CConstaterende datStede Broec
Koppel je AI →
Document · PDF

04 nationaal programma woningbouw

Gemeenteraad 24 november 2022, gemeente Stede BroecBij agendapunt: GGZ19.483 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Niet gevonden in dit document.

900.000 woningen 100.000 per jaar twee derde betaalbaar programma woningbouw versterken regie sneller stimuleren woningen grootschalig Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

2 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Inhoudsopgave Inleiding

5

1

Context en analyse

7

2

Doelstellingen

13

3

Wat gaan we doen?

17

4

Sturing

39

5

Monitoring

47

6

Financiën

50

7

Wetgeving

51

Bijlage: Feiten en cijfers

52

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma 2022-2026 3

4 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Inleiding Volkshuisvesting is één van de prioriteiten van dit kabinet en één van de kerntaken van de overheid. Wonen in een goed, duurzaam en betaalbaar huis is een eerste levensbehoefte. Momenteel kunnen veel Nederlanders geen woning vinden die past bij hun wensen en portemonnee. Er zijn onvoldoende woningen en het aantal huishoudens neemt toe. Mensen komen in de knel en worden beperkt in een volgende stap in hun leven zoals kinderen krijgen, samenwonen of scheiden. Een snelle groei van het aantal woningen is noodzakelijk.

Regie Om snel meer woningen te bouwen is een omslag nodig. De overheid herneemt de regie ten aanzien van de volkshuisvesting. Lokale overheden moeten weten wat zij kunnen doen om te zorgen voor meer passende woningen op de juiste plek. Hierbij moeten we samenwerken als één overheid en samenwerken met de marktpartijen. Met meer tempo en het wegnemen van knelpunten, zetten we met dit programma in op de realisatie van 100.000 woningen per jaar in deze kabinetsperiode. Uiteindelijk zorgen we voor de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. We sturen op wat wordt gebouwd, voor wie wordt gebouwd en waar wordt gebouwd: passend bij de woonwensen en –behoeftes van mensen. We streven ernaar dat ten minste twee derde van de nieuwbouwwoningen betaalbare huur- en koopwoningen zijn.

Samen en in samenhang Met dit programma sturen we strakker dan voorheen op een woningbouwprogrammering die aansluit bij de woonwensen en -behoeften. We zorgen voor inzicht in de programmering en voortgang en sturen strakker op de realisatie ervan. Dit doen we door het maken van afspraken met medeoverheden en corporaties. We werken het juridisch instrumentarium bij, zodat deze accuraat is en adequaat kan worden ingezet wanneer bijsturen nodig is. We maken een sterkere koppeling tussen de beschikbare financiële middelen en gemaakte afspraken over realisaties. Dit doen we om de uitvoering van afspraken waar nodig te ondersteunen en de lokale slagkracht te vergroten. Hiermee streven we naar meer duidelijkheid, zekerheid en continuïteit voor de bouwsector, zodat we gezamenlijk onze doelen kunnen waarmaken. Er is eensgezindheid over de opgave in de woningmarkt en de oplossingsrichtingen, getuige de Actieagenda wonen die 34 partijen begin 2021 met elkaar hebben opgesteld. Overheden werken samen aan woningbouw in regionaal verband. Provincies en gemeenten hebben de afgelopen jaren de plancapaciteit voor woningbouw laten groeien tot landelijk 135% (het doel was 130%) van de behoefte, zodat er in principe voldoende locaties zijn geprogrammeerd voor woningbouw. Ondanks deze inspanningen blijft een winstwaarschuwing nog op zijn plaats.

Er is geen panacee en geen snelle oplossing voor alle problemen. De bouw van woningen kan complex zijn, lang duren en veel geld kosten. We moeten dit ook bekijken in samenhang met andere ontwikkelingen en belangen. Het is een uitdaging voor de overheid en bouwsector om aan de benodigde mensen te komen ten behoeve van de uitvoering van de gemaakte plannen.

Actielijnen Via vier actielijnen pakken we de huidige problemen aan en werken we aan onze gezamenlijke opdracht. 1. Versterken regie 2. Sneller van initiatief naar realisatie 3. Stimuleren snelle woningbouw 4. Grootschalige woningbouw

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma 2022-2026 5

Nationale Woon- en Bouwagenda Dit programma is het eerste van zes programma’s dat binnen de Nationale Woon- en Bouwagenda wordt uitgebracht. In de Nationale Woon- en Bouwagenda worden de doelstellingen beschreven om te realiseren dat iedereen goed en veilig kan wonen. Daartoe wordt een aanpak in zes programma’s uitgewerkt. In de Nationale Woon- en Bouwagenda worden de overlap en doorsnijdende thema’s van de programma’s toegelicht. In het voorliggende programma Woningbouw ligt de focus op de realisatie van voldoende woningen voor iedereen. Voor de zomer van 2022 volgen programma’s over: • Een thuis voor iedereen (gericht op aandachtsgroepen) • Betaalbaar wonen • Verduurzaming gebouwde omgeving • Leefbaarheid en veiligheid • Wonen en zorg voor ouderen

Ruimtelijke Ontwikkeling Het realiseren van woningen vindt plaats in een ruimtelijke omgeving, waarin meerdere belangen een rol spelen zoals de woningvraag, leefbaarheid, verstedelijking en bereikbaarheid. Vanuit de bredere ruimtelijke context wordt de woningbouwopgave daarbij geconfronteerd met andere urgente opgaven, zoals klimaatbestendigheid, energietransitie, stikstof, landbouw, natuur inclusief bouwen en bedrijvigheid. Verder geldt dat water en bodem meer sturend worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Deze opgaven gaan vaak goed samen met de woningbouwopgave, maar soms kan ook wrijving ontstaan. Dat kan bijvoorbeeld bij de locatiekeuze. Voor de bouw van 900.000 woningen zijn op zich voldoende locaties in kaart gebracht, maar nog niet voor al die locaties zijn alle ruimtelijke afwegingen gemaakt. Vanuit het programma woningbouw zullen wij daarbij sturen op het mogelijk maken van zowel binnenstedelijk als buitenstedelijk bouwen, daar er vanuit de woningbehoefte vraag is naar beide. Bij de actualisatie van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de ladder voor duurzame verstelijking zal dit worden ingebracht. Bij het bebouwen van de open ruimte groeit groen mee.

Een uitwerking van de woningbouwopgave in bredere ruimtelijke context en in relatie tot de ruimtelijke kwaliteit wordt opgenomen in de programma’s Mooi Nederland en de uitvoering van de NOVI die in juni en juli 2022 verschijnen.

Programma Woningbouw In het programma Woningbouw concentreren we ons op een versterking van de regie en samenwerking om gezamenlijk de urgente maatschappelijke opgaven een plek te geven in dit land waar ruimte schaars is. Daar waar de verschillende opgaves kunnen knellen, bijvoorbeeld bij het bouwen in diepe polders, zullen we afwegingen maken om de belangen van zowel de huidige als toekomstige generaties te beschermen. De uitvoering van dit programma richt zich op alle delen van ons land, inclusief Caribisch Nederland. We zullen elkaar de komende jaren nodig hebben om dit programma te realiseren: medeoverheden, corporaties, de bouwsector en alle andere betrokkenen. Samen moeten we er alles aan doen om met de beschikbare middelen te zorgen voor voldoende passende en betaalbare woningen in een veilige, leefbare en gezonde leefomgeving.

