CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Bijlage Toelichting TAM

Gemeenteraad 30 juni 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Lollebeekweg 30a, Castenray.23.520 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Niet gevonden in dit document.

Instructieregels Rijk (AMvB’s)

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor het omgevingsplan. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). De instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de omgevingswet. Aan deze regels mogen geen economische motieven ten grondslag liggen, die leiden tot strijd met de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl). Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen: ▪ Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); ▪ Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); ▪ Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; ▪ Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; ▪ Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; ▪ Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart,

fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; ▪ Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en

26

rijkswegen. In enkele bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Instructieregels van afdeling 5.1 Bkl gelden, zoals gezegd, alleen voor de omgevingsplanregels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het grootste deel van de Bkl-instructieregels is dus niet van toepassing op omgevingsplanregels met een ander oogmerk. Over de onderwerpen waarvoor het Bkl geen instructieregels heeft opgenomen (onderwerpen die buiten het toepassingsbereik van de instructieregels vallen) is de gemeente vrij om regels te stellen, mits dat past binnen de andere kaders natuurlijk. Het Rijk hanteert verschillende typen instructieregels, die meer of minder afwegingsruimte bieden: 1. Betrekken bij: de gemeente moet aandacht schenken aan feiten of verwachtingen over feiten, maar heeft daarbij veel keuzeruimte; 2. Rekening houden met: deze formulering stuurt inhoudelijk de belangenafweging; als de gemeente daar goede redenen voor heeft, is afwijken gemotiveerd toegestaan; 3. In acht nemen of een vergelijkbare dwingende formulering: de gemeente moet zich bij de uitoefening van de bevoegdheid aan de achterliggende norm houden.

Een belangrijke verbeterdoelstelling van de Omgevingswet is dat decentrale overheden meer bestuurlijke afwegingsruimte krijgen. Deze afwegingsruimte is in de instructieregels van het Bkl vormgegeven door voor een aantal thema´s (geluid, geur en trillingen) standaardwaarden en grenswaarden op te nemen. Overname van de standaardwaarde kan in beginsel zonder aanvullende motivering. Gebruikmaking van de ruimte tussen standaard- en grenswaarde vergt wel een aanvullende motivering. Samenvattend is de afwegings- of beslisruimte afhankelijk van: 1. het type instructieregel (zie hierboven); 2. de aard van de norm (open of gesloten); en 3. flexibiliteitsopties die binnen de instructieregel worden geboden. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) Als het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor een bepaalde activiteit geen regels stellen, heeft de gemeente in principe de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan daar zelf regels over te stellen.

Daarbij gelden uiteraard grenzen: ▪ het moet de fysieke leefomgeving betreffen; ▪ als het al uitputtend geregeld in wetgeving die niet opgaat in de Omgevingswet, kan het niet in het omgevingsplan geregeld worden, tenzij het met een ander oogmerk gebeurt; ▪ de instructieregels van het Bkl kunnen bepalen dat voor een bepaald onderwerp regels moeten worden gesteld in het omgevingsplan en daarbij ook hoe. Als het Bal of Bbl voor bepaalde activiteiten of bouwwerken wel regels stellen, in het mogelijk dat er maatwerkregels worden opgenomen in het omgevingsplan. Maatwerkregels zijn gebiedsgerichte algemene regels in het omgevingsplan waarmee wordt afgeweken van Bal- of Bbl-regels. Bij de regels uit het Bal is generiek maatwerk mogelijk, tenzij er specifieke uitzonderingen worden aangegeven. Bij de regels in het Bbl is dat andersom: maatwerkregels zijn alleen mogelijk als dat specifiek wordt toegestaan. Als maatwerkregels mogelijk zijn, geven Bal en Bbl aan binnen welke grenzen daarmee kan worden afgeweken of nader worden ingevuld ten opzichte van de Bal-/Bbl-regels. De gemeente heeft op grond van het Bal en Bbl vaak ook de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften landen niet in het omgevingsplan, maar zijn afzonderlijke besluiten die gericht zijn tot één initiatiefnemer.

Toch zijn ook verleende maatwerkvoorschriften van belang bij het opstellen van het omgevingsplan. In ieder geval moet de gemeente, bij het beoordelen of maatwerkregels zullen worden gesteld, ook nagaan of over het betreffende onderwerp al eerder maatwerkvoorschriften zijn gesteld. Die maatwerkvoorschriften kunnen mogelijk worden geïntegreerd in de maatwerkregels, en dan (na inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan) worden ingetrokken. Met name als er voor een bepaald onderwerp in het verleden veel maatwerkvoorschriften zijn gesteld, is het 27

aan te raden om te bekijken of maatwerkregels in het omgevingsplan niet tot een evenwichtiger en toekomstbestendiger resultaat kunnen leiden. 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Conform artikel 5.129g Bkl geldt dat bij een wijziging van het omgevingsplan en buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de ladder van toepassing is, dit om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen. De ladder schrijft voor dat als een stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt dat de behoefte aan die ontwikkeling wordt aangetoond en indien de ontwikkeling plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied dient te worden gemotiveerd waarom de behoefte niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. De ontwikkelingen hebben betrekking op een doorontwikkeling van het loonbedrijf dat sinds 2012 op de huidige plek is gevestigd. Het bedrijf biedt ondersteunende diensten aan agrarische bedrijven. Gezien de activiteiten van het bedrijf richt het werkgebied zich dus voornamelijk op het buitengebied en is de ligging van het bedrijf in het buitengebied logisch te noemen. Voor 2012 was het loonbedrijf nog gevestigd in de bebouwde kom van Castenray. Daar leidde de aanwezigheid van het loonbedrijf tot veel overlast (vanwege verkeer en activiteiten nabij woningen), waardoor het bedrijf in samenspraak met de gemeente is verplaatst naar het buitengebied.

