CConstaterende datStede Broec
Koppel je AI →
Document · PDF

20200914 t NL.IMRO.0532.BPhoofdstraat195-ON01

Commissie Grondgebiedzaken 8 maart 2021, gemeente Stede BroecBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Hoofdstraat 19512.692 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niet gevonden in dit document.

bestemmingsplan

Hoofdstraat 195, Bovenkarspel Gemeente Stede Broec

Planstatus:

ontwerp

Plan identificatie:

NL.IMRO.0532.BPhoofdstraat195-ON01

Datum:

2020-09-14

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. T. Oostrom | dhr. R. van der Made

Kenmerk Buro SRO:

SR180025

Opdrachtgever:

Breg ontwerp en advies

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 4 1.3 Geldend planologisch regime .............................................................................................................................. 5 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 6

2 Huidige situatie........................................................................................................................................ 7 3 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 9 4 Beleidskader .......................................................................................................................................... 11 4.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 11 4.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 12 4.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 15 4.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 17

5 Milieuaspecten ...................................................................................................................................... 18 5.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 18 5.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 19 5.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 20 5.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 21 5.5 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 22 5.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 23 5.7 Water ................................................................................................................................................................

25 5.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 28 5.9 Archeologie ....................................................................................................................................................... 28 5.10 Cultuurhistorie ................................................................................................................................................ 30 5.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 30 5.12 Duurzaamheid ................................................................................................................................................. 31

6 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 32 6.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 32 6.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 32 6.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 32 6.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 33

7 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 34 7.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 34 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 34

3

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens de woning aan de Hoofdstraat 195 te Bovenkarspel te slopen en ter plaatse een appartementencomplex met zes appartementen en een parkeerplaats te realiseren. Het beoogde pand is passend in de bebouwingsstructuur van de Hoofdstraat. De tuin en de parkeerplaats aan de achterzijde zijn te bereiken via de parkeerplaats van de Sint Martinuskerk. Het geldende bestemmingsplan staat het voorgenomen plan niet toe (zie toelichting paragraaf 1.3). Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken dient een partiële herziening van het bestemmingsplan opgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is gelegen aan de Hoofdstraat 195 te Bovenkarspel (gemeente Stede Broec), nabij het centrum van Bovenkarspel. De planlocatie betreft de kadastrale percelen gemeente Stede Broec, sectie A, percelen 1655 (deels), 2055 (deels) en 2771 (deels). De navolgende afbeeldingen tonen de ligging en de globale begrenzing van het plangebied.

Globale ligging plangebied (witte cirkel) (bron: Google Earth)

4

Globale begrenzing plangebied (rood omkaderd) (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Geldend planologisch regime Voor de gronden in het plangebied geldt de beheersverordening 'Kom Stede Broec' (vastgesteld op 5 juli 2018). Hierin wordt verwezen naar de verbeelding en planregels van het bestemmingsplan 'Kom Stede Broec' (vastgesteld op 4 oktober 2007). De navolgende afbeelding toont een uitsnede van dit bestemmingsplan.

5

Uitsnede bestemmingsplan 'Kom Stede Broec'

In het bestemmingsplan hebben de gronden in het plangebied de bestemmingen 'Bedrijf', 'Maatschappelijk' en 'Water'. Het bestemmingsvlak 'Bedrijf' is voorzien van een bouwvlak met de aanduiding 'bedrijfswoning'. Bedrijfsgebouwen mogen alleen binnen het aangegeven bouwvlak gerealiseerd worden. Het beoogde appartementengebouw is hier, gezien het toegestane gebruik en de maximaal toegelaten goot- en bouwhoogte, niet toegestaan. Daarnaast is het niet toegestaan op de voor 'Water' aangewezen gronden wegen of paden aan te leggen. Gezien het voorgaande is het beoogde plan in strijd met het geldende bestemmingsplan. Derhalve dient er een partiële herziening van het bestemmingsplan opgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hier in.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie beschreven. In hoofdstuk 3 komt de planbeschrijving aan bod. In hoofdstuk 4 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 5 komen de verschillende milieuaspecten aan de orde. Hoofdstuk 6 bevat vervolgens een juridische toelichting. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

6

2 Huidige situatie In de huidige situatie is het pand in het plangebied in gebruik als (bedrijfs)woning. De bebouwing bestaat uit een woning die stamt uit het bouwjaar 1904 en beschikt over een oppervlakte van circa 310 m². De tuin bij de (bedrijfs)woning heeft een oppervlakte van 611 m² (circa 37 m diep en 16,5 m breed). De (bedrijfs)woning wordt alleen ontsloten via de voorkant aan de Hoofdstraat. De navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied in de huidige situatie.

