CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

concept Nvu def

Gemeenteraad 17 februari 2026, gemeente SchagenBij agendapunt: Concept Nota van uitgangspunten omgevingsplan kernen33.214 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

160 alinea's met “omgevingsplan”: 1 4 12 13 17 18 27 28 29 30 34 35 36 39 40 41 44 47 51 53 54 56 57 58 59 64 65 66 68 69 71 72 75 76 77 78 98 117 120 122 …

2.2 Technische uitgangspunten omgevingsplan 2.2.1 Structuur en opbouw van het omgevingsplan Werken volgens een vaste structuur voor het omgevingsplan zorgt voor duidelijkheid, herkenbaarheid en voorspelbaarheid. Dit is wenselijk voor het maken, wijzigen en lezen van het plan. Daarom stellen we ook een handboek op waarin we de structuur en andere afspraken borgen. Zodat eenieder die nu en in de toekomst aan (een wijziging van) het omgevingsplan werkt deze afspraken kan vinden. De gekozen structuur van het omgevingsplan is activiteitgericht. Dit betekent dat de hoofdstukindeling van het omgevingsplan is geordend op overkoepelende activiteiten. Per hoofdstuk en dus per overkoepelende activiteit worden de activiteiten beschreven. De indeling is dus van groot naar klein. We hebben bijvoorbeeld hoofdstuk over bouwen wat ingedeeld wordt in hoofdgebouwen, bijgebouwen, steeds kleiner. Binnen deze hoofdstukken houden we een standaard volgorde aan van hoofdstuk naar afdeling tot uiteindelijk leden. We proberen zoveel mogelijk uniform te werken. Dit betekent dat we per activiteit ook een vaste structuur van de regelsets aan houden, alleen als een bepaalde set bij deze activiteit niet van toepassing is laten we hem weg.

2.2.2 Schrijfafspraken De belangrijkste schrijfafspraak is dat we schrijven met een positieve grondhouding. De opbouw van een vergunningplicht is dan als volgt: "het is verboden zonder omgevingsvergunning...” en bij de beoordeling de “een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoelt in artikel X wordt alleen verleend als...”. Daarnaast schrijven we in alle artikelen dezelfde tekst dus alle vergunningplichten in het omgevingsplan zien er hetzelfde uit qua opbouw.

2.2.3 Dienstverlening en annotatiestrategie De inwerkingtreding van de Omgevingswet markeert een verschuiving van regelgeving naar regievoering en van juridische kaders naar bruikbare dienstverlening. Voor onze gemeente betekent dit dat wij inzetten 17

op een omgevingsplan dat niet alleen juridisch correct, maar ook toegankelijk, begrijpelijk en toepasbaar is voor alle gebruikers: burgers, bedrijven, initiatiefnemers, maatschappelijke organisaties én collegabestuursorganen. Wij streven naar een hoge mate van dienstverlening waarbij het uitgangspunt is dat de gebruiker: • Eenvoudig kan vinden welke regels gelden op een locatie; • Begrijpt wat deze regels inhouden, inclusief rechten en plichten; • Inzicht heeft in de beoordelingsruimte van het bevoegd gezag; • Snel duidelijkheid krijgt over de vergunningplicht of meldingsplicht van een activiteit; • Ondersteund wordt bij het indienen van een verzoek of initiatief. Dit vraagt om meer dan alleen het publiceren van juridische teksten. Het vereist een doordachte vertaling van regels naar digitale toepassingen én aanvullende informatievoorziening via verschillende kanalen. Denk hierbij aan: • Regels op de Kaart en de Vergunningcheck binnen het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO); • Heldere toelichtingen en toepasbare regels; • Toegankelijke en gebruiksvriendelijke gemeentelijke webpagina’s; • Mogelijkheid tot persoonlijk contact via telefonische helpdesk; • Actieve begeleiding van initiatiefnemers via casemanagers.

