Bijlage 1 memo keuzeopgaven gemeenteraad Terneuzen
Tekst van het document
DE OMGEVINGSWET wordt van ons allemaal
Memo Keuzeopgaven Omgevingswet voor de gemeenteraad 8 juni 2021 Annemarie Arens
1
Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. De veranderende rol van de gemeenteraad 3. Keuzeopgaven onder de Omgevingswet 3.1. Legesverordening 3.2. Adviesrecht bij afwijkingen van het Omgevingsplan 3.3. Delegatiebevoegdheid 3.4. Participatie onder de Omgevingswet 3.4.1. Participatiebeleid Omgevingswet 3.4.2. Aanwijzen gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, waarvoor participatie verplicht wordt gesteld 3.5. Commissie ruimtelijke kwaliteit 3.6. Dienstverlening
3 4 5 5 8 8 9 9 10 10 11
Bijlage 1. Was-wordt lijst bevoegdheden
2
1. Inleiding In de verschillende voortgangsrapportages en in de raadsinformatiebijeenkomst van 8 december 2020 schetsten wij u de stand van zaken rond de implementatie van de Omgevingswet. De besluiten die u als raad dient te nemen maken hiervan onderdeel uit. Deze besluiten en de keuzes die hieraan vooraf dienen te gaan zijn onder te verdelen in twee categorieën: 1. keuzes die u moet maken voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; 2. keuzes die u moet maken nadat de wet in werking treedt. In deze memo gaan wij in op de eerste categorie. Met deze memo informeren wij u over: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
de veranderde rol van uw raad; de keuzes met betrekking tot legesverordening het adviesrecht bij afwijkingen van het omgevingsplan de delegatiebevoegdheid participatie onder de Omgevingswet; de Commissie ruimtelijke kwaliteit; dienstverleningsniveau
Al de keuzeopgaven die u als raad heeft onder de Omgevingswet willen wij in een nader met u af te stemmen traject samen met u voorbereiden voor uiteindelijke besluitvorming.
3
2. De veranderde rol van de gemeenteraad De rolverdeling tussen de gemeenteraad en het college Uw raad stelt de kaders en het strategisch beleid van de gemeente vast en toetst en controleert of het college van Burgemeester en Wethouders (hierna: college) het beleid volgens afspraak en naar tevredenheid heeft uitgevoerd. In essentie blijft de rolverdeling tussen u en het college na de invoering van de Omgevingswet onveranderd. Wel is de gemeenteraad nadrukkelijker belast met de hoofdlijnen en het toezicht op het beleidsproces. Het college krijgt meer bevoegdheden bij de uitvoering van het beleid. Met uw bestaande instrumentarium (het indienen van amendementen, moties, schriftelijke/mondelinge vragen, interpellatie, recht van onderzoek en initiatief en de actieve informatieplicht van het college) houdt u ook onder de Omgevingswet vinger aan de pols en stuurt in de gewenste ontwikkelrichting. De gemeenteraad staat in verbinding met de gemeenschap Nieuw in het kader van de Omgevingswet is dat van inwoners een sterke betrokkenheid en eigen initiatief worden verwacht bij de fysieke leefomgeving. Niet alleen bij het ontwikkelen van een visie op de omgeving, maar ook bij het oppakken van initiatieven en het zoeken van draagvlak daarvoor bij betrokkenen. Dat past bij de algemene maatschappelijke trend naar meer zelfredzaamheid van inwoners en een terugtredende overheid.
