CConstaterende datSteenbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bp Van Heemskerckstraat-Karel Doormanstraat - toelichting 2613072.pdf

Besluitvormende Vergadering 25 juni 2026, gemeente SteenbergenBij agendapunt: 07.: Herstelbesluit bestemmingsplan Van Heemskerckstraat Karel Doormanstraat.15.087 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hierdoor staat het aspect ecologie, met inachtneming van deze maatregelen, de ontwikkeling niet in de weg.

37/57

4.5

Externe veiligheid

Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Voor het GR geldt geen norm maar een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting, waarbij wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde voor het GR. Circulaire effectafstanden LPG tankstations Per 29 juni 2016 is de 'Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten van een ongeval' in werking getreden. In deze circulaire wordt het bevoegd gezag voor lpg-tankstations gevraagd om naast het hanteren van de risicoafstanden uit de Regeling externe veiligheid inrichtingen (hierna Revi) rekening te houden met de effectafstanden uit deze circulaire. De circulaire maakt deel uit van een pakket aan maatregelen dat bestaat uit drie onderdelen, te weten het verkleinen van de afstanden in de Revi, een effectgerichte benadering in de circulaire en een Safety Deal met betrekking tot de hittewerende bekleding.

De circulaire is niet van toepassing op besluiten die geen of uitsluitend positieve veiligheidsconsequenties hebben in relatie tot bepaalde effecten van ongevalsscenario's. Daarnaast is de circulaire niet van toepassing op lpg-tankstations voor zover op basis van het Bevi de risicoafstanden worden bepaald door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), bijvoorbeeld als er sprake is van een combinatie van Bevi-plichtige activiteiten. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking

38/57

getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maken bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-6 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 meter binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek In de omgeving van het plangebied zijn meerdere risicobronnen gelegen. Rijksweg A4 Over de rijksweg A4 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Hier geldt een invloedsgebied van 880 meter als gevolg van het vervoer van LT2, het plangebied is op een afstand van circa 760 meter gelegen en ligt daarom in het invloedsgebied. Omdat de afstand groter is dan 200 meter, hoeven volgens het Bevt geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Door de grote afstand zal het toevoegen van personen geen wezenlijke invloed hebben op het groepsrisico. Vanwege de ligging in het invloedsgebied is een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.

In deze situatie kan volstaan worden met de standaardverantwoording groepsrisico van de gemeente Steenbergen. Dit document is opgenomen in de bijlage. Buisleiding Z-529-17 In het noordoosten van het plangebied is een hogedruk aardgasleiding Z-529-17 gelegen. De leiding heeft een werkdruk van 40 bar en een diameter van 6,61 inch, hierbij geldt een invloedsgebied van 70 meter. De nieuwe woningen liggen op een minimale afstand van circa 95 meter, de risicobron is daarom niet van invloed op de

39/57

veiligheidssituatie ter plaatse van het plangebied. De hoogte van het groepsrisico van deze buisleiding is in 2012 vastgesteld en bedraagt 0,04 * de oriënterende waarde. De QRA van de buisleidingen waarin deze resultaten zijn vastgelegd is opgenomen in Bijlage 8 Kwantitatieve risicoanalyse. LPG-tankstation Autobedrijf Helmons Ten zuidoosten van het plangebied lag tot voor kort een LPG-tankstation. Dit tankstation is recent gesaneerd. Het geldende bestemmmingsplan laat het nog wel toe. De plaatsgebonden risicocontour ligt op een afstand van 25 m vanaf het vulpunt en het ondergrondse reservoir en 15 m vanaf het afleverzuil. Het plangebied ligt buiten deze contour. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor het plan. Voor (beperkt) kwetsbare objecten die geen zeer kwetsbare objecten zijn, zoals woningen moet rekening worden gehouden met een effectzone van 60 m, de nieuwe woningen in dit plangebied liggen buiten deze zone. Het invloedsgebied is 150 meter rondom het lpg tankstation. Voor ontwikkelingen binnen deze afstand moet een QRA worden uitgevoerd. In 2018 is door de OMWB al een berekening gemaakt om het effect van het realiseren van het appartementencomplex (fase 2) op het groepsrisico vast te stellen.

