CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Toelichting

Gemeenteraad 3 juli 2025, gemeente VeenendaalBij agendapunt: (5e) Wijziging Integrale verordening Sociaal domein36.463 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

96 alinea's met “integrale”: 1 2 4 5 6 9 22 25 28 32 40 45 50 52 53 55 58 60 61 62 65 69 72 73 76 78 79 82 83 84 87 88 90 91 92 93 97 98 102 103 …

Artikelsgewijs Hier worden enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven nader toegelicht. Artikel 3.1.1 Definities Het aantal definities van artikel 3.1.1 is beperkt aangezien de Jeugdwet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor hoofdstuk 3 van de Integrale verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de Integrale verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In hoofdstuk 3 van de Integrale verordening gebruiken we de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de wet. Indien mogelijk aangeduid algemeen als ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouders’. Gebruik van ‘of’ impliceert ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we dus: - de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig; - de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de Jeugdwet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar); of ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar). 17

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Andere voorziening Onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in hoofdstuk 3 van de Integrale verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de Jeugdwet. De verschillende beschikbare vormen van jeugdhulp zijn opgenomen in artikel 2 van de Jeugdwet (individuele voorzieningen en algemeen toegankelijke voorzieningen). Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in artikel 3 Jeugdwet e.v. Ondersteuningsplan In een ondersteuningsplan wordt beschreven wat goed gaat met de jeugdige, zijn ouders of in het gezin, waar verbetering nodig is en welk doel de jeugdige, ouders of het gezin wil bereiken. Daarnaast wordt benoemd wat de mogelijkheden tot ondersteuning, variërend in hulpgradatie(s), zijn. Afhankelijk van de ondersteuningsvraag zal het ondersteuningsplan dus zijn toegesneden op de jeugdige, de ouders of het gezin. Hulp uit het sociale netwerk Deze definitie komt overeen met die van de Regeling Jeugdwet. Pleegouders De definitiebepaling van ‘ouders’ is afgeleid van de definitie van cliënt in de Wjz.

Met het wetsvoorstel verbetering positie pleegouders (32 529) werden pleegouders uitgezonderd van de definitie van cliënt in de Wjz, omdat zij in dit verband een bijzondere positie innemen, aangezien zij zelf onderdeel uitmaken van het aanbod van jeugdhulp en zij in dat kader vallen onder de verantwoordelijkheid van de aanbieder die pleegzorg biedt. Voordat een jeugdige pleegzorg ontvangt, woont hij ergens anders, in veel gevallen bij zijn biologische ouders. Maar als de jeugdige thuis wordt verwaarloosd of mishandeld of de ouders om wat voor reden dan ook niet in staat zijn voor hem te zorgen, kan pleegzorg ingezet worden. Maar naast de pleegouders blijven ook de oorspronkelijke opvoeders in beeld, of de pleegzorg nu voor een korte of lange periode is, of slechts gedurende de weekenden of alle dagen van de week. Dat betekent bijvoorbeeld dat die oorspronkelijke opvoeders (ouders in de zin van de Jeugdwet) op grond van artikel 7.3.2 van de Jeugdwet op duidelijke wijze ingelicht dienen te worden over de voorgenomen inzet van jeugdhulp en de geconstateerde opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen.

Voor pleegouders is in artikel 4.1.3, derde lid, van de Jeugdwet over het hulpverleningsplan (bij jeugdhulp) en het plan van aanpak (bij een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering) expliciet bepaald dat over het plan, naast het overleg met de jeugdige en de ouders, ook overleg plaats dient te vinden met de pleegouders. Het is nodig dit uitdrukkelijk te bepalen omdat onder ouders in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen niet de pleegouders wordt verstaan. Een pleegouder die tevens belast is met voogdij als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, is in deze wet een pleegoudervoogd. Hij is behalve pleegouder ook degene die het gezag over de jeugdige heeft en is als voogd bevoegd om beslissingen over de jeugdige te nemen. Hij is in de zin van deze wet dan ook zowel pleegoudervoogd als ouder. In artikel 1.1 van de Jeugdwet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd: 1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; 2°.

het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt,; en 3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of 18

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht. Ook de Algemene wet bestuursrecht kent een aantal definitiebepalingen die voor hoofdstuk 3 van de Integrale Verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb). Artikel 3.1.2 Vormen van jeugdhulp Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige jeugdhulpvoorzieningen (die we in Veenendaal ‘algemeen toegankelijke’ voorzieningen noemen). Los van deze verplichting vindt de gemeente het belangrijk dat voor iedereen duidelijk is wat het gemeentelijke aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is – uitgaande van toegang tot de jeugdhulp via de gemeente (zie artikel 3.1.4) – welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘algemeen toegankelijke voorzieningen’).