Annotatiestrategie: digitale sleutel tot dienstverlening Om de hoge ambities op het gebied van dienstverlening waar te maken, is een robuuste en consistente annotatiestrategie onmisbaar. Annotaties vormen de digitale sleutel waarmee de juridische regels van het omgevingsplan toegankelijk en toepasbaar worden binnen het DSO. Wij hanteren daarom een professionele en planmatige aanpak voor annoteren, gebaseerd op de volgende uitgangspunten: Kwaliteit en consistentie • Alle regels worden voorzien van een volledige en eenduidige set annotaties, waaronder: - Werkingsgebieden (geografisch bereik); - Activiteiten (waarop de regel van toepassing is); - Besluitregels (zoals vergunningplicht, meldingsplicht of verbod); - Toepasbare regels (vraagbomen, indieningsvereisten en maatregelen op maat). • Er wordt gewerkt met gestandaardiseerde sjablonen en modellen waarin annotaties zijn ingebouwd en juridisch afgestemd. Samenwerking en integraliteit • Annoteren is geen technische stap achteraf, maar een integraal onderdeel van het planvormingsproces. • Juristen, planologen, geo-specialisten, ICT en informatiebeheer werken nauw samen. • Er is aandacht voor een goede borging van kennis en procesafspraken, zodat wijzigingen en aanvullingen op een beheerste manier kunnen worden verwerkt. Aansluiting op landelijke standaarden • De annotaties voldoen aan de landelijke standaarden (STOP/TPOD).

• Waar mogelijk wordt aangesloten op landelijk ontwikkelde toepasbare regels en voorbeeldregels. Gericht op gebruikerservaring • Annotaties worden zodanig ingericht dat ze bijdragen aan een begrijpelijke en relevante gebruikerservaring in het DSO, waarbij alleen die regels worden getoond die van toepassing zijn op de activiteit en locatie van de gebruiker. Onze gemeente kiest voor een omgevingsplan dat de belofte van de Omgevingswet waarmaakt: eenvoudig, inzichtelijk en ondersteunend aan initiatieven. De combinatie van toegankelijke dienstverlening en een doordachte annotatiestrategie maakt het mogelijk om regelgeving niet als drempel, maar als ondersteuning van maatschappelijke ontwikkeling te laten functioneren.

2.2.4 Toepasbare regels In het omgevingsplan maken we juridische regels voor de fysieke leefomgeving. Deze juridische regels kunnen we vertalen in toepasbare regels voor het Omgevingsloket. In het Omgevingsloket kunnen initiatiefnemers, zoals inwoners en bedrijven, onderzoeken of ze een vergunning moeten aanvragen. En 18

deze direct ook aanvragen. Hiervoor beantwoorden ze vragen. Deze vragen maken gemeenten en andere overheden met toepasbare regels. Toepasbare regels zijn vertalingen van de juridische regels in begrijpelijke taal en structuur. Deze worden in het Omgevingsloket getoond als dynamische vraag- en antwoordlijsten. Initiatiefnemers krijgen bovendien alleen vragen die voor hun situatie van toepassing zijn. Ze hoeven daarmee niet zelf alle juridische regels op te zoeken. Toepasbare regels zijn de basis voor 3 onderdelen in het Omgevingsloket: 1. De Vergunningcheck: initiatiefnemers controleren hier of ze hun plan op een bepaalde locatie mogen uitvoeren. Dit doen ze door vragen te beantwoorden die daarvoor relevant zijn. Aan het eind krijgen ze het resultaat van de Vergunningcheck: moeten ze een vergunning aanvragen? Of een melding doen? Of moeten ze informatie aanleveren? En waar moeten ze rekening mee houden? 2. Het onderdeel Aanvragen: hier vragen initiatiefnemers een vergunning aan, doen ze een melding of leveren ze informatie aan voor een informatieplicht. Hier geven ze alle informatie die nodig is om een vergunningaanvraag, melding of informatieplicht te beoordelen of verwerken. Dit onderdeel is verplicht voor gemeenten om in te vullen. 3. Maatregelen op maat: hier controleren initiatiefnemers welke maatregelen ze moeten nemen bij de activiteit die ze doen.