Vanwege veranderingen in het aantal woningen en de locaties ervan en omdat er een nieuwe versie van het rekenpakket Safeti-NL gebruikt moet worden is er een nieuwe berekening gemaakt. Deze berekening is opgenomen in Bijlage 9 QRA lpg-tankstation. Hieronder in de figuur is de situatie weergegeven van het aantal woningen wat als uitgangspunt voor de berekening is gebruikt. Hierin is tevens het onderscheid te zien tussen fase 1 en fase 2. Fase 1 betreft de woningen die dit plan mogelijk maakt.

Figuur 4.4 Verkavelingsplan Van Heemskerckstraat. Uit de berekening blijkt dat na realisatie van fase 1 en 2 het groepsrisico toeneemt van 0,29 naar 0,55 * de oriënterende waarde. Hierbij moet opgemerkt worden dat deze toename hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door het appartementencomplex (30 woningen) wat in fase 2 zal worden gerealiseerd. De woningen in fase 1 waarop dit plangebied van toepassing is hebben vanwege de beperkte aantallen en grote afstand weinig tot geen

40/57

invloed op het groepsrisico. Voor de vaststelling van dit bestemmingsplan kan daarom volstaan worden met de standaardverantwoording groepsrisico van de gemeente Steenbergen. Dit document is opgenomen in Bijlage 10 Standaard Verantwoording Groepsrisico. Voor de uitwerking van fase 2 zal echter een volledige verantwoording van het groepsrisico en een maatwerkadvies van de veiligheidsregio noodzakelijk zijn. Fase 2 is een wensbeeld, maar nog geen zekerheid dat het ontwikkeld gaat worden. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

4.6

Kabels en leidingen

Beleid en normstelling Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een plangebied rekening moet worden gehouden. Onderzoek In paragraaf 4.5 is reeds ingegaan op in de omgeving aanwezige risicorelevante leidingen. In het plangebied is een hogedruk aardgastransportleiding van de Gasunie aanwezig. Door middel van het opnemen van de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' worden de belangen van het Gasunie en de aanwezige leiding beschermd. Er zijn verder geen overige planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Conclusie De eventuele aanwezigheid van kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

4.7

Luchtkwaliteit

Beleid en normstelling Wet Milieubeheer In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2-jaargemiddelde) en fijn stof (PM10-jaar- en daggemiddelde) van belang.

41/57

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. NIBM In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouwprojecten met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10)

Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.5 weergegeven. Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)

Toetsing van jaargemiddelde concentratie

jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie Tabel 4.5 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekende mate In dit Besluit niet in betekende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);

42/57

een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Onderzoek Het bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 59 woningen mogelijk. Het aantal woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitseisen en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de rijksweg A4.

Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.

4.8

Wegverkeerslawaai

Normstelling Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van stedelijke- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidniveau over een etmaal. Grenswaarden nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavig situatie bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning).

43/57

Aftrek volgens artikel 110g Wgh Voordat het bevoegd gezag toetst aan de grenswaarden uit de Wet geluid hinder, mag op basis van artikel 110g Wgh een aftrek worden toegepast waarmee wordt geanticipeerd op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst, door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/uur bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/uur of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelasting aan de normstellingen uit de Wgh, niet bij het berekenen van de gecumuleerde geluidbelasting of binnenwaarden. 30 km/uur wegen Zoals aangegeven zijn wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur of lager op basis van de Wgh niet gezoneerd. Akoestisch onderzoek zou achterwege kunnen blijven. Echter dient op basis van jurisprudentie, in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.

Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en/of doelmatig zijn. Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wgh hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt worden de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde als referentiekader gehanteerd. De voorkeursgrenswaarde geldt hierbij als richtwaarde en de maximale ontheffingswaarde als maximaal aanvaardbare waarde. Omdat voor 30 km/uur-wegen dezelfde benaderingswijze wordt gehanteerd als voor gezoneerde wegen, wordt ook hier een correctie toegepast op basis van artikel 110g Wgh. Deze aftrek is gelijk aan de aftrek bij gezoneerde wegen met een maximum snelheid tot 70 km/uur (5 dB). Onderzoek De wegen in het plangebied zijn allen niet gezoneerde wegen. De geluidbelasting wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening getoetst aan de richtwaarde van 48 dB. Gebleken is dat ten gevolge van het verkeer op de wegen Boeier, De Barkas en de Wipmolen hieraan wordt voldaan, zie bijlage 3 van het Onderzoek wegverkeerslawaai. Alleen ten gevolge van de Van Heemskerckstraat wordt de richtwaarde overschreden. Het gaat om de starterswoningen en de rijenwoningen direct langs deze weg.

