2.1 Provincie Overijssel - Begrotingscirculaire 2027_Bijlage 1
Tekst van het document
1 Begrotingscirculaire 2027
2 Inhoud 1. Inleiding ................................ ................................ ................................ ............ 3 2. Actualiteiten ................................ ................................ ................................ ..... 4 2.1 Herijking gemeentefonds ................................ ................................ ............ 4 2.2 Jeugdzorg ................................ ................................ ................................ ... 4 2.3 Coalitieakkoord 2026-2030 ................................ ................................ ......... 5 3. Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) ..................... 6 3.1 Incidentele baten en lasten ................................ ................................ ......... 6 3.2 Stelpost onderuitputting ................................ ................................ ............. 6 3.3 (Kadernota) rechtmatigheid ................................ ................................ ......... 7 3.4 Verwonderpunten ................................ ................................ ...................... 7 4. Specifieke aandachtspunten ................................ ................................ .............. 8 4.1 Begrotingssaldo en structureel en reëel evenwicht (SRE) ...............................
8 4.1.1 Herstel van het SRE in het meerjarenperspectief ................................ ......... 8 4.1.2 Presentatie ................................ ................................ ............................... 8 4.1.3 Formeel evenwicht ................................ ................................ .................... 9 4.2 Inzet reserves ................................ ................................ ............................. 9 4.2.1 Kapitaaldekkingsreserves ................................ ................................ ........ 10 4.2.2 Surplus algemene reserve ................................ ................................ ........ 10 4.3 Bezuinigingen ................................ ................................ ........................... 11 4.3.1 Bezuinigingen bij verbonden partijen ................................ ......................... 11 4.4 BCF-plafond ................................ ................................ ............................. 12 4.5 Kapitaallasten ................................ ................................ .......................... 12 4.6 Berekening kengetallen ................................ ................................ ............. 12 4.7 Toepassing onderhoudsvoorzieningen ................................ ........................ 13 4.8 Aan te leveren stukken ................................
................................ .............. 13 3 1. Inleiding Ieder jaar ontvangt u van ons de begrotingscirculaire met daarin de uitgangspunten voor de komende begroting. Hiermee informeren wij u over actuele onderwerpen en geven we u duidelijkheid over de manier waarop wij de komende begroting en meerjarenraming beoordelen. De informatie in deze circulaire is belangrijk voor het opstellen en het vaststellen van de begroting 2027 en meerjarenraming 2028-2030. De gemeenteraad heeft de verantwoordelijkheid om de gemeente financieel gezond te houden. De financieel toezichthouder is er om gemeenten en gemeenschappelijke regelingen te helpen met het behouden van die gezonde financiële huishouding. Financieel toezich t is hierin een wezenlijk onderdeel van de “checks en balances” binnen het openbaar bestuur. De wettelijke basis voor het financieel toezicht ligt in artikel 203 van de Gemeentewet. Naast de Gemeentewet gebruiken wij onder andere het Gemeenschappelijk Financieel Toezichtkader (GTK 2020) en het Besluit begroting en verantwoording (BBV) als kaders voor het toezicht. Op basis van de Gemeentew et moet de gemeenteraad een begroting vaststellen die structureel en reëel in evenwicht is. Dit betekent: - Dat structurele lasten gedekt worden met structurele baten.
Jaarlijks terugkerende taken moeten met de jaarlijks terugkerende opbrengsten kunnen worden bekostigd; - Dat de lasten en baten reëel geraamd worden. Concreet houdt dit in dat er een goede inschatting wordt gemaakt van hoeveel taken zullen kosten, hoeveel opbrengsten binnen zullen komen en hoeveel eventueel bespaard kan worden met het nemen van maatregelen. Bij het toezicht op de begroting 2027 en meerjarenraming 2028-2030 houden wij ons aan de geldende wet - en regelgeving en het GTK. Wij beoordelen de begroting op basis van het wettelijke criterium van structureel en reëel evenwicht. Dit betekent dat uw begr oting 2027, of de meerjarenraming, uiterlijk in 2030, structureel en reëel moet sluiten. Daarnaast mag geen sprake zijn van een opschuivend perspectief. Voor 1 januari 2027 krijgt iedere gemeente van ons een brief over de toezichtvorm voor 2027. Repressief (regulier) toezicht is standaard. Dit geldt als de begroting voldoet aan de eisen. Preventief toezicht is uitzondering. Dat geldt als de begroting en meerjarenraming niet structureel en reëel in evenwicht zijn. Heeft u vragen over deze circulaire? Of over de vertaling hiervan in de begroting? Neem dan gerust contact op met de financieel toezichthouder van uw gemeente.
