010 Kadernota RUD LN 2026
Tekst van het document
KADERNOTA RUD LIMBURG NOORD 2026
02 december 2024 Versie 1.1
Inhoudsopgave 1.
Inleiding ..................................................................................................................................... 4
2.
Doelstelling, takenpakket en werkwijze RUD LN .............................................................. 6
3.
Beleidskaders en ontwikkelingen ......................................................................................... 8
3.1 Organisatorische ontwikkelingen ........................................................................................... 8 Vorming robuuste Omgevingsdienst ........................................................................................ 8 Doorontwikkeling binnen de huidige staande organisatie – twee sporen ...................... 10 Omgevingsdienst NL (ODNL) ................................................................................................... 11 3.2 Landelijke ontwikkelingen ..................................................................................................... 12 Omgevingswet ............................................................................................................................. 12 Doorontwikkeling informatievoorzieningen en datakwaliteit ............................................ 12 3.3 Vakinhoudelijke ontwikkelingen ........................................................................................... 14 Bodemtaken ................................................................................................................................. 14 Wet kwaliteitsborging Bouwen (Wkb) ....................................................................................
15 Energie .......................................................................................................................................... 15 Overige ontwikkelingen ............................................................................................................. 15 3.4 Ontwikkelingen in de bedrijfsvoering ................................................................................. 16 Algemeen ...................................................................................................................................... 16 Personeel ...................................................................................................................................... 16 4.
Financiële uitgangspunten ................................................................................................... 18
4.1 Algemeen .................................................................................................................................. 18 4.2 Exploitatie (lasten en baten) ................................................................................................ 18 4.3 Tarieven .................................................................................................................................... 18 4.4 Impact ontwikkelingen ........................................................................................................... 19
2
3
1. Inleiding De Regionale Uitvoeringsdienst Limburg Noord (RUD LN) is een samenwerkingsverband tussen de 15 gemeenten in Noord- en Midden-Limburg en de provincie Limburg. De RUD Limburg Noord is sinds 1 januari 2018 een gemeenschappelijke regeling (GR). In de Wet gemeenschappelijke regeling is vastgelegd dat het Algemeen Bestuur voor 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders toestuurt naar de raden en staten van haar deelnemers. In de voorliggende kadernota 2026 zijn de uitgangspunten voor de begroting 2026 opgenomen. De kadernota is tot stand gekomen in samenwerking en na afstemming met het lijnmanagersoverleg (LMO) en de financieel adviseurs van de deelnemers. De ontwerpbegroting 2026 zal vervolgens worden opgesteld en rond eind april 2025 aan de raden en staten worden toegezonden. Gezien de huidige dynamiek in de economie en in ons werkveld, is het opstellen van de kadernota een lastige opgave en sluiten we het niet uit dat de situatie er te zijner tijd anders uit zal zien. Dit geldt bijvoorbeeld voor de effecten van de ontwikkelingen in regelgeving, de inflatie, de energiecrisis, het tekort op de arbeidsmarkt, maar vooral ook de gevolgen van de uitwerkingen van het Interbestuurlijk Programma VTH.
In maart 2024 heeft het Algemeen Bestuur van de RUD Limburg Noord een plan van aanpak vastgesteld om toe te werken naar een robuuste omgevingsdienst in 2026 die voldoet aan de robuustheidscriteria die tot stand gekomen zijn in het Interbestuurlijk Programma VTH. In aanvulling op het plan van aanpak is er een verkenningsonderzoek uitgevoerd om te bekijken hoe de deelnemers in gezamenlijk hierin het beste resultaat kunnen creëren. Dit heeft geleid tot de vorming van een aparte projectorganisatie, bemenst met interne medewerkers, aangestuurd door twee gedelegeerd bestuurlijke opdrachtgevers. De projectorganisatie zal voor 1 juli 2025 een bedrijfsplan op hoofdlijnen opstellen. Hierdoor ontstaan er de komende periode twee “stromen”, going concern (de winkel blijft open) en de doorontwikkeling naar een robuuste Omgevingsdienst. De projectorganisatie heeft aangegeven dat onderstaande criteria binnen de huidige staande organisatie verder ontwikkeld gaan worden: ➢ De dienst voldoet aan geldende kwaliteitscriteria VTH voor zowel de basistaken als de plustaken. ➢ De dienst heeft voldoende aandacht, capaciteit en budget voor innovatie blijkend uit aanwezigheid van een (meerjarige) innovatieagenda en vrij besteedbaar budget voor innovatie. ➢ Er wordt informatie gestuurd gewerkt.
Dat komt tot uitdrukking in percentage van de uitvoeringsformatie VTH voor businessintelligence en opleidingsbudget van 3% van de loonsom. In de begroting 2026 zal dan ook rekening gehouden gaan worden met de uitwerking van deze criteria. Wij stellen de begroting met de grootst mogelijke zorg en volgens de laatste ontwikkelingen op. Gezien bovenstaande benadrukken wij dat het mogelijk is dat wij straks in de begroting rekening moeten houden met zaken die tijdens het schrijven van deze kadernota nog niet bekend zijn.
