen in zowel de bouwfase als de gebruiksfase. Op 14 januari 2026 heeft de Raad van State duidelijkheid gegeven inzake intern salderen in de planfase. Van belang is dat voor plannen waarbij gesaldeerd wordt met een referentiesituatie in zekere zin getoetst moet worden aan de ‘additionaliteit’. In het kader van deze toets wordt voldaan aan het addtionaliteitsvereiste wanneer in openbaar raadpleegbare gegevens geen aanwijzingen te vinden zijn dat de provincie of het Rijk de beperking of beëindiging van de bestaande stikstofbron nodig acht als natuurmaatregel voor het natuurbehoud en/of -herstel. In het kader van de additionaliteitstoets is vastgesteld dat er voor intern salderen op dit moment geen beleid is waaruit blijkt dat de referentiesituatie moet worden ingezet voor natuurbehoud. Naast het beleid is de provincie Limburg gestart met een programma gericht op natuurverbetering en het terugdringen van stikstofuitstoot. Dit programma, Limburgs Offensief Stikstof (LOS), geeft een visie die via gebiedsprocessen vertaald moet worden naar specifieke maatregelen. Er zijn op dit moment dus nog geen concrete maatregelen waarbij sprake is van de inzet van bepaalde concrete referentiesituaties.

Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van dit project zonder gebruik van intern salderen. Bij intern salderen is er geen sprake meer van een significant negatief effect. Omdat er gebruik wordt gemaakt van intern salderen zijn de beoogde werkzaamheden Natura 2000-activiteiten en geldt er derhalve een vergunningsplicht voor de Omgevingsvergunning – Natura 2000 activiteit. De vergunning wordt later separaat aangevraagd.

Afbeelding 17. Het plangebied in relatie tot het Natuurnetwerk Nederland (groen gekleurd)

5.11.3 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang. Het doel van het NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Voor

51

het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Het Natuurnetwerk Nederland is veelal weer opgedeeld in provinciale natuurgebieden. Het plangebied is niet gelegen op gronden die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland. De afstand van het plangebied tot gronden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland bedraagt minimaal 110 meter. Negatieve effecten op het Natuurnetwerk Nederland kunnen door deze onderlinge afstand worden uitgesloten.

5.12 Archeologie en cultuurhistorie De wet- en regelgeving rondom cultureel erfgoed en archeologie is vastgelegd in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het fundament voor de bescherming van rijksmonumenten, oftewel het culture erfgoed. In de Erfgoedwet staan de regels met betrekking op het roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten en in de Omgevingswet staan de regels met betrekking tot het aanwijzen van ruimtelijke cultureel erfgoed, zoals stads- en dorpsgezichten en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl geeft aan dat in het omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening moet worden gehouden met de in artikel 5.130 Bkl genoemde beginselen. 5.12.1 Archeologie De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.

Dit kan de gemeente doen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of ze deskundig te laten opgraven. Gedurende de overgangsfase zijn de regels omtrent het aspect archeologie nog niet opgenomen in het Omgevingsplan. Deze zijn opgenomen in het gemeentelijke archeologiebeleid, op termijn worden deze regels opgenomen in het Omgevingsplan. Ook zijn er in de bruidsschat enkele bepalingen opgenomen over de aanvraagvereisten bij het slopen van bouwwerken in een gemeentelijke of rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht. De gemeente Venray heeft een eigen archeologische beleidskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. De kaart en het bijbehorende rapport zijn afgerond in het voorjaar van 2008 (RAAP rapport 1482: “Begrensd verleden; Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Venray”). Vanwege de gemeentelijke herindeling in 2010 is de archeologische beleidskaart geactualiseerd, waarbij Geijsteren, Wanssum en Blitterswijck en het buitengebied daaromheen in de kaart zijn opgenomen. Deze geactualiseerde versie is in de 2013 vastgesteld. Op deze beleidskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde (de rode kleur op de afbeelding) of een onbekende archeologische verwachtingswaarde (grijs).

