01 b Gezondheidskundige risicobeoordeling Nedmag 06112025
Tekst van het document
Gezondheidskundige risicobeoordeling emissies van Nedmag en omliggende bedrijven te Veendam 6 november 2025
Colofon De ‘Gezondheidskundige risicobeoordeling emissies van Nedmag en omliggende bedrijven te Veendam’ is een uitgave van GGD Groningen, in opdracht van provincie Groningen. De informatie uit dit rapport mag niet voor commerciële doeleinden gebruikt worden. Indien u informatie uit dit rapport gebruikt zorg dan altijd voor de bronvermelding: GGD Groningen (2025), Gezondheidskundige risicobeoordeling emissies van Nedmag en omliggende bedrijven te Veendam.
Contact: milieu@ggd.groningen.nl (per 1 december 2025 milieu@ggdgroningen.nl)
2
Publiekssamenvatting Provincie Groningen heeft onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit rondom Nedmag in Veendam. Dit onderzoek werd uitgevoerd na een motie vanuit de Provinciale Staten van provincie Groningen (Motie 75 van 8 november 2023). Het onderzoek maakt gebruik van uitstootgegevens van de bedrijven Nedmag B.V., Kisuma Chemicals B.V. en Biovergister Beheer Veendam B.V., samen aangeduid als ‘Nedmag en omliggende bedrijven'. Deze uitstootgegevens komen uit de periode 2009 tot en met 2023. Daarna is door Nedmag een filtersysteem geplaatst. Het onderzoek van provincie Groningen gaat over de situatie vóór de plaatsing van het filter. De provincie heeft met behulp van modellen berekend hoeveel van verschillende stoffen in de lucht voorkomen en welk deel hiervan afkomstig is van Nedmag en omliggende bedrijven. De volgende stoffen zijn in het onderzoek meegenomen: stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10 en PM2,5), zwaveldioxide (SO2), koolmonoxide (CO), gasvormige chloriden (als HCl), cadmium, lood, nikkel en arseen. Daarnaast is gekeken naar de afzetting van deze stoffen vanuit de lucht op de grond. Dit wordt depositie genoemd. Voor de metalen cadmium, lood, nikkel en arseen is de depositie berekend. De resultaten van dit onderzoek zijn te vinden in het rapport Verkennend onderzoek naar de luchtkwaliteit rondom Nedmag in Veendam (mei 2025), dat is opgesteld door provincie Groningen.
Dit rapport wordt hierna aangeduid als het Rapport Luchtkwaliteit.
Beoordeling van gezondheidsrisico's door GGD Groningen Na het afronden van het Rapport Luchtkwaliteit heeft GGD Groningen van de provincie de opdracht gekregen een gezondheidskundige risicobeoordeling uit te voeren. Het doel hiervan is om—op basis van de bevindingen in het Rapport Luchtkwaliteit—de gezondheidsrisico's van de uitstoot te bepalen voor omwonenden en de provincie te adviseren. Dit rapport van GGD Groningen beschrijft de resultaten van de risicobeoordeling, die in twee delen is gedaan. Het eerste deel van de gezondheidskundige risicobeoordeling gaat over luchtverontreiniging door de stoffen NO2, PM10, PM2,5, SO2, CO en HCl. De bijdrage van Nedmag en omliggende bedrijven aan de totale concentraties van deze stoffen is beperkt. Voor geen van de stoffen worden de wettelijke normen overschreden. De GGD gaat niet uit van wettelijke normen maar van gezondheidskundige advieswaarden. Bij de meeste stoffen blijven de totale concentraties ook onder de gezondheidskundige advieswaarden. Hoewel er voor NO2 en PM2,5 een lichte overschrijding van de gezondheidskundige advieswaarde mogelijk is wordt er geen extra gezondheidsrisico verwacht. In de rest van Nederland zijn de concentraties vergelijkbaar. Het tweede deel van de beoordeling gaat over de metalen lood, arseen, cadmium en nikkel.
Voor de metalen arseen, cadmium en nikkel liggen zowel de concentraties in de lucht als de geschatte blootstelling via depositie ruim onder de gezondheidskundige advieswaarden. Daarom worden voor deze metalen geen negatieve gezondheidseffecten verwacht als direct gevolg van de uitstoot door Nedmag en omliggende bedrijven. Voor lood is een schatting gemaakt van de totale blootstelling via lucht, depositie, bodem, voeding en drinkwater. De inname van lood via voeding en drinkwater ligt bij alle kinderen in Nederland al boven het niveau waarop meetbare gezondheidseffecten kunnen optreden. De bijdrage door Nedmag en omliggende bedrijven lijkt de afgelopen jaren relatief klein te zijn geweest vergeleken met deze inname via voeding en drinkwater.
3
Advies GGD Groningen adviseert in het algemeen om, waar dat kan, maatregelen te nemen die de luchtkwaliteit verder verbeteren. Elke verbetering van de luchtkwaliteit levert gezondheidswinst op. Daarnaast adviseert de GGD om blootstelling aan lood zoveel mogelijk te beperken, omdat kinderen in het algemeen al te veel lood binnenkrijgen via voeding en drinkwater. GGD Groningen ziet geen aanleiding voor het doen van vervolgonderzoek.
4
Inhoudsopgave Publiekssamenvatting ...........................................................................................................3 Samenvatting .........................................................................................................................7 1. Inleiding .......................................................................................................................... 10 2. Luchtverontreiniging ........................................................................................................ 11 2.1 Inleiding ....................................................................................................................... 11 2.2 Gezondheidskundige risicobeoordeling ......................................................................... 12 2.2.1 Stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10 en PM2,5) en zwaveldioxide (SO2) ........................ 12 2.2.2 Koolmonoxide (CO) en gasvormige chloriden (als HCl) ............................................ 13 2.2.3 Piekemissies van fijnstof en HCl ............................................................................. 13 2.2.4 Cumulatieve gezondheidsrisico’s ........................................................................... 13 2.2.5 Vergelijking met concentraties op plekken elders ....................................................
14 2.3 Conclusie en aanbevelingen ......................................................................................... 16 3. Lood ................................................................................................................................ 17 3.1 Opname van lood en lood-bloedwaarden voor kinderen................................................. 17 3.2 Blootstellingsschatting voor kinderen ............................................................................ 18 3.2.1 Blootstelling via lucht ............................................................................................. 18 3.2.2 Blootstelling via depositie ...................................................................................... 20 3.2.3 Blootstelling via bodem .......................................................................................... 23 3.2.4 Blootstelling via voeding en drinkwater ................................................................... 24 3.3 Blootstellingsschatting voor volwassenen ..................................................................... 25 3.4 Gezondheidsrisico’s van blootstelling aan lood ............................................................. 26 3.4.1 Neurologische risico’s voor kinderen ......................................................................
26 3.4.2 Gezondheidsrisico’s voor volwassenen ................................................................... 27 3.5 Conclusie en aanbevelingen ......................................................................................... 28 3.5.1 Advies vervolgonderzoek ........................................................................................ 30 4. Arseen, cadmium en nikkel ............................................................................................. 31 4.1 Gezondheidseffecten en advieswaarden ....................................................................... 31 4.1.1 Arseen ................................................................................................................... 31 4.1.2 Cadmium .............................................................................................................. 32 4.1.3 Nikkel .................................................................................................................... 32 4.2 Depositie ..................................................................................................................... 32 4.3 Lucht ........................................................................................................................... 34 4.4 Conclusie en aanbevelingen .........................................................................................
34 Referenties.................................................................................................................... 36
5
Bijlagen ......................................................................................................................... 40 Bijlage 1............................................................................................................................. 40 Bijlage 2............................................................................................................................. 41
6
Samenvatting Provincie Groningen heeft onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit rondom Nedmag in Veendam. Dit onderzoek werd uitgevoerd na een motie vanuit de Provinciale Staten van provincie Groningen (Motie 75 van 8 november 2023). Het onderzoek maakt gebruik van uitstootgegevens van de bedrijven Nedmag B.V., Kisuma Chemicals B.V. en Biovergister Beheer Veendam B.V., samen aangeduid als ‘Nedmag en omliggende bedrijven'. Deze uitstootgegevens komen uit de periode 2009 tot en met 2023. Daarna is door Nedmag een filtersysteem geplaatst. Het onderzoek van provincie Groningen gaat over de situatie vóór de plaatsing van het filter. De provincie heeft met behulp van modellen berekend hoeveel van verschillende stoffen in de lucht voorkomen en welk deel hiervan afkomstig is van Nedmag en omliggende bedrijven. De volgende stoffen zijn in het onderzoek meegenomen: stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10 en PM2,5), zwaveldioxide (SO2), koolmonoxide (CO), gasvormige chloriden (als HCl), cadmium, lood, nikkel en arseen. Daarnaast is gekeken naar de afzetting van deze stoffen vanuit de lucht op de grond, een proces dat depositie wordt genoemd. Voor de metalen cadmium, lood, nikkel en arseen is de depositie berekend.