Daarom zijn in dit artikel de vormen van jeugdhulp die door de gemeente worden geboden opgesomd. Van verschillende van de hier genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten. De inzet van een specifieke variant zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en zijn ouders. Omdat het zo’n omvangrijk terrein betreft is ervoor gekozen om alleen op hoofdlijnen te omschrijven welke voorzieningen algemeen toegankelijk zijn en welke niet en de nadere uitwerking daarvan op te dragen aan het college. Het betreft niet alleen hulp en ondersteuning die wordt geboden aan jeugdigen zelf, maar tevens aan hun ouders als deze hulp erop is gericht een probleem bij de jeugdige op te lossen. Een nadere uitwerking door het college geeft bovendien ruimte om eenvoudiger wijzigingen te brengen in het zorgaanbod van de gemeente. Bijvoorbeeld om een nieuwe zorgvorm toe te voegen of keuzes te maken in het aanbod, op basis van de gebleken effectiviteit van behandelingen. De rangschikking in algemene en individuele voorzieningen is nu gebaseerd op interventieniveaus. Afhankelijk van de intensiteit en de kostprijs wordt bepaald of er sprake is van een vrij toegankelijke voorziening of niet.

Als uiterste vorm van intensieve zorg kan daarbij dagbehandeling als voorbeeld worden genoemd, een excluderende vorm van ondersteuning. Daartegenover staat de toegang tot een zelfhulpgroep als een voorbeeld van universele preventie. Artikel 3.1.3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierna), bestaat ook nog steeds de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet). Dit laatste geldt zowel voor de algemeen toegankelijke voorzieningen als de individuele voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2).

Uiteraard is de aanbieder hierbij gehouden aan hetgeen volgt uit de contractrelatie met de gemeente en uit deze verordening (bijvoorbeeld ten aanzien van welke voorzieningen vrij toegankelijk zijn en welke alleen met een besluit van de gemeente). Zie ook de algemene toelichting en de toelichting bij artikel 3.1.2. Het college maakt verder afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing plaatsvindt 19

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

(artikel 2.7, vierde lid, van de Jeugdwet). Deze afspraken dienen ertoe dat de gemeente haar regierol kan waarmaken en de omvang van het voorzieningenpakket beheersbaar kan houden. De afspraken gaan ook in op hoe de verwijzende artsen en degenen die namens de gemeente betrokken zijn bij de gemeentelijke toegang (zie artikel 3.1.4 en verder) op passende wijze van elkaar op de hoogte blijven met betrekking tot verwijzingen en behandelingen, zodat het streven van een integrale benadering en het uitgangspunt van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, in het bijzonder bij multiproblematiek, zo goed mogelijk verwezenlijkt kan worden. Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel in het uitzonderlijke geval dat het college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder of het afwijzen daarvan, vast in een beschikking aan de jeugdige en zijn ouders. Artikel 3.1.4 Toegang jeugdhulp via de gemeente Deze en volgende bepalingen regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Deze bepalingen zijn opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet.

In de praktijk zal het college het proces om te komen tot de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet zelf uitvoeren, maar mandateren aan het CJG. Ook op andere plaatsen in dit hoofdstuk en in de wet waar “het college” staat, kan het college deze bevoegdheid mandateren. Voor het verkrijgen van een individuele voorziening geldt de in artikelen 3.1.4 tot en met 3.1.11 (of 3.1.12, als betrokkene een pgb wenst) beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling van een aangemelde ondersteuningsvraag (artikel 3.1.5) zal in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger in de eerste plaats gekeken worden naar hun behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een algemeen toegankelijke jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening. De jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op een algemeen toegankelijke voorziening kunnen hier ook direct naartoe, zonder de meldingsprocedure te doorlopen (derde lid). Lid 1 Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Het college is bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de Jeugdwet.

In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet zelf uitvoeren, maar mandateren aan medewerkers van de ambtelijke organisatie. Derde lid: de jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op een algemeen toegankelijke voorziening kunnen hier direct naartoe zonder procedure in de zin van (artikel 3.1.4 en volgende) hoofdstuk 3 van deze Integrale Verordening. Zoals in de algemene toelichting al is aangehaald hebben jeugdigen en ouders onder de Jeugdwet geen wettelijk recht op jeugdzorg en geen individuele aanspraken op jeugdzorg. Wel is er een voorzieningenplicht voor de gemeente en het daaruit voortvloeiende recht van jeugdigen en ouders op een zorgvuldige procedure. Hoofdstuk 3 van deze Integrale Verordening bevat een aantal bepalingen die dit moet waarborgen. Hiermee kan ten onrechte de schijn worden gewekt dat het telkens om een uitvoerig, onnodig bureaucratisch proces gaat. Dit is echter geenszins de bedoeling. Zo kan het vooronderzoek (artikel 3.1.5), afhankelijk van de inhoud van de melding, meer of minder uitgebreid zijn. Er kan bovendien hiervan – en in bepaalde gevallen ook van het gesprek (artikel 3.1.6) – in overleg met de jeugdige of zijn ouders afgezien worden. Daartegenover staat dat, als dat nodig is, er ook sprake kan zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken.

