Bijlage VII QUICKSCAN
Tekst van het document
Rapport quickscan Flora- en fauna- activiteit Erftransformatie el (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) Op weg naar 100% natuurinclusief >
Opdrachtgever: (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Projectgegevens: Projectnummer: 208185 Datum: 9-9-2025 Projectleider: | opgesteld. — Gecontroleerd: | (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Status: Definitief Versie: 1 oz (geanonimiseerd) Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt. Disclaimer: Dit rapport is opgesteld als onafhankelijke toets, met inachtneming van de informatie die is aangeleverd door de opdrachtgever en de beschikbare informatie over het voorkomen van beschermde plant- en diersoorten op of nabij het plangebied. Dit voor zover deze bekend zijn op het moment van onderzoek en rapportage. Het veldonderzoek is met de grootste zorgvuldigheid en deskundigheid uitgevoerd. Desondanks kan niet volledig worden uitgesloten dat bepaalde soorten niet zijn opgemerkt. Evenmin kan worden uitgesloten dat na het veldbezoek soorten zich alsnog op het plangebied hebben gevestigd. | kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele (gevolg) schade als gevolg van later beschikbaar komende informatie of kennis. Aan de in het rapport opgenomen conclusies kunnen geen rechten (geanonimiseerd) worden ontleend.
Inhoudsopgave … 1 | Inleiding „ussenAREAS 2 | Huidige:situatiesen:ontwikkeling | erdee | EEEN | 5 nnen | ENGEN | ENNE 21 | Huidige | situatie | 5 zeeszarereeesvennnre | genereer 2.2 | Vóórgenomen: | ontwikkeling | 5 3 | Methode | … | nn | nanenonnenennensenenensenensenenvenenennenenvenvenenenrenensenenvenenensenenvenvenenensenenvenenvenenenvenenvenvenenendenen 11 … | ennen envennenenvennerenvennenenvenneeeneennerenvenneeenvenneennvenneenneenmenenvennvenneenneenneennvenneenmenenvenneennenn 3.1 | Inleiding | 11 3.2 | Bureauöndê@rzoek | ….nsssanenvsrenrenonseranensenenvenvennvensnvenveranveseveevanenennenssverssverawdauwerevanesvestnwssrevvsehevanvevenseserene 11 3.3 | Terreinbezoek.ricersronrevaersvvenverrsvenversavevanvevervavekveerwenrevenvevauweserwiven vevervanivwawrvanvseersuvennienoewenarvnavevsavavais anas 11 4 | Resultaten | en effectbeoordeling | … oasen | eee | EEE | Reen 41 | Inl&idingisersaseervsrensnesnsansn | 12 4.2 | Beschermde.sopïttefmmnmmvnngnenenennnnnnnsnenn | nnen | 12 4.3 | Rode | LijstSOONEN | manman | tte | 24 44 | Invasieve | exoten … | nnen | nnneneeneenenneenvenveneenrenvensenrenvenvenrenrenvenvenvenvenreenenveneeenenvenreenenvenveenenvenneenenseene 25 … | unsere rennenneeeneennerenvennereneenneennvenneneneennenenvenneenneenneenneennvenneenneensvenneendenn 4,5 | Bescherming | gebieden | 26 … | uns |
anneeneeoneennerenvennereneennerenvenneeenvennerenvenneeeneennenenvennvenneenneennvenneenneenneensvenneenneen 4,6 | Houtopstanden | 27 4.7 | Natuurnetwerk:Nederland | „ace severssorevsarrenrrvervsverrsesivevervevervaerivacsvenouvenswverricersevesvavenbevavskonvensiwavsdverdieesn 27 5 | Conclusies | en aanbevelingen | … oasen | eee | EEE | Reen 5.1 | Inl&idingisersaseervsrensnesnsansn | 28 5.2 | Beschermde.sopïttefmmnmmvnngnenenennnnnnnsnenn | nnen | 28 urnen | Fout! | niet 5.3 | Bescherming | gebieden | Bladwijzer | gedefinieerd. 5.4 | Opweg | naar 100% | natuurinclusief | ontwikkelen, | inrichten en beheren | … … nenneneenen 31 … … | ann | enneene eene nennveneveneeenerenseeneeensennenenveenevenseenenenteeneeenveenenenveenvenneeenvenne 5.5 | Geldigheid | rapportage | 31 nonnen eeeneeenenenneeneveneeenevenneenseenseenenenneenseenneenvennneenseenneendeenneenveenneenvennneenveenneendeenneenveenee Literatuurlijst | 32 BijlageL.Wettelijk | kader:natuurwetgevingieseresesersenssrersissnenntensdaneueseseenen kenn seus eenken sn nkenen deense vennen wanen wennen nend 33 Erftransformatie (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) NN | |:
1 Inleiding De familie | doet mee met de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en stopt met het houden van melkvee. Om een verdienmodel te behouden zijn de initiatiefnemers voornemens het erf, aan de (geanonimiseerd) | te nn te transformeren tot een zorgboerderij met recreatiewoningen. De voorgenomen (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) ontwikkeling bestaat uit het slopen van een open potstal en het bouwen van vier nieuwe recreatiewoningen. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Deze toetsing maakt duidelijk of, en hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van het natuurbeschermingsrecht. Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan wordt bepaald wat de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn. Tevens worden de eventueel noodzakelijke vervolgstappen behandeld. Erftranstormatie NN | (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied betreft het erf aan de | te nn gelegen in de gemeente Steenwijkerland, provincie Overijssel (Afbeelding 1). Het erf is gelegen aan de voormalige Zuiderzeedijk en bevindt zich (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) tegenwoordig in een open veenweidelandschap. Ook ligt het erf gedeeltelijk in Natura2000-gebied de Wieden. Het erf bestaat uit een woonhuis, enkele schuren en een open potstal. De oost- en zuidkant van het erf worden begrensd door een singel met bomen en struiken van een beperkte omvang. Aan de noordkant van het erf is een bredere singel met oudere beplanting aanwezig. Zowel aan de noord- als aan de zuidkant van het plangebied zijn twee grote waterpartijen aanwezig. Dit betreffen doorbraakkolken van de oude Zuiderzeedijk. Overige watervoerende elementen rondom het erf betreffen uitsluitend boerensloten. Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen zoals poelen en sloten aanwezig. 2.2 Voorgenomen ontwikkeling De familie | doet mee met de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en stopt met het houden van melkvee. Om een verdienmodel te behouden zijn de initiatiefnemers voornemens het erf, aan de | te nn te transformeren tot een zorgboerderij met recreatiewoningen.
