Bijlage 1.5 - Quickscan Wet Natuurbescherming.pdf
Tekst van het document
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN Kenmerk: Versie: Datum:
20230072/rap01 2 20 maart 2023
Auteur: Projectleider: Veldwerk: Kwaliteitscontrole: Opdrachtgever:
L. (Lucas) Doef P. (Peter) Schep L. (Lucas) Doef P. (Peter) Schep IM Bouwmanagment B.V. Vlierberg 4-13B 3755BS Eemnes Mevr. M. van der Wal
Contactpersoon:
Dit rapport is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud van de rapportage is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. © ATKB voor natuur en leefomgeving. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding. Foto's: ATKB.
INHOUD Inleiding Aanleiding en doel Kwaliteitstoetsing Leeswijzer
1 1 1 2
Plangebied en initiatief Ligging en beschrijving plangebied Voorgenomen ontwikkeling
3 3 4
Juridisch kader Soortenbescherming Gebiedsbescherming via wnb Planologische gebiedsbescherming Bescherming houtopstanden
5 5 6 6 7
Onderzoeksmethode Onderdeel soortenbescherming Gebiedsbescherming en houtopstanden
8 8 8
Resultaten soortenbescherming Flora Broedvogels cat. 1 t/m 4 Broedvogels cat. 5 Overige broedvogels Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Amfibieën Reptielen Vissen Vlinders, libellen en overige ongewervelden Invulling Zorgplicht
9 9 9 10 11 12 13 14 15 15 15 15
Effectanalyse Gebiedsbescherming Natura 2000 Planologische gebiedsbescherming
17 18
Beschermde houtopstanden
19
Conclusies en vervolgstappen
20
Soortenbescherming Gebiedsbescherming en houtopstanden Literatuurlijst
17
20 21 22
INLEIDING AANLEIDING EN DOEL Woningstichting Vecht en Omstreken heeft het voornemen om de bebouwing aan de Dudok de Witstraat 18-40 te slopen en hierna op deze locatie nieuwbouw te realiseren. Bij de geplande ontwikkeling worden mogelijk ook struwelen en bomen gekapt. IM Bouwmanagement is betrokken bij het plan- en bouwproces en heeft ATKB gevraagd om een quickscan Wet natuurbescherming uit te voeren. Om te bepalen of de voorgenomen plannen (mogelijk) leiden tot een overtreding van de huidige natuurwetgeving, is een quickscan Wet natuurbescherming (Wnb) uitgevoerd. De quickscan is een verkennende toets om na te gaan of door uitvoering van de voorgenomen plannen mogelijk overtreding van de Wnb (soortenbescherming en bescherming Natura 2000-gebieden) of planologische gebiedsbescherming optreedt. Daarnaast wordt het project aan het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming getoetst. Het doel van de quickscan is geformuleerd in enkele onderzoeksvragen. Onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming.
• Welke Wnb-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? • Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? • Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk? • Welke voorzorgsmaatregelen en/of vervolgstappen dienen genomen te worden om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen? Onderzoeksvragen t.a.v. gebiedsbescherming en houtopstanden. • Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied of het NNN of belangrijke weidevogelgebieden. • Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? • Is een aanvullende toetsing aan de gebiedsbescherming (voortoets, passende beoordeling en/of Nee, tenzij-toets) noodzakelijk? • Zijn vervolgstappen noodzakelijk wat betreft het onderdeel houtopstanden? Kader Er wordt tijdens de quickscan een volledige beoordeling van de geschiktheid van het plangebied als leefgebied voor beschermde soorten uitgevoerd. Een quickscan is echter geen volledig ecologisch onderzoek naar alle mogelijk voorkomende soorten, in de daarvoor geschikte perioden van het jaar. Hierdoor is een quickscan vaak niet voldoende als onderbouwing van een eventuele aanvraag voor een ontheffing op de Wet natuurbescherming.
Indien uit de quickscan echter blijkt dat geen noodzaak bestaat tot nader onderzoek of een ontheffing, is een quickscan een afdoende ecologische onderbouwing voor het bevoegd gezag. Dit geldt ook als de quickscan onderdeel vormt van de ruimtelijke onderbouwing van een bestemmingsplan. De bevindingen uit de quickscan Wet natuurbescherming zijn 5 jaar geldig, tenzij het gebied in de tussentijd dermate is gewijzigd dat er ander biotoop is ontstaan.
KWALITEITSTOETSING De quickscan is uitgevoerd door een ervaren ecoloog van ATKB. De ecoloog voldoet aan de definitie die Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) hanteert van een ter zake kundige voor het opstellen van toetsingen aan de Wnb. Daarnaast is ATKB aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); een brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. De quickscan is opgesteld conform de definitielijst van het NGB.
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
1 van 22
LEESWIJZER In hoofdstuk 2 is een beschrijving van het plangebied weergegeven en de uit te voeren werkzaamheden zijn hier benoemd. Hoofdstuk 3 geeft het juridisch kader weer, waaraan getoetst is. In hoofdstuk 4 is de wijze waarop de quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd, beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten. Hierbij worden globaal de effecten bepaald van het plan op de beschermde soorten die (mogelijk) gebruik maken van het plangebied. Vervolgens worden ook beknopt maatregelen voorgesteld om zorgvuldig te handelen ten aanzien van beschermde soorten. In hoofdstuk 6 is een beknopte toetsing aan de gebiedsbescherming opgenomen en in hoofdstuk 7 is beknopt getoetst aan het onderdeel houtopstanden. In hoofdstuk 8 zijn (middels beantwoording van de onderzoeksvragen uit paragraaf 1.1) de conclusies en aanbevelingen uit voorliggend rapport op een rij gezet.
