Zakelijk verslag 1 juni 2026 - Schuldhulpverlening.pdf
Tekst van het document
Zakelijk verslag informatieavond 1 juni 2026 - Schuldhulpverlening Voorzitter Nicky Broos Aanwezigen Rongshen Chen Boy Sluiters Elly Hellemons Petra Wierenga Joop Stoeldraijer Gerda van Caam Rens Swart Jeroen Saarloos
Patricia van Etten Lidia Uijtdewilligen Stef Macaré Ingrid Oostveen Corrie van de Velde Diana Bosman Rian Verweijmeren Jeroen Leijdens
Beleidsplan Schuldhulpverlening Leijdens: Waarom is één van de belangrijkste doelen niet bekendheid creëren voor de regeling? Dat is onderdeel van het grotere armoedebeleid. We zijn daar echt mee bezig, door bijvoorbeeld folders uit te reiken, de media in te zetten, en vrijwilligers te trainen in het doorverwijzen naar oa Vraagwijzer. Van de Velde: Waar moet ik aan denken bij vroegsignalering? Technisch gezien is vroegsignalering van schulden een proces waarbij gemeenten signalen ontvangen van organisaties die zien dat inwoners betalingsachterstanden hebben. Denk aan achterstanden bij woningcorporaties, energiebedrijf of water bijvoorbeeld. De wettelijke basis hiervoor ligt in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs). Vervolgens neemt de gemeente contact op met de inwoner. Dit gebeurt vaak eerst per mail of telefoon en bij niet reageren gevolgd door een huisbezoek. Wanneer de inwoner hulp wenst, wordt bekeken welke ondersteuning passend is. Dat kan variëren van budgetadvies en inkomensondersteuning tot een schuldregeling of andere vormen van begeleiding. Macaré: Wordt er gekeken naar misbruik van de regelingen? Mochten wij dat signaleren wordt het teruggevorderd. Misbruik komt niet vaak voor. In Q1 van dit jaar hebben we dit helemaal niet gezien. Saarloos: Elk jaar wordt de individuele inkomenstoeslag uitgekeerd aan gerechtigden.
Uit welk potje komt dit? Het armoedebudget is zo’n 8.5 ton. Er zijn ongeveer 150 rechthebbenden op inkomenstoeslag die het geld krijgen als ze dat zelf willen. Dit geldt alleen voor degenen die een uitkering hebben van ons. Arme werkenden hebben er ook recht op, maar die bereiken we moeizaam. Oostveen: Om hoeveel procent van de inwoners gaat het ongeveer? Het armoedebeleid gaat om mensen die tot 130% van het sociaal minimum verdienen. Dat gaat over 1300 huishoudens. Ten tijde van de energietoeslag, dat ging om 120%, hebben we 1000 huishoudens bereikt. Dat is bijna 100%. Er zijn 325 huishoudens die een bijstandsuitkering ontvangen. In totaal gaat het bij 130% over ongeveer 9,5% van de inwoners. Saarloos: Wat is het verschil in 120 en 130% van het sociaal minimum in euro’s.
Voor een echtpaar is de bijstandsuitkering € 2002, 120% is € 2.402 en 130% is € 2.602. Hellemons: Hoe komt men in contact met de vrijwilligersgroep? Het makkelijkst is om mensen direct te verwijzen naar Vraagwijzer. Daar zitten de professionals. De vrijwilligers zitten bij WijZijn Traverse, Schuldhulpmaatje e.d. Macaré: Klopt het dat 1300 huishoudens recht hebben op 500 euro? Nee. De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor inwoners die gedurende een langere periode moeten rondkomen van een laag inkomen en weinig mogelijkheden hebben om hun inkomenssituatie te verbeteren. 150 huishoudens hebben momenteel recht op inkomenstoeslag. Er zijn 325 huishoudens bijstandsgerechtigden, maar die voldoen niet aan de voorwaarden. Swart: Het nieuwe beleidsplan is een wettelijke verplichting. Is er ook geëvalueerd en geleerd van de afgelopen jaren? We hebben geleerd dat vroegsignalering goed werkt en dat persoonlijk contact en huisbezoeken effectief zijn. Er zijn gesprekken geweest met ervaringsdeskundigen over wat er beter kan en waar de nadruk meer op moet komen, daar is uitgekomen meer financiële educatie voor jongeren over risico's achteraf betalen en online gokken. Van Caam: Gaan de vrijwilligers van Stichting Leergeld verdwijnen? Nee absoluut niet.
