CConstaterende datSon en Breugel
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Ontwikkelingsvisie Nieuwe Heide & Oud Meer

Inloopuur 14 april 2022, gemeente Son en Breugel27.034 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ontwikkelingsvisie Nieuwe Heide & Oud Meer

Colofon Opdrachtgever:

Gemeente Best, Gemeente Son en Breugel

Datum:

23-11-2021

Opstellers:

Maaike de Graaf, Luuk Pruijsten en Willem Aarts

Projectnummer:

20011400

© Coöperatie Bo sgroep Zuid Nederland u.a., 23-11-2021 www.bosgroepen.nl

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

2

Samenvatting De Nieuwe Heide & Oud Meer is het bos- en natuurgebied op de grens Best en Son en Breugel. Vanwege het gemeentegrens overschrijdend karakter hebben beide gemeenten ervoor gekozen om een ontwikkelingsvisie voor het gebied te maken. Met deze visie wordt een beeld geschetst voor de ontwikkeling in de periode 2022 – 2070, en wordt er richting gegeven aan concrete uitvoeringsprojecten op het gebied van natuur en recreatie. De visie is gebaseerd op een uitgebreide gebiedsanalyse, en op de wensen en ideeën van de inwoners en raadsleden van beide gemeenten. Zij zijn op meerdere manieren geraadpleegd. De Nieuwe Heide & Oud Meer draagt de sporen van de laatste eeuw: zo kennen de bossen weinig variatie in boomsoorten, leeftijd en structuur als gevolg van het bosbouwverleden. Zowel de bossen als de heideterreinen zijn verzuurd en met stikstof verrijkt, verdroogd, versnipperd en verstoord. Kortom, de natuur en biodiversiteit zijn niet optimaal ontwikkeld, waardoor zij kwetsbaar zijn voor toekomstige bedreigingen als klimaatverandering, meer stikstofdepositie en verstoring door recreatie. Er liggen echter ook kansen: de bodemopbouw in het gebied is gunstig voor herstel van het systeem en gradiënten in hoogte en vochtgehalte maken een grotere diversiteit aan biotopen en biodiversiteit mogelijk.

En last but not least: de inwoners van de gemeenten erkennen de waarde van het gebied; er is draagvlak voor de verdere ontwikkeling van natuur en recreatie. Om het gebied verder te ontwikkelen is de volgende visie geformuleerd:

Het gebied Nieuwe Heide & Oud Meer ontwikkelt zich tot een natuurgebied met een hoge biodiversiteit, dat mede daardoor veerkrachtig is in het opvangen van belemmerende processen als klimaatverandering en stikstofdepositie. In het gebied is ruimte voor recreatie. De uitwerking richt zich op de volgende aspecten: • Herstel van een robuust watersysteem als voorwaarde voor het weer laten functioneren van de in het gebied aanwezige gradiënten en om een basis te creëren voor het opvangen van klimaatverandering en stikstofdepositie • Het ontwikkelen van veerkrachtige bossen. Hierin worden drie bostypen onderscheiden: natuurbossen, waarin natuurlijke processen voorrang krijgen. Zij liggen op de laagste en rustigste delen in het gebied. In het soortenrijk loofbos wordt ingezet op het optimaal benutten van de mogelijkheden van de leemlaag in de bodem, waardoor een rijker en meer biodivers bostype ontstaat. Het dennen- en eikenbos is gebonden aan de meest schrale en vaak ook drukstbezochte delen van het gebied: het is kenmerkend voor stuifzanden, en daardoor van nature minder rijk aan biodiversiteit. Hier wordt een verbetering van de bosstructuur beoogd. • Verbonden natuurterreinen. Door het verbinden en soms ook vergroten van heideterreinen en vennencomplexen wordt de weerbaarheid van deze ecosystemen vergroot en verkleint de kans op lokaal uitsterven van soorten.

• Door recreatie te zoneren laten we natuur en mens samenleven. Route- en padenstructuren laten de bezoeker de natuur op verschillende manieren beleven: kwetsbare natuur door

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

3

extensieve, avontuurlijke, weinig belastende vormen van recreatie als bijvoorbeeld wandelen op laarzenpaden. In minder kwetsbare natuur kunnen intensievere vormen van recreatie (mountainbike, ruitersport, hondenlosloopgebied) of groepsgewijze activiteiten plaatsvinden. De natuur is beleefbaar voor iedereen. Uit de visie vloeit ook nu al een aantal projecten voort; voor projecten die op de korte en middellange termijn kunnen worden uitgevoerd is er een eerste inschatting van de kosten gemaakt en een mogelijke bron van financiering aangegeven.

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

4

Inhoudsopgave

Samenvatting

3

1

Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doel en afbakening 1.3 Proces 1.4 Leeswijzer

7

2

Ontwikkelingsvisie 2.1 Samenvattende gebiedsanalyse 2.2 Visie 2.3 Bossen: differentiëren in type bos 2.4 Natuurterreinen: verbinden is belangrijk 2.5 Zonering van recreatie

10

3

Strategie en projecten 3.1 Hydrologie: een robuust watersysteem 3.2 Veerkrachtige bossen 3.2.1 Strategie per bostype 3.2.2 Maatregelen nader toegelicht 3.3 Verbonden natuurterreinen 3.3.1 Heideterreinen 3.3.2 Verbinding met overige gebieden 3.4 Recreatie 3.5 Brandveiligheid 3.6 Communicatie

16

4

Gebiedskenmerken 4.1 Geologie en hoogteligging 4.2 Bodem 4.3 Hydrologie 4.4 Cultuurhistorische en aardkundige waarden 4.5 Bos, heide en vennen 4.5.1 Bos 4.5.2 Heide, vennen en graslanden 4.6 Flora en fauna 4.6.1 Amfibieën en reptielen 4.6.2 Sprinkhanen, libellen en vlinders 4.6.3 Vlinders 4.6.4 Broedvogels 4.6.5 Vaatplanten, mossen en korstmossen 4.7 Analyse bos en natuur 4.7.1 Zwakke punten bos 4.8 Recreatie 4.9 Beleid

29

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

5

5

Milieudruk en effecten op de Nieuwe en Sonse heide 5.1 Klimaatverandering 5.1.1 Effecten van klimaatverandering in de Nieuwe Heide & Oud Meer 5.2 Verdroging 5.2.1 Effecten van verdroging in de Nieuwe Heide & Oud Meer 5.3 Stikstofdepositie 5.3.1 Effecten van stikstofdepositie in de Nieuwe Heide & Oud Meer 5.4 Versnippering 5.4.1 Effecten van versnippering in de Nieuwe Heide & Oud Meer 5.5 Verstoring 5.5.1 Effecten van verstoring in de Nieuwe Heide & Oud Meer

66

6

Oplossingsrichtingen 6.1 Robuust watersysteem 6.1.1 Kansen voor de Nieuwe Heide & Oud Meer 6.2 Veerkrachtig bos 6.2.1 Kansen voor de Nieuwe Heide & Oud Meer 6.3 Ecologische verbindingen 6.3.1 Kansen voor de Nieuwe Heide & Oud Meer 6.4 Recreatie 6.4.1 Kansen voor de Nieuwe Heide & Oud Meer

76

7

Literatuur

82

Bijlage 1

Proces tot standkoming ontwikkelingsvisie

84

Bijlage 2 Overzicht van projecten

85

Bijlage 3 Effecten van klimaatverandering

86

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

6

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

De Nieuwe Heide & Oud Meer ligt ten noorden van Eindhoven en wordt voor een belangrijk deel ingesloten door stedelijk gebied van Best, Son en Breugel en Eindhoven. Aan de noordzijde grenst het natuurgebied aan agrarisch gebied (Figuur 1). Het gebied is voor het grootste gedeelte eigendom van de gemeente Best (Nieuwe Heide/Langvennen) en de gemeente Son en Breugel (Sonsche heide/Oud Meer). Het gebied wordt gekenmerkt door beboste heide van rond 1940 met nog enkele vennen en heideterreinen. Door de ligging direct aan stedelijk gebied en de goede bereikbaarheid vanuit Eindhoven is het een recreatief zeer drukbezocht gebied.

Figuur 1 Begrenzing van het studiegebied Nieuwe Heide & Oud Meer

Sinds januari 2020 is het beheer voor het Son en Breugelse deel weer overgedragen van Staatsbosbeheer

aan

de

gemeente.

