CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

10.b 522023 Windvangstudie VND reactieEAGM 20220930

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Schoolstraat 1002.758 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

DE NIEUWE MOLEN | VEENENDAAL MOLENBIOTOOP | TOETSING

Rapportnummer: 522023 Datum: 2022.09.19

Biotooponderzoek - reactie Nieuwe Molen te Veenendaal 30 september 2022

COLOFON © EAG Monuments, projectnummer 52023 Montfoort, 19 september 2022 Auteur: E. van der Elst | EAG Monuments te Montfoort ezra@eagm.nl | +31 6 412 908 53 Opdrachtgever: Buurcommissie Omwonende Project De Meesters Postbus 3 3900 AA Veenendaal Contactpersoon opdrachtgever: Dhr. P. Segers | pietsegers@historizon.nl Datum reactie: 30 september 2022 Status: Definitief Kaarten: Alle kaarten en tekeningen in dit rapport zijn getekend door EAG Monuments tenzij anders vermeld. Ruimtelijke referentie systeem kaarten: WGS 84 / UTM zone 31N. Alle kaarten zijn zuiver noord georiënteerd. Software: QGIS

Disclaimer: De inhoud van dit rapport is met uiterste zorg samengesteld. De informatie in dit document wordt aangeboden zonder enige garantie. EAG Monuments sluit alle aansprakelijkheid uit voor enigerlei directe of indirecte schade, van welke aard dan ook, die voortvloeit uit of verband houdt met het gebruik van dit document. Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt door middel van drukwerk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder schriftelijke toestemming van EAG Monuments en de opdrachtgever, noch zonder toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.

1

Biotooponderzoek - reactie Nieuwe Molen te Veenendaal 30 september 2022

1. INLEIDING In Veenendaal staat de ‘De Nieuwe Molen’, een monumentale stellingmolen met een gevlucht van 26 meter. Ten zuidoosten van de molen, op een afstand van ca. 150 – 350 meter, is een ontwikkelaar voornemens om twee bestaande bedrijfspanden te vervangen door woningen. Deze herontwikkeling staat bekend als ‘Nieuwbouw Schoolstraat 98 en 100’. In opdracht van de ontwikkelaar heeft een bouwfysisch adviesbureau, Blonk Advies te Amsterdam, en studie uitgevoerd naar de effecten van de nieuwbouwwoningen op de windvang van de molen1. In het rapport concludeert Blonk Advies het volgende: “Het nieuwbouwplan bevindt zich in zuidoostelijke richting van de molen. Deze richting is niet de dominante windrichting. Dit beperkt negatieve gevolgen op de molenbiotoop.” … “Bij een reële aanname, waarbij het nieuwbouwplan zorgt voor een vermindering van de wind (situatie 4), vindt er een afname plaats in het potentieel aantal draaiuren van 136 per jaar ten opzichte van de huidige bebouwing (verschil situatie 2 en 4). Dit is een afname van ongeveer 2,0% in het potentieel aantal draaiuren. Als gekeken wordt naar het aantal draaiuren waarop gemaald kan worden, dan vindt er een afname plaats in het potentieel aantal maaluren van 3 maaluren per jaar.

Opgemerkt wordt dat de belemmering van de bomenrij langs de weg (figuur 3.4), in de windsector van het nieuwbouwplan, al invloed heeft op het aantal draaiuren van de molen.” Te lezen uit de conclusie van Blonk Advies is dat het nieuwbouwplan een gering, ofwel verwaarloosbaar, effect zal hebben op de windvang van de molen. De gemeente Veenendaal heeft reeds een toets laten uitvoeren door Cauberg Huygen B.V.2, deze conclusie luidt: “Op basis van de rapportage is inzichtelijk gemaakt wat de hinder van het plan is voor de “De nieuwe Molen”. Tevens is inzichtelijk gemaakt wat het eigen plan en het naast gelegen plan cumulatief aan hinder kunnen veroorzaken. Op basis van het reeds gerealiseerde plan