Ze beantwoorden vragen over hun activiteiten. En krijgen aan het eind een overzicht op maat van de maatregelen die ze moeten nemen. Om alle juridische regels om te zetten in toepasbare regels is erg veel werk en ook niet noodzakelijk. We kiezen er daarom voor om voor de topwerkzaamheden, de werkzaamheden die het meeste worden aangevraagd of opgezocht, de regels toepasbaar te maken voor de vergunningcheck. Voor de overige werkzaamheden gebruiken we een algemene activiteit voor in de vergunningcheck. Voor het onderdeel aanvragen is het maken van toepasbare regels oftewel het aanvraagformulier verplicht. Dit doen we dan ook voor alle activiteiten waarvoor een vergunning, melding of informatieplicht geldt. Voor het onderdeel maatregelen op maat hebben we nu nog geen uitgangspunten. Bij het verhuisgebied kernen is dit nog niet aan de orde.

2.3 Uitvoerbaarheid van het omgevingsplan 2.3.1 Overgangsrecht Bij de wijziging en opstelling van het omgevingsplan speelt overgangsrecht een belangrijke rol om de rechtszekerheid en continuïteit van bestaande situaties te waarborgen. 1. Wat willen we regelen en waarom? Bij elke wijziging van het omgevingsplan wordt beoordeeld of overgangsrecht noodzakelijk is om bestaande situaties, rechtsposities en lopende procedures te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om situaties waarin activiteiten voortgezet mogen worden (eerbiedigende werking) of waarin de wijze van uitvoering van activiteiten wordt aangepast (uitgestelde werking). Ook moet duidelijk zijn wat er gebeurt met bestaande vergunningen, meldingen en rechten die onder oude regelingen zijn verleend. Daarnaast willen we voorkomen dat door intrekking van oude verordeningen of bestemmingsplannen juridische lacunes ontstaan. We willen met het overgangsrecht tevens ruimte bieden voor maatwerk, zodat in specifieke gevallen door het bevoegd gezag kan worden afgeweken van standaardregels, om praktische en rechtvaardige oplossingen te realiseren. Ook het zorgvuldig ‘afhechten’ van verordeningen, ruimtelijke plannen en bruidsschatregels wordt geregeld, zodat regels na overgang logisch en juridisch correct achterblijven of verdwijnen. 2.

Wat moeten en kunnen we regelen? De Omgevingswet stelt dat overgangsrecht moet worden overwogen bij nieuwe of gewijzigde regelingen. Het is toegestaan om overgangsbepalingen in het omgevingsplan op te nemen die bestaande rechten eerbiedigen, of een latere inwerkingtreding te bepalen (uitgestelde werking). Dit mag zowel op generiek niveau (bijvoorbeeld hoofdstuk 17 van het omgevingsplan) als per wijziging of per regel. Ook kunnen maatwerkvoorschriften worden opgenomen waarmee in specifieke gevallen van het overgangsrecht kan worden afgeweken. Hierbij is aandacht nodig voor de juridische transparantie, omdat maatwerkbesluiten niet altijd publiekelijk raadpleegbaar zijn.

19

Daarnaast biedt de Omgevingswet de mogelijkheid om verordeningen, ruimtelijke plannen en bruidsschatregels aan te passen of in te trekken (‘afhechten’), waarbij technische beperkingen gelden voor gedeeltelijke schrapping van bestemmingsplannen (zogenaamde ‘ponsen’). Tijdens de overgangsperiode kan het bevoegd gezag regels in verordeningen blijven wijzigen. 3.