Doordat

de

eigendommen

van

beide

gemeenten

landschappelijk, ecologisch, hydrologisch en recreatief één gebied vormen is samenwerking en afstemming tussen beide gemeenten op een aantal onderwerpen in de toekomst een logische stap. Door de gemeenten Best en Son en Breugel is aan Bosgroep Zuid Nederland gevraagd om een integrale ontwikkelingsvisie op te stellen voor het bos- en natuurgebied Nieuwe Heide & Oud Meer.

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

7

Deze ontwikkelingsvisie gaat in op de vraag hoe de terreinen zich in de toekomstige decennia, tot ca. 2070, zullen ontwikkelen. Bij het opstellen van de visie hebben we een integrale benadering toegepast, waarin zowel de kenmerken en functies als het beheer van het gebied zijn meegenomen. Ontwikkelingen als klimaatverandering en stikstofdepositie en de gevolgen daarvan zijn in de analyse betrokken, alsmede de wensen van inwoners en gemeenten. De visie is vervolgens nader uitgewerkt voor de onderwerpen recreatie, ecologie en beheer.

1.2

Doel en afbakening

Het doel van de opdracht is te komen tot een binnen beide gemeenten gedragen ontwikkelingsvisie, die de komende decennia de rode draad zal vormen voor het beheer van het gehele gebied. In deze ontwikkelingsvisie wordt het gebied integraal benadert: het samenspel tussen hydrologie, ecologie en recreatie in het Nieuwe Heide & Oud Meer, plus de sturende rol die de gemeenten als beheerder hebben om het gebied te verbeteren staan centraal. Preciezer geformuleerd wordt er op de volgende aspecten gefocust: 1. Ecologie en hydrologie: dit is de basis van het gebied, zowel voor biodiversiteit als voor de beleving van de recreant. Daarbij komt dat veel (bijzondere) soorten vaak zijn van een goed functionerend

hydrologisch

systeem.

Beiden,

een

hoge

biodiversiteit

als

een

goede

waterhuishouding, zijn een voorwaarde voor een veerkrachtig systeem. 2. Recreatie en toerisme: het gebied is zeer druk bezocht. In deze visie wordt ingegaan op de mogelijkheden tot recreatiezonering om negatieve effecten van recreatie tegen te gaan. 3. Klimaatverandering en stikstofdepositie zijn behoren tot de vormen van milieudruk met de meest negatieve impact op bos en natuur. Inmiddels beginnen de eerste effecten van klimaatverandering zichtbaar te worden in de bossen. Daarnaast zijn de effecten van een te hoge stikstofdepositie al langer zichtbaar. In deze visie wordt er op de vraag ingegaan hoe het systeem weerbaarder kan worden gemaakt tegen de effecten van klimaatverandering en stikstofdepositie, en van andere, minder in het oog springende milieudruk.

Op basis van de visie wordt er een ontwikkelingsstrategie en projecten geformuleerd die noodzakelijk zijn om de gewenste ontwikkelingen te realiseren. Daarmee past de visie in de PDCAcyclus1. Het is de eerste stap in deze cyclus, waarin na een uitgebreide analyse van het gebied, kansen en bedreigingen, doelen worden gesteld voor de toekomstige ontwikkeling.

1.3

Proces

Om te waarborgen dat deze visie voor de Nieuwe Heide & Oud Meer gedragen wordt door beide gemeenten, heeft afstemming plaatsgevonden met stakeholders, ambtenaren en raadsleden van beide gemeenten. De inwoners van Best en Son en Breugel zijn geraadpleegd middels digitale

1

PDCA-cyclus: een methode waarbij achtereenvolgens doelen worden gesteld en activiteiten benoemd (plannen), uitgevoerd worden (doen), gecontroleerd wordt of doelen zijn gerealiseerd (controle/check) en vervolgens een evaluatie op proces en aanpassing volgt (act). Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

8

enquêtes. De respons hierop was hoog: in Best vulden 741 inwoners de enquête in, in Son en Breugel 437. De gemeenten hebben daarnaast met diverse belangengroepen gesproken en de resultaten van deze gesprekken zijn verwerkt in deze visie. Een compleet overzicht van de activiteiten is opgenomen in Bijlage 1.

Figuur 2 Excursie met de raadsleden en wethouders op 25 september 2021

1.4

Leeswijzer

Dit rapport bestaat uit twee delen. In het eerste deel van de rapportage is de visie voor de komende 50 jaar (hoofdstuk 2 opgenomen en wordt nader ingegaan op de strategie en projecten die nodig zijn om de visie te verwezenlijken. Meer over de achtergrond van de visie leest u in het tweede deel van het rapport. In hoofdstuk 4 wordt een beeld van bodem en hydrologie, bos en natuur, cultuurhistorie en recreatie gegeven. We gaan ook kort in op het relevante bos- en natuurbeleid. Dit hoofdstuk wordt gevolgd door een beschrijving van de factoren die de biodiversiteit in het gebied onder druk zetten (hoofdstuk 5). Na een korte theoretische beschrijving van de milieufactor, worden de zichtbare effecten in het gebied en de risico’s voor de toekomst geduid. Hoofdstuk 6 beschrijft oplossingsrichtingen om te komen tot een veerkrachtig en robuust bos- en natuurgebied, dat de veranderende milieudruk in de toekomst aan kan en ruime mogelijkheden biedt voor recreatie.

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

9

2

Ontwikkelingsvisie

2.1

Samenvattende gebiedsanalyse

De geschiedenis van de Nieuwe Heide & Oud Meer is nog goed zichtbaar in het gebied: de heideterreinen zijn een overblijfsel van het uitgestrekte heidegebied van rond 1900. In de periode 1920 – 1950 is op grote schaal bos aangeplant; meestal grove den en eik. Om de bomen zich goed te laten ontwikkelen is het gebied ontwaterd. Als gevolg van het bosbouwverleden hebben de bossen weinig variatie in leeftijd, boomsoorten en structuur. Sinds de jaren 50 hebben processen als stikstofdepositie, klimaatverandering, versnippering en verstoring hun weerslag op het gebied gehad. Het gebied kan worden gekenmerkt als verzuurd en met stikstof verrijkt, verdroogd, versnipperd en verstoord (zie hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5 ). Gelukkig biedt het gebied ook kansen voor herstel en ontwikkeling (hoofdstuk 6 ): in de ondergrond van de Nieuwe Heide & Oud Meer ligt op 1,5 - 4 m een leemlaag, die hydrologisch herstel kansrijk maakt en tevens mineralen kan leveren voor het herstel tegen verzuring. De hoogteverschillen bieden een goed uitgangspunt voor het herstel van gradiënten. Het ingezette beheer heeft een begin gemaakt met het bestrijden van de effecten van stikstofdepositie en het herstellen van structuur en variatie in de bossen. En last but not least: uit de enquête onder de inwoners van de beide gemeenten blijkt dat er draagvlak is voor natuur.

De Nieuwe Heide & Oud Meer worden druk bezocht door recreanten; velen weten de rust en natuur te waarderen. Onthaasten, ontspannen, al dan niet door sportieve inspanningen zijn ook redenen om het gebied te bezoeken. De betrokkenheid van veel inwoners bij de Nieuwe Heide & Oud Meer is groot. Veel inwoners en stakeholders hebben ideeën aangedragen en wensen geuit voor het gebied. Deze zijn gewogen en verwerkt in de ontwikkelingsvisie voor het gebied.

2.2

Visie

Op basis van de kenmerken van het gebied, de wensen van beide gemeenten en gebruikers en vooruitlopend op de veranderingen in klimaat, is de volgende lange termijn visie geformuleerd:

Het gebied Nieuwe Heide & Oud Meer ontwikkelt zich tot een natuurgebied met een hoge biodiversiteit, dat mede daardoor veerkrachtig is in het opvangen van belemmerende processen als klimaatverandering en stikstofdepositie. In het gebied is ruimte voor recreatie. Deze visie geldt voor een periode van 50 jaar en geldt daarmee als leidraad voor deelprojecten tot ca. 2070. De visie is ruimtelijk weergegeven in Figuur 3. In de paragrafen daaropvolgend worden de verschillende lagen van de visie nader toegelicht.

