21.0 Schriftelijke vragen CU - Sierteelt en omgevingsvisie - beantwoording 20251021
Tekst van het document
College van burgemeester en wethouders - 21 oktober 2025 - 2025_B&W_00717 1/11 College van burgemeester en wethouders GOEDGEKEURD Vergadering van 21 oktober 2025 Beleid en Uitvoering - Team Ruimtelijke ontwikkeling en projecten 14 2025_B&W_00717 Beantwoording raadsvragen verbod op sierteelt en omgevingsvisie Samenstelling: Aanwezig: Erik de Groot, burgemeester en voorzitter; Melvin Smit, wethouder; Trijn Jongman, wethouder; Marcel Scheringa, wethouder; M.W. de Graaf, gemeentesecretaris Afwezig: Miriam Slomp-Dekkers, wethouder Nota van antwoord Vraag en antwoord Naar aanleiding van de gestelde raadsvragen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij lelieteelt en de rol van de omgevingsvisie hierbij, geeft het college middels deze beantwoording een reactie. Vervolg Voorafgaand: Bij de beantwoording van de vragen is enkel uitgegaan van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij lelieteelt. 1. Kan het college aangeven hoe we de toezegging van 11 februari 2025 moeten uitleggen? Wat wordt nu precies wel onder de omgevingsvisie meegenomen en wat niet? De toezegging tijdens de Raadsvergadering van 11 februari 2025 houdt in dat het college in de omgevingsvisie een strategisch kader schetst voor de fysieke leefomgeving. In dit kader is bewust een passage opgenomen voor de lelieteelt en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Dit betekent dat deze thema’s worden erkend als relevante onderwerpen, dat we kritisch zijn op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, en dat we samen met het Rijk en de provincie de strategie willen bepalen. De omgevingsvisie is een strategisch, richtinggevend document dat de langetermijn-koers bepaalt. Het is niet bedoeld voor gedetailleerde regelgeving of gebiedsgerichte normstelling. Die uitwerking vindt plaats in de instrumenten die daar wél voor bedoeld zijn: de omgevingsplannen en omgevingsprogramma’s. College van burgemeester en wethouders - 21 oktober 2025 - 2025_B&W_00717 2/11 De beleidslijn die op dit moment is gekozen in het kader van de omgevingsvisie, namelijk kritisch zijn op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en het volgen van richtlijnen van Rijk en provincie, is in lijn met de VNG-brief inzake veranderend grondgebruik (d.d. 15 juli 2025). Deze brief is als bijlage toegevoegd aan deze beantwoording. 2. Kan het college aangeven wat ze vanaf februari 2025 tot nu toe al (juridisch) heeft onderzocht? Welke maatregelen rondom lelieteelt ziet het college als mogelijk en effectief? Sinds februari 2025 heeft het college onderzocht welke gevolgen recente uitspraken van de Raad van State hebben voor de lelieteelt binnen de gemeente.
Daarbij is met name gekeken naar de verplichting tot ecologische voortoetsen bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, de mogelijkheden tot handhaving onder de Omgevingswet, en de juridische ruimte voor lokaal beleid gericht op bescherming van volksgezondheid en natuur. Het college ziet verschillende maatregelen als mogelijk: • Verplichte ecologische voortoetsen voor lelieteelt nabij kwetsbare gebieden. • Onderzoek naar bufferzones rondom woonwijken en natuurgebieden. • Vergunningplicht voor lelieteelt, onder voorwaarden van beperkt/geen middelengebruik. • Samenwerking met provincie en telers om te komen tot duurzamere teeltmethoden. • Transparante communicatie en dialoog met inwoners en agrariërs. Bovenstaande maatregelen willen we nader onderzoeken op effectiviteit in samenhang met het Rijk en de provincie, zoals ook omschreven in de omgevingsvisie. Aanscherping van het gemeentelijk pachtbeleid om milieubelastende teelten te beperken is reeds opgesteld. 3. Welke mogelijkheden zijn er om ook in onze gemeente maatregelen te nemen om te voorkomen dat sierteelt in onze gemeente gaat groeien? De uitwerking van de omgevingsvisie in het kader van gewasbeschermingsmiddelen en lelieteelt vindt plaats in de instrumenten die daar wel voor bedoeld zijn, namelijk het omgevingsplan en omgevingsprogramma’s.