52

Afbeelding 18. Uitsnede archeologische advieskaart

De hoge archeologische verwachtingswaarde is conform de gemeentelijke archeologische beleidsregels in het bestemmingsplan juridisch-planologisch vastgelegd door middel van het toekennen van een archeologische dubbelbestemming (‘Waarde – Archeologie 2’). Archeologisch onderzoek is derhalve noodzakelijk wanneer de gestelde ondergrenzen qua bodemverstoring (50 cm diep én qua oppervlakte groter dan 500 m2) worden overschreden in het kader van vergunningverlening. De onbekende archeologische verwachtingswaarde is niet vertaald in een dubbelbestemming, hier gelden dus geen restricties voor bodemverstoring. De uitbreiding aan de achterzijde vindt plaats ter plaatse van de gronden welke zijn voorzien van een hoge archeologische verwachtingswaarde. Voor het verharden van betreffende gronden en het plaatsen van de keerwand hoeft de bodem niet dieper dan 50 cm geroerd te worden. Aan de ondergrens voor bodemverstoring wordt daarmee niet overschreden, waardoor een archeologisch onderzoek in het kader van deze uitbreiding niet benodigd is. Voor de weegbrug wordt de bodem wel dieper dan 50 cm geroerd, maar de oppervlakte van de weegbrug is kleiner dan 500 m2, waardoor deze ondergrens niet wordt overschreden. Voor de realisatie van de weegbrug is daarom eveneens geen archeologisch onderzoek benodigd.

Om de archeologische verwachtingswaarde juridisch-planologisch te borgen is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ aan betreffende delen van het plangebied (opnieuw) toegekend. 5.12.2 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het Bkl (art. 5.130) zijn instructieregels opgenomen omtrent het beschermen en behouden van cultureel erfgoed. Deze gaan over: ▪ Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; ▪ Verplaatsing van beschermde monumenten;

53

▪ ▪ ▪ ▪

Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd document; Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

In de ruimtelijke planvorming is het daarom verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Conform het bestemmingsplan en de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Limburg heeft het plangebied geen aanduidingen die eventuele historische facetten beschermen. Door het ontbreken van cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied hebben de ontwikkelingen hier geen nadelige effecten op.

5.13 Verkeer en parkeren 5.13.1 Verkeer Het loonbedrijf wordt ontsloten door een eigen (overzichtelijke) ontsluiting op de Lollebeekweg. De bedrijfswoning heeft eigen ontsluiting. Hier wijzigt in de nieuwe situatie niets aan. De ontwikkelingen hebben zodoende geen nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid. Vanwege de ligging aan de Lollebeekweg is het loonbedrijf naar alle windrichtingen goed ontsloten door een directe verbinding naar de N277 (via de Veulensewaterweg, het verlengde van de Lollebeekweg) en doordat de Lollebeekweg in het dorp aansluit op de Horsterweg / Venrayseweg, de belangrijke verbindingsweg tussen de kernen Venray en Horst. Door de ontwikkelingen neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het loonbedrijf, in vergelijking met de huidige situatie, niet toe. In de huidige situatie, uitgaande van een worst-case scenario, bedraagt het aantal verkeersbewegingen wat per dag het loonbedrijf aandoet 81 (zo is bepaald in het akoestisch onderzoek, uitgevoerd in het kader van de vrijstellingsprocedure in 2012). Het merendeel van deze verkeersbewegingen vindt plaats in de dagperiode en een enkele in de avondperiode. Zeer sporadisch (minder dan 12x per jaar) vinden er verkeersbewegingen plaats in de nachtperiode. Dit aantal verkeersbewegingen neemt in de nieuwe situatie dus niet toe.

