CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Toelichting

Gemeenteraad 26 maart 2024, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Woningbouw Brugpas-Veulenseweg Veulen, fase II’22.474 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Niet gevonden in dit document.

In de Omgevingsvisie van de gemeente Venray blijkt dat de toekomstige uitbreidingen van Veulen zich moeten richten op de uitbreiding van het eerder gerealiseerde woningbouwplan aan de Brugpas-Veulenseweg of elders aan de kernrand dienen plaats te vinden. Met onderhavig initiatief wordt het bouwplan aan de Brugpas-Veulenseweg uitgebreid door de realisatie van elf nieuwe woningen. De woningen worden gerealiseerd in aansluiting op de eerder gerealiseerde woningen. Daarnaast geeft de gemeente in de Omgevingsvisie aan dat zij het belangrijk vinden dat jong en oud in het dorp kunnen blijven wonen. Met onderhavig initiatief worden juist voor deze doelgroepen woningen gerealiseerd. De aantallen en het type woningen zijn daarbij flexibel zodat de behoefte aansluit op die van de consument. Het initiatief sluit dan ook uitstekend aan op de Omgevingsvisie Venray. 4.3.3 Omgevingsprogramma Wonen 2022-2026 Op 15 februari 2022 heeft de gemeenteraad van de gemeente Venray het Omgevingsprogramma Wonen 2022-2026 vastgesteld. In het Omgevingsprogramma Wonen staat hoe Venray zich wil blijven ontwikkelen als een fijne gemeente om te wonen. Op hoofdlijnen wordt richting gegeven aan de verschillende belangrijke vraagstukken rondom het wonen. Venray staat voor grote opgaven op het gebied van het wonen. De druk op de woningmarkt is groot, wachttijden voor sociale huurwoningen lopen op.

En door prijsstijgingen in de koopsector is een koopwoning voor mensen met een lager en middeninkomen steeds minder bereikbaar. Volgens recente prognoses zal de bevolking en het aantal huishoudens in Venray in de komende jaren blijven toenemen. De veronderstelde krimp van de bevolking verschuift naar later. Daarnaast verandert de samenstelling van de bevolking: ook in de gemeente Venray is sprake van vergrijzing. Maar de opgave is diverser. De gemeente Venray zit midden in een ingrijpende transitie op het gebied van verduurzaming, energie en warmte, met de nodige consequenties voor het bouwen en verbouwen van woningen. En veranderingen in het zorglandschap zorgen eveneens voor een opgave voor andere woonvormen voor mensen die zorg en begeleiding nodig hebben, zoveel mogelijk in de eigen thuissituatie. Vitaliteit en leefbaarheid van de wijken en kernen staat soms onder druk en vraagt dan ook aandacht.

Vastgesteld

22

De opgave waar de gemeente voor staat, is dan ook bijzonder complex en veelzijdig. Deze worden samengevat aan de hand van vijf inhoudelijke thema’s, die in het omgevingsprogramma verder zijn uitgewerkt in zo concreet mogelijke aanpak, acties en maatregelen: 1. Snel voldoende woningen bouwen 2. Gevarieerd aanbod 3. Duurzame woningvoorraad 4. Wonen en zorg 5. Vitale wijken en kernen Het initiatief voldoet aan deze inhoudelijke thema’s. Het initiatief zorgt voor extra woningen in de kern Veulen. Daarbij zet de gemeente in op voldoende betaalbare woningen. Daarnaast geeft de gemeente aan dat het belangrijk is om voldoende geschikte woningen te hebben en dat er genoeg nieuwbouwwoningen worden gebouwd en aangeboden, in een goede differentiatie (sociaal, middelduur en duur, huur en koop). Met onderhavig initiatief wordt een woningbouwplan gerealiseerd bestaande uit maximaal elf woningen. De woningen zijn beoogd voor onder andere starters en senioren. De woningen zijn beoogd voor de behoefte op korte en lange termijn. Het initiatief draagt bij aan een gevarieerd woonaanbod doordat in het woningbouwplan een verscheidenheid aan type woningen worden gerealiseerd. Daarnaast wordt met het initiatief ingespeeld op het dringende woningtekort. Het initiatief sluit derhalve uitstekend aan het omgevingsprogramma Wonen 2022-2026 van de gemeente Venray.