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

10

2.3

Bossen: differentiëren in type bos

Binnen de bossen en natuurterreinen zijn er veel soorten, functies en gebruikers die een plekje moeten krijgen. Echter, niet alles kan overal. Veel is afhankelijk van de hydrologie, ontsluiting, huidig gebruik en ondergrond. Daarom worden er drie bostypen onderscheiden in het gebied, die verschillen in de mate waarin natuurlijke processen en verschillende ecosysteemdiensten op de voorgrond treden. De bostypen zijn hieronder beschreven en in Figuur 4 ruimtelijk weergegeven. Een overzicht van de verschillen tussen de bostypen is weergegeven in Tabel 1. Bij het opstellen van de visie voor de bossen wordt aangesloten bij de landelijke bossenstrategie ‘Bos voor de toekomst’ (Minlnv, 2020).

Figuur 3 Ontwikkelingsvisiekaart. Gekleurde vlakken geven de diverse bos- en natuurtypen weer, de arcering geeft de recreatiezonering aan.

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

11

- Natuurbos. In dit bostype staan natuurlijke processen voorop. In de laagtes, waar deze bossen grotendeels mee samen vallen, wordt dit gecombineerd met vernatting, zodat er een natter bostype kan ontstaan. De droge natuurbossen liggen op de locaties waar weinig recreatie is. In het noordwesten wordt de aanwezigheid van mineraalrijkere leemlagen in de ondiepe ondergrond benut voor de aanplant van rijk strooiselsoorten (zoals linde, haagbeuk, iep en esdoorn), waardoor de verzuring wordt verminderd en er een rijker bostype ontstaat. In de natuurbossen wordt meer structuur in het bos gecreëerd door o.a. dood hout te laten liggen en aftakelende bomen alleen te verwijderen als de veiligheid in geding is. Houtoogst wordt alleen uitgevoerd ten behoeve van omvorming. De afwisseling van drogere en nattere typen inheems loofbos, staat borg voor een hogere biodiversiteit.

- Soortenrijk loofbos. Op deze plaatsen vindt revitalisering van het bos plaats door het omvormen van naaldbos naar loofbos en aanplant van rijk strooiselsoorten. Aanplant van rijk strooiselsoorten is kansrijk op deze delen, vanwege de aanwezigheid van de Brabantse leemlaag in de ondergrond. Ruimte voor aanplant ontstaat door het kleinschalig omvormen van de huidige naaldbossen. Houtoogst blijft ook in de toekomst mogelijk, maar wordt kleinschalig toegepast. Door kleinschalig hout te oogsten en actief soorten in te brengen is dit het meest structuurrijke bostype. - Dennen- en eikenbos. Grote delen van het gebied

bestaan in de huidige situatie uit dit bostype; het zijn de bossen waar veel recreanten komen op drogere plaatsen. Dit is het bos van de drogere, zuurdere delen van het gebied. Ook beukenbossen behoren tot dit type. Dit bostype wordt intensiever beheerd dan het soortenrijk loofbos, zodat er ook ruimte is voor lichtminnende soorten. In deze bossen zal het aandeel loofhout echter sterk moeten toenemen om een toekomstbestendig, veerkrachtig bos te ontwikkelen. Net als in het soortenrijk loofbos blijft houtoogst mogelijk.

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

12

Tabel 1 Beschrijving en overzicht van diensten van de verschillende bostypen. Dennen- en eikenbos Soortenrijk loofbos Natuurbos

Zomereik, beuk, linde, gewone esdoorn, haagbeuk, els

Zomereik, zwarte els, beuk, berk, populier, haagbeuk

dood hout en oude dikke bomen ++

++

+++

Kleinschalige structuur

+

+++

++

+ ++ +++ + + + +

++ +++ ++ ++ ++ + ++

+++ ++++ +++ + +++

Grove den, zomereik, beuk Dominante boomsoorten

Functies en ecosysteemdiensten Biodiversiteit en natuur Recreatie Houtproductie Koolstofvastlegging Vasthouden water Zuivering van lucht en water Hittebestrijding

Figuur 4 Visiekaart bossen en natuurterreinen

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

13

2.4

Natuurterreinen: verbinden is belangrijk

Binnen Nieuwe Heide & Oud Meer is een aantal heideterreinen met vennen en graslanden aanwezig. We zetten in op het vergroten van de kleine terreintjes en het verbinden van de gebieden. De heide- en vennencomplexen van de Langvennen en het Oud Meer liggen dermate geïsoleerd van elkaar, dat uitwisseling tussen populaties van planten en dieren moeilijk is. Daarnaast zijn ze relatief klein en daarmee vatbaar voor ecologische rampen als bijvoorbeeld brand en droogte. Dit maakt de heidegebieden kwetsbaar. Om de heide-ecosystemen minder kwetsbaar te maken wordt ingezet op herstel van de gradiënten van ven naar droge heide binnen de heidegebieden en op het verbinden van de gebieden. De kleine heideterreinen langs de Sonse weg en het Wilhelminakanaal zijn extra kwetsbaar. Door deze te vergroten worden ze minder gevoelig voor dichtgroeien, doordat er minder zaad invalt uit de omringende bossen. Het kappen van bomen leidt tevens tot minder verdamping, en daarmee minder verdroging. Er wordt ingezet op het verbinden van de heidegebieden door middel van stapstenen. Ieder heideterrein kun je zien als een stapsteen. De stapstenen liggen op geringe afstand van elkaar, zodat soorten van de ene stapsteen naar de andere kunnen bewegen. In principe is iedere steen voldoende groot om zelfstandig als heide te functioneren. Gezamenlijk vormen ze een stevig netwerk.

In het centrale bosgebied ontbreekt zo’n stapsteen; er wordt gezocht naar ruimte voor een nieuw heidevennengebied ongeveer ter hoogte van de voormalige vennen Hartven en Lisseven (zie Figuur 5). Hier liggen kansen voor de ontwikkeling van een heideterrein met de hele natdroog gradiënt van ven, via natte heide naar droge heide. Op die manier kunnen karakteristieke en beschermde soorten als heikikker (soort van natte heide) en levendbarende hagedis (droge heide) profiteren van de stapsteen. Figuur 5 Versterken heideterreinen

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

14

2.5

Zonering van recreatie

Recreatie is in vrijwel het hele gebied mogelijk, maar er wordt onderscheid gemaakt in verschillende zones. Kwetsbare gebieden als venoevers, natte heide, vochtige bossen en bossen met veel dood hout worden ontzien van betreding. In droge bossen, droge heide en stuifzanden die minder kwetsbaar zijn voor betreding, is meer mogelijk. Daarnaast wordt verstoring van dieren door geluid en honden beperkt. Dit leidt tot een recreatiezonering binnen het gebied zoals weergegeven in Figuur 6. De 3 zones zijn: - Intensieve recreatie: In deze zone komen de meeste bezoekers. De zone grenst direct aan de meest gebruikte toegangsplaatsen van het gebied (horeca en woonwijk). Een duidelijke padenstructuur zorgt ervoor dat verschillende doelgroepen hier kunnen recreëren. Enkel in deze zone is ruimte voor activiteiten van groepen groter dan 25 personen, zoals de Joe Mannloop. Tevens is dit het zoekgebied voor een speelbos en een hondenlosloopgebied. De natte stukken worden ontsloten door knuppelbruggen op verhoogde wandelpaden. - Normaal gebruik: Deze zone is alleen toegankelijk vanaf de paden. Extensieve (sport)activiteiten zoals hardlopen, paardrijden en mountainbiken zijn mogelijk zolang het individueel is of in kleine groepen. Ook natuurexcursies of rondleidingen over de historie van het gebied vinden hier plaats.

In natte, bosrijke delen wordt recreatie geëxtensiveerd door bijvoorbeeld laarzenpaden aan te leggen. Deze weren op natuurlijke wijze intensieve vormen van recreatie. - Extensieve recreatie: Ontwikkeling van natuur en biodiversiteit staan hier voorop en recreatie in deze zone is gericht op natuurbeleving vanaf de paden. Het routenetwerk ontziet deze gebieden zoveel mogelijk.