Als de jeugdige al bij de gemeente bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer aan de orde gesteld hoeven te worden. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal een gesprek nodig zijn om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen. 20

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Een vooronderzoek en gesprek zullen uiteindelijk vaak wel in enige vorm nodig zijn, omdat voor een zorgvuldig te nemen besluit het van belang is dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke ondersteuningsvraag worden onderzocht. Ook andere bepalingen (schriftelijke verslaglegging (artikel 3.1.7) en schriftelijke indiening aanvraag (artikel 3.1.8)) zijn opgenomen met het oog op een zorgvuldige procedure en in het belang van een zorgvuldige dossiervorming. Lid 2 Een bijzondere toeleidingssituatie doet zich voor bij crisissituaties. In lid 2 wordt beschreven welke mogelijkheden het college dan heeft om adequaat te reageren. Het gaat dan om situaties waarbij gesloten jeugdhulp nodig is vanwege ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen. Volgens art. 6.1.8 van de wet kan het college hiervoor bij de kinderrechter een verzoek indienen voor een machtiging, een spoedmachtiging of een voorwaardelijke machtiging. Lid 3 In het derde lid staat de mogelijkheid beschreven dat de jeugdige of zijn ouders zich ook zelf rechtstreeks kunnen wenden bij een algemeen toegankelijke voorziening. Bijvoorbeeld als ouders met een vraag komen bij de balie van het CJG en ze krijgen het advies voor een algemeen toegankelijke voorziening dan valt dit onder deze bepaling.

Zoals in de algemene toelichting al is opgenomen is de toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie, de directeur, de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting of het AMHK niet opgenomen in deze bepaling omdat de Jeugdwet daar al zelf in voorziet. Artikel 3.1.5 Ontvangstbevestiging en vooronderzoek Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en te zorgen dat jeugdigen en ouders goed worden geïnformeerd. Lid 1 Het eerste lid dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het onderzoek naar de ondersteuningsvraag relevante bekende gegevens in kaart worden gebracht, zodat jeugdigen of ouders niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn en een goede afstemming mogelijk is met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de Algemene verordening gegevensbescherming (verder AVG) zijn hierop van overeenkomstige toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders daarom vragen.

Het vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de ondersteuningsvraag meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook de uitnodiging voor het gesprek. Lid 2 en 3 Bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor het gesprek kunnen dan ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de jeugdige of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen. In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Jeugdwet op de identificatieplicht. Tevens kan worden beoordeeld of sprake is van een andere (voorliggende) voorziening en of het college op grond van artikel 1.2 van de Jeugdwet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van deze wet te treffen. Lid 4 In het vierde lid is een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige bureaucratie. Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven toestemming om dit dossier te gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de ondersteuningsvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien de 21

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

ondersteuningsvraag ook al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders ook van het gesprek worden afgezien. Dit laatste is bepaald in artikel 3.1.6, vierde lid. Artikel 3.1.6 Gesprek en onderzoek Bij het onderzoek ter beoordeling van een ondersteuningsvraag zal in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders in de eerste plaats gekeken worden naar hun behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een algemeen toegankelijke jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening. Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke ondersteuningsvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders. Mocht tijdens die gesprekken blijken dat het beter is om de ondersteuningsvraag aan te passen, dan kan dit in overleg gebeuren (eerste lid).

Een ondersteuningsvraag hoeft dus niet afgewezen te worden als tijdens het onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke ondersteuningsvraag en oplossingsrichting bij nader inzien niet (volledig) passend zijn. Een zorgvuldig onderzoek vereist het op enigerlei wijze doorlopen van de volgende stappen: Stap 1 - inventariseer de vraag Wat is eigenlijk de ondersteuningsvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1 van de Jeugdwet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus en onderbouwd in kaart Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast Welke hulp is noodzakelijk, en in welke omvang? Deze vraag moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren.

Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de toereikendheid van de eigen kracht. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul. Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de (jeugd)hulpplicht concretiseert, welke op het college of een ander bestuursorgaan rust. Lid 1 In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe snel dat kan of moet plaatsvinden.