De resultaten van dit onderzoek zijn te vinden in het rapport Verkennend onderzoek naar de luchtkwaliteit rondom Nedmag in Veendam (mei 2025), dat is opgesteld door provincie Groningen. Dit rapport wordt hierna aangeduid als het Rapport Luchtkwaliteit.
Gezondheidskundige risicobeoordeling Na het afronden van het Rapport Luchtkwaliteit heeft GGD Groningen van de provincie de opdracht gekregen een gezondheidskundige risicobeoordeling uit te voeren. Het doel hiervan is om—op basis van de bevindingen in het Rapport Luchtkwaliteit—de gezondheidsrisico's van de uitstoot te bepalen voor omwonenden en de provincie te adviseren. Dit rapport van GGD Groningen beschrijft de resultaten van de risicobeoordeling, die in twee delen is gedaan. Het eerste deel gaat over de luchtverontreiniging door de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10 en PM2,5), zwaveldioxide (SO2), koolmonoxide (CO) en gasvormige chloriden (als HCl). Het tweede deel van de risicobeoordeling gaat over de metalen lood, arseen, cadmium en nikkel.
Luchtverontreiniging Voor NO2, PM10, PM2,5, SO2, CO en HCl is bepaald of er gezondheidsrisico's mogelijk zijn. De GGD gaat niet uit van wettelijke normen maar van gezondheidskundige advieswaarden. De berekende concentraties in lucht zijn vergeleken met bijbehorende gezondheidskundige advieswaarden. Hiervoor is per stof de hoogste jaargemiddelde concentratie van de afgelopen vijftien jaar gebruikt. De concentraties van NO2 en PM2,5 zijn wat hoger dan de gezondheidskundige advieswaarden van de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO). Voor PM2,5 geldt echter dat deze WHO-advieswaarde nergens in Nederland wordt gehaald. Voor NO2 geldt dit ook in de omgeving van drukke verkeerswegen. Voor PM10 en SO2 blijven de jaargemiddelde concentraties onder de WHO-advieswaarden. Ook voor CO en HCl worden de gezondheidskundige advieswaarden niet overschreden. Het cumulatieve effect door blootstelling aan meerdere stoffen tegelijk kan niet worden bepaald, omdat deze stoffen verschillende gezondheidseffecten hebben. Deze effecten kunnen niet met elkaar vergeleken worden.
7
Naast de jaargemiddelde concentraties zijn ook piekemissies van fijnstof en HCl berekend. Omdat er voor fijnstof geen gezondheidskundige advieswaarde is voor kortdurende blootstelling, kan de piekbelasting hiervan niet worden beoordeeld. Voor HCl is wel een dergelijke gezondheidskundige advieswaarde beschikbaar; de berekende piekconcentraties van HCl blijven daar ruim onder. De bijdrage van Nedmag en omliggende bedrijven aan de jaargemiddelde luchtconcentraties van NO2, PM10, PM2,5, SO2, CO en HCl is beperkt. In vergelijking met de rest van Nederland is er sprake van geen tot een geringe verhoging van de luchtconcentraties. De wettelijke normen worden voor geen van de stoffen overschreden. Voor de meeste stoffen blijven de concentraties onder de gezondheidskundige advieswaarden. Alleen voor NO2 en PM2,5 is er mogelijk sprake van een lichte overschrijding van de gezondheidskundige advieswaarden, maar dit beeld komt overeen met de landelijke situatie. Daarom wordt er voor deze luchtverontreiniging geen extra gezondheidsrisico verwacht ten opzichte van de rest van Nederland.
Advies Elke verbetering van de luchtkwaliteit levert gezondheidswinst op. Hoewel aan de wettelijke normen wordt voldaan, adviseert de GGD om in het algemeen waar mogelijk maatregelen te nemen die de luchtkwaliteit verbeteren (GGD-richtlijn Luchtkwaliteit en gezondheid, 2019).
Metalen De gezondheidskundige risicobeoordeling van de metalen is opgesplitst in een beoordeling van lood en van arseen, nikkel en cadmium. Voor lood wordt de totale blootstelling via lucht, depositie, bodem en voeding en drinkwater geschat op basis van beperkte gegevens in het Rapport Luchtkwaliteit. Deze geschatte blootstelling is vervolgens vergeleken met gezondheidskundige advieswaarden om te bepalen of er effecten op de gezondheid zijn. Voor de metalen arseen, cadmium en nikkel worden de concentraties in de lucht vergeleken met gezondheidskundige advieswaarden voor in lucht, en de hoeveelheid depositie omgerekend naar een verwachte blootstelling en vervolgens vergeleken met gezondheidskundige advieswaarden.
Lood Lood is een metaal dat al bij lage concentraties schadelijke effecten op de gezondheid kan veroorzaken. Voor lood bestaat daarom geen veilige waarde waaronder geen gezondheidseffecten optreden. Mensen kunnen op verschillende manieren aan lood worden blootgesteld: via de lucht, depositie, bodem, voeding en drinkwater. Lood heeft met name effect op het zenuwstelsel, waardoor er bij kinderen een verlies van IQ-punten kan optreden. Bij volwassenen verhoogt blootstelling aan lood het risico op een verminderde nierfunctie en een verhoogde systolische bloeddruk. Voor de gezondheidskundige risicobeoordeling van lood is de achtergrondblootstelling via lucht, bodem, voeding en drinkwater bepaald. De achtergrondblootstelling is de hoeveelheid lood waaraan men normaalgesproken in Nederland aan bloot wordt gesteld, dus waarvoor geen specifieke bron voor bekend is. Daar bovenop is de blootstelling via lucht en depositie afkomstig van Nedmag en omliggende bedrijven geschat op basis van de gemodelleerde gegevens uit het
8
Rapport Luchtkwaliteit. Vervolgens is de geschatte totale blootstelling omgerekend naar een loodconcentratie in het bloed. Daarbij moet worden benadrukt dat deze schatting gebaseerd is op aannames en onzekerheden in de totstandkoming van de gegevens, waardoor de exacte loodbloedwaarden niet met zekerheid vastgesteld kunnen worden. Om de impact te bepalen, zijn de geschatte loodconcentraties in het bloed vergeleken met referentiewaarden voor gezondheidseffecten, vastgesteld door de Europese voedsel- en warenautoriteit (ESFA). Ten opzichte van de achtergrondblootstelling lijkt de bijdrage van de looduitstoot door Nedmag en omliggende bedrijven de afgelopen jaren relatief beperkt te zijn geweest. De achtergrondblootstelling via voeding en drinkwater leidt in Nederland echter al tot een loodbloedconcentratie boven het niveau waarbij een meetbaar verlies van IQ-punten kan optreden. Het is daarom van belang om elke extra blootstelling aan lood zoveel mogelijk te voorkomen. Vanaf 2025 wordt een aanzienlijke daling van de loodemissie verwacht, doordat eind 2024 een filtersysteem is geplaatst bij de schachtovens van Nedmag (Provincie Groningen, 2025). Uitstootgegevens na het plaatsen van het filtersysteem zijn op dit moment nog niet beschikbaar.
Arseen, nikkel en cadmium Voor de gezondheidskundige risicobeoordeling van arseen, nikkel en cadmium zijn de concentraties in de lucht en de geschatte blootstelling via depositie vergeleken met de bijbehorende gezondheidskundige advieswaarden. Deze advieswaarden worden niet overschreden voor blootstelling via depositie en lucht. Schadelijke effecten op de gezondheid kunnen al optreden bij lage concentraties, dus ook onder de advieswaarden. Gezien het grote verschil tussen de gezondheidskundige advieswaarden en de berekende blootstelling via lucht en depositie, is het echter niet aannemelijk dat blootstelling aan arseen, cadmium en nikkel door uitstoot van Nedmag en omliggende bedrijven tot gezondheidsrisico's hebben geleid.