De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het slopen van een open potstal en het bouwen van vier nieuwe recreatiewoningen (afbeelding 2 en 3). Er wordt een nieuwe afrit gerealiseerd om het verkeer naar de recreatiewoningen en het woonhuis gescheiden te houden. Ten behoeve van de ontwikkeling worden geen bomen gekapt. (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) In verband met de vereisten van de beëindigingsregeling moet het vee en de mest weg zijn in november 2025. Vanaf dat moment heeft de opdrachtgever geen inkomen meer tot het moment dat de recreatiewoningen zijn gerealiseerd. Daarom is er baat bij een snelle doorloop van het proces. Erftransformatie NN NN | (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Quickscan flora- en fauna-activiteit Erftransformatie Vollenhoofsedijk 3, Blokzijl Blokzijl Ettenlandsche Kolk 820 meter en Projectnummer: 208185 20-8-2025 (geanonimiseerd) Valsche Trog Ett, Ettenlandsch Kanaal Legenda LJ Plangeb Esri Nederland, Comm Afbeelding 1: Ligging van het plangebied (Esri, 2025). Erftransformatie NN |< (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Quickscan flora- en fauna-activiteit Erftransformatie Vollenhoofsedijk 3, Blokzijl _ Auteur: Projectnummer: 208185 15-8-2025 (geanonimiseerd) Legenda Plangebied Te slopen stal [LJ Nieuwe recreatiewoningen (voorlopig) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Afbeelding 2: Luchtfoto van het plangebied met daarop te slopen stal en de voorlopige posities van de nieuw te realiseren recreatiewoningen aangeduid (Esri, 2025). Erftranstormatie NN NN | 7 (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Bestaande schuren zijn plek voor bedrijfsmatige huidige koepad onderdeel van de doeleinden, opslag voor behouden, dit wordt zorgfunctie, en houden gewassen en machines een hoofdas tussen de van dieren verschillende functies Recreatiewoning(en) op erf ter plaatse van bestaande schuur/ boerderij single-woningen in begroeiing erfrand Nieuwe afrit Inrichtingsplan Tweede inrit voor een Recreatieeenheden … fruitbomen singel versterken scheiding tussen de pluktuin met inheemse verschillende functies activiteitenveld struiken en bomen Afbeelding 3: Architectonische visie plangebied (Recreatie Architectuur, 2025). Erftransformatie NN | (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Afbeelding 4: Impressie te slopen koeienstal, situatie op 11 augustus 2025. Erftranstformatie NN | © (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Afbeelding 5: Impressie beoogde locaties voor recreatiewoningen, situatie op 11 augustus 2025. Erftransformatie EN NN | <e (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
3 Methode 3.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek. 3.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is (indien beschikbaar) gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: e _NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna); © _kaartweergaves van de beschermde gebieden en houtopstanden. 3.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor te verwachten soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag uitgevoerd door | ecologisch adviseur bij | (Kader — Ecologisch deskundige). Het veldbezoek is uitgevoerd op 11 augustus 2025 bij 15°C, helder weer en windkracht 1 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Kader — Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van | beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’.
Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige: . op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of; . op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt het natuurbeschermingsrecht, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of; . als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of; . zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied) en/of; . zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
RVO voegt hier nog de volgende criteria aan toe: Een ecologisch deskundige is een persoon met aantoonbare specifieke ecologische kennis en ervaring. Hij of zij geeft ecologisch advies en/of begeleidt werkzaamheden op het gebied van habitats (natuurlijke leefgebieden) en soorten. En heeft voldoende kennis en jarenlange ervaring om ecologisch onderzoek te kunnen doen. Hiermee bedoelen we dat de ecologisch deskundige: . de functionaliteit van leefgebieden en beschermde soorten (her)kent; . kennis heeft van algemene erkende onderzoeksmethoden; . ecologische werkprotocollen kan uitwerken; (geanonimiseerd) . specifieke maatregelen kan begeleiden. Erftransformatie NN (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
4 Resultaten en effectbeoordeling 4.1 Inleiding Dit hoofdstuk behandelt de resultaten van het uitgevoerde (veld- en bureau) onderzoek en de te verwachten effecten als gevolg van het planvoornemen. Paragraaf 4.2 beschrijft waargenomen en te verwachten soorten waarvoor onder de Omgevingswet (artikelen 11.37, 11.46 of 11.54 van het Bal) mogelijk een vergunningsplicht (of vrijstelling) geldt. In paragraaf 4.3 worden soorten behandeld die op de Nederlandse Rode lijst zijn vermeld en waarvoor een specifieke zorgplicht geldt (artikel 1.7 van het Bal). In paragraaf 4.4 worden de aangetroffen en te verwachten invasieve exoten behandeld. Vervolgens wordt in paragrafen 4.5, 4.6. en 4.7 ingegaan op beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde houtopstanden en het Natuurnetwerk Nederland. 4.2 Beschermde soorten 4.2.1 Planten Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Gelet op het huidige gebruik van het plangebied, als boerenerf met een voedselrijke bodem, was dit ook niet de verwachting. Ook vanuit de omgeving zijn geen waarnemingen bekend van beschermde plantensoorten (NDFF, 2025). Vrijwel alle beschermde plantensoorten komen voor in zeer specifieke biotopen als hoogvenen, kalkgraslanden, veenmosrietlanden en eeuwenoude muren.
Deze specifieke biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied en daarmee zijn beschermde plantensoorten hier niet te verwachten. Effecten en vergunning In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze worden op basis van de aanwezige biotoop uitgesloten. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde planten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit zijn daardoor niet aan de orde voor beschermde planten. 4.2.2 Zoogdieren Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en meervleermuis. Erftransformatie EN NN | «2 (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Verblijfplaatsen Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (Kader - Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: e _ kraamverblijfplaats; © _zomerverblijfplaats; e __paar- en/of baltsverblijfplaats; e _ winterverblijfplaats. Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen.
Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand. Het woonhuis op het erf is geschikt voor verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen door de aanwezigheid van openingen zoals open stootvoegen en spleten en gaten in muren en bij dakranden. De koeienstal daarentegen is vanwege de bouwkundige eigenschappen ongeschikt voor vleermuisverblijfplaatsen. Doordat de stal volledig bestaat uit plaatmateriaal, er geen openingen aanwezig zijn naar geïsoleerde ruimtes en de stal volledig in de wind staat is er daar geen geschikt leefgebied voor vleermuisverblijfplaatsen. De bomen rondom de te bouwen recreatiewoningen zijn gezien het formaat en omvang ongeschikt voor vleermuisverblijfplaatsen. Alleen in de oudere bosschage aan de noordkant van het erf staan bomen die qua omvang en formaat geschikt kunnen zijn voor verblijfplaatsen van boombewonende soorten. Foerageergebieden en vliegroutes Het plangebied is redelijk geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. De omgeving is eveneens geschikt als foerageergebied, onder meer door de aanwezigheid van groene elementen zoals bomenrijen en struweel. Vleermuizen gebruiken lijnvormige elementen, zoals houtsingels en bosranden, om zich langs te verplaatsen (zie ook kader — Foerageergebieden en vliegroutes). Dit worden vliegroutes genoemd. Vliegroutes zijn binnen het gebied niet aanwezig.
Erftransformatie NN (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd)
Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden. Effecten en vergunning De te slopen koeienstal is door de bouwkundige eigenschappen ongeschikt voor verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen. Het woonhuis is wel geschikt voor vleermuisverblijfplaatsen maar valt buiten de invloedssfeer van de sloopwerkzaamheden. In de bomenrij ten noorden van het plangebied staan bomen die qua omvang en formaat geschikt zijn voor vleermuisverblijfplaatsen.
Deze bomen worden niet gekapt en daarom zijn negatieve effecten op verblijfplaatsen van boom bewonende soorten op voorhand uitgesloten. Door de sloopwerkzaamheden van de koeienstal uitsluitend bij daglicht uit te voeren kan verstoring van eventueel aanwezige vleermuisverblijfplaatsen elders op het erf op voorhand worden voorkomen. Bij de realisatie van de nieuwe recreatiewoningen en het gebruik hiervan is het van belang dat de verlichting in het plangebied niet toeneemt. Dit kan met enkele simpele maatregelen: . niet uitstralende armaturen (Kader- Verlichting); . plaatsen van afschermende beplanting; . voorkom verlichting van boomkronen; . tijdelijke verlichting (slechts een deel van de nacht aan). Erftransformatie (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Kader — Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien. Er dient te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te beperken en directe belichting van de omgeving en onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden: @ _ verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is; @ _ verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); @ _ verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven; e beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur; @ _ geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes. Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.
Lynne Daarmee zijn negatieve effecten op vleermuisverblijfplaatsen uit te sluiten en is nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit niet aan de orde voor vleermuizen. Grondgebonden zoogdieren Voorkomen en functie Op basis van de systematiek van de Omgevingswet (zie Bijlage 1) geldt dat voor de in de wet benoemde soorten of soortgroepen in geval van schade, verstoring of vernieling van vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen een vergunningplicht geldt. Op deze vergunningplicht gelden een aantal uitzonderingen. De provincies kunnen in hun omgevingsverordening een vrijstelling van vergunningplicht bepalen. Soorten waarvoor een vrijstelling geldt In de omgevingsverordening van de provincie Overijssel (Omgevingsverordening Overijssel 2023; gepubliceerd op 25-04-2025, in werking op 01-05-2025) is voor de volgende (mogelijk) in het plangebied voorkomende soorten een vrijstelling van vergunningplicht opgenomen voor ruimtelijke inrichting: konijn, haas, ree, vos en diverse soorten muizen, spitsmuizen en woelmuizen. Soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Bever en otter Het plangebied is gelegen binnen het verspreidingsgebied van de bever en de otter (verspreidingsatlas zoogdieren, 2025).
Daarnaast zijn er de laatste 5 jaar meerdere waarnemingen bekend van bever en otter in de Erftransformatie MN (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
nabije omgeving van het plangebied (NDFF, 2025). Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van aangetroffen zoals pootafdrukken, knaagsporen, uitwerpselen, wissels of een burcht aangetroffen. Zowel de bever als de otter heeft verblijfplaatsen nabij open water. Dit habitat is op het boerenerf niet aanwezig. Verblijfplaatsen van bever en otter zijn dan ook op voorhand uit te sluiten door het ontbreken van geschikt habitat. Egel Het plangebied is gelegen binnen het verspreidingsgebied van de egel (verspreidingsatlas zoogdieren, 2025). Daarnaast zijn er de laatste 5 jaar meerdere waarnemingen bekend van deze soort in de nabije omgeving van het plangebied (NDFF, 2025). Het erf vormt een geschikt leefgebied voor verblijfplaatsen van egel door de aanwezigheid van dichte begroeiing voor het woonhuis en in de bosrand ten noorden van het erf. Verblijfplaatsen van de egel zijn binnen het plangebied niet op voorhand uit te sluiten. Kleine marterachtigen Het plangebied is gelegen binnen het verspreidingsgebied van kleine marterachtigen zoals, bunzing, wezel en hermelijn (Verspreidingsatlas zoogdieren, 2025). Daarnaast zijn er de laatste 5 jaar waarnemingen bekend van bunzing en wezel in de nabije omgeving van het plangebied (NDFF, 2025). In het plangebied zijn geen zichtbare holen van mollen, konijnen of vossen aangetroffen die kunnen dienen als verblijfplaats voor kleine marterachtigen.
Wel vormt door de aanwezigheid van dichte begroeiing en diverse rommelhoekjes het plangebied een geschikt leefgebied in de vorm van verblijfplaatsen van kleine marterachtigen. Steenmarter Het plangebied is gelegen binnen het verspreidingsgebied van steenmarter (Verspreidingsatlas zoogdieren, 2025). Daarnaast zijn er de laatste 5 jaar meerdere waarnemingen bekend van steenmarter in de nabije omgeving van het plangebied (NDFF, 2025). Het woonhuis en enkele schuren zijn in potentie geschikt voor verblijfplaatsen van steenmarter door de aanwezigheid van openingen groter dan 5 centimeter die door kunnen lopen in kruipruimtes. De koeienstal daarentegen is ongeschikt voor verblijfplaatsen door het open karakter en het ontbreken van openingen naar ruimtes tussen het plaatmateriaal. Tijdens het veldbezoek zijn er geen sporen zoals, uitwerpselen, prooiresten of pootafdrukken van de steenmarter aangetroffen. Hierdoor is de aanwezigheid van de steenmarter in de huidige situatie uitgesloten. Overige zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt Overige beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals eekhoorn, das, waterspitsmuis en wolf worden niet in het plangebied verwacht. Verblijfplaatsen ontbreken van deze soorten, er is geen geschikt leefgebied voorhanden en/of het plangebied valt buiten het bekende verspreidingsgebied.