4 2. Actualiteiten 2.1 Herijking gemeentefonds Vanaf 1 januari 2023 is het verdeelmodel van het gemeentefonds herzien, met als doel een stabiel verdeelmodel te hanteren dat zoveel mogelijk aansluit bij de kosten van de gemeenten. Een ‘ingroeipad’ zorgde ervoor dat de gevolgen van de herziening beperkt bleven tot maximaal € 37,50 per inwoner. Daarvoor kregen nadeelgemeenten een suppletie -uitkering, die de hoogte van de herverdeeleffecten beperkte. De bedragen voor 2027 en verder zijn afhankelijk van verdere besluitvorming. De minister heeft op 7 februari 2025 in een brief aan de Tweede Kamer aangekondigd dat nog een aantal vervolgonderzoeken uitgevoerd gaan worden (onder andere naar de stapeling van sociale problematiek i.c.m. de centrumfunctie en overige eigen middelen ). In relatie hiertoe is op 3 februari 2026 een adviesaanvraag richting de Raad voor Openbaar Bestuur (ROB) gestuurd, met het verzoek een advies uit te brengen over de aanpassing van de definities van de maatstaven ‘Niet-westerse migranten’ en ‘Huishoudens laag inkomen met drempel’, de nieuwe verdeling van de clusters ‘Wet maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) ’ en ‘Jeugd’ en de verevening van de omvang van het bedrag van de overige eigen middelen (OEM) en de OZB. Ingezet is op een reactie van de ROB medio maart 2026. Vanaf 2027 zal vervolgens een nieuwe stap worden gezet in het ingroeipad.
De aanpassingen in het model per 1 januari 2027 worden in het voorjaar van 2026 met de Tweede Kamer gedeeld. De verwerking hiervan zal vervolgens plaatsvinden in de meicirculaire 202 6. De bedragen in de meicirculaire 2026 zijn dan ook leidend voor de verwerking in de gemeentelijke begrotingen 2027 en meerjarenraming 2028-2030. 2.2 Jeugdzorg In de Voorjaarsnota 2025 heeft het Rijk twee aanvullende maatregelen op de Hervormingsagenda aangekondigd; het sturen op het verkorten van de trajectduur (€ 68 miljoen) en het invoeren van een eigen bijdrage in de jeugdzorg (€ 260 miljoen). In het gemeentefonds is vanaf 2028 een financieel voorschot genomen op deze maatregelen. In onze aanvulling op de begrotingscirculaire voor de begroting 2026-2029 hebben we toegestaan dat gemeenten een stelpost opnamen voor deze twee maatregelen, omdat het voldoende aannemelijk is dat de verantwoordelijkheid voor de realisatie van deze maatreg elen bij het Rijk ligt. In de b egroting 2027 -2030 is het wederom toegestaan om deze stelposten op te nemen. Verder is in de Voorjaarsnota 2025 de besparingsopgave van de Hervormingsagenda geïndexeerd, waardoor een hogere besparing (van € 507 miljoen) wordt verondersteld. Wij staan geen algemene stelpost toe voor de besparingen uit de Hervormingsagenda of de indexatie hiervan.
Wil uw gemeente voordelen opnemen uit de maatregelen uit de Hervormingsagenda dient u deze, net zoals alle bezuinigingen in uw begroting, concreet in te vullen. Dit betekent een concrete vertaling van de maatregelen naar de situatie van uw g emeente en een daarbij behorende financiële vertaling. Het nemen van het aandeel van uw gemeente in het landelijke besparingspotentieel is dus niet concreet genoeg. Op basis van de uitspraak van de onafhankelijke commissie van Ark hebben gemeenten via het Gemeentefonds extra middelen voor de jaren 2026 en 2027 en met terugwerkende kracht voor de jaren 2023 en 2024 ontvangen. De commissie van Ark zal begin 2027 een uitspraak doen voor de jaren vanaf 2028. Het is niet toegestaan om vooruit te lopen op deze uitspraak. Indien de gemeente hiervoor e en stelpost opneemt in haar begroting, dan wordt deze door ons gecorrigeerd. 5 De richtlijnen voor jeugd zoals hierboven beschreven zijn gebaseerd op de meest actuele informatie en besluitvorming van het Rijk. Mochten besluiten van het nieuwe kabinet, bijvoorbeeld in de Voorjaarsnota, hier verandering in brengen dan zullen we u zo spoedig mogelijk informeren over de aangepaste kaders. 2.3 Coalitieakkoord 2026-2030 Op 30 januari 2026 is het coalitieakkoord 2026 – 2030 ‘Aan de slag’ gepresenteerd.