De huidige ligging van het bedrijf in het buitengebied is zelfs van groot belang en inherent aan de (aan agrarisch gerelateerde) bedrijfsvoering. Een verplaatsing van het bedrijf naar een andere locatie zou daarnaast leiden tot kapitaalvernietiging en tevens onevenredig grote nadelige bedrijfseconomische gevolgen hebben. Het voortbestaan van het bedrijf op de huidige locatie is dan ook van groot belang, niet alleen voor het bedrijf zelf, maar ook voor de betrokken lokale en regionale (agrarische) bedrijven die het loonbedrijf inhuren. Er wordt zodoende gesteld dat het loonbedrijf op de huidige locatie moet blijven. Het is een agrarisch verwant bedrijf met een stevige binding met het buitengebied en de regio waarin het opereert. Daarom wordt gesteld dat niet binnen bestaand stedelijk gebied voorzien kan worden in de behoefte van het loonbedrijf. De ontwikkeling van het loonbedrijf ziet vooral op een uitbreiding aan de achterzijde. Het loonbedrijf heeft hier behoefte aan om vooral meer opslagruimte te creëren voor met name tuinbouwloof. In hoofdstuk 3 is uitgebreid gemotiveerd waarom het bedrijf hier behoefte aan heeft.

Kortgezegd komt het er op neer dat het loonbedrijf zich de afgelopen jaren, mede gezien de economische situatie, meer toegelegd heeft op het breed georiënteerd en gespecialiseerd loonwerk waarbij enerzijds precisielandbouw en anderzijds de opslag en bewerking van groene reststromen een steeds relevanter bedrijfsonderdeel zijn geworden. Het onderdeel ‘buitenopslag in ruime zin’, op het eigen bedrijfsterrein, is essentieel als ‘verlengstuk’ van de dienstverlening van het loonbedrijf. De werkzaamheden dienen op de werklocatie (buiten de inrichting) normaliter vroegtijdig aan te vangen. Bij genoemde activiteiten is het zeer doelgericht en efficiënt dat initiatiefnemer direct de benodigde stoffen (zoals: zand (diverse soorten), grond, gebroken puin, e.d.) kan meebrengen en ter plaatse, bij de klant, nuttig kan toepassen. Om dit vanuit bedrijfsmatig en strategisch oogpunt te realiseren is een doelmatige opslag, van voldoende omvang, op het eigen bedrijfsterrein, noodzakelijk. Het loonbedrijf heeft een grote connectie met het buitengebied gezien haar werkzaamheden en klantenbestand. Uitbreiding van het loonbedrijf op deze locatie voldoet daarmee aan de ladder.

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI), met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). 28

In de Omgevingsvisie wordt de lange termijnvisie (2030-2050) beschreven. Er wordt continue gezocht naar de goede balans tussen beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingsvisie komen vraagstukken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen. Daarnaast komen er ook autonome vraagstukken aan bod die van groot provinciaal belang zijn. Het Rijnlands model, dat staat voor overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap en dat zich richt op de lange termijn, op waarden als kwaliteit en geluk, is hierbij het uitgangspunt. Het document is dynamisch en flexibel, dit biedt mogelijkheden om het document te actualiseren met het oog op (eventuele) toekomstige veranderingen. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen. In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk.

Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg. De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren.

Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. 3. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving.

De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

29

De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Werklocaties Op het gebied van werklocaties geeft de POVI aan dat voor de vestiging of uitbreiding van bedrijven geschikte huisvesting en ruimte noodzakelijk is. Dit kan in Limburg vaak een probleem zijn. Soms is er onvoldoende ruimte beschikbaar, of voldoet de ruimte niet aan de eisen van de gebruikers. Daarbij kunnen eisen ook snel veranderen door digitalisering, verduurzaming, globalisering of robotisering van bedrijfsprocessen. In Noord-Limburg ontstaat druk op grootschalige kavels, die met name gebruikt worden door logistieke bedrijven die de corridor van Rotterdam/Antwerpen naar het Ruhrgebied willen benutten.

Dit vraagt om het maken van keuzes, ook omdat niet alle logistieke bedrijven evenveel toegevoegde waarde leveren aan onze economische structuur. Het is de provinciale ambitie om ook in de toekomst te beschikken over genoeg werklocaties en goede ontwikkelruimte voor bestaande en nieuwe bedrijven, zoals bedrijventerreinen, kantoorlocaties en winkelgebieden. Nederland verstedelijkt steeds meer. Dat geldt ook voor Limburg. De ruimte voor recreatie, natuur, wonen en bedrijvigheid staat onder druk door andere bestemmingen. Ook bedrijven zijn ruimtevragers. In het algemeen geldt: hoe compacter de werklocaties, hoe beter de omgevingskwaliteit. Grote logistieke bedrijven passen echter niet zomaar op alle bestaande bedrijventerreinen. Vestiging is vaak alleen mogelijk op nog niet bebouwde plekken op grootschalige logistieke terreinen of, als uitbreiding niet meer mogelijk is, op nieuw aan te leggen terreinen. Dit laatste gaat ten koste van andere bestemmingen en de landschappelijke kwaliteit. Anderzijds liggen er ook kansen om bedrijventerreinen multifunctioneel in te zetten en ze op die manier een bijdrage te laten leveren aan andere doelen, zoals de energietransitie. Ook liggen er kansen in het voorkomen van wateroverlast en droogte, de zorg voor een veilige leefomgeving en biodiversiteit. Land- en tuinbouw Meer dan de helft van het Limburgse grondgebied is landbouwgrond.

Daarmee is de land- en tuinbouwsector de belangrijkste functiedrager van Limburg en bepaalt de agrarische bedrijfsvoering in zeer belangrijke mate het beeld van Limburg. De agribusiness is een belangrijke economische en innovatieve motor en beheerder van het landelijk gebied. Agrariërs staan voor de uitdaging hun bedrijf en de internationale concurrentiekracht toekomstbestendig te houden. Veel van de landbouwproducten vinden hun weg naar het buitenland, hoofdzakelijk onze buurlanden. De internationale vraag naar agrarische producten wordt alleen maar groter. De Nederlandse agrariërs staan wereldwijd bekend om hun efficiënte gebruik van water en andere grondstoffen, hun kennis en innovatiekracht. In de toekomst zal de afzet meer en meer gericht zijn op het slim vermarkten van hoogwaardig geproduceerde bio-grondstoffen, voedsel en daarmee samenhangende technologische- en circulaire concepten. Landbouwgrond wordt schaarser. Verstedelijking neemt toe. Het buitengebied wordt gezien als vindplaats voor oplossingen voor stedelijke opgaves. Denk bijvoorbeeld aan de ruimtevraag voor de energietransitie, klimaatadaptatie, natuurherstel, infrastructuur en verstedelijking. De afname van het aantal agrarische bedrijven en de transitie naar kringlooplandbouw zal daarnaast vragen om andere benutting van de landbouwgrond.