In deze instrumenten kan je gebiedsgerichte normstellingen of vergunningsplichten opnemen. Ook is het mogelijk om in de regels van het omgevingsplan een verbod op te leggen voor bepaalde teeltsoorten, zoals lelieteelt. Ook dit vraagt verdieping, samenwerking en nader onderzoek. 4. Hoe verhouden gemeentelijke regels zich tot landelijke en Europese wetgeving als het gaat om dit onderwerp? Gemeentelijke regels moeten in lijn zijn met landelijke en Europese wetgeving. Dat betekent dat gemeenten binnen de kaders van hogere regelgeving eigen beleid mogen voeren, maar geen bepalingen mogen opnemen die daarmee in strijd zijn. 5. Kan het college uitleggen welke juridische stappen hierin genomen dienen te worden en of en met welke gevolgen we tijdens het proces rekening mee moeten houden? Het gebiedsdekkend omgevingsplan van de gemeente dient te worden gewijzigd. Ook is het mogelijk om een omgevingsprogramma op te stellen. Tijdens het wijzigen van het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met juridische toetsing, het aanpassen van het omgevingsplan, participatie, nadeelcompensatieanalyses en het doorlopen van een procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan binnen de wettelijk bepaalde termijnen. 6.
Kijkt het college ook naar de wijze waarop onze buurgemeenten dit hebben geregeld? Is er zicht of de maatregelen van andere gemeenten juridisch houdbaar zijn? Er wordt gekeken hoe andere gemeenten omgaan met het gebruik gewasbeschermingsmiddelen en het al dan niet toestaan van verschillende soorten van teelt. De juridische haalbaarheid van de maatregelen is wisselend. Uit recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad College van burgemeester en wethouders - 21 oktober 2025 - 2025_B&W_00717 3/11 van State, blijkt dat niet met zekerheid is te zeggen dat een bepaalde maatregel juridisch houdbaar is. Het is tot op dit moment ook nog niet wettelijk geregeld. 7. De wethouder gaf in de raadsvergadering aan dat er gekeken werd naar inspirerende voorbeelden uit andere gemeenten. Wat leren deze voorbeelden ons? Er is nog steeds veel onduidelijkheid over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de juridische houdbaarheid van zoneringen en regels. We zien een flinke toename van ambtelijke inzet bij gemeenten die proactief maatregelen willen implementeren. De gemeenten welke wij gesproken hebben geven aan dat de juridische haalbaarheid onzeker is. De gevoeligheid en complexiteit van het dossier vragen om een effectieve aanpak. Als die ontbreekt is er het risico van maatschappelijke onrust. 8.
Kan het college aangeven wat op dit onderwerp de volgende stappen zijn nadat de omgevingsvisie is vastgesteld? Nadat de Omgevingsvisie is vastgesteld zullen we met name de ontwikkelingen via de VNG volgen. De VNG doet (ook namens de Unie van Waterschappen) in haar brief een oproep aan het Rijk om als overheden gezamenlijk op te trekken. De VNG constateert dat gemeenten en waterschappen niet het passende schaalniveau en instrumentarium hebben om het complexe en urgente vraagstuk van gewasbeschermingsmiddelen op te lossen. De VNG vraagt specifiek aandacht voor: • Duidelijkheid van het Rijk over welke gewasbeschermingsmiddelen niet langer zijn toegestaan op specifieke locaties (bijvoorbeeld nabij woningen, natuur, recreatie, etc.). Actuele wetenschappelijke en juridische inzichten moeten bijdragen aan een afgewogen landelijk beleid. De landelijke uniformiteit voorkomt een waterbedeffect, van de ene gemeente naar de andere. En landelijk beleid draagt bij aan draagvlak, zowel bij agrarische ondernemers als bij inwoners. • Juridische ondersteuning van het Rijk bij de sturing op grondgebruik en het beperken van het gebruik van middelen. De juridische instrumenten hierin zijn divers en complex.