•

• • • •

•

Hoe willen we het regelen? Overgangsrecht: We nemen generiek overgangsrecht op in hoofdstuk 17 van het omgevingsplan, waarin wordt geregeld hoe bestaande titels, lopende procedures en bestaande activiteiten worden behandeld bij wijzigingen. Specifiek overgangsrecht wordt waar nodig per wijziging of regel in het omgevingsplan of het wijzigingsbesluit opgenomen. Eerbiedigende werking: Bestaande activiteiten mogen doorgaans worden voortgezet als zij voldoen aan het oude regime, tenzij anders bepaald. Dit voorkomt abrupt verlies van rechten. Uitgestelde werking: Bij inwerkingtreding van strengere regels of wijziging in de wijze van uitvoering kan een uitgestelde inwerkingtreding worden toegepast om betrokkenen de gelegenheid te geven aan de nieuwe eisen te voldoen. Maatwerk: Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften toepassen om in individuele gevallen af te wijken van het overgangsrecht, wat zorgt voor flexibiliteit en rechtvaardigheid. Afhechten van regels: Het intrekken of wijzigen van verordeningen wordt zoveel mogelijk in het wijzigingsbesluit geregeld, met duidelijke afbakening van het werkingsgebied (bijvoorbeeld via kaartbijlagen). Gedeeltelijke schrapping van bestemmingsplannen wordt technisch opgelost via gebiedsgericht ‘ponsen’, waarbij het nieuwe omgevingsplan voorrang krijgt boven oude regels.

Bij omzetting van bruidsschatregels wordt het werkingsgebied digitaal ingeperkt, zonder dat de tekst wijzigt, om te voorkomen dat regels ten onrechte als omgevingsplanregels gelden. Juridische waarborgen: We houden rekening met mogelijke juridische lacunes wanneer oude regels vervallen en nieuwe regels vernietigd worden, door waar nodig vervangende overgangsregels op te nemen.

2.3.2 Nadeelcompensatie De Omgevingswet introduceert een nieuw juridisch kader voor schadevergoeding bij rechtmatig overheidsoptreden: de regeling voor nadeelcompensatie. Deze regeling is opgenomen in hoofdstuk 15 van de wet en geldt als uitputtend. Gemeenten mogen zelf nadere regels stellen over de uitvoering van deze regeling, bijvoorbeeld via een nadeelcompensatieverordening. De gemeente Schagen beschikt al over een dergelijke verordening, waarmee is voorzien in een procedure voor de behandeling van verzoeken om nadeelcompensatie. In de Nota van Uitgangspunten beoordelen we of en hoe dit onderwerp een plek moet krijgen in het omgevingsplan. 1. Wat willen we regelen en waarom? Met het omgevingsplan streven we naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij de rechtszekerheid van inwoners, bedrijven en initiatiefnemers gewaarborgd is. Het is denkbaar dat rechtmatig overheidsoptreden schade veroorzaakt. De Omgevingswet voorziet daarom in een landelijke regeling voor nadeelcompensatie. Het doel is schade die onevenredig is ten opzichte van het algemeen belang op een zorgvuldige, transparante manier te compenseren. Wij willen een begrijpelijk en overzichtelijk omgevingsplan, dat aansluit bij het wettelijk systeem en geen overbodige dubbelingen bevat met landelijke regelgeving.

Transparantie en communicatie over schadevergoeding zijn belangrijk, maar het juridisch bindende plan hoeft daarvoor geen extra regels te bevatten. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? De Omgevingswet bevat in hoofdstuk 15 een uitputtend stelsel voor nadeelcompensatie. Dit betekent dat gemeenten formeel geen eigen regels mogen opstellen over nadeelcompensatie die afwijken of aanvullend zijn op de wettelijke regeling. De schadevergoeding bij rechtmatig handelen wordt afgewikkeld volgens de wettelijke kaders. Wat wel kan, is het maken van een aparte beleidsregel of verordening voor bijvoorbeeld de manier van aanvragen, motivering, of nadere invulling van "onevenredige schade". Dit gebeurt echter buiten het omgevingsplan om. De gemeente Schagen heeft al zo’n verordening. Het opnemen van een nadere regeling in het omgevingsplan zelf is niet nodig en juridisch overbodig. 3.