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
2 van 22
PLANGEBIED EN INITIATIEF LIGGING EN BESCHRIJVING PLANGEBIED Het plangebied is gelegen in de gemeente Stichtse Vecht in de provincie Utrecht. Het plangebied bestaat uit een huizenblok in de bebouwde kom, ten noorden van de Dudok de Witstraat (Figuur 1). Het huizenblok is opgetrokken uit bakstenen en heeft een kunststof dakrand. De met aluminium afgewerkte dakrand zit op veel plekken speling, waardoor kieren en spleten ontstaan. Het huizenblok heeft geen open stootvoegen (geen spouw). Het huizenblok heeft een plat dak en is niet voorzien van dakpannen. Het plangebied is matig verlicht middels enkele lantaarnpalen. Het terrein rondom het huizenblok is voorzien van groenstructuren zoals een gazon, heesters, enkele bomen en heggen. Er zijn geen watergangen of waterpartijen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Figuur 2 geeft een foto-impressie weer van het plangebied ten tijde van het veldbezoek.
Figuur 1. Globale ligging plangebied (rood omlijnd). Bron ondergrond: QGIS.
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
3 van 22
Figuur 2 . Huidige situatie plangebied. Bron: L. Doef (ATKB).
VOORGENOMEN ONTWIKKELING IM Bouwmanagement heeft het voornemen om de bebouwing aan de Dudok de Witstraat 18-40 te slopen en hierna op deze locatie nieuwbouw te realiseren. Hierbij worden mogelijk ook struwelen en bomen gekapt. Een gedetailleerdere beschrijving van de werkzaamheden en bijhorende planning is op het moment van schrijven bij ATKB niet bekend.
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
4 van 22
JURIDISCH KADER SOORTENBESCHERMING Algemeen Via de Wet natuurbescherming (Wnb) is de bescherming van diverse inheemse planten en dieren in Nederland vastgelegd. Naast de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (artikel 1.11 van de Wnb), geldt voor een aantal soorten een aanvullend beschermingsregime. Deze aanvullend beschermde soorten zijn onderverdeeld in drie groepen, namelijk: - vogels (artikel 3.1, alle soorten uit de Europese Vogelrichtlijn); - overige strikt beschermde soorten, waaronder soorten uit de Europese Habitatrichtlijn (artikel 3.5, dit betreffen o.a. vleermuizen); - nationaal beschermde soorten, waaronder soorten uit de Rode Lijst (artikel 3.10). Het is volgens de Wnb niet toegestaan om (het leefgebied van) beschermde soorten aan te tasten. Dit is vastgelegd middels verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden1. Vrijstelling binnen provincie Utrecht Provincies hebben de bevoegdheid om middels een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling.
In het geval van de provincie Utrecht worden de volgende nationaal beschermde soorten vrijgesteld: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker, aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. (bron: Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017, d.d. 30 december 2016). Voorzorgsmaatregelen en zorgplicht Een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb is soms te voorkomen door (voorafgaand aan de werkzaamheden) voorzorgsmaatregelen te treffen. Deze voorzorgsmaatregelen zijn gericht op het behoud van de functionaliteit van de groeiplaats van flora en de voortplanting- en/of vaste rust- en verblijfplaats van fauna. Daarnaast voorkomen de voorzorgsmaatregelen de negatieve gevolgen van een activiteit op individuen (o.a. doding en verwonding). Tevens geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit betekent dat men bij het planvoornemen rekening dient te houden met de (potentieel) aanwezige beschermde soorten. Daarnaast dient men tevens rekening te houden met de van bescherming vrijgestelde soorten in de provincie Utrecht en overige in het wild levende flora en fauna.
Dit houdt in dat de initiatiefnemer redelijkerwijs alles in het werk stelt om schade aan in het wild levende flora en fauna te voorkomen.
1 In artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming wordt meerdere malen gesproken over het verbod tot opzettelijke handelingen (o.a.
opzettelijke doding, verstoring en vernieling). Binnen de Wet natuurbescherming omvat de term ‘opzettelijk’ tevens voorwaardelijk opzet, waardoor (evenals onder de voormalige Flora- en faunawet) een groot aantal handelingen onder de verbodsbepalingen vallen. In verband met de leesbaarheid wordt de term ‘opzettelijk’ in voorliggende rapportage niet meer aangehaald. Uiteraard wordt dit (in de situaties waarvoor dit van toepassing is) wel bedoeld.
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
5 van 22
Ontheffingsplicht Een ontheffingsplicht (artikel 3.3, 3.8 en 3.10 uit de Wnb) is van toepassing als een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb niet kan worden voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen. Het is mogelijk om met een goed onderbouwd projectplan een ontheffing aan te vragen bij de desbetreffende provincie (in deze de provincie Utrecht). De provincie (het bevoegd gezag) toetst de aanvraag vervolgens aan drie criteria: • Voldoet het planvoornemen aan één van de in de wet genoemde belangen? • Is een ‘andere bevredigende oplossing’ mogelijk? • Doet de ontheffing afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort?