De complexiteit in de combinatie met de beperkte juridische capaciteit bij veel gemeenten, én het risico op nadeelcompensatie bij een niet-sluitende juridische aanpak, maakt dat ondersteuning van het Rijk vereist is. De ondersteunende expertise moet met voorrang worden ingericht. De VNG constateert in de brief dat het nu tijd is om concrete stappen te zetten en samen op te trekken. De urgentie wordt bij alle partijen gevoeld. Besluit Het college stelt de beantwoording raadsvragen verbod op sierteelt en omgevingsvisie vast. Bijlagen 1. 20251001 - Schriftelijke vragen CU - Sierteelt en omgevingsvisie.pdf 2. 20250715-brief-kabinet-veranderend-grondgebruik.pdf Schriftelijke vragen aan het college conform artikel 37 van het Reglement van Orde Datum: 1 oktober 2025 Onderwerp: Verbod op sierteelt en omgevingsvisie Geacht college, In februari 2025 is er door GroenLinks een motie ingediend met een oproep om een voorbereidingsbesluit te gaan nemen om sierteelt, waarbij veel gewasbeschermingsmiddelen nodig zijn, vergunningsplichtig te maken en een voorbereidingsbesluit voor te bereiden. De toezegging van het college op 11 februari 2025 luidt als volgt: Het college doet de toezegging om het onderwerp gewasbeschermingsmiddelen sierteelt expliciet mee te nemen in de actualisatie van de omgevingsvisie welke in 2025 wordt uitgevoerd.
De afgelopen periode hebben wij uit diverse bronnen begrepen dat dit helemaal niet bij de omgevingsvisie geregeld kan worden. Omdat we wisten dat de omgevingsvisie vlak na de zomer in concept met de samenleving gedeeld zou worden, hebben wij hierop gewacht met het stellen van verdiepende vragen. Inmiddels is de ontwerp omgevingsvisie openbaar en lezen we: “Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, met name bij lelieteelt, wordt kritisch bekeken. Inwoners maken zich zorgen over de gezondheidsrisico’s van met name gewasbeschermingsmiddelen in de lelieteelt. Rijk en provincie Overijssel ontwikkelen nieuw beleid; we volgen de richtlijnen en sturen bij op basis van nieuwe inzichten.” Wij lezen bovenstaande als dat het college op dit moment niet actief zelf beleid of regels gaat opstellen om lelieteelt, waarbij veel gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, te voorkomen of inkaderen. Daarom hebben wij besloten om schriftelijke vragen te stellen. 1. Kan het college aangeven hoe we de toezegging van 11 februari 2025 moeten uitleggen? Wat wordt nu precies wel onder de omgevingsvisie meegenomen en wat niet? 2. Kan het college aangeven wat ze vanaf februari 2025 tot nu toe al (juridisch) heeft onderzocht? Welke maatregelen rondom lelieteelt ziet het college als mogelijk en effectief? 3.
Welke mogelijkheden zijn er om ook in onze gemeente maatregelen te nemen om te voorkomen dat sierteelt in onze gemeente gaat groeien? 4. Hoe verhouden gemeentelijke regels zich tot landelijke en Europese wetgeving als het gaat om dit onderwerp? College van burgemeester en wethouders - 21 oktober 2025 - 2025_B&W_00717 4/11 5. Kan het college uitleggen welke juridische stappen hierin genomen dienen te worden en of en met welke gevolgen we tijdens het proces rekening mee moeten houden? 6. Kijkt het college ook naar de wijze waarop onze buurgemeenten dit hebben geregeld? Is er zicht of de maatregelen van andere gemeenten juridisch houdbaar zijn? 7. De wethouder gaf in de raadsvergadering aan dat er gekeken werd naar inspirerende voorbeelden uit andere gemeenten. Wat leren deze voorbeelden ons? 8. Kan het college aangeven wat op dit onderwerp de volgende stappen zijn nadat de omgevingsvisie is vastgesteld? Jantina Drijfhout, fractievoorzitter ChristenUnie Steenwijkerland College van burgemeester en wethouders - 21 oktober 2025 - 2025_B&W_00717 5/11 U202500440 PROD Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl Geachte Minister mw. F.M. Wiersma van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), Minister mw. mr. drs. M.C.G. Keijzer van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO), Minister mw. dr.