Impressie vooraanzicht huidige situatie (bron: oozo.nl)

7

Impressie achterzijde huidige situatie (bron: oozo.nl)

In de directe omgeving van het plangebied zijn woningen, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen aanwezig. Aan de Hoofdstraat zijn voornamelijk vrijstaande, maar ook enkele geschakelde woningen gebouwd. Het plangebied is ingeklemd tussen de bebouwing aan de Hoofdstraat, de tuin van de woning aan Hulft 10 en de watergang met beschoeide oever ten noorden van de planlocatie. Dit maakt dat het perceel niet ontsloten is via de noordzijde.

8

3 Planbeschrijving De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te slopen en ter plaatse een appartementengebouw met zes appartementen en bijbehorende tuin, bergingen en parkeervoorzieningen te realiseren. Het beoogde gebouw wordt grotendeels binnen de huidige bebouwingscontouren gerealiseerd en krijgt twee bouwlagen met een kap, waarmee de massa van het gebouw overeenkomt met de bebouwing in de omgeving. Het hoofdvolume houdt enige afstand tot de naastgelegen gebouwen. De gronden ten noorden van het beoogde appartementengebouw (achterzijde) worden ingericht als tuin. Hier worden twee vrijstaande bijgebouwen met in totaal zes bergingen gerealiseerd. Het parkeerterrein wordt ter plaatse van de huidige tuin in het noordelijk deel van het plangebied aangelegd. Dit parkeerterrein wordt ontsloten aan de noordzijde van de planlocatie. Hier sluit een inrit aan op het parkeerterrein van de St. Martinuskerk. Om deze inrit te kunnen realiseren dient er circa 5 m² water gedempt te worden en nieuwe beschoeiing geplaatst te worden. Op de navolgende afbeelding is de situatietekening van de toekomstige situatie weergegeven.

9

Situatietekening toekomstige situatie (bron: Breg ontwerp en advies), 17-131, 8 januari 2020)

Voor de beoogde woning is een (voorlopig) schetsvoorstel opgesteld. De navolgende afbeelding toont de gevelaanzichten van dit schetsvoorstel.

Gevelaanzichten beoogde situatie (bron: Breg ontwerp en advies, 17-131, 8 januari 2020)

10

4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. In deze structuurvisie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. De woon- en werklocaties in steden en dorpen moeten aansluiten op de kwalitatieve vraag en de locaties voor transformatie en herstructurering worden zo veel mogelijk benut. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog een 'ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.

Planspecifiek De aard en kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling maakt dat er, los van de ladder voor duurzame verstedelijking, geen raakvlak is met het Rijksbeleid. In toelichting paragraaf 4.1.3 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is de ontwikkeling dusdanig klein van schaal dat het niet direct van nationaal belang is.

Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan. 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' die op 1 juli 2017 in werking is getreden. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die

11

3.

4.

ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Bij het voorliggende initiatief is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, omdat er slechts zes woningen worden gerealiseerd. Ten opzichte van de huidige planologische situatie betreft dit een toename van vijf woningen. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling niet nader getoetst hoeft te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities: Leefomgeving a. b. c.

Klimaatverandering: een klimaat bestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt.

Gebruik van de leefomgeving a.

Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten.

12

b.

c. d.

Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen. Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.

Energietransitie a.

De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie.

