CConstaterende datStede Broec
Koppel je AI →
Document · PDF

25-0193 Rapport Jeugdhulp Rekenkamer 6 Westfriese gemeenten

Commissie Samenleving 3 februari 2026, gemeente Stede BroecBij agendapunt: Niet gemeld ter bespreking36.008 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

2 alinea's met “uitwisseling”: 829 902

In een andere casus bleek na een jaar ondersteuning door het lokale team dat een meisje desondanks toch een ernstige eetstoornis had ontwikkeld en alsnog moest worden doorverwezen naar een GGZ-instelling.

56

Normen m.b.t. inzet eerstelijn − De lokale teams zetten zoveel mogelijk eerstelijnshulp in voordat zij doorverwijzen naar specialistische hulp. − Bij de intake wordt een protocol (beschreven werkwijze) gevolgd waarin wordt nagegaan of doorverwijzing naar specialistische hulp kan worden voorkomen. Hoorn

Ja, een inwoner die zich bij 1.Hoorn meldt voor hulp, passeert altijd eerst één van de jeugd en gezinswerkers, voordat eventueel wordt doorverwezen naar specialistische zorg.

Medemblik

Deels, de intake verloopt via het Team Jeugd. Dit team verheldert de vraag en verwijst door naar een voorliggende voorziening of specialistische zorg. Het team verleent zelf geen hulp, dat is belegd bij een ander team, namelijk Team Preventie. Het komt regelmatig voor dat mensen worden doorverwezen zonder eerst eerstelijnshulp te hebben ontvangen.

Opmeer

Ja, een inwoner die zich bij het wijkteam meldt voor hulp, passeert altijd eerst een consulent die zelf ook eerstelijnszorg kan bieden. Deze kijkt altijd eerst wat het wijkteam kan doen voordat wordt doorverwezen naar specialistische zorg.

Stede Broec

Ja, als de hulpvrager zich meldt bij Ons Stede Broec. Ons Stede Broec wil hulpvragers zo veel mogelijk zelf helpen. Zij helpen iedereen die zich meldt tenzij de veiligheid van het kind in het geding is. Deels, als de hulpvrager zich meldt bij de Afdeling Jeugd van de SED-organisatie. De SED-organisatie verleent zelf geen zorg, bij lichte hulpvragen verwijst zij door naar Ons Stede Broec, bij specialistische hulpvragen verwijst zij door naar specialistische zorg.

Enkhuizen

Ja, de casus van elke hulpvrager wordt overlegd tussen de Afdeling Jeugd en het Stadsteam. Wanneer voorliggende voorzieningen geen soelaas bieden en er sprake is van meervoudige problematiek, wordt de hulpvrager door het Stadsteam verder geholpen. Er wordt vervolgens pas doorverwezen als de hulpvraag voor het Stadsteam te specialistisch is.

Drechterland

Ja, de casus van elke hulpvrager wordt overlegd tussen Afdeling Jeugd en Team Inzet. Wanneer voorliggende voorzieningen geen soulaas bieden, en er sprake is van meervoudige problematiek, wordt de hulpvrager door Team Inzet verder geholpen. Er wordt vervolgens pas doorverwezen als de hulpvraag voor Team Inzet te specialistisch is.

Voor alle gemeenten geldt dat er geen formeel protocol gevolgd wordt om doorverwijzing naar specialistische hulp te voorkomen,, maar dat de hulpvraag standaard (behalve in Medemblik) multidisciplinair wordt besproken (met o.a. gedragsdeskundigen).

57

4.3.2 Het perspectiefplan Wanneer duidelijk is dat eerstelijns jeugdhulp niet volstaat of niet van toepassing is, werken jeugdwerkers van het lokale team samen met het gezin toe naar een perspectiefplan (Kader 2). In dit plan wordt vastgelegd welk toekomstperspectief de jeugdige of het gezin met ondersteuning wil bereiken34. Het perspectiefplan vormt daarmee de inhoudelijke basis voor een beschikking. Kader 2: Wat is het Perspectiefplan? Binnen de regio Westfriesland hebben de gemeenten met elkaar afgesproken dat een doorverwijzing naar (hoog) specialistische jeugdzorg gebaseerd moet zijn op een ‘perspectiefplan’. Dit is een plan waarin ‘opgenomen is wat een inwoner, jeugdige of gezin nodig heeft om op een volwaardige manier deel uit te kunnen maken van de samenleving. Hierin worden de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of het gezin, en de gewenste resultaten en doelen beschreven. Het plan betreft alle relevante leefgebieden.’ Een perspectiefplan bestaat uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel wordt bij de aanvraag voor hulp ingevuld door de hulpvrager (doorgaans ouders/verzorgers). Het tweede onderdeel wordt door de jeudgwerker ingevuld op basis van één of meerdere gesprekken. Hierin wordt beschreven wat het probleem inhoudt, wat de situatie van de hulpvrager/het gezin is op verschillende leefgebieden en welke resultaten men met een hulptraject wil bereiken.

Het derde onderdeel wordt ingevuld door de zorgaanbieder. Hierin wordt vastgelegd welke hulp wordt geboden en hoe en wanneer het hulptraject wordt geëvalueerd.

Alle onderzochte gemeenten hanteren hetzelfde format voor het perspectiefplan. Hierin worden verschillende leefgebieden waarop problemen kunnen spelen — zoals wonen, opvoeding, financiën en veiligheid — integraal in kaart gebracht. Het doel van deze brede inventarisatie is om een samenhangend en passend hulptraject mogelijk te maken. Jeugdwerkers uit het lokale team geven aan dat zij goed uit de voeten kunnen met het format. Ook hulpvragers zijn over het algemeen positief: de plannen sluiten meestal goed aan bij hun hulpvraag, leiden samen met de beschikking vaak tot passende hulp, en zij voelen zich betrokken bij het opstellen ervan. Een ouder uit Enkhuizen zegt: “Het is helder wat ze aan het doen zijn. We evalueren elke drie maanden. Het perspectiefplan is opgesteld met het samenwerkingsverband – school, intern begeleider, kinderpsycholoog – en ik herken mijn kind erin.” Tegelijkertijd verloopt het opstellen van het Perspectiefplan niet altijd soepel. In sommige gevallen lukt het jeugdconsulenten niet om zelf een plan op te stellen, en vragen zij de tweedelijns jeugdhulpaanbieder (waar naartoe is doorverwezen) dit te doen. Daarnaast roept de resultaatgerichte aanpak gemengde reacties op. Een ouder uit Opmeer zegt: “Je krijgt meteen een stempel – en dat resultaatgerichte roept soms weerstand op – maar uiteindelijk is het wél prettig dat er iets op papier staat.”

34

Nieuwe bekostiging van specialistische jeugdhulp in Westfriesland vanaf 2020; versie december 2019.

58

4.4 Beschikking en doorverwijzing Zodra de vraagverhelderingsfase is afgerond en blijkt dat tweedelijns jeugdhulp nodig is, zorgen de lokale teams in Hoorn, Opmeer en Medemblik voor een passende doorverwijzing. Op basis van het perspectiefplan wordt beoordeeld welke zorgaanbieder het best aansluit bij de hulpvraag. Hiervoor maken jeugdwerkers gebruik van de Beschikbaarheidswijzer: een digitaal overzicht van de specialisaties van en actuele wachttijden bij alle regionale aanbieders. Ook nemen de jeugd- en gezinswerkers regelmatig telefonisch contact op met aanbieders om op anonieme basis een casus en hun mogelijke beschikbaarheid te bespreken. Vervolgens wordt met het gezin een selectie van twee of drie passende aanbieders besproken. Het gezin kiest uiteindelijk zelf met welke aanbieder het traject wordt gestart. Op basis van deze keuze worden afspraken gemaakt over de omvang en duur van de inzet. De beschikking wordt pas afgegeven nadat het perspectiefplan door alle partijen (gezin, gemeente en aanbieder) is ondertekend. In de SED-gemeenten is de route net iets anders. Ook hier wordt het perspectiefplan eerst vastgesteld door de jeugdwerker van het lokale team (Stadsteam, Team Inzet, Ons Stede Broec), in samenspraak met het gezin. Vervolgens wordt het doorgestuurd naar de jeugdconsulenten van de SEDorganisatie.