De komende tijd zal, meer dan in het verleden, verweving van functies voor landbouw, natuur, waterbeheer, landschapsbeheer en andere maatschappelijke diensten én meervoudig grondgebruik van belang zijn.

30

Het landelijk gebied is steeds minder een productieruimte en steeds meer een consumptieruimte waar gewoond, gewerkt en gerecreëerd wordt. Deze verwevenheid vraagt maatregelen om de omgevingskwaliteit te verbeteren en ruimtelijke keuzes over vestiging, uitbreiding, herbestemming en sanering van leegstaand agrarisch vastgoed. De landbouw is een bedrijfstak die continu aan verandering onderhevig is, mede ingegeven door internationale concurrentie, diverse crises en onder druk van toegenomen aandacht voor maatschappelijke opgaven en kennis van effecten op lange termijn. De agrarische sector kent grote opgaven in het kader van onder andere het Klimaatakkoord, het Europees luchtkwaliteitsbeleid, de provinciale- en regionale energietransitie en de waterhuishouding. De biodiversiteit staat in het agrarisch gebied en haar omgeving onder druk als gevolg van onder andere intensivering en schaalvergroting in de landbouw, het opkomen van exoten, klimaatverandering en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Met bijvoorbeeld agrarisch natuurbeheer, natuurinclusieve landbouw, biologische landbouw, agroforestry en voedselbossen kan echter worden bijgedragen aan de biodiversiteitsdoelstellingen en aan landschappelijke kwaliteit. Agrariërs kunnen ook een grote bijdrage leveren aan de energietransitie. Ze beschikken over biomassa, land, gebouwen en dus daken.

Bovendien gebruiken ze - afhankelijk van de sector - veel energie die ook vervangen kan en moet worden. De grote opgaven met betrekking tot natuur-, lucht- en waterkwaliteit, het zorgvuldiger gebruik van grondstoffen en hulpbronnen, het tegengaan van verspilling, maar ook de zwakke positie van de individuele producent ten opzichte van zijn grote afnemers, vragen om een wijziging van de koers. Het is duidelijk dat we die niet kunnen realiseren met kleine aanpassingen binnen de grenzen van het huidige systeem. Dit vraagt om een landbouwtransitie die de komende decennia stapsgewijs zal plaatsvinden. Juist nu is de tijd rijp voor een integrale aanpak, waarbij alle partijen agrarische ondernemers helpen om echt duurzame keuzes te maken en waar een positief verdienmodel aan ten grondslag ligt, gerelateerd aan de kansen in het gebied. Dat vraagt soms ook om meer ruimte voor agrarische ondernemers (zoals fruittelers en wijnbouwers), bijvoorbeeld waar via proef- en verkoopactiviteiten wordt bijgedragen aan de beleving en kwaliteitsverbetering van het gebied. Landbouwtransitie wordt in de meeste gevallen gerelateerd aan kringlooplandbouw. Het begrip is genoemd in het rijksbeleid en is momenteel volop in ontwikkeling. Een eenduidige, afgebakende definitie is niet beschikbaar.

Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) beschrijft kringlooplandbouw als volgt: "Niet langer zoveel mogelijk zo goedkoop mogelijk produceren, maar produceren met een minimaal verlies aan grondstoffen en een zorgvuldig beheer van bodem, water en natuur". Kringlooplandbouw is daarbij een middel en geen doel op zich. De kringlopen kunnen sectoraal verschillen en op diverse schaalniveaus zijn ingericht: binnen een bedrijf, een regio, Nederland of grensoverschrijdend. Er zijn meerdere transitiepaden waarin de kringloopgedachte centraal staat die perspectief bieden. Denk aan landbouw gericht op maatschappelijke diensten (verbrede land- en tuinbouw, energietransitie of klimaat), land- en tuinbouw gericht op hightech of verkorting van de keten met meer vraaggestuurd, gepersonaliseerd voedsel en voedselgemeenschappen. Transitiepaden zijn niet bedoeld als blauwdruk voor bedrijven en in alle situaties toepasbaar. De provincie wil ruimte bieden aan ondernemers, onafhankelijk van de schaalgrootte, om hun pad te kiezen hierin dat passend is bij hun visie, fysieke ontwikkelruimte, marktpotentieel etc. Het is belangrijk dat tegenover de transitieopgave een passend en realistisch verdienmodel staat. De agrarische sector levert ook een belangrijke bijdrage aan de Limburgse ambitie om via gezonde voeding de gezondheid van de Limburgers te verbeteren.

Hoewel de vraag naar dierlijk eiwit wereldwijd nog groeit, lijkt de consument in Noordwest-Europa op weg naar een omschakeling. De eiwittransitie, de verschuiving van de consumptie van dierlijke eiwitten naar plantaardige, biedt kansen voor nieuwe eiwitbronnen, maar ook voor andere vleesvervangende producten zoals kweekvlees. Dit laatste is een mooi voorbeeld van innovatie in Limburg en de samenwerking tussen campussen en industrie.

31

Genoemde opgaven en transitiepaden bieden nieuwe kansen voor de agrarisch ondernemers. Nadrukkelijk worden de voorlopers in de sector gestimuleerd die inspelen op innovatie en daarbij maatschappelijke opgaven zoals circulariteit, emissiereductie, klimaat- en energiebewust ondernemen in samenhang oppakken. Er is extra aandacht voor boeren die in hun bedrijfsvoering kiezen voor natuurinclusieve (duurzame landbouw uitgaande van een veerkrachtig voedsel- en ecosysteem met een nadrukkelijk accent op biodiversiteit) of biologische landbouw. Conclusie De doorontwikkeling van het loonbedrijf past binnen de beleidsuitgangspunten en –doelstellingen zoals die gesteld zijn in de POVI. De provincie geeft aan dat voor uitbreiding van bedrijven ruimte noodzakelijk moet zijn, mits toekomstbestendig. Op de plek van de beoogde uitbreiding, achter het huidige loonbedrijf, is voldoende ruimte beschikbaar. De plek is toekomstbestendig, gelegen tussen het loonbedrijf en het beekdal is deze plek te beperkt van omvang voor een reguliere agrarische bedrijfsvoering. Gebruik door het loonbedrijf is daarom logisch. Door de aanwezigheid van het beekdal achter deze uitbreiding is het uitgesloten dat het loonbedrijf nog verder kan groeien in die richting.