Daarnaast wordt er met de Omgevingsvisie NH2050 geprobeerd om een richting uit te zetten om houvast te bieden naar de onzekere toekomst. Daarvoor wordt een aantal bewegingen naar de toekomst toe benoemd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector

Er wordt in de Omgevingsvisie NH2050 uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Planspecifiek Wonen en werken binnenstedelijk De vraag naar woningen en ruimte voor bedrijven, alsmede de ruimtevraag naar recreatie en andere functies, houdt aan. De ambitie van de provincie Noord-Holland is dat vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn. De woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Wonen en werken worden binnenstedelijk geconcentreerd (transformeren, bundelen, verdichten). Voorliggend plan bevindt zich in een binnenstedelijk gebied en draagt bij aan het woningaanbod. Daarmee sluit het aan op de ambities van de provincie. Sterke kernen, sterke regio's In het regionale netwerk zijn verschillende typen kernen complementair aan elkaar. Daarbij zijn krachtige centrumsteden van cruciale betekenis voor de leefbaarheid van de hele regio vanwege de regionale voorzieningen en de stedelijke woon- en werkmilieus die er te vinden zijn. Zij kunnen jonge mensen en bedrijven aantrekken, wat leidt tot dynamiek en gezonde regio’s.

Door de centrumsteden te versterken, verbetert het vestigingsklimaat en worden deze steden nog interessanter voor woonconsumenten en bedrijven die zich in een stedelijke omgeving willen vestigen. Vanwege het toevoegen van woningen draagt voorliggend plan bij aan het versterken van de kern Bovenkarspel. Conclusie Voorliggend plan is in lijn met de ambities van de provincie Noord-Holland. 4.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening Op 21 juni 2010 de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld door Provinciale Staten van Noord-Holland. Naar aanleiding van nieuwe wetgeving en/of provinciaal beleid wordt de PRV regelmatig aangepast. De laatste wijziging van de PRV is op 3 september 2019 vastgesteld.

13

De Provinciale Ruimtelijke Verordening stelt regels en voorwaarden waaraan de inhoud van onder ander (gemeentelijke) bestemmingsplannen moet voldoen. Er zijn regels voor het gehele provinciale grondgebied, voor uitsluitend het bestaand bebouwd gebied en voor uitsluitend het landelijk gebied. Planspecifiek Het voorliggende plan is een kleinschalige ontwikkeling: nieuwe bebouwing voor stedelijke functies die gelet op de kleinschaligheid en beperkte ruimtelijke gevolgen niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening. Bij een kleinschalige ontwikkeling is artikel 5c van de PRV van toepassing. Dit artikel regelt verstedelijking die zodanig beperkt van omvang is dat deze niet ladderplichtig is. De gedachte hierbij is dat er voor een kleinschalige ontwikkeling altijd ruimte te vinden is binnen het bestaand stedelijk gebied, terwijl er buiten bestaand stedelijk gebied wel beperkingen gelden. Uit toelichting paragraaf 4.1.3 blijkt dat het voorgenomen plan niet ladderplichtig is.

De definitie van bestaand stedelijk gebied is gelijk aan de definitie van artikel 1.1.1 eerste lid onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Omdat ter plaatse van de beoogde woningen de bestemming 'Bedrijf' geldt, de gronden reeds grotendeels bebouwd zijn en het plangebied is gelegen nabij het centrum van de kern en omgeven is door woningen en bedrijven, dient het plangebied aangemerkt te worden als bestaand stedelijk gebied. Vanwege de ligging binnen bestaand stedelijk gebied zijn er geen beperkingen ten aanzien van het voorgenomen plan, omdat een kleinschalige ontwikkeling betreft. Er dient geconcludeerd te worden dat het plan in overeenstemming is met het provinciale ruimtelijke beleid. 4.2.3 Provinciale Woonvisie 2010-2020 Op 27 september 2010 hebben Provinciale Staten van Noord-Holland de Provinciale Woonvisie 2010-2020 'Goed Wonen in Noord-Holland' vastgesteld. De woonvisie is een verdere uitwerking van de structuurvisie, waarin de kwaliteit van wonen centraal staat. De doelstelling voor 2020 is dat de inwoners van Noord-Holland beschikken over voldoende woningen met een passende kwaliteit en in een aantrekkelijk woonmilieu.

Om hiertoe te komen zijn de volgende drie speerpunten benoemd: 1. 2. 3.

betere afstemming tussen vraag en aanbod voor alle consumenten en vooral voor doelgroepen die minder kansen hebben op het vinden van een geschikte woning; betere afstemming van voorzieningen in de woonomgeving op de vraag van bewoners; verbetering van de duurzaamheid van het woningaanbod en de woonomgeving.