Mogelijk dat voor enkele soorten het plangebied wel onderdeel uitmaakt van het leefgebied, zoals foerageergebied, maar dit betreft echter geen essentieel leefgebied gezien de ligging in een groene omgeving. Effecten en vergunning Soorten waarvoor een vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor de genoemde beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijssel een vrijstelling van de vergunningplicht opgesteld. Voor deze soorten is wel de algemene zorgplicht van toepassing. Erftransformatie EN NN |< (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd)
Soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Bever en otter Door het ontbreken van geschikt leefgebied voor verblijfplaatsen van otter en bever zijn negatieve effecten op deze soorten op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora-en fauna-activiteit is niet aan de orde. Egel Verblijfplaatsen van de egel zijn door de aanwezigheid van verspreidingsgegevens en geschikt habitat binnen het plangebied niet op voorhand uit te sluiten. Met de beoogde ontwikkeling worden er geen wijzigingen aangebracht in de groenstructuren op het erf. De locaties van de te realiseren recreatiewoningen zijn momenteel volledig begroeid met gras en kunnen uitsluitend functioneren als foerageergebied voor de egel. Ook in de te slopen koeienstal zijn verblijfplaatsen op voorhand uit te sluiten door het ontbreken van beschutte plekken. | adviseert de bouwvlakken voor de recreatiewoningen vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden kaal te houden om te voorkomen dat deze plekken op den duur geschikt raken voor verblijfplaatsen van de egel. Voor aanvang van de bouwwerkzaamheden van de recreatiewoningen is een eenmalige inspectie door een ecologisch deskundige noodzakelijk om vast te stellen dat het plangebied nog steeds ongeschikt is voor de egel.
(geanonimiseerd) Indien aan deze maatregelen wordt voldaan is nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit niet noodzakelijk voor de egel. Kleine marterachtigen Verblijfplaatsen van kleine marterachtigen zoals bunzing, wezel en hermelijn zijn door de aanwezigheid van verspreidingsgegevens en geschikt habitat binnen het plangebied niet op voorhand uit te sluiten. De koeienstal en de locaties voor de nieuw te realiseren recreatiewoningen daarentegen vormen geen geschikt leefgebied voor verblijfplaatsen van kleine marterachtigen. Met de beoogde ontwikkeling worden er geen wijzigingen aangebracht aan de groenstructuren op het erf. Hierdoor blijven eventueel aanwezige verblijfplaatsen op het erf behouden. | adviseert de bouwvlakken voor de recreatiewoningen vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden kaal te houden om te voorkomen dat deze plekken op den duur geschikt raken voor verblijfplaatsen van kleine marterachtigen. Voor aanvang van de bouwwerkzaamheden van de recreatiewoningen is een eenmalige inspectie door een ecologisch deskundige noodzakelijk om vast te stellen dat het plangebied nog steeds ongeschikt is voor deze soorten. (geanonimiseerd) Indien aan deze maatregelen wordt voldaan is nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit niet noodzakelijk voor kleine marterachtigen.
Steenmarter Het woonhuis en enkele schuren zijn geschikte voor verblijfplaatsen van de steenmarter. De koeienstal daarentegen is ongeschikt voor verblijfplaatsen van deze soort door het ontbreken van goed geïsoleerde open ruimtes. Bij de sloopwerkzaamheden van de koeienstal en de bouwwerkzaamheden van de recreatiewoningen zijn negatieve effecten op verblijfplaatsen van de steenmarter op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk voor de steenmarter. Overige zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt Overige beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals eekhoorn, das, waterspitsmuis en wolf worden niet in het plangebied verwacht. Verblijfplaatsen ontbreken van deze soorten, er is geen geschikt leefgebied voorhanden en/of het plangebied valt buiten het bekende verspreidingsgebied. Mogelijk dat voor enkele soorten het plangebied wel onderdeel uitmaakt van het leefgebied, zoals foerageergebied, maar dit betreft echter geen essentieel leefgebied gezien de ligging in een groene omgeving. Nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is voor overige zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt dan ook niet aan de orde. Erftransformatie NN «7 (geanonimiseerd)(geanonimiseerd)(geanonimiseerd)
4.2.3 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd onder de Omgevingswet. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Jaarrond beschermde nesten Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Huismus Tijdens het veldbezoek zijn in de te slopen koeienstal 5 recent gebruikte nesten van de huismus aangetroffen (afbeelding 6). Daarnaast broedt deze soort ook elders op het erf waaronder in het woonhuis en in de overige aanwezige schuren (afbeelding 7). De totale populatie van de huismus op het gehele erf wordt ingeschat op 15 tot 20 broedparen. Boerenzwaluw Het erf vormt ook een geschikt leefgebied voor de boerenzwaluw. In een van de te behouden schuren is een bezet nest van deze soort aangetroffen en vermoedelijk broedt de boerenzwaluw ook in de andere schuur (afbeelding 7).
In de koeienstal zijn daarentegen geen oude nesten van de boerenzwaluw aangetroffen en deze worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte posities om een nest tegenaan te bouwen zoals boven op lampen of tegen houten betimmering onder het dak. Overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Er zijn in de bomen rondom het erf geen nesten aanwezig die kunnen worden gebruikt door soorten als buizerd, boomvalk, sperwer en torenvalk. Ook zijn er tijdens het veldbezoek geen sporen zoals krijtresten of braakballen aangetroffen van de kerkuil. De koeienstal vormt geen geschikt leefgebied voor nesten van de kerkuil door het open karakter, zonder gaten en ruimtes om tussen weg te kruipen. Afbeelding 6: Recent gebruikte huismusnesten in de te slopen koeienstal. Erftransformatie NN (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Aangetroffen beschermde broedvogels je Erftransformatie Vollenhoofsedijk 3, Blokzijl _ Auteur: BN Projectnummer 208185 _ 15-5-2025 (geanonimiseerd) Legenda Gedrag, Soort O Recent gebruikt nest, huismus (5) © _Waarschijnlijke nestplaats,huismus (10) © Bezet nest, boerenzwaluw (1) © _Waarschijnlijke nestplaats,boerenzwaluw (1) Te slopen stal ] Plangebied (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Afbeelding 7: Aangetroffen territoria van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (Esri,2025). Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. In deze situatie zijn enkele vogelsoorten aangetroffen dan wel te verwachten waarvan de functionele leefomgeving (Kader) jaarrond beschermd is. Het gaat om soorten als spreeuw en zwarte roodstaart. Erftransformatie N° (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Kader — Functionele leefomgeving De functionele leefomgeving van een nest en rustplaats is de omgeving van die plaatsen die nodig is om ze als zodanig te laten functioneren. Een nest kan alleen succesvol functioneren als er voldoende habitat van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen voortplanten. Het hele proces van eieren leggen tot en met het opgroeien van de jongen, schuilen en slapen moet er plaats kunnen vinden. Voor de huismus zijn enkele voorbeelden winterharde struiken, droge zandige plekken en een waterbron met dichtbij dekkingsmogelijkheden. Voor soorten met een jaarrond beschermde neststatus geldt dat het omliggende habitat ook van afdoende kwaliteit moet blijven voor het nest om te functioneren. Daarnaast kunnen er zwaarwegende redenen van ecologische aard zijn die bepalen dat een nest én de functionele leefomgeving jaarrond beschermd zijn. Afhankelijk van de lokale staat van instandhouding en de verdere kwaliteit van het leefgebied kunnen elementen die cruciaal zijn voor het nestsucces beschermd zijn. Overige (broed)vogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van tuinen en boerenerven in het landelijk gebied. Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruikmaken van het plangebied; houtduif, merel, tjiftjaf, koolmees, pimpelmees en winterkoning.