De hoogst berekende geluidbelasting is 50 dB, zie onderstaand figuur. De maximaal aanvaardbare waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Als de karakteristieke geluidwering van de gevels voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012, zal een aanvaardbaar geluidniveau in de woningen worden bereikt.

44/57

Figuur 4.5 Resultaten onderzoek wegverkeerslawaai Van Heemskerckstraat Conclusies De nieuwe woningen worden mogelijk gemaakt in een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.9

Verkeer en parkeren

Normstelling De verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte zijn gebaseerd op CROW publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" uit 2018. De kencijfers uit deze publicatie worden gespecificeerd op basis van het type functie en de ligging van de functie. Onderzoek Ontsluiting Het plangebied is gelegen in de kern Dinteloord en sluit aan op de Van Heemskerckstraat / Karel Doormanstraat. Het wordt ontsloten via meerdere erftoegangswegen naar de centrale as van Dinteloord; de Steenbergseweg en Westvoorstraat. De Steenbergseweg is, als enige weg binnen de bebouwde kom, als gebiedsontsluitingsweg

45/57

ingericht (50 km/u) en de Westvoorstraat is een erftoegangsweg (30 km/u). Via de Oostgroeneweg en Zuideinde/Oostzijweg wordt direct op deze centrale as aangesloten. Vanaf deze centrale as is de Noordlangeweg, de N268, bereikbaar en daarmee ook de A4. Via de Oostgroeneweg / Van Heemskerkstraat /Wipmolen / Stellingmolen wordt de Molendijk bereikt, welke in oostelijke richting via de Noordzeedijk (60 km/u) aansluit op de rotonde Symbiose / N268 om te ontsluiten richting Stampersgat / Oud Gastel en de A4. De ontsluiting voor het gemotoriseerd verkeer is daarmee goed. De dichtstbijzijnde openbaarvervoerhalte ligt op circa 5 minuten loopafstand van het plangebied hier halteert de bus naar Fijnaart. Aan de Noordlangeweg halteert de Bravo directlijn deze halte ligt op 4 minuten fietsen en 17 minuten lopen van het plangebied. Het fietsverkeer maakt in de hele kern van Dinteloord gebruik van dezelfde rijbaan als het gemotoriseerd verkeer. Dit is gebruikelijk op erftoegangswegen en stimuleert het verblijfskarakter. De nieuwe wegen in het plangebied zullen net als de omliggende bestaande wegen voorzien zijn van trottoirs voor voetgangers. De ontsluiting per openbaar vervoer en voor langzaam verkeer is goed. De Van Heemskerckstraat zal worden verlegd om te zorgen voor een goede overgang tussen het woongebied en het aangrenzende gemengde gebied.

De straten Boeier en Barkas worden doorgetrokken richting Wipmolen en Van Heemskerckstraat. Hierdoor ontstaat er een nieuw regulier viertakskruispunt tussen Boeier, Van Heemskerckstraat, Wipmolen en de Karel Doormanstraat. Bij het ontwerp is rekening gehouden dat vrachtwagens de bochten kunnen maken. Het huidige vrachtwagenparkeerterrein en een deel van de huidige Van Heemskerckstraat worden aan de openbaarheid onttrokken voor de ontwikkeling. Hiervoor wordt een afzonderlijke procedure gevoerd op grond van de Wegenwet, de gemeenteraad moet hier uiteindelijk een besluit over nemen.

46/57

Parkeerbehoefte Op basis van het stedenbouwkundigprogramma en de CROW publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren" uit 2018 is de parkeerbehoefte voor het plangebied bepaald. In de Beleidsregels Parkeernormen 2018 Gemeente Steenbergen is aangegeven dat een initiatiefnemer in beginsel de toename van parkeerbehoefte op eigen terrein moet regelen of in afwijking daarvan op een andere wijze een geschikte parkeeroplossing te vinden, passend binnen gemeentelijke richtlijnen. Bij het bepalen van de uiteindelijke parkeerbehoefte wordt bij de berekening rekening gehouden met onderstaande aspecten: voor de tabellen wordt verwezen naar de meest actuele CROW-kencijfers. Het stedenbouwkundigplan voorziet voor het plangebied in 35 rijwoningen, 4 twee-onder-één-kap woningen en 20 starterswoningen. De parkeerbehoefte per woning is weergegeven in tabel 4.1. Tabel 4.1 Parkeerbehoefte Type woningen 35 rijwoningen 4 twee-onder-één-kap woningen 20 starterswoningen Totaal