4.3.4 Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011 Het in de ‘Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011’ vastgelegde kwaliteitsbeleid omtrent een bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling is gebaseerd op de gedachte dat ruimtelijke ontwikkelingen (bouwactiviteiten) leiden tot verlies aan ruimtelijke kwaliteit en dat dit verlies moet worden gecompenseerd. Achterliggend doel is het behoud en waar mogelijk versterking van de (groene) kwaliteiten van zowel het buitengebied als het stedelijk gebied. Woningbouw dient in principe plaats te vinden binnen de contouren van de dorpen en de grens stedelijke dynamiek. Daarnaast kan het in bepaalde gevallen toch wenselijk zijn om ook in het buitengebied op beperkte schaal incidentele woningbouw toe te staan. In dit geval is het plangebied gelegen in de bebouwde kom van Veulen, derhalve binnen de contour. Voor alle woningbouwontwikkelingen geldt dat alleen kan worden gebouwd bij aantoonbare vraag. Daarnaast is levensloopbestendig en flexibel bouwen het uitgangspunt voor elk nieuw woningbouwplan. Zoals blijkt uit paragraaf 4.3.3 is behoefte aan geschikte woningen voor starters. Het toevoegen van starterswoningen, maar ook door levensloopvriendelijke woningen voldoet derhalve aan de vraag.

Voor het bepalen van de hoogte van de bijdrage in het stedelijk gebied wordt aangesloten bij de bijdrage ruimtelijke ontwikkeling zoals vastgelegd in de nota grondbeleid 2011. Deze bijdrage bestaat uit € 2.500,- per kavel. De tegenprestatie vindt zo veel mogelijk ter plaatse en/of in de nabijheid van de ingreep plaats. Indien dit niet mogelijk is, komt de bijdrage ten goede van het kwaliteitsfonds stedelijk gebied. Initiatiefnemer heeft met de gemeente Venray een anterieure overeenkomst gesloten waarmee hij zich verplicht heeft de kwaliteitsbijdrage te voldoen. 4.3.5 Energiestrategie 2030 In 2013 is de Energiestrategie 2030 voor de gemeenten Beesel, Venlo en Venray: ‘Energie voor groene groei’ vastgesteld. Door de gemeenteraad is daarbij de ambitie uitgesproken om in 2030 CO2 neutraal (ofwel energieneutraal met compensatiemaatregelen) te zijn. Op basis van deze visie is door het college het 2e uitvoeringsprogramma Energie Venray (2018-2021) vastgesteld.

Vastgesteld

23

Met de energiestrategie en het bijbehorende UP zijn de doelstellingen en de gefaseerde uitvoering op lange en korte termijn uitgewerkt. De gemeente is voor het bereiken van de energiedoelen afhankelijk van alle energiegebruikers en energieleveranciers in de gemeente: bedrijfsleven huishoudens, instelling ect. De samenleving laat zich echter niet door de overheid sturen om energie te besparen of lokaal duurzaam op te wekken. Daarvoor moet er in de samenleving vooral ruimte zijn die leidt tot creativiteit en innovatie van de bedrijven en inwoners zelf. De overheid heeft daarin een rol als partner die samenwerkt, belemmeringen wegneemt, faciliteert en het goede voorbeeld geeft. De betrokkenheid van de overheid zorgt voor het aanjagen en versnellen van de gewenste ontwikkelingen. Het streefbeeld in 2030 voor woningen laat zich als volgt schetsen: ▪ Gebouwen hebben de laagste energievraag; ▪ Gebouwen worden energiecentrales; ▪ Slimme netwerken zorgen voor optimale uitwisseling; ▪ 50% van de bestaande woningen en gebouwen zijn 50% energiezuiniger en 50% van de woningen voorziet in 100% van de eigen energievraag. In paragraaf 5.9 is reeds aan de orde gekomen welke duurzaamheidsmaatregelen met de herontwikkeling voorzien zijn.

Vastgesteld

24

5.

RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN

Met de beoogde realisatie van de nieuwe woningen dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1

Milieuaspecten

5.1.1 M.e.r.-beoordeling Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Deze paragraaf bevat een toetsing aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (zie hierna).

Kenmerken van het project ▪ Omvang van het project ▪ Cumulatie met andere projecten ▪ Gebruik van natuurlijke grondstoffen ▪ Productie van afvalstoffen ▪ Verontreiniging en hinder ▪ Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project ▪ Bestaand grondgebruik ▪ Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied ▪ Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect ▪ Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) ▪ Grensoverschrijdende karakter van het effect ▪ Waarschijnlijkheid van het effect ▪ Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect Het initiatief en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r.

het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Het initiatief voor maximaal 11 woningen ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat het initiatief onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.Vastgesteld

25

beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen

Toets Het project heeft betrekking op het realiseren van maximaal elf woningen. De geldende bestemmingsplannen staan deze ontwikkeling niet toe. Om het initiatief mogelijk te maken wordt het bestemmingsplan gewijzigd. Het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in de D-lijst voor stedelijke ontwikkelingsprojecten Nee Nee Nee, behoudens (regulier) huishoudelijk afval wat door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt zal worden. Ook de (tijdelijke) afvalstoffen die ontstaan door de bouw worden door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt. Daarbij vindt zoveel mogelijk als kan recycling plaats Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het milieu Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en er is geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico

Conclusie: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het project Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: ▪ gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) ▪ gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Toets Braakliggend (gedeeltelijk als wonen, verkeer en agrarisch bestemd) N.v.t. Nee, uit de onderzoeken die in het kader van het initiatief zijn uitgevoerd, blijkt dat het project geen significante effecten veroorzaakt voor de omgeving (zie hiervoor betreffende aspecten in hoofdstuk 5 van deze toelichting) Nee Nee