Van uw raad wordt verwacht dat u meedenkt met initiatieven en daaraan (binnen de kaders) ruimte geeft. Omdat het gaat om zowel de ontwikkeling en de inrichting, als om de bescherming en het behoud van de leefomgeving, moet u telkens alle maatschappelijke belangen zien, beschermen en afwegen. Uw raad heeft een verantwoordelijkheid om ruimte te bieden aan initiatieven, maar ook om op te komen voor de belangen van betrokkenen en mogelijke tegenstanders. Sturingsinstrumenten voor de gemeenteraad De belangrijkste instrumenten in het kader van de Omgevingswet zijn de omgevingsvisie en het omgevingsplan. De omgevingsvisie omvat de integrale visie en het integrale beleid voor alle aspecten van de fysieke leefomgeving voor de lange termijn en is de opvolger van de ‘oude’ structuurvisie en sectorale visies. De omgevingsvisie vormt de basis voor het omgevingsplan. Het omgevingsplan is de opvolger van de huidige bestemmingsplannen en verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan is breder, integraler en bevat alle regels voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Ook het omgevingsplan wordt door uw raad vastgesteld. Het omgevingsplan neemt een digitale vorm aan en is bindend voor inwoners, bedrijven en andere overheden.
Anders dan het bestemmingplan bevat het omgevingsplan (bijna) alle regels voor de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied. Ook kunnen regels voor duurzaamheid en gezondheid in het omgevingsplan worden gesteld. Het omgevingsplan regelt een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en bevat regels voor activiteiten. Door deze regelgeving samen te voegen in één document ontstaat er eenvoud, eenduidigheid en samenhang. Besluitvorming over een nieuwe Omgevingsvisie en een omgevingsplan voor heel het grondgebied van Terneuzen zijn gepland voor na de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze besluitvorming maakt geen onderdeel uit van deze memo.
4
3. Keuzeopgaven onder de Omgevingswet 3.1.
Legesverordening
Als gevolg van de invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) vervallen er bepaalde taken, wijzigen taken en ontstaan nieuwe taken bij de gemeente. Door het wegvallen van taken waar momenteel leges voor (mogen) worden gerekend, vervalt een deel van legesopbrengsten voor het aanvragen van een omgevingsvergunning. Voor de taken die erbij komen kunnen vervolgens geen leges worden gerekend, omdat dit taken zijn ten aanzien van beoordelingen van meldingen. Als gevolg van de Omgevingswet komen er nieuwe taken naar de gemeente waarvoor leges kunnen worden geheven. Onder de Omgevingswet worden bepaalde bouwactiviteiten vergunningsvrij en zullen taken verschuiven naar bijvoorbeeld de handhaving. Voor handhaving mogen geen leges in rekening worden gebracht. Gemeenten zullen hun Legesverordening als gevolg van de Omgevingswet moeten aanpassen op de situatie na de datum van invoering. Deze aanpassingen bestaan uit: a. wettelijke wijzigingen per 1 juli 2022 (bijvoorbeeld splitsing technische en ruimtelijke toets, vervallen van technische toets op kleine bouwwerken, wijzigingen in verwachte kostenstructuur etc.); Deze wijzigingen moeten sowieso verwerkt worden in de Legesverordening. b. lokale inrichtingskeuzes ten aanzien van vergunningplichtige (en dus legesplichtige) activiteiten (vooroverleg, heffen van milieuleges).
In het reguliere proces wordt de Legesverordening voor het volgende jaar altijd in de raad van november vastgesteld. Omdat de Omgevingswet naar verwachting nu op 1 juli 2022 in werking treedt zal er in maart of april 2022 een wijziging op de Legesverordening 2022 door u gemeenteraad worden vastgesteld. Daarnaast worden er ook aanpassingen verwacht in de huidige financiële afspraken met de Omgevingsdienst. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheid om milieuleges te gaan heffen of de effecten op huidige wijze van samenwerken. Gevolgen invoering Wkb De Wkb bepaalt dat voor bouwwerken die in de zogenoemde gevolgklasse 1 vallen, de vergunningverlening op het bouwtechnische vlak niet meer wordt uitgevoerd door de gemeente maar wordt overdragen aan de markt. Naast deze bouwtechnische toets wordt ook het toezicht overgedragen aan deze externe kwaliteitsborger. Dit betekent dat de gemeente géén leges meer mag heffen voor de bouwtechnische toets in deze gevolgklasse. Deze kosten worden door de externe kwaliteitsborger bij de aanvrager in rekening gebracht. Voor aanvragen die samenhangen met bouwwerken in gevolgklasse 2 en 3, blijft de gemeente nog zeker drie jaar verantwoordelijk voor de bouwtechnische toets. Voorbeelden van bouwwerken die in gevolgklasse 1 vallen zijn grondgebonden woningen, vakantiehuisjes en bedrijfshallen van maximaal twee verdiepingen.