Hoe willen we het regelen?

20

Wij kiezen ervoor om geen bepalingen over nadeelcompensatie in het juridisch bindende deel van het omgevingsplan op te nemen. De bestaande wettelijke regeling is voldoende en biedt duidelijkheid. Wel willen we in de toelichting bij het omgevingsplan kort verwijzen naar het landelijke nadeelcompensatiestelsel en de verordening, zodat belanghebbenden weten waar ze terechtkunnen met schadeclaims als gevolg van rechtmatig overheidshandelen.

2.3.3 Handhaving Handhaving is integraal geregeld in hoofdstuk 18 van de Omgevingswet, waarin toezicht, bestuursrechtelijke sancties (zoals lasten onder dwangsom of bestuursdwang) en de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging zijn ondergebracht. In het omgevingsplan wordt per locatie vastgelegd welke activiteiten zijn toegestaan. Wordt daarvan afgeweken, dan wordt in strijd met het omgevingsplan en daarmee in strijd met de wet gehandeld. Dit vormt de grondslag voor handhaving. Gemeenten zijn daarnaast verplicht om op grond van het Omgevingsbesluit een uitvoerings- en handhavingsstrategie, een uitvoeringsprogramma en een evaluatie op te stellen. De gemeente Schagen heeft deze producten inmiddels vastgesteld. Tot slot is in de Verordening kwaliteit VTH geregeld hoe de gemeente invulling geeft aan de kwaliteitsborging bij vergunningverlening, toezicht en handhaving. 1. Wat willen we regelen en waarom? We willen de gebruiker van het omgevingsplan duidelijkheid geven over hoe de gemeente toezicht houdt op naleving van de planregels en wat er gebeurt bij overtredingen. Handhaving is een belangrijk instrument om de doelen van het omgevingsplan — zoals veiligheid, gezondheid, milieu en ruimtelijke kwaliteit — daadwerkelijk te realiseren.

Tegelijk willen we de uitvoeringspraktijk werkbaar houden en voorkomen dat het plan bij iedere beleidsmatige bijstelling van het handhavingsbeleid moet worden aangepast. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? De Omgevingswet regelt handhaving in hoofdstuk 18 en verplicht gemeenten tot het opstellen van onderliggende uitvoeringsdocumenten op grond van het Omgevingsbesluit (artikelen 13.5, 13.8 en 13.11). In het omgevingsplan mogen géén regels worden opgenomen die afwijken van of aanvullend zijn op deze wettelijke bepalingen. Wat wél mag, is het: Opnemen van een verwijzing naar het bestaande handhavingsbeleid en de VTH-verordening; Toevoegen van een toelichting op hoe handhaving in de lokale praktijk is georganiseerd; Benoemen van gemeentelijke keuzes of accenten in de handhaving (bijvoorbeeld prioriteiten), zolang dit geen juridische normstelling betreft. Het omgevingsplan is dus géén uitvoeringsdocument, maar kan wel bijdragen aan de toegankelijkheid en uitlegbaarheid van het handhavingsstelsel. 3.

Hoe willen we het regelen? De gemeente Schagen kiest ervoor om in hoofdstuk 9 van het omgevingsplan geen inhoudelijke handhavingsregels op te nemen, maar verwijzingen naar de bestaande beleidsdocumenten op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving: • De Uitvoerings- en handhavingsstrategie; • Het uitvoeringsprogramma toezicht en handhaving; • Het evaluatiedocument; • De Verordening kwaliteit VTH. Deze documenten zijn vastgesteld op basis van de wettelijke verplichtingen uit het Omgevingsbesluit en worden periodiek geactualiseerd. Door te verwijzen in plaats van op te nemen, blijft het omgevingsplan actueel zonder dat formele wijzigingen nodig zijn bij iedere beleidsaanpassing. Dit sluit aan bij het uitgangspunt van een flexibel en wendbaar omgevingsplan.