GEBIEDSBESCHERMING VIA WNB Via de Wnb is tevens de bescherming van Natura 2000-gebieden vastgelegd. De Wnb stelt dat het verboden is om zonder vergunning van Gedeputeerde Staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Voor projecten die een significant negatief effect kunnen hebben op de doelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied, dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd en is een vergunningaanvraag noodzakelijk. Middels een voortoets kan worden onderzocht of significant negatieve effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten. Indien dit het geval is, zijn een passende beoordeling en vergunningsaanvraag niet noodzakelijk. Indien significant negatieve effecten als gevolg van de projectdepositie in de voortoets niet kunnen worden uitgesloten, zijn een passende beoordeling en vergunningsaanvraag wél noodzakelijk. Naast plannen in of nabij Natura 2000-gebieden, kunnen ook plannen op grotere afstand van Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten op kwalificerende habitats en/of soorten tot gevolg hebben: • •
Plannen kunnen (ook op relatief grote afstand van Natura 2000-gebieden) nadelige effecten hebben door toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Een toename van meer dan 0,00 mol N/ha/jr vraagt om een nadere ecologische beoordeling van de gevolgen. Plannen kunnen een negatief effect hebben op (leefgebied van) kwalificerende soorten buiten een Natura 2000-gebied, waardoor nadelige effecten optreden op de doelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied. Dit kan het geval zijn wanneer het foerageergebied van een kwalificerende soort van een Natura 2000-gebied binnen het plangebied ligt. Effecten op het foerageergebied kunnen leiden tot afname van aantallen binnen het Natura 2000-gebied (bijvoorbeeld bij bruine kiekendief, kleine zwanen, ganzen).
PLANOLOGISCHE GEBIEDSBESCHERMING Binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen was dit de EHS) geldt het ‘Nee, tenzij’-beschermingsregime. Significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN (per saldo) is niet toegestaan, tenzij sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven zijn. De wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN zijn onder andere bodemkenmerken, landschappelijke waarden en natuurwaarden. Eventuele schade moet worden gemitigeerd, of (indien mitigatie niet mogelijk is) worden gecompenseerd. Naast het NNN zijn in sommige provincies tevens weidevogelgebieden, gebieden met strategische reserveringen voor natuur, groene ontwikkelingszones e.d. aangewezen. Binnen dergelijke gebieden geldt doorgaans (evenals het geval is voor het NNN) het Nee, tenzij-regime.
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
6 van 22
BESCHERMING HOUTOPSTANDEN Volgens artikel 4.2 Wnb is het verboden een houtopstand buiten de bebouwde kom geheel of gedeeltelijk te vellen zonder melding bij het bevoegd gezag. Bovendien geldt een herplantplicht. Een houtopstand beslaat 10 are of meer of is een rijbeplanting van meer dan 20 bomen en moet aan een aantal voorwaarden voldoen. Voor houtopstanden binnen de bebouwde kom is de Wnb niet van toepassing, maar geldt het beleid van de gemeente waarbinnen de projectlocatie gelegen is. Voor de volgende gevallen geldt een uitzondering: - het betreft een houtopstand op een erf of in een tuin; - het betreft een houtopstand van fruitbomen of een windscherm rondom fruitbomen; - het betreft naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; - het betreft kweekgoed; - het betreft populieren of wilgen als wegbeplanting, beplanting langs waterwegen of eenrijige beplanting langs landbouwgrond; - het betreft het dunnen van een houtopstand of - het betreft een houtopstand van uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o Ten minste eens per 10 jaar wordt geoogst; o Bestaat uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter,
en o Is aangelegd na 1 januari 2013
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
7 van 22
ONDERZOEKSMETHODE In onderstaand hoofdstuk wordt kort per onderdeel van de natuurwetgeving toegelicht hoe de toetsing is uitgevoerd.
ONDERDEEL SOORTENBESCHERMING Het onderdeel soortenbescherming betreft een eenmalige beoordeling van het plangebied, waarin globaal wordt gekeken naar aanwezige en te verwachten (beschermde) soorten. Hiertoe worden een literatuur- en veldonderzoek uitgevoerd. 4.1.1 BRONNENONDERZOEK Het literatuuronderzoek heeft tot doel een beeld te krijgen van (eventueel) aanwezige Wnb-beschermde soorten in (de omgeving van) het plangebied. Voor het literatuuronderzoek is gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF); dit is de meest complete databank in Nederland met verspreidingsinformatie van flora en fauna. Ten aanzien van flora is een zoekgebied van circa 10 kilometer rondom het plangebied gehanteerd. Voor fauna is een zoekgebied van circa 5 kilometer rondom het plangebied gehanteerd. De NDFF is geraadpleegd op 7 februari 2023. Hierbij zijn waarnemingen tot 5 jaar (vogels) en 10 jaar (flora en overige fauna) terug ingezien. Aangezien ook de NDFF niet volledig is, is tevens gebruik gemaakt van informatie uit overige beschikbare vakliteratuur en eigen soort- en gebiedskennis (expert judgement). 4.1.2 VELDONDERZOEK Het veldonderzoek heeft tot doel te bepalen of de beschermde soorten die in de omgeving van het plangebied (kunnen) voorkomen (deze volgen uit het literatuuronderzoek) tevens in het plangebied (kunnen) voorkomen. Op 7 maart 2023 is het veldbezoek uitgevoerd.
Tijdens het veldbezoek is gekeken naar de geschiktheid van het plangebied als groeiplaats/verblijfplaats voor (in de omgeving aanwezige) beschermde soorten. Tevens is tijdens het veldbezoek gelet op de aanwezigheid van beschermde soorten en sporen hiervan (zoals uitwerpselen, pootafdrukken, vraatsporen en aanwezige (oude) nesten / verblijfplaatsen).