Zo gauw er sprake is van een monument, er een melding voor brandveilig gebruik verplicht is of als milieubelastende activiteiten plaatsvinden dan vallen deze aanvragen niet onder gevolgklasse 1. Voor aanvragen met betrekking tot bouwwerken in gevolgklasse 1, is de gemeente wel verantwoordelijke voor de ruimtelijke toets, de toets aan omgevingsveiligheid en het toezicht daarbij. De ruimtelijke toets bestaat uit een toets aan het omgevingsplan, de opvolger van het bestemmingsplan en welstand. Bij de toets aan omgevingsveiligheid, worden plaatsgebonden risico’s beoordeeld. Daarnaast blijft de gemeente bevoegd gezag en hiermee blijft haar handhavingsbevoegdheid behouden. Voor de ruimtelijke toets gelden nu 5
ook al vaste (lage) legestarieven die zijn verdisconteerd in de bouwleges. Vanaf de datum dat de nieuwe wet in werking treedt zal de ruimtelijke toets naar alle waarschijnlijkheid apart in de tarieventabel worden opgenomen. In het geval van een aanvraag in gevolgklasse 2 en 3 zullen dan zowel voor de ruimtelijke toets als de bouwtechnische toets leges in rekening worden gebracht middels een apart tarief. Aan de hand van de omgevingsvergunningen van 2017 tot en met 2020 hebben wij de financiële gevolgen van de invoering van de Wkb geïnventariseerd. Hieruit blijkt dat de legesinkomsten met circa 60% zullen dalen. Dit komt neer op een gemiddeld bedrag van circa € 600.000,-. Dit bedrag is het totaal aan leges voor de bouwtechnische toets in gevolgklasse 1, want deze toets verplaatst zich vanaf 2022 naar private partijen. Binnen deze gevolgklasse blijft de omgevingsplantoets bij de gemeente en zullen wij hiervoor een aangepast tarief gaan hanteren. Om het inkomensverlies zoveel mogelijk in te perken wordt samen met het bureau ANG nu bekeken of we voor de omgevingsplantoets van aanvragen voor gevolgklasse 1 aan te sluiten bij de bouwkosten. Dit sluit aan bij de huidige systematiek voor het berekenen van leges voor een bouwaanvraag.
Gevolgen Omgevingswet Het huidige Omgevingsrecht bestaat uit vele wetten en tal van regelingen op aspecten ruimte, wonen, milieu, infrastructuur, natuur en water. De Omgevingswet heeft tot doel om deze regels te bundelen zodat één wettelijke regeling ontstaat. In de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen bouwtechnische aspecten (de bouwactiviteit) en planologische aspecten (omgevingsplanactiviteit) waarop wordt getoetst. De mogelijkheid bestaat dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de gelijktijdig in werking tredende Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) voor sommige bouwwerken geen bouwbesluittoets (bouwtechnische toets) en/of geen planologische toets (de bestemmingsplan- of omgevingsplantoets) meer nodig is. Het onderscheid tussen de bouwtechnische toets en de omgevingsplantoets wordt ‘de knip’ genoemd. Daarnaast heeft de inwerkingtreding van de Omgevingswet tot gevolg dat meer vergunningsvrij mag worden gebouwd en milieu activiteiten mogen worden doorbelast. Dit heeft vanzelfsprekend weer een effect op de legesinkomsten. Bouwactiviteit Omgevingswet, artikel 5.1.2.a
L A N D E L I J k
Vergunningplichtig (gevolgklasse 2 en 3) Meldingplichtig Besluit bouwwerken leefomgeving artikel 2.15 bis (gevolgklasse 1, toets door kwaliteitsborger) Vergunningsvrij Besluit bouwwerken leefomgeving Paragraaf 2.3.2.
