Openstaande vragen raadscomissie 16-06-26
Tekst van het document
OPENSTAANDE VRAGEN RAADSCOMMISIE 16-6-2026 Uitvoeringsplan dementievriendelijke Schiedam 2026 PRO Schiedam: 1.
Wanneer vindt het college dit plan daadwerkelijk geslaagd? Welke concrete resultaten moeten eind 2027 zichtbaar zijn voor inwoners met dementie en hun mantelzorgers? Welke verbeteringen moeten zij in hun dagelijks leven daadwerkelijk ervaren?
Antwoord: Het college meet de voortgang langs de acht thema's van de Dementiescan van Alzheimer Nederland, die elke twee jaar wordt herhaald. Concrete indicatoren zijn: het behoud of hernieuwd verkrijgen van het certificaat Dementievriendelijke Gemeente, het aantal deelnemers aan trainingen en het Alzheimercafé, de bekendheid en het gebruik van de DementieWijzer, het aantal opgeleide vrijwilligers, de reductie van wachttijden voor casemanagement en het aantal actieve dementievriendelijke ontmoetingslocaties in de stad. De voortgang wordt bovendien elk kwartaal besproken in MVS-verband en feedback van mensen met dementie, mantelzorgers en professionals wordt structureel meegewogen. 2. Casemanagement is vaak cruciaal om mensen en hun omgeving tijdig de juiste ondersteuning te bieden en escalatie van problemen te voorkomen. Wat zijn de huidige wachttijden in Schiedam en welke maximale wachttijd vindt het college acceptabel? Het college onderschrijft het belang van tijdige toegang tot casemanagement dementie. Een goede casemanager is vaak onmisbaar om mensen met dementie en hun naasten op het juiste moment de juiste ondersteuning te bieden en escalatie van problemen te voorkomen. Het college hanteert, net als de zorginstellingen in de regio, de landelijke richtlijn van maximaal zes weken wachttijd tussen aanmelding en start van het casemanagement.
De huidige wachttijden in Schiedam liggen daar ruim onder en zijn op dit moment zeer kort. Op jaarbasis bezien, met fluctuaties door schommelingen in vraag en beschikbare capaciteit, bedraagt de gemiddelde wachttijd circa vijf weken. Belangrijk is dat de periode tussen aanmelding en start van het casemanagement niet als stilstand moet worden gezien. Al bij de intake worden, waar nodig en mogelijk, gerichte interventies ingezet, zodat inwoners en hun omgeving ook in deze fase niet onnodig lang zonder ondersteuning zitten. De ontwikkeling van de wachttijden is bovendien een goed voorbeeld van de meerwaarde van lokale en regionale samenwerking. Doordat zorginstellingen in de regio steeds intensiever met elkaar samenwerken en organisaties inmiddels over meerdere casemanagers beschikken, nemen de fluctuaties in de wachttijden af. Deze samenwerking werpt dus haar vruchten af. Het college blijft zich de komende jaren, samen met de regionale partners, inspannen om de wachttijden verder te verkorten en te stabiliseren.
3. Hoe wil het college voorkomen dat inwoners met beginnende dementie en hun mantelzorgers pas worden bereikt wanneer sprake is van een crisissituatie? Antwoord: De aanpak richt zich op het bereiken via de eerstelijns zorg: huisartsen en POH-ouderen zijn belangrijke vindplaatsen en zij worden via het Lokaal Netwerk Dementie Schiedam actief betrokken. Tevens werkt Minters Mantelzorg aan hun zichtbaarheid. Daarnaast wordt elk kwartaal in de lokale media aandacht gegeven aan dementie en het beschikbare aanbod, en is de DementieWijzer beschikbaar via de gemeentelijke website. Voor mensen die ook langs digitale weg moeilijk bereikbaar zijn, wordt ingezet op wijkgerichte benaderingen via welzijnsorganisaties en het Alzheimer
Ontmoetingshuis (maandelijks, specifiek ook voor mensen met een migratieachtergrond). 4. Wat verandert er straks in buurthuizen, openbare ruimtes, winkels, verenigingen en ontmoetingsplekken? Welke zichtbare stappen zet het college om zorgzame wijken ook daadwerkelijk vorm te geven? Antwoord: Het uitvoeringsplan noemt op dit vlak: het realiseren van kleinschalige dementievriendelijke woonvormen (zoals Villa van Oranje, de Edelweisslocatie en nieuwbouwplannen van Frankelandgroep en Argos), de inrichting van een dementievriendelijke infrastructuur (duidelijke bewegwijzering, rustpunten, veilige wandelroutes) en het betrekken van specialisten bij nieuwbouwprojecten. De koppeling met de Woonzorgvisie, die begin 2026 is vastgesteld, is expliciet gelegd: die visie streeft naar een integrale aanpak van wonen, zorg en welzijn, met oog voor de totale vraag naar woon-zorgcombinaties voor ouderen inclusief intramurale plekken. Woonzorgvisie ouderen: PRO Schiedam: 1.