22

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

In de onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven. Het betreft uiteraard altijd maatwerk. Indien de jeugdige al bij de gemeente bekend is, zal een aantal gespreksonderwerpen niet meer besproken hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen. In onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en ouders voorop gesteld overeenkomstig het in de considerans van de Jeugdwet en hoofdstuk 3 van de Integrale verordening vermelde uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders of die van de naaste omgeving te versterken. Ten aanzien van de afstemmingsplicht in onderdeel g. valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wmo, Wet langdurige zorg (hierna: Wlz), de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) of een voorziening op het gebied van passend onderwijs.

Artikel 3.1.7 Gespreksverslag of ondersteuningsplan Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. Hierbij is een voorbeeld genomen aan de praktijk van de Wmo, waar het gebruikelijk is dat het college een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om de cliënt in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening (vergelijkbaar met een individuele voorziening in deze context). Een gespreksverslag bevat echter geen volledige weergave van de in het kader van het onderzoek gevoerde gesprekken. Alleen gegevens die noodzakelijk zijn om te kunnen voorzien in de behoefte van de jeugdige of zijn ouders worden opgenomen. Een goede weergave hiervan maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de jeugdige en zijn ouders. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek anders zijn naar gelang de uitkomsten van het onderzoek variëren. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de jeugdige of zijn ouders van mening zijn goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een individuele voorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn in de vorm van een onderzoeksplan.

Artikel 3.1.8 Aanvraag Een aanvraag is nodig om een verleningsbeschikking voor een individuele voorziening te verkrijgen. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Hoofdstuk 3 van de Integrale verordening wijkt daarvan op één punt af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In hoofdstuk 3 van de Integrale verordening wordt ook de mogelijkheid geboden tot het mondeling indienen van een aanvraag. Lid 3 Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het derde lid de mogelijkheid opgenomen om een door de jeugdige of zijn ouders ondertekend ondersteuningsplan als aanvraag aan te merken. Lid 4 De procedure in hoofdstuk 3 van deze Integrale verordening voor toekenning van jeugdhulp is erop gericht dat er eerst een gesprek plaatsvindt tussen een medewerker van het CJG en de jeugdige en zijn ouders om de ondersteuningsvraag helder te krijgen. In dat gesprek komt aan de orde of het nodig is om een aanvraag in te dienen om een individuele voorziening in te dienen of dat er een andere oplossing is voor de ondervonden problemen. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van een algemeen toegankelijke voorziening.

Vanwege het belang van het voorafgaande gesprek is opgenomen dat er pas een aanvraag mag worden ingediend na het gesprek. Wordt er toch een 23

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

aanvraag ingediend zonder voorafgaand gesprek dan wordt de behandeling aangehouden, tot er alsnog een gesprek heeft plaatsgevonden (er volgt dan een procedure voor verzuimherstel op basis van artikel 4:5 van de Awb). Uiteraard is een voorafgaand gesprek niet vereist in de gevallen waarin het college dat niet nodig oordeelt, bijvoorbeeld omdat de ondersteuningsvraag uit eerdere aanvragen al duidelijk is. Als de toegang tot de jeugdhulp loopt via een verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts wordt aan toepassing van dit artikel niet toegekomen. De toekenning van een voorziening wordt dan direct bij beschikking vastgesteld (zie art. 9 lid 3). Artikel 3.1.9 Verstrekken individuele voorziening In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de Jeugdwet is onder meer bepaald dat de raad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemeen toegankelijke voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daar is onder andere in dit artikel uitvoering aan gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorzieningen altijd op maatwerk aankomt. Artikel 3.1.10 Beslistermijn In hoofdstuk 3 van de Integrale verordening is een termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag.

Deze termijnen zijn maximumtermijnen. Indien nodig kan na een verzoek om toeleiding naar een voorziening voor jeugdhulp binnen enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt. In complexe situaties zal in de regel in het belang van een zorgvuldig onderzoek een langere termijn nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject benodigd is, kan dit ook tot een wat langere afhandelingsduur van de aanvraag leiden. Artikel 3.1.11 Inhoud beschikking Indien de jeugdige of zijn ouders een aanvraag bij het college indienen of er overeenkomstig artikel 3.1.3, tweede lid, een beschikking afgegeven wordt, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen zij bezwaar en beroep op grond van de Awb kunnen indienen. Uitgangspunt van de Jeugdwet is dat de jeugdige of zijn ouders een voorziening in ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de jeugdige of zijn ouders bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. Artikel 3.1.12 Regels tarieven pgb In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar het centrale pgb-artikel (8.1.1) van de Jeugdwet. Dit lid is opgenomen teneinde in hoofdstuk 3 van de Integrale verordening een compleet beeld van rechten en plichten van de jeugdige en ouders te geven. In het eerste lid is verankerd dat het college op grond van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet een pgb kan verstrekken.

Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken (zie ook de tekst van artikel 8.1.1, eerste lid, van de Jeugdwet: “Indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen …”). Voor gemeenten is onder meer van belang dat een pgb slechts wordt verstrekt indien de jeugdige of zijn ouders gemotiveerd kunnen aantonen dat de individuele voorziening die door een aanbieder wordt geleverd, niet passend is (zie artikel 8.1.1, derde lid, onder b, van de Jeugdwet). De wijze waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld In het tweede lid is de wijze waarop de hoogte van een pgb door het college wordt vastgesteld vastgelegd (zoals verplicht op grond van artikel 2.9, aanhef en onder c, van de Jeugdwet). Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt. Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de jeugdige of zijn ouders in staat stellen de jeugdhulp die tot de benodigde individuele voorziening behoort van derden te betrekken (artikel 8.1.1, eerste lid, van de Jeugdwet).

Met dien verstande dat het college een pgb kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening in natura (artikel 8.1.1, vierde lid, aanhef en onder a, van de Jeugdwet). Dit alles laat onverlet dat het college bevoegd is om een lager tarief te hanteren dan het gehanteerde tarief voor 24

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

zorg in natura, mits dat tarief de jeugdige of zijn ouders maar in staat stelt om tijdig de noodzakelijke kwalitatief goede jeugdhulp van derden te betrekken. Een grond om een lager tarief te hanteren is bijvoorbeeld dat de jeugdhulp zal worden betrokken van een solistisch (zelfstandig) werkende jeugdhulpverlener met aanzienlijk lagere overheadkosten dan grotere jeugdhulpaanbieders die namens het college de zorg in natura verlenen. Het is telkens aan het college om (cijfermatig) te onderbouwen hoe in de betreffende situatie de hoogte van het pgb is bepaald en om te onderzoeken of – en te onderbouwen dat – het budget inderdaad toereikend is om de benodigde jeugdhulp tijdig van derden te kunnen betrekken. Met andere woorden, de bewijslast met betrekking tot de ‘toereikendheid’ ligt bij de gemeente. Het is evenwel aan de betrokkenen om eventuele bijzonderheden aan te kaarten. Er is bewust gekozen geen ‘harde’ vaststaande tarieven op te nemen. Het hanteren hiervan zou er immers toe kunnen leiden dat weliswaar gehandeld wordt overeenkomstig de berekeningswijze en tarieven van de verordening, maar dat de uitkomst een pgb-hoogte is waarmee de jeugdige of zijn ouders niet in staat zijn de benodigde jeugdhulp van derden te betrekken.

Om ‘schijnzekerheid’ te voorkomen kiest de gemeente er in plaats daarvan voor om de raad hier de essentialia vast te laten leggen en zo de pgb-verstrekkingsbevoegdheid van het college nader vorm te geven. Hoe het college voornemens is uitvoering te geven aan deze bevoegdheid, hoe zij de beoordelings- en beleidsruimte interpreteert en invult, dat kan het college uit het oogpunt van transparantie en duidelijkheid uiteen zetten in een beleidsregel. Met het hanteren van de in hoofdstuk 3 van de Integrale verordening neergelegde berekeningswijze wordt de hoogte van een pgb in belangrijke mate bepaald door wat het de gemeente zou kosten als het de betreffende individuele voorziening in natura zou verstrekken (‘de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura’). De tarieven die de gemeente hiervoor overeen is gekomen met aanbieders – evenals de tariefdifferentiatie – kunnen opgenomen worden in de beleidsregel, maar uitdrukkelijk als uitgangspunt. Niet als ‘harde’ vaststaande tarieven. Dat strookt immers enerzijds niet met het karakter van de beleidsregel en anderzijds niet met het uitgangspunt dat er telkens maatwerk geleverd moet worden.

Als in een individueel geval aantoonbaar is dat berekeningswijze in hoofdstuk 3 van de Integrale verordening – met toepassing van deze tarieven – leidt tot een pgb-hoogte waarmee de jeugdige of zijn ouders niet in staat zijn de benodigde jeugdhulp van derden te betrekken, dan wordt er in dat geval van de tarieven afgeweken. Uiteraard nog steeds met de kanttekening dat het college een pgb kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening in natura. De voorwaarden waaronder met een pgb voorzieningen kunnen worden betrokken van een persoon uit het sociale netwerk Uit artikel 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet volgt bovendien dat bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Tijdens het totstandkomingsproces van de wet is door de regering hierover het volgende opgemerkt: "Hoewel de regering de inzet van het sociale netwerk zeer waardevol vindt, acht de regering het wenselijk dat beloning daarvan met een pgb beperkt blijft tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.