Omgevingsplan activiteit Omgevingswet, artikel 5.1.1.a Vergunningplichtig Meldingplichtig Vergunningvrij Besluit bouwwerken leefomgeving Artikel 2.2.7.2.2. (bruidsschat) vm artikel 3, bijlage II Bor Vergunningsvrij Besluit bouwwerken leefomgeving Paragraaf 2.3.3. en art.2.2.7.3.1. Bruidssschat als instructie (vm art 2, lid 3)
L O K A A L
L A N D E L I J k
6
Keuzemogelijkheden voor de gemeenteraad Naast de wettelijke wijzigingen in de Legesverordening zijn er ook een aantal lokaal te maken inrichtingskeuzes. Deze keuzes hebben betrekking op het heffen van leges voor milieubelastende activiteiten en het heffen van leges voor vooroverleg. Leges voor milieubelastende activiteiten. Tot 1998 mochten er voor de behandeling van vergunningsaanvragen voor milieuactiviteiten leges in rekening worden gebracht. Onder de Omgevingswet mag dit weer. De vergunningverlening wordt voor Terneuzen uitgevoerd door RUD-Zeeland. Binnen Terneuzen zijn er naast de BRZO bedrijven (waarvoor de provincie het bevoegd gezag is) nog zo’n 75 gemeentelijke milieuvergunningplichtige bedrijven. Op jaarbasis verlenen wij 19 milieuvergunningen. De RUD-Zeeland heeft de aantallen voor de verwachte vergunningen in 2022 nog niet geraamd. Ook heeft zij ook nog geen tarieven bepaald voor het in behandeling nemen van deze vergunningen. Door leges te heffen voor aanvragen voor milieubelastende activiteiten en de kostendekkendheid hiervan te bepalen op 100% kan het inkomensverlies als gevolg van de Wkb enigszins worden ingeperkt. Uw raad zal in dit verband in de loop van het jaar een keuze moeten gaan maken. Leges voor vooroverleg In het kader van de Omgevingswet wordt de voorfase voor de beoordeling van initiatieven veel belangrijker.
De reden hiervoor is dat het gewenst is om meer integraal af te stemmen met overlegpartners. Daarnaast worden de meeste procedures voor behandeling van een omgevingsvergunning regulier (8 weken), waar nu nog regelmatig de uitgebreide procedure (26 weken) voorkomt. De intaketafel en de omgevingstafel zijn vormen van dienstverlening in het proces voorafgaand aan het indienen van een aanvraag. Deze processtappen zijn vooral bedoeld om een initiatief te verkennen en uit te werken voordat de formele procedure van start gaat. Het vooroverleg kan worden ingedeeld in een drietal soorten: a. Omgevingsoverleg dat dient om te complexiteit van een initiatief te beoordelen en daarin te bepalen welke route een initiatief moet doorlopen (direct naar een vergunningsaanvraag of naar de intaketafel); b. De intaketafel is bedoeld om de wenselijkheid van een initiatief te bepalen en wat de te ondernemen stappen zijn; c. De omgevingstafel is aan de orde als het initiatief is aan te merken als een complexe buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waarover meerdere ketenpartners moeten adviseren. Het betreft een uitgebreid contactmoment tussen initiatiefnemer, gemeente, andere bevoegd gezagen en ketenpartners.
Ketenpartners zijn de Regionale uitvoeringsdienst Zeeland (RUD-Zeeland), de provincie Zeeland, het waterschap Scheldestromen, het Rijk, de Veiligheidsregio Zeeland, de GGD en andere noodzakelijke adviseurs. Het resultaat van deze bespreking is een integraal advies van alle betrokkenen aan tafel en een conceptvergunning. De kosten die de ketenpartners maken voor deelname aan de Omgevingstafel kunnen zij doorbelasten aan de gemeente. Vervolgens zal de gemeente dit doorbelasten aan de aanvrager. Van belang is dat de aanvrager kennis kan nemen van deze tarieven, voordat deze zijn initiatief inbrengt voor het vooroverleg of zijn aanvraag indient. Regelmatig hebben wij samen met andere Zeeuwse gemeenten overleg met de ketenpartners over de invoering van de Omgevingswet. Bepaalde ketenpartners hebben in dit overleg aangegeven dat zij nog geen standpunt hebben ingenomen of zij hun inbreng 7
in Omgevingstafel willen doorbelasten. Terwijl andere hun inbreng wel willen doorbelasten maar weer geen standpunt hebben ingenomen over de hoogte daarvan. Ook met betrekking tot het vooroverleg zal uw raad mettertijd moeten besluiten of hij hiervoor leges in rekening wil brengen en wat de kostendekkendheid hiervan moet zijn. 3.2.
