Bijlage Nota van Zienswijzen
Tekst van het document
28/123
lijn met de systematiek van de Omgevingswet en is ook niet de intentie. Om genoemde redenen is besloten om de regeling aan te passen en het toetsingscriterium dat er geen toename mag zijn van stikstofdepositie te verwijderen. Dat wil niet zeggen dat er een inhoudelijke wijziging plaatsvindt. De waarborg dat er geen verslechtering mag plaatsvinden door een toename van stikstofdepositie is gewaarborgd in hogere wet- en regelgeving. 3.11.4
De locatie is gelegen in een gebied met de nadere aanduiding
De regeling voor het uitbreiden van de bestaande oppervlakte van
stalderingsgebied. Binnen deze gebieden gelden vanuit artikel
dierenverblijven vloeit voort uit het provinciale beleid. De regeling in het
6.109 aanvullende regels voor het uitbreiden van de bestaande
ontwerp-omgevingsplan is overgenomen uit het huidig geldende
oppervlakte aan dierenverblijven voor het houden van
omgevingsplan van rechtswege (het voormalige bestemmingsplan). Het is
hokdieren. Deze zijn overgenomen vanuit het provinciale beleid
een terechte constatering dat deze regeling door de gebruikte formulering
ten aanzien van stalderen, maar sluiten niet geheel aan op de
niet meer aansluit bij de meest actuele provinciale regeling. Na een
meest actuele regeling van de provincie. Hierdoor is de regeling
heroverweging is besloten dit artikel tekstueel aan te passen zodat deze
in het ontwerp-omgevingsplan een beperking ten aanzien van
wel overeenkomt met de provinciale regeling. In het artikel
het provinciale beleid.
‘dierenverblijven bouwen’ is opgenomen dat binnen een locatie ‘stalderingsgebied’ een vergunning voor het uitbreiden van het oppervlakte aan dierenverblijven alleen kan worden verleend indien een bewijs door of namens Gedeputeerde Staten is overlegd dat voldaan wordt aan de provinciale stalderingsregeling.
3.11.5
De locatie ligt niet binnen het werkingsgebied bijgebouwen. Dit
Het is een terechte constatering dat de locatie bijgebouwen ontbreekt. Dit
betekent dat op de locatie geen bijgebouwen bij de woning
is hersteld.
mogen worden gebouwd, gewijzigd of uitgebreid. 3.11.6
De opgenomen vrijstellingsgrenzen binnen de waarde
In het omgevingsplan is de gemeentelijke Nota Archeologiebeleid en de
archeologisch waardevol gebied komen overeen met die uit het
bijbehorende Archeologische verwachtingen- en waardenkaart verwerkt.
huidige geldende omgevingsplan van rechtswege. Echter is de
Er wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden met archeologische
regeling strenger geworden door de wijze waarop deze
waarden en archeologische verwachtingswaarden. Voor de verschillende
vrijstellingsgrenzen zijn geformuleerd. In het huidige
categorieën zijn maximale maatvoeringen opgenomen voor de diepte en
omgevingsplan van rechtswege is opgenomen dat een
oppervlakte van de bodemverstoring waarvoor geen vergunningsplicht
omgevingsvergunning en een onderzoek nodig zijn voor
geldt. Deze maatvoeringen zijn overgenomen in het omgevingsplan. Met
29/123
ingrepen die boven een bepaalde oppervlakte komen en die
het omgevingsplan is geen wijziging ten opzichte van het huidige beleid
dieper de grond in gaan dan een bepaalde diepte. In het
beoogt. Na een heroverweging is besloten om de structuur van de regeling
ontwerp-omgevingsplan is opgenomen dat er een
en de tekst ten opzichte van het ontwerp-omgevingsplan aan te passen.
omgevingsvergunning en onderzoek nodig is als alleen de
De regeling betreffende het bouwen binnen archeologisch waardevol
oppervlakte of alleen de diepte wordt overschreden.
gebied is opgenomen binnen paragraaf 6.4.1 Algemene bepalingen bouwactiviteiten. Hierin is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning binnen archeologisch waardevol gebied te bouwen, tenzij de bodemverstoring niet dieper gaat dan aangegeven en geen grotere verstoringsoppervlakte tot gevolg heeft dan aangegeven. Dit is ook verwerkt binnen de aanlegactiviteiten.
3.11.7
Vanuit artikel 6.40 geldt een plicht voor een
De systematiek van de aanlegactiviteiten in de definitieve regeling is
omgevingsvergunning voor het aanbrengen van
aangepast. Uitgangspunt is dat het aanleggen van
oppervlakteverhardingen en voor het aanleggen van en/of
oppervlakteverhardingen verband moeten houden met het toegestane
verharden van wegen en/of paden, tenzij dit is toegestaan
gebruik van locaties en gronden en er sprake moet zijn van hydrologisch
vanuit artikel 6.21, lid 1. Daarin is opgenomen dat het
neutraal ontwikkelen. Een vergunningsplicht is opgenomen voor gronden
aanleggen van werken en het verrichten van werkzaamheden is
en locaties die binnen de genoemde beperkingengebieden en
toegestaan als de activiteiten van ondergeschikte betekenis zijn,
aandachtsgebieden liggen.
dan wel behoren tot het normale onderhoud, mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning en/of reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het betreffende regelonderdeel. Voor oppervlakteverhardingen zijn de regels in artikel 6.21 opgenomen in het tweede lid, niet in het eerste. Dit betekent dus dat voor oppervlakteverhardingen binnen een functievlak (tevens bouwvlak) Agrarisch bedrijf altijd een omgevingsvergunning nodig is. Deze beperking is er niet vanuit het huidige geldende omgevingsplan van rechtswege. 3.11.8
De gronden rondom het functievlak Agrarisch bedrijf van
De gronden rondom het functievlak Agrarisch bedrijf hebben in het
appellant hebben in het ontwerp-omgevingsplan de aanduiding
geldende omgevingsplan van rechtswege (bestemmingsplan Buitengebied
cultuurhistorisch waardevol gebied gekregen. Vanuit artikel 4.39
2011) de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde –
30/123
van het ontwerp-omgevingsplan gelden aanvullende regels voor
cultuurhistorisch waardevol’. In artikel 7 Agrarisch met waarden –
activiteiten binnen deze aanduiding. Deze aanduiding hebben de
Landschapswaarden is bepaald dat deze gronden mede bestemd zijn voor
gronden niet in het huidige geldende omgevingsplan van
behoud, herstel en/of ontwikkeling van de aanwezige landschapswaarden
rechtswege Er is sprake van een niet gemotiveerde verdere
in het algemeen en verder specifiek voor onder andere de
beperking van de mogelijkheden op de omliggende gronden.
cultuurhistorische waarden ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorisch waardevol’. De regeling is in het ontwerp-omgevingsplan overgenomen en uitgewerkt in de gebiedsaanwijzing ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’.
3.12
Appellant 12 – Zienswijze inzake locatie Varendonkweg 24 Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Varendonkweg 24, 5711PA Someren, d.d. 4 oktober 2024, datum ingekomen 8 oktober 2024 3.12.1
In het huidig geldende omgevingsplan van rechtswege (het
In het huidig geldende omgevingsplan van rechtswege (het voormalige
voormalige bestemmingsplan Buitengebied 2014) is het
bestemmingsplan Buitengebied 2014) is de bestemming Agrarisch Bedrijf
uitvoeren van een intensieve veehouderij mogelijk. In het
opgenomen met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch-
ontwerp-omgevingsplan is voor deze locatie niet het
veehouderij’. In het omgevingsplan is de locatie dierenverblijf abusievelijk
werkingsgebied dierenverblijven opgenomen. Alleen binnen dit
niet gekoppeld aan het perceel. Dit is hersteld.
werkingsgebied mogen dierenverblijven worden gebouwd, gewijzigd of uitgebreid. Dit betekent een forse beperking voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van appellant. 3.12.2
Wijzigingen aan de dierenverblijven waarbij geen sprake is van
De strekking van deze zienswijze komt overeen met punt 3.11.2.
een toename van de oppervlakte daarvan, hoeven vanuit het
Kortheidshalve verwijzen wij naar onze reactie onder punt 3.11.2.
provinciaal beleid niet aan de regels voor zorgvuldige veehouderijen te voldoen. Vanuit het ontwerp-omgevingsplan moet dit wel. Dit betekent een verdere beperking van de mogelijkheden voor appellant.