Parkeernorm per woning 2,0 2,0 1,5

Parkeerbehoefte 70 8 30 108

In het stedenbouwkundig plan zijn ten behoeve van de woningen in het de openbare ruimte van het plangebied 84 parkeervakken ingetekend. Op het eigen terrein van de starterswoningen zijn 32 parkeervakken voorzien. Het uiteindelijke aantal aan te leggen parkeerplaatsen zal worden afgestemd op het aantal en het type woningen dat daadwerkelijk wordt gebouwd. Bovenop de hiervoor beschreven aantallen parkeerplaatsen worden aan de noordzijde van het plangebied nieuwe langsparkeervakken aangelegd. Dit gebeurt ter hoogte van Van Heemskerckstraat 5 tot en met 13, zie figuur 4.6.

47/57

Figuur 4.6 Extra parkeerplaatsen Van Heemskerckstraat Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling Op basis van de verkaveling is de verkeersgeneratie van het plangebied berekend. Per rijwoning is de verkeersgeneratie 7,4 mvt/etmaal (motorvoertuigen per etmaal), per twee-onder-één-kap woning 7,8 mvt/etmaal en per starterswoning 5,6 mvt/etmaal. De totale verkeersgeneratie van het plangebied bedraagt 402 mvt/weekdagetmaal. Omrekening naar het werkdaggemiddelde vindt plaats met de factor 1,11. De gemiddelde verkeersgeneratie op een werkdag bedraagt 446 mvt/werkdagetmaal. De verkeersafwikkeling zal zich evenredig verdelen over de Van Heemskerckstraat richting Oostgroeneweg en Molendijk. Deze toename is gering, waardoor dit niet zal leiden tot knelpunten op het omliggend wegennet. Conclusie De ontsluiting van het plangebied is voor alle modaliteiten goed. De parkeerbehoefte zal deels op eigen terrein plaatsvinden en wordt deels in de openbare ruimte opgevangen. De ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename, die naar verwachting geen knelpunten oplevert in de verkeersafwikkeling. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.10 Water Beleid en normstelling Waterbeheer

48/57

De initiatiefnemers van een ruimtelijke ontwikkeling behoren in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen worden toegelaten die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Brabantse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits-- en waterkwaliteitsbeheer. Bij onderhavige procedure wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Beleid duurzaam waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Op Europees en landelijk niveau is het overkoepelende waterbeleid vastgelegd in de Kaderichtlijn Water, het Nationaal Waterplan en het Nationaal Bestuursakkoord Water. De doorvertaling van dit beleid is regionaal vastgelegd in het Provinciaal Waterplan en het Waterbeheersplan van het Waterschap. Daarnaast wordt op gemeentelijk niveau het waterbeleid vastgelegd in een waterplan of een (verbreed) rioleringsplan.

Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'. Watertoets

49/57

Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. de waterbeheerder (Waterschap Brabantse Delta) heeft op 24 maart 2022 een positief advies uitgebracht op het bestemmingsplan. Beschrijving huidige situatie Het plangebied wordt globaal begrensd door de Van Heemskerckstraat aan de noordoostzijde, bestaande bedrijven aan de Stellingmolen aan de oostzijde, de Wipmolen en de Karel Doormanstraat aan de zuidzijde en het woongebied “De Pinas” aan de westzijde. Het gebied is grotendeels verhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwin- of grondwaterbeschermingsgebied Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de grond van het plangebied uit lichte klei met homogeen profiel. Met betrekking tot grondwater is er sprake van grondwatertrap VI. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) schommelt tussen 40 en 80 centimeter onder maaiveld.

De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt op 120 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld ligt op circa 0,3 meter +NAP. Waterkwantiteit en waterkeringen Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en bevindt zich hiermee ook niet in een beschermingszone. In figuur 4.7 is een uitsnede te zien van het plangebied in relatie tot de informatie beschikbaar via de Watertoets Viewer van het waterschap Brabantse Delta.

Figuur 4.7 Uitsnede Watertoets Viewer met plangebied rood omkaderd (Bron: Waterschap Brabantse Delta)

50/57

Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering De bestaande gebouwen zijn aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel. Beschrijving toekomstige situatie In de toekomstige situatie zullen 59 woningen gerealiseerd worden. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit en compensatie Het totale plangebied bestaat uit circa 20.449 m2 waarvan in de huidige situatie 14.479 m2 verhard is. In de toekomstige situatie neemt de verharding af naar 12.437 m2. Door de afname in verharding is compensatie niet noodzakelijk aangezien hemelwater kan infiltreren in de bodem. Waterveiligheid De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Deze vallen ook niet in het plangebied.