Conclusie: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Criteria Beschermd natuurmonument Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Watergebied van internationale betekenis EHS Landschappelijk waardevol gebied Vastgesteld

Toets Nee Nee Nee Nee Nee 26

Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument Belvédère-gebied

Nee Nee Nee

Conclusie: het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Conclusie milieueffectrapportage a. De woningbouwontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; b. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De daarbij genoemde drempelwaarden worden niet overschreden; c. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit m.e.r. is voor dit initiatief een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling in deze paragraaf blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER niet zinvol is. 5.1.2 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld.

Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG-publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd.

Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Woningen betreffen een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de nieuwe woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies. In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ Een café op de locatie Veulenseweg 49, afstand tot het plangebied 65 meter; ▪ Een gemeenschapshuis op de locatie Brugpas 2, afstand tot het plangebied 75 meter; ▪ Een kerk met begraafplaats op de locatie Veulenseweg 52, afstand tot het plangebied 125 meter;

Vastgesteld

27

▪ ▪

Een agrarisch bedrijf (niet zijnde een intensieve veehouderij of glastuinbouwbedrijf) op de locatie Veulenseweg 43, afstand tot het plangebied 160 meter; Een agrarisch bedrijf (niet zijnde een intensieve veehouderij of glastuinbouwbedrijf) op de locatie Veulenseweg 55, afstand tot het plangebied 210 meter;

De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar, zie onderstaande tabel. Bedrijf

Adres

SBI2008

Café Gemeenschapshuis Kerk met begraafplaats Agrarisch bedrijf (worst-case: grondgebonden veehouderij in de vorm van rundveehouderij) Agrarisch bedrijf (worst-case: grondgebonden veehouderij in de vorm van rundveehouderij)

Veulenseweg 49 Brugpas 2 Veulenseweg 52 Veulenseweg 43

563 94991 96031 0141, 0142

Veulenseweg 55

0141, 0142

Richtafstand tot rustige woonwijk geur stof geluid gevaar 0 0 10 10 0 0 30 10 0 0 30 0 100 30 30 0

100

30

30

0

Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. Dit blijkt niet het geval te zijn. In de nieuwe woningen kan derhalve een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het initiatief. In de woningen kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd en andere functies worden niet belemmerd omdat andere bestaande woningen reeds dichterbij zijn gelegen. 5.1.3 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe woningen. Daarom is voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek1 uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek (NEN 5725) wordt geconcludeerd dat deellocatie A (braakliggend terrein) als onverdacht ten aanzien van bodemverontreiniging te beschouwen is.

Conform het meersporenbeleid van de gemeente Venray is de onverdachte locatie niet aanvullend onderzocht. Ten aanzien van de plek van een voormalige schuur (deellocatie B) wordt geconcludeerd dat de hypothese ‘verdachte locatie’ stand houdt. In de grond met bijmengingen baksteen zijn lichte verontreinigingen met cadmium en zink aangetoond. Het grondwater is sterk verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met barium, kobalt en zink. Voor de verhoogde gehalten metalen in het grondwater zijn geen duidelijke oorzaken of bronnen aan het licht gekomen. Het aantreffen van 1 HMB Groep, Verkennend bodemonderzoek Rector Verbugtstraat (ong.) Veulen, 30 juni 2022, kenmerk: 22253102A

Vastgesteld

28

verhoogde gehalten metalen in het grondwater is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve mag worden aangenomen dat de verontreiniging in het grondwater verhoogde achtergrondgehalten betreffen. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van woningen. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nader bodemonderzoek te adviseren. Wel dient rekening te worden gehouden met enkele gebruiksbeperkingen ten aanzien van het gebruik van het (freatisch) grondwater. De aanwezigheid van metalen in verhoogde gehalten in het (freatisch) grondwater maakt dit minder geschikt om het op te pompen en te gebruiken voor het besproeien van consumptiegewassen of voor het drenken van vee dan wel voor menselijke consumptie. Het is dan ook aan te bevelen het (freatisch) grondwater niet zelf op te pompen en voor een van de genoemde of daarop gelijkende doelen te gebruiken. 5.1.4 Wegverkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden.