Dit akkoord schetst de gezamenlijke koers van de coalitiepartijen voor de komende bestuursperiode met hierin de belangrijkste beleidsafspraken op sociaal, economisch en maatschappelijk terrein. Het coalitieakkoord 2026–2030 vormt de basis v oor het regeringsbeleid en de samenwerking tussen de coalitiepartners. In dit akkoord is in beperkte mate beleid benoemd dat een direct effect heeft op gemeenten. Wel is het mogelijk dat indirecte effecten optreden met impact op de gemeenten die mogelijk niet direct vermeld staan in het coalitieakkoord. Voor gemeenten is het van belang dat dit akkoord op zichzelf geen invloed heeft op de invulling van de komende begroting. De meicirculaire 2026 is hierin leidend. Het (voorgenomen) beleid dat hierin door het kabinet is opgenomen, dient te worden verwerkt in de gemeentelijke begroting. 6 3. Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) 3.1 Incidentele baten en lasten Eind 2025 heeft de commissie BBV een nieuwe notitie structurele en incidentele baten en lasten uitgebracht, waarmee een aantal passages in deze notitie zijn verduidelijkt. In de notitie is de paragraaf over structurele inzet van de reserves aangescherpt. Daarbij is ook expliciet opgenomen dat structurele egalisatie via de reserves niet mogelijk is . De commissie gaat ook in op het opnemen van stelposten voor onderuitputting (zie hiervoor onderdeel 3.2).
Structurele baten en lasten zijn de regel, incidentele posten zijn de uitzondering. Bij het aanmerken van incidentele posten is het belangrijk om consistent te handelen. Een incidentele post behoort een ‘aard van tijdigheid c.q. eindig doel’ te hebben, een duidelijke einddatum te kennen en qua omvang te voldoen aan de door uw raad vastgestelde grens van materiële beïnvloeding. De materialiteit waarbij een post als incidenteel aangemerkt kan worden bepaald de gemeenteraad zelf . De aard van de raming is leidend voor de bepaling of een post als incidenteel kan worden aangemerkt. Naast deze hoofdregels geeft de Commissie BBV in de notitie ook posten met een specifieke handelswijze en voorbeelden die kunnen ondersteunen bij het aanmerken van incidentele posten. Of een post als incidenteel kan worden aangemerkt ligt echter vaak aan d e specifieke situatie. Mocht u vragen hebben over specifieke incidentele baten of lasten neem dan contact op met de financieel toezichthouder van uw gemeente. Alle incidentele baten en lasten, inclusief de incidentele reservemutaties, dienen op het overzicht van incidentele baten en lasten opgenomen te worden. Voor elke post op het overzicht dient u ook een toelichting te geven. Deze toelichting is essentieel voor de beoordeling van de posten en, conform de stellige uitspraak van de commissie BBV , verplicht.
Belangrijk is dat op basis van de toelichting duidelijk is waarom posten als incidenteel worden aangemerkt. De aard, einddatum en materialiteit zijn hierbij van belang. De toelichting vermeldt u in of onder het overzicht van incidentele baten en lasten, dus niet alleen in het programma zelf. 3.2 Stelpost onderuitputting Middels de motie De Vries, Van Eijk, Sneller en Wingelaar is in 2025 een oproep gedaan aan het kabinet om onderuitputting bij gemeenten toe te staan. Op 10 december 2025 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Konink rijksrelaties (BZK) gereageerd op deze motie middels een kamerbrief. In deze brief geeft hij aan dat een algemene stelpost onderuitputting niet past binnen de uitgangspunten van het realistisch ramen en daarom niet is toegestaan. Wel is het volgens de minister mogelijk om specifieke stelposten voor onderuitputting te ramen wanneer deze nauwkeurig te ramen zijn, goed onderbouwd zijn en aansluiten bij reële verwachtingen. De minister onderschrijft dat het aan de toezichthouder is om te beoordelen of de stelpost en voldoende realistisch zijn. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om de onderuitputting bij realisatie toe te voegen aan de reserves en in volgende jaren, onder voorwaarden, in te zetten als structureel dekkingsmiddel.