GEBIEDSBESCHERMING EN HOUTOPSTANDEN In de quickscan is een beknopte beoordeling opgenomen ten aanzien van gebiedsbescherming. Hierbij wordt getoetst hoe de invloedssfeer van het planvoornemen ten opzichte van de beschermde gebieden gelegen is. Bepaald wordt of er eventuele negatieve effecten van het planvoornemen op Natura 2000-instandhoudingsdoelen of wezenlijke kenmerken of waarden van planologisch beschermde gebieden zijn te verwachten. Daarbij wordt aangegeven of een aanvullende effectanalyse (zoals een voortoets, Nee, tenzij-toets of AERIUS-berekening) benodigd is. Ten slotte is beknopte toetsing uitgevoerd ten aanzien van het onderdeel houtopstanden. Hier is, in het geval van rooi- en kapwerkzaamheden, getoetst of een overtreding van de Wet natuurbescherming als gevolg van het voornemen aan de orde is.
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
8 van 22
RESULTATEN SOORTENBESCHERMING De onderstaande effectenanalyse richt zich op de aanwezigheid van beschermde soorten en op de overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de beschermde soorten (Wnb-artikelen, 3.1, 3.5 en 3.10) die mogelijk hun leefgebied hebben binnen het plangebied. Daarnaast worden benodigde vervolgstappen benoemd om negatieve effecten te voorkomen. Ten slotte wordt de algemeen geldende zorgplicht behandeld, welke geldt voor alle in het wild levende planten en dieren (Wnb-artikel 1.11) die mogelijk binnen het plangebied voorkomen.
FLORA RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied het beschermde kluwenklokje voor kan komen. Het plangebied, gelegen in een woonwijk en heeft een voedselrijk karakter. Het gazon om het woonblok heen wordt daarnaast frequent gemaaid. Daarnaast voldoet het plangebied niet aan de standplaatseisen van kluwenklokje, die voorkomt op zonnige en matig vochtige bodems met kalk- of humushoudend zand, klei of leem, in Nederland veelal langs de grote rivieren en Zuid-Limburg. De aanwezigheid van de soort kan daarom op voorhand worden uitgesloten.
BROEDVOGELS CAT. 1 T/M 4 Categorie 1-4 broedvogels betreffen broedvogels waarvan de nesten aangewezen zijn als jaarrond beschermde nesten. RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende broedvogels met jaarrond beschermde nesten voorkomen: buizerd, gierzwaluw, havik, huismus en ooievaar. De bebouwing is ongeschikt als nestplaats voor gierzwaluw en huismus, door het ontbreken van geschikte invliegopeningen zoals ruimte onder dakpannen, open stootvoegen of ruimte onder de daknok of regenpijp. Nabij het plangebied (op circa 30 meter afstand) zijn twee middelgrote nesten aanwezig (Figuur 3). Ten tijde van de quickscan was een koppel eksters bezig met de aanvoer van nestmateriaal zoals takjes. Het is aannemelijk dat de nesten zijn gebouwd door de eksters (maken soms meerdere nesten). Daarnaast is de het voor buizerd en havik ongebruikelijk om midden in een woonwijk te nestelen, vanwege de hoge mate van verstoring. Nesten van buizerd en havik worden daarom op voorhand uitgesloten. Ooievaar wordt uitgesloten door het ontbreken van geschikte grote nesten, bijvoorbeeld op nestpalen.
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
9 van 22
Figuur 3. De twee middelgrote (ekster)nesten (wit omlijnd) nabij het plangebied (rood omlijnd). Bron: Google Maps, geraadpleegd op 7 maart 2021.
BROEDVOGELS CAT. 5 Categorie 5-broedvogels betreffen broedvogels die in principe niet jaarrond beschermd zijn, maar waarvan het ministerie van EZ wel een inventarisatie verlangt. Deze soorten zijn enkel jaarrond beschermd als de ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen, oftewel als verwacht wordt dat uitvoering van de plannen grote nadelige effecten zouden kunnen hebben op de lokale populatie van een soort. RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende categorie 5-broedvogels voor (kunnen) komen: boomkruiper, boomklever, bosuil, ekster, gaai, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, kleine bonte specht, koolmees, pimpelmees, zwarte kraai en zwarte specht. Uit het veldonderzoek blijkt dat diverse cat. 5-broedvogels het plangebied gebruiken om te foerageren. Tijdens het veldbezoek zijn boomkruiper, koolmees, pimpelmees, spreeuw en ekster waargenomen. Op circa 30 meter van het plangebied zijn twee middelgrote nesten aangetroffen. Tijdens het veldbezoek is gebleken dat één van deze nesten in gebruik is door een koppel eksters (Figuur 3). Door het ontbreken van geschikte holten in de bebouwing en het ontbreken van een spouw, zijn geschikte broedplaatsen voor holenbroeders als koolmees en pimpelmees in de bebouwing uitgesloten. Wel zijn geschikte nestkasten voor pimpelmees en koolmees aanwezig
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
10 van 22
binnen het plangebied (in de voortuin). Daarnaast zijn enkele kleine holten aangetroffen in de rij met bomen op de rand van het plangebied (nabij de voortuin). De holten zijn te klein van omvang voor bosuil en spechten. EFFECTEN Het plangebied is voor de (mogelijk) aanwezige categorie 5-vogels niet van ecologisch hoog belang, omdat het hooguit om enkele broedparen gaat. Bovendien zijn in de omgeving voldoende alternatieve nestlocaties te vinden in tuinen en bos in omgeving. De te verwachten soorten zijn daarnaast algemeen in Nederland. Als gevolg hiervan zijn de nesten van categorie 5-broedvogels binnen het plangebied niet jaarrond beschermd. Wel zijn nesten van deze broedvogels (net als het geval is voor algemene broedvogels) beschermd tijdens het broedseizoen. De mogelijke effecten en benodigde maatregelen ten aanzien van categorie 5-broedvogels worden derhalve (tezamen met de algemene broedvogels) besproken in paragraaf 5.4.