4
5
2. Doelstelling, takenpakket en werkwijze RUD LN In het beslisdocument van de RUD Limburg Noord (21-12-2017 in AB) zijn de missie en visie opgenomen die richtinggevend zijn voor de organisatie van de RUD Limburg Noord. Deze zijn als volgt: Missie De deelnemers aan de RUD Limburg Noord hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de kwaliteit van dienstverlening aan burgers, bedrijven en belanghebbenden te verbeteren bij de uitvoering van VTH-taken en de kwaliteit, veiligheid en gezondheid van de leefomgeving te verbeteren. Visie De RUD Limburg Noord is een innovatieve, slagvaardige en efficiënte organisatie, die bijdraagt aan de verbetering van de kwaliteit, gezondheid en veiligheid van de leefomgeving en aan de verbetering van de dienstverlening aan burgers en bedrijven. De dienstverlening wordt o.a. verbeterd door: • Een ‘level playing field’ (gelijke benadering en behandeling onder de RUD LN); • Minder toezichtlasten door efficiënte en innovatieve toezichtmethoden. De RUD Limburg Noord is daarbij een flexibele organisatie die zich verhoudt tot de ontwikkelingen in de omgeving en hiervoor samenwerkt met ketenpartners. De RUD Limburg Noord draagt zorg voor de uitvoering van tenminste het wettelijke basistakenpakket als bedoeld in artikel 13.12 van het Omgevingsbesluit.
Daarnaast kan een deelnemer de uitvoering van het milieutakenpakket voor niet RUD-inrichtingen, het Omgevingswettakenpakket en desgewenst APV (Algemene Plaatselijke Verordening) en bijzondere wetten onderbrengen bij de RUD Limburg Noord. De feitelijke uitvoering van de taken die bij de RUD Limburg Noord zijn “ondergebracht” gebeurt nog door medewerkers van de deelnemers. Ze werken samen aan de realisering van het jaarlijks door het Algemeen Bestuur vastgestelde regionale uitvoeringsprogramma. Ambitie De RUD Limburg Noord: wil een vanzelfsprekende deskundige partner in de regio zijn voor het bereiken van de (kern)doelen van de Omgevingswet; zit bij de partners aan tafel en werkzaamheden worden in gezamenlijkheid uitgevoerd. De RUD kan daarbij flexibel inspringen op veranderende behoeften vanuit haar deelnemers; groeit van de uitvoeringsdienst zoals we nu zijn naar dé omgevingsadviseur in brede zin binnen onze leefomgeving, die input levert aan beleid, vergunningverlening, toezicht en handhaving en tot slot procesoptimalisatie. De inhoud van het werk en te leveren kwaliteit is daarbij altijd leidend; voert uit op een ondernemende, innovatieve, betrouwbare én uitdagende manier. Werkwijze Voor de uitvoering van VTH-taken wordt nog gebruik gemaakt van de expertise die aanwezig is bij de deelnemers.
Daarbij blijft het loket voor het indienen van vergunningaanvragen, meldingen en klachten en besluitvorming over vergunningen en handhavingszaken bij de individuele deelnemers. Om kwaliteit van uitvoering en onderlinge afstemming te borgen is er een coördinatiecentrum in dienst van de RUD Limburg Noord. Het coördinatiecentrum ondersteunt en faciliteert de partners, coördineert werkzaamheden en opleidingen.
6
7
3. Beleidskaders en ontwikkelingen
De kadernota voor 2026 wordt in november 2024 door het Dagelijks Bestuur en in december 2024 door het Algemeen Bestuur vastgesteld. In onderstaande paragrafen zijn de beleidskaders benoemd die een belangrijke rol spelen bij de uitvoering van de VTH-taken door de RUD Limburg Noord en haar deelnemers (zoals in hoofdstuk 2 benoemd).
3.1 Organisatorische ontwikkelingen Vorming robuuste Omgevingsdienst De commissie Van Aartsen heeft onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het VTH-stelsel in Nederland. De commissie heeft in haar rapport “Om de leefomgeving” (4 maart 2021) aangegeven dat een sterker en onafhankelijker VTH-stelsel nodig is om vermijdbare schade aan het leefmilieu te voorkomen. De commissie heeft onder andere aanbevelingen gedaan over de robuustheid, de onafhankelijke positie en de financiering van de Omgevingsdiensten. Deze aanbevelingen zijn vertaald naar het Interbestuurlijk Programma (IBP) VTH. In het IBP trokken Rijk, IPO, VNG en Omgevingsdienst NL gezamenlijk op. De centrale ambitie was om te komen tot robuuste, deskundige en vernieuwende Omgevingsdiensten die hun taken met gezag, onafhankelijkheid en professionaliteit kunnen uitvoeren en waarbij de informatiehuishouding tussen alle partijen in de keten op orde is. Hiervoor is een programma ontwikkeld bestaande uit zes pijlers: 1. Robuuste Omgevingsdiensten en financiering 2. Bestuursrechtelijke en stafrechtelijke handhaving en vervolging 3. Informatie-uitwisseling en datakwaliteit 4. Kennisinfrastructuur (inclusief arbeidsmarkt voor gekwalificeerd personeel) 5. Onafhankelijke uitvoering van toezicht en handhaving 6. Monitoring kwaliteit milieutoezicht Elke pijler heeft inmiddels adviezen en/of producten opgeleverd.