In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200

Woningen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woningen. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (mogelijk tot maximaal 63 dB). Als een nog hogere geluidbelasting wordt ondervonden is woningbouw alleen mogelijk als de woningen worden uitgevoerd met een dove gevel op de gevel(s) waar de geluidbelasting meer bedraagt dan 63 dB. De locatie is gelegen binnen de bebouwde kom van Veulen. Binnen de kom van Veulen geldt een maximale rijsnelheid van 30 km/u, waardoor deze wegen niet zoneplichtig zijn. Buiten de komgrens geldt voor de Veulenseweg en Brugpas een rijsnelheid van 60 km/u, waarmee deze wegvakken wel zoneplichtig zijn. De locatie is gelegen binnen de geldende zonebreedte van 250 meter van deze wegen. Om de geluidbelasting van deze wegvakken op de gevels van de nieuwe woningen te bepalen is een akoestisch onderzoek2 uitgevoerd. Het plangebied grenst direct aan een bestaand woningbouwgebied waarvoor in 2012 reeds een uitgebreid akoestisch onderzoek is uitgevoerd.

Uit het onderzoek dat in 2012 is uitgevoerd blijkt dat voor beide wegen al vastgesteld is dat zelfs op korter bij de wegen gelegen woningen voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. In de tussentijd hebben zich geen relevante wijzigingen in de verkeerssituatie voorgedaan, waardoor gesteld kan worden dat voor prognosejaar 2032 op het nieuwe plangebied zonder meer voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. Ook voor de wegvakken die niet 2 HMB Groep, Akoestisch onderzoek Rector Verbugtstraat te Veulen, 24 mei 2022, kenmerk: B01_22253101N

Vastgesteld

29

zoneplichtig zijn geldt dat aan alle eisen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt voldaan. Vanuit wegverkeerslawaai gelden daarom geen bezwaren voor woningbouw. 5.1.5 Luchtkwaliteit Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof.

De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500

Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000

Het voorliggend initiatief voorziet in fors minder woningen. Het initiatief draagt dan ook niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Vastgesteld

30

Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 10,1 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 17,8 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 12,2 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de realisatie van woningen. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. De voorgenomen ontwikkeling zal ook nagenoeg geen extra verkeer aantrekkende werking met zich meebrengen. Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c.

Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.1.6 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De gebouwen voor huisvesting betreffen derhalve geurgevoelige objecten. Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: 1. Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied? 2. Worden omliggende agrarische bedrijven (veehouderijen) als gevolg van de bestemmingswijziging gehinderd in hun bedrijfsvoering? Goed woon- en leefklimaat Op 29 september 2009 heeft de gemeenteraad van Venray de aangepaste Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. De laatste aanpassing van deze geurverordening is vastgesteld op 1 november 2011.

In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het plangebied valt op basis van de geurverordening onder het buitengebied. In de verordening is bepaald dat voor het buitengebied een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 14 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 20 Ou/m3 (achtergrondbelasting). De locatie maakt op basis van het provinciale beleid echter onderdeel uit van de bebouwde kom van Veulen. Daarom is ook gekeken naar de normen voor de bebouwde kom. Op basis van het gemeentelijke beleid geldt voor de geurbelasting in het bestaande woongebied van Veulen 6,5 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 20 Ou/m3 (achtergrondbelasting).

Vastgesteld

31

De te ontwikkelen woningen binnen het plangebied kunnen geurhinder ondervinden van omliggende veehouderijen. In de directe omgeving (500 meter van het plangebied) is sprake van de volgende locaties waar een vergunning verleend is voor het houden van dieren: ▪ Veulenseweg 40, afstand tot het plangebied bedraagt 250 meter; ▪ Brugpas 27, afstand tot het plangebied bedraagt 360 meter; ▪ Veulenseweg 57, afstand tot het plangebied bedraagt 430 meter. De bovenstaande locaties betreffen allen een melkveehouderij. Voor deze veehouderijen geldt volgens de Wgv een vaste afstandsnorm van 100 meter tussen de veehouderij en gevoelige objecten in de bebouwde kom. Aan deze afstandsnormen wordt voor al deze veehouderijen ruimschoots voldaan. Gesteld kan worden dat de omliggende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft voorgrondbelasting. Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven.

Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Hoek 5 Hoek 6 Hoek 7 Hoek 8 Middelpunt

X-coördinaat 194 471 194 485 194 518 194 531 194 527 194 540 194 579 194 534 194 529

Y-coördinaat 388 471 388 445 388 461 388 437 388 435 388 410 388 430 388 512 388 469

Berekende waarde 15,2 15,0 15,3 15,3 15,3 15,1 15,1 15,2 15,4

De achtergrondbelasting binnen het plangebied varieert tussen 15,0 en 15,4 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 20,0 OU/m3. Er wordt daarmee ruimschoots aan de norm voldaan. Op de kaart achtergrondbelasting 2018 behorende bij de gemeentelijke geurverordening wordt de indicatieve achtergrondbelasting als goed (3,1 tot 7,4 OU/m3, 5-10% kans op geurhinder) beoordeeld.