Zij controleren of het plan inhoudelijk passend is qua zwaarte en kwaliteit en bepalen welke aanbieder het meest geschikt is voor het leveren van de gevraagde jeugdhulp. De keuze van het gezin weegt hier zo veel mogelijk in mee. Ook hier geldt dat er gebruikgemaakt wordt van de Beschikbaarheidswijzer en dat de keuze van het gezin zo veel mogelijk wordt meegewogen. In de praktijk blijkt er soms spanning te ontstaan tussen inhoud van de hulpverlening en de financiering ervan. Aanbieders vragen volgens jeugdwerkers soms meer uren dan nodig wordt geacht. Een jeugdwerker zegt hierover: “Het schuurt als aanbieders al vroeg zeggen dat de inzet te krap is. Dan gaat het gesprek meer over geld dan over wat een gezin nodig heeft.” De gesprekken die dan -tussen aanbieders en medewerkers van het lokale teamgevoerd moeten worden, worden als een lastig onderdeel van het werk ervaren. Om zelf de juiste inschatting te maken, overleggen jeugdwerkers daarom regelmatig met andere collega’s. Zoals in Enkhuizen en Drechterland waar een gedragswetenschapper de analyse en de inschatting van de jeugdmedewerkers toetst en bespreekt in het casuïstiekoverleg. Bovendien is in Hoorn ‘Team Triage’ ingericht om jeugd- en gezinswerkers te ondersteunen bij twijfel over de benodigde inzet. Bij verschil van inzicht tussen gemeente en aanbieder kan een triagemedewerker meedenken of het gesprek begeleiden.

Volgens de gemeente draagt dit bij aan een rechtmatige inzet van middelen en zij geeft aan dat deze werkwijze in 2024 een besparing van €1,5 miljoen opleverde.

59

4.4.1 Aanbod tweedelijns jeugdhulp Over het algemeen geven consulenten aan dat er een breed palet aan tweedelijns jeugdhulp beschikbaar is, waarmee zij in de meeste gevallen passende hulp kunnen organiseren voor jeugdigen en gezinnen. Inhoudelijk sluit het aanbod goed aan op de hulpvragen, en lokale teams weten de juiste jeugdhulpaanbieders doorgaans snel te vinden. Toch zijn er ook specifieke doelgroepen voor wie het aanbod ontoereikend blijkt. Zo wordt er - door zowel lokale teams, zorgaanbieders als hulpvragers - specialistische jeugdhulp onvoldoende aanbod gezien voor: -

Diagnostiek en behandeling voor jongeren met vragen rondom gender en eetstoornissen (enkel voor deze doelgroepen) Verslavingsproblemen Verblijf (pleegzorg, gezinshuizen en crisis) Dagbehandeling Kinder- en jeugdpsychiatrie tbv medicatiebehandeling.

In Drechterland wordt daarnaast opgemerkt dat de veelheid aan aanbieders het overzicht bemoeilijkt. Consulenten kunnen hierdoor moeite hebben om snel en gericht tot een juiste verwijzing te komen. In Enkhuizen wordt aanvullend gesignaleerd dat het huidige zorgaanbod minder ruimte lijkt te bieden voor bemoeizorg aan zorgmijdende gezinnen. De trend naar meer vraaggestuurde hulpverlening maakt het lastiger om passende zorg in te zetten wanneer motivatie ontbreekt, terwijl juist deze gezinnen gebaat kunnen zijn bij proactieve ondersteuning.

4.5 Regievoering Regievoeren is een kerntaak van jeugdwerkers: zij stemmen de jeugdhulp -op basis van het perspectiefplan- met het gezin en andere betrokkenen af, verwijzen door en monitoren de voortgang en het resultaat. Voor jeugdhulptrajecten die via een doorverwijzing van de huisarts starten, komt de regiefunctie in de praktijk vaak terecht bij de tweedelijns jeugdhulpaanbieder, hoewel dit formeel niet hun verantwoordelijkheid is (zie ook paragraaf 6.1). Binnen trajecten die starten bij het lokale team zijn de (jeugd)medewerkers verantwoordelijk voor de regierol. Hoe deze regiefunctie vervolgens wordt ingevuld, hangt af van de complexiteit van de hulpvraag. Bij enkelvoudige problematiek waar doorverwijzing noodzakelijk is wordt de casus in de meeste gemeenten ‘slapend’ gemaakt: het lokale team blijft op afstand betrokken, terwijl de tweedelijns aanbieder de hulp uitvoert. Soms krijgen gezinnen en jongeren de mogelijkheid om bij vragen of zorgen het lokale team te bellen. In de zes gemeenten vindt er bij enkelvoudige trajecten vaak geen eindevaluatie plaats. Uit de gesprekken blijkt dat jeugdwerkers bij meervoudige problematiek procesregie essentieel vinden, juist omdat er doorgaans meerdere hulpverleners bij het gezin betrokken zijn (bijvoorbeeld: JGZ-hulpverlener, POH-jeugd, school, schuldhulpverlening). De regievoerder onderhoudt actief contact met alle

60

hulpverleners en het gezin, organiseert multidisciplinaire overleggen en stuurt actief op het bereiken van de beoogde resultaten uit het perspectiefplan. In Hoorn lijkt de regiefunctie het verst uitgewerkt. Sinds de invoering van het Resultaatgestuurd Werken in 2020 richten jeugd‑ en gezinswerkers zich volledig op regie en coördinatie; directe hulpverlening (uigezonderd overbruggingshulp) maakt sindsdien geen deel meer uit van hun taken. Bij complexe casussen onderhouden zij wekelijks contact met jeugdhulpaanbieders en het gezin; bij eenvoudige trajecten volstaan ze met één evaluatiegesprek per drie maanden. In Medemblik zijn er ambities om de regiefunctie te versterken. De zorgontvangers ervaren de regievoering door een vaste jeugd- en gezinswerker als erg waardevol. Alle door ons gesproken ouders hebben te maken met één vaste regievoerder, die zij omschrijven als vriendelijk, zorgzaam, deskundig en proactief. Daarnaast geven de geïnterviewde ouders aan dat zij zich betrokken voelen bij het proces van het vinden van de juiste hulp. Tegelijk voelen zij zich ‘ontzorgd’, omdat de regievoerder de zoektocht naar passende hulp overneemt en gesprekken met andere betrokkenen – zoals school – organiseert en daarbij aanwezig is.

Een ouder uit Hoorn vat dit treffend samen: “Zij weet gewoon de juiste wegen te bewandelen – echt een soort belangenbehartiger voor ons.” Een belangrijk onderdeel van de regiefunctie is de verantwoordelijkheid om de voortgang en doelmatigheid van de ingezette jeugdhulp te blijven volgen. In alle gemeenten vindt deze monitoring in principe plaats op casusniveau, waarbij consulenten of teamleden toezien op de uitvoering van het perspectiefplan. Dit gebeurt via periodiek contact met de zorgaanbieder en/of het gezin, en door middel van evaluatiegesprekken. Sommige gemeenten, zoals Drechterland en Enkhuizen, hebben de monitoring cyclisch en methodisch ingebed. In Drechterland wordt dit het meest uitgebreid gedaan door de kwaliteit van jeugdhulp die zij bieden op verschillende niveaus te monitoren (zie Kader 4 voor een overzicht). In Enkhuizen zijn er structurele evaluatiemomenten en betrokkenheid van de gedragswetenschapper bij kernbesluiten en de analysefase. Ook is Casuïstiek Triage Overleg (CTO) geïmplementeerd om dit proces te ondersteunen en te versterken. Kader 4: monitoring op verschillende niveaus Monitoring van de gemeentelijke jeugdhulp vindt (in Drechterland) plaats op meerdere niveaus: • Teamoverleg: bii stagnatie denken collega’s mee over vervolgstappen.