Als voorbeeld is er vanuit pijler 1 een dringend advies opgesteld om de wijze van begroten te uniformeren. De uitwerking en wijze waarop is daarbij opgeleverd. Vanuit pijler 5 is een uniform mandaat opgesteld. Het is nu aan de omgevingsdiensten zelf om aan de slag te gaan met het in de praktijk brengen van de voorgestelde verbeteringen. Ook zijn er vanuit pijler 1 zes robuustheidscriteria opgesteld waaraan de omgevingsdienst per april 2026 dient te voldoen: 1. De omvang van het regionaal werkprogramma, gecombineerd met het percentage medewerkers in eigen dienst. Deze omvang is minimaal € 16,5 miljoen (inclusief overhead en prijspeil 2023) en 80% van de medewerkers in het primaire proces is in dienst van de organisatie. 2. De dienst voldoet aan geldende kwaliteitscriteria VTH voor zowel basistaken als plustaken. 3. De dienst heeft voldoende aandacht, capaciteit en budget voor innovatie, blijkend uit de aanwezigheid van een (meerjarige) innovatieagenda en vrij besteedbaar budget voor innovatie. Het percentage voor het innovatiebudget is 1% van de begroting. 4. De dienst kan risico’s en veranderingen in de omvang van het overgedragen takenpakket opvangen door het aanhouden van buffers (weerstandsvermogen). Dit blijkt uit afdoende algemene
8
reserve voor geïdentificeerde risico’s en onverwachte operationele tegenvallers en expliciete afspraken over uitname. Het percentage voor het weerstandsvermogen betreft 1%. 5. De dienst kan een relatie leggen tussen werk, mensen en geld. Er wordt informatiegestuurd gewerkt. Dat komt tot uitdrukking in het percentage van de uitvoeringsformatie VTH voor business intelligence en opleidingsbudget van 3% van de loonsom. 6. De dienst past bij de identiteit van het werkgebied en er is sprake van samenhang (coherentie) in het takenpakket en logica in het geografisch werkgebied. De maatschappelijke opgave staat centraal. Aan de omgevingsdiensten is verzocht om vóór 1 april 2024 een plan van aanpak op te stellen, waarin is aangegeven op welke wijze aan de gestelde robuustheidscriteria zal worden voldaan. Het Algemeen Bestuur heeft op 28 maart 2024 dit plan van aanpak vastgesteld en gekozen voor het scenario ‘regionale, robuuste omgevingsdienst'. In aanvulling op het plan van aanpak is er in mei en juni 2024 een verkenningsonderzoek uitgevoerd om te bekijken hoe de deelnemers in gezamenlijkheid hierin het beste resultaat kunnen creëren. Dit heeft geleid tot de vorming van een aparte projectorganisatie, bemenst met interne medewerkers, aangestuurd door twee gedelegeerd bestuurlijke opdrachtgevers en drie ambtelijke opdrachtgevers (gemeentesecretarissen).
Twee programmamanagers sturen vijf inhoudelijke werkgroepen aan: LMO (= taken/inhoud), HRM, Financiën, Informatisering en Juridisch. Deze werkgroepen leveren uiteindelijk de input voor het opstellen van een bedrijfsplan. Dat bedrijfsplan moet er liggen op 1 juli 2025. Het Algemeen Bestuur heeft daarbij aangegeven dat kwaliteitsverbetering, verdere professionalisering, het meenemen van de verworvenheden van de huidige RUD, een zorgvuldig proces en het bewaken van de (praktische) werkbaarheid van de nieuwe organisatie belangrijke leidende principes zijn. De projectorganisatie zal in het bedrijfsplan ook de aanbevelingen vanuit sturing meenemen en uitwerken.
Na oplevering van het bedrijfsplan zal de nieuwe omgevingsdienst worden ingericht in lijn met opzet en inhoud van dat bedrijfsplan. Deze taak zal komen te liggen bij een kwartiermaker/beoogd directeur van de Omgevingsdienst Limburg Noord. De incidentele financiële consequenties van het traject naar de nieuwe robuuste omgevingsdienst worden niet opgenomen in deze Kadernota 2026. Deze kosten bestaan grotendeels uit ureninzet van medewerkers van de RUD-partners. De inzet van de programmamanagers kan (deels) worden bekostigd uit de gevormde bestemmingsreserve vorming robuuste omgevingsdienst. Daarnaast zal de projectorganisatie een verzoek indienen bij Omgevingsdienst NL voor een bijdrage in de kosten van de activiteiten die nodig zijn om robuust te worden. Hiervoor stelt het ministerie, via Omgevingsdienst NL, namelijk een incidentele subsidie beschikbaar. Over de structurele financiële impact van de nieuwe robuuste omgevingsdienst Limburg Noord op de bijdragen van de individuele RUD-partners kan nog niet veel worden aangegeven. Dat zal voor een groot deel afhangen van de omvang van de taakinbreng van de partners en van de wijze waarop de nieuwe omgevingsdienst zal worden georganiseerd. Hoewel sterk indicatief moet daarbij rekening gehouden worden met een toename van 4-6 miljoen euro aan structurele kosten per jaar (omgevingsdienst-breed).
Daarnaast moet voor de jaren 2025-2027 rekening gehouden worden met incidentele kosten (transitie-, frictie en desintegratiekosten). In het rapport van Berenschot is dit becijferd op totaal 3 miljoen euro regiobreed voor die periode. De projectorganisatie zal op vastgestelde termijnen een voortgangsrapportage opleveren aan het ministerie en het ministerie zal hierover in overleg gaan met de omgevingsdiensten. (Financiële) uitwerkingen vanuit de projectorganisatie zullen apart aan u door het projectteam worden voorgelegd.
9
Doorontwikkeling binnen de huidige staande organisatie – twee sporen De RUD Limburg Noord heeft de afgelopen jaren natuurlijk niet stil gezeten en was al voordat het Interbestuurlijk Programma er lag, zelf ‘going concern’ aan de slag met haar eigen verbetertraject. Door de oprichting van de projectorganisatie ontstaan er de komende periode twee “sporen”: going concern (organisatieverbetering met de winkel open) en de projectmatige doorontwikkeling naar een robuuste Omgevingsdienst. Deze twee sporen haken vanzelfsprekend sterk op elkaar in. Dit vergt de komende jaren sterke afstemming. Zo is de staande organisatie al geruime tijd aan de slag met het uitvoeren van het lopende verbeterplan en gaat daar ook in 2025 en 2026 mee door. De belangrijkste lopende verbeteracties zijn: 1. Aanpassing in proces van het Regionaal Uitvoeringsprogramma (RUP). Dit betekent onder andere veel meer werken vanuit de regionale totaalopgave en de daarbinnen benodigde en aanwezige specialistische menskracht. Met die aanpak kan ook veel beter gestuurd worden op het naleven van de landelijke kwaliteitscriteria. Voor de lijnmanagers betekent het dat men opdrachtnemer wordt voor een bepaald werkpakket. Deze versterking van de uitvoering gaat niet vanzelf.