Vastgesteld

32

Afbeelding 12. Uitsnede kaart achtergrondbelasting van de gemeente Venray

De indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder ter plaatse van het plangebied wordt beoordeeld als goed. Een goed leefklimaat ten aanzien van geur ter plaatse van het plangebied wordt op grond van het gemeentelijk beleid aanvaardbaar geacht. Effect voor veehouderijen in de omgeving Hierboven is gemotiveerd dat, om een acceptabel woon- en leefklimaat te garanderen, de afstand tussen een grondgebonden veehouderij en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom minimaal 100 meter dient te bedragen. Indien geurgevoelige objecten dichter dan 100 meter bij een veehouderij worden opgericht kunnen deze geurgevoelige objecten de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden binnen een agrarisch bouwvlak van betreffende veehouderij belemmeren. De afstand van de veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden, tot het plangebied, bedraagt ruimschoots meer dan 100 meter. Aan de geureisen uit de Wgv voor wat betreft deze inrichtingen wordt ruimschoots voldaan. Daarnaast geldt dat bestaande geurgevoelige objecten welke in de directe omgeving van de intensieve veehouderijen zijn gelegen, de bepalende objecten zijn voor wat betreft eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van deze veehouderijen.

De nieuwe woningen, welke verder van de intensieve veehouderijen worden gepositioneerd dan bestaande woningen, hebben derhalve geen beperkende invloed voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van de intensieve veehouderijen.

5.2

Externe veiligheid

Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening gehouden worden met het aspect externe veiligheid. De risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten moeten in beeld worden gebracht. De volgende bronnen kunnen aan de orde zijn: ▪ inrichtingen; ▪ transportactiviteiten met gevaarlijke stoffen; ▪ vuurwerkopslagplaatsen; Vastgesteld

33

▪

opslagplaatsen ontplofbare stoffen voor civiel gebruik.

Hoewel de kans om komen te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen zeer klein is, gelden er toch bepaalde minimaal aan te houden afstanden tot locaties waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of getransporteerd. Deze minimaal aan te houden afstanden worden plaatsgebonden risicocontouren genoemd. De grootte van deze plaatsgebonden risicocontouren verschilt per situatie. Zo speelt de hoeveelheid opgeslagen of vervoerde gevaarlijke stoffen een rol, maar daarnaast bijvoorbeeld ook de wijze van opslag en eventuele aanwezige veiligheidsystemen. Wanneer er een ongeval met gevaarlijke stoffen plaatsvindt, dan kunnen de effecten veel verder reiken dan de plaatsgebonden risicocontour. De afstand tot waar een ongeval met een gevaarlijke stof nog onder 1% van de blootgestelden dodelijke slachtoffers kan veroorzaken vormt het invloedsgebied. Het plaatsgebonden risico zegt dus niets over het aantal mensen dat kan komen te overlijden tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hiervoor is het groepsrisico bedoeld. Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting en wordt weergegeven in een grafiek. In een dergelijke grafiek is de kans op een calamiteit weergegeven tegenover de hoeveelheid mensen die kan komen te overlijden als gevolg van die calamiteit.

Het groepsrisico is geen harde norm, maar vormt de basis voor een verantwoording van de aanwezige risico's door de gemeente. Het gemeentebestuur heeft beleidsruimte bij het toepassen van de hoogte van het groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter, het gemeentebestuur is wel verplicht voor het invloedsgebied verantwoording af te leggen over de hoogte van het groepsrisico, de te nemen maatregelen om de effecten van deze risico's te reduceren en de eventuele restrisico's. Risicovolle bedrijvigheid rond het plangebied Met behulp van de provinciale risicokaart is bepaald of het plangebied binnen de plaatsgebonden risicocontouren, dan wel invloedsgebieden van omliggende risicovolle inrichtingen is gelegen. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven of inrichtingen gelegen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor het de realisatie van de woningen.

5.3

Waterhuishouding

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.3.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, de Provinciale Omgevingsvisie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Vastgesteld

34

Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. Conform de algemene beleidsregels van het Rijk, de provincie, de gemeente en Waterschap Limburg dient bij het realiseren van een nieuwe verharding sprake te zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.

Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem of geheel worden geïnfiltreerd in de bodem. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving. 5.3.2

Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie)

Bodemgesteldheid en grondwater Op de Bodemkaart van Nederland worden de gronden van het plangebied aangeduid als gooreerdgronden, bestaande uit lemig fijn zand. Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil (NLP) blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand voor het grootste deel tussen 140-160 cm-mv is gelegen. Deze diepe grondwaterstand wordt bevestigd door de resultaten uit het bodemonderzoek (zie paragraaf 5.1.3) toen de feitelijke grondwaterstand op 2,31 m-mv is aangetroffen. Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45-0,75 m/dag. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied zelf geen oppervlaktewater ligt. Ten noordwesten van het plangebied, evenwijdig aan de Brugpas, is de watergang “Van Eijkenhof” gelegen welke circa 0,5 km ten noorden van het plangebied aansluit op de Oostrumsche beek. Beide betreffen primaire watergangen van het waterschap. Op deze watergangen is dan ook de Keur van het waterschap van toepassing.

Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergangen niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. Het plangebied bevindt zich ruimschoots buiten deze zones. Een vergunning van het waterschap is derhalve in dit geval niet benodigd.

Vastgesteld

35

5.3.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Hemelwater Met onderhavig initiatief wordt het bestaande woningbouwgebied op de hoek van de Brugpas en Veulenseweg uitgebreid met maximaal 11 nieuwe woningen. Hierbij is sprake van een wijziging van een braakliggend terrein naar woningbouwgebied. De realisatie van onderhavig initiatief leidt daarom tot nieuw verhard oppervlak in de vorm van nieuwe woningen, bijgebouwen en overige verharding (erfverhardingen, inrit en parkeerplaatsen). Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Het waterschap en de gemeente hanteren hiervoor vuistregels waarmee op basis van de toename van verharding een wateropgave kan worden bepaald. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en / of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem. Ten tijde van de ontwikkeling van fase 1 van het woningbouwgebied is een gemeenschappelijke bergingsvoorziening in de vorm van een wadi gerealiseerd ten oosten van het toen gerealiseerde woningbouwgebied (derhalve gelegen binnen de grenzen van het huidige plangebied).

Overtollig hemelwater afkomstig van de woningen en het openbaar gebied wordt middels infiltratiebuizen (met een capaciteit van 160 m3) onder de wegen naar deze bergingsvoorziening (met een capaciteit van 170 m3, 1 meter diep) geleidt. Dit systeem kan in totaal 330 m3 water bergen en hier krijgt het water de mogelijkheid in de bodem te infiltreren. Dit systeem is specifiek gedimensioneerd op de berging en infiltratie van het hemelwater afkomstig van fase I. De bergingsvoorziening is derhalve niet geschikt om het hemelwater afkomstig van de bestaande woonwijk en de nieuw te realiseren woonwijk op te vangen en te infiltreren. Het voornemen bestaat dan ook om enerzijds de huidige wadi te dempen en te verplaatsen naar elders om op de plek van de wadi nieuwe woningen te kunnen realiseren en anderzijds een nieuwe bergingsvoorziening te realiseren voor zowel de huidige als het nieuwe woningbouwgebied. De nieuwe bergingsvoorziening wordt uitgevoerd in de vorm van een infiltratiebuis onder de nieuw aan te leggen zijstraat van de Rector Verbugtstraat, welke aansluit op een nieuwe wadi in de groenstrook in het noordelijk deel van het plangebied. De infiltratiebuis worden net als de huidige infiltratiebuizen in fase I omhuld met stabilisatiezand en gelegd boven de GHG. Conform het beleid van de gemeente Venray zal de bergingsvoorziening minimaal 60 mm moeten kunnen bergen.

Daarnaast moet de bergingsvoorziening zodanig zijn ingericht dat deze binnen 24 uur weer leegloopt in de bodem. De norm van 60 mm geldt alleen er geen verbinding is tussen de infiltratievoorziening en oppervlaktewater. Als de infiltratievoorziening loost op oppervlaktewater gelden de normen van het waterschap. Deze stelt dat de infiltratievoorzieningen minimaal 100 mm groot moet zijn. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig; er kan dan ook worden gerekend met de norm van de gemeente Venray. Het nieuwe woningbouwgebied voorziet circa in 2.800 m2 woonbestemming en circa in 1.000 m2 verkeersbestemming. Uitgaande dat dit volledig verhard kan worden neemt het verhard oppervlak met 3.800 m2 toe. De extra waterberging dient zodoende een capaciteit te hebben van 228 m3. Samen met de te verplaatsen waterberging dient de nieuwe waterberging een capaciteit te hebben van 228 + 170 = 398 m3. De exacte inhoud van de infiltratiebuis onder de weg zal later exact bepaald worden, maar wordt thans geschat op 40 – 80 m3. De oppervlakte van de te realiseren groenstrook in het noordelijk deel van het plangebied bedraagt circa 900 m2. Uitgaande van een maximale diepte van 1 meter (net zoals de huidige wadi) kan hier een wadi worden gerealiseerd met een maximale inhoud van 900 m3, meer dan voldoende om te voorzien in de te bergen capaciteit.

Echter zal niet de gehele groenstrook als wadi worden ingericht, er dient ook te worden voorzien in groeiplaatsen voor bomen en struiken. Er blijft echter meer dan voldoende ruimte aanwezig om een wadi met een voldoende capaciteit in de groenstrook te realiseren.

