Toelichting - TAM-Omgevingsplan Jan van Nassauweg 18, Giethoorn
Tekst van het document
In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied behoort niet tot het NNN. Het meest dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 1.100 meter afstand van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, het omzetten van de agrarische functie naar ‘Agrarisch – Akkerbouw’, en de afstand tot het NNN wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Soortenbescherming Wat betreft de soortenbescherming is de Omgevingswet van toepassing. Hierin wordt onder andere de
29 bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Op basis van planvoornemen kan er worden geconcludeerd dat er geen werkzaamheden plaatsvinden, die negatieve effecten kunnen hebben op Natura 2000 gebieden, beschermde Natuurmonumenten, Natuurnetwerk Nederland of natuur buiten het NNN. Ook vindt er geen bouw of sloop plaats en een onderzoek in het kader van de soortenbescherming is dan ook niet benodigd. 5.6.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor het planvoornemen en dat de afname van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden volledig ten goede komt aan de natuur. 5.7 Archeologie & Cultuurhistorie 5.7.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet.
Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 5.7.2 Situatie plangebied In de beheersverordening ‘Buitengebied Steenwijkerland 2014’ van de gemeente Steenwijkerland is voor de planlocatie de functie ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen. Deze functie bevat alleen regels voor het bouwen van bouwwerken. In de beoogde situatie is er enkel sprake van een functiewijziging en wordt er niet gebouwd. Hiermee voldoet het initiatief aan de regels voor archeologie. Verder is er op locatie geen sprake van rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen. 5.7.3 Conclusie Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.8 Trillinghinder Voor het aspect trillingen vallen alle activiteiten die trillingen veroorzaken onder de afdeling '2.3 Milieubelastende activiteiten bruidsschat omgevingsplan'. De uitzonderingen hierop staan in artikel 22.41 bruidsschat van de bruidsschat. De Omgevingswet beschermd trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.
30 Trillinghinder is met name een aandachtspunt indien de afstand tot het spoor van minder dan 250 meter bedraagt. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. 5.8.1 Situatie plangebied Het aspect trillingen is in de beoogde situatie niet van toepassing. Er komt geen trillinggevoelig gebouw geen trillinggevoelige ruimten. Ook ligt het plangebied niet binnen 250 meter van het spoor. 5.8.2 Conclusie Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.9 Wateraspecten Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. In paragraaf 4.5 is reeds ingegaan op het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Hier is geconcludeerd dat het voornemen in lijn is met de doelstellingen zoals opgenomen in het waterbeleid.
Echter, voor een nadere beoordeling voor de gevolgen van het projectvoornemen op de wateraspecten is wordt de zogeheten ‘watertoets’ uitgevoerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.9.1 Situatie plangebied Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de zogenoemde ‘geen belang procedure’ van de watertoets van toepassing is. Verder overleg met het waterschap is dan ook niet genoodzaakt. 5.9.2 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.10 Verkeer en parkeren 5.10.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling.
Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Parkeren – Parkeerkencijfers 2024 (19-06-2024)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW bovengenoemde publicatie opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeergeneratie. Hierbij wordt
31 opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde aangehouden. Naast de kencijfers van het CROW is ook de nota parkeernormen 2015 Steenwijkerland van toepassing. In deze nota omschrijft de gemeente haar normen voor parkeren zodat deze niet per omgevingsplan omschreven moeten worden. Volgens deze nota ligt de Jan van Nassauweg 18 binnen weinig stedelijk buitengebied. 5.10.2 Situatie plangebied Verkeersbewegingen De locatie aan de Jan van Nassauweg met de beoogde functie ‘Agrarisch – Akkerbouw’ kan worden aangemerkt als een ‘Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’ volgens de kencijfers van het CROW. Naar ervaring ontvangt de detailhandel één of twee bezoekers per dag, en zijn er enkele verkeersbewegingen vanwege het akkerbouwbedrijf. Verkeersveiligheid Het plangebied heeft een goede ontsluiting middels twee in- en uitritten aan de Jan van Nassauweg en de Blokzijlseweg. Ten opzichte van de Blokzijlseweg heeft de Jan van Nassauweg minder verkeersbewegingen. Dit is dus een geschikte in- en uitrit tot het terrein. Hierdoor is het perceel goed bereikbaar. Op het terrein zelf is voldoende ruimte om te keren en te draaien. Hierdoor worden gevaarlijke situaties op de openbare weg voorkomen.
Parkeren De ervaring van initiatiefnemer is dat voor de handelsactiviteiten er maximaal 1 parkeerplek nodig is. Op grond van de ‘Nota Parkeernormen gemeente Steenwijkerland’ is aanvullend een inschatting gemaakt. De handelsactiviteiten kunnen worden beschouwd als een bedrijf dat arbeidsextensief is. Daarvoor geldt een norm van 0,8 parkeerplek per 100 m2 het gebouw is 800 m2 groot, dat zou 6,4 parkeerplekken betekenen. Voor de agrarische activiteiten zijn geen parkeernormen opgenomen in de nota. Voor de 2 bedrijfswoningen zijn 2,0 parkeerplekken per woning nodig. In de beoogde situatie geldt volgens de nota dat er 10,4 parkeerplekken gerealiseerd zouden moeten worden. In de volgende afbeelding zijn de parkeerplekken in geel opgenomen op de luchtfoto. Afbeelding 13: Locatie parkeerplekken
32 5.10.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer en parkeren geen beperking vormt voor het voorgenomen initiatief. 5.11 Gezondheid 5.11.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben.