1 2

Rapport: 2021046-02a; Blonk Advies B.V.; ir. G.A.M. Blonk; 8 oktober 2021 Notitie: 08485-55861-01; Cauberg Huygen; H.J.W. Van Wijngen; 3 januari 2022 2

Biotooponderzoek - reactie Nieuwe Molen te Veenendaal 30 september 2022

en de daarbij gebruikte methode is er geen aanleiding om het plan “Schoolstraat 98 en 100” geen doorgang te laten hebben.” Beide rapporten zijn in handen gekomen van een lokale commissie die betrokken is bij het onderhouden en draaien van de molen. De commissie heeft enige twijfels over de conclusie van Blonk Advies. Bijgevolg heeft de commissie opdracht verleend aan EAG Monuments om een toets uit te voeren op bepaalde aspecten van het rapport. In deze reactie op het rapport van Blonk Advies zijn de resultaten van de toets en aanvullende bevindingen terug te lezen. Tenzij anders vermeld zijn dezelfde parameters en variabelen gebruikt als in het rapport van Blonk Advies.

2. WINDVANG EN MOLENBIOTOOP Ten eerst worden er een aantal begrippen gedefinieerd:

Windvang: De molen staat in hartje Veenendaal, met rondom bebouwing en begroeiing, hetgeen niet uitzonderlijk is voor een stellingmolen. Een stellingmolen heeft dankzij de hoogte niet alleen meer ruimte voor opslag en maalderij machines, maar ook het voordeel dat omliggende bebouwing onder de niveau van de stelling in theorie geen directe reductie in windsnelheid ter hoogte van het wiekenstelsel kan veroorzaken. Bij de windvang van een molen zijn twee zaken van belang: de windsnelheid en de turbulentieintensiteit. De windsnelheid heeft een directe relatie met de hoeveelheid energie die een molen opwekt. Het verschil in snelheid voor en achter het wiekenkruis tot de derde macht maal de massa van de lucht en een rendementsfactor geeft immers het vermogen dat een molen produceert. Een oude molen met een traditioneel opgehekt wiekenkruis kan bij een windsnelheid van ca. 5 m/s ter hoogte van de askop beginnen met malen. Turbulentie wordt gevormd door draaiingen in de wind die het gevolg zijn van onderdruk achter obstakels. Het vermogen van een molen zal hierdoor niet noemenswaardig afnemen. Wel is het zo dat de molen onregelmatiger gaat draaien. Bij het draaien op bedrijfssnelheid kan de molen door een windvlaag tijdelijk te hard gaan draaien. Ook kan de snelheid inzakken door een zgn. zaam in de wind.

Turbulentie kan stootbelasting op de wieken en de constructie van de molen veroorzaken.

3

Biotooponderzoek - reactie Nieuwe Molen te Veenendaal 30 september 2022

Molenbiotoop: Onder het begrip “Molenbiotoop” wordt meer verstaan dan alleen windvang. Het zijn alle omgevingsaspecten die van invloed zijn op het functioneren van een molen. Hieronder vallen niet alleen factoren die van directe invloed zijn voor de molen als maalwerktuig, zoals de bereikbaarheid, de windvang en het vrije zicht op de lucht om weersveranderingen aan te zien komen. Ook het functioneren van de molen als cultureel erfgoed, zoals de gaafheid van de historische setting, de toegankelijkheid voor bezoekers, de waterstaatkundige situatie en de landschappelijke waarde maken hier onderdeel van uit.