Vastgesteld

36

In dit bestemmingsplan zijn geen capaciteitsberekeningen tot op detailniveau opgenomen. De exacte wijze waarop met hemelwater zal worden omgegaan, wordt uitgewerkt in het kader van het civieltechnisch ontwerp. Ten aanzien van de waterkwaliteit zijn er een aantal andere aspecten om in acht te nemen: ▪ het af te koppelen dakoppervlak mag niet worden vervaardigd van uitlogende bouwmaterialen. ▪ af te koppelen verhardingen (wegen, parkeervoorzieningen en stoepen) kunnen verontreinigingen bevatten. Door tussenkomst van olie- / slibafscheidende kolken, of een voldoende brede bermpassage dient de kwaliteit van het afgevoerde hemelwater te worden gewaarborgd. Afvalwater / riolering Voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater zal voor de nieuwe woningen een aansluiting gemaakt worden op het gemeentelijk rioleringsstelsel welke zal worden doorgetrokken tot binnen het plangebied. Er worden geen problemen verwacht ten aanzien van de capaciteit van het rioleringssysteem.

5.4

Kabels, leidingen en straalpaden

Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen. Een straalpad is een denkbeeldige lijn tussen twee bouwwerken ten behoeve van telecommunicatie. Binnen een straalpad dient rekening gehouden te worden met de maximale bouwhoogte voor zover dat het verboden is enig bouwwerk op de gronden te bouwen met een grotere hoogte dan de hoogte van een straalpad. Verspreid over Nederland staat een aantal militaire- en burgerradarstations. Deze dienen voor de beveiliging van het nationale luchtruim en over de veilige afhandeling van het militaire en het civiele luchtverkeer. Objecten hoger dan 65 m +NAP binnen 15 nautische mijl (circa 28 km) van dit radarstation kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en kunnen derhalve niet worden toegestaan, tenzij uit onderzoek is gebleken dat de mate van verstoring aanvaardbaar is. Hiervoor dient een radarverstoringsonderzoek te worden uitgevoerd.

De locatie ligt op circa 29 m +NAP. De maximale goothoogte van een woning is vastgelegd op 6,0 meter, daarnaast dien de helling van de kap ten minste 0° en ten hoogste 65° te bedragen. Met deze goothoogte en maximale helling samen met de ligging van de locatie op 35 m +NAP kan gesteld worden dat dit nooit meer bedraagt dan 65 m +NAP. Een radarverstoringsonderzoek is om die reden niet noodzakelijk. Het initiatief heeft geen negatieve effecten op het radarbeeld.

5.5

Natuur

De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden.

Vastgesteld

37

5.5.1 Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de bouw van de woningen hierop te onderzoeken is een quickscan flora- en fauna3 uitgevoerd. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht.

Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wnb begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Wnb. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. 5.5.2 Natura2000 Binnen een afstand van 10 km van het plangebied zijn de volgende Natura2000-gebieden gelegen: ▪ Deurnsche Peel & Mariapeel, afstand 4,3 km ▪ Boschhuizerbergen, afstand 7,0 km In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 4,3 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied.

Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Aanlegfase De voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 11 woningen op de hoek van de Brugpas en Veulenseweg. In het kader van het planvoornemen, worden naast de woningen, ook de openbare ruimte ingericht, met onder andere groen, waterberging(en) en een ontsluitingsweg. Bij de inrichting van de openbare ruimte als de realisatie van de 11 woningen wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden verkeersbewegingen plaats. Dit zorgt voor een emissie van stikstof. Deze emissie en het effect daarvan op de Natura2000-gebieden is berekend. 3

Faunaconsult, flora- en fauna-inspectie voor een locatie aan de Boggerd te Veulen, 10 oktober 2022

Vastgesteld

38

Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de aanpak van de openbare ruimte en de realisatie van woningen (tabel 12).

30 30 35

19,28

2014

Diesel

100

70

2015

Diesel

100

55

2014 2014 2015

Diesel Diesel Diesel

100 140 60

55 80 70

15,49 17,81

2013 2008

Diesel Benzine

40 20

55 40

6,46 3,79

19,47 15,34

11,79

1.152 578 675

80 40

Totale emissie

38,40 19,28

Brandstofve rbruik (l/j) Adblue verbruik (l/j)

70 70 70

Draaiuren

200 100 100

Liters diesel per uur*

Diesel Diesel Diesel

Belasting (%)

2014 2015 2015

Vermogen (kW)

Brandstof

Betonpomp Hijskraan Graafmachine (middelgroot) Graafmachine (groot) Laadschop (middelgroot) Laadschop (groot) Asfaltfreesmachine Asfalt afwerkinstallatie Wals Trilplaat Totaal

Bouwjaar

Werktuig

Tabel 1. Mobiele werktuigen

1,4 0,8 1,8

35

681

45 45

35

537

35

35 10 10

542 178 118

35 10 8

2,0 1,3

10 35

65 133

0 0

1,4 4,2 16,7

1,9 1,8

0,3

Ten tijde van de aanlegfase vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Daarnaast kunnen ook nog overige bezoekers naar de locatie komen. Er is uitgegaan van 2 bedrijfsbusjes per woning, dit betreft middelzwaar verkeer. Naar de locatie rijden ook diverse vrachtauto’s voor het aan- en afvoeren van materialen. Er wordt uitgegaan dat op de drukste dag 20 vrachtwagens aanwezig zijn.