Advies De bronbijdrages van Nedmag en omliggende bedrijven zijn voor lood, arseen, nikkel en cadmium relatief beperkt. Voor lood, cadmium en nikkel komt deze bronbijdrage echter bovenop een al te hoge achtergrondbelasting via voeding en drinkwater. Daarom geldt het advies om blootstelling aan zware metalen zoveel mogelijk verder te beperken. Voor lood heeft de GGD aanvullende adviezen (zie GGD Leefomgeving | Lood). Met vervolgonderzoek kan de blootstelling aan lood mogelijk nauwkeuriger worden geschat. GGD Groningen ziet geen aanleiding voor het doen van vervolgonderzoek. Redenen hiervoor zijn dat de herkomst van lood in de omgeving of het lichaam niet kan worden achterhaald, de bijdrage van Nedmag en omliggende bedrijven beperkt is en er geen concrete behandelopties beschikbaar zijn. Bovendien wordt verwacht dat de loodemissie inmiddels aanzienlijk is afgenomen doordat er een filtersysteem is geïnstalleerd door Nedmag. Hierdoor zal de onderzochte situatie in dit rapport—vóór de plaatsing van de filters—niet meer van toepassing zijn.
9
1. Inleiding GGD Groningen heeft van provincie Groningen de opdracht gekregen om een gezondheidskundige risicobeoordeling uit te voeren op basis van de resultaten uit het Rapport Luchtkwaliteit “Verkennend onderzoek naar de luchtkwaliteit rondom Nedmag te Veendam” van mei 2025 (verder genoemd als het Rapport Luchtkwaliteit). Dit rapport is door provincie Groningen opgesteld naar aanleiding van een motie van de Provinciale Staten (Motie 75 van 8 november 2023) en richt zich op de uitstoot van stoffen door Nedmag B.V. De gebruikte uitstootgegevens komen uit de periode 2009 tot en met 2023. Daarna is door Nedmag een filtersysteem geplaatst. Het onderzoek van provincie Groningen gaat over de situatie vóór de plaatsing van het filter. Verder zijn door de provincie in het Rapport Luchtkwaliteit ook de emissies van de bedrijven Kisuma Chemicals B.V. en Biovergister Beheer Veendam B.V. meegenomen, aangezien deze op hetzelfde bedrijventerrein zijn gevestigd. Nedmag B.V. en bovenstaande bedrijven worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘Nedmag en de omliggende bedrijven’. Op basis van het Rapport Luchtkwaliteit vraagt provincie Groningen aan GGD Groningen om: •
•
• • • •
‘Voor stikstofdioxide, fijnstof (PM10 en PM2,5), lood, arseen, cadmium, gasvormige chloriden als HCl, zwaveldioxide, koolmonoxide en nikkel te bepalen of er een kans is dat de emissies van Nedmag en de omliggende bedrijven vanuit gezondheidskundig perspectief kunnen leiden tot een verhoogde blootstelling in de directe omgeving; Voor de stoffen waarbij deze kans aanwezig is een gezondheidskundige risicobeoordeling uit te voeren die inzicht geeft in de mogelijke risico's voor de gezondheid van omwonenden als gevolg van de (totale) blootstelling aan deze stoffen; Voor de stoffen waarvoor geen gezondheidskundige risicobeoordeling dient te worden uitgevoerd gemotiveerd toe te lichten waarom deze niet noodzakelijk wordt geacht; Indien de beschikbare gegevens dat toelaten, ook in te gaan op de mogelijke gezondheidsrisico's van piekbelastingen; De berekende concentraties van de stoffen te vergelijken met concentraties in de regio en de rest van Nederland; Een samenvatting en een publiekssamenvatting op te nemen in het rapport.’
In dit rapport wordt de uitwerking van bovenstaande punten beschreven. Deze gezondheidskundige risicobeoordeling heeft tot doel de provincie te adviseren over de mogelijke gezondheidsrisico's voor omwonenden van de door de provincie bepaalde luchtkwaliteit en depositie. Daarbij is vanwege een verschil in gebruikte methode een onderverdeling gemaakt in de risicobeoordeling van de stoffen die in het Rapport Luchtkwaliteit in kaart zijn gebracht. De luchtverontreiniging door stikstofdioxide (NO₂), fijnstof (PM10 en PM2,5), zwaveldioxide (SO₂), koolmonoxide (CO) en gasvormige chloriden (als HCl) wordt uitgewerkt in Hoofdstuk 2, het ‘hoofdstuk luchtverontreiniging’. Hoofdstuk 3 richt zich op lood, en Hoofdstuk 4 behandelt de overige drie metalen: arseen, cadmium en nikkel.
10
2. Luchtverontreiniging In het Rapport Luchtkwaliteit heeft de provincie de verspreiding van verschillende stoffen in de omgeving van Nedmag en omliggende bedrijven in kaart gebracht. In dit hoofdstuk wordt beoordeeld of er gezondheidsrisico’s zijn voor omwonenden door blootstelling aan stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10 en PM2,5), zwaveldioxide (SO2), koolmonoxide (CO) en gasvormige chloriden (als HCl).
2.1 Inleiding In het Rapport Luchtkwaliteit zijn berekeningen van de concentraties luchtverontreiniging in de omgeving van Veendam uitgevoerd met behulp van het programma Geomilieu versie 2024.1. Geomilieu bevat meteorologische data—zoals uurgemiddelden van windrichting, windsnelheid, zoninstraling en temperatuur—en ranges van jaargemiddelde achtergrondconcentraties voor NO2, PM10, PM2,5, SO2 en CO. Deze achtergrondconcentraties weerspiegelen de algemene luchtverontreiniging, afkomstig van allerlei activiteiten en bronnen (waaronder ook buitenlandse aanvoer van luchtverontreiniging), en zijn bepaald voor het jaar 2023 (Provincie Groningen, 2025). Boven op de achtergrondconcentraties is de lokale bijdrage door de uitstoot van Nedmag en omliggende bedrijven in beeld gebracht. Hiervoor is per stof de hoogste gerapporteerde jaargemiddelde emissie uit de periode 2009 tot en met 2023 als invoer gebruikt (Provincie Groningen, 2025). De totale (cumulatieve) concentratie van achtergrond en de bijdrage van ‘Nedmag en omliggende bedrijven’ is gemodelleerd door Geomilieu voor woonadressen in de directe omgeving. Hierbij moet vermeld worden dat dit een conservatieve schatting is van de cumulatieve waarde; omdat de emissies van de bedrijven ook al verwerkt zijn in de achtergrondconcentraties, is er sprake van enige dubbeltelling.
In het Rapport Luchtkwaliteit zijn de jaargemiddelde achtergrondconcentraties, de bijdrage van Nedmag en omliggende bedrijven en de cumulatieve concentraties weergegeven voor de hoogst belaste locaties. Deze gegevens worden weergegeven in Tabel 1. Voor HCl bevat Geomilieu geen achtergrondconcentratie. Daarom is de cumulatieve waarde voor HCl in Tabel 1 berekend door de RIVM-achtergrondwaarde (Mennen M. G., 2002) op te tellen bij de berekende bedrijfsbijdrage. Tabel 1. Berekende jaargemiddelde concentraties op de hoogst belaste locaties (Provincie Groningen, 2025). Stof NO2 PM10 PM2,5 SO2 CO HCl
Jaargemiddelde achtergrondconcentratie (µg/m3) 7,4-8,7 12,9-13,0 6,2-6,4 0,3 238-239 0,5
Bijdrage bedrijven (µg/m3) 1,5-3,3 0,2-0,6 0,2-0,5 0,0-0,1 7,1-10,3 0,03-0,12
Cumulatieve waarde (µg/m3) 8,8-12 13,3-13,5 6,6-6,7 0,3-0,4 245,4-249,3 0,53-0,62*
* Geomilieu versie 2024.1 kan de cumulatieve waarde voor HCl niet bepalen. De cumulatieve waarde is berekend door de bedrijfsbijdrage en de RIVM-achtergrondconcentratie (Mennen M. G., 2002) bij elkaar op te tellen.
11
Uit Tabel 1 blijkt dat de cumulatieve concentraties voor alle stoffen hoger zijn dan de verwachte achtergrondconcentraties. Dit kan verklaard worden door de eerdergenoemde dubbeltelling, maar het betekent ook dat verhoogde blootstelling niet kan worden uitgesloten. Daarom beoordelen we in de volgende paragraaf voor alle stoffen in Tabel 1 of de cumulatieve concentraties kunnen leiden tot gezondheidsrisico’s.