OVERIGE BROEDVOGELS Overige soorten broedvogels die niet beschermd worden onder soorten in de categorie 1-5. RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied diverse algemene broedvogels voor (kunnen) komen, waaronder: winterkoning, roodborst, merel, houtduif en kauw. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied geschikt is voor diverse algemene broedvogels. Soorten als roodborst, merel en winterkoning kunnen in de struiken rondom de bebouwing tot broeden komen, houtduif en kauw kunnen mogelijk geschikte nestplaatsen vinden op het dak van de bebouwing (luwe hoekjes of in ruimten in de schoorsteen). EFFECTEN Zonder voldoende voorzorg kunnen nesten van bovengenoemde soorten worden verstoord en/of vernield en kunnen vogels worden gedood. Het doden en verstoring of vernieling van nesten vormt overtreding van de Wnb art. 3.1. VERVOLGSTAPPEN Middels onderstaande voorzorgsmaatregelen kan overtreding van de Wnb (als gevolg van vernieling van vogelnesten) worden voorkomen en kunnen de werkzaamheden doorgang vinden: -
-
Werkzaamheden buiten het globale broedseizoen (15 maart t/m 15 augustus). De kans op een broedgeval is het grootst in de periode 15 maart t/m 15 augustus. Het is mede afhankelijk van weersomstandigheden of ook buiten deze periode wordt gebroed door vogels. Hierom dient men bij werkzaamheden in de periode van 15 maart t/m 15 augustus voorafgaande aan het werk contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of er kans is op broedgevallen. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden: o voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten het reguliere broedseizoen (15 maart t/m 15 augustus) de bomen, struiken en andere beplanting rooien (indien nodig); o een broedvogelcontrole uitvoeren om te bepalen of nestlocaties binnen het plangebied aanwezig zijn.
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
11 van 22
VLEERMUIZEN RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende vleermuizen voor (kunnen) komen: baardvleermuis, gewone grootoorvleermuis, gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. De bebouwing binnen het plangebied is afgewerkt met een kunststof daklijst. Tussen de daklijst en de gevel is ruimte aanwezig. De (plaatselijk vrij forse) kieren zijn mogelijk geschikt als zomer- en/of paarverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. De gevels van de bakstenen muren zijn niet voorzien van open stootvoegen. Het is daarom onbekend of er een spouwmuur in de bebouwing aanwezig is. Indien een spouwmuur aanwezig is, verlenen de openingen onder de daklijsten mogelijk toegang tot de spouwmuren van de bebouwing. Indien dit het geval is, is de bebouwing geschikt als zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis. De bebouwing bestaat uit één verdieping en is daarom niet van voldoende massa om geschikt te zijn als massawinterverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis.
Omdat baardvleermuis vooral wordt aangetroffen is bosranden, aan bosranden en in kleinschalige gesloten landschappen, zijn verblijfplaatsen van deze soort op voorhand uit de sluiten in verband met het ontbreken van dergelijke habitatkenmerken. De bomen nabij het plangebied zijn geïnspecteerd op spleten en holten die mogelijk als geschikte verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen kan dienen. In de bomenrij net buiten het plangebied (nabij de voortuin, langs de Dudok de Witstraat) zijn enkele kleine holten aanwezig (Figuur 4). Omdat de holtebomen middenin stedelijk gebied zijn gelegen, ze geen onderdeel uitmaken van een grotere groenzone en niet langs een watergang zijn gelegen bieden de holten geen geschikte verblijfplaatsen voor rosse vleermuis en watervleermuis. De holten zijn wel geschikt als zomer- en paarverblijfplaats voor ruige dwergvleermuis. De bomen en huizenblokken in en nabij het plangebied vormen een lijnvormig element in het landschap, waardoor een functie als vliegroute niet op voorhand is uit te sluiten. Daarnaast kunnen de groenstructuren in en nabij het plangebied geschikt zijn als foerageergebied voor vleermuizen. Er zijn echter voldoende alternatieve parallel lopende lijnvormige elementen en alternatieve groenstructuren aanwezig direct buiten het plangebied, zoals huizenblokken, bomenrijen en bosschages.
De mogelijke functies van het plangebied als vliegroute en foerageergebied zijn daarom niet essentieel. EFFECTEN Verblijfplaatsen Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis) worden vernield (artikel 3.5, lid 4) en individuen worden verstoord en gedood (artikel 3.5 lid 1 en 2). Daarnaast kunnen langsvliegende vleermuizen worden verstoord (artikel 3.5 lid 2), wanneer in de vleermuis actieve periode (eind maart – half november) ’s nachts met kunstmatig en rondschijnend licht wordt gewerkt. De bomenrij met enkele holten blijft ongemoeid tijdens de werkzaamheden, waardoor vernietiging van verblijfplaatsen niet aan de orde is. Zonder voldoende voorzorgsmaatregelen kunnen verblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis wel worden verstoord.
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
12 van 22
Figuur 4. Holten in bomen (wit omlijnd) nabij het plangebied (rood omlijnd). Bron: Google Maps, geraadpleegd op 7 maart 2021.