De uitbreiding van het loonbedrijf gaat gepaard met een gedegen landschappelijke inpassing, welke, aan de rand van het beekdal, een positief effect heeft op de biodiversiteit. Door infiltratie van hemelwater is er met de uitbreiding geen sprake van extra verdroging. Door een efficiëntere bedrijfsvoering en een meer circulaire economie kan het loonbedrijf profiteren van schaalvoordelen, zowel qua arbeidskrachten als bedrijfsvoering. Dat kan het bedrijf in staat stellen om hun werkprocessen beter af te stemmen op de vraag en tegelijkertijd de kosten te verlagen. Binnen de circulaire economie is er een sterke focus op het hergebruiken van materialen en afval. In de land- en tuinbouw kan dit bijvoorbeeld betekenen dat restproducten opnieuw worden verwerkt tot nieuwe producten. Het loonbedrijf wil hier bewust op inspelen. De provincie biedt voorlopers in de agrarische sector ontwikkelingsmogelijkheden. Als agrarisch loonbedrijf is het bedrijf direct afhankelijk van de agrarische sector en andersom. De steeds doorgaande schaalvergroting bij de agrarische bedrijvigheid vraagt ook om schaalvergroting bij de ondersteunende sector. Daarnaast heeft het bedrijf de extra ruimte nodig om verder te kunnen verduurzamen, daar ook de agrarische sector steeds meer verduurzaamd.

De integratie van de belangrijke aspecten (groei van werklocaties, efficiënte bedrijfsvoering en circulaire economie) kan helpen bij het ontwikkelen van een toekomstbestendige land- en tuinbouwsector in Limburg, die zowel economisch als ecologisch duurzaam is. 4.2.2 Omgevingsverordening 2021 In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: ▪ Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; ▪ Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen. De volgende regels uit de omgevingsverordening zijn in dit geval (deels) van toepassing: ▪ Grondwaterbeschermingsgebied ▪ Venloschol Grondwaterbeschermingsgebied Grondwaterbeschermingsgebieden zijn erop gericht om de kwaliteit van het grondwater zodanig op peil te houden dat het middels eenvoudige zuivering geschikt is en blijft voor de drinkwaterwinning. Voor deze gebieden bevat de Omgevingsverordening één of meer verboden, bijvoorbeeld met betrekking op het voorhanden hebben van gevaarlijke stoffen.

Maar een klein deel van het plangebied is aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied (het westelijke deel), hier mogen dus geen gevaarlijke stoffen die een negatief effect kunnen hebben op de kwaliteit van het drinkwater worden opgeslagen. De producten die op het bedrijfsterrein worden opgeslagen betreffen geen gevaarlijke stoffen, verder wordt

32

het opslagterrein uitgevoerd met een vloeistofkerende vloer. De ontwikkelingen hebben zodoende geen nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het drinkwater. Venloschol Het is in het gebied Venloschol beneden de 5 meter NAP verboden: a. zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren; b. een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te hebben; c. een boorput te hebben; d. de grond te roeren; e. werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermde werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Betreffend plangebied ligt op circa 25 m boven NAP. Dit betekent dat in het kader van de Venloschol in de praktijk de bodem tot een diepte van 20 meter geroerd kan worden. Dit is in het geval van de ontwikkelingen niet aan de orde.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1 Toekomstvisie Venray 2030 In 2009 heeft de gemeente Venray een strategische visie vastgesteld met als tijdzone 2020. In 2013 is de Strategische visie ‘Venray, stad in de Peel (2025)’ als een aanvulling op en herijking van de strategische visie 2020, ‘Venray Dorp en Stad’ opgesteld met een doorkijk naar 2025. De nieuwe toekomstvisie Venray 2030, ‘Venray loopt voorop’ is tot stand gekomen in 2019 en geeft een doorkijk naar 2030. Binnen de ‘Toekomstvisie Venray’ staat de vraag centraal hoe Venray eruit ziet in het jaar 2030. De toekomstvisie is tot stand gekomen op basis van de inbreng van ruim 1.500 inwoners van Venray. De gemeente Venray heeft voor de komende tien jaar de navolgende vijf concrete ambities geformuleerd: 1. Zijn inwoners, hun netwerken, culturen en voorzieningen met elkaar verbonden; Ambitie in het jaar 2030: Om deze eerste ambitie te realiseren zal de gemeente Venray de komende tien jaar op actieve wijze initiatieven stimuleren en ondersteunen die ontmoeting en verbinding tussen verschillende leeftijdsgroepen of culturele groepen tot stand brengen. 2. Woon je groen en sociaal; Ambitie in het jaar 2030: Tot 2030 is nog sprake van een bevolkingstoename in Venray. Desondanks kan je de komende tien jaar in Venray voor elke levensfase een passende woning vinden.

De mismatch tussen inwoners en het woningaanbod is verleden tijd en er is een gedifferentieerd aanbod aan woningtypes en woonmilieus. 3. Zorgt ondernemerschap met aandacht voor mens, dier en milieu, voor nieuwe economische kansen; Ambitie in het jaar 2030: Hergebruik, recycling en het gebruik van herbruikbare materialen is in 2030 de norm, waardoor we zowel de grondstoffenvoorziening als onze milieu-impact beperken. Bovendien hebben we in 2030 de verantwoordelijkheid genomen voor onze eigen energievoorziening en zijn we aan de slag met energiebesparing, opwekking van duurzame elektriciteit en het gebruik van duurzame warmte. De energietransitie zet zich nog voort tot 2050. Dan willen we energieneutraal zijn. 4. Stroomt kennis, creativiteit en vernieuwing; Ambitie in het jaar 2030: In de digitale en geautomatiseerde economie van 2030 is de beroepsbevolking kleiner en de vraag naar hoogopgeleide kenniswerkers groter, zo is de verwachting. Een leven lang leren is noodzakelijk geworden. In 2030 is de regionale arbeidsmarkt versterkt vanuit de driehoek bedrijven, onderwijs en overheid. 5. Is iedereen mobiel. Ambitie in het jaar 2030: Het bevorderen van de bereikbaarheid staat hoog op de gemeentelijke en regionale agenda. Venray heeft in 2030 een veilig, toegankelijk en betrouwbaar mobiliteitssysteem met, waar mogelijk, schone en stille mobiliteit.