Figuur 6 Recreatiezonering Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

15

3

Strategie en projecten

Veranderingen in bossen en natuurterreinen worden bij voorkeur geleidelijk ingevoerd, omdat bij plotseling en grootschalig ingrijpen vaak ongewenste neveneffecten optreden. De natuur moet de kans krijgen zich aan te passen. Dat betekent niet dat alle maatregelen stapsgewijs worden ingevoerd; sommige ingrepen kunnen slechts eenmalig worden uitgevoerd, zoals hydrologische maatregelen (bijvoorbeeld het dempen van sloten) of de aanleg van nieuwe recreatieve voorzieningen. In de volgende paragrafen wordt de strategie beschreven om de visie de komende jaren te verwezenlijken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen maatregelen die passen binnen regulier beheer en projectmatige maatregelen. In bijlage 3 zijn deze maatregelen in een tabel samengevat.

3.1

Hydrologie: een robuust watersysteem

Op systeemniveau ligt één van de grootste kansen in het aanpassen van de hydrologie om de veerkracht van het gebied te vergroten. Veerkracht is een kernwoord in de visie. Een robuust watersysteem draait om de principes van vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren. Voor de Nieuwe Heide & Oud Meer ligt de ambitie op het vasthouden van het water binnen het gebied. ‘Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt’ (Waterschap de Dommel 2021). Dat is de ambitie van waterschap de Dommel en daar sluit deze visie bij aan . Door bodemontwikkeling te stimuleren neemt het organisch stofgehalte van de bodem toe. Als gevolg hiervan wordt ook het watervasthoudend vermogen van de bodem verhoogd. Bij landbouwgrond wordt aangehouden dat 1% extra organisch materiaal ongeveer 2-3mm water kan vasthouden. Naarmate het organische stofgehalte toeneemt wordt er geleidelijk wel minder water vastgehouden per procent. Het potentieel is echter groot omdat iedere vierkante meter waar bodemontwikkeling plaatsvindt meehelpt om water vast te houden. De laagtes binnen het gebied waren vroeger omgeven door (stuifzand-)wallen, waardoor water hier stagneerde. Bij de aanleg van bos en wegen zijn veel van deze wallen doorgestoken om het gebied droger te maken. Door deze laagtes weer afvoerloos te maken ontstaan er plaatsen in het gebied waar water naartoe stroomt en langzaam zal infiltreren.

Dit zal in droge periodes de bomen en planten helpen doordat er langer water in het gebied aanwezig is. Door weer een afvoerloos systeem te maken zal al het water via het grondwater het gebied moeten verlaten. Dit betekent een aanzienlijke vertraging in de waterafvoer en het gebied zal als een soort van spons voor omliggende gebieden gaan werken. Niet alleen het gebied zelf heeft hier baat bij, maar ook de omgeving. Door de sponswerking zullen de afvoerpieken benedenstrooms namelijk worden verkleind, waardoor wateroverlast verderop in het watersysteem wordt voorkomen. Doordat er weer meer variatie komt in grondwaterstanden ontstaan er meer gradiënten, bijvoorbeeld in nat – droog en zuur – minder zuur. Deze gradiënten maken het mogelijk voor soorten om tijdelijk te verhuizen naar plaatsen waar de omstandigheden gunstig zijn: bijvoorbeeld in natte jaren naar plaatsen wat hogerop en in droge jaren naar lager gelegen plaatsen. De aanwezigheid van die gradiënten waarborgt daarmee behoud van biodiversiteit en vergroot dus de veerkracht van het systeem.

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

16

De aanwezigheid van de slecht doorlatende Brabantse leemlaag maakt het gebied kansrijk voor vernatting, met name in de laagten. Door greppels in laagten te dichten en sloten af te dammen wordt voorkomen dat water wordt afgevoerd en wordt de grondwaterstand verhoogd. In Figuur 7 zijn de locaties aangegeven die kansrijk zijn voor vernatting. Deze worden in de volgende alinea’s besproken.

Figuur 7 Kansrijke locaties voor vernatting. Zie tekst voor uitleg

Lisseven, Hartven, natte laagtes Best en Langvennen Het voormalig Lisseven en Hartven (locatie 1) zijn door hun lage en geïsoleerde ligging zeer kansrijk om vernat te worden tot ven of broekbos. De grondwaterstanden komen hier nu al in natte winters tot vlak onder maaiveld. Op dit moment loopt er een hydrologisch onderzoek naar de haalbaarheid van het project. Afhankelijk van deze resultaten kan een mogelijke toekomstige inrichting worden uitgewerkt en kunnen effecten op het huidige bos en de recreatieve ontsluiting in beeld worden gebracht. Mogelijk dat een aantal paden door knuppelbruggen moeten worden vervangen om geschikt te blijven voor de recreatie. De verdroging van de Langvennen wordt onder meer veroorzaakt door de bemaling van de A2 en door verdamping en versnelde afvoer via sloten (Laperre et al, 2010; Raaijmakers 2012). Sinds 2014 zijn verschillende maatregelen getroffen om de verdroging op te heffen, echter, met een onvolledig resultaat. Op dit moment vindt er aanvullend onderzoek plaats naar de mogelijkheden om de verdroging van de Langvennen verder te herstellen door het water op te stuwen in de oude afwateringssloot die vanuit de Langvennen in noordoostelijke richting loopt richting Lisseven en Hartven.

In het kader van dit onderzoeksproject Herstel Lisseven en Hartven (de Kort en van der Burg 2019), is een reeks peilbuizen en oppervlaktewatermeetpunten geïnstalleerd. Dit onderzoek zal uitwijzen of en op welke wijze de Langvennen langer waterhoudend gemaakt kunnen worden en welke maatregelen hiervoor het best genomen kunnen worden.

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

17

Natte laagtes Sonsche heide Ten westen van Bosgebied West (locatie 2) ligt een grote voormalige natte laagte met waarschijnlijk goede potenties voor het ontwikkelen van nattere bostypes. Het sloten- en begreppelingspatroon in deze laagten en het feit dat hier een veldpodzolbodem voorkomt, duidt erop dat het vroeger ook hier veel natter was. Door het afdammen van sloten stijgt de grondwaterstand in het achterliggende systeem. Vernatting in bossen kan in eerste instantie leiden tot het afsterven van bomen die zijn aangepast aan de huidige drogere situatie. Maar hierdoor ontstaat ook ruimte voor de spontane ontwikkeling van een natter, gewenst bostype. Om te voorkomen dat grote delen bos tegelijk afsterven, moeten de effecten van vernatting goed worden onderzocht, zodat sloten gefaseerd kunnen worden afgedamd. Vernatting zal de biodiversiteit uiteindelijk ten goede komen en het watervasthoudend vermogen van het gebied vergroten. Nader onderzoek is eveneens noodzakelijk om meer inzicht te verkrijgen in het functioneren van de laagte ten noorden van het Oud Meer (locatie 3). Deze laagte is veel droger dan de overige laagten in het gebied. Het is onduidelijk waarom deze laagte droog is; mogelijk ontbreekt hier lokaal de slecht doorlatende leemlaag in de ondergrond, waardoor het water mogelijk dieper kan wegzakken. Een andere oorzaak kan verdroging door de A50 zijn.

Het is raadzaam om de potentie van dit deel nader te onderzoeken alvorens sloten te dempen. Beperken invloed Rendac en Sonse heideloop Het water van de Rendac heeft een slechte kwaliteit (te voedselrijk, te warm en te veel sulfaat); dit water is ongewenst in de bossen (zie paragraaf 4.3 Op de locaties 4 en 5 in Figuur 7 zijn twee typen effecten waar te nemen van de Sonse heideloop: ten eerste werkt de watergang verdrogend voor de laagten. Ten tweede is de Sonse heideloop in het verleden wel eens overstroomd in de laagten. Door sloten die nu nog in open verbinding staan met de Sonse heideloop af te dammen, kan in de toekomst worden voorkomen dat er nogmaals overstroming met water van slechte kwaliteit optreedt en dat dit water nog “dieper” het gebied in loopt. De maatregel met het meeste effect op het gehele gebied is het dempen van de Sonsche heideloop. Dit is echter op dit moment niet mogelijk omdat het traject actief wordt gebruikt voor afvoer van Rendac-water. Mochten er in de toekomst mogelijkheden zijn, dan zou het dempen van de Sonsche heideloop het gebied weer aanzienlijk vernatten.