31/123
3.12.3
In de artikelen 6.109 onder e, 6.237 en 6.243 is bepaald dat er
De strekking van deze zienswijze komt overeen met punt 3.11.3.
bij ontwikkelingen ten aanzien van agrarische bedrijven,
Kortheidshalve verwijzen wij naar onze reactie onder punt 3.11.3.
veehouderijen en dierenverblijven geen sprake mag zijn van een toename van stikstofdepositie vanuit het desbetreffende agrarisch bedrijf op de betreffende gronden, ten opzichte van de referentiesituatie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en). Het is gezien de definitie onvoldoende duidelijk wat wordt verstaan onder de referentiesituatie. En deze regels betreffen een verdere beperking ten aanzien van het huidige beleid zoals is opgenomen in het huidig geldend omgevingsplan van rechtswege. Appellant heeft een verleende vergunning voor de realisering van een varkensstal, maar heeft deze nog niet gerealiseerd. Met de verleende vergunning is er sprake van een planologisch legale situatie. Maar het is onduidelijk of er ook sprake is van een feitelijke legale situatie. 2.12.4
De locatie is gelegen in een gebied met de nadere aanduiding
De strekking van deze zienswijze komt overeen met punt 3.11.4.
stalderingsgebied. Binnen deze gebieden gelden vanuit artikel
Kortheidshalve verwijzen wij naar onze reactie onder punt 3.11.4.
6.109 aanvullende regels voor het uitbreiden van de bestaande oppervlakte aan dierenverblijven voor het houden van hokdieren. Deze zijn overgenomen vanuit het provinciale beleid ten aanzien van stalderen, maar sluiten niet geheel aan op de meest actuele regeling van de provincie. Hierdoor is de regeling in het ontwerp-omgevingsplan een beperking ten aanzien van het provinciale beleid. 3.12.5
De locatie ligt niet binnen het werkingsgebied bijgebouwen. Dit
Het is een terechte constatering dat de locatie bijgebouwen niet is
betekent dat op de locatie geen bijgebouwen bij de woning
toegekend. Dit is een omissie en is hersteld.
mogen worden gebouwd, gewijzigd of uitgebreid. 3.12.6
De opgenomen vrijstellingsgrenzen binnen de waarde
De strekking van deze zienswijze komt overeen met punt 3.11.6.
archeologisch waardevol gebied komen overeen met die uit het
Kortheidshalve verwijzen wij naar onze reactie onder punt 3.11.6.
32/123
huidige geldende omgevingsplan van rechtswege. Echter is de regeling strenger geworden door de wijze waarop deze vrijstellingsgrenzen zijn geformuleerd. 3.12.7
Vanuit artikel 6.40 geldt een plicht voor een
De strekking van deze zienswijze komt overeen met punt 3.11.7.
omgevingsvergunning voor het aanbrengen van
Kortheidshalve verwijzen wij naar onze reactie onder punt 3.11.7.
oppervlakteverhardingen en voor het aanleggen van en/of verharden van wegen en/of paden, tenzij dit is toegestaan vanuit artikel 6.21, lid 1. Appellant verzoekt de beperkingen voor het aanbrengen van oppervlakteverhardingen binnen de functie Agrarisch bedrijf te verwijderen of het in artikel 6.40 eveneens verwijzen naar het tweede lid van artikel 6.21 om oppervlakteverhardingen mogelijk te maken als aan de voorwaarden uit artikel 6.21, lid 2 wordt voldaan. 3.12.8
De gronden rondom het functievlak Agrarisch bedrijf van
De gronden rondom het functievlak Agrarisch bedrijf hebben in het
appellant hebben in het ontwerp-omgevingsplan de aanduiding
geldende omgevingsplan van rechtswege (bestemmingsplan Buitengebied
cultuurhistorisch waardevol gebied gekregen. Vanuit artikel
2011) de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde –
4.39 van het ontwerp-omgevingsplan gelden aanvullende regels
cultuurhistorisch waardevol’. In artikel 7 Agrarisch met waarden –
voor activiteiten binnen deze aanduiding. Deze aanduiding
Landschapswaarden is bepaald dat deze gronden mede bestemd zijn voor
hebben de gronden niet in het huidige geldende omgevingsplan
behoud, herstel en/of ontwikkeling van de aanwezige landschapswaarden
van rechtswege Er is sprake van een niet gemotiveerde verdere
in het algemeen en verder specifiek voor onder andere de
beperking van de mogelijkheden op de omliggende gronden.
cultuurhistorische waarden ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorisch waardevol’. De regeling is in het ontwerp-omgevingsplan overgenomen en uitgewerkt in de gebiedsaanwijzing ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’.
33/123
3.13
Appellant 13 – Zienswijze inzake locatie Lieropsedijk 68
Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Lieropsedijk 68, 5711PS Someren, d.d. 4 oktober 2024, datum ingekomen 8 oktober 2024 3.13.1
Men heeft niet met zekerheid kunnen vaststellen of afspraken
Appellant doet twee verzoeken, het verruimen van het aantal vierkante meters
die zijn gemaakt met het college van burgemeester en
aan bijgebouwen welke aanwezig mogen zijn op het perceel naar 250 m 2 en
wethouders goed zijn geborgd. Dit heeft onder andere te maken
het verwijderen van de aanduiding overtollige bebouwing.
met de wat ondoorzichtige opzet van het plan en met twijfels
Door een technische fout zijn de omgevingsnormen voor bijgebouwen niet goed
ten aanzien van de koppeling tussen de regels en de
zichtbaar. Dit is hersteld. Er is een omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte
verbeelding.
bijgebouwen 250 m2’ opgenomen.
Met het college van Burgemeester en wethouders is
De locatie ‘overtollige bebouwing’ is abusievelijk opgenomen op het gehele
afgesproken dat met betrekking tot de veldschuur de huidige
perceel. Het werkingsgebied overtollige bebouwing wordt verwijderd binnen de
omvang mag worden gehandhaafd. Appellant verzoekt in de
woonfunctie.
planregels op te nemen middels een aanduiding dat binnen de woonbestemming 250 m2 aan bijgebouwen aanwezig mogen zijn
Daarnaast is geconstateerd dat de locatie ‘bijgebouwen’ abusievelijk ontbreekt
op basis van de landschappelijke inpassing waarover
op dit perceel. Deze is toegevoegd.
overeenstemming is bereikt. Ook wordt verzocht om de aanduiding ‘overtollige bebouwing’ bij de vaststelling te
Tevens ontbreekt de omgevingsnorm voor de goothoogte van de veldschuur. Er
verwijderen conform afspraak.
is een omgevingsnorm ‘maximum goothoogte veldschuur 2,3 meter’ opgenomen.
3.13.2
Appellant betwijfelt of het door de gemeente gehanteerde beleid
Appellant geeft aan dat er getwijfeld wordt aan het gehanteerde beleid wat
inzake het gebruik van de bestaande stal in overeenstemming is
betreft de veldschuur. Aan de appellant is eerder gecommuniceerd dat een
met het beleid dat in vergelijkbare situaties is gevolgd. Volgens
veldschuur welke gelegen is op agrarische gronden altijd voor agrarische
de gemeente is het gebruik van de stal ten dienste van de
doeleinden moet worden gebruikt, dit beleid wordt gehanteerd op elke locatie
woonfunctie niet overgangsrechtelijk beschermd. Daarom kan
in het buitengebied waarbij een veldschuur buiten het woonfunctievlak is
worden volstaan met voortgezet gebruik op basis van
gelegen. Gezien appellant een toezegging van de gemeente heeft wat betreft
persoonsgebonden overgangsrecht. Appellant stelt zich
het gebruik van de veldschuur als woonfunctie is er als tussenoplossing
daarnaast op het standpunt dat een voortgezet gebruik op basis
gekozen om een persoonsgebonden beschikking op te stellen waarin het
34/123
van objectgebonden overgangsrecht meer voor de hand ligt. De
gebruik van de veldschuur voor het gebruik van opslag voor de woning wordt
kans dat de stal nog agrarisch gebruikt gaat worden is zeer
geregeld voor de huidige eigenaren. Het is echter niet de bedoeling dat dit
klein. Er is daarom een risico op leegstand dat kan leiden tot
gebruik voor altijd wordt toegestaan, gezien dit tegen het gestelde beleid
verval en ongewenste situaties.
ingaat. Mocht er in de toekomst bij verkoop van de locatie leegstand ontstaan wat betreft de veldschuur kan de nieuwe eigenaar het bouwwerk inbrengen in de Sloopbank, om hiermee ofwel de maatvoeringen op het eigen perceel te verruimen of deze meters beschikbaar te stellen voor een andere locatie.