Daartoe is het nodig dat een werkverdeler wordt aangesteld (1 fte), die verantwoordelijk is voor de werkverdeling op kwaliteitscriteria en die – in samenwerking met de werkgroep RUP en de lijnmanagers - monitort, rapporteert en bijstelt. 2. Daarnaast is het inhoud/omvang van het RUP mede afhankelijk van de beleidskeuzes die gemaakt worden. Vandaar dat in lijn met eerdere voorstellen over sturing een beleidsadviseur wordt aangesteld (1 fte), die aan de slag gaat met de doorontwikkeling, prioritering en innovatie op de uitvoering/RUP/uitvoeringsprotocollen. Het betreft hier een nieuwe functie, waarmee in de begroting nog niet eerder in was voorzien. De bekostiging van deze functie zal dan ook verwerkt worden in de meerjarenbegroting 2026. De kosten zullen tussen de €100.000 en de € 130.000 liggen. 3. Realiseren van een innovatiebudget voor projecten (2025: € 100.000 en vanaf 2026 € 250.000). Naast deze acties vanuit het lopende verbetertraject heeft de projectorganisatie regionale robuuste omgevingsdienst aangegeven dat directie/lijnmanagement van de huidige organisatie ook al vanuit going concern aan de slag kan met realisatie van een deel van de robuustheidscriteria. Het betreft de volgende onderdelen: ➢ De dienst voldoet aan geldende kwaliteitscriteria VTH voor zowel de basistaken als de plustaken.
➢ De dienst heeft voldoende aandacht, capaciteit en budget voor innovatie blijkend uit aanwezigheid van een (meerjarige) innovatieagenda en vrij besteedbaar budget voor innovatie. Zie koppeling met het hierboven benoemde actiepunt 3 uit het huidige verbeterplan. ➢ Er wordt informatie gestuurd gewerkt. Dat komt tot uitdrukking in het per 1 januari 2025 in gebruik nemen van de centrale RUD-tenant van Rx.Mission (‘we werken in 1 omgeving bij de uitvoering van de RUD-taken'), het creëren van een percentage van de uitvoeringsformatie VTH voor businessintelligence en opleidingsbudget van 3% van de loonsom. Met al deze verbeteracties vanuit de staande organisatie (‘going concern’) wordt in deze Kadernota en begroting 2026 rekening gehouden en vindt de benodigde financiële doorvertaling plaats (uitbreiding formatie en beschikbaarstelling budgetten). Hiertoe wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van deze Kadernota (Financiële uitgangspunten).
10
Omgevingsdienst NL (ODNL) De RUD Limburg Noord is lid van deze vereniging van directeuren van de 29 Omgevingsdiensten. De ODNL heeft zich in de afgelopen jaren ontwikkeld tot een platform dat ondersteuning biedt aan de aangesloten diensten, landelijke projecten coördineert, subsidie voor bepaalde projecten verdeeld, kennis ontwikkelt (kennisnet) en gesprekspartner voor ministerie (I&W) en VNG is. Ook bij de verbeteringen in het VTH-stelsel, het IBP, heeft ODNL een prominente regisserende rol. Het programmabureau van ODNL is de spil in de kennisdeling en bij coördinatie van landelijke projecten en subsidiestromen. De verwachting is dat in 2026 de RUD Limburg Noord nog meer zal samenwerken met ODNL in zowel uitwisseling van gegevens als kennisdeling. Ook krijgt ODNL een centrale rol in het verdelen van incidentele of projectmatige subsidies.
11
3.2 Landelijke ontwikkelingen Omgevingswet Met het in werking treden van de Omgevingswet (Ow) per 1 januari 2024, verdwijnt het begrip 'inrichting' afkomstig uit de Wet milieubeheer. Hiervoor in de plaats komt het begrip milieubelastende activiteit (verder: MBA genoemd). Om VTH-werkzaamheden uit te kunnen voeren na inwerkingtreding van de Omgevingswet is het noodzakelijk om het inrichtingenbestand “om te zetten” naar MBA’s. De omzetting is cruciaal voor de bedrijfsvoering binnen de RUD Limburg Noord en zijn partners. De gemeenten zijn weliswaar de brongegevenshouders, maar de ombouw naar MBA’s is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de RUD Limburg Noord en zijn partners. Het omzetten naar MBA’s, met name bij de huidige vergunningsplichtige locaties, is arbeidsintensief en complex. De initiële omzetting is de afgelopen jaren gefaseerd ter hand genomen, maar nog niet afgerond. Een en ander vergt de komende jaren nog werk. Daarbij wordt zoveel mogelijk ingezet op het going concern beoordelen/omzetten van MBA’s , m.a.w. zodra een zogenoemd ‘natuurlijk moment’ zich voordoet. Zo’n moment is bijvoorbeeld een periodieke controle, een ‘nieuwe’ vergunningaanvraag of een melding. De Omgevingswet voorziet in meer lokale afwegingsruimte, passend bij lokaal beleid, in bijvoorbeeld Omgevingsplannen. Gemeenten hebben tot en met 2032 de tijd om beleidskeuzes te maken.