VERVOLGSTAPPEN Vleermuisonderzoek (conform het vleermuisprotocol 2021 of recenter) dient uit te wijzen of de bebouwing binnen het plangebied in gebruik is als zomer, kraam-, paar- of winterverblijfplaats van gewone grootoorvleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, kleine dwergvleermuis, meervleermuis en ruige dwergvleermuis. Uit de resultaten van het vleermuisonderzoek blijkt of er sprake is van verblijfplaatsen voor vleermuizen en (indien dit het geval is) welke maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Indien overtreding van de Wet natuurbescherming niet (geheel) voorkomen kan worden, is compensatie van de verblijfplaatsen nodig en dient een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. De werkzaamheden dienen in de periode 1 april – 1 november (vleermuis actieve periode) overdag uitgevoerd te worden om verstoring van foeragerende vleermuizen en vleermuizen op de vliegroute te voorkomen. Als dat niet mogelijk is, dient lichtuitstraling naar de omgeving (en de potentiële verblijfplaatsen in de bomen nabij de voortuin) te worden voorkomen.
GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde grondgebonden zoogdieren voor (kunnen) komen: boommarter, eekhoorn, das, steenmarter, waterspitsmuis en bever.
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
13 van 22
Boommarters en eekhoorn leven in bosrijke gebieden. Boommarter kiest rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen- of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechtenof eekhoornholen en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. De bomen binnen het plangebied bevatten geen geschikte holten en er zijn bovendien geen bomengroepen aanwezig. Er zijn geen eekhoornnesten aangetroffen tijdens het veldbezoek. Verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van boommarter en eekhoorn zijn daarom op voorhand uit te sluiten. Bevers en waterspitsmuis komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, beken, rivieren en meren. Voor waterspitsmuis is voldoende dekking op de oevers (rietzones, vegetatierijke oevers, houtwallen en braamstruwelen) van belang. De bever heeft een voorkeur voor rivieren en meren omzoomd door (broek)bossen met bomen als wilg en populier. Dergelijk leefgebied ontbreekt binnen het plangebied, waardoor bever en waterspitsmuis op voorhand worden uitgesloten. Das heeft een voorkeur voor kleinschalig akker- en weide landschap met genoeg beschutting zoals bosschages, heggen en houtwallen. Daarnaast wordt de soort aangetroffen in open landschap zoals (vochtige) heiden en rivierdalen. De das leeft in zelf gegraven holenstelsels (burchten). Degelijke burchten zijn niet aangetroffen.
Het ontbreekt daarnaast binnen het plangebied aan geschikte landschapselementen voor das, waardoor de soort op voorhand kan worden uitgesloten. Van steenmarter is bekend dat zij in vervallen gebouwen, schuurtjes en rommelhoeken verblijfplaatsen kunnen te hebben. Deze soort komt relatief veel voor in bebouwde gebieden en maakt gebruik van groenstructuren als parken en tuinen om in te foerageren. Er zijn binnen het plangebied geen geschikte openingen aangetroffen die toegang bieden tot ruimten of rommelhoeken in de bebouwing. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van steenmarter zijn daarom op voorhand uitgesloten. Het plangebied heeft diverse groenstructuren die als geschikt foerageergebied voor steenmarter kunnen fungeren. Vanwege het kleine oppervlak van het plangebied ten opzichte van de andere aanwezige groenstructuren in de omgeving van het plangebied, betreft het geen essentieel foerageergebied van steenmarter. Individuen van steenmarter kunnen incidenteel in het plangebied aanwezig zijn. De aanwezigheid van beschermde functies van steenmarter is daarom op voorhand uit te sluiten. VERVOLGSTAPPEN Werk zoveel mogelijk vanuit één kant naar een (relatief) veilige, beschutte locatie, zodat eventueel aanwezige zoogdieren (zoals individuen van steenmarter) de kans hebben om voor de werkzaamheden uit te vluchten.
AMFIBIEËN RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat de beschermde rugstreeppad in de omgeving van het plangebied voor kan komen. Rugstreeppad komt wijdverspreid in Nederland voor, met kerngebieden in de duinen, het rivierengebied en delen van de polders in Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland en de Noordoostpolder. De rugstreeppad is een pionierssoort en is bekend grote afstanden af te leggen, waardoor de soort zeer goed in staat is om dit soort nieuwe leefgebieden te koloniseren. De voorplanting vindt plaats in ondiepe, snel opwarmende wateren zoals (tijdelijke) poeltjes, (regenwater)plassen, slootjes en vennen. Als land- en winterhabitat is de soort afhankelijk van (pioniers)locaties met een vergraafbare bodem (vaak zand). Uit het literatuuronderzoek is gebleken dat er maar een enkele waarneming van rugstreeppad bekend is in de omgeving. Deze waarnemingen is gelegen aan de westkant
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
14 van 22
van het Noord-Hollandskanaal. Het kanaal vormt een harde barrière tussen de waarneming en het plangebied. Het ontbreekt daarnaast aan vergraafbaar zand en geschikt voortplantingsbiotoop. Rugstreeppad kan daarom op voorhand worden uitgesloten.
REPTIELEN RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt in de omgeving van het plangebied de beschermde ringslang voor te (kunnen) komen. Ringslang komt voor nabij waterrijke gebieden met landschapselementen zoals schoon en vegetatierijk water, houtwallen, ruigtes en broeihopen. Ringslang overwintert nabij hoger gelegen, droge en vorstvrije locaties. Het ontbreekt binnen het plangebied aan dergelijk biotoop. Ringslang is op voorhand uit te sluiten.