6 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

1 Context en analyse Beschikbaarheid, kwaliteit en betaalbaarheid Zorgen voor een goede volkshuisvesting betekent dat iedereen goed moet kunnen wonen; nu en in de toekomst. Dit houdt in dat er niet alleen voldoende beschikbare woningen moeten zijn, maar ook dat de woningen passend zijn, in leefbare wijken op de juiste plek staan (nabij werkgelegenheid en bereikbaar) en betaalbaar zijn en blijven. Op dit moment zijn er onvoldoende woningen. Daarom moeten we nu zo snel mogelijk woningen bijbouwen. Er zijn fors meer mensen die naar een juiste woning zoeken dan er woningen beschikbaar zijn. Hierdoor kunnen veel mensen niet de stap maken die ze willen, zoals op zichzelf gaan wonen, verhuizen naar de plek waar ze werk vinden, gaan studeren, samen gaan wonen met hun partner of kinderen krijgen. Vooral mensen met een middeninkomen, starters op de woningmarkt en aandachtsgroepen, zoals statushouders, arbeidsmigranten en studenten, komen al snel in de knel door beperkt beschikbare woningen. Daarbij geldt dat het beschikbare aanbod niet altijd even passend is. Ook ligt het beschikbare aanbod niet altijd op de plek waar mensen zich fijn en veilig voelen, met voldoende groen en aandacht voor de sociale verbinding met elkaar. Verder sluit de kwaliteit van de woningen soms niet meer aan bij de huidige eisen van de tijd, bijvoorbeeld op het vlak van duurzaamheid en klimaatbestendigheid.

Daarbij kunnen veel mensen geen woning krijgen die past bij hun inkomen. De afgelopen jaren is de betaalbaarheid door forse prijsstijgingen een steeds groter knelpunt geworden. Juist in het betaalbare segment1 is een tekort aan woningen. Ook uit het onderzoek “Opgaven en middelen corporatiesector”2 blijkt dat er flink meer woningen nodig zijn, die betaalbaar zijn voor lage en middeninkomens. In dit onderzoek is in de periode tot en met 2035 rekening gehouden met een benodigde bouwproductie door corporaties van zo’n 378.400 woningen.

Demografische ontwikkelingen plus woontekort Begin 2022 telt Nederland 17,6 miljoen inwoners3. De komende jaren groeit de bevolking naar verwachting nog relatief snel, daarna neemt het groeitempo af. De bevolking groeit niet alleen doordat er meer mensen naar Nederland komen dan er vertrekken, maar ook doordat er meer kinderen geboren worden dan er mensen overlijden. De 17,6 miljoen inwoners zijn begin 2022 verdeeld over 8,1 miljoen huishoudens in Nederland. De voorspelling is dat het aantal huishoudens in 2038 is gegroeid naar 9 miljoen huishoudens. De groei komt grotendeels door de toename van eenpersoonshuishoudens. Door de vergrijzing stijgt vooral het aantal oudere alleenstaanden sterk. Het tekort aan woningen is in 2021 geraamd op 279.000 woningen, oftewel 3,5% van de woningvoorraad. Volgens de Primos prognose uit 2021 zal het woningtekort nog oplopen naar 317.000 woningen in 2024 (3,9%). Hoewel de komende jaren het aantal nieuwe woningen aanzienlijk toeneemt, groeit het aantal huishoudens sneller waardoor het woningtekort in eerste instantie verder stijgt. Volgens de Primos prognose zijn er tot en met 2030 ongeveer 900.000 extra woningen nodig4.

1

Onder het betaalbare segment vallen de sociale huurwoningen, huurwoningen vanaf de sociale huurgrens tot een max van €1000 per maand en koopwoningen tot aan de NHG grens (€355.000)

2

BZK, Opgaven en middelen corporatiesector, hoofdrapport (2020)

3

CBS, Bevolkingsontwikkeling

4

ABF, Primos prognose 2021

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma 2022-2026 7

8 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Gemiddeld betekent dit 100.000 extra woningen per jaar. Er zijn zoveel woningen nodig om zowel de toename van het aantal huishoudens als de vervangingsvraag door onder andere sloop op te vangen en het woningtekort terug te dringen tot een gezond evenwicht. De cijfers zijn gebaseerd op aannames en er zijn verschillende scenario’s5 berekend: in de hoge variant zijn er circa 1.022.000 woningen nodig en in de lage variant 759.000 woningen. Ongeacht het scenario is de conclusie dat er veel moet worden gebouwd. Een aantal knelpunten maakt de realisatie van deze woningen echter lastig. Hieronder gaan we op hoofdlijnen in op de knelpunten.

Gebrek aan regie Sinds de decentralisatie van het woningbouwbeleid is er onvoldoende sprake van een richtinggevende bouwdoelstelling. Hierdoor sluiten inspanningen van decentrale partijen rond woningbouw niet aan bij de landelijk vastgestelde ambitie. Dit gaat verder dan alleen aantallen woningen op de juiste plek. Ook zijn er onvoldoende betaalbare woningen en woningen voor specifieke doelgroepen gebouwd. Er is onvoldoende regie om te zorgen dat wat er landelijk gezien aan nieuwbouw nodig is, ook daadwerkelijk wordt gebouwd. Dit is een belangrijke conclusie van het rapport “Als één overheid”6 van de studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen.

Groningen

21.100 Figuur 1: Nationale woningbouwkaart 2021-2030 (netto plancapaciteit) In totaal zijn er plannen voor het bouwen van 1.044.500 woningen.

Friesland

18.100 Drenthe

14.400 Noord-Holland

241.700

Flevoland

48.300 Overijssel

45.100 Utrecht

116.800 Zuid-Holland

Gelderland

92.600

280.200

Zeeland

10.500

Noord-Brabant

132.200 LImburg

23.400 Bron ABF, inventarisatie plancapaciteit najaar 2021

5

Demografische prognoses kennen onzekerheden die groter worden naarmate er verder vooruit wordt gekeken of specifieker op regionaal niveau geraamd wordt.

6

Studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen, Als één overheid; Slagvaardig de toekomst tegemoet!, 2020

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma 2022-2026 9

Er zijn afspraken met de provincies gemaakt over het totaal aantal te bouwen woningen en de daarvoor benodigde plancapaciteit7. Dankzij de inspanning van de provincies is de plancapaciteit 30% boven de netto bouwopgave. Echter is nog maar 36% van deze plancapaciteit vastgelegd in een vastgesteld en/of onherroepelijk bestemmingsplan (harde plancapaciteit). Hierdoor is de uitvoering van een groot deel van de plannen op korte termijn niet zeker. Daarnaast zijn er nog geen bindende afspraken tussen provincies en gemeenten over te realiseren aantallen woningen. En dit geldt ook op het niveau van aantal te bouwen woningen qua betaalbaarheid, woningdifferentiatie en doelgroepen. Daarnaast zijn er geen afspraken over bijsturing als de realisatie van woningen achter blijft. Als dat nodig mocht blijken dan beschikken provincies en het ministerie wel over instrumentarium om zelf het initiatief te nemen. Dit is tot op heden nog weinig ingezet en het is ook de vraag of het instrumentarium voldoende adequaat is om te kunnen bijsturen. Het bouwen van voldoende woningen is een gezamenlijke uitdaging voor overheden, corporaties en marktpartijen. Veelal kunnen knelpunten alleen samen worden opgelost. Onvoldoende samenwerking tussen overheden, corporaties en marktpartijen staat nog te vaak de oplossing in de weg. Daar ontbreekt de regie.

Regie betekent dat iedere partij weet wat zij moet doen zodat er voldoende woningen op de juiste plek komen, die bovendien toekomstbestendig zijn. Op hun beurt krijgen corporaties en marktpartijen hierdoor meer langjarige zekerheid wat hen in staat stelt om te investeren en te innoveren. Actielijn 1 gaat daarom in op versterken van regie. De rol van de overheid is mede afhankelijk van de planvormingsfase van een woningbouwlocatie: 1. Locaties waarvoor de ruimtelijke afweging al heeft plaatsgevonden, de ruimtelijke procedures lopen of zijn afgerond èn er sprake is van een sluitende grondexploitatie: Via regie en ondersteuning bevorderen de betrokken overheden in samenwerking met corporaties en marktpartijen dat de woningen snel worden gerealiseerd. 2. Locaties waarvoor de ruimtelijke afweging al heeft plaatsgevonden, de ruimtelijke procedures lopen of zijn afgerond, maar er sprake is van onrendabele grondexploitatie: De betrokken overheden zoeken in samenwerking met marktpartijen naar oplossingen voor de onrendabele businesscase. Financiële ondersteuning door de overheid kan nodig zijn. Via regie en ondersteuning bevorderen de overheden in samenwerking met corporaties en marktpartijen dat de woningen snel worden gerealiseerd. 3.