7 De minister heeft verder de Commissie BBV gevraagd om te verduidelijken wat wel en niet mogelijk is op het vlak van onderuitputting. Hiertoe heeft de Commissie BBV eind 2025 de notitie structurele en incidentele baten en lasten geactualiseerd (zie hiervoor onderdeel 3.1). De nieuwe notitie sluit aan bij de kamerbrief. Ook de commissie geeft aan dat een algemene stelpost niet wordt toegestaan, dat specifieke stelposten kunnen passen binnen een realistische begroting . Net als de minister stelt ook de commissie BBV dat de toezichthouder beslist of e en stelpost realistisch is. Op dit moment werken de twaalf provincies aan een kader voor het toetsen van specifieke stelposten voor onderuitputting. Daarin zullen de aansluiting op eerdere realisaties, aansluiting op (nieuw) beleid en vragen over het aanpassen van (investerings )plannen onder andere terugkomen. Naar verwachting zullen deze kaders voor de zomer formeel worden vastgesteld in de twaalf colleges van Gedeputeerde Staten. Bij de beoordeling van de begroting 2027 zullen deze kaders worden toegepast. We zullen u de komende maanden op de hoogte houden van de voortgang en de definitieve kaders zo spoedig mogelijk met u delen. Als uw gemeente overweegt een stelpost voor onderuitputting op te nemen in de begroting 2027 vragen we u deze tijdig af te stemmen met de financieel toezichthouder van uw gemeente.
3.3 (Kadernota) rechtmatigheid In september 2025 is de Kadernota rechtmatigheid 2025 van de commissie BBV gepubliceerd. De commissie BBV geeft via de kadernota rechtmatigheid haar visie over de invulling van het begrip rechtmatigheid in de rechtmatigheidsverantwoording van de decentrale overheden conform artikel 75, lid 2 van het BBV . Een belangrijke wijziging voor gemeenten betreft de maximale tolerantie van de rechtmatigheidsverantwoording. De grens waarboven afwijkingen in de rechtmatigheidsverantwoording moeten worden opgenomen wordt door de raad bepaald en bedraagt in deze nieuwe kadernota maximaal 2% van de totale lasten, exclusief toevoegingen aan de reserves. Onder afwijkingen wordt verstaan fouten (dus het niet naleven van wet - en regelgeving) en afzonderlijke posten waar over bij het college onduidelijkheid bestaat over de rechtmatigheid. Het percentage van maximaal 2% geldt voor fouten en onduidelijkheden opgeteld. Blijft het totaal van de fouten en de onduidelijkheden onder de verantwoordingsgrens, dan worden geen afwijkingen opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording. Deze wijziging kan ook gevolgen hebben voor de lokale verordeningen. Het is van belang dat gemeenten controleren of hun lokale regelgeving niet strijdig is met hetgeen in deze Kadernota rechtmatigheid 2025 staat beschreven.
3.4 Verwonderpunten In december 2025 heeft de Commissie BBV het definitieve advies verwonderpunten met wijzigingsvoorstellen voor het BBV (de zogenoemde ‘verwonderpunten’) aangeboden aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Met dit advies wil de commissie een bijdrage leveren aan vereenvoudiging van het BBV en meer toegankelijke informatie in de begroting en jaarstukken. In dit advies worden verschillende aanpassingen in de verslaggevingsregels voorgesteld. Het bevat adviezen van de Commissie BBV die nog niet zijn verankerd in een notitie of in een stellige uitspraak. Daarom is het niet toegestaan om in uw begroting 2027 v ooruit te lopen op de opgenomen adviezen en voorgestelde wetswijzigingen, en uw begroting hierop aan te passen. Het BBV , tezamen met de gepubliceerde notities van de Commissie BBV , blijft leidend voor de inhoud van uw begroting. 8 4. Specifieke aandachtspunten 4.1 Begrotingssaldo en structureel en reëel evenwicht (SRE) De gemeenteraad is verantwoordelijk voor het structureel en reëel evenwicht (SRE) in de begroting. De toezichthouder toetst de begroting aan het criterium van structureel en reëel evenwicht. Structureel evenwicht houdt in dat structurele lasten gedekt worden met structurele baten. Een reëel evenwicht houdt in dat de ramingen realistisch zijn.