33

De bovenstaande ambities zijn gebaseerd op een aantal trends en ontwikkelingen die geconstateerd zijn binnen de gemeente Venray. Deze trends en ontwikkelingen zijn: ▪ Andere invulling van de (schaarse) ruimte; ▪ Klimaatverandering en energietransitie; ▪ Nieuwe technologie; ▪ Langer leven; ▪ Nieuwe rolinvulling inwoners en overheid; ▪ Toenemende diversiteit; ▪ Veranderende economie. In agrofood, logistiek, maakindustrie en gezondheid gaat de gemeente Venray de volgende maatschappelijke opgaven realiseren: ‘Het benutten en ontwikkelen van slimme technologie, gezonde en veilige voeding, verduurzaming en de mens centraal’. Ook in de maakindustrie en logistiek speelt de transitie naar duurzaamheid: ‘De sector moet zichzelf opnieuw uitvinden om ervoor te zorgen dat mensen en goederen op een groene manier van A naar B kunnen’. Logistiek en maakindustrie horen bij de regio Venray / Venlo en bieden banen op verschillende opleidingsniveaus tot en met WOniveau. Met daarbij veel aanverwante bedrijven die meeliften op deze sectoren. Nieuwe bedrijven kunnen in Venray landen met goede inpassing van het landschap. Onderhavige ontwikkelingen dragen vooral bij aan een verbetering van pijler 3: ‘Zorgt ondernemerschap met aandacht voor mens, dier en milieu, voor nieuwe economische kansen’. Initiatiefnemer zet met het loonbedrijf in op een duurzame en circulaire bedrijfsvoering.

De uitbreiding aan de achterzijde draagt in dat kader bij aan minder afhankelijkheid van nieuwe grondstoffen, wat positief is voor de milieu-impact. Reeds in de huidige situatie probeert het loonbedrijf bij te dragen aan duurzaamheid. Op de daken van de bedrijfsbebouwing liggen bijvoorbeeld zonnepanelen waarmee het bedrijf zelf stroom kan opwekken. In dat kader zijn de ontwikkelingen passend in de ‘Toekomstvisie Venray’. 4.3.2 Omgevingsvisie Venray / Ruimtelijk Kwaliteitskader De gemeente Venray heeft op 2 november 2021 een nieuwe omgevingsvisie voor het grondgebied van de gemeente opgesteld. Daarin heeft de gemeente de nieuwe beleidsuitgangspunten voor ontwikkelingen in de gemeente opgenomen. De omgevingsvisie biedt de basis van de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente en dient als ruimtelijk toetsingskader. In de omgevingsvisie wil de gemeente laten zien voor welke uitdagingen de gemeente staat en waar zij als gemeente naar toe willen in de toekomst. De omgevingsvisie vormt de ruimtelijke vertaling van de strategische visie: de Toekomstvisie 2030 "Venray loopt voorop". De omgevingsvisie is samen met de input van inwoners, ondernemers en verenigingen tot stand gebracht. De gemeente wil de belangrijke waarden van Venray beschermen en versterken.

Daarbij wordt aan de hand van ambities rekening gehouden met verschillende opgaven zoals de klimaatverandering, de energietransitie en de woningbouw om het woningtekort op te lossen. Belangrijk vraagstuk daarbij is hoe de gemeente er over 10 jaar uit zal zien. De ambities spelen een rol in ontwikkelingen binnen de verschillende deelgebieden. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Castenray en is in de omgevingsvisie aangewezen als ‘Agrarisch gebied’. Het agrarisch gebied is volop in ontwikkeling. Er spelen diverse onderwerpen in het agrarisch gebied zoals grootschalige agrarische bedrijvigheid, leegstand en ruimteclaims vanuit de energietransitie en klimaatverandering. Ook spelen er maatschappelijke discussies over voedselproductie, grondgebruik en biodiversiteit. De gemeente brengt in kaart hoe al deze functies naast elkaar kunnen bestaan. De gemeente gaat voor het toekomstbestendig maken van het agrarische landschap. Veiligheid en gezondheid zijn belangrijke pijlers hierin. Een gezonder woonklimaat realiseert de gemeente door het wonen beter te scheiden van

34

veehouderijen. Voor een agrarisch gebied in evenwicht, waar toekomstige generaties in schone lucht kunnen genieten en recreëren. Het bouwen van woningen, de energietransitie en de mogelijkheid tot recreëren is in het agrarisch gebied op de juiste plek ingepast en gaat niet ten koste van het landschap. Er blijft voldoende ontwikkelingsruimte voor de agrarische bedrijven. In de diverse thema’s die in de omgevingsvisie worden aangehaald wordt inzake de economie het volgende gesteld: De circulaire economie is een duurzame economie, waarin we producten slim ontwerpen, hergebruiken, repareren en vervolgens recyclen, zodat de grondstoffen waarvan een product ooit gemaakt is opnieuw beschikbaar zijn. In een circulaire economie bestaat dus geen afval en worden grondstoffen steeds opnieuw gebruikt; de kringloop van grondstoffen is gesloten. Om dit te bereiken zullen bedrijven steeds meer samenwerken en hun processen op elkaar afstemmen. Kringlooplandbouw is de circulaire economie gericht op de agrarische sector. Uiteindelijk wordt het voedselsysteem ingericht op het produceren zonder verlies van grondstoffen, een zorgvuldig beheer van bodem, water en natuur en een positieve impact op het milieu. In het agrarisch gebied verwachten we ook veel bedrijven die stoppen omdat ze bijvoorbeeld geen opvolger hebben.