2.2 Gezondheidskundige risicobeoordeling In het Rapport Luchtkwaliteit zijn voor NO2, PM10, PM2,5, SO2, CO en HCl de jaargemiddelde luchtconcentraties in de omgeving van Nedmag en de omliggende bedrijven berekend. Voor fijnstof en HCl zijn daarnaast ook maximale uurgemiddelde piekwaarden vastgesteld (Provincie Groningen, 2025). De mogelijke gezondheidseffecten voor omwonenden worden beoordeeld door de gerapporteerde cumulatieve jaargemiddelde concentraties in de lucht te vergelijken met de bijbehorende gezondheidskundige advieswaarden (zie Tabel 2), en niet met wettelijke normen. De gezondheidskundige advieswaarden zijn de jaargemiddelde concentraties waaronder bij langdurige blootstelling geen schadelijke effecten voor de volksgezondheid worden verwacht. Wanneer er (tijdelijke) overschrijdingen optreden kan er sprake zijn van een gezondheidsrisico. Tabel 2. Gezondheidskundige advieswaarden en jaargemiddelde cumulatieve waarden. Stof
Gezondheidskundige advieswaarde
NO2 PM10 PM2,5 SO2 CO HCl
10 µg/m3 jaargemiddeld (a) 15 µg/m3 jaargemiddeld (a) 5 µg/m3 jaargemiddeld (a) 50 µg/m3 jaargemiddeld (b) 4000 µg/m3 dagelijks levenslang (a) Voorlichtingsrichtwaarde voor een tijdsduur van 8 uur is 2700 µg/m3 (c); Advieswaarde werknemers voor een tijdsduur van 8 uur is 8000 µg/m3 (c)
Jaargemiddelde cumulatieve waarde (µg/m3) 8,8-12 13,3-13,5 6,6-6,7 0,3-0,4 245,4-249,3 0,53-0,62 (d)
(a) (World Health Organization, 2021) (b) (World Health Organization, 2000) (c) (RIVM | HCl-normen) (d) Deze waarde is berekend door de bedrijfsbijdrage en de RIVM-achtergrondconcentratie (Mennen M. G., 2002) bij elkaar op te tellen.
Aan de hand van Tabel 2 lichten we hieronder per stof de gezondheidsrisico’s toe.
2.2.1 Stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10 en PM2,5) en zwaveldioxide (SO2) Voor NO2 en PM2,5 is er mogelijk sprake van een lichte overschrijding van de advieswaarde van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Voor PM2,5 wordt deze WHO-advieswaarde overigens nergens in Nederland gehaald (zie Atlas Leefomgeving | Fijnstof ). Voor NO2 wordt in Nederland met name in de directe omgeving van drukke verkeerswegen de WHO-advieswaarde overschreden door de emissies van wegverkeer. Dit is ook het geval voor de directe omgeving van de N33. Voor PM10 en SO2 is er geen overschrijding van de WHO-advieswaarde.
12
Het is wel belangrijk om te noemen dat er voor PM10 en PM2,5 geen drempelwaarde bestaat waaronder geen gezondheidseffecten kunnen optreden. Daarom zal iedere verbetering van de luchtkwaliteit gezondheidswinst opleveren (GGD-richtlijn Luchtkwaliteit en gezondheid, 2019).
2.2.2 Koolmonoxide (CO) en gasvormige chloriden (als HCl) Voor CO en HCl bestaan geen gezondheidskundige advieswaarden waaraan we de jaargemiddelde concentraties kunnen toetsen. De WHO heeft voor CO wel een gemiddelde 24uursadvieswaarde opgesteld, die de waarde aangeeft waaraan men dagelijks levenslang aan mag worden blootgesteld. Omdat deze advieswaarde niet wordt overschreden, verwachten we geen gezondheidseffecten bij de jaargemiddelde cumulatieve concentratie van CO. Voor HCl zijn er gezondheidskundige advieswaarden voor een kortdurend tijdsbestek bepaald (zie Tabel 2), waaronder de voorlichtingsrichtwaarde (VRW) bij een tijdsduur van 8 uur en de advieswaarde voor werknemers. De VRW is de luchtconcentratie waarbij met grote waarschijnlijkheid de eerste lichte gezondheidseffecten kunnen optreden. De berekende jaargemiddelde concentraties liggen echter ruim—meer dan een factor duizend—onder zowel de VRW als de advieswaarde voor werknemers. Hierdoor worden geen gezondheidseffecten verwacht bij de jaargemiddelde cumulatieve concentratie van HCl.
2.2.3 Piekemissies van fijnstof en HCl Voor de emissie van fijnstof is in het Rapport Luchtkwaliteit een piekwaarde van 158,1 µg/m3 berekend (Provincie Groningen, 2025). Deze waarde kan optreden wanneer de meest ongunstige bedrijfsomstandigheden samenvallen met de meest ongunstige weersomstandigheden. Kortdurende blootstelling aan verhoogde fijnstofconcentraties kan gezondheidsklachten geven zoals luchtwegklachten. Door het ontbreken van gezondheidskundige advieswaarden voor kortdurende blootstelling aan fijnstof is het echter niet mogelijk om een gezondheidskundige risicobeoordeling te geven van de piekbelasting voor fijnstof. Voor de piekemissie van HCl is in het Rapport Luchtkwaliteit een waarde van 0,375 mg/m3 berekend, die naar verwachting slechts 0,01% van de tijd optreedt (Provincie Groningen, 2025). Dat is minder dan 1 uur per jaar. Deze piekwaarde kan voorkomen bij een combinatie van ongunstige bedrijfs- en weersomstandigheden. Voor HCl zijn gezondheidskundige advieswaarden beschikbaar voor de blootstellingsduur van een uur (RIVM | HCl-normen). Bij concentraties onder 2,7 mg/m3 worden geen gezondheidseffecten verwacht. De vastgestelde piekwaarde blijft hier ruimschoots onder.
2.2.4 Cumulatieve gezondheidsrisico’s In de gezondheidskundige risicobeoordeling worden de stoffen individueel beoordeeld. In werkelijkheid is een gelijktijdige blootstelling aan meerdere stoffen mogelijk. Iedere stof heeft eigen gezondheidsrisico's. Doordat de stoffen in dit onderzoek verschillen in gezondheidsrisico's kunnen de risico's van deze stoffen bij gelijktijdige blootstelling niet bij elkaar op kunnen worden geteld (Geelen, et al., 2023; Greven, F; Botma, R, 2020). Daarom kan in dit onderzoek geen kwantitatieve uitspraak worden gedaan over cumulatieve gezondheidsrisico's.
13
Cumulatieve gezondheidsrisico’s zijn niet uit te sluiten, maar naar verwachting is het effect hiervan beperkt, mede omdat de berekende jaargemiddelde concentraties uit Tabel 2 weinig overschrijdingen van de gezondheidskundige advieswaarden tonen.
2.2.5 Vergelijking met concentraties op plekken elders De GGD is gevraagd de berekende jaargemiddelde concentraties van luchtverontreiniging te vergelijken met andere locaties in Nederland. Voor de stoffen NO2, PM10, PM2,5 en SO2 gebruiken we daarvoor informatie uit het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit van het RIVM (Luchtmeetnet), op basis van de rapportages uit 2023 (het referentiejaar voor de berekende concentraties). Binnen het luchtmeetnet staan meetstations op verschillende typen locaties. Regionale meetstations meten de achtergrondconcentraties in landelijke gebieden zonder directe invloed van verkeer of industrie. Daarnaast zijn er meetstations in stedelijke omgevingen en nabij drukke wegen en industrieterreinen om de invloed van deze bronnen in kaart te brengen. Voor de vergelijking selecteren we zowel regionale achtergrondstations als stations die worden beïnvloed door verkeer of industrie. De volgende regionale achtergrondstations uit het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit zijn meegenomen, gelegen in of nabij de provincie Groningen. Tussen haakjes staat vermeld welke stoffen daar worden gemeten: -
Valthermond – Noorderdiep (NO2, PM10); Kollumerwaard – Hooge Zuidwal (NO2, PM10, PM2,5, SO2); Groningen – Nijensteinheerd (NO2, PM2,5).