In de regel toetsen wij of uw begrotingsjaar structureel en reëel in evenwicht is. 4.1.1 Herstel van het SRE in het meerjarenperspectief Wanneer uw begroting niet structureel in evenwicht is, kan uw gemeente toch onder repressief toezicht komen te vallen als aannemelijk wordt gemaakt dat het evenwicht in het laatste jaar van de meerjarenraming wordt hersteld. Bij de begroting 2027 betekent dit dat u op zijn laatst uw begroting in 2030 in evenwicht brengt. Er mag geen sprake zijn van een opschuivend meerjarenperspectief. Dit houdt in dat als u in de begroting 2026 -2029 uw evenwicht in 2029 heeft hersteld dat nu zowel 2029 als 2030 structureel en reëel sluitend moeten zijn. Ramingen die verder in de toekomst liggen zijn vaak minder ‘hard’ . Om over het SRE te kunnen oordelen letten we op specifieke meerjarige aandachtspunten. Zo kijken we onder andere of de correcte loon - en prijsstijgingen meerjarig verwerkt zijn, of u rekening houdt met volumegroe i (met name in het sociaal domein), of u al uw beleid en investeringen correct verwerkt heeft en of bezuinigingen in het meerjarenperspectief voldoende zijn onderbouwd. Als uw gemeente (mogelijk) het evenwicht pas in het meerjarenperspectief herstelt, raden we u aan om in een vroeg stadium in gesprek te gaan met de financieel toezichthouder van uw gemeente om te k ijken welke aandachtspunten er voor uw gemeente liggen.
4.1.2 Presentatie Voor het inzicht van de gemeenteraad en toezichthouder is een goede presentatie van de structurele begrotingspositie noodzakelijk. In het kader van transparantie is het belangrijk dat het structurele begrotingssaldo onderdeel uitmaakt van het raadsvoorstel en de aanbiedingsbrief of inleiding van de begroting. Het structureel begrotingssaldo dient voor zowel het betreffende begrotingsjaar als voor de meerjarenraming, inzichtelijk gepresenteerd te worden. Daarbij presenteert u de lasten en baten apart. Wij ad viseren u het structureel begrotingssaldo op deze wijze in het raadsvoorstel en in de inleiding van de begroting op te nemen:
9 4.1.3 Formeel evenwicht Naast het structureel en reëel evenwicht dient u de begroting ook formeel te sluiten. Dit houdt in dat alle lasten gedekt zijn door baten. In uw begroting kunt u een tekort tonen op een of meerdere jaren. Indien uw gemeente een begrotingstekort heeft dient u in het raadsbesluit op te nemen hoe het tekort in het begrotingsjaar wordt gedekt, bijvoorbeeld door een onttrekking aan de algemene reserve (conform het GTK, paragraaf 7.11). Hiermee besluit de gemeenteraad expliciet over een tekort in de voorliggende begroting en de bijbehorende dekking. 4.2 Inzet reserves Alle mutaties in de reserves zijn in principe incidenteel van aard . Deze komen dus terug op uw overzicht incidentele baten en lasten . Dit geldt dus ook voor egalisatiereserves of reserves waarmee wordt gestreefd naar een ‘gesloten systeem' . Een gesloten systeem betekent dat een onderdeel van de gemeente zijn eigen kosten betaalt met zijn eigen inkomsten . Het geld voor dat onderdeel komt dus niet uit de algemene middelen (bij 100% kostendekkendheid). Er zijn slechts twee uitzonderingen op deze algemene regel.
Structureel begrotingssaldo (bedragen x €1000) 2027 2028 2029 2030 Lasten exclusief mutaties reserves -450 -575 -600 -750 Baten exclusief mutaties reserves 500 550 600 650 Geraamd saldo van baten en lasten 50 -25 0 -100 Toevoegingen reserves -200 -200 -400 -200 Onttrekkingen reserves 300 225 300 300 Geraamd resultaat 150 0 -100 0 Incidentele lasten (exclusief reservestortingen) 150 150 200 100 Incidentele baten (exclusief reserveonttrekkingen) 0 -50 0 -150 Incidentele toevoegingen reserves 50 50 100 100 Incidentele onttrekkingen reserves -150 -150 -50 -250 Saldo van incidentele baten en lasten 50 0 250 -200 Structureel begrotingssaldo 200 0 150 -200 10 4.2.1 Kapitaaldekkingsreserves De eerste uitzondering geldt voor de bestemmingsreserves die specifiek zijn gevormd voor de dekking van kapitaallasten. Door de onttrekkingen aan bestemmingsreserves dekking kapitaallasten apart te benoemen (en op te nemen in het overzicht van structurele reservemutaties) wordt duidelijk dat het hier om structurele lasten gaat. De looptijd van de ingestelde reserve is gelijk aan de afschrijvingstermijn van de geactiveerde investering. Hierdoor hebben zowel de kapitaallasten als de onttrekking aan de reserve geen invloed op het structurele begrotingssaldo.