3.13.3
Uit een e-mail d.d. 30 september 2024 blijkt dat met
In de definitieve versie van het omgevingsplan is aan de veldschuur de locatie
burgemeester en wethouders is afgesproken dat de stal mag
‘veldschuur 500’ toegekend. In de regels is opgenomen dat binnen deze locatie
worden gebruikt voor het huisvesten van hobbydieren.
tevens het hobbymatig houden van dieren is toegestaan.
Appellant verzoekt deze aanduiding op te nemen in het Omgevingsplan. 3.13.4
Men doet het verzoek om in overleg te treden met het college
De appellant doet het verzoek om voor de situatie een herbeoordeling te
om te zoeken naar een oplossing. Daarbij wil men graag
maken voor het omgevingsplan, door middel van een overleg met het college.
bindende afspraken maken die cliënten voldoende zekerheid
Aan de appellant is eerder vermeld dat de huidige oplossing de meest geschikte
bieden. Op dat moment wil men de zienswijze intrekken. Zo
oplossing is voor de strijdigheden op het perceel. De rechten van de huidige
niet, dan is het verzoek om het plan gewijzigd vast te stellen,
eigenaren worden niet beperkt maar zelfs verruimd in een persoonsgebonden
zoals verzocht in de zienswijze.
beschikking op basis van een eerdere toezegging, echter is het niet wenselijk om van het beleid af te wijken wat betreft het gebruik van veldschuren op agrarische gronden. Dit kan leiden tot precedentwerking, daarbij is in het beleid duidelijk gesteld dat veldschuren op agrarische gronden niet gebruikt mogen worden voor persoonlijke opslag van de woonfunctie. Het verzoek om de situatie opnieuw te beoordelen wordt dan ook afgewezen.
35/123
3.14
Appellant 14 – Zienswijze inzake locatie Perceel N34 en Berkeindje 11
Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Perceel N34 en Berkeindje 11, d.d. 6 oktober 2024, datum ingekomen 8 oktober 2024 3.14.1
In het ontwerp-omgevingsplan is perceel N 34 ingetekend als
In het tijdelijk deel van het omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan
natuurgebied. Dit perceel bestaat uit particulier bos en agrarisch
Buitengebied 2011) heeft dit perceel gedeeltelijk de bestemming Groen
grasland. Het grasland wordt momenteel gebruikt voor
(ter plaatse van de bomen) en gedeeltelijk de bestemming Agrarisch met
agrarische activiteiten. In het voorgaande bestemmingsplan was
waarden – Landschappelijke waarden. Met deze wijziging van het
dit gedeelte nog ingetekend als agrarisch gebied. Daarnaast is
omgevingsplan is een beleidsneutrale overzetting beoogd van de regels
op dit perceel een gebouw aanwezig dat niet in het huidige
van de bestemmingsplannen naar de uiteindelijke structuur van het
ontwerp is opgenomen. Dit gebouw, vermoedelijk gebouwd rond
omgevingsplan. In het ontwerp-omgevingsplan heeft het gehele perceel
1960, werd vroeger gebruikt als melkstal voor het vee.
N34 de functie ‘Natuur’. Dit komt niet overeen met de huidige bestemmingen. Conform de huidige regeling zal gedeeltelijk de functie
Appellant verzoekt Het voorste gedeelte van perceel N 34 als
‘Natuur’ en gedeeltelijk de functie ‘Agrarisch grondgebruik’ worden
agrarisch te blijven bestemmen en het bestaande gebouw
opgenomen.
correct in te tekenen in het omgevingsplan. Appellant doet tevens het verzoek om het bouwwerk op perceel N 34 positief te bestemmen in het omgevingsplan, op basis van het overgangsrecht. Het bouwwerk op perceel N 34 is in zijn huidige vorm te zien op de luchtfoto uit 1976, dit betekent dat er inderdaad sprake is van overgangsrecht. Op basis van het controlerapport kan er gesteld worden dat het bouwwerk voor agrarische activiteiten wordt gebruikt. In de definitieve versie van het omgevingsplan is aan het bouwwerk de locatie ‘schuilgelegenheid’ toegekend. 3.14.2
In het vorige bestemmingsplan was een mogelijkheid
Een aantal afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in het tijdelijke
opgenomen om af te wijken van de afstand van 5 meter tot de
deel van het omgevingsplan (de geldende bestemmingsplannen) zijn
bestemmingsgrens voor de bouw van bouwwerken. Deze
alsnog opgenomen in de regels van deze wijziging van het omgevingsplan.
uitzondering is niet opgenomen in het nieuwe omgevingsplan.
Appellant geeft aan een nieuwe loods te willen bouwen. Omdat de plannen
Deze wijziging bemoeilijkt een efficiënte indeling van het
voor de bouw van een nieuwe loods nog niet bekend zijn bij de gemeente
36/123
huisperceel. Hierdoor gaat veel ruimte verloren en worden de
kan niet worden bepaald of deze voldoet aan de regels van het
huidige plannen voor de bouw van een nieuwe loods, waar
omgevingsplan. Appellant heeft de mogelijkheid om een vergunning aan te
appellant momenteel mee bezig is, aanzienlijk belemmerd.
vragen voor de bouw van de loods, waarna zal worden beoordeeld of de vergunning kan worden verleend.
3.15
Appellant 15 – Zienswijze inzake locatie Heiveldsestraat 27
Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Heiveldsestraat 27, 5711 PB Someren, d.d. 7, oktober 2024, ingekomen 8 oktober 2024. Aanvulling zienswijze d.d. 8 oktober 2024, ingekomen 9 oktober 2024 3.15.1
Met de wijziging van het omgevingsplan is de aanduiding
Met het vaststellen van het bestemmingplan Buitengebied (2011), is op de
‘maatvoering maximaal aantal wooneenheden 2’ op het perceel
locatie Heiveldsestraat 27 abusievelijk een maatvoering voor twee
van appellant komen te vervallen. De gemeente heeft appellant
bedrijfswoningen opgenomen. In het bestemmingsplan wat vooraf ging
eerder op de hoogte gesteld van het voornemen om deze
aan het bestemmingsplan Buitengebied (2011), het bestemmingsplan
aanduiding te verwijderen, omdat er sprake is van één
Buitengebied 1998, hadden de locaties Heiveldsestraat 14 en 27 een
bedrijfswoning op het perceel. De gemeente gaat ervan uit dat
bestemming agrarisch bedrijf en was een koppelteken tussen beide
er sprake is van een kennelijke verschrijving in het huidige
locaties opgenomen. Dit betekent dat beide locaties als één agrarische
bestemmingsplan. In tegenstelling tot wat de gemeente heeft
bedrijfsbestemming moesten worden gezien. Binnen deze agrarische
aangegeven kan er, volgens appellant, geen sprake zijn van een
bedrijfsbestemming was een maatvoering voor twee bedrijfswoningen
kennelijke verschrijving en is er sprake van een bewuste keuze
aanwezig. Wat betekende dat binnen beide vlakken samen maximaal twee
van de planwetgever om twee woningen toe te staan op dit
bedrijfswoningen waren toegestaan. Deze bedrijfswoningen waren ook
perceel. Dit blijkt uit de voorgaande bestemmingsplannen en de
reeds aanwezig op Heiveldsestraat 14 en Heiveldsestraat 27. In het
daaropvolgende partiële herzieningen.
bestemmingsplan Buitengebied uit 2011 is vervolgens dan wel het
Appellant verzoek om de aanduiding ‘maatvoering maximaal
koppelteken per abuis komen te vervallen, dan wel de maatvoering voor
aantal wooneenheden: 2’ over te nemen in het omgevingsplan.
twee bedrijfswoningen onterecht opgenomen binnen het bestemmingsvlak op Heiveldsestraat 27. Aangezien er in het bestemmingsvlak van Heiveldsestraat 14 ook een bedrijfswoning is toegestaan, is hierdoor per abuis een extra bedrijfswoning toegevoegd.