Richtlijn Vereniging De Hollandsche Molen De Hollandsche Molen houdt in haar biotooprichtlijn voor gesloten gebied als een dorpsomgeving een obstakelvrije cirkel met een straal van honderd meter rond de molen, en daarbuiten een helling met een hoek van 1 op 100 aan. Daarboven dienen obstakels te worden vermeden. De Hollandsche Molen hanteert standaard de ‘biotoopformule’. Deze formule is in de jaren ’80 van de vorige eeuw ontwikkeld om de windvang van monumentale molens zoveel als mogelijk te behouden in een tijd van veel ruimtelijke ontwikkeling. Deze formule houdt middels een constante een maximaal toelaatbare reductie in windsnelheid van ca. 5%. Met deze formule is het 0-punt altijd de bestaande situatie waarin het object als losstand obstakel wordt berekend. Let wel, met deze werkwijze wordt er geen rekening gehouden met stapelwerking. Dit is bij alle biotooponderzoeken van belang. Deze stapelwerking ontstaat indien er bij elk biotooponderzoek de bestaande situatie als 0-punt wordt aangehouden i.p.v. een optelling van andere ontwikkelingen in andere sectoren of in het verleden.

4

Biotooponderzoek - reactie Nieuwe Molen te Veenendaal 30 september 2022

3. TOETS De benadering en aanpak van Blonk Advies is solide en goed onderbouwd. Het rapport maakt inzichtelijk hoe Blonk Advies tot de conclusie is gekomen. Desondanks zijn er enkele aspecten van het rapport die incompleet zijn of gebruik maken van onjuiste aannames. Daarnaast ontbreekt er een analyse van windreductie verschillen in zomer- en wintermaanden.

Winddata en draaibereik: Ten eerste zijn de gebruikte windgegevens van Veenendaal berekend om een vergelijking te maken met de resultaten van Blonk Advies. Het is niet terug te leiden uit het rapport van Blonk Advies of er onderscheid is gemaakt tussen dag en nacht uren. Door afkoeling van de lucht verandert het windregime. Gezien er niet (nauwelijks) in de avond of in de nacht wordt gedraaid of gemalen met een molen geeft het een vertekend beeld van de werkelijkheid indien deze tijden worden meegenomen in het berekenen van een windregime. Derhalve dient een windregime van een molen te worden berekend op basis van windmetingen tussen 08u en 18u (11 uur). Om het windregime van Veenendaal te berekenen heeft EAGM gebruik gemaakt van de drie dichtstbijzijnde KNMI-weerstations. De metadata van de periode 2011-2020 is getrianguleerd waarin de afstand tot de molen de wegende factor is. 4. Deelen; 22 km 5. De Bilt; 27 km 6. Herwijnen; 34 km De aangehouden snelheidsbereik is gelijk aan de snelheidsbereik in het rapport van Blonk Advies, met als uitzondering de ondergrens voor het malen. Deze ondergrens ligt lager dan de 7,5 m/s die genoemd wordt in het rapport van Blonk Advies. Het rendementsfactor van een wiekenstelsel is afhankelijk van het type gevlucht en de zeilvoering. Een Oud-Hollands gevlucht, zoals bij De Nieuwe Molen, heeft ondergrens voor het malen van ca. 5 m/s.

Voor de berekening zijn dezelfde variabelen gebruikt voor het berekenen van windsnelheid op askophoogte (log profiel, ruwheidslengtes) als in het rapport van Blonk Advies. Situatie 1: Op basis van de metadata kan de molen in de ideale situatie 336 dagen per jaar overdag draaien, waarvan 143 dagen kunnen worden aangemerkt als maaldagen (windsnelheid boven >= 5,0 m/s). Dit is berekend over de gehele windroos.