2.3.4 Kostenverhaal en financiële bepalingen Kostenverhaal en financiële bijdragen zijn instrumenten uit de Omgevingswet om ruimtelijke ontwikkelingen op een eerlijke en transparante manier te bekostigen. Kosten die de gemeente maakt voor gebiedsontwikkelingen kunnen op initiatiefnemers worden verhaald en in bepaalde gevallen kan een financiële bijdrage worden gevraagd voor bredere kwaliteitsverbeteringen van de fysieke leefomgeving. 1.

Wat willen we waar regelen en waarom?

21

De gemeente heeft de mogelijkheid om kosten te verhalen wanneer een planologisch besluit nieuwe bouwmogelijkheden creëert. Dit volgt uit de wettelijke verplichting om kosten te verhalen voor activiteiten op de lijst met kostenverhaalplichtige activiteiten. Daarnaast wil de gemeente – wanneer de beleidsmatige basis er ligt – kunnen werken met financiële bijdragen voor zes door het Omgevingsbesluit aangewezen categorieën: a. Wijziging van de inrichting van het landelijk gebied i.v.m. verbetering van de landschappelijke waarden, b. Herstel van dier- en plantensoorten in Nederland, c. Aanleg van infrastructuur van gemeentelijk of regionaal belang, d. Aanleg van recreatievoorziening t.b.v. gemeentelijke of regionale groenstructuur; e. Compensatie van een tekort van sociale huur of koopwoningen; en f. Stedelijke herstructurering. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? De Omgevingswet schrijft voor dat kosten die op de kostensoortenlijst staan móeten worden verhaald wanneer een planologisch besluit nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk maakt. Voor financiële bijdragen geldt geen wettelijke verplichting: deze kunnen alleen worden ingezet wanneer de gemeentelijke ambities daarvoor zijn vastgelegd in de omgevingsvisie of in een programma.

Zowel bij kostenverhaal als financiële bijdragen wordt onderscheid gemaakt tussen kosten die samenhangen met één specifieke ontwikkeling en kosten die gelden voor meerdere gebiedsontwikkelingen. Uit de nota kostenverhaal blijkt dat de gemeente zowel de kostenverhaalsregeling als de regeling over financiële bijdragen willen gebruiken. 3. Hoe willen we het regelen? Voor de wijziging Omgevingsplan Kernen worden op dit moment geen regels over kostenverhaal of financiële bijdragen opgenomen. Er worden immers geen nieuwe bouw- of ontwikkelingsmogelijkheden toegevoegd die kostenverhaal wettelijk verplicht maken De gemeentelijke ambities voor het inzetten van financiële bijdragen zijn bovendien nog niet vertaald naar beleidskaders in de omgevingsvisie of een programma. Daarom wordt kostenverhaal in deze fase uitsluitend privaatrechtelijk geregeld via anterieure overeenkomsten met initiatiefnemers bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (Bopa’s), wat voor de kernen afdoende is. Bij toekomstige gebiedsontwikkelingen — bijvoorbeeld in latere fasen of in andere delen van de gemeente — kan het wel wenselijk zijn om publiekrechtelijke borging via het omgevingsplan te realiseren. Daarbij kan per gebied worden bepaald of kostenverhaal publiekrechtelijk moet worden vastgelegd en of financiële bijdragen kunnen worden toegepast op basis van dan vastgestelde beleidskaders.

In overleg met de afdeling Grondzaken zal per toekomstige wijziging worden beoordeeld of en waar het opnemen van regels in het omgevingsplan nodig is.