D.E.M.C. Jansen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en minister dhr. Ing. R. Tieman, Beste Femke Wiersma, Mona Keijzer, Daniëlle Jansen, Robert Tieman, Aanleiding: veranderend grondgebruik Nederland staat op een kruispunt van complexe en urgente maatschappelijke en ruimtelijke opgaven. In het landelijke gebied komen veel opgaven, waaronder natuurherstel, klimaatadaptatie, landbouw, bereikbaarheid en economische ontwikkeling samen en is grond daarnaast schaars. Deze opgaven worden landelijk geformuleerd, maar moeten worden uitgevoerd in de regio. Tegelijkertijd zien we dat het grondgebruik in het landelijke gebied sterk verandert, mede door beleid en regelingen vanuit het rijk. Zo heeft Waterschap Vallei en Veluwe eerder dit jaar al aandacht gevraagd voor de onbedoelde negatieve effecten van onderdelen van het stikstofbeleid: doordat veehouders gebruik maken van rijksregelingen om hun bedrijfsactiviteiten te beëindigen, zien we dat permanente graslanden verdwijnen. Ook het wegvallen van de graslandnorm maakt omzetting naar andere teelten mogelijk. Omzetting van (blijvend) grasland naar andere teelten zoals bollenteelt, leidt tot een toename van het gebruik van meststoffen, gewasbeschermings- middelen en water, met negatieve gevolgen voor natuur, water, bodem en volksgezondheid.
Daarnaast zijn sommige opgaven dusdanig complex en gevoelig geworden dat ze het lokale speelveld overstijgen, bijvoorbeeld rondom gewasbeschermingsmiddelen. Met als gevolg maatschappelijke onrust en vastlopende of stagnerende processen. Ministerie van LVVN t.a.v. Minister Femke Wiersma Ministerie van VRO t.a.v. Minister Mona Keijzer Ministerie van VWS t.a.v. Minister Daniëlle Jansen Ministerie van I&W t.a.v. Minister Robert Tieman cc. IPO t.a.v. Algemeen Directeur Datum 15 juli 2025 Kenmerk TLE/U202500440 Telefoon 070 – 373 83 93 Bijlage(n) - Onderwerp: Veranderend grondgebruik College van burgemeester en wethouders - 21 oktober 2025 - 2025_B&W_00717 6/11 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 2/5 De urgentie om te komen tot een samenwerkingsaanpak in de regio is levensgroot. Juist omdat grond in ons kleine land zo extreem schaars is, kan elke keuze over het gebruik ervan alleen maar verstandig worden gemaakt als we al die opgaven in hun onderlinge samenhang in de regio oppakken. Juist in de gebiedsgerichte aanpak moet bepaald worden wat het ruimtelijk-economisch perspectief van een gebied is. Een generiek aanpak volstaat niet meer. Tegelijkertijd ervaren gemeenten en waterschappen dat zij zonder landelijk beleidsmatig kader en juridische ondersteuning onvoldoende mogelijkheden hebben om deze ingewikkelde en soms gemeente- overstijgende opgaven effectief aan te pakken.
Daarbij staat centraal hoe wij als overheden in een goed samenspel kunnen sturen op het gebruik van grond in het licht van al deze maatschappelijke opgaven. We sturen namelijk met elkaar wel op wat er weg moet of gaat, maar niet genoeg op wat daarvoor terugkomt en wat de impact daarvan is. Met voorliggende brief geven we een nadere duiding en oproep om als overheden gezamenlijk op te trekken en meer sturing te geven aan grondgebruik in regio’s, om zo perspectief te bieden voor agrariërs, een versnelling van de woningbouw te realiseren en de gezondheid van onze inwoners te waarborgen. Onze oproep Namens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), P10, K80 en Unie van Waterschappen roepen wij u op: ondersteun gemeenten, regio’s en waterschappen actief bij de integrale aanpak van de opgaven rondom veranderend grondgebruik én maak scherpe keuzes. Sommige opgaven zijn te overstijgend of ingewikkeld om lokaal op te lossen. Heel urgent speelt dit nu bij gewasbeschermingsmiddelen. Gemeenten en waterschappen hebben hiervoor niet het passende schaalniveau en instrumenten. Daarbij ligt de regie op de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij het rijk. Daarbij vragen wij specifiek aandacht voor de volgende punten: 1.Ondersteun gemeenten en regio’s in een integrale aanpak van de opgaven rondom veranderend grondgebruik.