De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent de TAM-omgevingsplanwijziging is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 5.11.2 Situatie plangebied Voorliggend voornemen ziet toe op een functiewijziging. In voorgaande paragrafen is aangetoond dat er geen functie wordt gerealiseerd die nadelige gevolgen heeft op de gezondheid van omwonenden. Ook heeft de omgeving geen nadelige gevolgen op de gewijzigde functie. 5.11.3 Conclusie Voor wat betreft het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.12 M.e.r.-beoordeling 5.12.1 Algemeen Onderdeel van de beoordeling is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage.
Of een besluit over een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De wijziging van de functie en de nieuwe toegestane activiteit is niet opgenomen in bijlage V. 5.12.2 Situatie plangebied In de beoogde situatie gaat het om een omzetting van de functie naar ‘Agrarisch – Akkerbouw’ met als toegestane activiteit ‘volumineuze detailhandel in landbouwwerktuigen’. Er is geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. Voor deze ontwikkeling is het niet nodig om een milieueffectrapportage op te stellen.
33 5.12.3 Conclusie Uit de mer-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteiten op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-rapportage en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
34 6. Juridische aspecten en planverantwoording Algemeen In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het voorliggend TAM-Omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. Opzet van de regels Deze wijziging van het omgevingsplan betreft een TAM-Omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplan wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet.
Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-Omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit TAM-Omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-Omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); 2. Functie regels; 3. Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); 4. Overgangs- en slotregels. Preambule De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar.
De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAM- IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe dit TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven.
35 Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een bestemmingswijziging op de locatie ‘Jan van Nassauweg 18 te Giethoorn’ en is als nieuw hoofdstuk 22X opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Het op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22X van het omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22X' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22X' gelezen worden. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels. 6.1 Opzet regels Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven.
Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. 6.1.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende bepalingen, deze regels gelden voor het gehele plangebied en bestaan uit: - artikel 1 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan. - artikel 2 Toepassing begripsbepalingen: In dit artikel is opgenomen dat de begripsbepalingen uit de wet van toepassing zijn op dit omgevingsplan. - artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor zover niet zijn vastgelegd in de wet en specifiek van toepassing zijn op dit omgevingsplan, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. - artikel 4 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. - artikel 5 Algemeen gebruiksverbod.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies. 6.1.2 Functieregels In hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. 6.1.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: - Artikel 8 Anti-dubbeltelregel - Artikel 9 Algemene bouwregels - Artikel 10 Algemene afwijkingsregels - Artikel 11 Overige regels
36 6.1.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 staan de overgangsregels. In Artikel 14 Overgangsrecht is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit omgevingsplan.
37 7. Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. In het voorliggende geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Steenwijkerland.
Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven. 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Algemeen Ruimtelijke ontwikkelingen hebben een aanzienlijke impact op de levenskwaliteit, het milieu en onze beleving van steden en dorpen. Het is daarom van cruciaal belang om burgers, belanghebbenden en gemeenschappen actief te betrekken bij het plannen en vormgeven van deze ontwikkelingen. Situatie plangebied Initiatiefnemer heeft de directe buren van de Jan van Nassauweg 18 persoonlijk gesproken en op de hoogte gesteld van de beoogde situatie. De directe buren hebben geen bezwaar tegen de wijzigingen.
38 8. Procedure 8.1 Vooroverleg 8.1.1 Het Rijk In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Bkl is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit omgevingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2 Provincie Overijssel Het voornemen wordt ten aanzien van vooroverleg aan de provincie Overijssel voorgelegd. 8.1.3 Waterschap Drents Overijsselse Delta In het kader van de weging van het waterbelang heeft een digitale watertoets plaatsgevonden via de website hetwateradvies.nl. De uitkomsten van deze toets zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd en laten zien dat de geen waterschapsbelang van toepassing is. Opgemerkt kan worden dat de hoeveelheid verhard gelijk blijft. 8.2 Inspraak De directe buren zijn op de hoogte gesteld van de wijzigingen en deze hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de beoogde situatie. 8.3 Zienswijzen Deze paragraaf wordt na de inzagetermijn ingevuld.
39 De Omgevingsadviseurs is er voor ondernemers, initiatiefnemers en ontwikkelaars in het buitengebied. Voor doorpakkers en veranderaars die vooruitkijken en verder willen. Zo dragen we bij aan succesvol en toekomstbestendig ondernemen in het buitengebied. Onderneem het zeker. Dokter Stolteweg 2 8025 AV Zwolle (088) 565 7857 info@deomgevingsadviseurs.nl deomgevingsadviseurs.nl