• Werkbegeleiding (teamleider): bewaakt voortgang, werkdruk en samenwerking; ook deskundigheidsbevordering komt aan bod. • Bilateraal overleg (met gedragswetenschapper): verdieping van casussen binnen thema’s zoals scheiding of geweld. • Gezinsevaluatie: doelen en aanpak worden samen met het gezin besproken. • SKJ-registratie: hulpverleners houden hun professionele ontwikkeling bij. • Gebruik formats: bevordert uniform werken binnen het team. • Cliënttevredenheid: bij afsluiting wordt de hulp geëvalueerd

61

In de andere gemeenten is de monitoring op casusniveau meer afhankelijk van de werkwijze van individuele consulenten. Sommige consulenten onderhouden standaard overleg met aanbieders; bij anderen gebeurt dit minder systematisch. Ook hier maken de gemeenten wederom onderscheid tussen enkelvoudige hulpvragen en casussen waarbij sprake is van meervoudige problematiek en/of regiebehoefte. In enkelvoudige trajecten is monitoring niet standaard geborgd. In Stede Broec wordt het perspectiefplan bij dergelijke trajecten overgedragen aan de SED-organisatie, die vervolgens de beschikking afgeeft. Vanuit het lokale team Ons Stede Broec wordt regie met name gevoerd bij kwetsbare gezinnen, en dan vooral uit noodzaak, vanwege de beperkte personele capaciteit. Medemblik heeft de wens om voortaan bij álle casussen actief regie te voeren en te monitoren, ook al komen ze daar door de huidige capaciteitsproblemen nog niet altijd even goed aan toe. Een medewerker van het Team Jeugd licht deze beslissing toe: “Voorheen namen we alleen bij (meervoudige) regiezaken tussentijds contact op met de aanbieder.

Maar omdat we vaker ‘verlenging op verlenging’ zagen bij eenvoudige hulpvragen, hebben we besloten voortaan álle casussen – ook de enkelvoudige – actief te monitoren.” Bij de complexe casussen (met meervoudige problematiek) geldt voor alle gemeenten dat de consulent verantwoordelijk blijft voor het bewaken van de voortgang van het traject. Wanneer doelen niet (volledig) zijn bereikt en een aanbieder een vervolgarrangement aanvraagt, voeren consulenten doorgaans een kritisch gesprek: waarom is verlenging nodig, en wat rechtvaardigt die inzet als resultaten achterblijven? Dit wordt als een belangrijk, maar soms lastig aspect van de regierol ervaren. Naast de monitoring op casusniveau is er vraag naar meer overkoepelende manieren om zicht te houden op de voortgang en effectiviteit van jeugdhulptrajecten. Zo heeft Hoorn inmiddels een eigen dashboard ontwikkeld om beter te kunnen sturen op het aantal trajecten per aanbieder, het type hulp en de bijbehorende kosten. Hoewel de kwaliteitsindicatoren nog in ontwikkeling zijn, is er recent een kwaliteitsslag gemaakt waarin is vastgesteld welke data worden gemonitord, hoe deze worden geanalyseerd en hoe de resultaten met aanbieders worden besproken. Norm m.b.t. procesregie − Er is per hulpvrager een ‘regisseur’ die samen met jeugdigen en ouders een plan opstelt met een gezamenlijk doel.

In alle gemeenten is de regierol formeel belegd bij een (jeugd)medewerker van het lokale team. In theorie is er dus voor iedere hulpvrager een regisseur beschikbaar. In de praktijk lukt het de jeugdmedewerkers echter lang niet altijd voor iedere casus de regierol te vervullen. Zeker in het geval van enkelvoudige problematiek, raakt het lokale team op de achtergrond: de casus wordt na doorverwijzing ‘slapend’ gemaakt en er vindt vaak geen eindevaluatie plaats. In het geval van meervoudige problematiek blijft de medewerker van het lokale team wel actief betrokken. Hij/zij organiseert multidisciplinaire overleggen en stuurt op het behalen van de beoogde resultaten uit het perspectiefplan. De hulp wordt tussentijds en aan het einde van het traject geëvalueerd.

62

Norm m.b.t. monitoring − Gemeenten monitoren gestarte trajecten. De verkregen inzichten zijn de basis om daar vervolgens op te sturen. − De gemeenten voeren interne kwaliteitscontroles uit als zij signalen krijgen dat er mogelijk iets niet in de haak is. In alle gemeenten vindt monitoring op casusniveau plaats, vooral bij complexe casussen. In Drechterland en Enkhuizen is de monitoring methodisch ingebed en vindt deze op meerdere niveaus plaats, met vaste evaluatiemomenten en betrokkenheid van gedragswetenschappers. In de overige gemeenten is de monitoring meer afhankelijk van de werkwijze van individuele consulenten. Overkoepelende monitoring is nog beperkt ontwikkeld; alleen Hoorn werkt met een dashboard. In alle gemeenten wordt een kritisch gesprek gevoerd met jeugdhulpaanbieders wanneer er om een verlenging van de beschikking wordt gevraagd.

4.5.1 Eigen regie, zelfredzaamheid en normaliseren Eigen regie Regie is een begrip dat in de Jeugdwet op verschillende manieren terugkomt. In de eerste plaats verwijst het naar de zelfbeschikking van hulpvragers. Zij moeten zoveel mogelijk richting kunnen geven aan hun eigen hulptraject. Alle onderzochte gemeenten kennen dit principe en streven ernaar om jeugdigen en ouders zo veel mogelijk zelf aan het roer te laten. In de praktijk wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen enkelvoudige en meervoudige hulpvragen. Bij enkelvoudige vragen is meestal het gezin eerst aan zet en vervult de jeugdconsulent een adviserende rol. De hulp is vrijwillig, en dat geldt ook voor de tweedelijns jeugdhulp waarnaar de gemeente doorverwijst. De hulpvrager – meestal de ouder, tenzij het kind 16 jaar of ouder is – bepaalt of hij of zij de geboden hulp accepteert. Dit geldt voor alle trajecten buiten het gedwongen kader. In de meeste gevallen voeren hulpvragers nadrukkelijk zelf de regie. Bijvoorbeeld wanneer zij al een duidelijk beeld hebben van wat er nodig is – zoals een diagnose of behandeling voor een specifiek probleem – of wanneer zij eerder positieve ervaringen hadden met een bepaalde jeugdhulpaanbieder. Procesregie In de tweede plaats verwijst het begrip ‘regie’ naar een functie die door het lokale team moet worden vervult.

Deze functie moet een lokaal team met name invullen wanneer er sprake is van meervoudige of complexe problematiek. In de praktijk spreken de jeugdwerkers van procesregie. In de hoedanigheid van procesregiseur organiseert de jeugdwerker multidisciplinair overleg, bewaakt de voortgang en stuurt op het behalen van resultaten. In Enkhuizen, Drechterland en Opmeer, wordt expliciet benoemd dat gezinnen zo veel mogelijk in positie gebracht worden om zelf beslissingen te nemen, en wordt er alleen ingegrepen wanneer de veiligheid

63

van het kind in het geding is. In dat geval kan een melding worden gedaan bij Veilig Thuis. Dit kan ertoe leiden dat het kind in het gedwongen kader (jeugdbescherming) terechtkomt. In dat geval verliezen ouders (deels) de regie over het hulptraject. In situaties waarin het gezin onvoldoende draagkracht heeft, of wanneer de problematiek meerdere leefdomeinen beslaat, neemt de consulent de rol van procesregisseur aan. Die betrokkenheid beperkt zich dan niet tot jeugdhulp, maar kan ook andere terreinen raken, zoals het zoeken naar een geschikte woning, inkomensondersteuning of schuldhulpverlening. Consulenten geven aan dat zij in die gevallen ‘naast het gezin gaan staan’: zij kijken wat nodig is, schakelen passende hulp in en zorgen voor onderlinge afstemming. Zelfredzaamheid De mate waarin gezinnen tot meer zelfredzaamheid kunnen worden gestimuleerd, hangt af van hun specifieke situatie en hulpvraag. Alle gemeenten maken daarbij een inschatting van wat gezinnen zelf kunnen en waar ondersteuning nodig is. Daarbij wordt, zeker bij enkelvoudige problematiek, gestreefd naar versterking van het eigen netwerk. In Drechterland, Enkhuizen en Hoorn ligt de nadruk expliciet op het activeren van het sociale netwerk. In Drechterland worden gezinnen gestimuleerd niet alleen mensen uit de directe familie-omgeving, maar ook uit de bredere sociale kring te betrekken.

In Hoorn zijn jeugd- en gezinswerkers getraind in netwerkversterking, en organiseren zij – waar mogelijk – netwerkbijeenkomsten om samen met de omgeving oplossingen te vinden Een voorbeeld van hoe het lokale team naast het gezin staat, maar de zelfredzaamheid niet uit het oog verliest komt uit Stede Broec. Een moeder meldde zich via het schoolmaatschappelijk werk bij het lokale team, omdat het niet goed ging met haar dochter. Bij een huisbezoek bleek het huis ernstig vervuild. De jeugdconsulent maakte samen met de moeder een stappenplan om het huis op te ruimen. Daarbij is ervoor gekozen om de moeder zelf schoon te laten maken. Om te volgen of het plan werd uitgevoerd en om moeder te motiveren, bezocht de consulent het gezin twee keer per week. Er wordt ook opgemerkt dat gezinnen die binnenkomen bij het lokale team soms hoge verwachtingen hebben: geen hulpvraag, maar een ‘zorgeis’ Jeugdwerkers vinden het belangrijk om ouders in sommige gevallen waarin zij te veel van de gemeente verwachten op hun eigen verantwoordelijkheid te wijzen. Een jeugd- en gezinswerker uit Opmeer merkt op: “Ouders geven het soms snel op en schuiven hun verantwoordelijkheid dan naar ons door. Je moet echt werken aan het besef dat zij het zelf moeten doen.