De provincie zet zich hierbij vooral in op de rol van procesleider, aanjager en expert. Vanuit deze rol stuurt de provincie aan op het maken van bestuurlijke afspraken in de Regionale Actie Programma's. In deze actieprogramma's worden de speerpunten en opgaven uit de woonvisie nader uitgewerkt. Planspecifiek Het initiatief heeft met name betrekking op speerpunt 1 en 3. De ontwikkeling voorziet in de behoefte naar huurappartementen in de vrije sector. De ontwikkeling speelt in op de vraag naar woningen in dit segment. Daarmee sluit het aan op het eerste speerpunt. Daarnaast is een nieuwbouwwoning relatief duurzaam, omdat het moet voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit. Dit is in lijn met het derde speerpunt. In toelichting paragraaf 4.3.1 wordt het voorgenomen plan getoetst aan de regionale woonvisie en het Regionaal Actieprogramma voor de regio West-Friesland.

14

4.3 Regionaal beleid 4.3.1 Regionale woonvisie West-Friesland 2017-2021 De Regionale woonvisie West-Friesland voor de periode 2017-2027 geeft invulling aan de ambitie van de regio West-Friesland om tot de top 10 woonregio's van Nederland te behoren. Samen met het Regionaal Actieprogramma (RAP) wordt uitvoering gegeven aan realistische doelen die in de regio opgepakt worden om de woningmarkt (meer) toekomstbestendig te maken en te behouden. De regionale woonvisie voor West-Friesland brengt de actuele situatie van de woningmarkt in beeld en geeft het beleid voor de korte termijn (tot 2020) en de middellange termijn (tot 2030) op hoofdlijnen aan. De woonvisie benoemt welke richting de West-Friese gemeenten met de woningmarkt op willen en waar rekening mee gehouden moet worden. Het doel van de woonvisie is om de West-Friese bevolking naar wens en tevredenheid te laten wonen en zoveel mogelijk een breed scala aan woonwensen en de woningbehoefte van de inwoners binnen de regio te realiseren. Samen met (andere) belanghebbenden op de woningmarkt zijn de speerpunten voor de woonvisie bepaald. Deze speerpunten zijn de ‘ankers’ waar de woonvisie en het RAP aan hangen. De WestFriese woonvisie zet in op de volgende vijf speerpunten:

• • • • •

Bestaande voorraad: kwaliteit en aantrekkelijkheid op peil houden en uitbouwen. Vitale kernen: leefbaar West-Friesland tot in de kern. Nieuwbouw: vooral inzetten op onderscheidende en complementaire producten. Scheiden van wonen en zorg: langer zelfstandig wonen bevorderen. Flexibel kader: houvast voor de regio en ruimte voor marktinitiatieven.

Planspecifiek De woningbehoefte in de regio West-Friesland in de periode 2017-2030 bedraagt 8.071 extra woningen. De woningbehoefte in de gemeente Stede Broec in dezelfde periode is 642 extra woningen. De harde en zachte plancapaciteit in de gemeente Stede Broec bedraagt gezamenlijk 601 woningen. Dit betekent dat er in kwantitatieve zin nog ruimte is 41 woningen. Het Regionaal Actieprogramma (RAP) West-Friesland 2017-2021 is de uitvoeringsagenda van de regionale woonvisie. In het RAP worden de speerpunten uit de regionale woonvisie uitgewerkt in acties. Het voorgenomen plan draagt bij aan de leefbaarheid van de kern Bovenkarspel. De regio West-Friesland biedt ruimte aan transformatie van vrijkomend vastgoed binnen de kernen. Daarbij gaat inbreiding voor uitbreiding. Aan nieuwe vormen van opdrachtgeverschap zoals particulier opdrachtgeverschap en marktinitiatieven wordt tevens ruimte geboden. In het RAP wordt verwezen naar een gezamenlijk afwegingskader voor nieuwbouwplannen en initiatieven. Dit betreft het Afwegingskader wonen Westfriesland 2019, dat op basis van de regionale woonvisie en het RAP is uitgewerkt. In de navolgende tabel is aangegeven of aan de criteria uit dit afwegingskader wordt voldaan. De Westfriese Basis (minimumvereisten)

Toetsing

het plan past binnen de indicatieve regionale woningbehoefte (inclusief de buffer) en blijft in principe binnen de gemeentelijke behoefte

voldoet (zie bovenstaande)

het plan voldoet aan de voorwaarde dat 70% van de woningbouwplannen in Westfriesland worden gerealiseerd in de krachtige kernen

het woningbouwplan wordt binnen de kern gerealiseerd

er is getoetst of het plan voldoet aan de regionale behoefte:

• •

kwantitatief (past binnen de regionale prognose) kwalitatief (woningtype, woonmilieu, kwaliteit, etc.)