37/123
Er is dus sprake is geweest van een kennelijke verschrijving bij het vaststellen van het bestemmingsplan Buitengebied (2011). Op basis van deze constatering is de maatvoering voor twee bedrijfswoningen verwijderd. Niet doordat, zoals appellant stelt, er feitelijk maar één woning aanwezig is. Zoals ook in de brief van 26 maart 2024 toegelicht, zien de eerste en tweede partiële herzieningen van het bestemmingsplan Buitengebied (2011), uit respectievelijk 2014 en 2016, niet specifiek toe op de locatie Heiveldsestraat 27. In de toelichtingen bij beide partiële herzieningen is duidelijk toegelicht waar de partiële herziening op toe ziet. Duidelijk is dat dit gaat om een paar specifieke onderwerpen naar aanleiding van een reactieve aanwijzing van de provincie en het herstellen van een foute verwerking van het bestemmingsplan ‘Glastuinbouwgebied Vlasakkers’. Dat daarmee de kennelijke verschrijving op Heiveldsestraat 27 bewust niet is meegenomen is een aanname van appellant, waarmee gesuggereerd wordt dat de gemeente er voor gekozen heeft om deze fout niet eerder te herstellen in één van de herzieningen. Niet eerder is opgemerkt dat er een kennelijke verschrijving heeft plaatsgevonden op Heiveldsestraat 27 en met het opstellen van dit omgevingsplan is er de mogelijkheid om deze fout te herstellen.
Voor de volledigheid, appellant verwijst nog naar het bestemmingsplan Buitengebied 2014, maar daar maakt de locatie Heiveldsestraat 27 geen onderdeel van uit. 3.15.2
Uit artikel 4.1 eerste lid en 4.2.4 eerste lid van het
Appellant verwijst naar bestemmingsplan Buitengebied 2014. Dit
bestemmingsplan Buitengebied 2014 valt op te maken dat er
bestemmingsplan is niet van toepassing op het adres van appellant.
twee wooneenheden zijn toegestaan. Een woning/wooneenheid
Daarmee klopt de constatering van appellant dat in eerdere wijzigingen de
wordt als volgt gedefinieerd:
bestemming ‘Agrarisch — Agrarisch bedrijf’ met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’ in stand is gebleven. Van een
Eén complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de
aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’ is op de locatie
huisvesting van één afzonderlijk huishouden, waaronder tevens
van appellant namelijk geen sprake. Verondersteld wordt dat beoogd is te
38/123
begrepen gezinsvervangende woonvormen.
verwijzen naar het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (2011).
Volgens appellant moet uit het bovenstaande worden
In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (2011) in artikel 4.1 eerste lid is
opgemaakt dat er wel een beperking is tot één huishouden,
opgenomen dat één bedrijfswoning is toegestaan, tenzij anders is
maar niet tot het noodzakelijkheidscriterium voor de huisvesting
aangegeven. In artikel 4.2.4 is dit nader uitgewerkt en is opgenomen dat
in verband met de bedrijfsvoering. Dit betekent dat er naast een
per bestemmingsvlak één bedrijfswoning is toegestaan tenzij op de
bedrijfswoning ook een reguliere woning (wooneenheid) is
verbeelding een ander getal is aangegeven. Hieruit blijkt dat er specifiek
toegestaan op het perceel.
gesproken wordt over bedrijfswoningen en dat daarmee sprake moet zijn van een noodzakelijkheid. Een bedrijfswoning is namelijk: Een woning in of bij een gebouw of op een bestemmingsvlak, die uitsluitend is bedoeld voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van de grond ter plaatse van het gebouw of het bestemmingsvlak, noodzakelijk is. Hoewel in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (2011) sprake is van een maatvoering, een kennelijke verschrijving die herstelt dient te worden, betreft dit een maatvoering voor het aantal bedrijfswoningen. Ambtshalve is geconstateerd dat op het perceel abusievelijk de locatie bijgebouwen niet is opgenomen in het ontwerp-omgevingsplan. Deze is toegevoegd met een omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte bijgebouwen 119 m2’.
3.15.3
Er is geen sprake van een kennelijke verschrijving maar van
Appellant verzoekt om een aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch -
een bewuste keuze van de planwetgever om twee
plattelandswoning’ toe te kennen aan een nog te realiseren tweede
wooneenheden toe te staan op het perceel. Eigenaar wil hier
wooneenheid. Daarbij geeft appellant aan dat er sprake is van een
graag gebruik van maken en een tweede wooneenheid, in de
concreet initiatief waar de gemeenteraad rekening mee dient te houden.
vorm van een plattelandswoning, realiseren. Appellant geeft aan
Zoals ook in de brief van 26 maart 2024 toegelicht, is het niet mogelijk om
dat er sprake is van een concreet initiatief dat kenbaar is
de aanduiding voor een plattelandswoning op te nemen voor een
gemaakt.
bedrijfswoning die nog niet is gerealiseerd. Er is ook geen sprake van een
39/123
concreet initiatief. Hierbij buiten beschouwing gelaten dat de maatvoering voor de tweede bedrijfswoning niet wordt opgenomen in dit omgevingsplan. Allereerst voldoet het verzoek tot het oprichten van een tweede bedrijfswoning als plattelandswoning niet aan het gemeentelijke beleid. De wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan stelt heel duidelijk dat het toevoegen van een aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch plattelandswoning’ enkel mogelijk is bij bestaande bedrijfswoningen. Waarbij ook nog eens de voorwaarde wordt gesteld dat de woning minimaal tien jaar in gebruik is geweest als bedrijfswoning. Hiervan is duidelijk geen sprake, gezien het feit dat het om een nog op te richten bedrijfswoning zou moeten gaan. Daarnaast is er geen sprake van een concreet initiatief. In de zienswijze is enkel de wens uitgesproken om een tweede bedrijfswoning als plattelandswoning op te richten. Er wordt verder niet onderbouwd wat bijvoorbeeld de effecten zijn van de beoogde ontwikkeling ten opzichte van de milieuaspecten, flora en fauna, bodem, enz. Daarnaast is niet duidelijk hoe de ontwikkeling zich verhoudt tot de nabijgelegen en direct aangrenzende functies. Ook is niet inzichtelijk gemaakt hoe de door appellant gewenste ontwikkeling zich verhoudt tot het gemeentelijke beleid, meer concreet vertaald in de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan.
Ook voor het aanduiden van de huidige bedrijfswoning als plattelandswoning is geen concreet initiatief ingediend. Wij zijn dan ook niet voornemens om een aanduiding ten behoeve van een plattelandswoning op te nemen op de locatie Heiveldsestraat 27. Niet voor de bestaande bedrijfswoning en eveneens niet voor een eventueel nog op
40/123
te richten bedrijfswoning. 3.15.4
Daarnaast moet cliënt wel een plattelandswoning realiseren om
Zoals onder 2.15.3 aangegeven is er geen sprake van een concreet
op het perceel te kunnen blijven wonen als de
initiatief. Ook het hypothetische scenario dat de bedrijfsactiviteiten in de
bedrijfsactiviteiten door het bereiken van een zekere leeftijd
toekomst worden gestaakt en appellant op de locatie moet kunnen blijven
worden gestaakt. Appellant verzoekt alsnog de aanduiding
wonen vormt geen aanleiding tot een wijziging.
‘Maatvoering: maximaal aantal wooneenheden: 2’ op te nemen, dan wel alsnog een aanduiding specifieke vorm van agrarisch -
De gemeente stemt niet in met het verzoek om de maatvoering voor
plattelandswoning.
maximaal twee wooneenheden op te nemen, evenals het opnemen van een aanduiding ten behoeve van een plattelandswoning. Het staat appellant vrij om een goed onderbouwd verzoek te doen om de huidige bedrijfswoning om te zetten naar een woning met voormalige binding (voorheen plattelandswoning) of de gehele functie om te zetten naar een woonfunctie wanneer de bedrijfsactiviteiten gestaakt worden.