Dit komt omdat de uitbreiding van het loonbedrijf vooral benodigd is om opslagruimte te kunnen realiseren voor goederen die reeds worden overgeslagen en doorgevoerd door het loonbedrijf. Dit betreft langdurige opslag van bijvoorbeeld zand, grind en tuinbouwloof. 5.13.2 Parkeren Alle voertuigen die op het bedrijf moeten zijn kunnen op het bedrijfsterrein manoeuvreren en parkeren. Het bedrijfsterrein biedt daarvoor voldoende ruimte. Zodoende hoeft er niet in de openbare ruimte gemanoeuvreerd of geparkeerd te worden, wat ten koste zou kunnen van bijvoorbeeld de verkeersveiligheid. De wegzijde van het bedrijfsterrein is ingericht als parkeerterrein voor auto’s. Hier parkeert personeel en bezoekers. Direct naast de centrale loods zijn ook enkele parkeerplaatsen aanwezig, welke vooral gebruikt worden om bedrijfsauto’s te parkeren.

54

Door de uitbreiding aan de achterzijde van het loonbedrijf neemt de parkeerbehoefte van het bedrijf niet toe. De uitbreidingsgronden worden namelijk ingericht als opslagterrein.

5.14 Duurzaamheid Conform artikel 1.3 sub a Ow is het bereiken en in stand houden van een veilige en fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Het gaat daarbij om het beschermen van de gezondheid maar ook het bevorderen van de gezondheid (sport, beweging, positieve gezondheid). In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en; b.

doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften." Artikel 2.1 Ow geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld. Artikel 1.3 Ow geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen. In onderhavige motivering wordt onderbouwd waarom er in het kader van de beoogde ontwikkelingen sprake is van een goede fysieke leefomgeving. Met het initiatief wordt geen nieuwe bebouwing opgericht, de verharding welke aan de achterzijde van het terrein is gerealiseerd is duurzaam vormgegeven in de zin dat hemelwater is afgekoppeld en infiltreert in de bodem en de locatie landschappelijk zal worden ingepast c.q. met groen zal worden aangekleed om het initiatief aan het oog te onttrekken maar ook om een meerwaarde te creëren voor ecologie.

5.15 Gezondheid Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds gemotiveerd.

55

5.15.1 Endotoxinen Het RIVM doet onderzoeken naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, de gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderij werken. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden zoals Q-koorts of Salmonella. Daarnaast kunnen fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) gezondheidsproblemen veroorzaken. Ook kan het voorkomen dat mensen hinder ondervinden van de stank die afkomstig is van de mest uit de veehouderijen. In 2016 zijn de resultaten gepubliceerd van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). In dit onderzoek is gekeken naar de gezondheidseffecten bij omwonenden van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging afkomstig van veehouderijen. In 2017 is er een tweede rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden – aanvullende studies’ gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om de eerdere resultaten nog eens extra bevestigd te krijgen. Uit onderzoeken is aangetoond dat omwonenden rondom veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie afkomstig van veehouderijen.

Aan de hand van het ‘Endotoxinen toetsingskader 1.0’ kan een afstandscontour worden berekend rondom veehouderijen, waarbinnen sprake is van een overschrijding van de norm van de Gezondheidsraad (30 EU/m3) en dus sprake kan zijn van verhoogde gezondheidsrisico’s. Voorliggende ontwikkeling heeft vooral betrekking op een uitbreiding van het bedrijfsterrein aan de achterzijde. Hier zal opslag gaan plaatsvinden. Een opslagterrein betreft geen milieugevoelig object. Op het opslagterrein zullen dan ook geen mensen voor langere tijd verblijven. Endotoxine afkomstig van omliggende veehouderijen vormt geen belemmering voor de uitbreiding. 5.15.2 Geitenhouderij Uit het rapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) komt naar voren dat omwonenden van intensieve veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen. Zo lopen omwonenden van voornamelijk pluimveehouderijen en geitenhouderijen meer risico op het krijgen van longontstekingen. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogd aantal gevallen longontsteking voordoet. Voorliggende ontwikkeling heeft vooral betrekking op een uitbreiding van het bedrijfsterrein aan de achterzijde.