5

Biotooponderzoek - reactie Nieuwe Molen te Veenendaal 30 september 2022

Het vergelijken van deze winddata met die van Blonk Advies is verwant aan de spreekwoordelijke appels die met peren vergeleken worden omdat de totale winduren bij Blonk Advies hoger is, namelijk 24 versus 11. Om beide resultaten met elkaar te vergelijken wordt er gekeken naar het relatieve verschil:

Volgens Blonk Advies kan de molen 7177 uren draaien en 949 uren malen per jaar. Gerekend over een heel jaar (8760 uur) betekent dit dat een molen slechts 10,8% van het jaar kan malen. Volgens de door EAGM uitgevoerde berekeningen ligt dit percentage op 39% van het jaar, waarin er uitsluitend wordt gekeken naar het windregime in het tijdvak waarin wordt gemalen met de molen. Situatie 2: De huidige situatie. Opmerkelijk is dat de ondergrens voor het malen in deze situatie volgens Blonk Advies 7,8 m/s i.p.v. 7,5 m/s. Ten behoeve van deze toets wordt 5,0 m/s aangehouden als ondergrens voor het malen. Met dezelfde berekeningswijze als situatie 1, waarin de variabelen zijn gewijzigd naar de waarden op pagina 12 van het rapport van Blonk Advies, is het resultaat: Volgens Blonk Advies kan de molen in de huidige situatie 6761 uren draaien en 435 uren malen. Relatief aan een heel jaar kan de molen in de huidige situatie (435/8760) 5% van het jaar malen. Volgens de door EAGM uitgevoerde berekeningen ligt dit percentage op 21% van het jaar, wederom in het tijdvak waarin het gebruikelijk is om te malen met de molen. Een belangrijke conclusie van de bovenstaande vergelijking is dat de molen in de werkelijkheid veel vaker functioneel kan zijn; ergo de landschappelijke en maatschappelijk waarde is daardoor groter.

De molen draagt immers niet alleen bij aan cultureel erfgoed maar ook aan het behouden van immaterieel erfgoed gezien het molenaarsambacht in 2019 door de UNESCO is bekroond met deze status.

Nieuwbouwplan: Om een beeld te krijgen van de impact van de nieuwbouwplannen worden de nieuwe gebouwen doorgerekend in het rekenmodel van EAGM.

6

Biotooponderzoek - reactie Nieuwe Molen te Veenendaal 30 september 2022

Om inzicht te krijgen op de invloed die een obstakel uitoefent in de lijwaartse richting, worden de afstanden van dit obstakel tot het te beschouwen object en de hoogte van het te beschouwen object uitgedrukt in obstakelhoogten. De hoogte van het obstakel wordt hierbij op 1 gesteld. De molenhoogte wordt hierbij aangeduid met de askophoogte. De askophoogte is gerekend als de helft van het wiekenkruis plus de vrije ruimte tussen onderste tip van de wiek plus een eventueel verschil in hoogte tussen het beschouwde terrein en het molenerf. De onderlinge afstand van obstakel en molen wordt ook uitgedrukt in obstakelhoogten. In het rekenmodel wordt rekening gehouden met de hoek in de windroos die de objecten bestrijken. Dit wordt uitgedrukt in graden. De uiterste punten van het object bepalen het begin en eindgraad van het object gezien vanuit het hart van de molen. Tevens wordt er rekening gehouden met de variërende maaiveldhoogtes. Vervolgens wordt er gekeken naar voor-en achterliggende (vanuit de molen gezien) objecten. Op basis hiervan wordt bepaald of het object een directe belemmering veroorzaakt. Het rekenmodel is een windreductiemodel ontworpen op basis van modellen en rapporten van het WMO en KNMI. De gekozen methode is te onnauwkeurig om windreductie tot achter de komma uit te kunnen rekenen.

De vermelde getallen zijn zuiver indicatief en uitsluitend bedoeld om de ene situatie met de andere te kunnen vergelijken. Het vermogen dat de molen opwekt kan worden berekend aan de hand van de volgende formule: P = 1/2**A*(V^3), waarbij de windsnelheid tot de derdemacht wordt berekend. Een lineaire afname in windsnelheid is een exponentiële afname in vermogen. De benodigde windsnelheid is afhankelijk van het gevraagde vermogen. Het gevraagde vermogen heeft een directe relatie met de hoeveelheid graan de molen kan malen. Voor dit onderzoek is er uitgegaan van een minimale snelheid van 5 m/s ter hoogte van de askop. Om een beeld te verkrijgen van de gevolgen van de berekende windsnelheidsreductie wordt de reductie in vermogen en benodigde windsnelheid die nodig zou zijn om deze reductie te compenseren gecalculeerd aan de hand van de beschikbare windgegevens. Uitvoering: Omdat een exacte berekening van de windreductie buiten de scope van deze reactie valt is er uitgegaan van de volgende aannames: Sectoren 11-13 (100°-130°), waarvan de nieuwbouw 104° tot 125° bestrijkt. Relatieve hoogte tot de molen = 21 meter bouwhoogte – 2 meter in maaiveld verschil = 19 meter