15

•

kwantitatief: voldoet (zie bovenstaande)

•

kwalitatief: de appartementen

zijn geschikt voor verschillende doelgroepen het plan kan gerealiseerd worden binnen BSG. Wanneer het plan buiten BSG gelegen is, is getoetst of realisatie binnen BSG mogelijk is.

het plan wordt binnen BSG gerealiseerd

als realisatie past binnen de regionale behoefte, maar realisatie binnen BSG niet mogelijk is, is getoetst of het plan zich binnen een provinciaal beschermingsregime bevindt en multimodaal ontsloten is Het Westfries Vooruitdenken (ambities) het plan levert een positieve bijdrage aan betaalbaar wonen (huur onder de liberalisatiegrens / goedkope koop < €200.000) het plan levert een bijdrage aan het langer zelfstandig wonen het plan levert een positieve bijdrage aan duurzaamheidsdoelstellingen

niet van toepassing

het plan voorziet in woningen in de vrije huursector voor middeninkomens

voldoet

nieuwe woningbouw wordt zoveel mogelijk gerealiseerd in de nabijheid van een OV-knooppunt het plan draagt bij aan de aantrekkingskracht op woningzoekenden van buiten de regio door het bieden van een aantrekkelijke onderscheidende woonomgeving het plan draagt duurzaam bij aan de benodigde versnelling van de woningbouwproductie in Westfriesland en past binnen de woningbehoefte

voldoet

het plan vormt een toevoeging vanwege het type woningen waarin het voorziet het plan vormt een toevoeging vanwege de doelgroep woningzoekenden waarvoor het wordt gebouwd het plan vormt een toevoeging vanwege de onderscheidenheid in samenhang met woonmilieu en programma waarin het voorziet

voldoet voldoet voldoet

Toetsing voldoet niet voldoet mogelijk voldoet mogelijk

voldoet

voldoet

4.3.2 Structuurschets West-Friesland 'een dijk van een regio' De Structuurschets West-Friesland 'een dijk van regio' bevat een ruimtelijke uitwerking van de ambities uit de Regionale Economische Agenda en de Sociale agenda West-Friesland. Aan deze ambities wordt in de structuurschets ruimtelijke structuurversterking toegevoegd. De ambities zijn vertaald in zeven doelstellingen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

West-Friesland versterkt de leefbaarheid van de (kleine) kernen; West-Friesland benut recreatieve potenties van kust en steden; West-Friesland bouwt aan een duurzame, klimaatadaptieve regio; West-Friesland zorgt voor woonruimte voor de West-Friese bevolking; West-Friesland versterkt de woonkwaliteit; West-Friesland biedt ruimte voor ondernemen; West-Friesland versterkt de agribusiness.

Planspecifiek Het voorgenomen plan heeft betrekking op doelstelling 5. De hoofdlijn van het beleid is dat inbreiding voor uitbreiding gaat en dat dit bestaande steden, dorpen en kleine kernen versterkt. Daarbij verbetert de kwaliteit van het bestaand stedelijk gebied.

16

4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Toekomstvisie Stede Broec 2014-2024 De Toekomstvisie Stede Broec 2014-2024 is de opvolger van de structuurvisie uit 2007 en vormt de structuurvisie in het kader van de Wro. De gemeente Stede Broec zet zich er voor in om nu en in de toekomst een duurzame woon/werkgemeente te blijven. Dit betekent het respecteren en versterken van de kernwaarden van de gemeente en het tegengaan van ontwikkelingen die afbreuk doen aan die kernwaarden. Deze hoofddoelstelling valt uiteen in de volgende uitgangspunten:

• • • •

Keuze 1 - Duurzame ontwikkeling Keuze 2 - Uitgaan van eigen kracht en identiteit - Bekend maakt bemind! Keuze 3 - Behoud en versterking (ruimtelijke) kwaliteit Keuze 4 - Verbinding van netwerken en gebieden

Planspecifiek Het beoogde plan draagt bij aan de hoofddoelstelling van de toekomstvisie: het respecteren en versterken van de kernwaarden van de gemeente en het tegengaan van ontwikkelingen die afbreuk doen aan die kernwaarden. Bij het plan maakt een oude bedrijfswoning plaats voor een modern appartementencomplex. Daarbij verbetert de ruimtelijke kwaliteit en vitaliteit van de kern. Daarnaast past het plan bij het voornemen om het accent te leggen op kleinschalige ontwikkelingen en transformaties van het bestaand bebouwd gebied.