3.2

Veerkrachtige bossen

Er worden in deze visie drie typen bos onderscheden: natuurbos, soortenrijk loofbos en dennenen eikenbos. Al deze bostypen kunnen op termijn met het reguliere beheer bereikt worden. Daarbij zal actief inbrengen en bevoordelen van soorten tijdens dunningen echter wel noodzakelijk zijn, omdat in het huidige systeem de minder gewenste soorten een hogere concurrentiekracht hebben dan de gewenste soorten en sommige beoogde boomsoorten nu niet of onvoldoende in het systeem aanwezig zijn. Bosontwikkeling is een proces van lange termijn, de huidige klimaatsverandering gaat echter relatief snel. Er wordt dan ook ingezet op een tijdige adaptatie aan klimaatverandering, door de ontwikkeling richting een structuurrijk en biodivers bos te sturen waarin ruimte is voor alle ecosysteemdiensten. Figuur 8 geeft een beeld van processen in een biodivers en structuurrijk bos.

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

18

In deze paragraaf worden eerst de maatregelen per bostype besproken. Vervolgens wordt een aantal maatregelen nader toegelicht.

Figuur 8 Bomen en processen in een goed ontwikkeld bos

Verantwoorde houtoogst Vrijwel alle bossen binnen het plangebied zijn in het verleden aangeplant voor houtproductie, vaak in monocultuur (bijvoorbeeld grove den). Houtoogst was dan ook het doel en dit werd vaak grootschalig blokvormig uitgevoerd. Inmiddels dienen de bossen meer doelen (o.a. recreatie, biodiversiteit, koolstofvastlegging) en zijn er ook nieuwe inzichten over het functioneren van bosecosystemen. Houtoogst is dan ook niet langer het doel maar een middel geworden om, middels dunningen, de bossen zich te laten ontwikkelen naar een meer divers bos. Tijdens het uitzetten van een dunning wordt er gespeeld met lichtcondities; meer of minder licht in het bos stimuleert namelijk verschillende processen. Met deze vorm van beheer wordt er een richting ingeslagen naar een kleinschalig structuurrijk bos met een groot aantal verschillende soorten. Kaalkap behoort toch echt tot het verleden. Het is een gegeven dat veel van de bomen in het bos last hebben van een mineralentekort. Dit is ontstaan door aanplant van soorten als grove den en eik op schrale gronden en door beheer en verzuring. Het kappen en afvoeren van hout zorgt voor een toename van de afvoer van mineralen. In het huidige beheer stemmen we de dunning af op de groeiplaats (Bonten et al., 2015) en oogsten alleen stamhout. Takken, blad en twijgen blijven liggen in het bos, waardoor de afvoer van mineralen beperkt is.

Daarnaast zorgen aanplant of het stimuleren van groei van rijk strooiselsoorten (zie hoofdstuk 6 ) ervoor dat de mineralen die in diepere bodemlagen opgeslagen zijn weer beschikbaar komen en mineralentekorten worden opgeheven. Draagvlak voor houtoogst Houtoogst is een onderwerp dat tot veel maatschappelijke discussie leidt, in Best en Son en Breugel is dat niet anders. De beide gemeenten hebben aan hun inwoners gevraagd wat of er goede redenen zijn om hout te oogsten. Veel inwoners vinden vooral het weerbaarder maken van bos voor milieudruk en het positieve effect van bossen op luchtverontreiniging goede redenen (zie Figuur 9). Daar staat tegenover dat ca. 35% van de respondenten aangeeft dat de houtoogst tot een minimum beperkt moet blijven. De geënquêteerden geven hiervoor verschillende redenen op, die zowel financieel (geen geld verdienen door houtoogst), ecologisch (variërend van de natuur kan zichzelf herstellen) als moreel zijn ingestoken (er wordt al te veel ontbost). Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

19

Figuur 9 Antwoorden op de vraag: “wat zijn volgens u goede redenen om hout te oogsten in de Nieuwe Heide & Oud Meer?” Meerdere antwoorden zijn mogelijk.

3.2.1

Strategie per bostype

Natuurbos De natuurbossen zijn voorzien in de natte laagtes en in de gedeelten die zijn aangewezen als extensieve recreatieve zones, zoals de noordwest en zuidoost hoeken van de Nieuwe Heide & Oud Meer. Dit bostype zal gekenmerkt worden door een spontane ontwikkeling, een hoog aandeel dood hout en een hoog aandeel Europese loofboomsoorten. Om de ontwikkeling goed op gang te brengen is nog wel bosbeheer nodig. Als gevolg van de voorgestelde hydrologische ingrepen zullen de bossen in de centrale laagtes en in de zuidoosthoek vernatten. Door deze aanpassingen aan de groeiplaats is in sommige gevallen boomsterfte mogelijk; oudere bomen hebben moeite zich aan te passen aan hogere grondwaterstanden. Dat lijkt tegenstrijdig, maar deze aftakelende en dode bomen zorgen voor extra structuur en voor ruimte voor vocht- en lichtminnende soorten als zwarte els en zachte berk. Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

20

Deze soorten zullen zich uitbreiden ten koste van de aftakelende soorten van drogere omstandigheden (o.a. eik, grove den). Waar de spontane ontwikkeling van bos onvoldoende is of waar nog exoten over grotere oppervlaktes voorkomen, worden inheemse loofboomsoorten geïntroduceerd om de ontwikkeling te versnellen. Voor met name de drogere stukken natuurbos zal gelden dat ze door hun geringe leeftijd nog niet erg structuurrijk zijn, dus zonder open plekken en zonder goed ontwikkelde struik- en kruidlagen. Daarnaast ontbreken veel van de karakteristieke boom- en struiksoorten, die hier van nature voorkomen. In deze drogere gedeelten is de uitspoeling van nutriënten op dit moment een groot probleem. Vanwege de hogere ligging zijn er geen mogelijkheden om de nutriënten weer aan te voeren via het grondwater. Het is echter wel mogelijk de nutriëntenhuishouding te verbeteren door een combinatie van het aanbrengen van steenmeel en het inbrengen van rijkstrooiselsoorten; steenmeel zorgt ervoor dat nieuw ingebrachte rijkstrooiselsoorten aanslaan, die, wanneer hun wortelstelsel voldoende is ontwikkeld, de nutriënten uit de diepere bodem- en leemlagen kunnen opnemen. Doordat hun blad makkelijk verteert, worden bodemvormende processen gestimuleerd en zal het systeem verrijken (zie ook paragraaf 6.2).

Plaatselijk kleinschalig ingrijpen om het aandeel van boomsoorten van buiten Europa te blijven verkleinen en aangeplante rijkstrooiselsoorten de ruimte te geven zal de eerste periode nog noodzakelijk blijven. De natuurbossen, met name de recreatief extensieve delen, vormen de kern van een aan te leggen Netwerk Oude, Aftakelende en Dode bomen (OAD; zie paragraaf 3.2.2 ). Soortenrijk loofbos Een belangrijk onderdeel bij het veerkrachtiger maken van de bossen is de ontwikkeling van een betere bodem; het inbrengen van strooiselrijke soorten als linde, douglas en esdoorn is hier een methode voor. Door het inbrengen van deze soorten zal op termijn ook het humusgehalte in de bodem toenemen, waardoor de bodem beter vocht kan vasthouden. Het vasthouden van meer vocht zal ertoe leiden dat bossen beter bestand zijn tegen langere drogere periodes. Op de locaties binnen het object waar de leemlaag dichter aan de oppervlakte komt, liggen goede kansen om deze soorten in te brengen. Doordat veel van deze soorten zeer schaduwtolerant zijn, kan op termijn een overstap van een grootschaliger aanpak naar een boomgericht bosbeheer2 gemaakt worden, waarbij bosklimaat optimaal behouden kan blijven. Het werken vanuit vaste dunningspaden is hiervoor noodzakelijk.