De woonzorgvisie noemt een behoefte van 700 nultredenwoningen en 450 geclusterde woonplekken tot 2030. Kan het college aangeven hoe deze opgave over de verschillende wijken van Schiedam is verdeeld? Antwoord: Dit is een uitwerking die nog niet gedaan is en zal landen in het volkshuisvestingsprogramma. Hierbij zal rekening worden gehouden met hoe het aantal ouderen nu over de wijken verdeeld is en welke demografische ontwikkeling er verwacht wordt (zie §3.4 op pagina’s 32 t/m 38 van de Woonzorgvisie). Omdat de grootste demografische ontwikkeling van 65+’ers verwacht wordt in deelgebied Nieuwland en Oost, is het waarschijnlijk dat daar ook de grootste opgave ligt.
2. Op basis van welke demografische prognoses, verhuisbewegingen en ontwikkelingen in de zorgvraag zijn de genoemde aantallen nultredenwoningen, woningaanpassingen en geclusterde woonvormen bepaald? Antwoord: De genoemde aantallen komen van ABF Research. ABF Research baseert zich op de bevolkings- en huishoudensprognose Primos, de woningmarktprognose Socrates en de prognose voor wonen en zorg Fortuna. 3. De visie noemt de aanwezigheid van voorzieningen zoals huisarts, apotheek, supermarkt, ontmoetingsplekken en openbaar vervoer als belangrijke randvoorwaarden voor zelfstandig wonen. Welke criteria hanteert het college om te bepalen of een wijk voldoende ouderenvriendelijk is ingericht? Antwoord: In de Woonzorgvisie is opgenomen dat we samen met de partners werken aan vitale wijken en een leefbare woonomgeving. Voor Schiedam betekent vitaliteit van een wijk, dat deze toegankelijk is, dat er voorzieningen (winkels, apotheek, huisarts en buurthuis) zijn en dat de omgeving uitnodigt tot bewegen en ontmoeten. Zie ook §4.1.4 van de Woonzorgvisie. 4. In verschillende prognoses wordt uitgegaan van een sterke toename van het aantal inwoners met dementie. Op welke wijze zijn deze ontwikkelingen meegenomen bij de bepaling van de toekomstige woonbehoefte binnen de woonzorgvisie?
Antwoord: Het bepalen van de woonbehoefte is gedaan op basis van onderzoek van ABF Research. ABF Research baseert zich op de bevolkings- en huishoudensprognose Primos, de woningmarktprognose Socrates en de prognose voor wonen en zorg Fortuna. In deze prognoses wordt de toename van het aantal inwoners met dementie meegenomen. 5.
De visie geeft aan dat verdere uitwerking plaatsvindt binnen het volkshuisvestingsprogramma. Kan het college aangeven welke onderdelen daarin minimaal nader worden uitgewerkt ten aanzien van ouderenhuisvesting, wijkvoorzieningen, monitoring en voortgangsrapportage? Antwoord: Vanuit de Wet versterking regie op de volkshuisvesting (Wvrv, ook wel Regiewet genoemd) zijn de volgende onderdelen verplicht in een volkshuisvestingsprogramma: 1. Woningbouw en woningbouwprogrammering (waaronder de programmering voor ouderenwoningen) 2. Balans in de woningvoorraad (inclusief de woningbehoefte van ouderen en mensen met zorgondersteuning) 3. Woonbehoefte van aandachtsgroepen (zowel de woonbehoefte als de -opgave van onder andere aandachtsgroepen en ouderen) 4. Leefbaarheid (integrale aanpak samen met maatschappelijke partners) 5. Verduurzaming Onder het 3e onderdeel valt niet alleen de woonbehoefte- en opgave van aandachtsgroepen en ouderen, ook moet er ingegaan worden op welke wijze de gemeente invulling geeft aan deze huisvestingsopgave. En er wordt in het programma verbinding gemaakt tussen wonen en zorg en ondersteuning. Zo worden bijvoorbeeld randvoorwaarden voor zorg en ondersteuning opgenomen. Naast deze verplichte onderdelen wordt er in het volkshuisvestingsprogramma ook ingegaan op monitoring en evaluatie.
Wijkvoorzieningen is een onderwerp dat breder gaat dan een omgevingsprogramma over volkshuisvesting. Strategische doelen over dit onderwerp landen in de Omgevingsvisie. Uitwerking van die strategische doelen in concrete maatregelen landt in een thematisch of gebiedsgericht omgevingsprogramma.
OPS: 6. Kan er extra aandacht gegeven worden aan stellen die uit elkaar moeten op het moment dat een van de partners naar een zorginstelling verhuist? Antwoord: hoewel het college dit ook betreurenswaardige situaties vindt, hebben wij geen bepalende invloed op dergelijke instellingen. De keuzes die gemaakt worden door de zorginstellingen komen mede voort uit schaarste in middelen, ruimte en personeel. LMV: 7.
Is er financiële ondersteuning voor mensen die in verband met mantelzorgtaken tijdelijk minder inkomen hebben?
Antwoord: Een mantelzorger kan via de persoon die verzorgd wordt vanuit een Persoonsgebonden Budget (PGB) betaald worden. Dit budget (afkomstig uit de Wmo, Wlz of Jeugdwet) kan worden gebruikt om zorg formeel in te kopen. Daarnaast kan een mantelzorger via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ondersteuning krijgen, zoals huishoudelijke hulp of een vergoeding voor woningaanpassingen.