17

5 Milieuaspecten 5.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.(-beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling bevat namelijk zes woningen. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;

18

b.

belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de milieugevolgen, waaronder de aspecten bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, aan de hand van de drie selectiecriteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn in beeld gebracht in een aparte aanmeldnotitie. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Het bevoegd gezag kan op basis van de aanmeldingsnotitie besluiten of er al dan niet een m.e.r.(beoordeling) nodig is en publiceert dit in een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd hoeft te worden hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.

5.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Om aan te tonen dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen) is een verkennend bodemonderzoek (Landview Bodemonderzoek, 2019242, 25 juni 2019, zie bijlagen bij toelichting) uitgevoerd. Hieruit blijkt dat in de zwak tot sterk puinhoudende grond matige verhogingen van lood en of zink zijn geconstateerd.

Daarnaast zijn lichte verhogingen van cadmium, kobalt, koper, kwik, nikkel en PAK aangetroffen. In het grondwater zijn geen verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen. Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek is een aanvullend bodem- en asbestonderzoek (Landview Bodemonderzoek, 2020277, 16 juli 2020, zie bijlagen bij toelichting) uitgevoerd. In het aanvullend onderzoek is in twee monsters een verontreiniging tot boven de interventiewaarde met lood en in één monster een verontreiniging tot boven de interventiewaarde met zink geconstateerd. In de overige monsters zijn maximaal matige verhogingen van lood en of zink gemeten. Tijdens de visuele inspectie zijn geen asbestverdachte materialen op het maaiveld waargenomen. Tijdens het graven van de gaten, het zeven en de monstername is in de grond eveneens geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In het mengmonster van de grond uit de gaten is door het laboratorium geen asbest aangetroffen boven de bepalingsgrens. Daarmee is aangetoond dat op het maaiveld en in de grond geen asbesthoudend materiaal aanwezig is. Gezien de resultaten van het aanvullend bodemonderzoek is in principe nader onderzoek noodzakelijk om de omvang van de verontreinigingen beter in kaart te kunnen brengen. Op basis van de huidige onderzoeksresultaten is de verontreinigingssituatie redelijk duidelijk.

Bij meerdere boringen worden interventiewaarden voor lood of zink overschreden. Op de locatie is daarmee waarschijnlijk sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging (> 25 m³ in de grond boven interventiewaarden), waarmee saneringswerkzaamheden benodigd zijn. Deze werkzaamheden zullen aan het bevoegd gezag gemeld moeten worden middels een melding in het kader van Besluit uniforme saneringen (BUS-melding) of door

19

het indienen van een saneringsplan Wbb. De initiatiefnemer heeft in zijn exploitatie rekening gehouden met kosten voor saneringswerkzaamheden. Gezien het voorgaande is het bestemmingsplan uitvoerbaar vanuit het aspect bodem.

5.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van woningen. Een woning wordt in het kader van de Wet geluidhinder gezien als een gevoelige functie. Voor het toevoegen van een dergelijke functie binnen de onderzoekszone van een weg, spoorlijn of geluidgezoneerd industrieterrein moet een akoestisch onderzoek uitgevoerd worden. Het plangebied is niet gelegen binnen de onderzoekszone van een weg. De Hoofdstraat, Hulft en overige wegen binnen een afstand van 400 m tot de planlocatie zijn 30 km/uurwegen, waardoor de Wet geluidhinder niet van toepassing is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het aspect geluid vanwege wegverkeer wel meegewogen te worden. De Hoofdstraat heeft een smal wegprofiel met fietsstroken. Het wegdek bestaat uit asfalt, dat in vergelijking met andere wegtypen tot relatief weinig geluidhinder leidt. Het aantal verkeersbewegingen op het deel van de Hoofdstraat ten oosten van het plangebied bedraagt op een werkdag gemiddeld 2.878 verkeersbewegingen per etmaal. Ten oosten van plangebied geldt een verbod voor vrachtverkeer.