Tabel 3 toont de meetresultaten van deze drie achtergrondlocaties. Tabel 3. Jaargemiddelde meetresultaten van de achtergrondmeetstations in 2023 (Luchtmeetnet, z.d.). Station ValthermondNoorderdiep Kollumerwaard Groningen Nijensteinheerd
NO2 (µg/m3) 7
PM10 (µg/m3) 12
PM2,5 (µg/m3) -
SO2 (µg/m3) -
5 7
14 -
6 6
0 -
Sinds eind juni 2025 is er ook een nieuw achtergrondmeetstation in de regio Delfzijl: Baamsum – Oude Ae, die PM10 en PM2,5 meet. Er zijn nog geen jaargemiddelde gegevens beschikbaar van dit meetpunt. De eerste gerapporteerde daggemiddelde waarden liggen voor PM10 tussen 4,8 en 18,6 µg/m3 en voor PM2,5 tussen 3,9 en 12,3 µg/m3. Door de brede spreiding en het ontbreken van een jaargemiddelde waarde, nemen we dit meetpunt niet verder mee in deze beoordeling.
14
Voor de vergelijking met locaties belast door de aanwezigheid van drukke verkeerswegen of industriële activiteiten zijn daarnaast de volgende meetstations geselecteerd, met tussen haakjes de vermelding van de dominante bron. Op al deze locaties worden NO2, PM10 en PM2,5 gemeten; bij vier stations wordt tevens SO₂ gemeten: -
Groningen – Europaweg (wegverkeer); Maassluis – Kwartellaan (industrie en scheepvaart); Rotterdam – Hoek van Holland (industrie en haven); Zaanstad – Hoogtij (industrie en haven); IJmuiden – Kanaalstraat (industrie); Wijk aan Zee- De Banjaert (industrie).
De meetresultaten van deze stations zijn weergegeven in Tabel 4.
Tabel 4. Jaargemiddelde meetresultaten van meetstations nabij stad of industrie in 2023 (Luchtmeetnet, z.d.). Station Groningen Europaweg Maassluis Kwartellaan Rotterdam – Hoek van Holland Zaanstad - Hoogtij IJmuiden Kanaalstraat Wijk aan Zee – de Banjaert
NO2 (µg/m3) 16
PM10 (µg/m3) 17
PM2,5 (µg/m3) 6
SO2 (µg/m3) -
24
15
8
-
23
17
9
1
21 21
13 17
8 8
1 4
15
22
9
4
Het Rapport Luchtkwaliteit geeft een overzicht van de concentraties op verschillende toetspunten. Daarbij is per stof een range weergegeven van concentraties bij woningen met de hoogste belasting. Per stof kan de locatie met de hoogste belasting verschillen in de directe omgeving. In de gezondheidskundige risicobeoordeling maken we de conservatieve aanname dat de hoogste belasting van alle stoffen op één en dezelfde locatie optreedt. De hoogste jaargemiddelde concentraties in de omgeving van Nedmag en omliggende bedrijven bedragen 12 µg/m3 voor NO2, 13,5 µg/m3 voor PM10 en 6,7 µg/m3 voor PM2,5 (Provincie Groningen, 2025). Het is hierbij belangrijk om nogmaals te noemen dat er bij de bepaling van deze waarden sprake was van dubbeltelling (zie paragraaf 2.1) (Provincie Groningen, 2025). Deze waarden zijn dus conservatief bepaald. Wanneer we deze waarden vergelijken met de waarden in Tabel 3, concluderen we dat de jaargemiddelde concentraties van PM10 en PM2,5 vergelijkbaar zijn met die op onbelaste achtergrondlocaties. Voor NO2 is er een verhoging ten opzichte van de onbelaste achtergrondlocaties in Tabel 3, maar de jaargemiddelde concentraties blijven beduidend lager dan op industrie- of verkeersbelaste meetpunten (zie Tabel 4). Een mogelijke verklaring voor een iets hogere NO2-concentratie in de omgeving van Veendam kan de invloed van verkeersstromen op de N33 zijn.
15
2.3 Conclusie en aanbevelingen Voor de luchtverontreiniging lijkt er voor alle stoffen een verhoging te zijn ten opzichte van de achtergrondconcentraties. Dit is niet onverwacht. In het rekenmodel in Geomilieu is namelijk al een bijdrage van de bedrijven opgenomen in de achtergrondconcentratie. Wanneer vervolgens de bijdrage van Nedmag en omliggende bedrijven afzonderlijk daarbovenop wordt doorgerekend, ontstaat enige dubbeltelling. Volgens het Rapport Luchtkwaliteit geeft dit de worst-case-situatie met de hoogste verwachte concentraties luchtverontreiniging (Provincie Groningen, 2025). Daarnaast is voor deze worst-case-situatie per stof gekozen voor de hoogste jaargemiddelde emissie van de afgelopen vijftien jaar als invoer voor de berekening van de bijdrage van Nedmag en omliggende bedrijven. In het Rapport Luchtkwaliteit wordt per stof nader beschreven uit welk jaartal deze emissiegegevens afkomstig zijn. Voor de berekening van de achtergrondconcentraties zijn meteorologische gegevens uit 2023 gebruikt (Provincie Groningen, 2025). Hierdoor zijn achtergrond- en emissiewaarden mogelijk niet gebaseerd op hetzelfde jaar, en kan dit bovendien verschillen per stof. De bijdrage van Nedmag en omliggende bedrijven aan de totale concentraties van de stoffen beschreven in dit hoofdstuk lijkt beperkt. Geen van de wettelijke normen wordt overschreden.
Voor de meeste stoffen blijven de concentraties onder de gezondheidskundige advieswaarden. Alleen voor NO2 en PM2,5 is mogelijk sprake van een lichte overschrijding, maar dit komt overeen de landelijke situatie. De jaargemiddelde concentraties van PM2,5 zijn vergelijkbaar met die op onbelaste achtergrondlocaties in of nabij de Provincie Groningen. Voor NO2 lijkt er een verhoging te zijn ten opzichte van de onbelaste achtergrondlocaties, maar blijven de jaargemiddelde concentraties beduidend lager dan op industrie- of verkeersbelaste meetpunten in Nederland. Daarom wordt er voor deze luchtverontreiniging geen extra gezondheidsrisico verwacht ten opzichte van vergelijkbare plekken in Nederland. De GGD ziet—op basis van het Rapport Luchtkwaliteit—geen aanleiding om aanvullend onderzoek te doen, zoals metingen naar de luchtkwaliteit. Wel is in algemene zin bekend dat elke verbetering van de luchtkwaliteit gezondheidswinst oplevert. Daarom adviseert de GGD— ondanks het voldoen aan de wettelijke normen—om waar mogelijk verdere verbetering van de luchtkwaliteit na te streven (GGD-richtlijn Luchtkwaliteit en gezondheid, 2019).
16
3. Lood In het Rapport Luchtkwaliteit is de verspreiding van lood in de omgeving van Nedmag en omliggende bedrijven in kaart gebracht. Concentratieberekeningen in de lucht zijn gedaan met behulp van het programma Geomilieu, en depositie is bepaald met het programma OPS-Pro (zie verder het Rapport Luchtkwaliteit (Provincie Groningen, 2025)). Er zitten veel aannames en onzekerheden in de totstandkoming van deze gegevens die doorwerken in de gezondheidskundige risicobeoordeling in dit hoofdstuk. Lood is een giftig zwaar metaal en heeft al bij lage gehaltes effecten op de gezondheid. Lood heeft effect op het zenuwstelsel. Jonge kinderen van 0 tot 7 jaar zijn de meest kwetsbare groep: zij nemen lood makkelijker op en hun hersenen zijn nog volop in ontwikkeling. De verstoring van de ontwikkeling van het centraal zenuwstelsel, als gevolg van blootstelling aan lood, kan worden uitgedrukt in de mate van IQ-verlies. Daarnaast geeft blootstelling aan lood bij volwassenen een verhoogd risico op verstoring van de nierfunctie en hart- en vaataandoeningen (EFSA, 2010). In dit hoofdstuk wordt in paragraaf 3.1 en 3.2 beschreven in welke mate kinderen kunnen worden blootgesteld aan lood en hoeveel daarvan in het lichaam kan worden opgenomen. De blootstellingsschatting voor volwassenen wordt toegelicht in paragraaf 3.3.
In paragraaf 3.4 worden de mogelijke gezondheidsrisico's voor zowel kinderen als volwassenen beschreven. Tot slot volgt in paragraaf 3.5 de conclusie met bijbehorende discussiepunten en advies over vervolgonderzoek. GGD Groningen heeft voor dit hoofdstuk van de gezondheidskundige risicobeoordeling advies ingewonnen bij het RIVM.