Neem bijvoorbeeld het vervoer naar school voor hun kind – dan moet je soms op je strepen staan en duidelijk maken: dit is tot op zekere hoogte ook eigen verantwoordelijkheid.” Normaliseren Ook het normaliseren van problemen wordt door veel jeugd- en gezinswerkers gezien als een kerntaak van de lokale teams. ‘Normaliseren is de kunst van mijn vak’, zegt een jeugdwerker uit Opmeer. Met normaliseren bedoelen zij dat niet elk

64

probleem meteen hoeft te leiden tot een hulpverleningstraject. Ouders kunnen, zeker bij zorgen over gedrag of ontwikkeling, het gevoel krijgen dat hun kind niet voldoet aan de norm. Opvoedadviseurs uit Hoorn signaleren dat kinderen in die situaties soms niet meer boos, verdrietig of onzeker mogen zijn. Door gedrag te duiden binnen een normale ontwikkelingslijn, kunnen zij ouders geruststellen en helpen relativeren. Een consulent uit Medemblik merkt op: “Ouders maken zich tegenwoordig snel zorgen, bijvoorbeeld als een kind rouwt omdat opa overleden is of een keer een jointje rookt. Maar niet alles is een probleem – sommige dingen horen gewoon bij het opgroeien.” Normaliseren vraagt volgens de consulenten om vakmanschap én lef. “Je moet soms durven zeggen: dit is wat het is, we laten hem nu los", zegt een jeugdconsulent van de SED-organisatie. Een voorbeeld is een casus van een jongen uit Medemblik van tien die zich sociaal wat afzijdig hield in de klas. Na gesprekken met ouders en school bleek dat het kind zich goed voelde bij die positie. De jeugdconsulent concludeert: “Het was kind-eigen gedrag. We hebben besloten het zo te laten.” Jeugdwerkers merken op dat ouders soms te veel verwachten van de overheid, of zich vastbijten in het idee dat een specifieke vorm van zorg nodig is. Kleine problemen kunnen daardoor uitvergroot raken.

Tegelijkertijd herkennen zij dat sommige ouders, door hun eigen omstandigheden, de draagkracht missen om het ouderschap aan te kunnen. In die gevallen is het juist belangrijk om te kijken welke steun wél nodig is. Normen m.b.t. benadering hulpvragers − In eerste instantie ligt de regie bij de jeugdige en het gezin, maar wanneer dit niet gepast is, verschuift deze naar de gemeentelijk eerstelijnsvoorziening/lokale team of een andere partij. − Hulpverleningstrajecten zijn gericht op het vergroten van de eigen regie en zelfredzaamheid, naast (vanzelfsprekend) het behandelen en indien mogelijk oplossen en verminderen van de onderliggende problematiek. − De gemeentelijke eerstelijnsvoorzieningen maken een inschatting van wat jeugdigen en gezinnen zelf kunnen en waar zij ondersteuning bij nodig hebben.

Stimuleren van eigen regie en zelfredzaamheid Ja, alle gemeenten zetten actief in op het versterken van de eigen regie. Gezinnen worden gestimuleerd om waar mogelijk zelf keuzes te maken en verantwoordelijkheid te nemen. In situaties met beperkte draagkracht ondersteunt het team, zonder deze verantwoordelijkheid volledig over te nemen. Inschatting wat gezinnen zelf kunnen Ja, in alle gemeenten maken jeugd- en gezinswerkers een inschatting van wat gezinnen zelf kunnen en waar ondersteuning nodig is. In Drechterland, Enkhuizen en Hoorn is veel aandacht voor het versterken van het sociaal netwerk. Normalisering als beleidsuitgangspuntJa, normaliseren is in alle gemeenten een belangrijk uitgangspunt. Consulenten en opvoedadviseurs proberen problemen zo veel mogelijk in perspectief te plaatsen en ouders gerust te stellen als gedrag past binnen een normale ontwikkeling. Dit vraagt om vakmanschap, duidelijke uitleg en soms het bijstellen van verwachtingen van ouders. Onnodige instroom in de tweedelijns jeugdhulp kan zo voorkomen worden.

65

4.5.2 Eén gezin, één plan, één regisseur (matched care) Het principe ‘één gezin, één plan, één regisseur’ is bedoeld om bij gezinnen met complexe problematiek integrale ondersteuning te bieden. Het principe houdt in dat alle betrokken hulpverleners samenwerken op basis van één gezamenlijk plan, gecoördineerd door één vaste regisseur, zodat versnippering van hulp wordt voorkomen en het gezin centraal staat. Dit wordt ook wel 'matched care' genoemd35. In gezamenlijke verantwoordelijkheid kijken professionals en het gezin wat nodig is en wie kan bijdragen aan het hulptraject van de gezinsleden en het gezin als geheel. Het principe is vastgelegd in het regionale beleidskader Zorg voor de Jeugd, maar dit is niet door alle gemeenten overgenomen. In Hoorn36, Stede Broec37 en Enkhuizen38 is het principe wel opgenomen in de beleidsregels en daarmee formeel beleid. Alle onderzochte gemeenten onderschrijven het belang van dit principe, en brengen dit in meer of mindere mate in de praktijk. Wel ontbreekt vaak een structurele verankering. Zo is het principe zelden vastgelegd in formele procesafspraken, varieert de invulling van de regierol sterk per gemeente en situatie, en is het werken met één integraal gezinsplan niet overal geïntegreerd. In Drechterland is het principe het meest ingebed in de werkwijze.

Het wordt actief toegepast met behulp van vaste formats en multidisciplinaire overleggen. Ook wordt expliciet gekeken naar welke hulp al is ingezet, om herhaling te voorkomen. Het perspectiefplan wordt regelmatig geëvalueerd en waar nodig aangepast, met actieve betrokkenheid van alle hulpverleners. Een jeugd- en gezinswerker van Team Inzet vat het belang van op deze manier werken samen: “We werken vanuit één gezin, één plan. Iedereen weet wie wat doet, zodat hulpverlening niet langs elkaar heen loopt. Zeker bij complexe situaties met meerdere problemen tegelijk is heldere regie en afstemming echt noodzakelijk.” Ook in Hoorn is het principe leidend bij complexe casussen: het gebiedsteam neemt de regie en brengt alle betrokkenen — zoals school, zorgaanbieders en familie — bij elkaar om samen met het gezin te bepalen wat nodig is. In Medemblik is het integraal werken formeel wel mogelijk, maar vormt het registratiesysteem een belemmering. In Medemblik worden per kind aparte plannen opgesteld, omdat het systeem geen gezinsplannen ondersteunt. In Stede Broec is het integraal werken met de verschillende ‘zorg’ disciplines wel mogelijk, maar vormt het registratiesysteem een belemmering voor integraal werken met de SEDorganisatie. Consulenten en wijkteam kijken breed en werken gezinsgericht als dat

35

https://www.nji.nl/integrale-gezinshulp/wat-is-integrale-gezinshulp Bijvoorbeeld: Gemeente Hoorn, Beleidsregels jeugdhulp gemeente Hoorn, geldend van 01-01-2020 t/m heden 37 Beleidsregels van het college van burgemeester en wethouders van Stede Broec houdende beleidsregels omtrent jeugdhulp 38 Beleidsregels jeugdhulp enkhuizen, 2022. 36

66

nodig is, maar dossiervorming per gezinslid beperkt de praktische toepassing van een integraal plan. In Enkhuizen is het principe wel bekend, maar wordt het niet systematisch toegepast. Het Stadsteam in Enkhuizen kiest er bewust voor om met eigen formats en methodieken te werken. Een medewerker licht toe: “We werken altijd systemisch samen met alle betrokkenen – dat kan via de samenwerkingsmodule in het systeem, maar net zo goed met onze eigen werkwijze. Het gaat erom dat je op één lijn zit, niet welk format je gebruikt.” In Opmeer wordt het principe wel herkend en wordt het in de praktijk soms toegepast maar zijn er geen procesafspraken over gemaakt. Normen m.b.t. matched care − De lokale toegangspunten geven uitvoering aan ‘matched care’: de meer integrale benadering waardoor er minder intakes, analyses en behandelplannen nodig zijn − De gemeentelijke eerstelijnsvoorzieningen/lokale teams kennen het principe van ‘één gezin, één plan, één regisseur’ en passen deze toe. − Er zijn (proces)afspraken om het werken volgens het principe van ‘één gezin, één plan, één regisseur’ te bevorderen.