Het college heeft in 2015 Stichting Leergeld verzocht om een bepaalde regeling (de maatschappelijke participatie voor schoolgaande kinderen MPSK) uit te voeren naast hun eigen Leergeldformule omdat het college van rijkswege met de MPSK regeling moest stoppen. Momenteel wordt er een digitale webshop ontwikkeld voor de regelingen Sociaal Culturele Bijdrage en de MPSK. Huishoudens die bekend zijn als minima krijgen automatisch toegang tot deze webshop. Zij hoeven dus geen aparte aanvraag meer te doen; de voorzieningen zijn direct beschikbaar. Dit maakt het proces eenvoudiger en sneller, en naar verwachting zal het bereik groeien. Er zijn in Steenbergen rond de 400 kinderen die er gebruik van kunnen maken en ondanks dat het college St. Leergeld jaarlijks heeft verzocht het gebruik onder de kinderen te laten toenemen zijn ze hier nooit in geslaagd. We blijven stekene op ongeveer 160 kinderen. We zien en horen van andere gemeenten dat het gebruik is toegenomen met de inzet van een webshop. Vanaf de start van de webshop komt de uitvoering van de MPSK-regeling niet langer bij Stichting Leergeld de Brabantse Wal te liggen, maar verloopt deze volledig via de digitale webshop.
Ter verduidelijking: hoewel Stichting Leergeld niet meer de uitvoerende organisatie is voor de MPSK, blijft zij wel inwoners uit Steenbergen ondersteunen en doorverwijzen, en verstrekt zij daarnaast haar eigen voorzieningenpakket (de Leergeldformule) aan de doelgroep. Het college streeft ernaar dat geen enkel gezin buiten de boot valt door digitale belemmeringen, zodat alle kinderen in aanmerking blijven komen voor maatschappelijke participatie. Stichting Leergeld is hier ruim een jaar geleden van op de hoogte gesteld zowel formeel als informeel, zowel ambtelijk als bestuurlijk.
Uijtdewilligen: Het beleidsplan is gemaakt met verschillende gemeenten van verschillende grootten. Hoe ver staat Steenbergen in dit beleid? Aan hoeveel voldoen we al? Is het uitvoerbaar? Wordt in de drie Brabantse Wal gemeenten hetzelfde beleidsplan Schuldhulpverlening ingediend? Hoewel het beleidsplan schuldhulpverlening gezamenlijk door de drie gemeenten van de Brabantse Wal is opgesteld, betekent dit niet dat er geen ruimte is voor lokale accenten en keuzes. Een beleidsplan beschrijft immers primair de gezamenlijke visie, ambities, doelstellingen en beleidskaders. Op deze onderdelen bestaat tussen de drie gemeenten een grote mate van overeenstemming. De gemeenten delen de overtuiging dat inwoners zo volwaardig mogelijk moeten kunnen deelnemen aan de samenleving, dat problematische schulden zoveel mogelijk moeten worden voorkomen en dat inwoners die met schulden te maken krijgen tijdig passende ondersteuning moeten ontvangen om uiteindelijk financieel zelfredzaam en schuldenvrij te kunnen leven. Om die reden vertonen de beleidsplannen inhoudelijk veel overeenkomsten. Bij de totstandkoming van het Steenbergse beleidsplan is nadrukkelijk aandacht besteed aan de lokale situatie en behoeften.