4.2.2 Surplus algemene reserve De tweede uitzondering op de regel betreft de inzet van het surplus van het ‘vrij aanwendbare deel’ van de algemene reserve. Deze optie is beschikbaar sinds 1 januari 2024 en is ook opgenomen in de notitie ‘Structurele en incidentele baten en lasten 2025’ van de Commissie BBV . Het surplus van de algemene reserve is dat deel dat niet nodig is voor het afdekken van de geïnventariseerde risico’s. Van dit vrij besteedbare deel van de algemene reserve kan een gemeente jaarlijks maximaal 10% inzetten voor het dekken van structurele lasten. Hiervoor gelden drie voorwaarden: - Ten eerste dient de gemeente voldoende weerstandscapaciteit te behouden om de gekwantificeerde risico’s af te dekken (de weerstandsratio moet minimaal 1,0 bedragen). De berekening van de weerstandsratio dient te zijn gebaseerd op een adequate en actuele risico-inventarisatie. - Ten tweede moet de solvabiliteit groter of gelijk aan 20% zijn in het jaar van inzet. - De structurele onttrekkingen aan de algemene reserve moeten worden opgenomen op het overzicht van structurele reservemutaties. Voordat u het surplus van de algemene reserve inzet vragen wij u deze af te stemmen met de financieel toezichthouder van uw gemeente. Indien u gebruik maakt van deze structurele inzet van de vrij aanwendbare algemene reserve toetsen wij jaarlijks of nog aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan.
Dit geldt ook voor de meerjarenraming. In het geval dat uw gemeente in de loop van de meerjarenraming niet meer voldoet aan de voorwaarden, vindt hier een negatieve bijstelling op het begrotingssaldo plaats met m ogelijke gevolgen voor het structureel en reëel evenwicht in de (meerjaren)begroting.
11 Tevens moet niet uit het oog worden verloren dat de (structurele) inzet van een deel van de algemene reserve per definitie toch van tijdelijke aard is, omdat het surplus op enig moment zal worden uitgeput. In dat geval dienen alternatieve structurele dekki ngsmiddelen te worden aangewezen. De gemeente dient zich hiervan bewust te zijn en hierop te anticiperen. In het huidige GTK bestaat een derde optie voor structurele reserve inzet. Dit betreft de optie om een structurele dekkingsreserve te vormen voor een specifiek beleidsdoel. Het is daarmee mogelijk om, bij een weerstandsratio van 1,0 en solvabiliteit van 20 %, een deel van het surplus van de algemene reserve in een dekkingsreserve te storten. Deze dekkingsreserve kan vervolgens voor maximaal 4 jaar worden ingezet voor een specifiek beleidsdoel. De twaalf provincies werken op het moment aan een aanpassing van het GTK Hierin zullen alle opties worden opgenomen. Naar verwachting zal het vernieuwde GTK in de eerste helft van 2026 door de colleges van Gedeputeerde Staten worden vastgesteld. Het vernieuwde GTK zal daarmee van kracht bij de beoordeling van de begroting 2027 van kracht zijn. 4.3 Bezuinigingen Veel gemeenten maken hun begroting en meerjarenraming sluitend met bezuinigingsmaatregelen en/of taakstellingen.
Om uw financiële positie te bepalen worden alle in de begroting opgenomen bezuinigingsmaatregelen en taakstell ingen getoetst op hardheid en haalbaarheid (m.a.w. op realiteit). Ook wordt beoordeeld of ze binnen de termijn van de raming gerealiseerd k unnen worden. Hiermee beoordelen wij de realiteit van de gepresenteerde begrotingssaldi. Voor een positief oordeel van de opgenomen bezuinigingsmaatregelen is het noodzakelijk dat: • De ramingen van de bezuinigingsmaatregel(en) reëel en cijfermatig zijn onderbouwd; • Daarbij zullen de te treffen bezuinigingsmaatregelen concreet op programmaniveau moeten worden ingevuld; • Het proces dat bij het concretiseren van de maatregelen gevolgd gaat worden, vastligt; • De raad een uitspraak doet over de invulling van deze maatregelen. Ervaringen opgedaan met eerdere bezuinigingsoperaties kunnen in ons oordeel meewegen. Als een bezuinigingsmaatregel niet aan deze voorwaarden voldoet, zal het bedrag dat met de maatregel gepaard gaat negatief worden gecorrigeerd op uw begrotingssaldo. Deze correctie kan tot gevolg hebben dat er sprake blijkt van een structureel begrotingstekort met preventief toezicht als gevolg. Wij adviseren u de voortgang van de opgenomen bezuinigingen te monitoren in een aparte paragraaf in uw P&C -documenten.