Locaties waarvoor de ruimtelijke integrale afweging en inrichting (deels) nog moet plaatsvinden: Besluiten over deze locaties vergen een integrale afweging door betrokken overheden op eerdergenoemde aspecten van ruimtelijke ordening. De realisatie van woningen op deze locaties duurt daarom over het algemeen langer dan op locaties met status 1 of 2. Via regie en ondersteuning bevorderen overheden in samenwerking met corporaties en marktpartijen dat de doorlooptijd tot realisatie van de woningen wordt beperkt. De regie op de woningbouw is onlosmakelijk verbonden met regie op de ruimtelijke ordening. Ruimte is schaars in Nederland. Tegelijkertijd is er niet alleen een grote woningbouwopgave, maar ook een grote opgaven ten aanzien van water en bodem, klimaatbestendigheid, landschap, energietransitie, stikstof, landbouw, natuur inclusief bouwen, bedrijvigheid en mobiliteit. In zeven regio’s zijn verstedelijkingstrategieën opgesteld. De woningbouwopgave in deze gebieden is 600.000 woningen tot en met 2030 (en 900.000 tot 2040). Er is overeenstemming tussen Rijk en regio over de ontwikkel- en inrichtingsprincipes. Voor een deel van de woningbouwlocaties in deze gebieden is al een zorgvuldig afgewogen besluit genomen over de integrale ruimtelijke afweging. Besluiten over extra woningbouwlocaties vragen een goede regie.

De regie op de ruimtelijke ordening wordt in separate programma’s uitgewerkt.

7

Zie de rapportage van ABF van oktober 2021 over de plancapaciteit. ABF berekent voor de “netto plancapaciteit” een percentage en wel als volgt: het aantal woningen in de plancapaciteit, volgens ABF 1.044.500 nieuwbouwwoningen, als aandeel van wat ABF de bruto bouwopgave noemt (ABF rekent hiervoor met 892.400 woningen) minus het verwachte aantal te slopen woningen (117.800 woningen).

10 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Bouwen kosten tijd Het proces voor de bouw van een woning duurt gemiddeld tien jaar, waarvan de daadwerkelijke bouw gemiddeld twee à drie jaar duurt. De meeste tijd is nodig voor de voorbereiding en het doorlopen van procedures. Deze lange doorlooptijd heeft allerlei oorzaken. Om woningen te kunnen bouwen is beschikbare grond op de juiste plek nodig. Grond is schaars en heeft veelal reeds een functie. Hierdoor is een ingewikkelde afweging van ruimteclaims nodig, waar verschillende overheden samen over moeten beslissen. Zoals gezegd gaat het niet alleen om wonen, maar ook om (ruimte voor) de energietransitie, kantoren en bedrijvigheid, natuur, landbouw, erfgoed, waterrobuustheid, klimaatadaptatie en aanleg van (grootschalige) infrastructuur. Meer ruimte voor de ene opgave betekent minder ruimte voor de andere. Tegelijkertijd moeten verschillende functies ook in onderlinge samenhang ontwikkeld worden. Een woonwijk heeft energie nodig, moet bereikbaar zijn en er moet toegang tot werkgelegenheid zijn. Dit maakt het vinden en beschikbaar maken van voldoende woningbouwlocaties ingewikkeld en tijdrovend, terwijl voldoende ruimte voor woningen belangrijk is om de woningbouwproductie ook op de lange termijn op peil te houden. Bezwaar- en beroepsprocedures van omwonenden en bedrijven kosten tijd.

Daarnaast worden er nationale en lokale eisen aan bouwprojecten gesteld, wat leidt tot een stapeling van eisen. Deze eisen komen de kwaliteit ten goede, maar maken de uitvoering complex en duur. Tevens is er sinds de bouwcrisis een tekort aan expertise bij gemeenten en provincies. De bouwsector kent vergelijkbare problemen. De krappe arbeidsmarkt maakt het voor de sector lastig voldoende extra bouwvakkers en andere benodigd personeel aan te trekken. Ook zijn bouwmaterialen schaarser en duurder geworden. Industrieel bouwen biedt daarvoor deels een oplossing. De inzet hiervan is nog te beperkt doordat volle orderportefeuilles en gebrek aan langjarige investeringszekerheid een remmende werking hebben op innovaties in de bouw. Voorts maken sommige wettelijke bepalingen de opschaling van de productie moeilijk. Tevens zijn er capaciteitsproblemen op het energienet8. Doorlooptijden voor aansluitingen kunnen oplopen tot vijftig weken. En ook is er niet altijd onmiddellijk transportcapaciteit op het elektriciteitsnet voor grootverbruikersaansluitingen (appartementencomplexen, winkels, scholen etc.). Het langdurige bouwproces heeft een zichzelf versterkend effect. Behoeften en omstandigheden (zoals de stand van de economie en huizenprijzen) wijzigen continu en door de lange doorlooptijd sluit de bouwproductie soms niet meer aan bij de woningbehoeftes.

Ook worden vaak de eisen aan het project onderweg bijgesteld en dit veroorzaakt onzekerheden en vertraging in bouwprojecten. Om 100.000 woningen per jaar te realiseren, is het nodig dat de doorlooptijd van initiatief naar realisatie wordt verkort of versneld. Actielijn 2 gaat hierop in.

Financiële tekorten Woningbouw vraagt van gemeenten forse investeringen in grond en infrastructuur. Deze kosten kunnen gemeenten niet altijd volledig opbrengen dan wel verhalen op de projectontwikkelaar. Grondexploitaties voor woningbouw blijken anno 2020 – in meerderheid – financieel niet rendabel9. Hiervoor zijn verschillende oorzaken. Bij binnenstedelijke locaties is er sprake van hoge verwervingskosten van de bouwgrond en zijn er hoge kosten voor het verplaatsen van bedrijven, saneren, sloop en bouw- en woonrijp maken. Bij buitenstedelijke locaties kunnen hoge ontsluitingskosten een rol spelen. Bouwprojecten met een groot aandeel sociale en betaalbare woningen leveren minder op en komen daardoor moeilijker van de grond. Woonruimten voor aandachtsgroepen kennen vaak bijzondere voorzieningen waardoor zij voor diverse partijen vaak financieel minder aantrekkelijk zijn dan reguliere

8

Zie ook Kamerstuk 29023-281 van de Minister voor Klimaat & Energie

9

Stadkwadraat, Grondexploitaties: vijftien jaar dynamiek in gebiedsontwikkeling, 2021

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma 2022-2026 11

woningen. Ook flexwoningen, die snel gerealiseerd kunnen worden, kunnen financieel minder aantrekkelijk zijn. Doordat er op voorhand geen zekerheid is over de beschikbaarheid van een volgende locatie, worden aanbieders van flexwoningen met een financieel risico geconfronteerd. Financiële tekorten zetten een rem op voldoende snelle en betaalbare woningbouw. Daarom wordt in actielijn 3 ingezet op het financieel stimuleren van snelle woningbouw. Deze actielijn richt zich met name op locaties waarvoor de ruimtelijke afweging al heeft plaatsgevonden en de bestemmingsplanprocedure al ver gevorderd is.

Integraliteit en onzekerheid, grootschalige opgave Er is een groot aantal stedelijke gebieden waar het woningtekort groot is en het woningbouwproces complex. Hier kan niet alleen worden volstaan met snelle realisatie van kleinere en middelgrote bouwprojecten. Grootschalige woningbouwprojecten zijn nodig om het tekort op te vangen. Dergelijke grootschalige woningbouwprojecten gaan gepaard met complexe uitdagingen, omdat door de schaal meer wordt gevraagd van de ontsluiting van de locatie (infrastructuur) en het vrijmaken van de locatie. Deze grootschalige opgave vraagt om een integrale aanpak waar meerdere overheden samen besluiten moeten nemen. Niet alleen ten aanzien van bouwen, maar ook ten aanzien van bijvoorbeeld stikstof en natuur, de kwaliteit van de leefomgeving, het water- en bodemsysteem, (grootschalige) infrastructuur, energietransitie, bedrijvigheid, klimaatadaptatie en andere ruimte vragende claims. Doordat deze opgaven zowel domeinoverstijgend (niet alleen woningbouw) als grensoverstijgend (meerdere gemeenten en provincies en vanuit het Rijk meerdere ministeries) zijn, is goede samenwerking bij de realisatie hoognodig. Ontwikkelaars en bouwers kunnen of durven pas door te pakken als er voldoende zekerheid wordt gegeven. Het is dus belangrijk om langjarige zekerheid en continuïteit van de bouwproductie te creëren.