Adviesrecht bij afwijkingen van het omgevingsplan
Met de omgevingsvisie en het omgevingsplan stuurt uw raad het te volgen beleid, zoals gebruikelijk is binnen een gemeente. Initiatieven en plannen die passen binnen het omgevingsplan kunnen eenvoudig en sneller verder. De besluitvorming rond de plannen die in strijd zijn met het omgevingsplan wordt onder de Omgevingswet neergelegd bij het college. Het college is straks dus het bevoegd gezag voor het afgeven van vergunningen binnen de kaders van het omgevingsplan. Dat geldt ook voor plannen die afwijken van het omgevingsplan. Eenvoudige zaken worden snel door het college afgehandeld, terwijl voor overige, meer ingrijpende afwijkingen de kaders die u vooraf als raad vaststelt bepalend zijn. Het college mag zelfstandig besluiten over medewerking aan een afwijking (dualisme). Tenzij u als raad besluit om gevallen aan te wijzen waarin de raad betrokken moet worden (adviesrecht). Dit kan alleen in gevallen waarbij het om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (opa) gaat. Het advies van uw raad dient door het college in acht te worden genomen: dat betekent dat het advies bindend is. Keuzemogelijkheden voor de gemeenteraad Als raad kunt u ervoor kiezen om niets te besluiten. Dan ziet u af van uw adviesrecht met betrekking tot buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Als u ervoor kiest om wel gebruik te maken van uw adviesrecht, zult u moeten besluiten in welke situaties u dat wenst.
Een belangrijk aandachtspunt hierbij is het feit dat de termijnen waarbinnen u als raad het advies moet uitbrengen niet aansluiten bij de huidige aanlevertermijnen voor besluitvorming van de raad. Om die reden zullen wij samen met u na kunnen denken over mogelijk gewijzigd proces. 3.3.
Delegatiebevoegdheid
Uw raad kan de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan delegeren aan het college. Het delegatiebesluit vormt een afzonderlijk besluit, dat geen deel uitmaakt van het omgevingsplan. Het delegatiebesluit geeft de reikwijdte van de bevoegdheid. Het bepaalt binnen welke grenzen en onder welke voorwaarden de bevoegdheid kan of moet worden uitgeoefend. Ook kan in het delegatiebesluit bepaald worden hoe het college uitvoering moet geven aan de gedelegeerde bevoegdheid. Met delegatie wordt de uitvoering van het beleid bij het uitvoerende orgaan neergelegd. Keuzemogelijkheden voor de gemeenteraad De mogelijkheid om delen van het omgevingsplan te delegeren, biedt ruimte voor toedeling van bevoegdheden op maat. Met delegatie wordt de uitvoering van het beleid bij het uitvoerende orgaan neergelegd. Als raad moet u bepalen of u dit wenselijk vindt en zo ja in welke situaties u dat wilt. Vanuit het oogpunt van efficiency en flexibiliteit kan delegatie wenselijk zijn.
8
3.4.