Hoorn

In de beleidsregels voor jeugdzorg wordt het principe expliciet genoemd. In de regels staat dat gestreefd wordt naar een integrale aanpak, waarbij de inzet van één plan en één regisseur rond het gezin centraal staat. De jeugd-en gezinswerkers passen het principe actief toe.

Medemblik

Het Team Jeugd in Medemblik werkt formeel niet volgens het principe ‘één gezin, één plan, één regisseur'. Het wordt ook niet in de beleidsregels genoemd. Het Team Jeugd werkt vooral kindgericht. Dat betekent dat wanneer een doorverwijzing aan de orde is, per jeugdige een plan wordt opgesteld. Wel is er een streven naar een integrale aanpak. In het kader van de planvorming wordt altijd gekeken naar achterliggende problematiek. Indien nodig (bij meervoudige problematiek) wordt er ook een procesregisseur aangesteld die eventuele hulp van meerdere aanbieders coördineert/monitort.

Opmeer

Het principe is niet benoemd in de beleidsregels voor de uitvoering van jeugdzorg. In de praktijk kennen de consulenten het principe wel, maar plannen worden in principe per jeugdige opgesteld, daarbij wordt altijd wel gekeken of er andere zorgen bestaan. Indien nodig wordt dan doorverwezen, bijvoorbeeld naar schulddienstverlening, ook wordt gekeken naar eventuele zorgen om andere gezinsleden. Indien nodig wordt daar dan een apart plan voor gemaakt.

Stede Broec

In Stede Broec wordt het principe explciet benoemd in de beleidsregels. De consulenten van Ons Stede Broec werken in de eerste plaats kindgericht. Per jeugdige wordt een plan opgemaakt. Indien nodig wordt er voor meerdere gezinsleden een plan opgemaakt. Men probeert daarbij wel zoveel mogelijk per gezin een en dezelfde consulent de regie te laten voeren. Deze kijkt ook naar achterliggende problemen en verwijst indien nodig door.

67

Enkhuizen

In de beleidsregels van Enkhuizen wordt het principe expliciet genoemd in het kader van de integrale hulpverlening. Er wordt uitgelegd dat het plan in overleg met het gezin wordt opgesteld en dat één regisseur de regie houdt over het totale hulpverleningstraject. De medewerkers zijn ook bekend met het principe. Bij zwaardere meervoudige problematiek schakelt de consulent van het Stadsteam ook met andere hulpverleners. In de huidige beleidsregels die gelden vanaf 9 juli 2025 wordt het principe niet meer benoemd.

Drechterland

Hoewel het principe niet wordt genoemd in de gemeentelijke beleidsregels voor jeugdzorg, geven de medewerkers van Team Inzet aan dat het principe stevig is ingebed in hun werkwijze. Het biedt een praktisch overzicht waarin alle afspraken worden beschreven en met elkaar worden gedeeld. Alle medewerkers zijn bekend met deze methodiek. Vanuit ‘één gezin, één plan, één regisseur’ organiseren de betrokken hulpverleners van team Inzet MDO's (multidisciplinaire overleggen) als zij regievoerder zijn.

4.5.3 Klachtenregeling Wanneer gezinnen ontevreden zijn over de geboden hulp of de uitvoering van het traject, kunnen zij een klacht indienen via de formele klachtenprocedure. In alle zes gemeenten is een klachtenregeling beschikbaar. In de praktijk proberen consulenten signalen van onvrede zo veel mogelijk vroegtijdig op te vangen en bespreekbaar te maken. Ook kunnen ouders altijd inhoudelijk reageren op het perspectiefplan, voordat deze definitief wordt gemaakt. Waar nodig worden gezinnen ondersteund bij het aankaarten van knelpunten bij zorgaanbieders. In Hoorn wordt gebruikgemaakt van een registratiesysteem om klachten en meldingen over tweedelijns jeugdhulpaanbieders vast te leggen. Bij herhaalde signalen worden gedragsdeskundigen of Team Triage betrokken, zodat patronen vroegtijdig in beeld komen en het gesprek hierover met de aanbieder gevoerd kan worden. In Opmeer wordt de registratie van klachten gedaan door afdeling juridische zaken. Zij maken dit met een jaarverslag officieel bekend. In 2024 was er geen klacht met betrekking tot de jeugdhulp in Opmeer. In de SED-organisatie worden de klachten bijgehouden door het afdelingshoofd en eventueel gemeld bij de netwerrkorganisatie. Normen m.b.t.

klachtenafhandeling − Er is een klachtenregeling − Klachten worden centraal geregistreerd − Er wordt op klachten gereageerd − Hulpvragers hebben de mogelijkheid bezwaar te maken tegen een beschikking − Een bezwaar tegen een beschikking wordt in behandeling genomen In alle zes gemeenten is een formele klachtenregeling beschikbaar. Klachten worden in de praktijk vaak al vroegtijdig gesignaleerd en besproken door consulenten. Ouders kunnen vooraf reageren op het perspectiefplan, en worden indien nodig ondersteund bij het aankaarten van knelpunten. In Hoorn worden klachten over tweedelijnszorg geregistreerd in een apart systeem; bij herhaalde signalen wordt actie ondernomen. Bezwaar maken tegen een beschikking is mogelijk in alle gemeenten en wordt conform de procedure behandeld.

68

Niet zijnde formele klachten worden over gecontracteerde zorgaanbieders worden gemeld bij de Netwerkorganisatie regio in Westfriesland. Formeel ingediende klachten worden bijgehouden door het Afdelingshoofd. De gemeenten konden in het kader van dit onderzoek niet aangeven hoeveel klachten er jaarlijks worden ingediend.

4.6 Wachttijden en wachtlijsten Jeugdigen en gezinnen die ondersteuning nodig hebben, krijgen in de praktijk te maken met verschillende wachttijden binnen het jeugdhulptraject. De wachttijd is het aantal dagen dat de jeugdige na het eerste contactmoment op hulp wacht. Een korte wachttijd is acceptabel en wenselijk omdat deze de ruimte geeft om het juiste hulptraject in te regelen en de juiste hulpverlening te koppelen aan de hulpvraag. Een wachtlijst gaat over het aantal gezinnen dat op hulp wacht. Dit is onwenselijk. Het begint met de mogelijke wachttijd tussen aanmelding bij het lokale team en het eerste intakegesprek. Daarna volgt de ‘doorlooptijd’ waarin samen met het gezin het perspectiefplan wordt opgesteld en de beschikking voor tweedelijns jeugdhulp wordt aangevraagd. Ook tussen de afgifte van de beschikking en de daadwerkelijke start van de tweedelijns jeugdhulp kan geruime tijd zitten. Gemeenten zijn in het laatste geval wettelijk verplicht om overbruggingszorg te organiseren, een passend alternatief te zoeken, of onderbouwd aan te tonen waarom wachten verantwoord is. Tot slot ontstaan er ook bij verlengingsaanvragen regelmatig wachttijden, bijvoorbeeld wanneer het lang duurt voordat een vervolgbeschikking wordt afgegeven. In deze paragraaf worden de verschillende soorten wachttijden toegelicht en, waar mogelijk, afgezet tegen bestaande normen.

De Jeugdwet noemt zelf geen vaste termijn voor het afgeven van een beschikking, hiervoor gelden de normen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb): tussen aanvraag en beschikking mag maximaal acht weken zitten. Deze termijn mag eenmaal worden verlengd, mits de gemeente dit vóór afloop gemotiveerd aan de hulpvrager laat weten. Daarnaast hanteren veel gemeenten en regio’s de zogeheten Treeknormen als richtlijn: deze door veldpartijen opgestelde normen geven aan wat als een maximaal aanvaardbare wachttijd in de zorg wordt gezien39. Voor jeugdhulp betekent dit doorgaans een intake binnen vier weken na aanmelding, een start van de behandeling binnen zes tot negen weken na intake, en directe inzet bij acute hulpvragen binnen 24 uur. Hoewel deze normen niet wettelijk zijn vastgelegd, vormen ze in de praktijk een breed gedragen kwaliteitskader voor tijdige zorg.