De provinciale wegen N307 en N505 ten noorden en zuiden van Bovenkarspel dienen als primaire ontsluitingswegen van de kern. De Hoofdstraat is duidelijk ondergeschikt aan de primaire ontsluitingswegen en aftakkingen daarvan. Er is, gelet op het profiel en verkeersintensiteit van de Hoofdstraat, geen aanleiding om te veronderstellen dat een goed woon- en leefklimaat in het geding kan zijn. Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal aangetoond dienen te worden dat voldaan wordt aan het binnenniveau van 33 dB conform het Bouwbesluit 2012. Het plangebied bevindt zich niet binnen de onderzoekszone van de spoorlijn Hoorn - Enkhuizen, die 100 m bedraagt ter hoogte van het plangebied. Verder is in de nabijheid van het plangebied geen geluidgezoneerd industrieterrein aanwezig. Er dient geconcludeerd te worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor het plan.

20

5.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.

Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.

21

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling kan gezien de zeer beperkte omvang aangemerkt worden als een NIBMproject. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. De ontwikkeling heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Aan de andere kant wordt wonen in het Besluit gevoelige bestemmingen niet gezien als een gevoelige bestemming. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving (van o.a. ministerie I&M en RIVM) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Daaruit blijkt dat de achtergrondconcentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) over 2016 respectievelijk maximaal 17 µg/m³, 10 µg/m³ en 14 µg/m³ bedragen. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke eisen.

5.5 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Wonen wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige functie. Er is daarom gekeken naar de aanwezigheid van bedrijven en andere milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied. Uit raadpleging van de geldende beheersverordening 'Kom Stede Broec' en de beheersverordening 'Stede Broec Noord' blijkt dat het plangebied in een gemengd gebied ligt. Rondom het plangebied zijn namelijk woningen, detailhandel, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen toegestaan. In de omgeving van het plangebied zijn detailhandel en maatschappelijke voorzieningen aanwezig. Volgens gegevens van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord worden in Vereenigingsgebouw 'De Tuf' aan de

22

Hoofdstraat 206 feesten en optredens gehouden. Alle activiteiten die in de huidige situatie plaatsvinden betreffen ten hoogste milieucategorie 2. Hiervoor geldt in gemengd gebied een richtafstand van 10 m. Conform de beheersverordening 'Kom Stede Broec' hebben de gronden waar deze activiteiten uitgevoerd worden de bestemmingen 'Bedrijf' en 'Maatschappelijk'. In deze bestemmingen zijn onder andere bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 2, productiegebonden detailhandel, sociaal-culturele doeleinden, religieuze doeleinden en educatieve doeleinden toegestaan. Ook de activiteiten die in de huidige planologische situatie toegestaan zijn betreffen ten hoogste milieucategorie 2. Hiervoor geldt in gemengd gebied een richtafstand van 10 m. Aan de richtafstand van 10 m wordt, met uitzondering van het aangrenzende perceel aan de Hoofdstraat 199, voldaan. De minimale afstand tot de overige detailhandel en maatschappelijke voorzieningen, zoals Vereenigingsgebouw 'De Tuf', bedraagt 15 m. Direct ten oosten van het plangebied, op het perceel aan de Hoofdstraat 199, is in de huidige situatie een woonwinkel gevestigd. Detailhandel (SBI-code 47A) betreft een activiteit van milieucategorie 1, waarvoor in gemengd gebied een richtafstand van 0 m.

De afstand tussen het beoogde appartementengebouw en de woonwinkel bedraagt circa 2,5 m en deze afstand wordt, mede gezien het feit dat aan de oostgevelzijde van het beoogde appartementen geen geluidproducerende bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd, als voldoende beschouwd om sprake te laten zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt de woonwinkel niet in zijn mogelijkheden beperkt, omdat in de huidige planologische situatie in het plangebied (Hoofdstraat 195) reeds een bedrijfswoning is toegestaan die bescherming geniet ten opzichte van bedrijven buiten de eigen inrichting (bijvoorbeeld woonwinkel aan de Hoofdstraat 199). Gezien het voorgaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

5.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze

23

10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.

Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet.

Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de

24

redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart externe veiligheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9811398/1