Hier zal opslag gaan plaatsvinden. Een opslagterrein betreft geen milieugevoelig object. Op het opslagterrein zullen dan ook geen mensen voor langere tijd verblijven. Geitenhouderijen vormen geen belemmering voor het initiatief. Overigens bevinden er zich binnen een afstand van 2 km van het plangebied geen geitenhouderijen. 5.15.3 Spuitzones Voor wat betreft het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische

56

bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6). Rondom het plangebied bevinden zich geen (fruit)boomgaarden. Wel bevinden zich rondom het plangebied landbouwpercelen (in zuidelijke en oostelijke richting). De percelen hebben allen eenzelfde bestemming, te weten ‘Agrarisch met waarden’ en worden gebruikt voor de teelt van gewassen. Bij de teelt van gewassen kunnen ook gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Voorliggende ontwikkeling heeft vooral betrekking op een uitbreiding van het bedrijfsterrein aan de achterzijde. Hier zal opslag gaan plaatsvinden. Een opslagterrein betreft geen milieugevoelig object. Op het opslagterrein zullen dan ook geen mensen voor langere tijd verblijven. Spuitzones vormen zodoende geen belemmering.

57

6 UITVOERBAARHEID

6.1

Financieel - economische uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid Met deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan, in de vorm van een TAM-omgevingsplan, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en de toegedachte functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan in het verlengde daarvan aangenomen worden dat realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegedachte functies om financiële redenen op langere termijn niet zullen worden gerealiseerd. Kostenverhaal Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna "een aangewezen bouwactiviteit"). In dit geval is geen sprake van een bouwactiviteit 8.13 Ob en bestaat er geen noodzaak tot kostenverhaal. De gemeentelijke kosten worden zodoende verhaald op initiatiefnemer door het heffen van leges. Nadeelcompensatie In artikel 8.15 Omgevingsbesluit worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”.

Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie. Voor de gemeente Venray is dit uitgewerkt in de Verordening nadeelcompensatie gemeente Venray 2024.

6.2

Juridische aspecten

6.2.1 Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn alle bestemmingsplannen opgegaan in één gemeentelijk ‘Omgevingsplan van rechtswege’ oftewel het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het omgevingsplan bestaat verder uit de Bruidsschat en een aantal gemeentelijke verordeningen. De Bruidsschat betreft een aantal regels die van het Rijk zijn overgegaan naar de gemeente. Deze regels zijn geland in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente. Het gaat onder andere om regels over bouwwerken en over milieubelastende activiteiten. Het omgevingsplan van rechtswege kan door de gemeente gewijzigd worden. De voorliggende wijziging beperkt zicht tot een locatiegericht deel van het omgevingsplan. 6.2.2 Wijziging omgevingsplan van rechtswege Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bestaat uit drie delen. In het eerste deel wordt gemotiveerd om welke redenen het omgevingsplan wordt gewijzigd. De voorliggende motivering betreft het eerste deel.