Effecten en vergunning Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Huismus Bij het slopen van de stal gaan er zeker 5 huismusnesten verloren en daarom is het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk voor huismus. De gehele populatie van de huismus op het erf wordt op basis van het aantal volwassenen en juveniele individuen op het erf ten tijde van het veldbezoek ingeschat op 20 broedpaar. Het merendeel van de huismusnesten op het erf blijft behouden. Aangezien er al een duidelijk beeld is van de huismussenpopulatie op het erf adviseert en meteen over te gaan tot het aanvragen van een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. (geanonimiseerd) Boerenzwaluw Het erf functioneert als leefgebied van 2 tot 5 broedparen van de boerenzwaluw. De te slopen stal is ongeschikt voor het bouwen van nesten van de boerenzwaluw door het ontbreken van geschikte posities om een nest tegenaan te bouwen zoals boven op lampen of tegen houten betimmering onder het dak.
In Overijssel is de boerenzwaluw aangeduid als een zeer plaats-trouwe broedvogel die ieder jaar terugkeert naar een specifiek nest of afhankelijk is van bebouwing (categorie 3). Bij het slopen van de stal gaan er geen nesten verloren. Wel kan het verkopen van het vee leiden tot een afname van het voedselaanbod voor de boerenzwaluw. In de omgeving zijn voldoende alternatieve voedselbronnen aanwezig waardoor dit niet lijdt tot een negatief effect op de boerenzwaluw. Nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna- activiteit is voor de boerenzwaluw niet noodzakelijk. Er wordt geadviseerd om wel maatregelen te treffen waar kan de boerenzwaluw van kan profiteren zoals het realiseren van nieuwe boerenzwaluwvoorzieningen van Unitura (Unitura, 2025). Overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Het slopen van de stal en het realiseren van nieuwe recreatiewoningen lijdt niet tot negatieve effecten voor overige jaarrond beschermde soorten. Nesten van roofvogels zoals buizerd, boomvalk, sperwer en torenvalk zijn uitgesloten. De koeienstal vormt geen geschikt leefgebied voor nesten van de kerkuil door het open karakter, zonder gaten en ruimtes om tussen weg te kruipen. Wel maakt het plangebied mogelijk onderdeel uit Erftransformatie EN NN | 2e (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd)
van het | leefgebied | zoals, | foerageergebied | van | soorten | als buizerd | en | kerkuil. Nader | onderzoek | of het aanvragen | van | een | omgevingsvergunning | flora- en fauna-activiteit | is voor | overige | vogelsoorten | met | jaarrond beschermde | nesten | niet noodzakelijk. Vogels | met | jaarrond | beschermde | functionele | leefomgeving Gelet | op de beperkte | omvang | van het plangebied | en het | beperkte | aanbod | aan | geschikt | leefgebied | voor | deze soorten, | gaat het | om | slechts | enkele | broedparen | van genoemde | algemeen | voorkomende | soorten. | In de omgeving | zijn voldoende | alternatieve | nestmogelijkheden | en | leefgebied | aanwezig. | Genoemde | soorten | zijn bovendien | goed | in staat | alternatieve | nestplaatsen | te vinden. | Compenserende | maatregelen | of het aanvragen van een | vergunning | is om | deze | redenen | dan | ook | niet aan de orde. Overige | (broed)vogels Alle vogelsoorten | in Nederland | zijn beschermd | onder | de Omgevingswet. | Voor | alle beschermde | inheemse | (ook algemeen | voorkomende) | vogelsoorten | geldt | een | verbod | op | handelingen | die opzettelijk | nesten, | rustplaatsen | en eieren | vernielen | of beschadigen, | alsook | op het wegnemen | van nesten | van | vogels.
| Daarnaast | is het verboden vogels | opzettelijk | te storen, | tenzij de | verstoring | niet van | wezenlijke | invloed | is op de staat | van instandhouding van de desbetreffende | vogelsoort. | Door | verstorende | werkzaamheden | buiten | het broedseizoen | uit te voeren kan in veel | situaties | worden | voorkomen | dat schadelijke | handelingen | worden | uitgevoerd | waar | een | vergunning voor | nodig | is (artikel 11.37, | lid 2 onder | a t/m | d van | het Besluit activiteiten | leefomgeving). | De periode | van 1 maart | tot 15 juli wordt | over | het algemeen | beschouwd | als broedseizoen*. | Werkzaamheden | binnen | het broedseizoen | zijn mogelijk | indien | door | een | ecologisch | deskundige | voorafgaand | aan de werkzaamheden | is vastgesteld | dat er met | deze | werkzaamheden | geen | nesten | van broedvogels | worden | verstoord. | Voor | de Omgevingswet | zijn echter | alle bewoonde | vogelnesten | beschermd, | ongeacht | het tijdstip van | het jaar | en ongeacht | de zeldzaamheid | van | de soort. Indien | gedurende | de werkzaamheden | binnen | de | invloedsfeer | van de werkzaamheden | een | in gebruik | zijnd | nest wordt | aangetroffen | dient, ongeacht | het tijdstip van | het jaar en de | soort, gewacht | te worden | met | de werkzaamheden | tot de jongen | het | nest op eigen | kracht | hebben | verlaten.