3.15.5
In aanvulling op het initiatief om een tweede wooneenheid te
Zoals onder 2.15.3 aangegeven is er geen sprake van een concreet
realiseren verzoekt appellant eveneens het bouwblok van vorm
initiatief. Er wordt geen concrete aanleiding gezien om het functievlak van
te veranderen om zo ruimte te creëren voor een tweede
vorm te veranderen. Het oprichten van een tweede bedrijfswoning is niet
wooneenheid.
concreet en daarnaast is eveneens niet duidelijk welke belangen worden geschaad bij deze vormverandering.
3.16
Appellant 16 – Zienswijze inzake locatie Moorsel 7 Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Moorsel 7, 5715PX Lierop, d.d. 7 oktober 2024, datum ingekomen 8 oktober 2024 3.16.1
Het ontwerp-omgevingsplan wordt als ongebruiksvriendelijk en
De strekking van deze zienswijze komt overeen met punt 3.3.1.
ondoorgrondelijk ervaren. De functies zijn niet goed zichtbaar.
Kortheidshalve verwijzen wij naar onze reactie onder punt 3.3.1.
De begrenzingen van de functies zijn onvoldoende nauwkeurig vastgelegd. Het programma geeft met enige regelmaat een
41/123
foutmelding waardoor het niet zeker is dat appellant kennis heeft kunnen nemen van het complete ontwerp-omgevingsplan. 3.16.2
Appellanten wensen op te merken dat voor zover thans legaal
De appellant meldt dat legaal opgerichte bebouwing wordt wegbestemd,
opgerichte gebouwen en legaal gebruik worden wegbestemd
echter is dit niet het geval. Voor de locatie Moorsel 7 wordt een
appellanten erop willen wijzen dat ingevolge vaste rechtspraak
maatvoering van 200 m2 aan bijgebouwen opgenomen, dit wordt
van de Afdeling legaal bestaande bebouwing en legaal bestaand
overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Ook het gebruik van de
gebruik als zodanig in een plan dienen te worden bestemd.
gronden, welke beschreven worden in het bestemmingsplan, wordt overgenomen in het omgevingsplan. De aanwezige bebouwing is ten tijde van de inventarisatie ook als legaal opgericht beoordeeld, de bebouwing hoeft dus niet te worden verwijderd.
3.16.3
Op het perceel van appellant zijn meerdere archeologische
In het omgevingsplan is de gemeentelijke Nota Archeologiebeleid en de
waarden opgenomen (archeologisch waardevolle gebieden
bijbehorende Archeologische verwachtingen- en waardenkaart verwerkt.
nummers 3, 4 en 5). Het kan niet zo zijn dat er meerdere
Er wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden met archeologische
gebieden aanwezig zijn binnen één perceel.
waarden en archeologische verwachtingswaarden. Dit betekent dat er weldegelijk meerdere waarden op één perceel kunnen liggen. Dit wordt gebaseerd op de kaarten behorende bij het beleid. Maar deze waarden kunnen niet over elkaar liggen. De gebiedsaanwijzingen archeologisch waardevol gebied – 3, 4 en 5 overlappen elkaar. Dit betreft een technische fout. Dit is hersteld.
3.16.4
In het kader van de zorgplicht van artikel 1.6, 1.7 en 1.8 van
Artikel 1.3 van de Omgevingswet bevat de doelen van de wet. In artikel
de Omgevingswet moet niet alleen bij een aanvraag om
1.6 en 1.7 van de Omgevingswet zijn algemene zorgplichten opgenomen.
omgevingsvergunning rekening worden gehouden met de
Deze artikelen gelden onverkort. Deze algemene doelen zijn in het
omschreven doelen, ook in het kader van bijvoorbeeld
omgevingsplan in artikel 2.1 nader aangeduid en meer toegespitst op de
handhavend optreden op gebruik. De beschreven doelen bij de
gemeente Someren. De doelen zijn opgenomen om richting te geven bij
functie agrarisch grondgebruik zijn zodanig ruim geformuleerd
de uitvoering van de regeling. De doelen zijn bedoeld als kader voor de
dat dit tot rechtsonzekerheid leidt.
toepassing van de concrete bevoegdheden en de motivatie van besluiten. Per gebiedsaanwijzing, functie en activiteit is vervolgens opgenomen met welke doelen die betreffende regelingen zijn opgenomen.
42/123
3.16.5
De algemene beoordelingsregels zullen leiden tot ongewenste
De regeling betreffende de algemene beoordelingsregels is overgenomen
rechtsonzekerheid. Daarnaast zorgen deze algemene
uit de staalkaarten van de VNG. Dit is beoogd als vangnetregeling.
beoordelingsregels ervoor dat er niet langer meer sprake is van
In de eerdere bestemmingsplannen was tevens een soortgelijke regeling
een gebonden beschikking maar dat bij iedere aanvraag voor
opgenomen in het artikel ‘overige regels’. Ook hierin was een
een omgevingsvergunning bouwen zal moeten worden getoetst
vangnetregeling opgenomen om de ruimtelijke kwaliteit en belangen van
aan ‘de aantasting van bouw- en gebruiksmogelijkheden van
derden te kunnen waarborgen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
omliggende gebouwen’ zoals bepaald in artikel 6:101. 3.16.6
Het plan leidt tot rechtsonzekerheid nu het perceel een groot
In het bestemmingsplan ‘Moorsel 7’ werd beoogd om een intensieve
aantal aanduidingen ‘maximum oppervlakte bijgebouwen’ kent.
veehouderij om te zetten naar een locatie voor een burgerwoning, waarbij
Voor zover artikel 6.154 van toepassing is, merkt appellant op
een groepsaccommodatie voor het verblijf van maximaal 20 personen
dat deze bepaling betekent dat zij in een nadeligere positie
geëxploiteerd mag worden. In dit bestemmingsplan is toegelicht dat de
komen. Onder het vigerende plan bestaat er een rechtstreekse
woonboerderij behouden blijft en een bijgebouw met een oppervlakte van
mogelijkheid om 200 m² aan bijgebouwen te realiseren (naast
maximaal 200 m² wordt gerealiseerd. Binnen dit bijgebouw zou de
de realisatie van een groepsaccommodatie voor 20 personen),
groepsaccommodatie gerealiseerd worden. Voor het gebruik van het
waar dit onder het omgevingsplan thans slechts 100 m² wordt.
bijgebouw is een aanduiding opgenomen, gezien dit anders strijdig
Weliswaar is het op grond van artikel 6.155 mogelijk om meer
gebruik betrof. Aan de hand van dit plan is in het bestemmingsplan
vierkante meters aan bebouwing te bouwen middels een
‘Moorsel 7’ opgenomen dat de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande
binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Maar deze bebouwing
bijbehorende bouwwerken per woning onder voorwaarden maximaal 200
wordt alleen toegestaan als er bebouwing wordt gesloopt.
m² mag bedragen. Dit is conform de huidige regeling overgenomen in het omgevingsplan. In de regeling betreffende het bouwen van bijgebouwen bij een woning is opgenomen dat de gezamenlijke oppervlakte maximaal 100 m2 mag bedragen, tenzij anders aangegeven met de omgevingsnorm maximum oppervlakte bijgebouwen. Er wordt terecht geconstateerd dat er meerde omgevingsnormen ‘maximum oppervlakte bijgebouwen’ op het perceel zijn gelegen. Dit is hersteld. Conform de huidige regeling is een omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte bijgebouwen 200 m2’ opgenomen.
3.16.7
Het plan brengt een beperking met zich mee ten aanzien van de
Op basis van het tijdelijke deel omgevingsplan ‘Moorsel 7’ is een
maximale bouwhoogte voor bijgebouwen. Op basis van het
maximale bouwhoogte voor bijgebouwen toegestaan van 6 meter. Dit zal
43/123
huidige plan is dit 6 meter. Dit wil men zo behouden.
alsnog verwerkt worden in het omgevingsplan door het opnemen van een specifieke omgevingsnorm van 6 meter voor de bouwhoogte.