VISSEN RESULTATEN Er zin geen waarnemingen bekend van beschermde vissoorten in de omgeving van het plangebied. Uit het veldonderzoek blijkt dat het binnen het plangebied ontbreekt aan water, waardoor beschermde vissoorten op voorhand worden uitgesloten.
VLINDERS, LIBELLEN EN OVERIGE ONGEWERVELDEN RESULTATEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde ongewervelden voor (kunnen) komen: platte schijfhoren en grote vos. Uit het veldonderzoek blijkt dat het binnen het plangebied ontbreekt aan water, waardoor platte schijfhoren op voorhand worden uitgesloten. De grote vos is zeer mobiele soort die in het verleden vooral bekend was uit Zuid-Limburg en de duingebieden. Na een dalende populatietrend lijkt de soort weer bezig met een opmars. Tegenwoordig wordt de soort namelijk weer vaker gezien op verschillende plekken in het land. De grote vos is een dagvlinder die grote afstanden kan afleggen. De soort wordt verspreidt door het land en vooral bij bosrijke, warme, vochtige, zonnige, open maar beschutte plaatsen waargenomen. De soort overwintert in stapels hout, puin of holten in (het liefst levende) bomen. Voor de voorplanting is grote vos afhankelijk van zoete kers, iep of wilgen (waardplanten). Door het ontbreken van wilgen, iep of zoete kers (waardplanten) is geen geschikt voorplatingshabitat aanwezig voor grote vos. Daarnaast ontbreekt het binnen het plangebied aan dood hout, houtstapels of holten in bomen, waardoor geschikte overwinteringsplekken voor grote vos ook op voorhand zijn uitgesloten.
INVULLING ZORGPLICHT Bij het planvoornemen dient men rekening te houden met de (potentieel) aanwezige beschermde soorten (tabel 1). Daarnaast dient men (in het kader van de zorgplicht) tevens rekening te houden met de (binnen de provincie Utrecht) van bescherming vrijgestelde soorten (o.a. egel en gewone pad) en overige in het wild levende flora en fauna.
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
15 van 22
Om een zorgvuldige omgang met alle in het wild levende soorten (zorgplicht) te garanderen, zijn de volgende maatregelen geformuleerd: • Aanwezige beplanting binnen het plangebied (met name bomen en struiken) zoveel mogelijk behouden; • Werken van één kant af om fauna de kans te geven zelfstandig te vluchten; • Enkel bij daglicht werken om verstoring van nacht-actieve soorten (zoals vleermuizen) te voorkomen. Om tussentijdse vestiging van beschermde (pionier)soorten te voorkomen, zijn nog enkele aanvullende voorzorgsmaatregelen geformuleerd: • Vorming van grote zandhopen met steile kanten voorkomen; dit vormt een geschikte broedlocatie voor oeverzwaluwen;
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
16 van 22
EFFECTANALYSE GEBIEDSBESCHERMING NATURA 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied (zie figuur 5), waardoor bij voorbaat kan worden uitgesloten dat sprake is van een direct negatief effect op beschermde natuurgebieden. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling daarnaast kleinschalig is en op enige afstand (circa 1,5 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’, zie Figuur 5) van beschermde natuurgebieden plaatsvindt worden tevens geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht.
Figuur 5. Ligging plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (blauw en groen gearceerd). Bron: AERIUS-Calculator, geraadpleegd op 8 maart 2023.
Het is mogelijk dat het project een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/j in Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Het project kan o.a. door de inzet van mobiele werktuigen tijdens de sloop en bouw een toename aan stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden veroorzaken en zodoende het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitats in gevaar brengen. Middels een stikstofberekening dient onderzocht te worden of sprake is van een toename in de stikstofdepositie (> 0,00 mol N/ha/j). In de stikstofberekening kan eventueel rekening worden gehouden met interne of externe saldering. Wanneer het project per saldo een depositie boven de 0,00 mol N/ha/j tot gevolg heeft, dient een nadere ecologische beoordeling van de gevolgen voor stikstofgevoelige natuur te worden uitgevoerd. Hierin worden de ecologische gevolgen uitgebreid onderzocht en gewogen tegen de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-waarden waarop de stikstofdepositie plaatsvindt.
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
17 van 22
Op basis van bovenstaande is een Natura 2000-voortoets (gericht op directe effecten en/of externe werking als gevolg van geluid, licht e.d.) Niet van toepassing. Er dient daarentegen wel een stikstofberekening middels gebruik van de AERIUS Calculator te worden uitgevoerd. Indien uit de AERIUS-berekening blijkt dat de depositie als gevolg van het voornemen meer dan 0,00 mol N/ha/jr bedraagt, dient nog een ‘voortoets stikstof’ te worden uitgevoerd.
PLANOLOGISCHE GEBIEDSBESCHERMING Het plangebied ligt niet in het NNN (Figuur 6) en valt ook niet onder gebieden die zijn aangewezen als belangrijk weidevogelgebied (Figuur 7). Direct negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling daarnaast kleinschalig is en op enige afstand (circa 400 meter) van beschermde natuurgebieden plaatsvindt worden tevens geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht.
Figuur 6. Ligging plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het NNN (donkergroen) en de Groene contour (licht groen). Bron: (ATLAS Provincie Utrecht, 2023), geraadpleegd op 8 maart 2023.
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
18 van 22
Figuur 7. Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van belangrijke weidevogelgebieden (oranje gearceerd) in de Provincie Utrecht. Bron: (Provincie Utrecht, januari 2012)
Op basis van bovenstaande is toetsing aan de planologische gebiedenbescherming van het NNN en weidevogelgebieden niet van toepassing.