| Vangen | en | doden | van vogels | en vernielen, | beschadigen | of wegnemen | van | nesten, | rustplaatsen | en eieren | betreffen | een | overtreding | van respectievelijk | art. 11.37 | lid 1 a en lid 1 b van | het Bal (zie bijlage 1). Verstoren | van | het nest | is eveneens strafbaar, | indien | er sprake | is van een | negatief | effect op | de gunstige | staat van | instandhouding | van | de soort | (art. 11.37 | lid 1 d van | het Bal). Zodra | een | nest verlaten | wordt | als gevolg | van verstoring | wordt | dit als vernielen | van een nest | beschouwd | (overtreding | artikel | 11.37 | lid 1 b van | het Bal). De begeleidend | ecoloog | kan bepalen | of er sprake | is van | een van | de voornoemde | verboden | handelingen. | Tot die tijd dienen | de werkzaamheden | rondom het nest te worden | gestaakt. 4.2.4 | Reptielen Voorkomen | en functie Het plangebied | bevindt | zich binnen | het bekende | verspreidingsgebied | van | de ringslang | (Verspreidingsatlas reptielen, | 2025). | Ook | is de ringslang | in de afgelopen | 5 jaar | meerdere | malen | waargenomen, | in het Ettenlandsch Kanaal, | op | ruim | 500 meter | afstand | van | het plangebied | (NDFF, | 2025). | In het plangebied | is geen | geschikt | biotoop aanwezig | voor | ringslang | dat bestaat | uit goed | ontwikkelde | waterlopen.
| Ook | overige | beschermde | reptielen | zoals adder, | levendbarende | hagedis | en hazelworm | zijn gebonden | aan specifieke | terreinen. | In het plangebied ontbreekt | dergelijk | geschikt | biotoop | zoals | heideterreinen, | vergraafbare | humeuze | bosrand | en venranden. | Er zijn dan ook | geen | verspreidingsgegevens | bekend | van | overige | reptielen | in en rondom | het plangebied | (NDFF, | 2025). 1 In het kader | van de | wordt | voor | het broedseizoen | geen | Van | is of een Omgevingswet | standaardperiode | gehanteerd. | belang broedgeval | verstoord | wordt, | ongeacht | de datum. | Globaal | gaat het echter om | de periode | van | 1 maart | tot 15 juli. Erftransformatie (geanonimiseerd)NN(geanonimiseerd)(geanonimiseerd) |:
Effecten en vergunning Aangezien geschikt habitat ontbreekt en er geen waarnemingen bekend zijn, is nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor reptielen niet noodzakelijk. 4.2.5 Amfibieën Op basis van de systematiek van de Omgevingswet (zie Bijlage 1) geldt dat voor de in de wet benoemde amfibieën in geval van schade, verstoring of vernieling van vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen een vergunningplicht geldt. Op deze vergunningplicht gelden een aantal uitzonderingen. De provincies kunnen in hun omgevingsverordening een vrijstelling van vergunningplicht bepalen. Voorkomen en functie Soorten waarvoor een vrijstelling geldt De omgevingsverordening van de provincie Overijssel (Omgevingsverordening Overijssel 2023; gepubliceerd op 25-04-2025, in werking op 01-05-2025) is voor de volgende (mogelijk) in het plangebied voorkomende soorten een vrijstelling van vergunningplicht opgenomen voor ruimtelijke inrichting: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, bastaardkikker en meerkikker. Voor deze soorten geldt de algemene zorgplicht. Soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Het plangebied vormt een geschikt leefgebied voor de rugstreeppad.
Tijdens een nader onderzoek in 2017 hebben ecologisch deskundigen van | meerdere adulte dieren en zeker 200 juveniele rugstreeppadden waargenomen in en rond de regenplassen tussen de kuilbulten op dit erf 2017). Het leefgebied op het erf is tussentijds niet veranderd. Ook in 2025 is de rugstreeppad nog vastgesteld in de nabije omgeving van het plangebied (NDFF, 2025). Rugstreeppad kan dan ook niet worden uitgesloten en komt naar alle waarschijnlijkheid nog steeds voor in het plangebied. (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Overige beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals poelkikker en heikikker, worden niet verwacht in het plangebied vanwege de aanwezige, ongeschikte habitat voor deze soorten. Zo ontbreken waterelementen in het plangebied. Wel zijn van de afgelopen 5 jaar enkele waarnemingen bekend van poelkikker en heikikker op ongeveer 1 kilometer afstand van het plangebied (NDFF, 2025). Effecten en vergunning Soorten waarvoor een vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijssel een vrijstelling van de vergunningplicht opgesteld. Voor deze soorten is wel de algemene zorgplicht van toepassing.
Soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Negatieve effecten op de rugstreeppad kunnen niet op voorhand worden uitgesloten doordat bekend is dat deze soort zich in het verleden heeft voortgeplant binnen de grenzen van het plangebied en er nog steeds geschikt habitat voor de soort aanwezig is op het erf. Op basis van de meest recente verspreidingsgegevens en de verhalen van de bewoners lijkt het alsof de populatiegrootte van de rugstreeppad in de omgeving is afgenomen. | adviseert om een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aan te vragen voor rugstreeppad waarbij compensatiemaatregelen worden getroffen, gebaseerd op de oude populatiegrootte van het onderzoek in 2017 | 2017). in verband met de vergunningverlening wordt compensatiegebied gerealiseerd conform het kennisdocument rugstreeppad (BIJ12,2017). (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Erftransformatie EN NN | 22 (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Negatieve effecten op overige beschermde soorten zoals poelkikker en heikikker kunnen wel op voorhand worden uitgesloten door het ontbreken van geschikt voortplantingsbiotoop en overwinteringshabitat. 4.2.6 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen (sloten, poelen, enzovoort) aanwezig. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen en zijn deze dan ook niet aanwezig. Effecten en vergunning Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Er worden dan ook geen effecten op beschermde vissen verwacht. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor vissen zijn niet aan de orde. 4.2.7 Ongewervelden Voorkomen en functie Binnen 5 kilometer afstand van het plangebied komen meerdere beschermde libellensoorten voor waaronder kempense heidelibel, gevlekte witsnuitlibel, gevlekte glanslibel, noordse winterjuffer en sierlijke witsnuitlibel (NDFF, 2025). In het plangebied is geen geschikte habitat voor deze soorten aanwezig met name door het ontbreken van geschikte voortplantingswateren. Ook overige ongewervelden platte schijfhoren, grote vos, grote weerschijnvlinder en zilveren maan worden niet verwacht binnen het plangebied.