De geleidelijke ontwikkeling naar een soortenrijker loofbos wordt in gang gezet door het inbrengen van kleine groepjes schaduw- en rijkstrooisel boomsoorten. Het aandeel loofhout zou moeten toenemen naar 75% waarbij een zeer kleinschalige variatie in bosstructuur en soorten binnen het gehele bos aanwezig is. Door het toepassen van een startbemesting bij jonge aanplant of het uitstrooien van steenmeel neemt de slagingskans van het inbrengen van soorten toe. Dennen- en eikenbos In de bossen binnen het gebied van de droge, zure, zandige bodems zal binnen het reguliere beheer voornamelijk worden ingezet op het verkleinen van de aaneengesloten oppervlakten waarbinnen slechts een of enkele soorten voorkomen. Nu kan bij het afsterven van een soort, een grotere kale oppervlakte ontstaan. Door meer variatie binnen opstanden te stimuleren, in zowel soorten als

2

Boomgericht bosbeheer is een vorm van natuurgericht bosbeheer waarin de kwaliteit en vitaliteit van de individuele boom centraal staan en een beheerder beslissingen over beheeringrepen pleksgewijs neemt (Thomassen e.a. 2020). Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

21

naald/loof, wordt het risico hierop verkleind. Deze vorm van bosbeheer heeft tevens het voordeel dat de structuur binnen het bosvlak wordt vergroot. Het aandeel naaldhout mag ook op langere termijn nog steeds hoog blijven. Zeker op de hogere stuifkoppen zullen grove den, en in de toekomst mogelijk ook Corsicaanse den, beeldbepalend zijn. Droogte in de toekomst zal voor deze groeiplaatsen een probleem blijven waardoor er bij het inbrengen van soorten voornamelijk gekeken moet worden naar droogtetolerantie. Strooiselkwaliteit komt op de tweede plaats, maar is niet onbelangrijk. Soorten van neutraal strooisel zoals lijsterbes en berk zijn, ondanks dat zij niet echt droogtetolerant zijn, belangrijk om het verzurend effect van het bos zelf te temperen. Het beperken van de verzuring door deze soorten is van belang om spontane vestiging te blijven bevorderen. Vervolgens zullen ze echter net als andere loofhoutsoorten vrijgesteld moeten worden om de concurrentie van andere soorten het hoofd te bieden en te overleven. Ook in dit bostype kan het toepassen van steenmeel zowel de vitaliteit van het bos als de slagingskans van aanplant van een aantal soorten verbeteren (zie volgende paragraaf).

3.2.2

Maatregelen nader toegelicht

Steenmeel Op dit moment wordt er steeds vaker steenmeel toegepast in zure bossen om nutriëntentekorten die zijn ontstaan door degradatie van de bodem op te heffen. Hierdoor neemt de slagingskans van het inbrengen van diverse boomsoorten toe, verbetert de vitaliteit van het huidige bos en verbeteren ook de voedingswaarden van de vegetatie, wat de gehele voedselketen ten goede komt. Door de aanwezigheid van een ondiepe leemlaag en de goede mogelijkheden voor hydrologisch herstel waarbij het grondwater weer nutriënten uit deze leemlaag omhoog zal brengen, lijkt steenmeel niet overal een noodzakelijke maatregel. Dit ligt anders voor de stuifkoppen waar bos op aan is geplant; deze zijn zeer voedselarm van nature, en zijn door stikstofdepositie en verzuring door afbraak van het strooisel van de dennen nog voedselarmer geworden. Toediening van steenmeel verbetert de voedingsstoffenhuishouding in de bomen en het hele bosecosysteem. Toepassen van steenmeel is ook zinvol in het bos net ten noorden van het Oud Meer, waar de leemlaag ontbreekt (zie Figuur 14), of waar hij te diep ligt voor de boomwortels. Netwerk Oude, Aftakelende en Dode bomen Binnen bossen is er een groot aantal diersoorten en schimmels (paddenstoelen) afhankelijk van oude en aftakelende bomen met hun specifieke structuren of afhankelijk van de aanwezigheid van dood hout.

Een permanente beschikbaarheid van zowel liggend als staand dood hout in verschillende verteringstadia is daarom van belang voor het functioneren van een bosecosysteem. Een deel van het bos wordt dan ook specifiek aangewezen voor deze functie, we noemen dat het OAD-netwerk (Oude, Aftakelende en Dode bomen). Door de relatief jonge leeftijd van de bossen ontbreekt de vervalfase vrijwel geheel. Door het aanwijzen van het OAD-netwerk wordt de vervalfase gestimuleerd om zich te ontwikkelen. Bij het opzetten van een OAD-netwerk wordt gestart met het aanwijzen van delen van het bos die niet meer gedund gaan worden. Ook worden bomen aangewezen die gespaard moeten blijven. Binnen deze delen wordt het dood hout op peil gebracht en gehouden doordat er niets meer wordt weggehaald. Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

22

Vervangen Amerikaanse eikenlanen Binnen het natuurbos wordt gestreefd naar een zo laag mogelijk aandeel van boomsoorten van buiten Europa. Deze zogenaamde exoten hebben minder ecologische waarde, doordat onze fauna, paddenstoelen en bodemleven niet zijn aangepast aan het leven met deze soorten. Exoten hebben dan ook vaak een negatief effect op de biodiversiteit. In een aantal delen van het bos binnen type natuurbos zijn nu nog lanen van Amerikaanse eik aanwezig die een (potentiële) bron van zaailingen zijn en daarmee van uitbreiding van deze exoot in het bos. Dat is ongewenst in dit bostype. Door deze lanen te vervangen worden toekomstige beheeringrepen beperkt waarbij de zaailingen/jonge bomen steeds moeten worden verwijderd. Wanneer de Amerikaanse eiken in deze lanen worden vervangen door soorten die nu nog ontbreken of te weinig voorkomen in het gebied, wordt tegelijk een kans geboden aan deze gewenste soorten om als nieuwe zaadbronnen te fungeren en zich breed te verspreiden.

3.3

Verbonden natuurterreinen

3.3.1

Heideterreinen

Het verbinden van de heideterreinen is van belang om de populaties van de karakteristieke planten diersoorten te versterken. Dit zal vorm worden gegeven door het verbinden in de vorm van stapstenen: grotere en kleinere heidegebieden liggen op een zodanige afstand van elkaar dat deze door karakteristieke soorten als heikikker en levendbarende hagedis overbrugd kunnen worden. Om dit netwerk voldoende robuust te maken, is het daarnaast van belang dat 1) de individuele heidegebieden voldoende groot zijn, en 2) ieder terrein bij voorkeur meerdere typen heide (droog en vochtig) en/of overgangen naar vennen bevat. In Figuur 10 en in de volgende alinea’s lichten we de maatregelen toe. Zoekgebied Nieuwe Heide Tussen de Langvennen en het Oud Meer zou een extra, goed ontwikkelde heide ontwikkeld moeten worden. Dit is bij voorkeur gelegen in de centrale laagte van het gebeid rondom het voormalig Lisseven en Hartven, zodat centraal in het gebied een heide ligt die de gehele gradiënt van ven naar droge heide beslaat en daarmee voor soorten van al deze biotopen een schakel vormt tussen de genoemde gebieden. Een alternatief is de zone onder de hoogspanningsleiding. Voorgesteld wordt om in een vervolgproject de exacte locatie te bepalen, rekening houdend met alle mogelijkheden die er zijn voor de ontwikkeling van de centrale laagte.

Heide rondom het Wilhelminakanaal Rondom het Wilhelminakanaal ligt een aantal vennen met daaromheen een smalle zone heide. Door een zone van 30 meter rondom de vennen vrij te stellen van bomen, wordt ruimte gemaakt voor heideontwikkeling. Naar verwachting zal rondom de vennen een overgang ontstaan van ven, via vochtige heide naar droge heide als gevolg van de oplopende oever. Het vrijstellen van de venoevers van bomen zorgt tevens voor minder bladinval in de vennen, wat de ecologische kwaliteit van het ven ten goede komt. Door het verwijderen van bomen wordt de verdamping ter plekke minder, waardoor er enige vernatting kan plaatsvinden (zie ook paragraaf 5.2 ).

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

23

Kwaliteit van de heide De bodem onder de nieuw te ontwikkelen heidegebieden is verzuurd en gedegradeerd. Om de Nieuwe Heide een goede start te geven, is op de droge delen het toedienen van steenmeel nodig; op de lagere delen kan grondwater de nutriënten aanvoeren. De heideontwikkeling kan tevens een boost krijgen door na het vrijstellen van de oevers, maaisel uit goed ontwikkelde heide uit te strooien. Rondtrekkende schaapskudde Op dit moment worden zowel de Langvennen als het Oud Meer begraasd met schapen. Om de verspreiding van typische heidevegetatie te stimuleren, kan een (rondtrekkende) schaapskudde worden ingezet. Zaden blijven aan de vacht hangen of worden opgegeten door de schapen, en worden in een ander gebied weer ‘losgelaten’; op die manier vindt verspreiding plaats. Een rondtrekkende kudde is zowel ecologisch als recreatief interessant, maar ook duur. Als alternatief kan het huidige beheer worden voortgezet; hierbij begraast dezelfde kudde de verschillende heidegebieden na elkaar zonder daar zelf heen te lopen.