Dit versterkt eveneens het inzicht voor u w raad, waardoor u beter in staat bent uw controlerende taak uit te voeren. 4.3.1 Bezuinigingen bij verbonden partijen De begroting van een gemeenschappelijke regeling (GR) is leidend voor het financieel toezicht. Deze is vastgesteld door het algemeen bestuur van de GR. Dit betekent dat u alleen taakstellingen voor de GR mag opnemen in uw begroting of meerjarenraming als het algemeen bestuur van deze GR over deze taakstellingen een besluit heeft genomen. Een voorgenomen korting of lagere bijdrage aan een GR wordt (wanneer deze niet in de begroting van de GR is opgenomen) door de toezichthouder niet geaccepteerd en wordt daa rom gecorrigeerd op de gepresenteerde begrotingssaldi. 12 4.4 BCF-plafond Met ingang van het begrotingsjaar 2019 is de wijze van verwerking van de ruimte onder het plafond van het btw -compensatiefonds (BCF) in de raming van de algemene uitkering in de circulaires gewijzigd. Het ministerie van BZK heeft daarom in afstemming met de VNG en de provinciale toezichthouders een advies opgesteld. Hierin staat op welke wijze gemeenten de ruimte onder het plafond van het BCF kunnen opnemen als verwachte baat in hun begroting.
Gezien de onzekerheid over de toekomstige ontwikkeling van de ru imte onder het BCF -plafond mag u maximaal de meest recente gerealiseerde ruimte onder het plafond ramen in uw begroting en meerjarenraming. Voor de begroting 2027 dient u de raming te baseren op de definitieve afrekening van de ruimte onder het plafond in 2025 die in de meicirculaire 2026 wordt gepubliceerd. Wij wijzen u erop dat dit kan betekenen dat u de betreffende ramingen in alle begrotingsjaren moet bijstellen. 4.5 Kapitaallasten De afgelopen jaren zien we in veel gemeentelijke jaarrekeningen dat onderuitputting van kapitaallasten wordt gerapporteerd. Dit wordt veroorzaakt doordat de geplande investeringen niet tijdig kunnen worden gerealiseerd. Als toezichthouder adviseren we om i n de begroting zeer kritisch te kijken naar de realiteit van de investeringsplanning en de bijbehorende ambities. In de huidige marktomstandigheden waarbij krapte van personeel aan de orde van de dag is, dient te worden overwogen welke (grote) projecten in het begrotingsjaar kunnen worden gerealiseerd. En gebaseerd op ervaringen van de afgelopen jaren een realistische planning op te nemen door de projecten te spreiden over de komende jaren. Investeringen waar de gemeenteraad over heeft besloten dienen volledig verwerkt te zijn in de begroting en meerjarenraming (conform uw eigen verordeningen).
Van de hieruit voortvloeiende kapitaallasten dienen zowel rente - als de afschrijvingslasten over de gehele looptijd te worden geraamd. In onderdeel 3.2 van deze circulaire wordt ingegaan op het onder voorwaarden toestaan van een stelpost onderuitputting. Wel is het van belang om te weten dat het opnemen van deze stelpost een gemeente niet van haar verplichting ontslaat om een realistische investeringsplanning op te nemen in haar begroting. Dit is en blijft de basis van een reële begroting. 4.6 Berekening kengetallen In de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing neemt u conform artikel 11 BBV de zes verplichte kengetallen op. De berekening van deze kengetallen is bepaald in de Regeling vaststelling wijze waarop kengetallen worden vastgesteld en opgenomen in begroting en jaarverslag provincies en gemeenten. De bepaling van uw eigen kengetallen dient op deze wijze te worden berekend.
13 We toetsen onder andere uw solvabiliteit om te kijken of u voldoet aan de gestelde voorwaarden voor eventuele inzet van het surplus van uw algemene reserve. Indien er een verschil ontstaat tussen de berekening van een gemeente en de berekening van de toezichthouder, is de berekening van de toezichthouder leidend voor onze beoordeling. 4.7 Toepassing onderhoudsvoorzieningen De jaarlijkse lasten voor het groot onderhoud aan kapitaalgoederen (zoals wegen, bruggen, riolering, water, openbaar groen, gemeentelijke gebouwen etc.) kunnen rechtstreeks in de begroting worden verantwoord, maar er kan ook gekozen worden voor het egalise ren van de kosten van het groot onderhoud met onderhoudsvoorzieningen. Hiervoor gelden echter wel strikte voorwaarden. Deze voorwaarden zijn terug te vinden in hoofdstuk 7 van de notitie Materiële vaste activa van de commissie BBV . Ten eerste dient uw gemeente te beschikken over een actueel, door de raad vastgesteld beheerplan voor het betreffende type kapitaalgoederen. Onder ‘actueel’ wordt een beheerplan verstaan van maximaal vijf jaar oud ten opzichte van het verslagleggingsjaar. Voor de begroting 2027 betekent dit dus dat het geldende beheerplan op zijn vroegst in 2022 is vastgesteld.