Dit door het ontbreken van geschikt habitat dat onder andere bestaat uit voedselrijk stilstaand water met een begroeiing van waterplanten en specifieke waardplanten als de boswilg, grauwe wilg iep en zoete kers. De dichtstbijzijnde recente waarneming van dergelijke beschermde ongewervelden in en rondom het plangebied betreft een zilveren maan op 3 kilometer afstand van het plangebied. (NDFF, 2025). Effecten en vergunning In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig of te verwachten door het ontbreken van geschikt biotoop en specifieke waardplanten. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit zijn voor ongewervelden niet aan de orde. Erftransformatie NN | 2: (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
4.3 Rode Lijst soorten Voorkomen en functie Naar aanleiding van het veldbezoek en het bureauonderzoek zijn, naast de eerder beschreven soorten of soortgroepen in en rond het plangebied nog een aantal andere soorten te verwachten? Het gaat voor deze soorten om een kans dat deze in het plangebied kunnen worden aangetroffen, maar waarvoor geen specifieke verplichting geldt voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. Wel is het aan zowel initiatiefnemer alsook de uitvoerders om vooraf na te gaan of de ingrepen gevolgen kunnen hebben voor aangetroffen soorten. De specifieke zorgplicht voor rode lijst soorten houdt in dat in het geval dat de ontwikkeling een negatief effect heeft op de stand van instandhouding passende preventieve maatregelen getroffen moeten worden om deze nadelige gevolgen te voorkomen. Of, indien dat niet mogelijk is, er passende herstelmaatregelen worden genomen. Zie ook Bijlage 1 en artikel 11.6 van het Bal. Tabel 1: waargenomen Rode Lijst soorten in de nabije omgeving van het plangebied (NDFF, 2025). Soortgroep Alle insecten — (Schietmotten) Notidobia spec. Schimmels Gewoon varkensoor Effecten Bij de sloop van de stal en de nieuwbouw van de recreatiewoningen worden geen negatieve effecten verwacht op de staat van instandhouding van de genoemde rode lijst soorten.
Het treffen van preventieve- of herstelmaatregelen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht voor rode lijst soorten. 2 De opsomming in deze paragraaf is gebaseerd op informatie uit het NDFF of bij | bekende informatie of gedane waarnemingen tijdens het veldbezoek. Het kan niet worden uitgesloten dat bepaalde soorten niet zijn opgemerkt, of ten tijde van het veldbezoek niet aanwezig waren of waarvan geen algemeen beschikbare informatie over voorkomen in of rond het plangebied bekend is. Op basis van de zorgplichtbepalingen blijft initiatiefnemer of uitvoerder (een ieder) zelf verantwoordelijk om vooraf na te gaan of bepaalde soorten die op een rode lijst zijn geplaatst nadelige gevolgen kunnen ondervinden door de uit te voeren activiteit. Is dit het geval dan is degene ook wettelijk verplicht alles te doen wat in zijn of haar macht ligt om deze nadelige gevolgen te voorkomen of — indien dat niet meer mogelijk is — deze gevolgen te niet te doen of te mitigeren. Het niet naleven van deze zorgplicht kan bestuursrechtelijk worden gehandhaafd. (geanonimiseerd) Erftransformatie NN | 2 (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd)
4.4 Invasieve exoten Exoten of invasieve soorten zijn dieren of planten die door menselijk handelen buiten hun natuurlijke verspreidingsgebied terecht zijn gekomen. Ook delen ervan, zoals zaden of wortelen, vallen onder die begrippen. De term ‘exoot’ is bedoeld om individuele exemplaren van een uitheemse soort mee aan te duiden. Onder de omgevingswet geldt een verbod op opzettelijke activiteiten met invasieve exoten van de Unie-lijst (BuRO, 2024). Dit is een lijst van de Europese Commissie waarop soorten staan die in delen van de EU-schade toebrengen aan ecosystemen. Er zijn dan ook rijksregels en internationale regels opgesteld om de introductie en verspreiding van invasieve exoten te voorkomen (artikel 11.108, lid 1). De terreineigenaar is verplicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen en te verwijderen. Lukt dat niet? Dan moet de populatie zodanig worden beheerd dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen. Voorkomen en functie Tijdens het veldbezoek zijn geen soorten waargenomen die op de Unielijst invasieve exoten staan. In de nabije omgeving van het plangebied zijn 24 waarnemingen bekend van invasieve exoten. Het betreft hier waarnemingen van de muskusrat, nijlgans en gevlekte Amerikaanse rivierkreeft (NDFF, 2025). De muskusrat en de gevlekte Amerikaanse rivierkreeft komen vooral voor bij watergangen.