39

Nederlands Jeugdinstituut (2017): Wacht maar. Onderzoek naar wachttijden en wachtlijsten in jeugdzorg en jeugdhulp.

69

Wachttijden aanmelding- beschikking In alle gemeenten geldt dat bij acute situaties – zoals suïcidaliteit of een ander direct veiligheidsrisico – het lokale team direct in actie komt. Indien nodig wordt onmiddellijk opgeschaald, bijvoorbeeld via een spoedverwijzing door de huisarts. Daarmee wordt voldaan aan de Treeknorm, die stelt dat in acute gevallen binnen 24 uur hulp beschikbaar moet zijn. Bij niet-acute hulpvragen lopen de wachttijden voor een intakegesprek uiteen (zie Tabel 10). In Medemblik is de wachttijd tot een eerste gesprek het langst: gemiddeld zeven maanden (28 weken), ruim boven de Treeknorm van maximaal vier weken na aanmelding. Bij de afdeling Jeudg van de SED-organisatie bedraagt de wacchtijd voor een intakegesprek gemiddeld zes maanden. Inwoners van Ons Stede Broec worden daarbij doorgaans doorverwezen naat ‘Ons Stede Broec’, die doorgaans geen wachhtijd heeft. In Hoorn varieert de wachttijd per gebiedsteam en periode; bij piekbelasting, bijvoorbeeld voor de zomervakantie of rond het einde van het jaar, loopt de wachttijd soms op tot 1-2 maanden. Gedurende rustigere periodes zijn er over het algemeen geen wachttijden. Wat betreft de doorlooptijd van intake naar beschikking geldt dat dit over het algemeen niet systematisch wordt bijgehouden.

Alleen in Medemblik wordt deze doorlooptijd geregistreerd; in Opmeer wordt momenteel toegewerkt naar een vergelijkbare registratie. Medewerkers van de lokale teams in Hoorn schatten de doorlooptijd van aanmelding tot beschikking op 8 tot 10 weken, maar het is onduidelijk of de variatie in wachttijden bij aanmelding daarbij is meegewogen. Deze doorlooptijd wordt niet systematisch geregistreerd. Beleidsmedewerkers vertellen dat het proces in de praktijk minder eenduidig verloopt dan één intake gevolgd door een beschikking. Vaak zijn meerdere gesprekken nodig om de hulpvraag helder te krijgen, of wordt eerst procesregie ingezet waarna later alsnog een beschikking volgt. Dit maakt het lastig om zuivere data te verzamelen. Hetzelfde geldt voor verlengingen. Tabel 10 - Wachttijden (in weken) per gemeente Gemeente / Team

Wachttijd aanmelding- intake

1.Hoorn (3 gebiedsteams) Team Jeugd Medemblik Wijkteam Opmeer Ons Stede Broec Afdeling Jeugd SED-organisatie

* verschilt per gebiedsteam en periode ** tot voor kort geen wachtlijst

70

0-8 weken* 28 weken 2 weken** 0 25 weken

Doorlooptijd intakebeschikking 8- 10 weken op basis inschatting medewerkers 7 weken op basis registratie Wordt niet bijgehouden Wordt niet bijgehouden Wordt niet bijgehouden

Wachtlijsten tweedelijns jeugdhulp en overbruggingszorg door lokale teams Het grootste knelpunt bij het doorverwijzen zijn de lange wachtlijsten bij tweedelijns jeugdhulpaanbieders. Dit wordt door alle onderzochte gemeenten bevestigd. De lokale teams hebben goed zicht op de actuele wachtlijsten bij gecontracteerde regionale aanbieders. Zij maken hiervoor gebruik van de eerder genoemde Beschikbaarheidswijzer. Deze biedt per zorgvorm ook inzicht in de wachtlijsten. Zo kunnen consulenten gericht verwijzen. Dit neemt het probleem van de wachtlijsten alleen nog niet weg. Bij sommige jeugdhulpaanbieders lopen deze inmiddels zelfs op tot een jaar. In alle zes onderzochte gemeenten wordt in meer of mindere mate invulling gegeven aan overbruggingszorg. Deze tijdelijke ondersteuning is bedoeld om escalatie te voorkomen en de continuïteit van hulp te waarborgen totdat passende hulp beschikbaar is. Lokale teams voelen zich verantwoordelijk om gezinnen in de tussentijd niet zonder hulp te laten zitten. In de praktijk betekent dit vaak dat jeugdwerkers contact houden, een luisterend oor bieden en waar mogelijk praktische adviezen geven. Dit kan de wachttijd voor gezinnen draaglijker maken, maar vervangt de benodigde specialistische hulp niet. De mate van ondersteuning verschilt per gemeente en hangt samen met de aard van de problematiek en de inzetmogelijkheden van het lokale team.

Sommige gemeenten – zoals Drechterland, Opmeer en Hoorn – hanteren een actieve benadering waarin het lokale team ondersteuning blijft bieden zolang er nog geen formele overdracht heeft plaatsgevonden. In Drechterland is overbruggingszorg zelfs structureel onderdeel van de werkwijze en wordt er expliciet gestuurd op het vasthouden van de casus totdat deze formeel is overgenomen. In Hoorn is de mate van ondersteuning afhankelijk van de complexiteit van de casus; bij een meervoudige hulpvraag is actief contact standaard, terwijl bij enkelvoudige hulpvragen het initiatief bij het gezin ligt. In andere gemeenten, waaronder Enkhuizen, Medemblik en Stede Broec (voor zover Ons Stede Broec niet is betrokken), blijkt het bieden van overbruggingszorg minder vanzelfsprekend. Beperkingen in capaciteit of positionering van het lokale team maken dat gezinnen soms zonder actieve begeleiding wachten op de start van hun behandeling. De overbruggingszorg beperkt zich tot gezinnen met ernstige problematiek in de vorm van procesregie. Het Stadsteam in Enkhuizen ervaart een snelgroeiende druk om overbruggingszorg te leveren, en kan niet aan alle aanvragen voldoen omdat het anders ten koste gaat van hun reguliere taken. Lange wachttijden bij verlenging beschikking Jeugdhulpaanbieders merken op dat bij verlenging van de jeugdhulp, hulpvragers soms op een (lange) wachtlijst komen bij de gemeente.

Dit punt wordt uitgebreider besproken in Hoofdstuk 6.

71

Normen m.b.t. wachttijden − Gemeenten maken onderscheid tussen (korte) wachttijden en wachtlijsten. De wachttijd is het aantal dagen dat de jeugdige op hulp wacht. Een korte wachttijd is acceptabel en wenselijk omdat deze de ruimte geeft om het juiste hulptraject in te regelen en de juiste hulpverlening te koppelen aan de hulpvraag. Een wachtlijst gaat over het aantal gezinnen dat op hulp wacht. Dit is onwenselijk. − Er is zicht op wachtlijsten en wachttijden (inclusief definities en wijze van monitoring) − Vermindering van wachttijden vindt plaats volgens beoogd beleid (o.a. gemeenten zetten in op normalisering van opgroei- en opvoedproblemen)

Onderscheid wachttijden en wachtlijsten Gemeenten maken onderscheid tussen wachttijden en wachtlijsten. Korte wachttijden worden werkbaar gevonden, maar lopen uiteen: De lokale teams van Opmeer en Stedebroec hebben voor hun eerstelijnshulp een beperkte of zelfs geen wachttijd. In de gemeenten Medemblik, Enkhuizen en Drechterland was de wachttijd voor een intakegesprek ten tjde van dit onderzoek gemiddeld zes a zeven maanden. Zicht op wachttijden en wachtlijsten Bij acute situaties wordt direct opgeschaald en is aan de Treeknorm voldaan. Voor niet-acute hulpvragen is het zicht beperkt: alleen Medemblik registreert structureel (gemiddeld 7 weken van intake tot beschikking), en Opmeer werkt hieraan. In andere gemeenten ontbreekt systematische monitoring. Wat de monitoring compliceert is dat de route naar een beschikking kan variëren (bijvoorbeeld wanneer eerst procesregie wordt ingezet) en daardoor lastig eenduidig te meten is. Vermindering van wachttijden Er worden verschillende inspanningen gedaan om wachttijden te verminderen. Binnen de lokale teams gebeurt dit door actief in te zetten op normalisering van opgroei- en opvoedproblemen en het aantrekken van extra personeel. Bij doorverwijzing naar de tweedelijns jeugdhulp wordt via de Beschikbaarheidswijzer gezocht naar aanbieders met de kortste wachttijd.