Een gemeente kan dit het beste beoordelen in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders." Hieraan is in het vijfde lid invulling gegeven. Artikel 3.1.13 Opschorting betaling uit het pgb Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.9, aanhef en onderdeel d, van de Jeugdwet, in combinatie met artikel 8b, vierde lid, aanhef en onder f, van de Regeling Jeugdwet, en wordt beoogd misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb’s te bestrijden. In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 8b, vierde lid, van de Regeling Jeugdwet) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet). Door de 25

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kan een verzoek alleen doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat: 1) de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; 2) de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb; of 3) de jeugdige of zijn ouders pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is. Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of diens ouders niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort, veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt.

Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wlz. Op grond van het tweede lid kan het college de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 3.1.14, derde lid, onder f. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien.

Artikel 3.1.14 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet. Aan het ‘bestrijden’ van ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s gaat als het goed is echter een poging dit te ‘voorkomen’ vooraf. De mogelijkheden daartoe zijn weergegeven in het eerste lid onder a tot en met f. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de jeugdige en ouders en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij ook een belangrijke rol. Daarom is onder f een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen. Het tweede, derde en vijfde lid zijn waar het betreft pgb’s in hoofdzaak een herhaling van de regeling zoals deze is neergelegd in de artikelen 8.1.2 en 8.1.4 van de Jeugdwet. Deze is hier echter uitgebreid naar individuele voorzieningen (in natura).

Ook het derde lid, onderdeel f, betreft een uitbreiding ten opzichte van de Jeugdwet (artikel 8.1.4, eerste lid), zowel wat betreft individuele voorzieningen (in natura) als pgb. Op grond hiervan kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat de jeugdige langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wlz of de Zvw. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, 26

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

van de Regeling langdurige zorg op basis waarvan het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan wijzigen of intrekken, als de verzekerde langer dan – in dat geval – twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de wet of de Zvw. Het vijfde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder e (dat tevens op individuele voorzieningen (in natura) ziet). Artikel 3.1.15 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Net als artikel 3.1.14 betreft deze bepaling grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Op grond van artikel 8.1.3 van de Jeugdwet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen.

Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 8.1.3 van de Jeugdwet biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is artikel 3.1.15 toegevoegd, dat bovendien ook ziet op beslissingen aangaande de verlening van individuele voorzieningen. Op grond van deze bepaling moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 8.1.3 van de Jeugdwet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte individuele voorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van de jeugdige, de ouders of een pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouders, bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouders ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder.

Voor het onderzoek naar recht- en doelmatigheid van individuele voorzieningen en pgb’s is het wenselijk dat het college ambtenaren kan aanwijzen die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet en hoofdstuk 3 van deze verordening. Hierin is niet voorzien in de Jeugdwet en daarom moet een bepaling daartoe in de verordening worden opgenomen. Op 2 april 2024 is door het college besloten, in aanvulling op het contractmanagement, ook het rechten doelmatigheidstoezicht op de jeugdhulp regionaal te beleggen bij het Knooppunt JeugdFv waarbij een addendum op de Overeenkomst regionale samenwerking jeugdhulp 2017-2020 is aangegaan en het Mandaat, volmacht en machtigingsbesluit regionale samenwerking Jeugdhulp is gewijzigd. Deze bevoegdheden zullen bij de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke regeling jeugdhulpregio jeugdFV worden overgedragen aan de gemeenschappelijke regeling. Door het centraal beleggen van het recht- en doelmatigheidstoezicht bij het Knooppunt hoeft slechts eenmaal een controle uitgevoerd te worden door zeven gemeenten. Indien dit niet centraal belegd wordt moet iedere gemeente een eigen controle uitvoeren. Dit zorgt voor omvangrijke werkzaamheden, administratieve last bij de aanbieder en geeft gelegenheid voor ongelijke behandeling binnen de regio.