Actielijn 4 zet in op een aanpak van de grootschalige woningbouw. Deze actielijn richt zich op locaties waarvoor de integrale ruimtelijke afweging (deels) is gestart, maar nog niet (volledig) is afgerond.

12 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

2 Doelstellingen Om voldoende, betaalbare en passende woningen te realiseren, zetten we met het programma woningbouw in op: 1. De realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. 2. Een groei van de bouwproductie naar 100.000 woningen per jaar in deze kabinetsperiode ­(inclusief flex- en transformatiewoningen en woningsplitsing). 3. Het streven dat ten minste twee derde van de nieuwbouwwoningen betaalbare huur- en ­koopwoningen zijn. Naast deze kwantitatieve doelstellingen is er aandacht voor het realiseren van duurzame toekomst­ bestendige woningen op plekken die bereikbaar zijn en waar mensen prettig kunnen wonen en werken.

Realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030 Om zowel de toename van het aantal huishoudens als de vervangingsvraag door onder andere sloop op te vangen en het woningtekort terug te dringen tot een gezond evenwicht, zetten we in op de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. Uitgaande van de voorspelde sloop of anderszins onttrekking aan de woningvoorraad van circa 125.000 woningen, realiseren we een netto toename van de woningvoorraad van 775.000 woningen tot en met 2030. Het benodigde aantal woningen van 900.000 betreft een inschatting en kent onzekerheden door demografische en economische ontwikkelingen die anders kunnen uitpakken dan verwacht. Daarom actualiseren we de ramingen ieder jaar op basis van nieuwe prognoses en gerealiseerde nieuwbouw in voorgaand jaar.

Groeien naar 100.000 woningen per jaar We zetten in op een groei van de woningbouwproductie van 80.000 naar 100.000 woningen per jaar.10 Door regie, wegnemen van knelpunten, inzet en financiële middelen maken we deze groei mogelijk. Rond 2024 verwachten we dat er op basis van bouwvergunningverlening en de uitvoering van de actielijnen in dit programma 100.000 woningen per jaar kunnen worden gerealiseerd. Om dit mogelijk te maken, zetten we naast de realisatie van reguliere woningen ook in op de realisatie van flexwoningen, transformatiewoningen en woningsplitsingen. Er komen nu jaarlijks circa 10.000 woningen tot stand via transformatie van winkelgebieden en kantoren en we willen dit aantal laten toenemen tot 15.000 per jaar. Het aantal te bouwen flexwoningen willen we laten groeien van 5.000 naar 15.000 per jaar. Natuurlijk hangt de daadwerkelijk realisatie mede af van de krapte op de arbeidsmarkt, de bouwkostenen materiaalstijgingen, de economische ontwikkelingen, de bezwaarprocedures en ruimtelijke afwegingen die verband houden met andere ruimtelijke functies. We zullen de realisatie monitoren, om indien nodig, tijdig te kunnen bijsturen.

10

De doelstelling van 100.000 woningen betreft de bruto toevoeging, exclusief sloop. Het omvat zowel de realisatie van reguliere woningen, alsook flexwoningen, transformatiewoningen en woningsplitsingen.

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma 2022-2026 13

x 1.000

Figuur 2: Streefwaarden woningbouwproductie 2022-2030 120 100 80 60 40 20 0

2022

2023

2024

Gewone woningen

2025

2026

Flexwoningen

2027

2028

2029

2030

Woningen door transformaties

Bron: ABF, Primos-prognose 2021, bewerking BZK

Twee derde van de woningen betaalbaar Om aan te sluiten bij de grote behoefte aan betaalbare woningen, streven we ernaar dat ten minste twee derde (600.000 woningen) van de nieuwe woningen betaalbare huur- en koopwoningen zijn. Hiervan wordt de helft door corporaties gebouwd11. Aanvullend aan de bouw van meer betaalbare woningen,12 zetten we ook in op het betaalbaar houden van de nieuwe en bestaande woningen in de toekomst. Met het oog op de behoefte aan passende woningen voor mensen met een laag inkomen, werken we toe naar een meer evenwichtige verdeling van sociale huurwoningen over alle gemeenten. Onder deze doelgroep vallen onder andere aandachtsgroepen, zoals dak- en thuisloze mensen, statushouders en mensen met een sociale of medische urgentie. In dat kader streven we ernaar dat van de 600.000 betaalbare huur- en koopwoningen, tot en met 2030, 250.000 sociale huurwoningen worden gerealiseerd door corporaties13. Om te zorgen voor voldoende woningen voor starters en midden­inkomens streven we er voorts naar om tot en met 2030, 350.000 betaalbare koop- en middenhuur­woningen te realiseren, waarvan 50.000 door corporaties. Het streven naar ten minste twee derde betaalbare huur- en koopwoningen geldt op regionale schaal. Dit­  betekent dat niet ieder bouwproject op deze wijze hoeft te worden ingevuld.

Om de al in gang gezette woningbouwprojecten geen vertraging te laten oplopen door nieuwe betaalbaarheidsvereisten, zal dit streven gelden voor nieuwe projecten. We streven er naar dat vanaf 2025 twee derde betaalbare huuren koopwoningen in alle projecten de norm kan worden.

11

Betaalbare huurwoningen zijn woningen met een huur van 1000 euro per maand of minder; betaalbare koopwoningen zijn woningen tot aan de NHG-grens (355.000 euro in 2022). De grens van betaalbare huur (middenhuur) wordt momenteel onderzocht op basis van actuele ontwikkelingen in zogenaamde botsproeven in het kader van huurprijsbescherming en dit voorjaar indien nodig herijkt.

12

Ook doen we onderzoek naar financieringsconcepten die starters kunnen helpen bij het verkrijgen van een nieuwe woning, bijvoorbeeld door een nieuwe vorm van premie A-woningen, zonder dat hierdoor de woningprijzen extra stijgen. In het programma “Betaalbaar wonen” worden de acties hiertoe verder uitgewerkt. Daarnaast onderzoeken we de effecten op de woningbouwprogrammering bij een effectieve inzet op doorstroming, waarbij zowel oog is voor ouderen als jongeren. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in samenhang met het programma “Wonen en ouderen”.

13

Aantallen zijn afgeleid uit het onderzoek ‘Opgaven en middelen corporatiesector’ waarin in de periode tot en met 2035 rekening is gehouden met een benodigde bouwproductie van corporaties van zo’n 378.400 woningen.

14 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Figuur 3: Verdeling 900.000 woningen naar segment

300.000 overig

250.000 sociale huur door corporaties

50.000 middenhuur door corporaties

300.000 middenhuur en betaalbare koop door marktpartijen Bron: BZK

Om deze drie gestelde doelen te halen, werken we langs vier actielijnen:

1. We versterken onze regie We zorgen ervoor dat alle gemeenten, provincies en Rijk hun deel van de taak en verantwoorde­ lijkheid nemen voor voldoende betaalbare woningen, de groei naar 100.000 nieuwbouwwoningen per jaar in deze kabinetsperiode en de bouw van 900.000 woningen tot en met 2030.

2. We versnellen het proces van initiatief naar realisatie We zorgen dat het proces van het realiseren van een woning efficiënter en ingekort wordt. Zowel generiek als op locatieniveau beperken we het effect van knelpunten in het bouwproces met oog voor kwaliteit en toekomstbestendigheid van de woning en leefomgeving. We kijken daarbij naar de korte en middellange termijn.

3. We stimuleren snelle woningbouw We maken woningbouw mogelijk door gemeenten te ondersteunen: financieel en met hulp bij specifieke oplossingen, zoals flex- en transformatiewoningen en betaalbare woningen. Zo kunnen onhaalbare projecten wel mogelijk worden gemaakt.