De mogelijkheden om wachttijden in de specialistische jeugdhulp te verkorten zijn verder beperkt, omdat dit grotendeels buiten de invloed van gemeenten ligt.

4.7 Beheersing van kosten Beheersing door triage Voor alle zes de gemeenten is beheersing van de kosten van jeugdhulp een belangrijk aandachtspunt. Dat specialistische jeugdhulp veel kost en zwaar drukt op de gemeentelijke begroting wordt gevoeld tot op het niveau van de jeugdwerkers die dagelijks moeten beslissen of een kind/gezin in aanmerking komt voor (specialistische) jeugdhulp. Wij zagen dit bewustzijn binnen elke gemeente bij vrijwel elke betrokkene. Tegelijkertijd geldt ook binnen elke gemeente breed het uitgangspunt dat ieder kind of gezin de hulp moet krijgen die het nodig heeft. Concreet betekent dit dat geen van de zes gemeenten een ‘stop’ hanteert op het doorverwijzen op het moment dat het begrote budget op is. Men verwijst door naar specialistische jeugdhulp ongeacht het budget dat hiervoor beschikbaar is. Wel wordt dus altijd kritisch gekeken naar de mogelijkheden om mensen in het voorveld of eerstelijn te helpen. Het beeld dat uit de gesprekken met de jeugdwerkers naar voren is gekomen en ook wordt bevestigd door de casuïstiek is dat geen kind of

72

gezin zomaar wordt doorverwezen. Zoals beschreven in paragraaf 4.2 wordt dat oordeel vrijwel altijd gevormd op basis van overleg met een gedragsdeskundige en meestal ook na collegiaal overleg. Men spreekt in dit geval van doorverwijzen op basis van het vierogenprincipe (doorverwijzen na toetsing bij een collega) of triage (doorverwijzen na overleg tussen consulent, gedragsdeskundige en ouders). Rond het doorverwijzen en de afweging die daarbij wordt gemaakt om eerstelijns of tweedelijns hulp in te zetten zien wij verschillen tussen gemeenten. Bij de lokale teams van Opmeer en Stede Broec zijn de consulenten die verantwoordelijk zijn voor het doorverwijzen (verantwoordelijk zijn voor het opstellen van het perspectiefplan) zelf ook eerstelijnshulpverlener. Zij gaan daardoor bij iedere doorverwijzing automatisch na of zij de betrokken jeugdige of gezin zelf kunnen helpen. Voor deze teams geldt dat zij hulpvragers in beginsel zelf helpen tenzij hun expertise tekortschiet. Voor deze gemeenten geldt dat de eerstelijnshulp altijd on handbereik is, in de zin dat er niet naar hoeft te worden doorverwezen, of dat hulpvragers moeten worden overgedragen. Voor Hoorn geldt hetzelfde. Eerstelijnshulpverlening en doorverwijzen zitten onder één dak bij dezelfde organisatie, maar deze functies zijn daarbij wel belegd bij verschillende medewerkers.

In Medemblik staat de eerstelijnshulp enigszins op afstand van de jeugdhulpverlener die verantwoordelijk is voor intake en doorverwijzing ( van Team Jeugd). Hoewel Team Preventie (dat eerstelijnszorg biedt in den brede, bijvoorbeeld ook in het kader van de Wmo) en Team Jeugd beiden onderdeel zijn van de gemeente, opereren zij in de praktijk los van elkaar. Een inwoner die zich bij het Team Jeugd meldt met een jeugdhulpvraag passeert hier niet automatisch de eerstelijnshulp. Normen m.b.t. kostenbeheersing − De kosten van een hulpverleningstraject die via de gemeenten wordt ingezet zijn beheersbaar Deels: aan elke doorverwijzing naar specialistische hulp ligt een perspectiefplan ten grondslag waarin nut, noodzaak en alternatieven zijn overwogen. In de praktijk stemmen consulenten voordat zij doorverwijzen af met collega’s. Elke gemeente beschikt hiervoor over een gedragsdeskundige die als klankbord wordt geraadpleegd. De zorgvuldigheid van het doorverwijzen kan niet wegnemen dat hulptrajecten soms langer duren dan vooraf bedacht, dat een beschikking verlengd moet worden en daarmee de kosten hoger worden dan vooraf geraamd. Verder heeft elke gemeente te maken met enkele hulptrajecten waarvan de kosten oplopen tot in de tonnen op jaarbasis vanwege een zeer intensieve hulpbehoefte van soms meerdere gezinsleden.

− Gemeenten hebben voorafgaand aan een hulpverleningstraject direct zicht op de (verwachte) kosten. Deels: aan elke beschikking is een zorgarrangement verbonden. Hiermee is vooraf vastgelegd welk budget voor het hulptraject beschikbaar is. Het neemt echter niet weg dat in de praktijk trajecten regelmatig verlengd moeten worden en daarmee de kosten hoger worden dan vooraf geraamd.

Beheersing door middel van het perspectiefplan Op het moment dat wordt doorverwezen gebeurt dat altijd op basis van een perspectiefplan waarin is vastgesteld welk zorgarrangement wordt aangeboden. Dit betekent dat voorafgaand aan elke traject van specialistische hulp is vastgelegd

73

welk budget beschikbaar is. Per traject worden de kosten hiermee dus beheerst. Hierbij geldt wel als belangrijk aandachtspunt dat het vaak voorkomt dat na afloop van een arrangement verlenging wordt aangevraagd. Consulenten zien regelmatig trajecten waarbij ‘beschikking op beschikking’ wordt afgegeven. Lang niet altijd kan daarbij goed worden vastgesteld of verlenging van het traject doeltreffend is, in de zin dat het de vraag is of met een verlenging de eerder gestelde behandeldoelen wél worden behaald. Dit gebrek aan inzicht geldt met name voor enkelvoudige zaken waarbij vanuit het lokale team geen procesregisseur bij het kind of gezin betrokken is. Alle gemeenten geven aan meer aandacht te willen besteden aan verlengingen van hulptrajecten. . Het ontbreekt echter vooralsnog aan personele capaciteit om daar daadwerkelijk invulling aan te geven. Op dit moment is voorgeschreven dat verlenging plaatsvindt op basis van een nieuw plan waarbij een deel wordt geschreven door de aanbieder en een ander deel door de jeugdwerkers. Het veronderstelt dat op elk hulptraject een vorm van procesregie wordt gevoerd. In de praktijk ontbreekt het hier echter bij veel trajecten aan, met name de enkelvoudige trajecten. Bij het gesprek dat bij een verlenging in principe gevoerd moet worden tussen hulpvrager, zorgaanbieder en jeugdwerker, is laatste vaak niet aanwezig.

Uit de gesprekken maken wij op dat het achterliggende probleem tweeledig is: -

-

-

Soms worden consulenten niet uitgenodigd. Dit gebeurt met name bij hulptrajecten waar jeugdwerkers inhoudelijk niet betrokken zijn. Soms wordt de consulent simpelweg vergeten, maar het komt ook voor dat het voor de zorgaanbieder niet duidelijk is wie zij precies moeten uitnodigen en wat de meerwaarde daarvan is. Een aanbieder zegt daarover: “Wat meespeelt is het personeelsverloop. We zien regelmatig dat de consulent die destijds de doorverwijzing heeft gedaan niet meer bij het lokale team werkt.” Het is regelmatig lastig om een moment te vinden waarop iedereen om de tafel kan. Zowel gemeenten als zorgaanbieders wijzen hierbij naar de beperkte capaciteit, beschikbaarheid en werkdruk bij de lokale teams. Een jeugdwerker zegt hierover: “Eigenlijk heeft iedereen het te druk. Het liefst zou ik iedere twee weken een half uur om de tafel willen, maar eenmalig een afspraak maken is al complex.” Verder is in de gesprekken aangegeven dat vanwege capaciteitsgebrek lokale teams/jeugdwerkers het perspectiefplan soms laten schrijven door de zorgaanbieder. Door alle betrokkenen (inclusief de zorgaanbieders) is aangegeven dat dit onwenselijk is. De gewenste collegiale afstemming en afstemming met een gedragsdeskundige ontbreekt dan immers. Dit probleem doet zich overigens structureel voor bij doorverwijzing door de huisarts (zie Hoofdstuk 5).