3.1 Opname van lood en lood-bloedwaarden voor kinderen Mensen kunnen op verschillende manieren lood binnenkrijgen: via de lucht, depositie, bodem, voeding en drinkwater. Niet al het lood dat het lichaam binnenkomt wordt daadwerkelijk opgenomen. Alleen het deel dat in het bloed terechtkomt, heeft invloed op de gezondheid. Voor kinderen van 0 tot 7 jaar is er door de United States Environmental Protection Agency (EPA) een speciaal rekenmodel ontwikkeld: het ‘Integrated Exposure Uptake Biokinetic (IEUBK)’-model (EPA, 1994). Dit model berekent hoe lood zich in het lichaam van een kind verspreidt (bijvoorbeeld in bloed, weefsels en botten) en hoe het uiteindelijk wordt uitgescheiden. Op basis van de loodinname voorspelt dit model de geometrisch gemiddelde waarde 1 van de hoeveelheid lood die in het bloed terechtkomt. Met het IEUBK-model berekende de Europese voedsel- en warenautoriteit (ESFA) dat een dagelijkse inname van ongeveer 0,5 microgram lood per kilogram lichaamsgewicht (µg/kg lg) via alleen voeding en drinkwater leidt tot een geometrisch gemiddelde waarde van 12 µg/liter bloed bij kinderen (EFSA, 2010). Deze lood-bloedwaarde van 12 µg/l geldt als de 95%-
Het geometrisch gemiddelde van n getallen wordt berekend door de getallen met elkaar te vermenigvuldigen en vervolgens de n-de-machtswortel te nemen. In vergelijking met het “normale” rekenkundige gemiddelde, geeft het geometrisch gemiddelde een betere schatting van de centrale tendens voor de hoeveelheid lood in bloed. Het geometrisch gemiddelde wordt namelijk minder beïnvloed door uitschieters met extreem hoge waarden (zoals voor kan komen bij lood-bloedwaardes).
1
17
betrouwbaarheidsondergrens waarbij gemiddeld één IQ-punt verlies bij kinderen optreedt (EFSA, 2010). De berekening door ESFA hield alleen rekening met blootstelling via voeding en drinkwater. Blootstelling via andere routes (lucht, depositie en bodem) werd niet meegenomen (EFSA, 2010). De standaardwaarde van het IEUBK-model voor opname door blootstelling via voeding is 50% (EPA, 1994). Dit betekent dat een dagelijkse loodinname van 0,5 µg/kg lg/dag via alleen voeding en drinkwater—gekoppeld aan een geometrisch gemiddelde lood-bloedwaarde van 12 µg/l— overeenkomt met een opname van 0,25 µg/kg lg/dag. De relatie tussen loodopname en de lood-bloedwaarde is niet volledig rechtlijnig (lineair). Bij hoge blootstelling (100 µg/dag of meer) vlakt de stijging af, omdat de bindingsplaatsen voor lood in rode bloedcellen geleidelijk verzadigd raken (EPA, 1994; EFSA, 2010). Bij lagere blootstellingsniveaus verloopt de relatie echter vrijwel lineair (EPA, 1994). Uitgaande van een bloedwaarde van 12 µg/l bij een loodopname van 0,25 µg/kg lg/dag, geldt voor kinderen bij blootstellingsniveaus onder 100 µg/dag de volgende vergelijking: lood-bloedwaarde (µg/l) = 48 ⋅ loodopname (µg/kg lg/dag). (1)
Deze vergelijking wordt in paragraaf 3.2.2, 3.2.3 en 3.2.4 toegepast om de bijdrage van depositie, bodem, voeding en drinkwater aan de lood-bloedwaarde te berekenen voor kinderen. Het IEUBK-model kan alleen gebruikt worden bij een schatting van de lood-bloedwaarde bij kinderen (EPA, 1994). Om een inschatting te maken van de bloed-loodwaarde bij volwassenen, hanteert ESFA (2010) het model van Carlisle en Wade (1992). Aan de hand van dit model, schatten we in paragraaf 3.3 de lood-bloedwaarde bij volwassenen.
3.2 Blootstellingsschatting voor kinderen In deze paragraaf schatten we hoeveel lood via de verschillende bronnen in het bloed van kinderen terechtkomt: in paragraaf 3.2.1 bespreken we de bijdrage van lood in lucht, in paragraaf 3.2.2 de bijdrage van depositie, in paragraaf 3.2.3 de bijdrage van bodem en in paragraaf 3.2.4 de bijdrage van voeding en drinkwater.
3.2.1 Blootstelling via lucht De maximale bijdrage van Nedmag en omliggende bedrijven aan de lood-luchtconcentratie bedraagt 2⋅10-3 μg/m3 (Provincie Groningen, 2025). We berekenen de totale loodconcentratie in lucht als de som van deze waarde en de achtergrondconcentratie. Als achtergrondwaarde hanteren we de jaargemiddelde loodconcentratie die in 2022 is gemeten op de onbelaste achtergrondlocatie De Rijp: 3,54⋅10-3 μg/m3 (de Jonge, 2023). Lood wordt vrijwel volledig opgenomen na inhalatie. Het onderzoek van Richmond-Bryant et al. (2014) richtte zich op de relatie tussen lood in lucht en lood in bloed bij kinderen van twee leeftijdsgroepen: 1-5 jaar en 6-11 jaar. Voor de schatting van de blootstelling door lood in lucht gebruiken we de volgende vergelijking (Richmond-Bryant, et al., 2014), voor kinderen van 1 tot 5 jaar: Geometrisch gemiddelde lood-bloedwaarde (μg/l) = 10 ∙ 𝑒𝑒 1.142+0.076 ln(lood-luchtconcentratie (µg/m³)) . (2)
18
De relatie tussen lood in lucht en lood in bloed wordt weergegeven in Figuur 1. Een nadere toelichting op bovenstaande vergelijking is opgenomen in Bijlage 1. De grafiek laat zien dat deze relatie niet rechtlijnig is: bij lagere luchtconcentraties is de helling steiler. Dit betekent dat eenzelfde toename in lood-luchtconcentratie bij lage waarden leidt tot een relatief grotere stijging van de lood-bloedwaarde dan bij hogere concentraties. Richmond-Bryant et al. (2014) stellen dat de relatie tussen lood in lucht en lood in bloed zowel directe inhalatie als indirecte blootstelling via lood in lucht—bijvoorbeeld door depositie—omvat. Omdat we de overige blootstellingsroutes afzonderlijk behandelen in dit rapport, kan dit leiden tot een overschatting. Het is niet met zekerheid vast te stellen hoe groot deze overschatting is. We hanteren in dit hoofdstuk dus een 'worst case'-benadering van de schatting van de totale blootstelling. Vergelijking (2) is ontwikkeld op basis van luchtmetingen en is vooral betrouwbaar binnen het bereik van de metingen: 90% van de jaargemiddelde lood-luchtconcentraties lagen tussen 1,6⋅10-3 μg/m3 en 9,3⋅10-2 μg/m3 (Richmond-Bryant, et al., 2014). Waarden onder 1,6⋅10-3 μg/m3 vallen buiten het gemeten bereik en berusten op extrapolatie. Deze waarden bevatten daardoor onzekerheden.
Daarnaast is vergelijking (2) door de aanwezigheid van de ln-term niet bruikbaar voor een luchtconcentratie van 0 μg/m3. Naarmate de concentratie dichter bij nul komt, wordt de helling van de grafiek steeds steiler. Om bovenstaande redenen, kiezen we 1,6⋅10-3 μg/m3 als ondergrens voor betrouwbaar gebruik van vergelijking (2).
Figuur 1. De relatie tussen het geometrisch gemiddelde van de lood-bloedwaarde en de loodluchtconcentratie. De rode stippellijn geeft de achtergrondconcentratie van 3,54⋅10-3 μg/m3 weer (de Jonge, 2023), terwijl de groene stippellijn de achtergrond plus de bijdrage van Nedmag en omliggende bedrijven toont (3,54⋅10-3 μg/m3 + 2⋅10-3 μg/m3 = 5,54⋅10-3 μg/m3). De zwarte cirkel markeert de modelondergrens van 1,6⋅10-3 μg/m3 lood in lucht.
19
Bij de modelondergrens van 1,6⋅10-3 μg/m3 geeft vergelijking (2) een lood-bloedwaarde van 19,21 μg/l. Bij de achtergrondconcentratie van 3,54⋅10-3 μg/m3 bedraagt de lood-bloedwaarde 20,40 μg/l. De achtergrondconcentratie geeft daarmee een geschatte toename van 20,40 μg/l 19,21 μg/l = 1,19 μg/l. Vervolgens combineren we de achtergrondconcentratie met de maximale bijdrage van Nedmag: 3,54⋅10-3 μg/m3 + 2⋅10-3 μg/m3 = 5,54⋅10-3 μg/m3. Invulling van deze waarde in vergelijking (2) resulteert in een lood-bloedwaarde van 21,11 μg/l. Dit betekent dat de bijdrage van Nedmag, boven op de achtergrond, neerkomt op 21,11 μg/l - 20,40 μg/l = 0,71 μg/l.