Welke keuzes gemeenten maken en wanneer, heeft effect op de uitvoering van taken door de RUD Limburg Noord. De RUD Limburg Noord adviseert de gemeenten (op verzoek) daarbij. In 2021 is door Seinstra & partners bij verschillende Omgevingsdiensten uitgebreid onderzoek verricht naar de (financiële) impact van de Omgevingswet. Daaruit is gebleken dat de uitvoering structureel meer zal gaan kosten. Wat dit precies aan kosten voor de RUD Limburg Noord betekent is nog niet in beeld en zal pas gaande de uitvoering inzichtelijker worden. Doorontwikkeling informatievoorzieningen en datakwaliteit De komst van de Omgevingswet (Ow), de ontwikkelingen in digitale dienstverlening en het werken in Omgevingsdiensten, vereist een andere manier van bijhouden van de informatie. Van lokale, stand-alone systemen naar systemen die “in de cloud” zitten en aangesloten zijn op landelijke voorzieningen. De focus voor 2026 ligt dan ook op het verder door ontwikkelen van de organisatie op het gebied van informatievoorziening. Doordat alle deelnemers van de RUD Limburg Noord, als ook de veiligheidsregio, de RUD Zuid Limburg als de RUD Limburg Noord zelf werken in hetzelfde VTHsysteem Rx.Mission, zal er beter op uniforme wijze gewerkt kunnen worden. De aankomende jaren zal verder worden gebouwd aan verbetering van BI tooling, zoals bijvoorbeeld voortgangsbewaking en monitoring op kwaliteitsborging.
Ook in het kader van het IBP zal hier aandacht naar uit moeten gaan, zoals eerder in deze kadernota benoemd.
12
Vanuit pijler 3 van het IBP VTH zullen ook nog meer acties volgen op het gebied van informatiehuishouding en datakwaliteit. Het hele informatielandschap binnen het VTH-domein ligt sterk onder het vergrootglas. De concrete acties/maatregelen die gaan voortvloeien uit pijler 3 IBP VTH zijn echter nog niet bekend. Om die reden kan er in deze Kadernota geen rekening gehouden worden met de inhoudelijke en financiële effecten daarvan. De RUD Limburg Noord is sinds 2023 aangesloten op Inspectieview Milieu. In dit systeem stellen alle Omgevingsdiensten en een groot aantal andere instanties informatie beschikbaar over toezicht. De Omgevingsdiensten zijn geautoriseerd deze informatie te raadplegen en kunnen daardoor een beter inzicht krijgen in de situatie bij bedrijven. Dit maakt effectiever toezicht en betere afstemming tussen instanties mogelijk. In 2026 zal de nadruk liggen op het verbeteren van de datakwaliteit. Tenslotte zal in 2026 ook gefocust worden op het verder ontwikkelen op het beter kunnen voldoen aan de informatiebehoefte, daarbij te denken aan de Wet Open Overheid (Woo) en zaaksystemen ook voor interne controles.
13
3.3 Vakinhoudelijke ontwikkelingen Bodemtaken Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn taken en bevoegdheden vanuit de Wet bodembescherming (wbb) van provincies naar gemeenten verschoven. De gemeenten zijn daarmee verantwoordelijk voor de bodemkwaliteit en de sanering van bodemverontreiniging. Ook kent de Omgevingswet nieuwe bodemtaken met als gevolg dat de gemeenten meer taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTHtaken) moeten uitvoeren. Daarnaast lopen de gemeenten potentieel extra risico door de verschuiving van verantwoordelijkheden als verantwoordelijke saneerders niet aan hun financiële verplichtingen (kunnen) voldoen. In 2025 hebben we ervaring opgedaan met het uitvoeren van de veranderde en qua omvang toegenomen bodemtaken onder de Omgevingswet. Hieruit is gebleken dat:
•
De toename van de vergunningverlenende bodembasistaken (denk aan het voorbereiden van een maatwerkbesluit voor een bodemsanering) relatief beperkt is.
•
Het beperkte toezicht bij sommige deelnemers tot te weinig meldingen leidt. Met name extra vrije veldtoezicht gaat dit free riders-gedrag van grondverzetbedrijven tegen. Er een toename van de informatieplicht bodem is en de bodemtoezichthouders goed te vinden zijn. Bij sommige deelnemers kan het melden nog verbeteren omdat ze niet alles of soms meldingen te laat melden.
•
•
•
• •
De huidige formatie - inclusief de relatief dure tijdelijke inhuur - onvoldoende is om structureel aan vrije veldcontrole te doen, danwel te doen aan ‘zichtbaar’ veldtoezicht in navolging van een administratieve controle van een ingediende bodemmelding. Er is geen adequaat toezicht naar aanleiding van meldingen van aanleg van gesloten bodemenergiesystemen (GBES‘en), terwijl dat wel onderdeel uitmaakt van de bodembasistaken benoemd in de Kwaliteitscriteria 2.3. De invoer van bodemrapporten in een bodeminformatiesysteem ongecoördineerd gebeurt en op verschillende manieren. Het aantal administratieve handelingen per milieubelastende bodemactiviteit flink hoger is dan vooraf ingeschat. Zeker zolang er sprake is van én een gemeentelijke tenant en een RUD-tenant. Zo kan 1 activiteit leiden tot een melding en meerdere informatieaanreikingen door de initiatiefnemer via het DSO. Daarnaast is vaak publicatie verplicht, waar dat vroeger niet nodig was.
De (financiële) consequenties voor de individuele gemeenten en de RUD Limburg Noord zijn door de werkgroep Bodem in beeld gebracht. De conclusies zijn dat: • Er minimaal 2,0 fte structureel aan bodemtoezicht zal moeten worden aangetrokken binnen de RUD Limburg Noord. Beoogd: ruime aandacht voor veldcontroles en vrije veldtoezicht in de regio NML. Dit op basis van het eerdere onderzoek van Pouderoyen & Tonnaer (2020) en de nu bekende bodemmeldingen/informatieplichten en in de wetenschap dat meer vrije veldtoezicht zal gaan leiden tot meer meldingen/informatieplichten. Deze voor structurele inzet te werven medewerkers nemen wij in dienst bij een deelnemer. De verrekening van de uren inzet van deze medewerkers gaat via het Regionaal uitvoeringsprogramma en de voortgangsmonitor lopen.