4. We bouwen op grootschalige locaties Grootschalige woningbouw is nodig in een aantal gebieden. Het woningtekort is daar zo groot, dat kleine en middelgrote locaties onvoldoende goede betaalbare woningen opleveren om voldoende bij te dragen aan de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030 en te groeien naar de realisatie van 100.000 woningen per jaar. Deze grootschalige woningbouw zorgt ook voor langjarige zekerheid en continuïteit van de bouwproductie op de middellange en lange termijn.

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma 2022-2026 15

16 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

3 Wat gaan we doen? 3.1

Actielijn 1: Versterken regie Om de woningbouw te versnellen zijn richtinggevende bouwdoelstellingen nodig voor medeoverheden, corporaties en marktpartijen. Ook zijn mechanismen nodig die ervoor zorgen dat lokale inspanningen rond woningbouw een resultaat opleveren dat voldoet aan de landelijk vastgestelde ambitie. We versterken daarom de regie op de woningbouw. Dit doen we zodat alle gemeenten, provincies en het Rijk hun deel van de verantwoordelijkheid nemen voor de groei naar 100.000 nieuwbouwwoningen per jaar in deze kabinetsperiode en de bouw van 900.000 woningen tot en met 2030. Er is daarvoor in de meeste provincies voldoende plancapaciteit (landelijk 135 %). Nu moet worden ingezet op het opharden van de plancapaciteit en het versnellen van de realisatie. We zorgen dat alle betrokkenen weten hoeveel woningen waar gebouwd moeten worden, wat het aandeel betaalbaar is en voor welke doelgroepen wordt gebouwd. Op basis van dit inzicht maken we prestatieafspraken met medeoverheden zodat iedereen zijn ‘fair share’ doet en gecommitteerd is aan deze opgave. Dit doen we via bestuurlijke akkoorden met provincies via het Huis van Thorbecke (verticaal). De provincies vertalen deze afspraken vervolgens door in bestuurlijke akkoorden naar gemeenten, die in regionaal verband samenwerken.

Financiële ondersteuning vanuit het Rijk voor ontsluiting door infrastructurele aanpassingen – of het nu gaat om kleinschalige of meer grootschalige locaties – lopen via de procedures van het Meerjaren­ programma Infrastructuur, Ruimte en Transport. Ook wordt rekening gehouden met de prestatieafspraken voor het landelijk gebied via het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Daarnaast ondersteunt de Taskforce Nieuwbouw Woningcorporaties vanuit het Rijk, gemeenten en woningcorporaties bij de bouw van voldoende corporatiewoningen en flexwoningen. De gemaakte afspraken monitoren we regelmatig, we bespreken de voortgang en sturen bij met bestuurlijke interventies. Indien nodig bekijken we of juridische interventies nodig zijn als de voortgang stokt (het principe van ‘plan, do, check, act’). De regie op de woningbouw beoogt versterking te geven aan de samenwerking tussen overheden, corporaties en marktpartijen in de regio. Het zijn immers lokale verbanden die zorgen voor de daadwerkelijke totstandkoming van woningen. Bestaande regionale samenwerkingsverbanden, zoals de huidige woondeals en de regionale verstedelijkingsstrategieën zijn goede voorbeelden waarop voortgebouwd kan worden om de regie op de woningbouw te versterken.

3.1.1

Inzicht in de opgave Het woningtekort in 2021 bedroeg 279.000 woningen, ofwel 3,5% van de totale woningvoorraad14. Met name in de stedelijke regio’s is het tekort hoog: meer dan 5%. In opdracht van BZK wordt nu tweemaal per jaar een voortgangsrapportage over de geplande woningbouw en voortgang van de realisaties aan de Tweede Kamer gestuurd. Prognoses van de ontwikkeling van de woningbehoefte worden eenmaal per jaar gemaakt op basis van de nationale CBS-prognose van de bevolkingsontwikkeling.

14

ABF, Primos prognose 2021.

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma 2022-2026 17

Om meer regie te nemen, vergroten we het inzicht in zowel de woonbehoefte, de plancapaciteit als de bouwopgave. Zo wordt voor iedereen duidelijk hoeveel woningen waar gebouwd moeten worden, wat het aandeel betaalbaar is en voor welke doelgroep wordt gebouwd. We willen dat deze informatie voor iedereen op een laagdrempelige manier wordt ontsloten. • Om het inzicht te vergroten in het type woningen die moeten worden gebouwd updaten we analyses die we al tot onze beschikking hebben. De huidige analyses breiden we uit met kwalitatieve informatie over het aandeel betaalbaar en de behoefte per doelgroep. Dit doen we zowel voor de analyses rondom de woningbehoefte als de analyses rondom de bestaande plancapaciteit. • Daarnaast onderzoeken we de effecten op de woningbouwprogrammering bij een effectieve inzet op doorstroming. De verhuisgeneigdheid onder ouderen is laag. Tegelijkertijd kan een kleine stijging van het aandeel ouderen dat verhuist al zorgen voor betere doorstroming op de woningmarkt. Doorstroming begint bij het juiste aanbod voor ouderen. In dat kader brengen we de effecten in beeld op het aantal te bouwen woningen, de typen woningen passend bij de woonvoorkeuren van de verschillende doelgroepen en de mate van betaalbaarheid. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in samenhang met het programma “Wonen en ouderen”.

• Voor het ontsluiten van de resultaten van de analyses worden bestaande informatiekanalen anders ingericht om de uitgebreidere informatie over de opgave te delen. Het delen van deze informatie gebeurt via de periodieke rapportages aan de Tweede Kamer over de voortgang van de woningbouw, de nationale woningbouwkaart en op www.datawonen.nl. Hierbij geven we inzicht in de opgave op nationaal niveau en per provincie over het bouwen van 900.000 woningen, het tempo, de betaalbaarheid, bouwen voor aandachtsgroepen en de verdeling over de provincies en regio’s.

3.1.2

Afspraken over de opgave en bijsturing wanneer nodig Om regie te kunnen voeren, maken we afspraken met medeoverheden over het aantal te bouwen woningen, de gewenste hoeveelheid, het tempo, de betaalbaarheid, de gewenste kwaliteit en klimaatbestendigheid. In overleg met medeoverheden worden bestuurlijke arrangementen en middelen toegevoegd om de gemaakte afspraken kracht bij te zetten. Hiermee beogen we dat iedereen zijn ‘fair share’ doet en gecommitteerd is aan de opgave. We nemen het partnerschap serieus doordat we via monitoring en rapportage zicht houden op de voortgang en bijsturen met bestuurlijke, en eventueel juridische, interventies als de voortgang stokt (plan, do, check, act). Op basis van het inzicht in de brede opgave op nationaal niveau en per provincie maken we bestuurlijke akkoorden met de provincies. Hiertoe maken we voor de zomer eerst indicatieve afspraken met de provincies, waarna de provincies de afspraken in regionaal verband bespreken met gemeenten en marktpartijen. De gemeenten doen gezamenlijk een check op haalbaarheid van de indicatieve afspraken. In deze periode worden de indicatieve afspraken ook indicatief getoetst op haalbaarheid in relatie tot ruimtelijke ordening en randvoorwaarden als geluid, natuur en stikstof. Hierna worden de afspraken in oktober in een bestuurlijk akkoord vastgelegd.

De daarin opgenomen afspraken zorgen ervoor dat iedereen weet wat hij moet doen en wat zijn ‘fair share’ daarin is. De afspraken uit het bestuurlijk akkoord worden, via de al bestaande regionale samenwerkingsverbanden, door de provincies doorvertaald naar de gemeenten. De afspraken met de provincies gaan onder meer over het bouwen van 100.000 woningen per jaar, het tempo, de betaalbaarheid, het aandeel sociale nieuwbouw, bouwen voor aandachtsgroepen, transformatie, herstructurering en het oplossen van knelpunten. Voor wat betreft afspraken over betaalbaarheid is het uitgangspunt dat die aansluiten op de regionale behoefte. Landelijk gezien komt dit erop neer dat we ernaar streven dat twee derde van de woningbouw bestaat uit betaalbare woningen, verdeeld over 250.000 sociale huurwoningen en 350.000 betaalbare koop- en middenhuurwoningen. Gemeenten hebben verschillende instrumenten om te sturen op de bouw van betaalbare en corporatiewoningen. Waar nodig wordt bezien of daarbij ondersteuning of aanvulling op de bestaande instrumenten nodig is, zoals het vastleggen van eisen aan de betaalbaarheid in het omgevingsplan.