3.16.8
Op het perceel van appellanten is al voordat het
In het bestemmingsplan ‘Moorsel 7’ werd beoogd om een intensieve
bestemmingsplan ‘Moorsel 7’ werd vastgesteld een carport
veehouderij om te zetten naar een locatie voor een burgerbewoning,
aanwezig met een oppervlakte van 42 m² en een bouwhoogte
waarbij een groepsaccommodatie voor het verblijf van maximaal 20
van 4,8 meter. Als reactie op het inventarisatierapport is
personen geëxploiteerd mag worden. In dit bestemmingsplan is toegelicht
verzocht om deze carport op een juiste wijze, dus positief te
dat de woonboerderij behouden blijft en een bijgebouw met een
bestemmen, in het omgevingsplan. Nu een bouwwerk geen
oppervlakte van maximaal 200 m² wordt gerealiseerd. Binnen dit
gebouw zijnde maar maximaal 2,5 meter hoog mag zijn, is dit
bijgebouw zou de groepsaccommodatie gerealiseerd worden. Aan de hand
niet gebeurt. Appellant verzoekt ook dit bouwwerk positief te
van dit plan is in het bestemmingsplan ‘Moorsel 7’ opgenomen dat de
bestemmen in het omgevingsplan.
gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken per woning onder voorwaarden maximaal 200 m² mag bedragen. Daarnaast is er onder voorwaarden nog één carport toegestaan van maximaal 20 m² en een maximale bouwhoogte van 3 meter. De mogelijkheid tot het bouwen van een overkapping is overgenomen in het omgevingsplan. De carport is inderdaad geen bijgebouw, maar een bouwwerk, geen gebouw zijnde (in dit geval ook wel een overkapping/carport). Het bouwwerk moet beoordeeld worden als bijbehorend bouwwerk, welke op basis van het Besluit omgevingsrecht vergunningsvrij mocht worden opgericht. Vergunningsvrije bouwwerken worden echter niet opgenomen in het omgevingsplan, aangezien er dan ten onrechte meer rechten worden toegekend aan deze bouwwerken. Zo gelden er voor vergunningsvrije bouwwerken bijvoorbeeld lagere bouwhoogtes dan voor vergunde bouwwerken. De rechten uit het vigerende bestemmingsplan zijn overgenomen in het omgevingsplan.
3.16.9
Ten eerste merken appellanten op dat op hun perceel niet de
Op basis van het tijdelijk deel van het omgevingsplan ‘Moorsel 7’ is voor
nadere aanduiding recreatie is opgenomen. Door de grote
het perceel de bestemming ‘wonen’ met de nadere aanduiding ‘specifieke
hoeveelheid aan regels in het omgevingsplan en de onduidelijke
vorm van recreatie – groepsaccommodatie’ opgenomen.
44/123
plankaart, is voor cliënten op geen enkele wijze inzichtelijk wat
In het omgevingsplan is deze regeling vertaald. Aan het perceel is de
de gevolgen zijn van het ontbreken van deze aanduiding. Het
functie wonen toegekend. Ter plaatse van de groepsaccommodatie is de
plan is op dit punt dan ook onzorgvuldig.
locatie ‘groepsaccommodatie 500’ opgenomen. Binnen deze locatie is het exploiteren van een groepsaccommodatie toegestaan. Het is een terechte
Ten tweede zijn de werkingsgebieden voor de
constatering dat er meerdere locaties voor groepsaccommodatie zijn
groepsaccommodatie onduidelijk.
gekoppeld aan deze locatie. Dit is niet de bedoeling en zal worden hersteld. Dit betekent dat er op Moorsel 7 een bijgebouw van maximaal 200 m2 als groepsaccommodatie is toegestaan, waarin maximaal 20 personen mogen verblijven en welke ondergeschikt is aan de functie wonen.
3.16.10
Het landschappelijke inpassingsplan is niet uitvoerbaar vanwege
De gemeente betreurt dat zij niet eerder een groenspecialist hebben
de klimaatverandering. Er is al meerdere malen hierover met de
kunnen laten langskomen, inmiddels is dit wel gebeurd. Het
gemeente gesproken en daarbij zou zijn toegezegd dat iemand
beplantingsplan is in overleg met de eigenaren klimaat adaptief gemaakt.
van de gemeente Someren hier gaat kijken. Ondanks herhaalde verzoeken van appellanten is er nog niets vernomen.
3.17
Appellant 17 - Zienswijze inzake locatie Otterdijk 3, 7 en Kromvenweg 18
Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Otterdijk 3, 7, Kromvenweg 18, 5715RG Lierop, d.d. 7 oktober 2024, datum ingekomen 08 oktober 2024 3.17.1
De verschillende aanduidingen die aanwezig zijn op de locatie
De locatie Otterdijk 3 heeft in het ontwerp-omgevingsplan de functie
Otterdijk 3 geven onduidelijkheid.
Agrarisch bedrijf. Op de locatie zijn de werkingsgebieden ‘Productiegerichte paardenhouderij’ en ‘veehouderij-gebruik’ gelegen.
Uit de systematiek van het ontwerp komt onvoldoende
Het is een terechte constatering dat de functie ‘Veehouderij’ ontbreekt
eenduidig naar voren, dat de toepasselijkheid van de aanduiding
doordat dit perceel niet binnen het betreffende werkingsgebied is gelegen.
‘veehouderij – gebruik’ op de verbeelding betekent, dat deze
Dit wordt hersteld. Dit geldt tevens voor de locatie Otterdijk 7.
bedrijfslocatie daarmee ook binnen het werkingsgebied
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de regeling voor veehouderijen is
45/123
3.17.2
‘veehouderij’ ligt, zoals artikel 6.240, eerste lid, van het
aangepast. In het ontwerp-omgevingsplan is aan een veehouderij zowel de
ontwerp voorschrijft. Otterdijk 3 beschikt op de verbeelding niet
functie agrarisch bedrijf als de functie veehouderij toegekend. In de
over een aanduiding ‘veehouderij’, die één-op-één
definitieve regeling heeft een veehouderij alleen de functie veehouderij en
correspondeert met de verwijzing in artikel 6.240, eerste lid,
is deze regeling aangevuld zodat binnen deze functie ook agrarische
van de regels.
bedrijven zijn toegestaan.
Appellant verzoekt om een bevestiging dat de volgende
In de provinciale omgevingsverordening is opgenomen dat een
bepalingen niet gelden voor de activiteiten van cliënte met
omgevingsplan er plaatse van Beperkingen Veehouderij moet bepalen dat
betrekking tot de productiegerichte paardenhouderij:
vestiging van, omschakeling naar of uitbreiding van een veehouderij is uitgesloten. En dat een toename van de bestaande oppervlakte aan
•
•
Het verbod om ter plaatse van de ‘beperkingen
bouwwerken is uitgesloten (met uitzondering van de bedrijfswoning). De
veehouderij’ de bestaande oppervlakte van bouwwerken
definitie van veehouderij in de provinciale omgevingsverordening is:
(met uitzondering van de bedrijfswoning) uit te breiden
milieubelastende activiteit, gericht op het houden van landbouwhuisdieren,
Het verbod om zonder omgevingsvergunning de
als bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met
bestaande oppervlakte aan dierenverblijven uit te
uitzondering van paarden. Deze regeling is vertaald in het omgevingsplan.
breiden, deze omgevingsvergunning kan alleen verleend worden als sprake is van een zorgvuldige veehouderij
De locatie ‘beperkingen veehouderij’ is van toepassing op het uitbreiden
die voldoet aan de Brabantse Zorgvuldigheidscore
van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij veehouderijen.
Veehouderij.
De definitie van veehouderij: is: agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren.
3.17.3
Appellant verzoekt om de gebiedsaanwijzingen archeologisch
De werkingsgebieden voor archeologisch waardevol gebied worden
waardevol gebied 3 en 4 aan te passen op Otterdijk 3 en 7
opgenomen op basis van de gemeentelijke Nota archeologiebeleid en
conform de voorgestelde wijzigingen van de archeologische
bijbehorende kaart met archeologische verwachtingen en waarden.
waardenkaart.
Het is enkel mogelijk om gebieden eruit te knippen als er ook stukken zijn die aantonen dat er geen verwachtingswaarden meer aanwezig zijn. De door appellant voorgestelde wijzigingen zijn voor advies voorgelegd aan de regioarcheoloog. De gedane onderzoeken zijn akkoord bevonden. De gebiedsaanwijzingen archeologisch waardevol gebied zijn hierop aangepast.
3.17.4
Er is geconstateerd dat het productiegericht houden van
Per brief op 7 november 2024 is aan appellant kenbaar gemaakt dat er
46/123
paarden niet van toepassing is in de definitie van ‘veehouderij’.
geen nadere termijn wordt gegeven voor het indienen van een ruimtelijke
De cliënt heeft de ambitie om zowel aan de Otterdijk 3 als aan
onderbouwing.
de Otterdijk 7 een productiegerichte paardenhouderij te ontwikkelen.