Dit zorgt voor lege gebouwen (vrijkomende agrarische bebouwing, VAB’s), waar een andere invulling voor nodig is, of sloop. Ondermijning is hierbij een belangrijk aandachtspunt. De gemeente streeft naar een aantrekkelijk werkklimaat voor ondernemers om zich te vestigen en te (blijven) ontwikkelen in Venray. Dit wordt gedaan door het bieden van gevarieerde werkgelegenheid en de beschikbaarheid, bereikbaarheid, verduurzaming en aantrekkelijkheid van werklocaties. Voor het behoud van economische activiteiten in het agrarisch gebied wordt ingezet op hergebruik door kleinschalige niet-agrarische bedrijvigheid. Op locaties waar hergebruik niet wenselijk is, wordt ingezet op sloop. Daarnaast is het belangrijk dat de bedrijven passen binnen de kwaliteiten van het landschap. Voor de agrarische sector wil de gemeente toewerken richting een kringlooplandbouw. Over het landelijk gebied staat in het Ruimtelijk Kwaliteitskader (RKK) het volgende vermeld: het landelijk gebied is in transitie. De energietransitie en klimaatverandering vragen om ruimte. Maatschappelijk spelen er discussies over voedselproductie, grondgebruik en biodiversiteit. De transitie van de landbouw heeft ook ruimtelijk een impact. De agrarische sector is al jarenlang in beweging.

De toenemende aandacht voor duurzaamheid, gezondheid, klimaatverandering, natuur en biodiversiteit zal leiden tot verdergaande wijzigingen van de sector. Hoewel dit proces al in gang is gezet, staat niet vast hoe de ontwikkelingen in de sector gaan verlopen. De verwachting is dat in toekomst naast grootschalige en kleinschalige landbouw ook technologische en biologische landbouwbedrijven zullen voorkomen. Ook het agrarisch grondgebruik zal door bovenstaande opgaven veranderen, waarbij naast extensieve ook intensieve vormen (met teeltondersteunende voorzieningen) blijven bestaan. Het aantal agrarische bedrijven zal afnemen waardoor er leegstand binnen het agrarisch vastgoed ontstaat. Dit brengt ontwikkelingen zoals hergebruik of sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen met zich mee. Met als doel het behoud van economische bedrijvigheid en voorkomen van verrommeling en ondermijning. Voor enkele gebieden is een toekomstperspectief geschetst, waaronder voor de Lollebeekweg. Dit lint leent zich voor een gemengd karakter, waarbij onder andere gedacht kan worden aan wonen, recreatie en kleinschalige bedrijvigheid. De aanwezigheid van het loonbedrijf sluit aan bij deze beleidsdoelstelling. 35

Het landelijk gebied is verder onderverdeeld in deelgebieden op basis van landschapstypen. Het bestaande deel van het loonbedrijf bevindt zich op basis daarvan in het ‘oude ontginningsgebied’ en het nieuwe deel in de ‘beekdalen’. De grens tussen deelgebieden is in sommige gevallen een harde grens, maar veel vaker een geleidelijke overgang.

Afbeelding 16. Uitsnede kaart landschapstypen RKK, bestaande deel loonbedrijf aangewezen als ‘oude ontginningsgebieden’ (gele kleur) en nieuw deel aangewezen als ‘beekdalen’ (blauwe kleur)

Het oude agrarische landschap van het oude ontginningsgebied wordt gekenmerkt door een onregelmatige structuur. De verkaveling is kleinschalig en op sommige plekken grillig van vorm. In de loop der tijd heeft het landschap een relatief meer open karakter gekregen. Van oorsprong komen hier veel meer landschapselementen voor zoals houtsingels en bosjes. Het gebied kent een grote afwisseling van groen en bebouwing. De boerderijen die van oudsher vrijliggend of in kleine clusters gebouwd zijn, liggen op sommige plekken nu in linten, knopen en clusters. De linten in de oude ontginningsgebieden zijn verschillend van karakter. De beekdalen lopen van west naar oost door het landschap van de gemeente Venray. Het rivierdal van de Maas loopt van zuid naar noord. Het beekdallandschap is een van oorsprong laag gelegen, nat landschap met een kleinschalige structuur. Omdat de beekdalen gevoelig zijn voor hoog water, werd er van oudsher niet in gebouwd maar met name in gebruik genomen als weidegrond. Beekbegeleidende beplantingsstructuren en moerassige laagten zorgen ervoor dat de beekdalen als groene aders door het landschap lopen. Tijdens de ruilverkavelingen zijn de beken op sommige plaatsen verregaand gekanaliseerd om water snel af te voeren. Het landschap rondom het beekdal werd hier grootschaliger en het oorspronkelijke beekdal kreeg hier minder ruimte.

Hierdoor zijn veel kenmerkende elementen uit het beekdallandschap verdwenen en is ook de herkenbaarheid van het beekdallandschap grotendeels verdwenen. In tegenstelling tot vroeger komt er nog maar weinig beplanting voor in de beekdalen. Wel zijn nog beekbegeleidende bosstructuren aanwezig. Op sommige plekken is het meanderen van de beek weer hersteld of wordt dit in de toekomst nog hersteld en worden beplantingsstructuren hersteld. 36

De ontwikkelingen van het loonbedrijf worden ingezet om beter voorbereid te zijn op een circulaire economie en een duurzame kringlooplandbouw. Verder vindt de uitbreiding van het loonbedrijf plaats buiten de feitelijke begrenzing van het beekdal, maar worden door een gedegen landschappelijke inpassing wel de landschappelijke waarden van het beekdal versterkt. Het bedrijf past in het landschap en voldoet daarmee aan de omgevingsvisie en het RKK.

37

5 FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU Met de voorgenomen ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de invloed op de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en er dient sprake te zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de ontwikkelingen voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1

M.e.r.-beoordeling

Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Voor een plan of project is een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk als dit blijkt uit de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit of omdat voor het plan of project een passende beoordeling moet worden gemaakt. De voorgenomen ontwikkeling komt niet voor op de lijst uit bijlage V Omgevingsbesluit, maar er moet wel een passende beoordeling worden gemaakt. Het plan is daarmee in beginsel MER-plichtig, tenzij voldaan wordt aan artikel 16.36 lid 3 Omgevingswet. In dit artikel is bepaald dat eerst in een m.e.r.-beoordeling bepaald kan worden of aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn als het gaat om een plan dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau of wanneer het gaat om kleine wijzigingen van een plan. Gelet op het feit dat het onderhavige plan betrekking heeft op een kleine locatie binnen de gemeente Venray, is artikel 16.36 lid 3 van toepassing. Er kan volstaan worden met een m.e.r.-beoordeling. In de separate bijlagen is de m.e.r.beoordelingsnotitie2 opgenomen. Hieruit blijkt dat er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn door het plan. Er wordt geconstateerd dat de nadelige effecten te reguleren zijn en dat een uitgebreide m.e.r.-beoordeling of het opstellen van een MER in deze niet zinvol en/of noodzakelijk is.