•
We gaan na een jaar evalueren of die 2 fte aan extra bodemtoezicht voldoende is of dat er nog meer inzet nodig is om tot een adequaat niveau te komen.
•
Wij gaan de informatievoorziening (BIS) gezamenlijk organiseren. Hiervoor zal 0,5 fte structureel aangetrokken moeten worden binnen de RUD Limburg Noord. Deze voor structurele inzet te werven medewerker nemen wij eveneens in dienst bij een deelnemer. De verrekening van de uren inzet van deze medewerker gaat via het Regionaal uitvoeringsprogramma en de voortgangsmonitor lopen.
14
Wet kwaliteitsborging Bouwen (Wkb) Door de toenemende complexiteit in de bouw vindt men dat een herziening van het huidig stelsel van kwaliteitsborging noodzakelijk is. De Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen is tegelijk met de nieuwe Omgevingswet in werking getreden en wordt in fases uitgebreid. De wet moet enerzijds de bouwkwaliteit een impuls geven, maar anderzijds geen verdere juridisering of kostenverhoging in de hand werken. Met de wet wordt de positie van de particuliere en zakelijke bouwconsument versterkt. Het nieuwe stelsel geldt eerst alleen voor bouwwerken in de laagste risicoklasse. De invoering van deze wet betekent dat de technisch-inhoudelijke toetsing voor de gemeenten grotendeels vervalt en er een aantal voornamelijk administratieve taken bijkomen. De bevoegde gezagen zijn verantwoordelijk voor deze taken. Bij de RUD Limburg Noord hebben 5 gemeenten bouwtaken ingebracht. Doordat de bouwtechnische toetsing bij de complexere bouwwerken (waaronder monumenten) blijft bestaan én meer marktwerking aan de voorkant waarschijnlijk gaat leiden tot een intensievere handhaving, blijft capaciteit op bouwtechnisch gebied noodzakelijk. In nauwe samenwerking met de gemeenten die deze taken hebben ingebracht bereiden wij ons voor op de komende veranderingen. De impact op de begroting van de RUD Limburg Noord is, mede gezien ons netwerkconstruct vooralsnog beperkt.
De feitelijke kosten voor de uitvoering worden immers bij de aangesloten gemeenten zelf gemaakt, zij hebben het personeel in dienst van de organisatie. De gevolgen voor leges zullen de partners vanaf het in werking treden van de Wkb ervaren en zichtbaar moeten maken in hun begrotingen. Energie Intensivering van energiebesparing en het vergroten van het aandeel duurzaam opgewekte energie zijn nog altijd belangrijke speerpunten van het Klimaatakkoord en vanuit de Regionale Energie Strategie (RES). Energie en duurzaamheid zijn beleidsmatig met elkaar verbonden. In de uitvoeringspraktijk ligt de focus tot op heden bij het aspect energie. Bedrijven en instellingen zijn verplicht om alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van minder dan 5 jaar uit te voeren. De Omgevingsdiensten en de gemeenten zien toe op naleving daarvan. Naast deze energiebesparingsplicht is er ook een informatieplicht waarbij de bedrijven en instellingen aan de overheid rapporteren welke maatregelen getroffen zijn. Het kabinet heeft als extra impuls geld beschikbaar gesteld aan Omgevingsdiensten. Deze zogenaamde SPUK THE (Toezicht en Handhaving Energiebesparingsplicht) gelden zijn bedoeld als aanvulling op het bestaand toezicht.
In het kader van deze SPUK-regeling is er de afgelopen periode een team energie aangesteld binnen de RUD Limburg Noord, bestaande uit energiespecialisten, administratieve ondersteuning en een parttime coördinators-functie. Samen bestaat het team vanaf 1 januari 2025 uit 6,49 fte. De regeling loopt eind 2026 echter af. Tot op heden is nog niet bekend of er een aanvullende regeling komt of niet. Indien dit niet het geval is zullen de kosten van dit team boven op de huidige begrotingskosten komen, zoals ook eerder al is vermeld. Indien er bij de opstelling van de begroting 2026 nog niet meer over bekend is, zullen deze kosten in de meerjarenbegroting opgenomen worden ten laste van de deelnemers. Uiteraard worden daar dan wel energietaken voor de deelnemers voor uitgevoerd. Overige ontwikkelingen Voor enkele onderwerpen moet beleidsmatig worden gekeken wat deze voor impact op de werkzaamheden van de RUD LN hebben. Vooral de onderwerpen zeer zorgwekkende stoffen en indirecte lozingen moeten worden opgepakt en moeten landen binnen het RUP 2026. Maar ook andere onderwerpen kunnen nog moeten worden toegevoegd. Het is nu nog onduidelijk wat de gevolgen hiervan voor de RUD LN zijn. Dat wordt in de loop van 2025 duidelijk en zal gevolgen hebben voor de inzet vanuit de RUD LN.
15
3.4 Ontwikkelingen in de bedrijfsvoering Algemeen De hierboven beschreven ontwikkelingen hebben invloed op het takenpakket dat binnen RUDverband wordt georganiseerd maar zeker ook op de totale inrichting van de RUD Limburg Noord. Over de wijze waarop de taken als ook de totale organisatie het best kan worden georganiseerd blijft de RUD in dialoog met haar deelnemers.