Er is geen sprake is van een concreet initiatief. Door appellant is een uitwerking van de nieuwe beoogde invulling opgenomen. Dit ziet niet
Appellant verzoekt een nadere termijn te stellen van minimaal 4
verder dan een aantal inrichtingstekeningen, waaraan onvoldoende valt af
weken om een ruimtelijke onderbouwing op stellen voor het
te leiden. Het wordt niet duidelijk wat bijvoorbeeld de effecten zijn van de
omzetten van Otterdijk 7 naar een productiegerichte
beoogde ontwikkeling ten opzichte van de milieuaspecten, flora en fauna,
paardenhouderij.
bodem, enz. Daarnaast is niet duidelijk hoe de ontwikkeling zich verhoudt tot de nabijgelegen en direct aangrenzende woonfuncties. Daarmee is dit initiatief ook niet tijdig kenbaar gemaakt. Hoewel verzocht wordt om een nadere termijn van vier weken voor het indienen van een ruimtelijke onderbouwing, is de gemeente van mening dat er in de zienswijze geen concreet en uitgewerkt verzoek wordt gedaan. De door appellant gewenste ontwikkeling kan allerlei effecten hebben die niet tijdig zijn onderzocht om hier een standpunt over te kunnen innemen. Daarnaast hebben direct omwonenden en andere partijen geen mogelijkheid gehad om de plannen in het ontwerp-omgevingsplan te beoordelen en hier hun mening over te vormen. Dit is een stap die, zeker ook voor de beoogde ontwikkeling op de bewuste locatie, wel belangrijk is om te zetten. Zonder deze onderzoeken en informatie kan onvoldoende beoordeeld worden of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.17.5
Voor de Kromvenweg 18 en 18a is één planologische regeling
Het klopt dat de percelen van Kromvenweg 18 en 18a binnen hetzelfde
opgenomen in het ontwerp-omgevingsplan. Dit is een
functievlak voor het agrarische bedrijf zijn gelegen. Gegeven de
ongewenste situatie. Er is sprake van twee kadastrale percelen
constatering dat er op Kromvenweg 18 een bestaande paardenhouderij
met verschillend gebruik. De aanduiding productiegerichte
actief is wordt hiervoor een werkingsgebied opgenomen.
paardenhouderij is passend bij Kromvenweg 18, maar niet passend bij het gebruik van Kromvenweg 18a.
De niet-agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel van Kromvenweg 18a
47/123
zijn in strijd met de op het perceel rustende functie. Ook in de voorgaande plannen waren deze activiteiten niet toegestaan. Het perceel binnen het functievlak voor het agrarische bedrijf is in het verleden kadastraal gesplitst. Echter is voor die situatie nooit een wijziging van het planologische regime aangevraagd. Er is dan ook geen aanleiding om voor deze strijdige activiteiten het planologische regime aan te passen. Daarnaast zou het afzonderlijk regelen van de verschillende activiteiten op beide percelen leiden tot planologische nieuwvestiging, wat op grond van de provinciale omgevingsverordening niet is toegestaan. Het staat appellant uiteraard vrij om, samen met de eigenaar van het perceel op Kromvenweg 18a, oplossingsrichtingen te onderzoeken en eventueel een concreet verzoek te doen om het planologische regime aan te laten passen.
3.18
Appellant 18 – Zienswijze Provincie Noord-Brabant Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze Provincie Noord-Brabant, d.d. 8 oktober 2024, datum ingekomen 8 oktober 2024 3.18.1
De provincie betreurt het dat voor aanvang van de formele
Wij hebben kennis genomen van deze constatering. Naar aanleiding van
procedure van het plan, niet meer aandacht is besteed aan
deze zienswijze hebben een aantal overleggen plaatsgevonden met de
afstemming met andere bestuursorganen. Dit zou zorgvuldiger
provincie. De gemeente heeft daarbij een toelichting gegeven op het
zijn geweest. Er geldt een motiveringsplicht om bij de
proces en de mogelijkheden die er op dit moment zijn om vooroverleg te
vaststelling van het omgevingsplan, te motiveren op welke
plegen. Er is toegelicht welke keuzes er zijn gemaakt. De aangepaste
manier onder andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn
versie van het omgevingsplan is vervolgens voorgelegd aan de provincie
betrokken.
om te kunnen bekijken of de provinciale belangen op een correcte wijze zijn verankerd in het plan.
3.18.2
De Omgevingswet kent een nieuwe systematiek voor het al dan
Voor de structuur van het omgevingsplan heeft de gemeente Someren
48/123
niet toestaan van activiteiten: in- en uitsluiten. De provincie is
grotendeels aangesloten bij het casco van de VNG.
nog niet geheel overtuigd of de werkwijze van in- en uitsluiten juridisch juist is uitgevoerd in het plan. Mogelijk ontstaan er
In hoofdstuk 4 zijn 3 gebiedstypen aangeduid en een aantal thematische
nadelige rechtsgevolgen ten opzichte van de provinciale
gebiedsaanwijzingen. De gebiedstypen overlappen elkaar niet. De
ruimtelijke belangen.
gebiedsaanwijzingen kunnen elkaar wel overlappen. De thematische gebiedsaanwijzingen zijn daarmee meer overkoepelend bedoeld. Binnen de gebiedstypen zijn verschillende functies toegestaan. In hoofdstuk 4 is daartoe een doorverwijzing opgenomen naar de functies in Hoofdstuk 5. De functies zijn zo ingestoken dat deze herkenbaar zijn ten opzichte van de voormalige bestemmingsplansystematiek. Deze komen overeen met de enkelbestemmingen uit de bestemmingsplannen. In Hoofdstuk 5 is per functie opgenomen welke activiteiten (aanleg, bouw- en gebruiksactiviteiten) zijn toegestaan binnen een functie en is een doorverwijzing opgenomen naar hoofdstuk 6 waarin de activiteiten zijn benoemd die zijn toegestaan. In de thematische gebiedsaanwijzingen in hoofdstuk 4 is een rechtstreekse doorverwijzing opgenomen naar hoofdstuk 6. In hoofdstuk 6 zijn de activiteiten vervolgens gereguleerd. De activiteiten zijn alleen toegestaan op een locatie indien deze op de verbeelding zijn aangeduid met een werkingsgebied (in de regels locatie genoemd). Uitgangspunt van het omgevingsplan is het insluiten van activiteiten. Er wordt ingesloten door middel van de koppeling aan een gebiedsaanwijzing of werkingsgebied. In artikel 6.3 is bepaald dat activiteiten die niet zijn benoemd in het omgevingsplan niet zijn toegestaan. Deze werkwijze is gekozen, omdat juist uitsluiten als een groter risico wordt gezien.
Alles wat dan niet geregeld is, is dan immers toegestaan. Nu is het andersom, als iets niet genoemd wordt, dan mag het ook niet.
49/123
3.18.3
De Omgevingsverordening (OV) bevat regels welke bij de
In het overleg met de provincie zijn de door de gemeente gemaakte
inwerkingtreding van de Omgevingswet als
keuzes toegelicht. De gemeente heeft per 1 januari 2024 van rechtswege
voorbeschermingsregels onderdeel zijn gaan uitmaken van het
een tijdelijk omgevingsplan. Het uitgangspunt van deze wijziging is met
tijdelijk deel van het Omgevingsplan Someren. Er is
name geweest om de regels voor deelgebied 5 zo veel mogelijk
geconstateerd dat niet alle instructieregels zijn opgenomen.
beleidsneutraal over te zetten naar de uiteindelijke structuur van het omgevingsplan. Op deze manier is er een basisset met regels die verder uitgewerkt kan worden. De overige regels in het tijdelijke deel blijven gelden. Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om één omgevingsplan op te stellen voor het ambtsgebied. Het omzetten naar het uiteindelijke omgevingsplan betreft een doorlopend proces. Dit is een begin. Er zijn nog veel onderwerpen die verwerkt moeten worden. De provinciale voorbeschermingsregels blijven onverkort gelden en zullen later worden opgenomen in het omgevingsplan. In de motivering behorende bij het omgevingsplan zal deze keuze duidelijker worden toegelicht. Voor grootschalige logistiek geldt bovendien dat deze niet aanwezig is binnen de gemeente. Daarnaast is het als activiteit niet benoemd en daarmee niet toegestaan door de systematiek van het insluiten.