Watersysteemkwaliteit en ecologie Bij het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (lood, zink en zacht PVC) kunnen deze stoffen zich ophopen in het water(bodem)systeem. Hierdoor kan het gebruik hiervan een zeer nadelige invloed hebben op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem worden milieuvriendelijke bouwmaterialen gebruikt, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Gevolgen voor water

51/57

Door de afname in verharding kan hemelwater beter infilteren in het plangebied. Hierdoor hoeft het water niet afgevoerd te worden waardoor het rioolstelsel minder belast zal worden. Hierdoor levert deze ontwikkeling een positieve bijdrage aan het Gemeentelijk rioleringsplan 2020-2023. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft een positieve invloed op de waterkwaliteit of waterkwantiteit. Hierdoor vormt het aspect water geen belemmeringen voor de ontwikkeling

4.11 Milieueffectrapportage Normstelling en beleid In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie De omvang van de ontwikkelingen blijft ver onder de drempelwaarde van 2.000 woningen en 200.000 m² bedrijfsvloeroppervlakte die geldt voor een stedelijk ontwikkelingsproject. Wel dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd als blijkt dat er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. voor categorie D 11.2), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.

Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een m.e.r-beoordelingsnotitie opgesteld (Bijlage 12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling). Op basis van deze m.e.r-beoordelingsnotitie heeft het college van B&W besloten dat geen milieueffectrapportage voor de voorgenomen planontwikkeling noodzakelijk is. Dit besluit is bijgevoegd in bijlage. De gemeenteraad heeft bij vaststelling van het bestemmingsplan dit besluit bevestigd.

52/57

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP)

De Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (hierna SVBP 2012), die voortvloeit uit de Wet ruimtelijke ordening, maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. SVBP 2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. Dit om de gewenste vergelijkbaarheid zeker te stellen. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting van het bestemmingsplan. Wel dient het bestemmingsplan van een toelichting vergezeld te gaan. Het bestemmingsplan zelf bestaat uit een verzameling geografische bepaalde objecten, die zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan.

5.2

Toelichting op de bestemmingsplanregels

Voor de bestemmingsregeling is zoveel mogelijk uitgegaan van de bestemmingsmethodiek van de geldende bestemmingsplannen. De bestemming 'Wonen' is opgenomen voor de geplande woningen. Binnen het plangebied is gedifferentieerd tussen woningtyplogieën. De bestemming 'Tuin' is voor de tuinen bij de woningen opgenomen. De bestemming 'Verkeer' is toegekend aan de wegen, voet- en fietspaden en dergelijke. Het openbaar groen is voorzien van de bestemming 'Groen'. De bestemmingen komen alfabetisch aan bod. Bedrijf (B) In het plangebied is een gasdrukmeet- en regelstation aanwezig, dit is bestemd met de bestemming ‘Bedrijf’. Gemengd (GD) In het plangebied is het bedrijventerrein met de bestemming 'Gemengd' bestemd. Hier zijn bedrijven behorende tot en met ten hoogste milieucategorie 2 zoals genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten toegestaan. Daar waar aangeduid is een woning toegestaan. Groen (G) De belangrijke toekomstige groenvoorzieningen zijn bestemd tot 'Groen'. Binnen de bestemming 'Groen' zijn ook fiets- en wandelpaden en water toegestaan. Zoals hiervoor aangegeven zijn ook de gronden aan de oostzijde voorlopig voorzien van een groenbestemming. Tuin (T) De gronden die niet tot het bouwvlak behoren en aan de straatzijde liggen, zijn bestemd als 'Tuin'. Binnen deze