Afbeelding 13. Uitsnede berekening AERIUS Calculator (aanlegfase)

Uit de berekening van de bouwfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden toeneemt met 0,01 mol/ha/jaar (zie bijlage 1). Op basis van de Handreiking Voortoets Stikstof van BIJ12 is tijdens de bouwfase een toename van ten hoogste 0,1 mol/ha mogelijk aangezien dit een tijdelijke toename betreft. Een passende beoordeling of een nadere beschouwing is in zo’n geval niet aan de orde. Daar is in dit geval sprake van; de tijdelijke toename tijdens de bouwfase van de woningen bedraagt niet meer dan 0,01 mol/ha. Er is tijdens de bouw van de woningen daarom geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden.

Vastgesteld

39

Gebruiksfase Sinds 1 juli 2018 krijgen nieuwe woningen geen gasaansluiting meer, derhalve vindt vanuit de woningen geen uitstoot van NOx meer plaats. Wel kan NOx plaatsvinden door de uitstoot van voertuigen van en naar de woningen. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeercijfers naar parkeernormen’. Er is uit gegaan van de planopzet met de grootste verkeersgeneratie. Deze planopzet bestaat uit één vrijstaande woning en 10 halfvrijstaande woningen. Op basis van de kencijfers genereert één vrijstaande woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Op basis van de kencijfers genereert één halfvrijstaande woning per etmaal minimaal 7,4 en maximaal 8,2 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereert het initiatief dagelijks 90,6 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 45,3 voertuigen. Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door de toename van het verkeer de emissie NOx met 20,2 kg/jaar toeneemt vanuit de locatie.

Afbeelding 14. Uitsnede berekening AERIUS Calculator (gebruiksfase)

De stikstofemissie neemt door het gebruik van de woningen en de nieuwe verkeersgeneratie toe met 20,2 kg NOx per jaar. Deze beperkte toename leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden (zie bijlage 2). De berekende depositie bedraagt minder dan 0,00 mol/ha/jaar, zodat kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een significant effect; de natuurlijke kenmerken van Natura 2000gebieden worden niet aangetast.

5.6

Archeologie en cultuurhistorie

5.6.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Venray heeft een eigen archeologische beleidskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. De kaart en het bijbehorende rapport zijn afgerond in het voorjaar van 2008 (RAAP rapport 1482: “Begrensd verleden; Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Venray”).

Vastgesteld

40

De gemeente Venray heeft een eigen archeologische beleidskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. De kaart en het bijbehorende rapport zijn afgerond in het voorjaar van 2008 (RAAP rapport 1482: “Begrensd verleden; Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Venray”). Vanwege de gemeentelijke herindeling in 2010 is de archeologische beleidskaart geactualiseerd, waarbij Geijsteren, Wanssum en Blitterswijck en het buitengebied daaromheen in de kaart zijn opgenomen. Deze geactualiseerde versie is in de 2013 vastgesteld. Op deze beleidskaart is het plangebied voor het grootste deel gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde (categorie 4). Daarnaast is een klein deel van het plangebied gelegen in een gebied met een lage verwachting (categorie 7). In gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde dient archeologisch onderzoek plaats te vinden indien het terrein over een oppervlakte groter dan 500 m2 dieper dan 0,5 m verstoord wordt. De gemeente Venray stelt geen onderzoeksplicht in voor gebieden met een lage archeologische verwachting. De kans op sporen is in deze gebieden immers klein. Het plangebied is dan ook voorzien van de dubbelbesteming ‘Waarde – Archeologie – 2’ om de hoge archeologische verwachtingswaarde te waarborgen.

Afbeelding 15. Uitsnede archeologische beleidskaart

De gestelde ondergrenzen zullen in het kader van het initiatief worden overschreden. In het kader van het initiatief is daarom een archeologisch onderzoek4 uitgevoerd. Het plangebied bestaat uit braakliggende gronden naast nieuwbouw. Het reliëf is onregelmatig: er zijn grote kuilen, maar ook ophogingen en een zandhoop aanwezig. De hoogteverschillen bedragen maximaal 1 meter. Tijdens de verkennende boringen wordt een veelal begraven gooreerdgrond aangetroffen, in een enkele boring wordt grind aangetroffen met een fluviatiele herkomst. Gezien de aanwezigheid van een gooreerdgrond en de aanwijzingen voor een nat en dynamisch milieu wordt het plangebied ongeschikt geacht voor bewoning of gebruik in het verleden. Op basis daarvan wordt de archeologische verwachting afgeschaald worden naar “laag”. Op basis van de resultaten van dit onderzoek worden er in het plangebied geen archeologische resten verwacht. Daarom wordt verder archeologisch onderzoek niet zinvol geacht, hetgeen aansluit bij de conclusies van de direct ten westen van het plangebied uitgevoerde archeologische onderzoek voor fase I. De gemeente Venray neemt dit advies over als selectiebesluit. 4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13807629/1