Door het ontbreken van watergangen en geschikt broedbiotoop voor de nijlgans worden deze soorten niet binnen het plangebied verwacht. Effecten In deze situatie worden geen invasieve exoten verwacht binnen de begrenzing van het plangebied. Het treffen van beheers- of bestrijdingsmaatregelen tegen invasieve exoten is dan ook niet nodig. Mochten er toch invasieve exoten worden waargenomen dan wordt geadviseerd contact op te nemen met een ecologisch deskundige. Erftransformatie NN N°: (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd)
4.5 Bescherming gebieden Ligging De contouren van het erf, een deel van de te slopen stal en de posities van de nieuwe recreatiewoningen liggen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied De Wieden (afbeelding 8). Ligging plangebied t.o.v. Natura2000-gebieden ET (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Erftransformatie Vollenhoofsedijk 3, Blokzijl Auteur: Projectnummer: 2 (geanonimiseerd) | ams | Nieuwe recreatiewoningen (voorlopig) [EJ Natura 2000-gebied, De Wieden Afbeelding 8: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied, De Wieden (Esri, 2025). Erftransformatie EN NN | 2 (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Effecten Niet stikstof-gerelateerde effecten De ligging van het plangebied binnen het Natura 2000-gebied de Wieden maakt dat er effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn te verwachten. Er is reeds een voortoets Natura2000 opgesteld voor dit plan | 2025). Andere vervolgstappen zijn dan ook niet aan de (geanonimiseerd) orde. Stikstof-gerelateerde effecten Bij sloopwerkzaamheden en tijdens de aanlegfase van de recreatiewoningen wordt door bouwmachines en ander materieel stikstof uitgestoten. Een stikstofberekening is noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Voor dit project is reeds een stikstofberekening uitgevoerd. 4.6 Houtopstanden Aangezien er binnen het plangebied geen bomen worden gekapt is nadere toetsing van houtopstanden niet noodzakelijk. 4.7 Natuurnetwerk Nederland Ligging Het plangebied ligt op ongeveer 800 meter afstand van begrensd NNN-gebied. Effecten De ontwikkeling is in strijd met het omgevingsplan, maar het plangebied ligt niet binnen het NNN of de zone ondernemen met natuur en water. Het NNN en de zone ONW kennen in deze provincie ook geen externe werking. Een toetsing aan het natuurbeleid is daarom niet noodzakelijk. Erftransformatie NN | 27 (geanonimiseerd)(geanonimiseerd)(geanonimiseerd)
5 Conclusies en aanbevelingen 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de conclusies en eventuele aanbevelingen over beschermde en vrijgestelde soorten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beschreven. Tot slot worden in paragraaf 5.3 adviezen gegeven om de plannen natuurinclusiever te ontwikkelen, inrichten en beheren. 5.2 Beschermde soorten Vleermuizen Conclusies De te slopen stal is door de bouwkundige eigenschappen en het open karakter met tocht, niet geschikt voor vleermuisverblijfplaatsen. Door de sloopwerkzaamheden van de koeienstal uitsluitend bij daglicht uit te voeren kan verstoring van eventueel aanwezige vleermuisverblijfplaatsen elders op het erf op voorhand worden voorkomen. Daarmee zijn negatieve effecten op vleermuisverblijfplaatsen uit te sluiten en is nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit niet aan de orde. Aanbevelingen Met betrekking tot het foerageergebied en de vliegroutes van de vleermuizen zal het plan/ de activiteiten geen effect hebben op de functionaliteit van het gebied. Het is daarbij wel van belang dat de verlichting in het plangebied niet toeneemt. Dit kan met enkele simpele maatregelen: . niet uitstralende armaturen (Kader- Verlichting); . plaatsen van afschermende beplanting; . voorkom verlichting van boomkronen; . tijdelijke verlichting (slechts een deel van de nacht aan).
Erftransformatie EN NN | 2: (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Kader — Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien. Er dient te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te beperken en directe belichting van de omgeving en onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden: @ _ verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is; @ _ verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); @ _ verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven; e beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur; @ _ geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes. Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.
Lyra Grondgebonden zoogdieren | adviseert de bouwvlakken voor de recreatiewoningen vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden aal te houden om te voorkomen dat deze plekken op den duur geschikt raken voor verblijfplaatsen van (geanonimiseerd) grondgebonden zoogdieren zoals kleine marterachtigen en egel. Voor aanvang van de bouwwerkzaamheden van de recreatiewoningen is een eenmalige inspectie door een ecologisch deskundige noodzakelijk om vast te stellen dat het plangebied nog steeds ongeschikt is voor deze soorten. Broedvogels Jaarrond beschermde nesten Huismus Bij het slopen van de stal gaan er zeker 5 huismusnesten verloren en daarom is het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk voor huismus. Aangezien er al een duidelijk beeld is van de huismussenpopulatie op het erf adviseert | om, in samenwerking met een ecologisch deskundige, in overleg te gaan met het bevoegd gezag over het overslaan van nader gericht onderzoek naar de huismus en direct over te gaan tot de vergunningsaanvraag. (geanonimiseerd) Boerenzwaluw Bij het slopen van de koeienstal gaan er geen nesten van de boerenzwaluw verloren. Nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna- activiteit is voor de boerenzwaluw niet noodzakelijk.
Mogelijk kunnen er wel maatregelen worden getroffen waar kan de boerenzwaluw van kan profiteren zoals het realiseren van nieuwe boerenzwaluwvoorzieningen van Unitura (Unitura, 2025). Erftransformatie NN | °° (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Jaarrond | beschermde | functionele | 5) leefomgeving (cat. Gelet | op de beperkte | omvang | van het | plangebied | en het beperkte | aanbod | aan geschikt | leefgebied | voor | deze soorten, | gaat het om | slechts | enkele | broedparen | van genoemde | algemeen | voorkomende | soorten. | In de omgeving | zijn voldoende | alternatieve | nestmogelijkheden | en leefgebied | aanwezig. | Genoemde | soorten | zijn bovendien | goed | in staat alternatieve | nestplaatsen | te vinden. | Compenserende | maatregelen | of het aanvragen van een | vergunning | is om deze | redenen | dan | ook | niet aan de orde. Algemene | broedvogels Alle vogelsoorten | in Nederland | zijn beschermd | onder | de Omgevingswet. | Voor | alle beschermde | inheemse | (ook algemeen | voorkomende) | vogelsoorten | geldt een | verbod | op handelingen | die opzettelijk | nesten, | rustplaatsen | en eieren | vernielen | of beschadigen, | alsook | op het wegnemen | van nesten | van vogels. | Daarnaast | is het verboden vogels | opzettelijk | te storen, | tenzij de verstoring | niet van wezenlijke | invloed | is op de staat van | instandhouding van de desbetreffende | vogelsoort.
| Door | verstorende | werkzaamheden | buiten | het broedseizoen | uit te voeren kan in veel situaties | worden | voorkomen | dat schadelijke | handelingen | worden | uitgevoerd | waar | een | vergunning voor | nodig | is (artikel 11.37, | lid 2 onder | a t/m d van | het Besluit activiteiten | leefomgeving). | De | periode | van | 1 maart | tot 15 juli wordt | over | het algemeen | beschouwd | als broedseizoen. | Werkzaamheden | binnen | het broedseizoen | zijn mogelijk | indien door | een ecologisch | deskundige | voorafgaand | aan | de werkzaamheden | is vastgesteld | dat | er met | deze | werkzaamheden | geen | nesten | van broedvogels | worden | verstoord. | Voor | de Omgevingswet | zijn echter | alle bewoonde | vogelnesten | beschermd, | ongeacht | het tijdstip van | het jaar en ongeacht | de zeldzaamheid | van de soort. Indien | gedurende | de werkzaamheden | binnen | de | invloedsfeer | van de werkzaamheden | een | in gebruik | zijnd | nest wordt | aangetroffen | dient, | ongeacht | het tijdstip van | het jaar en de soort, | gewacht | te worden | met | de werkzaamheden | tot de jongen | het nest | op eigen | kracht | hebben | verlaten. | Vangen | en doden | van | vogels | en vernielen, | beschadigen | of wegnemen | van | nesten, | rustplaatsen | en eieren | betreffen | een overtreding | van respectievelijk | art.