3.2.2 Blootstelling via depositie In dit onderzoek beperken we ons tot de gemodelleerde depositie van de uitstoot van Nedmag en omliggende bedrijven (Provincie Groningen, 2025), aangevuld met de blootstelling door achtergronddepositie zoals gemeten op een locatie zonder industriële invloed (Wijten, et al., 2025). Er zijn geen depositie-veegmonsters genomen in de omgeving van Nedmag en omliggende bedrijven. De depositie is berekend met het programma OPS-Pro. Er zijn tot dusver nog geen studies bekend waarin een berekende depositiewaarde met OPS-Pro is vertaald naar blootstelling. Deze vertaling is in andere studies wel gedaan voor depositie-veegmonsters (Mennen, 2021). De methodiek die in deze gezondheidskundige risicobeoordeling wordt gebruikt is hieronder beschreven en is aangepast naar het gebruik van depositieberekeningen. De depositieberekeningen in het Rapport Luchtkwaliteit (Provincie Groningen, 2025) houden geen rekening met het wegspoelen van depositie door neerslag. Uit onderzoek van Mennen et al. (2021) blijkt dat gemiddeld 45% van de metalen wordt weggespoeld, met grote variatie in de mate van afspoeling. Als worst-case scenario gaan we, net als Mennen et al. (2021), ervan uit dat ook de weggespoelde depositie beschikbaar is geweest voor blootstelling (Mennen M. G., 2021). Kinderen kunnen tijdens het spelen, zowel binnen als buiten, in contact komen met depositie.
Uit onderzoek van Mennen et al. (2021) blijkt dat de depositie van metalen binnenshuis over het algemeen veel lager is dan buitenshuis: voor lood en arseen gemiddeld 50–100 keer lager, en voor cadmium en nikkel gemiddeld 10–30 keer lager. Omdat depositie buitenshuis aanzienlijk hoger is en er geen meetgegevens van depositie binnenshuis beschikbaar zijn, richt dit onderzoek zich uitsluitend op depositie buitenshuis. Kinderen hebben een hogere blootstelling aan depositie door hun hun gedrag—zoals kruipen, spelen op de grond en hand-mond-contact—én door hun relatief lage lichaamsgewicht. Ten opzichte van de orale blootstelling via hand-mond-contact wordt de opname via de huid als verwaarloosbaar beschouwd voor metalen (Florence, Lilley , & Stauber, 1988; Wester, et al., 1992; Lowney, et al., 2007; Filon, et al., 2025). Voor lood, schatten Moore et al. (1980) dat de opname via onbeschadigde huid slechts 0 tot 0.3% bedraagt (Moore, et al., 1980). Om deze reden nemen we in dit onderzoek alleen de orale blootstelling via hand-mond-contact mee. Orale blootstelling via hand-mond-contact is vooral relevant voor kinderen tot zes jaar (ter Burg, Bremmer, & van Engelen, 2007). Voor een conservatieve schatting van de orale blootstelling— uitgedrukt in hoeveelheid per kg lichaamsgewicht (lg)—gaan we uit van het lichaamsgewicht van een kind van één tot twee jaar.
Een lager lichaamsgewicht leidt namelijk tot een hogere blootstelling per kilogram lichaamsgewicht. Als conservatieve aanname nemen we het 25e
20
percentiel voor het lichaamsgewicht van een kind van één tot twee jaar, namelijk 9,8 kg (te Biesebeek, Nijkamp, Bokkers, & Wijnhoven, 2014). Om de orale blootstelling via hand-mond-contact te schatten, moet eerst worden bepaald hoeveel lood tijdens het buitenspelen op de huid van de handen terechtkomt. De effectieve overdracht van een chemische stof naar de huid per tijdseenheid wordt beschreven met de zogenaamde transfer-coëfficiënt (TC) (m2/uur). Deze coëfficiënt wordt gedefinieerd als de verhouding tussen de blootstellingsnelheid—de hoeveelheid chemische stof die per uur naar de huid wordt overgedragen (μg/uur)—en de mate van verontreiniging van het oppervlak waarmee contact plaatsvindt (μg/m²) (EPA, 2012). De TC wordt in studies vastgesteld door gelijktijdig de hoeveelheid chemische stof op de huid en de mate van oppervlakkige verontreiniging te meten. Dit is gedaan voor verschillende activiteiten, zoals bijvoorbeeld appels plukken, grasmaaien, binnenshuis spelen op tapijt of buitenspelen (EPA, 2012). Hoewel de TC is vastgesteld in studies naar blootstelling aan pesticiden, geeft de EPA aan dat deze waarden in principe generiek toepasbaar zijn (EPA, 2012). Dat betekent dat transfercoëfficiënten, gekoppeld aan specifieke activiteiten (zoals buitenspelen), ook representatief zijn voor andere chemische stoffen (EPA, 2012).
In dit onderzoek wordt daarom aangenomen dat de voor pesticiden vastgestelde TC ook gebruikt kan worden voor lood. Op basis van (ECHA, 2016) neemt Mennen et al. (2021) aan dat de overdracht van een chemische stof naar onbedekte handen, onderarmen, voeten en benen bij kinderen 0,2 m2/uur bedraagt (Mennen M. G., 2021). Deze waarde is echter gebaseerd op blootstelling binnenshuis (spelen op een tapijt) (EPA, 2012; ECHA, 2016). In dit rapport hanteren we de conservatievere TC die geldt voor overdracht van pesticiden bij buitenspelen op gras. Voor kinderen van 1 tot 2 jaar adviseert de EPA een TC van 54.000 cm2/uur (oftewel 5,4 m2/uur) (EPA, 2012). De genoemde TC is bepaald voor de overdracht naar onbedekte handen, onderarmen, voeten en benen samen (EPA, 2012). Om de overdracht naar alleen de handen te bepalen, wordt deze waarde gecorrigeerd: de handen vormen 20% van dit totale huidoppervlak (factor 0,2) (Bremmer, et al., 2006; Mennen M. G., 2021). Daarnaast wordt aangenomen dat 50% van de chemische stof op de handen beschikbaar is voor orale blootstelling via hand-mond-contact (factor 0,5) (Bremmer, et al., 2006; Mennen M. G., 2021). Dit leidt tot een correctiefactor van 0,1 voor de orale inname via hand-mond-contact (Mennen M. G., 2021), zoals weergegeven in vergelijking (3).
De jaargemiddelde orale inname per dag (μg/kg lg) via hand-mond-contact tijdens het buiten spelen wordt gegeven door (Mennen M. G., 2021): jaargemiddelde concentratie �
dagen per jaar μg m2 � ⋅ 0,1 ⋅ TC � � ⋅ DF ⋅ speelduur (uur) ⋅ 2 365 uur m , (3) ( ) lichaamsgewicht kg
waarbij DF staat voor de dislodgeable fraction: het deel van een chemische stof op een oppervlak dat door contact kan worden overgedragen naar de huid. Net als Mennen et al (2021), hanteren we de conservatieve aanname dat huidcontact met een gecontamineerd oppervlak leidt tot een volledige overdracht van de chemische stof. Met andere woorden: we nemen aan dat de DF gelijk is aan 1 is (Mennen M. G., 2021). Verder gaan we, op basis van rapporten van het Mulier Instituut, uit van het volgende speelpatroon: kinderen spelen vijf keer per week gedurende twee uur per dag buiten (Dellas, Van den Dool, & Collard, 2018; Lucassen, Singh, Heijnen, & Slot-Heijs, 2020; Mennen M. G., 2021). Dit komt neer op ongeveer (5/7)⋅365 ≈ 261 buitenspeeldagen per jaar. Als worst-case scenario wordt
21
er hierbij vanuit gegaan dat kinderen altijd met onbedekte handen buiten spelen (zonder handschoenen) (Mennen M. G., 2021). Tabel 5 toont een samenvatting van de invoerwaarden die gebruikt worden voor vergelijking (3). Tabel 5. Invoerwaarden voor de blootstellingsschatting. Parameter Speelduur buiten
Invoerwaarde 2 uur per dag
Toelichting of bron (Dellas, Van den Dool, & Collard, 2018) (Lucassen, Singh, Heijnen, & Slot-Heijs, 2020) (Mennen M. G., 2021) Dagen per jaar buitenspelen 261 dagen buiten spelen per (Dellas, Van den Dool, & jaar Collard, 2018) (Lucassen, Singh, Heijnen, & Slot-Heijs, 2020) (Mennen M. G., 2021) Transfer-coëfficiënt (TC) 5,4 m2/uur (EPA, 2012) Dislodgeable fraction (DF) 1 Aanname uit (Mennen M. G., 2021) Lichaamsgewicht 9,8 kg (te Biesebeek, Nijkamp, Bokkers, & Wijnhoven, 2014) Met behulp van vergelijking (3) en de invoerwaarden uit Tabel 5, schatten we de blootstelling via zowel achtergronddepositie als de bronbijdrage van Nedmag en omliggende bedrijven.