Bovendien wordt op één centraal punt expertise opgebouwd ten aanzien van de materiële controle en kunnen kosten worden gedeeld. Het college zal zelf de procedure voor pgb-aanbieders inrichten. Het Knooppunt neemt enkel het recht- en doelmatigheidstoezicht voor gecontracteerde jeugdhulpaanbieders op zich. Artikel 3.1.15a Toezichthouder Behoeft geen nadere toelichting 27

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Artikel 3.1.15b Maatregelen bij onrechtmatigheid Op 2 december 2024 heeft het college besloten, in navolging op het besluit van 2 april 2024, ook de handhaving bij het Knooppunt JeugdFV te beleggen bij de verlenging van de overeenkomst “Overeenkomst regionale samenwerking Jeugdhulp 2025”. Daarbij is ook het "Mandaat, volmacht en machtigingsbesluit regionale samenwerking Jeugdhulp" gewijzigd en verlengd. De handhaving zal daarbij worden uitgevoerd overeenkomstig de door het Bestuurlijk Overleg vastgestelde handhavingslijn bij tekortkomende jeugdhulpaanbieders, waaronder begrepen het opleggen van een cliëntenstop, opleggen van een korting op het tarief (boete) en het ontbinden van de overeenkomst tussen gemeenten en de jeugdhulpaanbieder. In de Handhavingslijn is een helder lijn en processtappen voor de handhaving opgenomen. Daarmee beogen we bij de handhaving op eenzelfde wijze en zorgvuldig te handelen. Artikel 3.1.16 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet).

Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

Artikel 3.1.17 Betrekken van inwoners bij het beleid In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v. van de Jeugdwet. Regeling van de medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10 van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo. In artikel 2.10 van de Jeugdwet worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. Met het derde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.

28

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

4.1 WERK EN INKOMEN 4.1 Toelichting re-integratie Algemeen De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college moet aanbieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Ook persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van taken valt onder het voorzieningenbegrip. Het te bieden voorzieningenpakket is niet uitputtend vastgelegd, Gemeenten zijn, voor zover bij wettelijk voorschrift bepaald en binnen de grenzen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, vrij om zelf invulling te geven aan de criteria die zij hanteren bij het aanbieden van deze voorzieningen. Paragraaf 4.1 Re-integratie wordt met de Verordening tot derde wijziging van de Integrale verordening sociaal domein Veenendaal gewijzigd naar aanleiding van de wet “Wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (uitvoeren breed offensief)” (hierna: Wet Uitvoeren Breed offensief). Bij de wijziging van paragraaf 4.1 is van belang dat beleid over de prioritering bij de verdeling van de diverse voorzieningen voor de verschillende (groepen van) personen haar basis moet hebben in deze verordening (CRvB 10 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK2862).

Paragraaf 4.1 van de Integrale verordening sociaal domein Veenendaal (verder verordening) is bedoeld om inzicht te geven in de voor werkzoekenden en werkgevers beschikbare voorzieningen. Met de Wet Uitvoeren Breed offensief is de verordeningsplicht uitgebreid met het oog op meer transparantie en harmonisatie met betrekking tot het voorzieningenaanbod en het proces (Kamerstukken 35 394, nr. 8, p. 41, 44, 55 en 110). Een aantal instrumenten bestaan uit het verstrekken van een vergoeding, premie of subsidie die moet worden aangemerkt als een subsidie als bedoeld in artikel 4:21, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. Hierop zijn de bepalingen met betrekking tot subsidieverlening uit titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In de meeste gemeenten is ook sprake van een Algemene subsidieverordening (Asv). In artikel 2 van de Model Algemene subsidieverordening 2013 van de VNG is geregeld dat deze niet van toepassing is als er bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen. De Integrale verordening sociaal domein Veenendaal geldt als een uitputtende regeling. De gemeente Veenendaal heeft het model van de VNG voor de Algemene subsidieverordening Veenendaal gehanteerd en hoeft dus de werking van de Asv niet uit te sluiten ter voorkoming van conflicterende bepalingen.

Over een aantal instrumenten zijn in het belang van geharmoniseerde werkgeversdienstverlening ook afspraken gemaakt met het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) en sociale partners in het regionale werkbedrijf. Waar relevant is vermeld dat een voorziening is geharmoniseerd in de Arbeidsmarkt Food Valley. In de opbouw van paragraaf 4.1 en de toelichting is aansluiting gezocht bij de modelverordening van de VNG (model januari 2023). Artikelsgewijze toelichting Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder behandeld. Artikel 4.1.1 Definities Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Waar we in de arbeidsmarktregio dezelfde begrippen benoemen hebben we de definitie gelijkluidend opgenomen. Doelgroep De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft: 29

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

1°2°

3° 4° 5° 6° 7°

personen die algemene bijstand ontvangen; personen als bedoeld in artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna WIA) tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend; personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW); personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW); personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ); en niet uitkeringsgerechtigden

De definities van jobcoaching (sub e) en interne werkbegeleiding (sub d) zijn opgenomen, vanwege het belang van definitie en onderscheid tussen beide ten gevolge van de wetswijzigingen. De definities i tot en met k zijn opgenomen om het verschil tussen verschillende soorten voorzieningen te duiden. De definities voor werkgever (sub l) en werknemer (sub m) zijn relevant, omdat de voorzieningen aan hen kunnen worden toegekend. Artikel 4.1.2a Re-integratievoorziening Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven.