18 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

We maken het proces van deze doorvertaling helder. Dit doen we door: • Het maken van afspraken met medeoverheden over het aantal te bouwen woningen, de gewenste hoeveelheid, de gewenste woningdifferentiatie, het tempo, betaalbaarheid, de gewenste kwaliteit en klimaatbestendigheid. • Het monitoringsysteem met de medeoverheden verder door te ontwikkelen, zodat we goede actuele sturingsinformatie hebben over de voortgang van de afspraken. • Periodiek te rapporteren over deze voortgang en dit te agenderen in bestuurlijke overleggen. • Afspraken te maken over een interventieladder, ofwel wie stuurt op welke wijze bij als de voortgang stokt. • Juridisch instrumentarium te ontwikkelen om door te kunnen pakken als de voortgang stokt. Daarvoor brengen we in kaart of het huidig instrumentarium aangevuld moet worden met aanpassingen van wetgeving. Samenhang met regie op corporaties, betaalbare nieuwbouw en regie ruimtelijke ordening • Op nationaal niveau gaan we samen met provincies, gemeenten en corporaties de nationale doelen voor de corporaties vaststellen. Dat gaat onder andere over het aantal te bouwen sociale woningen, betaalbaarheid en de verduurzaming van de bestaande voorraad en de regie op de corporaties. Deze afspraken worden omgezet in bestuurlijke prestatieafspraken met provincies, gemeenten en corporaties.

De bestuurlijke afspraken op provinciaal niveau worden doorvertaald naar de prestatieafspraken op grond van de Woningwet zoals die nu ook al gemaakt worden door gemeenten, corporaties en huurdersorganisaties. Bij die doorvertaling moet elke gemeente een ‘fair share’ nemen. • We willen zorgen dat de woningen die we bouwen betaalbaar zijn en blijven. Met provincies en gemeenten maken we afspraken over in te zetten instrumenten om betaalbare nieuwbouwwoningen ook duurzaam betaalbaar te houden. We denken daarbij aan grondbeleid, kettingbedingen, verkoop onder voorwaarden of zelfbewoningsplicht. • Voor een belangrijk deel van de woningbouwplannen zijn de ruimtelijke integrale afwegingen al gemaakt. Voor een ander deel moet dat (deels) nog gebeuren. Voor die woningbouwplannen is relevant dat we integrale afspraken maken met de provincies over de opgave in het fysieke domein. Daarbij zijn meerdere opgaves aan de orde, waaronder de bereikbaarheid van de betreffende locaties en de kwaliteit van de hoofdnetwerken. En daarnaast klimaatbestendig bouwen, natuur inclusief bouwen, cultureel erfgoed, bedrijvigheid, duurzaamheid, een gezond en veilig leefmilieu (onder andere geluid), luchtkwaliteit en stikstof. De bestuurlijke akkoorden op het gebied van woningbouw zullen hier onderdeel van gaan uitmaken.

Dat betekent dat in sommige gebieden waar die verschillende opgaves kunnen knellen, bijvoorbeeld bij het bouwen in kwetsbare gebieden, zoals in diepe polders of beekdalen, afwegingen moeten worden gemaakt om de belangen van zowel de huidige als toekomstige generaties te beschermen. In de programma’s rondom de ruimtelijke ordening wordt hier nadere invulling aan gegeven.

Een voorbeeld van regie zijn de afspraken met de provincies om te zorgen voor ten minste 130% plancapaciteit. De provincie heeft deze afspraken doorvertaald naar gemeenten. 3.1.3

Regionale woondeals Voor het voeren van regie op de realisatie van de opgaven in de regio’s gaan we in heel Nederland met regionale woondeals werken. Op dit moment zijn er woondeals in zes regio’s. Het voornemen is om deze werkwijze in te zetten in heel Nederland, waarbij sprake is van maatwerk. Zo wordt er aangesloten bij regionale samenwerkingsverbanden die er zijn op het gebied van wonen. In deze regionale woondeals zitten medeoverheden als gelijkwaardige partners aan tafel. In elke regio is er betrokkenheid vanuit het Rijk, waarbij de vorm en mate van betrokkenheid afhankelijk is van de grootte en complexiteit van de regionale opgave. In navolging van meerdere regio’s waar dit al gebeurt, is het wenselijk om marktpartijen en corporaties actief te betrekken in de samenwerking.

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma 2022-2026 19

In heel Nederland zijn al regionale samenwerkingsverbanden tussen overheden op het gebied van wonen. Ook is het in grote delen van Nederland al gebruikelijk om in regioverband strategieën of visies voor woningbouw te formuleren. Dit biedt een goede basis voor het maken van regionale woondeals. De indeling van deze regionale samenwerkingsverbanden sluit veelal aan bij het zogeheten ‘daily urban system’, een gebied waarbinnen de belangrijkste dagelijkse verplaatsingen (woon- werk, studie, sport, etc.) zich afspelen. Doel van deze samenwerking is om de regionale woningbouwopgave sneller te realiseren. In lijn met de aanbevelingen van de studiegroep Interbestuurlijke en Financiële verhoudingen in het rapport “Als één overheid”15 leidt het gezamenlijk werken aan een richtinggevende bouwdoelstelling per regio tot meer focus in de realisatie. Daarbij versterken we het partnerschap en de uitvoeringskracht in de regio’s om de woningen daadwerkelijk te realiseren. Dit doen we samen met marktpartijen en corporaties. We nemen de positieve elementen uit de evaluatie van de huidige woondeals mee, zoals een verbeterde regionale samenwerking en woondealtafels met korte lijntjes tussen bestuurslagen. In de regionale woondeals worden de beleidsinstrumenten vanuit het Rijk waar nodig in samenhang ingezet.

De prestatieafspraken uit de bestuurlijke akkoorden tussen Rijk en provincies uit paragraaf 3.1.2 zijn leidend in deze regionale woondeals. Op basis van deze afspraken formuleren de gemeenten in regioverband gezamenlijk een bod op haalbaarheid richting hun provincie. Beoogd is dat een groot deel van de woondeals voor 1 januari 2023 is afgesloten. Voor elke regionale woondeal wordt uitgewerkt hoe ze binnen de kaders van de prestatieafspraken in aanmerking komen voor financiering (actielijn 3 en 4) en hoe de inzet van instrumenten om sneller van initiatief naar realisatie te komen, eruit zien (actielijn 2). De bestaande woondeals worden voortgezet, geactualiseerd en uitgebreid. De in actielijn 4 genoemde regisseur is tafelgenoot bij woondealoverleggen met grootschalige, complexe locaties, in zijn verantwoordelijkheid om die grootschalige woningbouwgebieden en bijbehorende infrastructuur conform afgesproken tijdpad verder te brengen. Met de regionale woondeals werken we aan: • De doorvertaling van de afspraken naar elke regio over het aantal te bouwen woningen, de gewenste hoeveelheid, de gewenste woningdifferentiatie, het tempo, betaalbaarheid, de gewenste kwaliteit en klimaatbestendigheid. Zodat elke partij in de regio, zowel overheden als marktpartijen en corporaties, weet wat hij moet doen om tijdig de regionale woningbouwopgave te realiseren.

• Een check op de haalbaarheid om woningbouwplannen tijdig en betaalbaar te realiseren. • De adressering van knelpunten voor de realisatie en versnelling van woningbouw onder andere wat betreft verduurzaming, stikstof, een gezond en veilig leefmilieu (onder andere geluid) en luchtkwaliteit (actielijn 2). • De inzet van het instrumentarium om sneller van initiatief naar realisatie te komen uit actielijn 2, zoals flexpools, kennisdeling en versnellingstafels. • Een bevestiging van gemaakte afspraken in de woondeals over de inzet van rijksmiddelen vanuit onder andere de Woningbouwimpuls, het gebiedsbudget en het Mobiliteitsfonds (actielijn 3 en 4). Bestuurlijke afspraken over investeringen in bereikbaarheid worden gemaakt in de bestuurlijke overleggen MIRT. • De inzet van doorbraakteams (zie actielijn 4) met kennis over financiële haalbaarheid van plannen. • Een jaarlijkse rapportage over de knelpunten in de regionale voortgang, de actiehouders per knelpunt en de afspraken hoe en wanneer die kunnen worden opgelost.