Hiervoor is onder meer input opgehaald bij Steenbergse ervaringsdeskundigen, medewerkers van het Ernaartoe Team, maatschappelijke partners, de Ontmoetingswinkel, de Steenbergse scholen ( VO en PO) en de lokale afdeling van SchuldHulpMaatje. Hun ervaringen en inzichten hebben bijgedragen aan de uitwerking van het beleid en de aandachtspunten die voor Steenbergen van belang zijn. De grootste verschillen tussen de gemeenten komen tot uiting in de wijze waarop de ondersteuning wordt georganiseerd en uitgevoerd. Deze lokale invulling wordt nader uitgewerkt in het uitvoeringsplan. Zo werkt de gemeente Steenbergen vanuit de Vraagwijzer als centraal toegangspunt voor ondersteuning, terwijl in de gemeente Woensdrecht de uitvoering plaatsvindt via BWI en in de gemeente Bergen op Zoom via regelt de uitvoering via welzijnsorganisatie WijZijn. Een belangrijk lokaal verschil betreft de inzet van het Steenbergse Eropaf Team. Dit team vormt een belangrijk onderdeel van de vroegsignalering en outreachende ondersteuning binnen de gemeente Steenbergen. Inwoners krijgen een telefoontje, brief, e-mail of bezoek aan de deur naar aanleiding van een signaal over betalingsachterstanden. Steenbergen werkt hierbij al geruime tijd met een outreachende aanpak waarbij persoonlijk contact, waaronder huisbezoeken, nadrukkelijk onderdeel uitmaakt van de ondersteuning.
In Bergen op Zoom ligt de nadruk sterker op de wettelijke vroegsignalering en het benaderen van inwoners via telefonische en schriftelijke contacten. Een verschil is verder dat Bergen op Zoom de schuldenaanpak sterk heeft gekoppeld aan de wettelijke vroegsignalering uit de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, terwijl het Steenbergse Eropaf Team breder kijkt naar schulden, eenzaamheid, zorgmijding en andere sociale problematiek. Daarnaast worden lokaal verschillende keuzes gemaakt ten aanzien van doelgroepen, voorzieningen en ondersteuningsinstrumenten. Zo richt Steenbergen zich met diverse regelingen op inwoners met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum, terwijl in Bergen op Zoom en Woensdrecht voor bepaalde voorzieningen een grens van 120% van het sociaal minimum wordt gehanteerd. Ook kent Steenbergen op onderdelen een meer proactieve benadering door bepaalde regelingen ambtshalve toe te kennen, zodat inwoners niet altijd zelf een aanvraag hoeven in te dienen. In Bergen op Zoom heeft men hier niet voor gekozen.
Samenvattend kan worden gesteld dat de drie Brabantse Wal gemeenten vanuit een gezamenlijke visie en gedeelde maatschappelijke opgave samenwerken aan schuldhulpverlening, maar dat de lokale context, de inrichting van de ondersteuning en de keuzes in de uitvoering per gemeente verschillen. Juist in het uitvoeringsplan wordt zichtbaar hoe de gemeente Steenbergen invulling geeft aan deze gezamenlijke ambitie op een wijze die aansluit bij de behoeften van haar eigen inwoners en lokale partners. Saarloos: Als we de grens van 130% van het minimum naar 100% leggen, hoeveel budget komt er dan vrij? Op basis van de huidige minimaregelingen, waarvoor de gemeenteraad in 2022 heeft besloten de inkomensgrens vast te stellen op 130% van de geldende bijstandsnorm, ontstaat op basis van de gegevens over 2025 het volgende beeld van de jaarlijkse uitgaven: • Bijzondere bijstand: € 344.819 • Collectieve zorgverzekering: € 147.924 • Maatschappelijke Participatie Schoolgaande Kinderen (MPSK): € 99.134 • Sociaal Cultureel Bijdrage (SCB): € 7.674 • Kinderopvang op basis van Sociaal Medische Indicatie (SMI): € 21.000 Totaal: € 620.551 Van de inwoners die gebruikmaken van deze regelingen behoort circa 40% niet tot de doelgroep met een bijstandsuitkering. Het betreft hierbij huishoudens met een inkomen tussen 100% en 130% van de toepasselijke bijstandsnorm.
Indien de inkomensgrens voor deze regelingen zou worden verlaagd van 130% naar 100% van de bijstandsnorm, wordt op basis van de huidige uitgaven een structurele besparing geraamd van circa € 220.000 tot € 250.000 per jaar. Daarbij dient te worden opgemerkt dat een aanzienlijk deel van de verstrekkingen binnen de bijzondere bijstand aan niet bijstandsgerechtigden betrekking heeft op kosten voor beschermingsbewind en andere vormen van financiële ondersteuning. Het is van belang om te benadrukken dat een dergelijke maatregel niet uitsluitend financiële effecten heeft. Het beperken van de toegang tot minimaregelingen kan ertoe leiden dat meer inwoners financieel kwetsbaar worden, waardoor het risico op schuldenproblematiek, betalingsachterstanden en maatschappelijke uitval toeneemt.