5.2

Bodem- en grondwaterkwaliteit

Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Wet bodembescherming vervallen. Via de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet zijn de regels voor bodem onderdeel gemaakt van de Omgevingswet. Het nieuwe wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers: ▪ Het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); ▪ Het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); ▪ Het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Een onderzoek in de vorm van een historisch onderzoek of een verkennend bodemonderzoek geeft inzicht of de bodem ter plaatse van een ontwikkeling geschikt is voor het beoogde gebruik en activiteiten.

2

Embridge, Plan-m.e.r.-beoordelingsnotitie ten behoeve van doorontwikkeling van loonbedrijf aan de Lollebeekweg 30a te Castenray, 28 oktober 2025, rapportnummer: Lol.Cas.25-01.NER-versie 1

38

In het kader van de ontwikkelingen aan de achterzijde van het loonbedrijf is ter plaatse een verkennend bodemonderzoek3 uitgevoerd. Het onderzoeksgebied is daarbij opgedeeld in twee aparte delen; het deel dat altijd als bouwland in gebruik is geweest en het deel waar opslag heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van het bouwland zijn op basis van het vooronderzoek geen bodembedreigende activiteiten bekend. De locatie is beoordeeld als ‘onverdacht’ op het voorkomen van bodemverontreiniging. Gelet op het feit dat de locatie niet verdacht is voor bodemverontreiniging is, conform de Omgevingswet, geen verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Ter plaatse van het (voormalige) opslagterrein is plaatselijk een verhoogde gehalte minerale olie boven de landbouw/natuurnormen aangetroffen in de bodem. Gelet op het ontbreken van duidelijke bronnen wordt het gehalte minerale olie vermoedelijk veroorzaakt door de humeuze bijmengingen. In het grondwater zijn licht tot sterk verhoogde concentraties van metalen aangetroffen. Daarnaast zijn de gehalten tolueen en naftaleen (vluchtige aromatische koolwaterstof) in het grondwater vastgesteld, wat boven de gestelde streefwaarde ligt. Het aantreffen van zware metalen in het grondwater is in de regio Noord-Limburg een bekend verschijnsel. De verhoogde gehalten metalen betreffen vermoedelijk verhoogde achtergrondconcentraties.

Voor de verhoogde gehalten naftaleen en tolueen zijn geen duidelijke bronnen bekend. De vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen directe belemmering of beperking voor het gebruik op de onderzoekslocatie. Wel dient er rekening mee gehouden dat eventueel op de onderzoekslocatie vrijkomende grond buiten de onderzoekslocatie niet overal kan/mag worden toegepast. De kwaliteit van de bodem is in voldoende mate vastgesteld. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om asbest in grondonderzoek of nader bodemonderzoek te adviseren. Wel dient rekening te worden gehouden met enkele gebruiksbeperkingen ten aanzien van het gebruik van het (freatisch) grondwater. De aanwezigheid van metalen in verhoogde gehalten in het (freatisch) grondwater maakt dit minder geschikt om het op te pompen en te gebruiken voor het besproeien van consumptiegewassen of voor het drenken van vee dan wel voor menselijke consumptie. Het is dan ook aan te bevelen het (freatisch) grondwater niet zelf op te pompen en voor een van de genoemde of daarop gelijkende doelen te gebruiken.

5.3

Bedrijven en milieuzoneringen

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Daartoe integreert de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor. De Omgevingswet beoogt maatwerk te bieden op basis van de specifieke kenmerken van de locatie en van het type activiteit. Dit gebeurt door gebruik te maken van milieuwaarden. Milieuwaarden zijn milieuaspecten of hinderaspecten waarvoor in het door de gemeente op te stellen omgevingsplan normen worden gesteld. Deze normen zien toe op geluid, geur en licht. De milieuthema's stof en gevaar worden op andere wijze gereguleerd. Het inzichtelijk maken van milieuwaarden komt aan de orde wanneer een nieuwe functie wordt gestart, een bestaande functie wordt veranderd of een ingrijpende wijziging van de bedrijfsvoering plaatsvindt. In 2019 heeft de VNG de uitgave ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ gepubliceerd. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van de eerdergenoemde milieuwaarden. De invoering van de Omgevingswet (per 1 januari 2024) is de belangrijkste reden geweest om te komen tot een nieuwe ‘Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024’. Deze handreiking vervangt de publicaties ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009 en ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ uit 2019, die zijn gebaseerd op de Wro

3

HMB Groep, Verkennend bodemonderzoek Lollebeekweg 30a Castenray, 12 november 2024, kenmerk: 24281301A

39

respectievelijk de Crisis- en herstelwet. Met de handreiking kan beter worden ingeschat of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is. In de handreiking zijn drie mogelijkheden beschreven om in te schatten of een bepaalde activiteit past binnen de toepasselijke zones voor geluid en geur of bijvoorbeeld geschikt is voor functiemenging. De opties luiden als volgt: 1. een inschatting van de feitelijke situatie aan de hand van concrete criteria voor geluid en geur; 2. een indicatie aan de hand van de getransponeerde tabel van Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009); 3. door het uitvoeren van gericht onderzoek. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is door de afwisseling van woningen, agrarische bedrijven en andersoortige bedrijven te typeren met het omgevingstype ‘gemengd gebied’.