Een voorbeeld van een partnerschap in de regio is de ´Woningmakers´ in onder meer de regio Alkmaar. De ´Woningmakers´ is een samenwerking tussen corporaties en marktpartijen waarbij ze een goed overleg organiseren met de medeoverheden en zicht houden op de voortgang. Dit alles om gezamenlijk versnelling van de woningbouw te realiseren. 15

Studiegroep interbestuurlijke en financiële verhoudingen, 2020, Als één overheid: slagvaardig de toekomst tegemoet.

20 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

3.1.4

Taskforce Nieuwbouw Woningcorporaties We continueren de Taskforce Nieuwbouw Woningcorporaties. Deze ondersteunt gemeenten en corporaties bij de bouw van voldoende corporatiewoningen, waaronder flexwoningen. De ervaring leert namelijk dat de realisatie van dit type woningen relatief lastig is. De Taskforce helpt knelpunten doorbreken die de bouw van deze woningen in de weg staan. Hierbij is er oog voor het feit dat nieuwbouw door corporaties onderdeel uitmaakt van bredere gebiedsontwikkelingen en daarmee onderdeel is van een bredere context. De Taskforce Nieuwbouw Woningcorporaties draagt zorg voor: • Het zicht houden op de voortgang van de realisatie van corporatiewoningen, inclusief flexwoningen. • Een periodieke rapportage over de knelpunten en hoe we die oplossen. • Het doorbreken van impasses en delen van kennis door inzet van het Expertteam Woningbouw en bestuurlijke inzet vanuit Aedes, IPO, VNG en BZK.

3.2

Actielijn 2: Sneller van initiatief naar realisatie Het duurt gemiddeld tien jaar om van initiatief naar de realisatie van een woning te komen. Doel is om deze doorlooptijd te verkorten. Dit doen we samen met medeoverheden, corporaties en marktpartijen. Gezamenlijk gaan we het ontwikkelproces verbeteren, vertraging beperken, versnellingsmogelijkheden in het proces benutten en besluitvormingsprocessen verkorten. We benoemen welke knelpunten er zijn en op welke schaalniveaus deze zich afspelen. We kijken ook naar de kansen door onder meer het bestaand instrumentarium beter te benutten of, indien nodig, deze aan te passen. Mocht dit onvoldoende zijn dan introduceren we nieuw instrumentarium. We kijken daarbij naar de korte en middellange termijn. Figuur 4: Woningbouw in vijf stappen Met een doorlooptijd van minimaal 3 jaar tot gemiddeld 10 jaar.

Woningbouw in vijf stappen Met een doorlooptijd van minimaal 3 jaar tot gemiddeld 10 jaar.

Geschikte locatie

Plan maken

• Check op milieutechnische randvoorwaarden of geschikt voor woningbouw • Aankoop locatie

• Uitgangspunten vastleggen in structuurvisie met gemeentelijke randvoorwaarden • Stedenbouwkundig plan maken: - marktonderzoek naar type woningen - invulling van wegennet, openbare ruimte en bouwkavels - haalbaarheidsanalyse plan - draagvlak omgeving -

Doorlooptijd: 1 maand tot x jaar, geschikte locatie. Een locatie kan ongeschikt zijn, omdat het botst met de natuur en/of de omliggende wegen.

Doorlooptijd: van voldoening plan. Kans op vertraging

Bestemingsplanprocedure

Bouw- en woonrijp maken

• Wijziging bestemmingsplan

• Locatie wordt bouw- en woonrijp gemaakt: - ophogen terrein - aanleg riolering, bestrating en groen • Start voorverkoop woningen

Doorlooptijd: 2 tot 6 maanden, bezwaar wordt aangetekend, kan dit 2 tot 3 jaar oplopen.

Doorlooptijd: 1 jaar tot x jaar,

Start bouw • Start bouw na realisatie 70% voorverkoop Doorlooptijd: 3 maanden tot x jaar, bouw of reguliere bouw is; of het eengezinswoningen of appartementen zijn en de omvang van het plan (aantal woningen).

ophoogwerkzaamheden en omvang plan.

bij bezwaar omgeving of bij aanwezigheid van bijzondere diersoort of broedplaats.

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma 2022-2026 21

We delen voorbeelden van een effectieve aanpak en stimuleren medeoverheden om deze aanpak te benutten, onder meer via de regionale woondeals en de inzet van het Expertteam Woningbouw. We vergroten de ambtelijke capaciteit bij medeoverheden en we bevorderen dat de bouwcapaciteit effectiever wordt benut door stimuleren en standaardiseren van (innovatieve) bouwmethodes. We streven naar het beperken van de stapeling van eisen en verschillende (tegenstrijdige) eisen, waardoor procedures langer duren of meer kosten dan nodig. Zowel generiek als op locatieniveau beperken we het effect van knelpunten in het bouwproces met oog voor zowel de bouw van de woning als de leefbaarheid. We bezien hier randvoorwaarden omtrent klimaatbestendigheid, verduurzaming, gezond en veilig leefmilieu (onder andere geluid), luchtkwaliteit en energievoorziening. Voor wat betreft stikstof is op 1 juli 2021 de partiële bouwvrijstelling ingegaan. Dit betekent dat de bouw- en sloopfase van woningbouwprojecten niet meer vergunningsplichtig is voor dit onderdeel.

3.2.1

Voorkomen vertraging, benutten van versnellingsmogelijkheden Samen met medeoverheden, corporaties en marktpartijen versnellen we de doorlooptijd van het proces van initiatief tot realisatie van de woning en we benutten de mogelijkheden voor het verkorten van het planproces. Hierbij nemen we ook mee dat niet eis op eis wordt gestapeld, waardoor het proces wordt vertraagd en de kosten hoger worden. Dit doen we door: • Een landelijke versnellingstafel op te richten waar zowel medeoverheden als ook corporaties en marktpartijen belemmeringen in projecten kunnen melden. Deze tafel helpt vervolgens met het doorbreken van knelpunten die de bouw van deze woningen in de weg staan. We vragen provincies en gemeenten dit ook op eigen (regionaal) niveau te organiseren dan wel te versterken. • De kennis van het Expertteam Woningbouw en de Taskforce Nieuwbouw Woningcorporaties te benutten om projecten vlot te trekken. • Onderzoek te doen om beter inzicht te krijgen in knelpunten en kansrijke oplossingen. Daarbij benutten we inzichten uit bestaande onderzoeken. Op basis hiervan bekijken we of het aanpassen van regelgeving nodig is om te versnellen. We kijken daarbij ook naar het benutten van de experimenteerbepaling in de Omgevingswet. Goede participatie en democratische legitimiteit blijft gewaarborgd. • Extra financiële middelen vrij te maken voor meer capaciteit bij de Raad van State.

Hierdoor kan vertraging in beroepsprocedures worden voorkomen en kan kennis en kunde bij de Raad van State worden benut voor adviezen over het versnellen van procedures. • Het bezien van mogelijkheden om de wettelijke procedures te verkorten en de effectiviteit van bestaande procedures te optimaliseren. Daarbij kijken we ook naar oplossingsrichtingen door aanpassing van regelgeving. We doen dat onderzoek met medeoverheden, corporaties en marktpartijen. Dat onderzoek doen we voor alle fases van de planvorming: • De voorbereidingsfase van initiatief tot start planprocedure. • Besluitvormingsprocedures. • De fase van en bezwaar- en beroep. • Samen met gemeentes te kijken hoe onnodige barrières voor splitsing van woningen en doorstroming kunnen worden weggenomen. • Samen met medeoverheden, corporaties en marktpartijen te werken aan afspraken over houding en gedrag van de markt en de overheid in het ontwikkelproces. • Het bevorderen via regionale woondeals dat gemeenten in anterieure overeenkomsten met marktpartijen afspraken opnemen over tijdigheid, verantwoording over de voortgang en gedeeld eigenaarschap ten aanzien van publieke doelen. • Bij financiële ondersteuning (actielijn 3 en 4) verplichtingen op te nemen over financiële randvoorwaarden en onder andere de tijdigheid en voortgang van de woningbouw.