7

Biotooponderzoek - reactie Nieuwe Molen te Veenendaal 30 september 2022

NAP hoogte daken nieuwbouw = 27,50 + Afstand in sector 11 = 300 meter; 60% van de sector Afstand in sector 12 = 200 meter; 100% van de sector Afstand in sector 13 = 150 meter; 5% van de sector Resultaten: Indien de nieuwbouwpanden worden doorgerekend in het model als losstaande panden is de windsnelheid reductie per sector: Sector 11:

9%

Sector 12:

27%

Sector 13:

18%

En de reductie in vermogen: Sector 11:

24%

Sector 12:

62%

Sector 13:

45%

Vervolgens wordt er gekeken naar de beschikbare wind om het verlies in vermogen te compenseren. Op basis van de metadata blijkt dat de reductie in maaldagen 26% is ten opzichte van de huidige situatie. Volgens de metadata is dit in absolute termen een reductie van een halve maaldag. De bovengenoemde reducties zijn berekend over een gemiddeld jaar, in de praktijk zal er enige deviatie zijn – ook als gevolg van veranderingen in het weerpatronen in verband met klimaatverandering. Derhalve wordt er ook benadrukt dat de relatieve verschillen belangrijker zijn dan de absolute waarden.

Bomen: In het rapport van Blonk Advies wordt geredeneerd dat de bomenrij tussen het plangebied en de molen ervoor zorgen dat de nieuwbouwplannen minder invloed hebben op de windvang van de molen, dit klopt. Echter wordt er in het rapport niet gekeken naar de hoogte van de bomen. Enkele bomen reiken met een volle kroon tot ca. +25 meter NAP, maar het leeuwendeel is slechts +17 meter NAP aan de top waardoor de nieuwbouwpanden tot 10 meter boven te bomenrij uitsteken. Deze panden zullen een negatief effect hebben op de windvang ter hoogte van de

8

Biotooponderzoek - reactie Nieuwe Molen te Veenendaal 30 september 2022

askop van de molen indien de wind uit het plangebied komt. In de wintermaanden zal de invloed van de nieuwbouwpanden tot ca. 66% toenemen gerekend over de overlappende hoogtes van de bomenrij en de panden.

Inschatting van de totaalreductie: Een inschatting van de totale reductie die wordt veroorzaakt door het nieuwbouwplan is 10-15% in de zomermaanden en 20-25% in de wintermaanden, ten opzichte van de huidige situatie, uit het desbetreffende windhoek.

4. CONCLUSIE Blonk Advies heeft een gedegen onderzoek uitgevoerd naar de invloed van de nieuwbouwplannen op de windvang van de “De Nieuwe Molen”. In absolute termen is de invloed beperkt en zal het plan niet leiden tot een drastische verlaging in de draai- of maalmogelijkheden van de molen. Desondanks zijn er diverse molentechnische aspecten niet meegenomen in het rapport en wordt de belemmerende waarde van de bomen in de nieuwe situatie te hoog ingeschat ten opzichte van de nieuwbouwwoningen. Uit de toetsing blijkt dat de nieuwbouwwoningen een relatieve hoge reductie in windsnelheid zullen veroorzaken voor de molen en daarmee de draai- en maalmogelijkheden uit het plangebied kunnen verkleinen.

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14181202/1