7.1 Provincie Overijssel - Bijlage 1. Aanpassing tekst GTK onderuitputting artikel 7.8
Tekst van het document
Aanpassing tekst GTK Artikel 7.8 Taakstellingen, bezuinigingen en ombuigingen, onderuitputting van het GTK aanpassen: Taakstellingen, bezuinigingen, ombuigingen, onderuitputting en daarmee gemoeide stelposten, beoordeelt de toezichthouder op hardheid en haalbaarheid. Ook wordt beoordeeld of ze binnen de termijn van de raming gerealiseerd worden. Het is noodzakelijk dat de ramingen hiervan reëel zijn onderbouwd. Het proces dat bij het concretiseren gevolgd gaat worden moet ook vastliggen. Bezuinigingen en ombuigingen moeten concreet en ten minste op programmaniveau zijn ingevuld. In deze aanpassing zijn de door de Commissie BBV in de notitie Structurele en incidentele baten en lasten opgenomen specifieke stelposten voor loonkosten en kapitaallasten nader uitgewerkt. Een algemene stelpost is naar ons oordeel niet reëel. Toestaan van een stelpost is altijd naar oordeel van de toezichthouder. Stelpost onderuitputting loonkosten: Uitgangspunt is ree le loonkosten, bij uitzondering kan onderuitputting loonkosten worden begroot. In het geval dat de gemeente de stelpost onderuitputting loonkosten wil ramen moet de gemeente deze goed onderbouwen (op basis van de bestaande formatie) en laten aansluiten bij reële verwachtingen. Hierbij moet ook het verband met de raming externe inhuur en historie worden meegenomen.
In de laatste jaarschijf van de meerjarenraming moet de stelpost zijn afgebouwd. Om een stelpost onderuitputting loonkosten op te nemen in de begroting is afstemming vooraf met de toezichthouder noodzakelijk. Stelpost onderuitputting kapitaallasten: Uitgangspunt blijft realistisch begroten. De stelpost kan alleen betrekking hebben op nieuwe investeringen waarvan de kapitaallasten ten laste van de exploitatie komen. Voor de investeringen waarvan de kapitaallasten worden gedekt uit een dekkingsreserve kapitaallasten of via een kostendekkende exploitatie riool en afval is geen stelpost mogelijk. Naar het oordeel van de toezichthouder is een stelpost onderuitputting kapitaallasten uitsluitend reëel op basis van historische realisatiegegevens van de laatste twee vastgestelde jaarrekeningen en bedraagt maximaal 20% van de geraamde kapitaallasten. Als een gemeente de stelpost onderuitputting wil ramen moet de gemeente deze goed onderbouwen en laten aansluiten bij reële verwachtingen. Hierbij moet ook het verband met de investeringsplanning en historie worden meegenomen. Bij de beoordeling betrekt de toezichthouder een eventueel negatief structureel rekeningsaldo. Om een stelpost onderuitputting kapitaallasten op te nemen in de begroting is afstemming vooraf met de toezichthouder noodzakelijk.
Als naar het oordeel van de toezichthouder de taakstellingen, bezuinigingen, ombuigingen of onderuitputting en daarmee gemoeide stelposten onvoldoende reëel zijn ingevuld, worden de begrotingssaldi hierop negatief bijgesteld. Ook ervaringen met eerdere bezuinigingsmaatregelen worden in de beoordeling betrokken. Deze bijstelling kan tot gevolg hebben dat de begroting en meerjarenraming naar het oordeel van GS niet structureel en reëel in evenwicht zijn. Voor een nadere toelichting op de begrippen taakstellingen, bezuinigingen, ombuigingen en onderuitputting en stelposten wordt verwezen naar de begrippenlijst in bijlage 3. Opname begrip onderuitputting in bijlage 2: Er is sprake van onderuitputting wanneer er minder lasten worden gerealiseerd dan begroot. Dit wordt ook wel onderschrijding van de begroting genoemd. Artikel 189, lid 2, van de Gemeentewet bepaalt dat de begroting structureel en reëel sluitend hoort te zijn. Vanuit dit uitgangspunt wordt het opnemen van een algemene stelpost voor onderuitputting niet wenselijk geacht, omdat dit kan wijzen op een te weinig realistische raming. Specifieke stelposten onderuitputting kunnen daarentegen passend zijn, mits zij goed zijn onderbouwd en aansluiten bij reële verwachtingen. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van historische patronen ter ondersteuning van de onderbouwing.
Cijfervoorbeeld onderuitputting kapitaallasten in bijlage 2: De norm van de maximale toegestane onderuitputting kapitaallasten van 20% is afgeleid van de macro IV3-rapportage voor de kostensoort afschrijvingen over de jaarrekening 2024 van de gemeenten. Deze is aangevuld met de rentecomponent en de inschatting van de investeringen in rioleringswerken en investeringen gedekt door reserve kapitaallasten. Rekenvoorbeeld Voor de berekening van de onderuitputting kapitaallasten gaan we uit van nieuwe investeringen van het begrotingsjaar t-1. Aangenomen mag worden dat eerdere investeringen zijn gerealiseerd of opnieuw zijn gepland. Op de volledige kapitaallasten dient de bijdrage uit de reserve kapitaallasten en de afwijkingen op kapitaallasten van riool- en afvalinvesteringen welke indirect worden gedekt worden via egalisatie-voorzieningen, gecorrigeerd te worden. Afhankelijk van de gekozen startmoment van afschrijving (meeste gemeenten gebruiken de methodiek: afschrijving start in het eerstvolgende begrotingsjaar na de investering) zijn de nieuwe kapitaallasten van begrotingsjaar t gebaseerd op de investeringen van begrotingsjaar t-1. Door vertraging in de uitvoering van investeringen in begrotingsjaar t-1 treedt onderuitputting op in de nieuwe kapitaallasten begrotingsjaar t.
Het is niet aannemelijk dat deze onderuitputting van begrotingsjaar t-1 ook in latere begrotingsjaren optreedt en daarmee een structureel karakter krijgt. Dat geldt wel voor de investeringen uit begrotingsjaar t welke door vertraging in de uitvoering kan leiden tot onderuitputting kapitaallasten in het begrotingsjaar t+1. Idem ook voor latere investeringsjaren. Toelichting: De investeringen 2026 (netto 16 mln) leiden tot kapitaallasten 2027 van € 1.475.000. De investeringen 2027 (netto 13 mln) leiden tot kapitaallasten 2028 van € 1.392.500. De investeringen 2028 (netto 23,5 mln) leiden tot kapitaallasten 2029 van € 2.142.500. De investeringen 2029 (netto 17,5 mln) leiden tot kapitaallasten 2030 van € 1.902.500. De toegestane onderuitputting bedraagt maximaal 20% van de nieuwe investeringen van het vorige boekjaar en werkt niet cumulatief door en moet worden aangetoond met de historie van de laatste 2 jaarrekeningen.