Waarbij gekeken moet worden naar een heldere rolverdeling tussen gemeenten, provincies, waterschappen en het rijk bij de sturing op grondgebruik. 2.Het bieden van een landelijk beleidsmatig kader voor het gebruik van (chemische) gewasbeschermingsmiddelen en het al dan niet toestaan van bepaalde teelten in gebieden met opgaven op het gebied van natuur, water, bodem en in gebieden rondom kwetsbare functies (zoals wonen, scholen, ziekenhuizen) i.v.m. de volksgezondheid. Daarbij vragen wij een onderscheid te maken tussen landbouw voor voedselproductie en boom- en sierteelt. Dit punt gaat dus nadrukkelijk verder dan de rol van het rijk gericht op de toelating van gewasbescherming, en gaat onder meer over de vraag op welk soort locaties (chemische) gewasbeschermingsmiddelen wel en niet zijn toegestaan. Rondom nieuwbouw geldt nu bijvoorbeeld vanuit jurisprudentie een spuitzone van 50 meter. Dergelijke richtlijnen zou het rijk moeten verankeren in landelijk beleid, zeker ook in het kader van vaart houden in de woningbouw; 3.Juridische ondersteuning van gemeenten bij de sturing op grondgebruik/teelten c.q. het beperken van het gebruik van (chemische) gewasbeschermingsmiddelen in genoemde College van burgemeester en wethouders - 21 oktober 2025 - 2025_B&W_00717 7/11 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 3/5 gebieden. Een nadere toelichting: 1.
Integrale aanpak en heldere rolverdeling tussen overheden Wij vragen gemeenten te faciliteren in het vormgeven van een gebiedsgerichte strategie die perspectief biedt voor alle regio's en agrarische ondernemers, die aansluit bij de nationale wettelijke doelen voor opgaven op het gebied van natuur (stikstof), water (KRW) en biodiversiteit, en ruimte biedt voor lokale kenmerken en urgenties. Daarbij is een heldere rolverdeling bij de sturing op grondgebruik tussen gemeenten, provincies, waterschappen en rijk van groot belang om te voorkomen dat overheden op elkaar wachten. Waarbij wij ook nadrukkelijk een rol zien voor het rijk in het deelnemen en bijdragen aan de regionale uitvoering van landelijke doelen, maar ook in het maken van keuzes bij opgaven die te overstijgend of ingewikkeld zijn om lokaal op te lossen. 2. Beleidsmatig kader voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen De verantwoordelijkheid voor gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten in de landbouw ligt bij het rijk. De verantwoordelijkheid van het rijk gaat niet alleen over de toelating, maar ook over waar gewasbescherming wel en niet is toegestaan, de wijze van gebruik en de toezicht en handhaving hierop.
Onder die verantwoordelijkheid en regie van het rijk kunnen decentrale overheden vervolgens hun bevoegdheden en instrumenten inzetten om in medebewind vorm te geven aan dit landelijke beleid door te sturen op grondgebruik. Financiële impact van de inzet van deze instrumenten – bijv. in de vorm van uit te keren nadeelcompensatie – is daarbij voor het rijk. Wij vinden het belangrijk dat het rijk verantwoordelijkheid neemt voor het creëren van heldere, breed gedragen kaders, zodat gemeenten hun zorgplicht goed kunnen uitvoeren en de afweging van belangen en evenwichtige toedeling van functies aan locaties op lokaal niveau op een eenduidige manier kan plaatsvinden. Graag gaan we hierover met u in gesprek, mede gezien het belang van het verbinden van de werelden van ruimtelijke ordening en regelgeving rondom gewasbescherming, waaronder een gezamenlijke en onderling verbonden aanpak vanuit uw ministeries en directies. Daarbij moet de focus van deze kaders niet alleen liggen op juridisch-technische onderwerpen, maar ook op het gesprek over het onderliggende maatschappelijke ongemak, waaronder het gevoel van onveiligheid, het wantrouwen in toelatingskaders en het gebrek aan zeggenschap van direct betrokkenen.