Participatie onder de Omgevingswet
Participatie is een breed onderwerp met meerdere raakvlakken en wordt in Terneuzen gecoördineerd opgepakt via een zogenaamde regisseur overheids- en burgerparticipatie. In deze memo benoemen we de zaken die spelen op het gebied van de Omgevingswet. Dat zijn: 1. Participatiebeleid Omgevingswet 2. Aanvragen waarbij participatie verplicht gesteld wordt 3.4.1. Participatiebeleid Omgevingswet Na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het verplicht om het in het kader van een omgevingsvisie, programma of omgevingsplan participatie toe te passen en daarvoor gemeentelijk beleid op te stellen. Er zijn hiertoe in de wet én in het Omgevingsbesluit regels over participatie opgenomen. De wijze waarop participatie wordt toegepast is wettelijk gezien in alle gevallen vormvrij. Het gemeentelijke participatiebeleid is echter wél bindend voor het bestuursorgaan dat het beleid vaststelt. Hoe vormvrij de participatie daadwerkelijk is, is dus afhankelijk van de ruimte binnen het participatiebeleid. In het Omgevingsbesluit staan regels om participatie te waarborgen. Voor de omgevingsvisie, -programma en omgevingsplan geldt een kennisgevings- en motiveringsplicht. Dit houdt in dat het bevoegd gezag bij het besluit aangeeft: - Hoe de gemeente de omgeving bij de voorbereiding heeft betrokken en wat met de resultaten is gedaan; - In hoeverre aan het vastgestelde participatiebeleid is voldaan.
Bij het omgevingsplan geeft de gemeente vooraf in de kennisgeving aan hoe het participatietraject eruit komt te zien. In het participatiebeleid kan de gemeenteraad haar strategische visie verwoorden op de toepassing van participatie. Er loopt al een gemeentebrede aanpak voor het opstellen van gemeentelijk participatiebeleid. Bouwstenen hiervoor zijn opgenomen in de Terneuzense participatieaanpak. Dit betreft een handreiking, waarin ook de rol van de raad gedefinieerd wordt. Het kader hiervoor is gepresenteerd tijdens de raadsinformatiebijeenkomst van 11 mei 2021. Er is een aanpassing van de Gemeentewet in voorbereiding (Wet versterking participatie op decentraal niveau). Hierin wordt de inspraakverordening in de Gemeentewet verbreed naar een ‘inspraak- en participatieverordening’. Deze verordening richt zich niet alleen op de voorbereiding, maar ook op de uitvoering en evaluatie van het beleid. Bovendien worden in dit wetsvoorstel nieuwe eisen gesteld aan een lokale participatieverordening en het zogenaamde “uitdaagrecht” (“right to challenge”) geregeld. De VNG zal hiertoe naar verwachting een nieuwe modelverordening Participatie en Inspraak aanreiken.
9
Het wettelijk verplichte participatiebeleid voor de instrumenten van de Omgevingswet dient hierop aan te sluiten. Om deze reden hebben wij het onderdeel participatiebeleid onder de Omgevingswet in deze memo nog niet uitgewerkt. 3.4.2. Aanwijzen gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, waarvoor participatie verplicht wordt gesteld Bij de aanvraag voor een buitenplanse omgevingsvergunning is bepaald dat moet worden aangegeven óf belanghebbenden bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken en zo ja, hoe en wat de resultaten hiervan zijn. Kortom, participatie bij een buitenplans omgevingsvergunningstraject is niet verplicht. De gemeenteraad kan echter voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten gevallen aanwijzen waarbij participatie wél verplicht is. Voor die gevallen moet de initiatiefnemer aantonen dat participatie heeft plaatsgevonden. De gemeenteraad kan een dergelijke aanvraag buiten behandeling laten indien niet aan participatie is gedaan. Ook in dit geval mogen geen aanvullende aanvraagvereisten worden gesteld; de wijze waarop de participatie wordt uitgevoerd is vormvrij. Er is geen verplichting om gevallen aan te wijzen. Bij de implementatie van de Omgevingswet moet u als raad voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit bepalen of en zo ja, in welke gevallen van activiteiten participatie verplicht is.