Verder wordt in het kader van kostenbeheersing er vaak op gewezen dat kostenoverschrijdingen ook opeens kunnen optreden zodra er een gezin in beeld komt waar acuut zeer intensieve zorg voor nodig is. Het gaat bijvoorbeeld om een gezin waar een of meer kinderen vanwege een onveilige situatie in een gezinshuis

74

moeten worden geplaatst en waarbij aanvullend specialistische hulp moet worden geboden. Elke gemeente heeft wel enkele trajecten waarvan de kosten uiteindelijk op jaarbasis in de tonnen lopen.

4.8 Toezicht op rechtmatigheid Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de middelen voor jeugdzorg rechtmatig worden ingezet. Dit rechtmatigheidsbegrip is drieledig. In de eerste plaats moet erop worden toegezien dat de jeugdigen/gezinnen de zorg geleverd krijgen waar ze wettelijk recht op hebben, In de tweede plaats houdt het in dat de zorg wordt geleverd volgens de afspraken die in contracten met aanbieders zijn vastgelegd. In de derde plaats moet worden gecontroleerd of de declaraties en facturen van zorgaanbieders daarmee juist en rechtmatig zijn. Kijkend naar de jeugdzorg die via de gemeentelijke route wordt aangeboden, dan wordt op elke van deze drie genoemde elementen in de volgende organisatieonderdelen toegezien, zie Tabel 10. Tabel 10: Toezicht op rechtmatigheid jeugdzorg via de gemeentelijke route Aspecten van rechtmatigheid

Wie ziet er op toe?/ Waar is het belegd?

Hebben de ontvangers recht op de hulp die hen wordt gegeven?

Toezicht hierop gebeurt vanuit de lokale teams door de jeugdwerker die verantwoordelijk is voor het opstellen van het perspectiefplan. Toezicht hierop gebeurt door de backoffice/medewerkers van de financiële administratie. Verder kijkt de jeugdwerker die het perspectiefplan opstelde bij de eindafrekening of resultaten zijn behaald. Bij procesregie zaken houdt de jeugdwerker ook tussentijds een vinger aan de pols. Toezicht hierop gebeurt door de regionale netwerkorganisatie en medewerkers van de backoffice/financiële administratie.

Wordt de hulp geleverd volgens het perspectiefplan?

Factureren zorgaanbieders rechtmatig?

Hebben jeugdigen en gezinnen daadwerkelijk recht op zorg? Jeugdwerkers beantwoorden deze vraag bij elke doorverwijzing vooral impliciet. Vanaf het eerste moment dat zij in gesprek gaan met een hulpvrager proberen zij in te schatten of zorg nodig is, en zo ja welke zorg dan passend is. Zoals in voorgaande paragraaf beschreven, zijn consulenten zich bewust van de kosten van tweedelijnszorg en dat elke doorverwijzing daarom gebaseerd moet zijn op een gedegen afweging. Wat hen hierbij helpt is dat rond elke doorverwijzing een perspectiefplan moet worden opgesteld en dat daar in de praktijk altijd afstemming over is met een gedragsdeskundige of een collega in een casusoverleg. Alle gemeenten/lokale teams hebben ten behoeve van deze afweging een gedragsdeskundige in dienst. De afwegingen en de onderlinge afstemming nemen niet weg dat het in de praktijk voor jeugdwerkers soms lastig kan zijn de toegang tot de jeugdhulp te bewaken.

75

Tijdens de gesprekken werden met name drie situaties naar voren gebracht waarbij ouders druk kunnen uitoefenen om doorverwezen te worden. -

-

-

Mondige hulpvragers met omlijnde verwachtingen: hulpvragers kunnen mondig zijn en kunnen voordat zij het gesprek aangaan met een consulent al een duidelijk beeld hebben van de zorg die zij willen hebben. Een consulent zegt hierover: “Ik heb zo nu en dan met ouders te maken die precies weten bij welke specifieke zorgaanbieder zij hulp willen krijgen. Zij hebben dan over een specifieke zorgaanbieder positieve verhalen gehoord op het schoolplein, van familie of vrienden. Bij deze ouders kan het lastig zijn open het gesprek in te gaan waarbij ook nog wordt gekeken of er mogelijkheden zijn in het voorveld.” Beoordeling van eigen kracht: er zijn vormen van jeugdhulp die als (neven)effect hebben dat het de ouders ontlast. In de aanvraag voor deze hulp speelt naast het belang van het kind ook min of meer het belang van de ouder mee. Bijvoorbeeld, een verblijf bij een zorgboerderij kan voor ouders functioneren als alternatief voor buitenschoolse opvang. Dit maakt een gesprek over het beëindigen van de hulp soms lastig, zeker wanneer de toegevoegde waarde voor het kind beperkt is maar de hulp ouders wel ontlast. Een vergelijkbaar voorbeeld waarin een hulpvraag ook gebaseerd is op een ouderbelang, was een casus waarin ouders vroegen om leerlingenvervoer. Het riep bij de consulent én ouders de vraag op waar verantwoordelijkheid van de ouders stopt en die van de gemeente begint.

Ouders die al lang op de wachtlijst binnen de eerstelijn hebben gestaan. Eerstelijnsvoorzieningen kunnen wachttijden hebben. Dat geldt met name voor de voorzieningen die niet direct toegankelijk zijn of zelf geen directe hulp bieden. Het kan daardoor voorkomen dat een jeugdige of gezin enkele weken en in een enkele gemeente soms zelfs maanden moet wachten op een intake en vraagverhelderend gesprek. Het kan soms lastig zijn om ouders die lang hebben moeten wachten na weken of maanden alsnog door te verwijzen naar een voorliggende algemene voorziening. Een consulent zegt hierover: “Soms moeten ouders lang wachten op een eerste gesprek. Als ik nu pas na 7 maanden bij een gezin kom, ben ik minder geneigd ze naar een voorliggende voorziening te sturen. Het zou heel raar zijn na zeven maanden te zeggen, ‘ga maar naar het maatschappelijk werk’. Daar hebben mensen niet al die tijd op zitten wachten.”

Wat het voor een consulent extra lastig maakt om in bovenstaande situaties voet bij stuk te houden als een hulpvrager tóch wil worden doorverwezen, is dat voor de hulpvrager altijd nog de route via de huisarts openstaat. Hij kan zich altijd nog tot de huisarts wenden om daar een doorverwijzing te krijgen. In een situatie waarin een jeugdwerker zelf het perspectiefplan niet heeft geschreven maar waar dat is gedaan door de zorgaanbieder, kan de jeugdwerker ook druk voelen om ergens voor te tekenen terwijl hij vragen heeft over de doelmatigheid. Door betrokkenen is aangegeven dat dat lastige situaties kan opleveren: “Je moet dan als consulent de zorgaanbieder gaan bevragen over nut en

76

noodzaak van een behandeling, soms zonder dat je zelf de hulpvrager en zijn situatie (goed) kent.” Deze situatie doet zich vooral voor bij doorverwijzingen door huisartsen (zie ook Hoofdstuk 5), maar ook bij doorverwijzingen door het lokale team waarbij de consulent zelf geen tijd had om het plan te schrijven. Dat deze situaties lastig kunnen zijn komt ook naar voren in de gesprekken met de zorgaanbieders. Dit wordt nader besproken in paragraaf 6.3. Wordt de hulp uitgevoerd conform het perspectiefplan? Naast het toezicht op nut en noodzaak van jeugdhulp zien de gemeenten erop toe dat de zorgaanbieders de hulp conform de afspraken van het perspectiefplan uitvoeren. Dit toezicht is bij de zes gemeenten in de eerste plaats belegd bij de consulent die ook de beschikking heeft afgegeven. Bij de SED-gemeenten is dat een jeugdconsulent van de SED-organisatie. In Medemblik is het een jeugdhulpverlener van Team Jeugd, in Hoorn en Opmeer de consulent van het lokale team. In de praktijk beperkt dit toezicht zich vooral tot een contactmoment tegen het einde van een hulptraject. Dit contactmoment heeft tot doel om te bepalen of de doelen van de behandeling zijn behaald. Dit toezicht is lastiger naarmate de jeugdwerker de hulpvrager en diens omstandigheden slechter kent. Bij een traject dat via de huisarts is ingezet is dat vrijwel altijd het geval.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16418073/1