58

Het tweede deel van het besluit bestaat uit de regels die deel gaan uitmaken van het omgevingsplan. Hierin wordt aangegeven op welke wijze de regels van het omgevingsplan worden aangepast. Aangegeven wordt welke regels worden toegevoegd, gewijzigd, verwijderd of vervangen door andere regels. Verder wordt, als onderdeel van de regels, door coördinaten vastgelegd voor welke locatie(s) de regels gaan gelden. Dit wordt ook wel het werkingsgebied genoemd. Het derde deel van het vaststellingsbesluit bestaat uit aanpassingen die worden aangebracht in de geconsolideerde toelichting die bij het omgevingsplan wordt gegeven.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.3.1 Participatie Initiatiefnemer heeft voorafgaand aan de formele procedure in het kader van de omgevingsdialoog contact gehad met de bewoners van de omliggende woningen (door middel van het aanleveren van een formulier (zie bijlage 1), welke ondertekend retour zijn ontvangen). In dit formulier is het initiatief toegelicht en is gevraagd of het initiatief duidelijk is toegelicht. De bewoners van de volgende adressen hebben het formulier ontvangen en ondertekend: ▪ Lollebeekweg 28 ▪ Lollebeekweg 28a ▪ Lollebeekweg 28b ▪ Lollebeekweg 31 ▪ Lollebeekweg 32 ▪ Lollebeekweg 33 ▪ Lollebeekweg 35 De bewoners van de woningen hebben aangegeven geen problemen te hebben met de huidige activiteiten van initiatiefnemer en (het legaliseren van) de nieuwe activiteiten. Zij hadden dan ook geen verdere inhoudelijke opmerkingen op het initiatief. De resultaten van de omgevingsdialoog worden daarmee door initiatiefnemer als positief ervaren. 6.3.2 Vooroverleg In het kader van het vooroverleg is het concept omgevingsplan voorgelegd aan betrokken instanties. Provincie Limburg heeft per brief d.d. 28 augustus 2025 laten weten dat het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Indien het plan op deze wijze wordt voortgezet zal er voor de provincie geen aanleiding bestaan een zienswijze tegen het plan in te dienen. Waterschap Limburg heeft per mail d.d.

25 september 2025 laten weten dat het plan er goed uit ziet, al het hemelwater wordt binnen het plangebied opgevangen. Er wordt geadviseerd 100 mm af te koppelen in 24 uur. Daarmee wordt afgeweken van de uitgangspunten van de gemeentelijke toetssteen, daarom is vastgehouden aan de gemeentelijke uitgangspunten. 6.3.3 Zienswijzen Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft van 28 november 2025 tot en met 8 januari 2026 voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan geen zienswijzen ingediend. Provincie Limburg heeft per brief d.d. 11 december 2025 laten weten dat het plan geen aanleiding biedt tot indienen van een zienswijze.

59

7

PROCEDURE

De gemeente heeft bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsplan met de regels voor activiteiten voor de leefomgeving. Om dit 'omgevingsplan van rechtswege' te wijzigen, volgt de gemeente een vaste juridische procedure. De procedurebepalingen staan in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht. De van toepassing zijnde openbare voorbereidingsprocedure staat in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Onderhavig planvoornemen voorziet in een TAM-omgevingsplan, dit is een tijdelijke alternatieve maatregel die middels voorgaande regelgeving gepubliceerd kan worden. De procedure is in te delen in 3 procedurestappen: ▪ Vóór het ontwerp-omgevingsplan De gemeente maakt bekend dat ze het omgevingsplan gaat wijzigen en stelt eventueel een milieueffectrapport op. De gemeente geeft in het digitale gemeenteblad kennis van het voornemen om een omgevingsplan te wijzigen (artikel 3:12, Awb). In de kennisgeving staat onder andere hoe de gemeenteraad burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding gaat betrekken. Dit heet participatie (artikelen 16.29, Ow, en 10.2, lid 1, Ob.). ▪

Ontwerp-omgevingsplan De gemeente geeft kennis van het ontwerp-omgevingsplan. De gemeente plaatst het ontwerpbesluit integraal in het digitale gemeenteblad (artikel 10.3c, Ob) en legt het ontwerp-omgevingsplan en de bijbehorende stukken 6 weken ter inzage (artikel 3:11, Awb). Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Als er tijdens de termijn van 6 weken geen zienswijzen op het ontwerpbesluit zijn gekomen, dan: doet de gemeente hiervan zo spoedig mogelijk mededeling in het elektronische gemeenteblad, en neemt de gemeente het besluit binnen 4 weken nadat de termijn voor zienswijzen is verstreken (artikel 3:18, lid 4, Awb).

▪

Vaststellen omgevingsplan De gemeenteraad stelt het omgevingsplan vast. De gemeente maakt het besluit bekend door het te publiceren in het elektronische gemeenteblad. Een wijziging van een omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. De gemeente kan een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen. Tegen het besluit tot het wijzigen van een omgevingsplan kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

60

BIJLAGE 1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16974767/1