Bijdrage achtergronddepositie De blootstelling via achtergronddepositie is bepaald op basis van depositieonderzoek dat in het najaar van 2024 is uitgevoerd (Wijten, et al., 2025). In dit onderzoek zijn veegmonsters genomen van depositie op locaties die niet direct worden beïnvloed door grote emissiebronnen, zoals industrie, scheepvaart of drukke verkeerswegen. Dit is dus een andere methodiek dan de berekende depositie rondom Nedmag en omliggende bedrijven, maar er zijn geen andere inzichten of gegevens uit Nederland beschikbaar. In Bijlage 2 wordt beschreven hoe de gemiddelde achtergronddepositie per dag is berekend, op basis van de meetlocaties De Zilk, De Rijp en Amersfoort. Met vergelijking (3) en de invoerwaarden uit Tabel 5 berekenen we vervolgens de orale inname per dag via hand-mond-contact. De resultaten hiervan staan weergegeven in Tabel 6. Voor blootstelling via depositie nemen we aan dat 28% van het lood opgenomen wordt (von Lindern, Spalinger, Stifelman, Stanek, & Bartrem, 2016). Bij een opname van 28% is de geschatte hoeveelheid opgenomen lood weergegeven in de derde kolom van Tabel 6. Met behulp van vergelijking (1) rekenen we deze waarde vervolgens om naar de verwachte stijging van de loodbloedwaarde (zie de vierde kolom van Tabel 6).
22
Tabel 6. Schatting achtergronddepositie. Gemiddelde achtergronddepositie per dag (μg/m2/dag) 4,39
van
de
blootstelling
aan
Orale inname via achtergronddepositie (μg/kg lg/dag) 0,35
lood
via
hand-mond-contact
Orale opname (μg/kg lg/dag) 0,10
van
Bijdrage loodbloedwaarde (μg/l) 4,65
Bronbijdrage Nedmag en omliggende bedrijven De maximale gemodelleerde bronbijdrage per jaar in de omgeving van Nedmag en omliggende bedrijven is gegeven in de eerste kolom van Tabel 7 (Provincie Groningen, 2025). Op basis hiervan berekenen we de jaargemiddelde bronbijdrage per dag, zoals te zien is in kolom 2. Door deze jaargemiddelde waarde per dag in te vullen in vergelijking (3)—samen met de invoerparameters uit Tabel 5—berekenen we de extra orale blootstelling per dag via hand-mond-contact. Deze resultaten zijn weergegeven in kolom 3 van Tabel 7. Bij een orale opname van 28% (von Lindern, Spalinger, Stifelman, Stanek, & Bartrem, 2016) wordt de geschatte hoeveelheid opgenomen lood weergegeven in kolom 4. Met behulp van vergelijking (1) rekenen we dit vervolgens om naar de verwachte toename in de lood-bloedwaarde door de bronbijdrage van Nedmag en omliggende bedrijven aan de depositie (zie de vijfde kolom van Tabel 7). Tabel 7. Schatting van de blootstelling aan lood door de bronbijdrage van Nedmag en omliggende bedrijven aan depositie. Maximale bronbijdrage depositie (μg/m2/jaar) 269
Jaargemiddelde bronbijdrage depositie (μg/m2/dag) 0,74
Orale inname (μg/kg lg/dag)
Orale opname (μg/kg lg/dag)
Bijdrage loodbloedwaarde (μg/l)
5,8⋅10-2
1,6⋅10-2
0,78
3.2.3 Blootstelling via bodem Het gebruik van lood heeft een lange geschiedenis. Omdat de gezondheidsrisico’s vroeger niet bekend waren, is lood op verschillende manieren in het milieu terecht gekomen. Het langdurige en grootschalige gebruik van lood heeft op veel plaatsen geleid tot lokaal verontreinigde bodems (Otte, Bakker, Lijzen, Versluijs, & Zeilmaker, 2015). Vooral in stedelijke gebieden zijn verhoogde loodconcentraties aangetroffen, vaak aanzienlijk hoger dan de natuurlijke achtergrondwaarde. Dit komt niet alleen door het langdurige gebruik van lood, maar ook doordat stadsbodems in het verleden regelmatig zijn opgehoogd met vervuilde grond en stadsafval. Deze kunstmatige ophogingen komen vooral voor in oudere stadsdelen (Otte, Bakker, Lijzen, Versluijs, & Zeilmaker, 2015). Blootstelling aan lood uit de bodem vindt voornamelijk plaats via twee routes: i) het inslikken van gronddeeltjes en ii) het eten van groenten en aardappelen die zijn geteeld op verontreinigde grond. De mate van blootstelling hangt sterk samen met het bodemgebruik en de loodconcentratie in de bovenste bodemlaag. Jonge kinderen lopen het grootste risico, omdat zij tijdens het spelen relatief veel gronddeeltjes binnenkrijgen (Otte, Bakker, Lijzen, Versluijs, & Zeilmaker, 2015).
23
De beleidsmatig vastgestelde achtergrondwaarde voor lood in de bodem bedraagt 50 mg/kg. Deze waarde komt overeen met de 95e percentielwaarde van metingen in onverdachte landbouw- en natuurgebieden in Nederland, uitgevoerd in de bovenste 0,1 meter van de bodem (Lamé, Brus, & Nieuwenhuis, 2004; Otte, Bakker, Lijzen, Versluijs, & Zeilmaker, 2015). Voor het scenario ‘wonen met tuin’ berekenen we met het Nederlandse risicomodel (CSOIL, 2020) de loodinname van een kind bij een bodemconcentratie gelijk aan achtergrondwaarde van 50 mg/kg. Dit scenario gaat uit van intensief contact met de bodem en een beperkte consumptie van eigen geteelde gewassen (10% bladgroente en 10% knolgroente). Voor blootstelling aan lood via het eten van eigen geteelde gewassen gaan we uit van een loodopname van 50% (EPA, 1994). Voor blootstelling via de ingestie van grond nemen we aan dat 33% wordt opgenomen (von Lindern, Spalinger, Stifelman, Stanek, & Bartrem, 2016). De resultaten zijn weergegeven in Tabel 8. Met behulp van vergelijking (1) vinden we een totale bijdrage aan de lood-bloedwaarde van 4,48 μg/l. Tabel 8. Schatting van de blootstelling van kinderen aan lood door bodem- en gewasingestie bij een bodem met een onbelaste achtergrondwaarde van 50 mg/kg lood. Blootstellingsroute Ingestie gronddeeltjes Ingestie gewas Totaal
Inname (μg/kg lg/dag) 2,47⋅10-1
Opname (μg/kg lg/dag) 8,15⋅10-2
Bijdrage lood-bloedwaarde (μg/l) 3,91
2,35 ⋅10-2
1,18⋅10-2 9,33⋅10-2
0,56 4,48
In deze beoordeling zijn geen loodbodemconcentraties uit de omgeving van Nedmag en omliggende bedrijven meegenomen, omdat dergelijke gegevens ontbreken. Daardoor kan de daadwerkelijke blootstelling via bodemcontact en consumptie van gewassen niet betrouwbaar worden vastgesteld. Het is echter zeer waarschijnlijk dat de belasting via de bodem in dit gebied door diverse activiteiten in het verleden hoger is dan in onbelaste landbouw- en natuurgebieden. Dit impliceert dat de bijdrage aan de lood-bloedwaarde waarschijnlijk hoger ligt dan 4,48 μg/l. Wanneer er in de toekomst eventueel wel bodemgegevens beschikbaar zijn, dan kan de bijdrage beter geschat worden, maar kan er vervolgens geen onderscheid worden gemaakt in de herkomst van de loodverontreiniging.