Personeel Zowel bij het coördinatiecentrum als bij de deelnemers bestaat een hoge werkdruk. Het blijft lastig om vacatures te vervullen en naar verwachting blijft dit de komende jaren zo. De arbeidsmarktsituatie leidt ertoe dat vacatures niet altijd ingevuld kunnen worden en dit kan een toename van (duurdere) inhuur tot gevolg hebben. Deze krapte geldt niet alleen in onze regio, maar landelijk binnen het gehele VTH-domein. Intensivering van de samenwerking, b.v. op het gebied van inhuur en begeleiding stagiaires/trainees kan een hulpmiddel zijn in deze problematiek. Ook in 2026 zal onderzocht worden welke middelen ingezet kunnen worden. Welke (financiële) effecten dit precies voor 2026 heeft voor de RUD Limburg Noord is op dit moment nog niet in te schatten. De wet- en regelgeving breidt zich verder uit. Er komen steeds meer taken bij en taken worden steeds intensiever. Denk daarbij aan de rechtmatigheidsverantwoording, interne controles, afhandeling van steeds meer Woo verzoeken en de daarbij horende contactfunctionaris en de bijdrage aan veelvuldige onderzoeken. Dit legt een onevenredig beslag op het compacte coördinatiecentrum. Dit betekent dat zorgvuldig bekeken dient te worden of bepaalde taken bij de gastorganisatie belegd kunnen worden, al dan door een deelnemer verzorgd kan worden of op kan worden ingehuurd.
Afwegingen en keuzes zullen de aankomende periode gemaakt moeten worden. Waar mogelijk zal een eventueel financieel effect in de begroting 2026 worden meegenomen.
16
17
4. Financiële uitgangspunten
In dit hoofdstuk worden de financiële uitgangspunten voor de begroting 2026 benoemd.
4.1 Algemeen •
•
•
Het belangrijkste uitgangspunt voor de meerjarenbegroting 2026-2029 is dat de baten en lasten in evenwicht zijn, zodat er meerjarig een sluitende begroting ligt. Dit is tevens een voorwaarde voor repressief toezicht. De financiële consequenties van de in het voorgaande hoofdstuk beschreven ontwikkelingen zijn op dit moment nog niet allemaal duidelijk. Zo is de invloed van wetswijzigingen voor een deel nog onbekend. De financiële effecten van de uitwerkingen die worden opgesteld door de projectorganisatie om te komen tot een robuuste Omgevingsdienst zijn nog niet bekend. Zodra deze uitwerkingen concreet zijn, worden deze apart aan u voorgelegd afhankelijk van het tijdstip van oplevering. Het moge echter duidelijk zijn dat de uitwerkingen grote financiële impact zullen hebben, zoals reeds beschreven.
4.2 Exploitatie (lasten en baten) •
•
•
•
Voor de indexering van loon-en prijsstijgingen wordt uitgegaan van de meest actuele raming van het CPB (MEV, loonvoet sector overheid en overheidsconsumptie netto materieel imoc) en voor de provincie het CBS (DPI). Vanuit de MEV 2025, gerapporteerd in september 2024 zijn de ramingen over het jaar 2026 als volgt: loonvoet sector overheid 2,1% en imoc 2,2%. In de begroting 2025 waren de indexcijfers 5,3% respectievelijk 2,0%. Wat betreft de cijfers van het CBS wordt met het dan laatst bekende cijfer, zijnde 3e kwartaal 2024 gewerkt. Op dit moment is alleen het cijfer van het 2e kwartaal bekend. Dit is 3,8%. Conform het aandachtspunt van de gemeente Venlo zal vanaf de meerjarenbegroting 2026 niet meer gewerkt worden met een meerjarige indexering van de begroting, maar zal aangesloten worden bij de systematiek van gemeenten waar constante lonen en prijzen worden toegepast. Dat betekent dat alleen het jaar 2026 geïndexeerd wordt volgens de cijfers in het punt hierboven vermeld. Op basis van de nieuwe manier van werken van het Regionaal UitvoeringsProgramma en het programma over 2024, kan het zijn dat de uitwisseling van werkzaamheden beter ingeschat kunnen worden en daarmee bijgesteld moeten worden. Dit heeft echter geen financieel effect op de begroting van de RUD Limburg Noord, aangezien dit dan zowel op de baten als lastenkant effect heeft.
Uiteraard kan dit wel effect hebben op de begrotingen van de individuele gemeenten. Zoals aangegeven loopt SPUK THE af eind 2026. Voor 2026 bestaat de onzekerheid of alle kosten gedekt kunnen worden uit de subsidie en of aan alle subsidievoorwaarden wordt voldaan. Dit zal meegenomen moeten worden in de risicoparagraaf en het weerstandsvermogen. Verder zijn de medewerkers allen in vaste dienst aangenomen. Op het moment dat er geen aanvullende regeling komt, betekent dit dat deze kosten kostenverhogend voor de deelnemers zijn. Dit zal in de meerjarenbegroting vanaf 2027 worden opgenomen. De salariskosten zijn jaarlijks circa € 650.000 los van de bijkomende kosten, zoals reiskosten, opleidingskosten etc. Het team is vanaf 2027 uiteraard wel inzetbaar voor energietaken voor de deelnemers.
4.3 Tarieven Voor de uitwisseling van expertise tussen de deelnemers is de afspraak dat de gewerkte uren worden verrekend op basis van vooraf vastgestelde uurtarieven. De tarieven 2026 worden in de vergadering van het Algemeen Bestuur van december 2025 vastgesteld.