Dit dient u te doen voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt ingediend. Er zijn in principe twee manieren waarop buitenplans medewerking kan worden verleend aan een van het omgevingsplan afwijkende activiteit: 1. wijziging van het omgevingsplan; 2. omgevingsvergunning voor activiteiten die afwijken van het omgevingsplan (buitenplanse omgevingsplanactiviteit ook wel afgekort ‘opa’). In het eerste geval is het op basis van het Omgevingsbesluit (artikel 10.2) altijd verplicht om aan participatie te doen. Daarmee is het logisch om te redeneren dat dit bij een afwijking via een omgevingsvergunning ook wenselijk is. Anders kan door te kiezen voor de buitenplanse omgevingsvergunning de participatieplicht worden omzeild. De participatie is vormvrij. Bij eenvoudige gevallen zal het afwijken van het omgevingsplan dan ook kunnen met een beperkte vorm van participatie. Keuzemogelijkheden voor de gemeenteraad Indien uw raad geen actie onderneemt is participatie bij de omgevingsvergunning in geen enkel geval verplicht. Een aanvrager van een omgevingsvergunning kan op het aanvraagformulier aankruisen dat niet aan participatie is gedaan en het bevoegde gezag kan de vergunning niet weigeren op de grond dat niet aan participatie is gedaan. Voor buitenplanse Omgevingsvergunningen kan participatie echter zeker van belang zijn.
Het is aan u als raad om te bepalen of u een besluit wenst te nemen waarin u situaties aanwijst waarvoor u participatie verplicht wilt stellen. 3.5.
Commissie ruimtelijke kwaliteit
De taken en bevoegdheden van de huidige welstandscommissies en monumentencommissies vervallen van rechtswege. De Omgevingswet voorziet niet in overgangsrecht. De gemeenteraad zal dus voor de inwerkingtreding van de wet een Commissie ruimtelijke kwaliteit moeten instellen.
10
Omdat de taken van rechtswege vervallen wordt niet voldaan aan de minimale vereiste dat er een commissie is die adviseert over aanvragen om omgevingsvergunning voor rijksmonumenten. Daarom moeten er deskundigen op het gebied van monumentenzorg lid zijn van de commissie. Keuzemogelijkheden voor de gemeenteraad De raad moet een Commissie ruimtelijke kwaliteit instellen. Deze commissie zou de raad via het omgevingsplan of via een afzonderlijke (model)verordening kunnen aanwijzen als verplichte adviseur bij aanvragen van omgevingsvergunningen die in strijd zijn met het omgevingsplan. Dat kan als de deskundigheid van de commissie gewenst is of vanwege de door het bestuursorgaan te behartigen belangen. De commissie kan de opdracht krijgen om te adviseren ‘voor door de gemeenteraad aan te wijzen gevallen’ of als BenW daartoe aanleiding zien. Op die manier kan de raad dus een advies van de commissie verplicht opleggen aan het college. De commissie kan ook via een afzonderlijke verordening worden aangewezen. De gemeenteraad kan ervoor kiezen om de commissie een bredere taak te geven en ook te laten adviseren over bijvoorbeeld welstand, duurzaamheid etc.
3.6.
Dienstverlening
De minimale eis vanuit de Omgevingswet is dat het digitale Omgevingsloket waarin aanvragen kunnen worden ingediend vanaf de datum dat de wet inwerking treedt dezelfde aanvragen mogelijk maakt dan binnen de huidige inrichting. Keuzemogelijkheden voor de gemeenteraad Naast de vergunningchecks die door het Rijk voor Terneuzen in het Omgevingsloket worden geplaatst, bieden wij in het huidige Omgevingsloket nog twee extra vergunningchecks, namelijk die voor een inritvergunning en voor een kapvergunning. Voor deze checks zullen wij via zogenaamde Toepasbare regelsoftware vragenbomen in het Omgevingsloket moeten maken. Zo voldoen we aan de minimale eisen. In de toekomst kan het Omgevingsloket worden uitgebreid met eventuele vergunningschecks voor bijvoorbeeld terrassen, evenementen etc. Dit zal gelijk oplopen met het proces om te komen tot een gebiedsdekkend omgevingsplan. Het is aan uw raad om te besluiten hoe u het Omgevingsloket wenst in te richten.
11