53/57

bestemming zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, toegestaan. Hierdoor zijn erfafscheidingen mogelijk binnen de bestemming. Via een omgevingsvergunning is het mogelijk aan de voorzijde van woningen serres en erkers te plaatsen. Verkeer (V) De bestemming 'Verkeer' heeft betrekking op wegen, voet- en fietspaden, groenvoorzieningen, sloten en watergangen, maar maakt ook pleinen, terrassen, jongerenontmoetingsplekken en afvalverzamelvoorzieningen mogelijk. Hiermee is ondergeschikte herinrichting van de openbare ruimte mogelijk zonder dat, onnodig gedetailleerde bepalingen van het bestemmingsplan dergelijke ontwikkelingen in de weg staan en planherziening nodig zou zijn. Op gronden met de bestemming 'Verkeer' zijn niet voor bewoning bestemde gebouwen toegestaan. Wonen (W) Om flexibiliteit in woningtypen toe te laten, is conform het geldende plan gekozen voor één bestemming 'Wonen' met de aanduidingen 'twee-aaneen' en 'aaneengebouwd'. Ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' zijn zowel vrijstaande als twee-onder-één-kapwoningen mogelijk. Deze aanduiding is ook opgenomen voor de twee woningen die conform het stedenbouwkundig plan vrijstaand worden gebouwd, om ook daar enige flexibiliteit in het woningtype te bieden. Ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' mogen zowel aaneen gebouwde, twee-aaneen gebouwde als vrijstaande woningen worden gebouwd.

De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor in totaal maximaal 66 woningen en bijbehorende erven, toegangs- en achterpaden. Door middel van het bouwvlak is aangegeven waar hoofdgebouwen zijn toegestaan. Aan-, uit- en bijgebouwen zijn op het achtererf toegestaan, in ten hoogste één zijdelingse perceelgrens. De goot- en bouwhoogte bedragen respectievelijk 7 meter en 11 meter. Leiding - Gas (L-G) De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor een gasleiding. Vanaf de hartlijn van de leiding is een beschermingszone van 4 meter aangehouden waarbinnen niet zondermeer gebouwen mogen worden opgericht Algemene wijzigingsregels De Algemene wijzigingsregels omvatten wijzigingsbevoegdheden welke het mogelijk maken de bestemmingen 'Verkeer', 'Groen' onderling te wijzigen en bijvoorbeeld de aanduiding ‘garage’ toe te voegen teneinde garages en bergplaatsen, van percelen behorende bij woningen te kunnen vergroten in het kader van uitgifte van openbare ruimte en / of ten behoeve van het optimaliseren van een zo efficiënt en doelmatig mogelijk ruimtegebruik. Veiligheidszonde - Bedrijven Op de verbeelding is een veiligheidszone - Bedrijven opgenomen in verband met de aanwezigheid van een gasdrukmeet- en regelstation in het noorden van het plangebied.

54/57

Hoofdstuk 6

6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen.

Inspraak en overleg Door de initiatiefnemer is het concept van het bestemmingsplan voorgelegd aan bewoners in de directe omgeving. Naar aanleiding daarvan zijn verschillende vragen gesteld. de vragen en de antwoorden daarop zijn opgenomen in een verslag, dat als bijlage 13 is opgenomen bij deze toelichting. Mede naar aanleiding van de gestelde vragen worden aan de noordzijde van het plangebied extra parkeerplaatsen aangelegd. Daarnaast heeft de gemeente Steenbergen het bestemmingsplan in het kader van het Bro overleg voorgelegd aan de provincie en aan het Waterschap. De provincie heeft aangegeven geen aanleiding te zien voor een reactie. Het waterschap heeft een positief wateradvies gegeven (zie ook de waterparagraaf). Verder is door de gemeente de Adviesraad verkeer Steenbergen geraadpleegd. De adviesraad heeft op 17 maart 2022 een positief advies uitgebracht. Zienswijze Vervolgens wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). De uitkomsten hiervan kunnen nieuwe niet voorziene uitgangspunten voor het bestemmingsplan geven. De gemeente heeft de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan via de gebruikelijke kanalen gecommuniceerd (huis-aan-huis krant en via de website van de gemeente).

Ook is er tijdens de periode dat het ontwerp bestemmingsplan ter inzage lag, door de initiatiefnemer een informatieavond voor omwonenden en belanghebbenden georganiseerd. Er zijn zienswijzen ingediend, deze zijn samengevat en beantwoord in een nota zienswijzen. Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

55/57

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat op grond van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de realisatie van nieuwe woningen mogelijk. Het bestemmingsplan maakt hiermee aangewezen bouwplannen mogelijk, op gronden die niet in eigendom zijn van de gemeente. In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan is daarom een koop realisatie tussen de ontwikkelaar en de gemeente gesloten. Daarmee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan op te stellen.

Voor de aankoop, planontwikkeling en uitvoering zijn door de initiatiefnemer voldoende middelen gereserveerd. Het plan is daarmee economisch uitvoerbaar.

56/57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.gemeente-steenbergen.nl/api/v1/meetings/1845/documents/22831