18
4.4 Impact ontwikkelingen De financiële impact is nog niet op alle onderdelen bekend. Zoals aangegeven zal de projectorganisatie apart de financiële consequenties voor de doorontwikkeling naar de robuuste omgevingsdienst in beeld brengen en aan u voorleggen. De projectorganisatie zal ook de aanbevelingen vanuit sturing meenemen en uitwerken. De aanbeveling met betrekking tot het onderdeel regio sturing is grof ingeschat op € 200.000. Vanuit de organisatorische ontwikkelingen met betrekking tot de doorontwikkeling binnen de huidige bestaande organisatie zullen de volgende punten in de begroting worden verwerkt: ➢ Beschikken over 1% van de begroting aan innovatiebudget. In de huidige organisatie is het uitvoeringsprogramma niet in de begroting van de RUD Limburg Noord opgenomen, alleen voor het deel wat onderling wordt uitgewisseld. Hierdoor geeft een percentage een vertekend beeld. Rekening houdende met het criterium van de omzet wordt voorgesteld een budget van circa € 250.000 in de begroting op te nemen vanaf 2026. Deze kosten zal een verhoging van de begroting van de RUD betekenen. ➢ Beschikken over 3% van de loonsom aan opleidingsbudget. Indien dit volledig in de RUDbegroting opgenomen zou moeten worden, betekent dit een verhoging van grof ingeschat circa € 400.000.
Dit is afhankelijk van het definitief ingebrachte takenpakket in de RUD en daarmee de uitkomsten van de projectorganisatie. (Gedeeltelijk) bestaande budgetten bij de partners kunnen mogelijk dan wel worden afgeraamd en hiervoor worden ingezet. Op dit moment is er een budget van ruim € 90.000 beschikbaar, waarvan ruim € 65.000 aan deelname aan de ODNL-academie betaald dient te worden. In de begroting 2026 zal het budget van de opleidingskosten als eerste stap worden verhoogd naar in totaal € 150.000. ➢ Fte’s beschikbaar hebben voor business-intelligence. Op dit moment wordt er gebruik gemakt van de beschikbare formatie bij de partners. In het bedrijfsplan zal duidelijk worden hoe dit vorm zal krijgen in de robuuste omgevingsdienst en of hier nog een apart budget voor beschikbaar gesteld dient te worden. ➢ Voldoen aan de kwaliteitscriteria. De kosten hiervoor zijn moeilijk in te schatten. Dit heeft o.a. te maken met of er ingehuurd moet worden, dan wel capaciteit uitgebreid moet worden of er overeenkomsten met andere Omgevingsdiensten opgesteld moeten worden op enkele taakgebieden. Nadat het uitvoeringsprogramma 2025 bekend is kan een doorkijk gemaakt worden naar 2026 en wellicht een inschatting gemaakt worden voor noodzakelijke inhuur die vervolgens in de begroting 2026 opgenomen kan worden. ➢ Structurele invulling van een beleidsadviseur.
Deze kosten zal eveneens een verhoging van de begroting van de RUD betekenen. Afhankelijk van de schaalindeling zal dit een bedrag tussen de € 100.000 en € 130.000 zijn. Vanuit de landelijke ontwikkelingen kunnen de volgende punten impact hebben op de begroting: ➢ Omgevingswet en WKB. De eventuele financiële impact hiervan is nog niet weer te geven in cijfers. ➢ Datakwaliteit. Vanuit pijler 3 van het IBP VTH zullen acties volgen op het gebied van informatiehuishouding en datakwaliteit. De concrete acties/maatregelen die gaan voortvloeien uit pijler 3 IBP VTH zijn echter nog niet bekend. Om die reden kan er nog geen rekening gehouden worden met de financiële effecten daarvan. Vanuit de vakinhoudelijke ontwikkelingen: ➢ Toename bodemtaken. Zoals bij 3.3 aangegeven gaan we 2,0 fte structureel aan bodemtoezicht en 0,5 fte voor informatievoorziening bodem aantrekken. Deze voor structurele inzet te werven medewerkers nemen wij in dienst bij een deelnemer. De verrekening van de uren inzet van deze medewerkers gaat via het Regionaal uitvoeringsprogramma en de voortgangsmonitor lopen. We gaan na een jaar evalueren of
19
die 2 fte aan extra bodemtoezicht voldoende is of dat er nog meer inzet nodig is om tot een adequaat niveau te komen. ➢
Energietoezicht. Zoals bij 4.2 aangegeven zal het financiële risico over 2026, in relatie tot het niet volledig voldoen aan de subsidievoorwaarden en het al dan niet volledig kunnen dekken van de kosten, in de risicoparagraaf en het weerstandvermogen worden opgenomen. Vanaf 2027 is er vooralsnog geen dekking voor het team energie. De kosten vanaf 2027 betekenen daarmee vooralsnog een verhoging van de RUD-begroting. Deze kosten worden ingeschat op ruim € 650.000 à € 700.000. Indien de deelnemers meer energietaken inbrengen zal (een deel) van de kosten uiteraard daarmee gedekt zijn. De laatste stand van zaken zal in de begroting 2026 worden verwerkt.
Vanuit de ontwikkelingen in de bedrijfsvoering: ➢ Personeel. Een aantal zaken komen tot uitdrukking bij de organisatorische ontwikkelingen. Ook nieuwe wetgeving zorg voor een toename van taken bij het personeel, zoals de genoemde Woo en de interne controles. De RUD verzorgt deze taken in gezamenlijkheid met de gastorganisatie. Vooralsnog worden deze taken binnen de huidige formatie uitgewerkt. De taken staan echter niet meer in evenredigheid met de formatie. Bekeken zal worden of taken elders belegd kunnen worden. De aankomende periode zal eveneens bekeken moeten worden of dit financiële consequenties tot gevolg heeft die opgenomen moeten worden in de begroting 2026. Bovenstaande bij elkaar betekent dat er in ieder geval een verhoging op de begroting wordt verwacht van circa € 440.000 exclusief de projectorganisatie. Waarbij tevens rekening gehouden dient te worden met het dekkingsrisico van het energieteam van circa € 650.000 en de ontwikkelingen waar op dit moment nog geen financiële inschatting van gemaakt kan worden.
20