Recent heeft de VNG in haar reactie op het conceptrapport van de adviesgroep STOER ook aandacht gevraagd voor de relatie met onder meer leefbaarheid, gezondheid en waterkwaliteit. Ten aanzien van spuitzones steunen wij nadrukkelijk het eerste advies waarin wordt gepleit voor een landelijk model voor beoordeling en toetsing van spuitcirkels. Wij vragen een landelijk beleidsmatig kader omdat: Een landelijk beleidsmatig kader o.b.v. actuele wetenschappelijke en juridische inzichten kan zorgen voor een afgewogen beleid dat rekening houdt met zowel de agrarische/economische belangen, als de belangen op het gebied van volksgezondheid, woningbouw, natuur en water-/bodemkwaliteit. Wij pleiten daarbij voor een aanscherping College van burgemeester en wethouders - 21 oktober 2025 - 2025_B&W_00717 8/11 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 4/5 van het landelijke beleid op de toelating van middelen en daarbij een onderscheid te maken tussen landbouw voor voedselproductie en boom- en sierteelt. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen zou ook moeten toetsen op stapeling van middelen, zodat helder is welke (gezondheids)risico’s dit met zich meebrengt. Daarnaast is een betere samenwerking op de wijze van toepassing en handhaving tussen o.a. NVWA en waterschappen van belang en is het goed duidelijkheid te verschaffen over de mogelijke rol van omgevingsdiensten hierin.
Een landelijk beleidsmatig kader zorgt voor landelijke uniformiteit (en daarmee een level playing field) en voorkomt willekeur waar (chemische) gewasbescherming wel en niet is toegestaan. Landelijke uniformiteit voorkomt ook een waterbedeffect, waarbij bepaalde teelten en bijbehorende gewasbescherming verschuiven naar gemeenten die niet of later tot sturing op grondgebruik overgaan; Daarbij draagt landelijke uniformiteit ook bij aan draagvlak (zowel bij inwoners als bij agrarisch ondernemers). Dit is dringend nodig om verdere polarisatie en maatschappelijke onrust op het onderwerp gewasbescherming te voorkomen. 3. Juridische ondersteuning gemeenten De juridische instrumenten voor sturing op grondgebruik zijn divers en complex. De complexiteit in combinatie met de beperkte juridische capaciteit bij veel gemeenten en waterschappen én het risico op nadeelcompensatie bij een niet sluitende juridische aanpak, maakt dat juridische ondersteuning vanuit het rijk vereist is om als decentrale overheden taken op het gebied van sturing op grondgebruik te kunnen uitvoeren. Deze expertise is immers veel effectiever op te bouwen en in te zetten via één landelijk expertiseteam dan bij 342 gemeenten. Verzoek is dit expertiseteam met voorrang in te richten, zodat gemeenten en waterschappen daar op korte termijn gebruik van kunnen gaan maken.
Concluderend Wij geloven dat er met een versterkte samenwerking tussen lokale en landelijke partijen gedragen oplossingen kunnen worden gevonden die zowel de gezondheid van inwoners, tempo in de woningbouw, perspectief voor agrariërs en een goede water- en natuurkwaliteit ten goede komen. Het is nu tijd om concrete stappen te zetten en samen op te trekken. Graag gaan wij hierover met u in gesprek. Met vriendelijke groet, Vereniging van Nederlandse Gemeenten mr L.K. Geluk Algemeen directeur College van burgemeester en wethouders - 21 oktober 2025 - 2025_B&W_00717 9/11 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 5/5 Cornelis Visser (Burgemeester Katwijk; lid Commissie Ruimte, Wonen en Mobiliteit VNG) Jan ten Kate (Burgemeester Staphorst; lid Dagelijks Bestuur K80) Wilko Pelgrom (Wethouder Bronckhorst; lid Dagelijks Bestuur P10) Jeroen Haan (Voorzitter Unie van Waterschappen) College van burgemeester en wethouders - 21 oktober 2025 - 2025_B&W_00717 10/11 College van burgemeester en wethouders - 21 oktober 2025 - 2025_B&W_00717 11/11