BESCHERMDE HOUTOPSTANDEN Binnen het project is geen sprake van de kap van een houtopstand welke beschermd is onder de Wnb. Dit aangezien binnen het planvoornemen boomkap niet aan de orde is. Hierom is nadere toetsing aan de Wet Natuurbescherming - onderdeel houtopstanden, hout en houtproducten niet van toepassing.
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
19 van 22
CONCLUSIES EN VERVOLGSTAPPEN SOORTENBESCHERMING Op basis van de uitgevoerde quickscan kunnen de onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming worden beantwoord: Welke Wnb-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? Algemene broedvogels, cat. 5-broedvogels, gebouwbewonende vleermuizen (gewone grootoorvleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, kleine dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis) en steenmarter. Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? Zonder voldoende voorzorg kunnen nesten van algemene en cat. 5-broedvogels worden verstoord en/of vernield, verstoring of vernieling van nesten vormt overtreding van de Wnb Art. 3.1 lid 2. Daarnaast kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen worden vernield (artikel 3.5, lid 4), individuen worden gedood (artikel 3.5 lid 1) en overvliegende of foeragerende vleermuizen worden verstoord (artikel 3.5 lid 2). Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk? Ja. Nader onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (gewone grootoorvleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, kleine dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis ) is noodzakelijk.
Welke voorzorgsmaatregelen en/of vervolgstappen dienen genomen te worden om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen? In onderstaande tabel zijn de benodigde voorzorgsmaatregelen opgenomen. Voor de volledigheid is aan deze tabel tevens de eventuele noodzaak van aanvullend ecologisch onderzoek opgenomen.
Tabel 1
Overzicht benodigde voorzorgsmaatregelen.
(Mogelijk) aanwezige soort(groep)en
Benodigde voorzorgsmaatregelen t.a.v. soorten met aanvullend beschermingsregime (art. 3.1, 3.5 en 3.10) -
Broedvogels
-
Vleermuizen
-
Werkzaamheden buiten het globale broedseizoen (15 maart t/m 15 augustus). De kans op een broedgeval is het grootst in de periode 15 maart t/m 15 augustus. Het is mede afhankelijk van weersomstandigheden of ook buiten deze periode wordt gebroed door vogels. Hierom dient men bij werkzaamheden in de periode van 15 maart t/m 15 augustus voorafgaande aan het werk contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of er kans is op broedgevallen. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden: o voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten het reguliere broedseizoen (15 maart t/m 15 augustus) de bomen, struiken en andere beplanting rooien (indien nodig); o een broedvogelcontrole uitvoeren om te bepalen of nestlocaties binnen het plangebied aanwezig zijn. Vleermuisonderzoek (conform het vleermuisprotocol 2021) dient uit te wijzen of de bebouwing binnen het plangebied in gebruik is als verblijfplaats van vleermuizen. De werkzaamheden dienen in de periode 1 april – 1 november (vleermuis actieve periode) overdag uitgevoerd te worden om verstoring van foeragerende vleermuizen en vleermuizen op de vliegroute te voorkomen. Als dat
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
20 van 22
Grondgebonden zoogdieren
niet mogelijk is, dient lichtuitstraling naar de omgeving (en de potentiële verblijfplaatsen in de bomen nabij de voortuin) te worden voorkomen. Werk zoveel mogelijk vanuit één kant naar een (relatief) veilige, beschutte locatie, zodat eventueel aanwezige individuen van steenmarter de kans hebben om voor de werkzaamheden uit te vluchten.
Aanvullende voorzorgsmaatregelen (t.a.v. zorgplicht en pioniersoorten) • • • •
Aanwezige beplanting binnen het plangebied (met name bomen en struiken) zoveel mogelijk behouden. Werken van één kant af om fauna de kans te geven zelfstandig te vluchten. Enkel bij daglicht werken om verstoring van nacht-actieve soorten (zoals vleermuizen) te voorkomen. Vorming van grote zandhopen met steile kanten voorkomen; dit vormt een geschikte broedlocatie voor oeverzwaluwen.
GEBIEDSBESCHERMING EN HOUTOPSTANDEN Op basis van de uitgevoerde quickscan kunnen de onderzoeksvragen t.a.v. gebiedsbescherming worden beantwoord: Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied of het NNN of binnen een belangrijk weidevogelgebied? Nee. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? Negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) kunnen worden uitgesloten. Negatieve effecten als gevolg van een toename van de stikstofdepositie kunnen niet worden uitgesloten. Is een toetsing aan de gebiedsbescherming noodzakelijk? Ja, een stikstofberekening is noodzakelijk om te bepalen of de werkzaamheden leiden tot een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/j. Zijn vervolgstappen noodzakelijk wat betreft het onderdeel houtopstanden? Nee.
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
21 van 22
LITERATUURLIJST ATLAS Provincie Utrecht. (2023, maart 8). ATLAS Provincie Utrecht. Opgehaald van https://gis.provincieutrecht.nl: https://gis.provincieutrecht.nl/Geocortex/WebViewer/?app=e691e7d6b6d348b1a331dd5d298ac85c&workflow=cea17dd7c4c8-4359-b64d-7e063584495c&workflowParams={%22ids%22:[187,188,189]} Provincie Utrecht. (januari 2012). Weidevogelvisie. Utrecht: Provincie Utrecht.
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DUDOK DE WITSTRAAT 18-40 BREUKELEN | 2 | 20230072/rap01
22 van 22