Bovendien geldt de verplichting dat het beheerplan tussentijds wordt bijgesteld, als het in belangrijke mate niet meer aansluit bij de actuele situa tie van het onderhoud. Van de maximale termijn van vijf jaar kan alleen gemotiveerd worden afgeweken en die motivatie wordt opgenomen in de paragraaf ‘Onderhoud kapitaalgoederen’ van de begroting en de jaarstukken. In de motivatie moet tevens worden aangeg even welke maatregelen er worden genomen om achterstallig onderhoud te voorkomen. Uw accountant toetst of uw beheerplan voldoet aan de voorwaarden om hiervoor een onderhoudsvoorziening te vormen. Ten tweede dient de onderhoudsvoorziening te worden gevoed met jaarlijkse toevoegingen van gelijke omvang. De hoogte van die jaarlijks gelijkblijvende toevoeging is gebaseerd op het geldende beheerplan en dient voldoende te zijn om de onderhoudsvoorziening gedurende de gehele looptijd op peil te houden. Een ‘negatieve’ onderhoudsvoorziening is immers niet toegestaan. Indien blijkt dat de jaarlijkse storting te laag is om dit doel te realiseren, dient de raad te besluiten tot het verhogen van de jaarlijks ge lijkblijvende storting in de voorziening, zodat de voorziening over de gehele looptijd weer toereikend is voor het bekostigen van de uitvoering van het groot onderhoud.
Het is niet toegestaan om op begrotingsbasis de onderhoudsvoorziening aan te vullen met een éénmalige extra storting, omdat dit niet past bij het doel van egalisatievoorzieningen, namelijk het egaliseren van lasten in de exploitatie. Evenmin is het acceptabel om de voorziening te voeden met een jaarlijks oplopende storting (het zogenaamde ‘ingroeimodel’). In de praktijk komt het voor dat gemeenten onderhoudsvoorzieningen vrij moeten laten vallen, omdat de accountant constateert dat het onderliggende beheerplan niet aan alle eisen voldoet. Het gebruik van een egalisatiereserve (of ‘onderhoudsreserve') voor h et egaliseren van onderhoudskosten is echter per definitie geen structureel dekkingsmiddel. De nieuwe notitie structurele en incidentele baten en lasten van de Commissie BBV bekrachtigt ook nogmaals dat structurele egalisatie via de reserves niet mogelijk is. Dat betekent dat het gebruik van een onderhoudsreserve ter dekking van uw onderhoudslasten invloed zal hebben op uw structureel begrotingssaldo, omdat u incidentele middelen uit een reserve gebruikt om structurele lasten te dekken. We vragen u om hier alert op te zijn. 4.8 Aan te leveren stukken Nadat de gemeenteraad financiële documenten heeft vastgesteld, is de gemeente verplicht de toezichthouder hiervan op de hoogte te stellen en de bijbehorende documentatie toe te sturen.
In 14 het GTK is opgenomen welke documenten aan de toezichthouder dienen te worden verstrekt, en binnen welke termijn. Onderstaande tabel is opgenomen in het GTK Gemeenten 2020. Hierin is schematisch weergegeven welke documenten het betreft. Aan te leveren stukken De stukken bevatten minimaal Termijn (Financiële) verordeningen - Uitgangspunten en regels voor het financiële beleid en beheer - Getekend raadsbesluit Maximaal twee weken na besluitvorming Begroting en meerjarenraming - Beleidsbegroting - Financiële begroting - Meerjarenraming - Gelijktijdig met de begroting vastgestelde begrotingswijzigingen - Aangenomen moties en amendementen - Getekend raadsbesluit (inclusief voorstel) Maximaal twee weken na besluitvorming en vóór 15 november in het jaar voorafgaand aan het betreffende begrotingsjaar. Jaarstukken - Jaarverslag - Jaarrekening - Controleverklaring - Accountantsverslag - Aangenomen moties en amendementen - Getekend raadsbesluit Maximaal twee weken na besluitvorming en vóór 15 juli in het jaar volgend op het jaar waar de jaarrekening betrekking op heeft. Alle begrotingswijzigingen - Raadsvoorstel met bijlagen - Aangenomen moties en amendementen - Getekend raadsbesluit Maximaal twee weken na besluitvorming