3.18.4
In paragraaf 5.1.2 van de Omgevingsverordening zijn
In de bestemmingsplansystematiek werd aangesloten bij het begrip
basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies
bouwperceel. Hieronder werd verstaan: aaneengesloten (virtueel) vlak
opgenomen, waaronder in artikel 5.8 OV het principe van
waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen
zorgvuldig ruimtegebruik. De provinciale Omgevingsverordening
worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de
(OV) hanteert het begrip ‘bouwperceel’ bij het bepalen van het
gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar
bestaand ruimtebeslag. In het Omgevingsplan wordt gebruik
ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningsvrije bouwwerken
gemaakt van het begrip ‘gebouwerf’. De provincie verzoekt om
zijn toegestaan.
zo veel mogelijk aan te sluiten bij het begrip ‘bouwperceel’. Opgemerkt wordt nog dat bij de verwijzing naar het begrip
Vanwege de gewijzigde systematiek op basis van de Omgevingswet en het
‘gebouwerf’ abusievelijk de omschrijving van het begrip gebouw
feit dat er in het omgevingsplan geen bouwvlakken meer zijn opgenomen
wordt weergegeven.
is ervoor gekozen om in het omgevingsplan aan te sluiten bij het begrip gebouwerf. Onder gebouwerf wordt verstaan: bebouwd of onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een
50/123
hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt. De term gebouwerf volgt uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. De VNG heeft geadviseerd deze term te gebruiken. Mede daarom is deze opgenomen. De strekking van het begrip is gelijk aan het begrip ‘bouwperceel’. Er wordt ook geen inhoudelijk verschil beoogd met de voorheen geldende bestemmingsplansystematiek. Daarin werden de bouwmogelijkheden begrensd door onder andere het begrip bouwperceel, maar met name door de bestemmingsvlakken en de bouwregels in de bestemmingen. In het omgevingsplan zijn de bouwmogelijkheden niet alleen begrensd door het begrip gebouwerf. De begrenzing van de bouwmogelijkheden wordt aangegeven door middel van de gekoppelde werkingsgebieden. In de regels is opgenomen dat gebouwd mag worden binnen nader aangeduide functievlakken en locaties. Deze zijn op de kaart te zien door de geometrische plaatsbepaling. Hierbij geldt dat de functievlakken overeen komen met de voorheen geldende bestemmingsvlakken. Binnen de regeling is tevens, al dan niet aan de hand van omgevingsnormen, de maximale maatvoering van bebouwing aangegeven. Het geheel aan regels bepaald daarmee waar en hoeveel gebouwd mag worden en waarborgt het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.
De verwijzing naar het begrip gebouwerf is inderdaad abusievelijk niet correct opgenomen. Dit is hersteld. 3.18.5
Middels een werkingsgebied en bouwactiviteiten worden buiten
De gemeente heeft op basis van vergunningen en luchtfoto’s bepaald of
bestaand ruimtebeslag veldschuren en schuilgelegenheden
bouwwerken dan wel vergund dan wel overgangsrechtelijk beschermd
toegestaan. In de motivering wordt gesteld dat op basis van het
aanwezig zijn. Deze informatie wordt geleverd aan de provincie.
overgangsrecht dan wel vergund recht tot planologisch-
51/123
juridische bestendigheid wordt gekomen. Dit wordt echter niet
De regeling voor schuilgelegenheden is gewijzigd. Voor de bouw van
aangetoond.
nieuwe schuilgelegenheden binnen de functie Agrarisch grondgebruik is een vergunningsplicht opgenomen in paragraaf 6.4.26
Bovendien is het werkingsgebied voor schuilgelegenheden
‘Schuilgelegenheden bouwen’. In de beoordelingsregels is onder andere
toegekend aan het hele werkingsgebied voor Agrarisch
bepaald dat deze gebouwd moeten worden binnen een
grondgebruik. Hiermee worden juridisch ook mogelijkheden
bebouwingsconcentratie en niet gebouwd mogen worden binnen ecologisch
gecreëerd voor de nieuwvestiging van schuilgelegenheden in
waardevol gebied. De bestaande schuilgelegenheden zijn specifiek
een groot deel van het buitengebied.
aangeduid middels de locatie ‘schuilgelegenheid’ en hebben specifieke omgevingsnormen voor de oppervlakte en hoogtes. Voor bestaande schuilgelegenheden is in subparagraaf 6.5.3.7 bepaald dat deze alleen hobbymatig gebruikt mogen worden. Het is niet toegestaan deze voor opslag te gebruiken.
3.18.6
In het plan is de functie Agrarisch grondgebruik opgenomen. In
In de betreffende artikelen is bepaald dat het verboden is zonder
artikel 5.11 en daaraan gerelateerde artikelen worden
omgevingsvergunning de aangegeven bouwactiviteiten te verrichten. In de
activiteiten mogelijk gemaakt welke zich slecht verdragen met
beoordelingsregels zijn de voorwaarden opgenomen waaraan voldaan
het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. De provincie
dient te worden. Door middel van deze voorwaarden wordt gewaarborgd
verzoekt om de regeling zodanig op te stellen dat er geen
dat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Deze bouwmogelijkheden
nieuwvestiging kan ontstaan.
waren reeds toegestaan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan of waren middels een afwijkingsbevoegdheid reeds toegestaan. Er is geen sprake van een beleidswijziging ten opzichte van de nu geldende regeling.
3.18.7
Ten aanzien van een aantal locaties ontbreekt een
a.
landschappelijk inpassingsplan, dan wel is de kwaliteitsverbetering niet voldoende uitgewerkt, terwijl daar wel
Het landschappelijke inpassingsplan is inmiddels ingediend en goedgekeurd. Deze wordt verwerkt in het omgevingsplan.
b.
Een motivering met bijbehorend landschappelijk inpassingsplan is
een ontwikkeling plaatsvindt en deze locaties benoemd worden
ingediend en goedgekeurd. Deze wordt verwerkt in het
in de retrospectieve toets in de motivering.
omgevingsplan.
Het betreft:
c.
De locatie is in bestemmingsplan Buitengebied 2011 verkeerd opgenomen. Op basis van vergund recht zijn de aanwezige
a.
Houtbroekdijk 27
loodsen binnen het woonfunctievlak gelegd. Gezien het hier gaat
b.
Houtbroekdijk 18
om het herstellen van een fout is er geen tegenprestatie gevraagd.
c.
Kromvenweg 20
d.
Initiatiefnemer heeft bij het beplantingsplan een LIR berekening
52/123
d.
Berkeindje 9
toegevoegd, echter is deze abusievelijk niet opgenomen in de
e.
Houtbroekdijk 30
bijlage van het omgevingsplan. Dit wordt hersteld.
f.
Houtbroekdijk 28
g.
Kouterstraat 7
e.
toegevoegd, echter is deze abusievelijk niet opgenomen in de
h. Kouterstraat 11 i.
Lieropsedijk 68
j.
Vaarsehoefweg 33
Initiatiefnemer heeft bij het beplantingsplan een LIR berekening bijlage van het omgevingsplan. Dit wordt hersteld.
f.
Initiatiefnemer heeft bij het beplantingsplan een LIR berekening toegevoegd, echter is deze abusievelijk niet opgenomen in de bijlage van het omgevingsplan. Dit wordt hersteld.
Op een aantal locaties worden ontwikkelingen mogelijk gemaakt
g.
Initiatiefnemer heeft bij het beplantingsplan een LIR berekening
die niet worden benoemd in de Motivering en niet zijn
toegevoegd, echter is deze abusievelijk niet opgenomen in de
opgenomen in de bijlagen. Deze ontwikkelingen gaan daarmee
bijlage van het omgevingsplan. Dit wordt hersteld.
niet gepaard met een fysieke verbetering van de
h. Initiatiefnemer heeft bij het beplantingsplan een LIR berekening
kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit is in strijd met
toegevoegd, echter is deze abusievelijk niet opgenomen in de
artikel 5.11 OV. Het betreft de volgende locaties:
bijlage van het omgevingsplan. Dit wordt hersteld. Omdat de locatie van initiatiefnemer reeds landschappelijk is ingepast, is een