Figuur 10 Versterken van de heidegebieden.

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

24

Draagvlak voor de maatregelen In het verleden heeft de Bestse afdeling van het IVN al eens geopperd om een verbindingszone aan te leggen tussen de heidegebieden. Uit de enquête bleek dat een zeer krappe meerderheid deze maatregel positief of neutraal beoordeelt; 31% is tegen het kappen van bos voor een verbinding en 17% heeft geen mening.

3.3.2

Verbinding met overige gebieden

De Nieuwe Heide en het Oud Meer liggen geïsoleerd door hun ligging tussen snelwegen, stedelijk gebied en landbouw aan de noordzijde. Op termijn is enige vorm van verbinding met andere natuurgebieden gewenst; de uitwerking hiervan valt echter buiten het bestek van deze visie. Er zijn echter wel mogelijkheden om de overgang van het bosgebied naar het agrarisch gebied aan de noordzijde minder abrupt te maken en daarmee de biodiversiteit te vergroten. In de huidige situatie kan een geleidelijke overgang worden gecreëerd van de graslanden via mantel- en zoombegroeiing naar hoog opgaand bos. Dit kan door middel van bosbeheer. In de toekomst zijn er uitgebreidere mogelijkheden voor bosontwikkeling, wanneer de in de Omgevingsvisie Son en Breugel geschetste bosontwikkeling in Sonniuswijk wordt vastgesteld en doorgevoerd. Dit zou een uitbreiding van het bosgebied betekenen en kansen bieden voor verder hydrologisch herstel aan de noordzijde.

3.4

Recreatie

Het object heeft een grote regionale aantrekkingskracht op diverse gebruikersgroepen. Op dit moment worden deze groepen al intensief bediend door de verschillende routes en voorzieningen. In de visie is een zoneringsvoorstel opgenomen dat voor het grootste gedeelte niet strijdig is met de huidige situatie (zie Tabel 2). Toekomstige initiatieven moeten worden getoetst aan de zoneringskaart. Tabel 2 Recreatievormen per zone. +: toegestaan, -: niet toegestaan. groepsgrootte (aantal Recreatievorm personen) Mounloslopende Zone <5 5 -25 > 25 Wandelen Hardlopen Paardrijden Motorcross tainbike honden*

Intensief Normaal Extensief

+ + +

+ + -

+ -

+ + +

+ + +

+ + -

+ + -

-

-

*Loslopende honden zijn alleen toegestaan in de hondenlosloopgebieden Op dit moment zijn er de volgende concrete voorstellen: Hondenlosloopgebied Joe Mann Paviljoen Een belangrijke gebruikersgroep in het gebied zijn recreanten die hun hond komen uitlaten. Een deel van de hondenbezitters laat hun hond nu ongewenst loslopen, bijvoorbeeld rondom het Oud Meer. Echter, daarvoor is een hondenlosloopgebied aangewezen grenzend aan de Sonsche wijk de

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

25

Gentiaan. In het Beste deel van de Nieuwe Heide & Oud Meer is eveneens behoefte aan een hondenlosloopgebied. Door het aanwijzen van een extra, duidelijk aangegeven zone voor loslopende honden kan overlast elders beperkt worden en wordt tegemoet gekomen aan de wens van deze gebruikersgroep. Veel bewoners zien een hondenlosloopgebied ook terecht als een manier om verstoring in de natuur te beperken (enquête gemeente Best). De bossen ten westen van het Joe Mann Paviljoen zijn gunstig gelegen zodat er weinig overlast zal zijn voor overige gebruikersgroepen en er geen grote negatieve ecologische effecten worden verwacht. Aanvullend hieraan bestaat de wens om meer hondenlosloopgebieden in de regio aan te leggen, vanwege het tekort hieraan. Het bestaande gebied bij de Gentiaan heeft een grote aanzuigende werking op bezoekers uit de regio. Dit vraagt om een regionale aanpak. Aanpassen routestructuren In de huidige situatie zijn de wensen van de verschillende gebruikers en de padenstructuren niet altijd op elkaar afgestemd. Door routestructuren van diverse recreatievormen beter op elkaar en op gewenst gebruik af te stemmen (binnen de kaders van de ontwikkelingsvisie), voldoende aantrekkelijk te maken en door duidelijk te communiceren over het gebruik, zal recreatie buiten de routes afnemen.

In het gebied dat is aangewezen als extensieve recreatieve zone, zal de huidige padenstructuur worden teruggebracht tot het minimale niveau dat voor beheer noodzakelijk is. Daarnaast wordt er gekeken naar de mogelijkheden om eventueel aanwezige routes te verplaatsen.

Aansluiten Rolstoelpad Dutmella – Bosgebied west In bosgebied west is in het verleden een rolstoelpad aangelegd. Door dit pad door te trekken naar het Dutmellapad wordt de ontsluiting voor recreanten die slecht ter been zijn verbeterd en wordt een gekoesterde wens van de mindervaliden vervuld.

3.5

Brandveiligheid

Er is een duidelijke toename geweest van het aantal bosbranden in Nederland in de afgelopen droge jaren. Vrijwel het gehele gebied wordt op dit moment intensief bezocht en delen grenzen direct aan woonwijken waarbij soms naaldbomen tot aan de bebouwing groeien. De eerder voorgestelde maatregelen zoals hydrologisch herstel en het laten toenemen van het aandeel loofhout zullen in algemene zin het object minder brandgevoelig maken. Gezien de verwachte veranderingen kunnen branden echter niet uitgesloten worden. Verschillende maatregelen dragen bij aan adequaat ingrijpen bij bosbranden in de toekomst: het aanwijzen van brandaanvalroutes, het maken van compartimenten en het verder laten toenemen van loofhout rondom kwetsbare locaties. Het is belangrijk dat dit alles goed wordt vastgelegd voor en gecommuniceerd met de hulpdiensten.

3.6

Communicatie

Communicatie speelt op drie manieren een rol in deze visie. Ten eerste is voor gebruikers van het gebied niet altijd duidelijk waar bepaalde activiteiten zijn toegestaan. Voorbeelden hiervan zij het Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

26

los laten lopen van honden buiten het hondenlosloopgebied en gebruik van wandelpaden door mountainbikers en andersom, gebruik van MTB-routes door wandelaars. Dit leidt tot ergernissen. Helder aanduiden van wat waar is toegestaan helpt. Ten tweede is communicatie een belangrijk hulpmiddel bij het creëren van draagvlak voor de maatregelen die genomen moeten worden om de visie te verwezenlijken. Bomenkap, vernatting en het verleggen of afsluiten van paden stuit soms op weerstand bij burgers. Inzicht in de reden voor de maatregelen en in het toekomstbeeld van de Nieuwe Heide en het Oud Meer kan deze weerstand aanzienlijk verminderen. Daarnaast hebben veel inwoners in de enquêtes aangegeven belang te hechten aan meer informatie over het gebied. Zowel over de geschiedenis van het gebied als over de natuurwaarden en de biodiversiteit. Er is dan ook vraag naar de ontwikkeling van educatieve routes, artikelen in lokale media, informatieborden en/of excursies. In overleg met gemeenten, IVN en horeca wordt hiervoor een plan opgesteld.

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

27

Achtergronden

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

28

4

Gebiedskenmerken

In dit hoofdstuk beschrijven we de kenmerken van de Nieuwe Heide & Oud Meer, als basis voor de visie. Op basis van de gebiedskenmerken identificeren we sterke en zwakke punten, kansen en bedreigingen die de aangrijpingspunten zullen vormen voor de ontwikkelings- en beheervisie en de strategie voor het gebied. De grenzen van het plangebied en de belangrijkste toponiemen zijn aangegeven in Figuur 1. In de hierna volgende paragrafen worden de gebiedskenmerken en de huidige situatie van het plangebied beschreven zoals: bodemkaart, hoogtekaart, Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), provinciaal natuurbeheerplan en provinciale aardkundige- en cultuurhistorische waarden kaarten. Dit is nog aangevuld met gegevens uit de beschikbare beheerplannen en het ecohydrologisch onderzoek. Daarnaast heeft oriënterend veldbezoek plaatsgevonden om een beeld te kunnen vormen van het gebied en de mogelijke kansen en knelpunten. In dit hoofdstuk wordt als eerste de abiotische situatie behandeld, waarbij de geologische oorsprong, bodem en hydrologie van het plangebied worden beschreven. Vervolgens komt de cultuurhistorie aan bod, aan de hand van historische data wordt de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied beschreven.