• De kennis over het planproces en over versnellingsmogelijkheden te vergroten. We delen goede voorbeelden via de regionale woondeals, praktijksessies, congressen, pilots en handreikingen. Hiermee maken we informatie toegankelijk. We stimuleren goede praktijkvoorbeelden en goed leiderschap door deze in het zonnetje te zetten, bijvoorbeeld door een jaarlijkse ‘award’.

22 | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Een goed praktijkvoorbeeld van een kortere doorlooptijd van initiatief tot realisatie is om te werken met versnellingstafels zoals gebeurt in Eindhoven waarbij strakke afspraken worden gemaakt over het proces en consequent wordt gestuurd op snelheid en voortgang. 3.2.2

Vergroten capaciteit en expertise om versnelling te realiseren We vergroten de capaciteit en expertise bij het Rijk en medeoverheden en stimuleren de bouwwereld om de beschikbare productiecapaciteit optimaal te benutten. Dit doen we door: • De inzet van flexpools te intensiveren en de expertise van het Rijksvastgoedbedrijf te benutten. Daarnaast ondersteunen we met de inzet van het Expertteam Woningbouw woningbouwprojecten, wanneer deze vastlopen door bijvoorbeeld bestuurlijke problemen, interpretatie van (nieuwe) wet- en regelgeving of het stikstofdossier. • De regionale samenwerking te versterken via de regionale woondeals. Het gaat daarbij om de inzet van capaciteit en expertise van bijvoorbeeld de regionale kennispools. • Samen met kennisinstellingen en medeoverheden de mogelijkheden voor het versterken van capaciteit en expertise te onderzoeken. Het gaat daarbij over het opleiden van, het samenwerken met en het aantrekken van professionals. • Het uitwisselen van ‘best practises’ over (innovatieve) bouwmethoden met andere landen. • Afspraken te maken met de bouwsector over de ontwikkeling en de inzet van de productiecapaciteit. • Zelfbouwinitiatieven (collectief particulier opdrachtgeverschap) te stimuleren.

Industrieel en circulair bouwen Met industrieel en circulair bouwen kunnen we sneller en kwalitatief beter bouwen, met minder CO2-uitstoot, een lagere milieubelasting en een hogere bouwproductiviteit. Digitale ontwerpprocessen en bestaande woningbouwconcepten (digitaliseren en automatiseren) bieden bovendien kansen om de tijd tussen planvorming en realisatie te verkorten (uniformeren en standaardiseren). We streven ernaar om in 2030 de helft van de jaarlijkse woningbouwproductie via circulair en industrieel bouwen te realiseren. Hierbij kijken we ook naar het aanbod van productiematerialen. Hierbij doen we het volgende: • Afspraken maken in het kader van regie dat een groter deel van de woningen circulair en industrieel wordt gebouwd. • Gemeenten ondersteunen middels het vergroten van kennis om de kansen voor industrieel bouwen te benutten. • Indien nodig regels in het Besluit bouwwerken leefomgeving aanpassen om circulair en industriële bouw te bevorderen. • Kennis uit wisselen en samenwerken met diverse partners via onder andere het Transitieteam Circulaire Bouweconomie, City Deal circulair en conceptueel bouwen en Lente Akkoord 2.0. • Kennis ontwikkelen en gebruik maken van pilots, bijvoorbeeld op het gebied van kleinschalig verdichten.

Grondbeleid De tijdige en strategische inzet van grondbeleid is essentieel bij het sneller realiseren van woningbouwplannen en de gewenste kwaliteit van de leefomgeving. Gemeenten hebben verschillende instrumenten in handen om ruimtelijke doelen te verwezenlijken, bijvoorbeeld anterieure overeenkomst, exploitatieplan, Wet voorkeursrecht gemeenten, onteigening. Het is belangrijk dat gemeenten deze instrumenten willen en kunnen inzetten waar nodig en tegelijkertijd een goede afweging maken tussen actief en faciliterend grondbeleid. In dit kader doen we het volgende: • We helpen gemeenten bij het inzetten van de instrumenten en onderzoeken zo nodig of aanpassingen van de instrumenten nodig is. Het uitgangspunt is dat gemeenten zowel actief als faciliterend grondbeleid moeten kunnen inzetten waar zij dat nodig vinden. • We helpen met handreikingen waarin de mogelijkheden uiteen worden gezet en voorbeelden worden gegeven.

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Programma 2022-2026 23

• We kijken in samenwerking met gemeenten en provincies naar het grondbeleid en hoe dit verder ingezet kan worden om de doelstelling tot twee derde betaalbare woningen in de nieuwbouw te realiseren. • We zetten experts in die gemeenten van adviezen kunnen voorzien in de verschillende fases van de gebiedsontwikkeling. • Waar dat mogelijk is en meerwaarde heeft voor de urgente opgaven (zowel de woonopgave alsook andere ruimtelijk opgaven) zetten we direct of indirect de rijksvastgoed- en grondposities in, al dan niet via een nog te ontwikkelen grondfaciliteit. Hier wordt nog onderzoek naar verricht. Voorwaarde om tot daadwerkelijke implementatie van de faciliteit over te gaan, is dat deze aantoonbaar en doelmatig bijdraagt aan het realiseren van woningbouw en ruimtelijke transities, waarbij de bijbehorende risico’s goed in kaart zijn gebracht en beheersbaar blijken. Op basis van deze analyse zal besluitvorming plaatsvinden over of en hoe overgegaan wordt op implementatie van de faciliteit. • We onderzoeken of participatie van het Rijk bij het verwerven van strategische grondposities een bijdrage kan leveren en hoe deze dan zou moeten worden vormgegeven. Dit kan helpen om drempels bij grondverwerving weg te nemen en daarmee over te gaan tot een actief grondbeleid.

Vanuit het Rijk worden lokale overheden bij de inzet van hun grondbeleid zoveel mogelijk gefaciliteerd in hun taak om de woningbouwopgave te verwezenlijken. • De Autoriteit Consument en Markt doet momenteel onderzoek naar de werking van de grondmarkt en de gevolgen voor woningbouw16. Mogelijke aanbevelingen die hieruit voortkomen zal het kabinet bestuderen en van een appreciatie voorzien.

Een voorbeeld is Purmerend. Deze gemeente zet het voorkeursrecht actief in om speculatie met grondposities te voorkomen. Dit heeft bijvoorbeeld speculatie voorkomen op een bedrijventerrein dat de gemeente wilde transformeren naar woningbouw. Dit is de snelheid van de ontwikkeling ten goede gekomen. 3.2.3

Belemmeringen worden gemitigeerd In samenspraak met medeoverheden zorgen we ervoor dat knelpunten om te kunnen voldoen aan randvoorwaarden voor woningbouw zoveel mogelijk worden weggenomen. Dit met oog voor een gezond, veilig en schoon leefmilieu voor nu en in de toekomst. Het gaat om knelpunten op het vlak van klimaatbestendig bouwen, natuur inclusief bouwen, verduurzaming, stikstof, een gezond en veilig leefmilieu, luchtkwaliteit, energievoorziening en erfgoed. We werken aan het scheppen van duidelijkheid, door op rijksniveau meer regie te nemen in het maken van afspraken en stellen van kaders. Het streven is om onduidelijkheden in beleid, die belemmerend kunnen werken op de uitvoering, weg te nemen. Hierbij werken we aan het volgende: • Klimaatbestendig bouwen. Het sturend laten zijn van het water- en bodemsysteem moet voorkomen dat toekomstige generaties met schade als gevolg van klimaatverandering worden geconfronteerd, die voorkomen kan worden door nu klimaatbestendig te bouwen. Om die reden is het van belang dat waterschappen in een vroeg proces worden betrokken bij de planvorming. Daarnaast wordt bekeken op welke wijze de watertoets een meer dwingender karakter kan krijgen. • Ontwikkeling van een maatlat voor klimaatbestendig bouwen. Soms kan je niet in de polder bouwen, soms wel en soms onder voorwaarden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11955971/1