Grote afstand tot arbeidsmarkt Het college biedt voorzieningen als bedoeld in de artikelen 4.1.4 (voorzieningen werkstages), 4.1.5 (sociale activering) en 4.1.8 (participatieplaats) aan personen aan die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in artikel 4.1.1. Op basis van maatwerk kan hiervan afgeweken worden. Korte afstand tot arbeidsmarkt Het college biedt de voorziening zoals bedoeld in artikel 4.1.6 (detacheringsbaan) aan, aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in artikel 4.1.1. Op basis van maatwerk kan hiervan afgeweken worden. Niet-uitkeringsgerechtigde Het college biedt niet-uitkeringsgerechtigde bij voorkeur een groepsgerichte activiteit aan en indien er een andere voorziening wordt ingezet dan wordt een afweging gemaakt tussen kosten en baten. Overige voorzieningen Voor de overige voorzieningen, volgt al uit de doelgroepomschrijving aan wie het college deze voorzieningen kan aanbieden. Het gaat om: scholing, beschut werk, ondersteuning bij leerwerktrajecten, persoonlijke ondersteuning, loonkostensubsidie en uitstroompremies. Rekening houden met omstandigheden en beperkingen 30

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 4.1.2a, vierde lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden. Artikel 4.1.2b Budget- en subsidieplafonds De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Dit kan in de beleidsdocumenten gebeuren. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken kan de gemeente bij verordening subsidie- en budgetplafonds instellen. De Participatiewet stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening een plafond wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander instrument wordt uitgeweken. Artikel 4.1.3 Algemene bepalingen over voorzieningen De Participatiewet schrijft voor welke voorzieningen het college in ieder geval aan moet bieden. Ook schrijft de wet voor dat alle (wettelijk voorgeschreven en overige) voorzieningen in de verordening zijn opgenomen.

De voorzieningen moeten gericht zijn op de arbeidsinschakeling en bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een persoonsgebonden reintegratiebudget ter beschikking stelt. De algemene criteria die in de verordening moeten worden vastgelegd, kunnen desgewenst nader door het college in beleidsregels worden uitgewerkt (artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht). De mogelijkheid tot het vaststellen van nadere regels, voorheen opgenomen in lid 1 van dit artikel, is nu opgenomen in artikel 4.1.29. Weigeringsgronden Lid 1 beschrijft de gronden waarop het college een voorziening kan weigeren. Deze gronden volgen uit bepalingen in de Participatiewet of uit paragraaf 4.1 van deze verordening. Geen verdringing Het tweede lid geeft aan dat het inzetten van voorzieningen niet mag leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

Het opvullen van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen: - eigen initiatief van de werknemer; - handicap; - ouderdomspensioen; - vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of - gewettigd ontslag om dringende redenen. Herzien of intrekken Het derde lid geeft aan dat het college een voorziening kan herzien of intrekken en in welke gevallen het dat kan doen. Onder intrekken wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen. Het college kan een voorziening herzien of intrekken in de gevallen zoals opgenomen in artikel 4.1.3, derde lid, van hoofdstuk 4 van deze verordening. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA.

Voor deze doelgroep geldt dat het college 31

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt. De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten op grond van de Participatiewet worden teruggevorderd. Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. Goedkoopst adequaat Het vierde lid is toegevoegd. Dit bepaalt dat bij het aanbieden van een voorziening gekozen wordt voor de goedkoopst adequate en dat het aanbod, voor zover nodig, in belang van optimale en integrale ondersteuning is afgestemd met andere voorzieningen in het kader van het sociaal domein of op grond van andere wettelijke regelingen. Dit is vooral relevant doordat overige (op het werk gerichte) voorzieningen nu in deze paragraaf van de verordening worden opgenomen. Sociaaldomeinbrede afstemming is daarbij nodig, omdat het aannemelijk is dat een voorziening ook op andere leefgebieden noodzakelijk geacht wordt. Dit artikel is geharmoniseerd in de arbeidsmarktregio Food Valley. Artikel 4.1.4 Werkstage Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst.

Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de overeenkomst. Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte kosten. Doelgroep aanbieden werkstage Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkstage aanbieden voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid (artikel 4.1.4, eerste lid, onderdeel b, van hoofdstuk 4 van deze verordening).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15588246/1