Daarna komt de biotische situatie aan bod, waarbij een beschrijving wordt gegeven van de huidige situatie van het bos, de natuurterreinen en het voorkomen van kenmerkende soorten. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een beschrijvingen van activiteiten en wensen ten aanzien van recreatie en met een paragraaf waarin het relevante beleid wordt beschreven.

4.1

Geologie en hoogteligging

De regio Eindhoven, en dus ook Son en Breugel en Best, maken deel uit van een gebied dat al vanaf het Carboon door breuktektoniek wordt beïnvloed. Vanaf die tijd wordt het zuidoosten van Nederland doorsneden door een stelsel van zuidoost-noordwest gerichte breuken, die het gebied in lage en hoge schollen, slenken en horsten verdelen. Het plangebied is gelegen in de Centrale slenk die wordt begrenst door twee breuklijnen, de Feldbiss-breuk en de Peelrandbreuk. De centrale slenk daalde in de loop van miljoenen jaren sneller dan de gebieden daaromheen en de horsten werden daarbij omhoog gedrukt. De ontstane hoogteverschillen werden teniet gedaan door opvulling met klei, leem, zand en fijn grind. Deze werden afgezet door smeltwaterrivieren van het Pleistoceen. Tijdens de koudste periode van de laatste ijstijd (pleniglaciaal) was er vrijwel geen vegetatie aanwezig. Onder invloed van de wind werden stuifduinen gevormd en ontstonden er laagtes. Op de hoogtekaart (Figuur 11), is het plangebied weergegeven hierop zijn duidelijk de hoger gelegen zandruggen en lager gelegen uitgestoven laagtes te zien. Een meer gedetailleerde beschrijving van de bodemopbouw leest u in paragraaf 4.2 . De Nieuwe Heide & Oud Meer ligt op de overgang van de hoge Kempen naar de lager gelegen delen van Brabant. Aan de oostzijde van de Nieuwe Heide ligt het beekdal van de Dommel.

In Figuur 11 is de Algemene Hoogte Kaart van Nederland (AHN) opgenomen. Globaal gezien loopt het maaiveld af van zuidwest naar noordoost. Binnen het gebied is er een hoogtevariatie van ca. 5 m, soms binnen een afstand van 150 m. De stuifzanden in het noorden van het gebied bereiken een hoogte van ruim 20 m NAP, terwijl het maaiveld in de aangrenzende laagtes vaak niet verder reikt dan 14.5 m NAP. De voormalige vennen Lisseven en Hartven, zijn inmiddels bebost, maar nog als laagten in het terrein te herkennen. Ook in het noorden van het Oud Meer zijn enkele laagtes en de aangelegde ontwateringsstructuur zichtbaar op de hoogtekaart. Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

29

Figuur 11 Algemene Hoogtekaart Nederland (AHN)

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

30

4.2

Bodem

In deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op de diepere en ondiepe ondergrond. Vervolgens wordt de bodem, de bovenste laag waarin de planten wortelen, behandeld. Tezamen leggen deze lagen letterlijk de basis voor de natuur: de textuur van de bodem (zand, leem klei, etc), zijn bepalend voor de waterhuishouding in het gebied. Diepe ondergrond In de bodem zijn de afzettingen uit verschillende tijden herkenbaar: oudere afzettingen liggen dieper dan recente afzettingen. Figuur 12 toont een doorsnede van de bovenste 50 m van de bodem van zuid naar noord. De onderste laag (Formatie van Sterksel, roodbruin) bestaat uit een grofzandige laag die is afgezet door de Rijn en de Maas. Daarboven wordt de Formatie van Boxtel aangetroffen. Deze formatie wordt gekenmerkt door een afwisseling van zandige en kleiige lagen die door de wind of beken zijn afgezet.

A’

Figuur 12 Doorsnede zuid-noord in de bodem onder het plangebied. Bron: DINOloket, BRO REGIS II

Ondiepe ondergrond De bovenste lagen van de Formatie van Boxtel vormen de ondiepe ondergrond. De toplaag van het plangebied wordt gevormd door een zandige laag (BXz2), die maximaal enkele meters dik is, met daaronder een klei-laag van enkele meters dik (BXLMk1). Deze laag wordt ook wel de Brabantse leemlaag genoemd. Deze leemlaag komt met name voor in de Roerdalslenk en bestaat uit een maximaal 3 meter dikke leemlaag. Zij is afgezet tijdens het Weichselien, de laatste ijstijd. Wanneer wordt ingezoomd op de bovenste meters van de bodem in het plangebied, wordt een gedetailleerder beeld van de bodemopbouw verkregen (zie Figuur 13Fout! Verwijzingsbron niet g evonden.). Op 1.5 - 4 m onder maaiveld worden in het gebied slecht doorlatende bodemlagen aangetroffen, bestaand uit leem en/of klei. Deze worden, zoals gezegd, gerekend tot de Brabantse leemlaag. De dikte van deze lagen varieert ter plekke van de Nieuwe Heide & Oud Meer van ongeveer 0 tot 6 m (Figuur 14). De laag is het dikste in het zuidoosten van het gebied en in het centrale noordelijke deel. Bij de Langvennen, het Oud Meer en de Sonniuswijk is de laag dunner. Het voorkomen van de Brabantse leemlaag is van groot belang voor de hydrologie van het gebied, Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

31

omdat de laag slecht doorlatend is. Daardoor vertraagt de wegzijging van regenwater, waardoor een deel van het neerslagwater als lokaal grondwater over de laag zijdelings kan wegstromen en in de laagten kan opkwellen. Daarnaast is de leem op veel plaatsen kalkrijk, waardoor het grondwater basenrijk wordt (Jalink 2003). Meer hierover leest u in paragraaf 4.3 . Figuur 13 Boorprofielen in de Nieuwe heide. Rood-roze arcering geeft leem aan (hoe breder het vlak, hoe meer leem). Grijs-groen: klei, geel: zand. Het linker profiel is afkomstig van het noordoosten van de Langvennen, het rechter profiel ligt oostelijker. De profielen zijn gestoken in het kader van het hydrologisch onderzoek voor herstel van het Hartven en Lisseven ).

Figuur 14 Dikte van de Brabantse leemlaag ter plaatse van de Nieuwe heide en het Oude Meer. Rood: 8 m, blauw 0 m. Bron: DINOloket, BRO REGIS II

Ontwikkelingsvisie Nieuwe heide – Oud Meer

32

Bodemvorming Als gevolg van verwering, veenvorming en biologische processen, vormt zich in de bovenste dunne laag van de bodem een bodemprofiel. Deze bodemprofielen zijn kenmerkend voor de verschillende bodemtypen. Het voorkomen van de verschillende bodemtypes vertelt iets over de omstandigheden in het recente verleden en over de ontwikkelingskansen van het gebied voor de toekomst. Voor het bepalen van het voorkomen van deze bodemtypes en de grondwatertrappen van het plangebied is gebruik gemaakt van de digitale bodemkaart van Nederland 1:50.000 (Stiboka). In Figuur 15 is de bodemkaart opgenomen; de oppervlakten van de verschillende bodemtypen zijn vermeld in Tabel 3. De bovenste bodemlagen van het plangebied bestaan zoals gezegd uit zandbodems, die over het algemeen leemarm en zwak lemig zijn. Zij zijn tijdens de laatste ijstijd onder invloed van wind afgezet. De bodemtypes binnen het plangebied bestaan voor iets meer dan de helft uit veldpodzolgronden. Veldpodzolgronden zijn in het verleden ontstaan onder permanent of periodiek natte omstandigheden en geven aan dat grote delen van het gebied vroeger natter zijn geweest. 36% van de oppervlakte bestaat uit duinvaaggronden, dit zijn droge schrale bodems die in de middeleeuwen onder invloed van herhaald plaggen zijn gevormd. Onder invloed van wind zijn deze bodems gaan verstuiven waardoor er stuifduinen zijn gevormd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11395271/1