Het loonbedrijf is op basis van de bedrijvenlijst te scharen onder de functie ‘Dienstverlening t.b.v. de landbouw; algemeen (o.a. loonbedrijven) met een bedrijfsoppervlakte van meer dan 500 m2’. Voor deze functie worden de volgende richtafstanden aangehouden (in het kader van een ligging in het gemengd gebied): ▪ Geluid: 30 meter ▪ Geur: 10 meter Binnen deze richtafstanden bevinden zich aan de zijde van de Lollebeekweg enkele milieugevoelige objecten. Hier wijzigt echter niets. De uitbreiding van het loonbedrijf vindt namelijk plaats aan de achterzijde van het loonbedrijf. Binnen de richtafstanden van de uitbreiding bevinden zich geen milieugevoelige objecten. De uitbreiding aan de achterzijde heeft daardoor geen negatieve effecten voor het woon- en leefklimaat in de milieugevoelige objecten. De uitbreiding aan de achterzijde van het loonbedrijf is met name benodigd om tuinbouwloof op- en over te slaan. Dit gebruik vindt in de huidige situatie al plaats, deels op gronden waar het loonbedrijf reeds is toegestaan maar ook deels illegaal op gronden die daaraan grenzen. Vanuit de buurt is daarbij opgemerkt dat het tuinbouwloof geroken kon worden. Het bedrijf is toen met de buurt overeengekomen dat het tuinbouwloof alleen geperst wordt als de wind niet in de richting van de woningen staat. Dit heeft tot een gewenst effect geleid, sindsdien heeft de buurt niets meer gemerkt.

Om de exacte geureffecten van het op- en overslaan van het tuinbouwloof op de in de omgeving gelegen milieugevoelige objecten te onderzoeken is een geuronderzoek4 uitgevoerd. Als er minder dan 600 m3 tuinbouwloof wordt opgeslagen wordt er voldaan aan artikel 22.119 van de bruidsschat. De afstand van de opslag tot het dichtstbijzijnde geurgevoelige object, de bedrijfswoning aan de Lollebeekweg 28a, bedraagt 191 meter en is groter dan de voorgeschreven 50 meter buiten de bebouwde kom. Voor een gedeelte van het jaar wordt er echter meer dan 600 m3 tuinbouwloof opgeslagen. Bij een opslag van meer dan 600 m3 geldt conform artikel 3.40 van het Bal een vergunningsplicht. Volgens de regels voor buitenplanse inpassing van de VNG kan er niet worden voldaan aan stap 1. Om te onderzoeken of er wel voldaan kan worden aan stap 2 of 3 is een rekenmodel opgesteld. De resultaten van het rekenmodel laten zien dat op zes locaties worden voldaan aan stap 2. Op de overige locaties wordt voldaan aan stap 3 van het toetsingskader uit de VNG. Het bevoegd gezag, de gemeente Venray, zal moeten beoordelen of er op de locaties waar wordt voldaan aan stap 3 als acceptabel kan worden gezien.

4

Embridge, Geuronderzoek in het kader van een wijziging van het omgevingsplan voor de locatie van Loonbedrijf Hendrix & Smits B.V. te Castenray, 10 januari 2025, rapportnummer: Lol.Cas.25.GO-01

40

Voor vergelijkbare situaties bij andere bedrijven heeft de gemeente Venray in het verleden aangegeven dat een geurimmissie van 1,5 OUE/m3 als aanvaardbaar gezien kan worden. Wel zal het bevoegd gezag moeten beoordelen of er sprake is van cumulatie voor industriële geur met andere activiteiten in de omgeving en of deze cumulatie acceptabel is. Om extra tegemoet te komen aan de buurt is bepaald dat het opslaan van het tuinbouwloof binnen 24 uur moet worden afgedekt middels een waterafstotende doek om zo eventuele geuremissie naar de omgeving te voorkomen en een gezonde fysieke leefomgeving te waarborgen. Naleving van deze bepaling is als voorwaardelijke verplichting geborgd in het TAM-omgevingsplan.

5.4

Geluid

Vele functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterrein en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere objecten. Het Bkl bevat geluidsregels die zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden instructieregels. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen. Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied rekening met het belang van het beschermen van gezondheid en milieu. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid op een geluidgevoelig object gelegen binnen het aandachtsgebied van een geluidbronsoort. Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, dan is het geluid in ieder geval aanvaardbaar (hoofdregel Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar toelaten.

Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Geluid boven de grenswaarde is, behoudens enkele uitzonderingen, niet toegestaan. De eisen uit het Bkl zijn van toepassing op het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Artikel 5.78r van het Bkl stelt dat de eisen niet van toepassing zijn op geluidgevoelige gebouwen voor zover die al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan. Een loonbedrijf, dus ook betreffende uitbreiding, betreft geen geluidsgevoelig object. Het aspect geluid is daardoor niet van toepassing op voorliggende ontwikkelingen.

5.5

Luchtkwaliteit

Het gebruik van de fysieke leefomgeving kan ongewenste bijwerkingen met zich meebrengen op het gebied van luchtkwaliteit. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels zoals opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Hier worden de grenswaarden beschreven voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven.

41

Achtergrondwaarden De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het toestaan van de activiteit: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,2 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 15,3 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 9,1 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Het Besluit NIBM Een aantal veelvoorkomende activiteiten dragen niet in betekenende mate (NIBM) aan de concentratie van een bepaalde stof.

Voor deze activiteiten is dan ook geen toetsing noodzakelijk De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (artikel 5.53 en 5.54 Bkl) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Een project is in NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het kader van onderhavige ontwikkeling is er geen sprake van een wijziging in het aantal verkeersbewegingen. In de huidige situatie wordt uitgegaan van 81 verkeersbewegingen per dag (dit is ook als zodanig vastgelegd in het akoestisch onderzoek, uitgevoerd in het kader van de vrijstellingsprocedure in 2012). Met behulp van de NIBM-tool 2024 is bepaald of dit aantal verkeersbewegingen invloed heeft op de luchtkwaliteit, zelfs als het aantal verkeersbewegingen volledig uit zwaar transport bestaat (worst-case scenario). Uit de NIBM-tool blijkt dat dit verkeer van en naar het loonbedrijf onder NIBM valt.

42

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2023 Jaar van planrealisatie

2025

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

81

Aandeel vrachtverkeer

100,0%

3

NO2 in μg/m

0,98

3

0,06

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m 3

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie

1,2

De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen conform Ow en Bkl en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.

5.6

Geur

Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Rijksregels zouden zorgen voor het relatief vaak moeten vaststellen van maatwerkvoorschriften. Daarom is uitgangspunt dat geurhinder vooral in decentrale instrumenten zoals in het omgevingsplan wordt geborgd. Artikel 5.92 Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Artikel 5.91 geeft aan dat geurgevoelige gebouwen in ieder geval gebouwen met een woon-, onderwijs-, of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang betreffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16974767/1