2.3.5 Procesregels De gemeente wil waarborgen dat besluiten over omgevingsplanactiviteiten zorgvuldig tot stand komen en dat waarden zoals cultureel erfgoed, archeologie, natuur en watersystemen tijdig en deskundig worden betrokken. Procesregels in het omgevingsplan bieden daarvoor een transparante en uniforme basis. Daarnaast is participatie een essentieel uitgangspunt van de Omgevingswet. Voor bepaalde buitenplanse omgevingsplanactiviteiten heeft de gemeenteraad al eerder participatie verplicht gesteld. De vraag is of en welke procesregels nu moeten worden opgenomen in de wijziging Omgevingsplan Kernen, of dat deze in een later stadium of via bestaande besluiten voldoende zijn geborgd. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? Procesregels zijn nodig om te waarborgen dat bij ruimtelijke initiatieven tijdig advies wordt ingewonnen bij deskundige adviesorganen en dat participatie plaatsvindt waar dat maatschappelijk en juridisch noodzakelijk is. Het gaat om activiteiten die raken aan archeologische en cultuurhistorische waarden, natuurwaarden, watersystemen en leidingbeheer. Voor deze onderwerpen is externe expertise onmisbaar om de fysieke leefomgeving op een zorgvuldige manier te beschermen. Daarnaast wil de gemeente participatie verplicht kunnen stellen bij bepaalde buitenplanse activiteiten, zodat initiatiefnemers vooraf het gesprek aangaan met de omgeving.

Dat draagt bij aan een transparante besluitvorming en voorkomt dat belangen pas laat in het proces naar voren komen. Het is wenselijk deze procesregels in het omgevingsplan op te nemen, omdat hiermee een directe juridische koppeling ontstaat aan vergunningverlening en de zorgvuldigheid van besluitvorming wordt geborgd. De samenhang is logisch: voor alle genoemde waarden is advies van gespecialiseerde 22

instanties noodzakelijk om een goed gemotiveerde vergunning te kunnen verlenen. Nadere beleidsinkadering is hiervoor niet vereist, omdat de bestaande taken en deskundigheid van de betrokken adviesorganen en bestaande gemeentelijke kaders reeds duidelijk zijn. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? De Omgevingswet biedt ruimte om adviesregels en participatieregels op te nemen. Op grond van artikel 16.15 lid 2 Omgevingswet (Ow) kunnen bestuursorganen en andere instanties worden aangewezen als adviseur wanneer hun deskundigheid of wettelijke taken voor de fysieke leefomgeving daartoe aanleiding geven. Daarmee kan het omgevingsplan bepalen dat hun advies moet worden ingewonnen bij aanvragen voor omgevingsplanactiviteiten die effecten hebben op erfgoed, archeologie, natuur, water of leidingen. Ook voor participatie kunnen in het omgevingsplan regels worden opgenomen. De gemeenteraad heeft op grond van artikel 16.55 lid 7 Ow reeds specifieke gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten aangewezen waarvoor participatie verplicht is. Deze verplichting is vastgelegd in het raadsbesluit van 19 december 2023. De bruidsschat bevat geen relevante procesregels voor dit onderwerp, en bestaande gemeentelijke beleidskaders – zoals de Erfgoedverordening en bepalingen in bestemmingsplannen – laten zien dat het vragen van deskundig advies al gebruikelijk is.

Het omgevingsplan kan deze praktijk nu structureel en uniform vastleggen. 3. Hoe willen we het regelen? Voor de wijziging Omgevingsplan Kernen worden de procesregels thematisch vastgelegd voor de gehele gemeente, zodat één uniforme set procesregels geldt voor alle relevante adviestrajecten. Deze regels worden opgenomen in een apart hoofdstuk van het omgevingsplan. In dat hoofdstuk wordt bepaald wanneer advies moet worden ingewonnen, bij welke instanties en voor welke soorten omgevingsplanactiviteiten. De bestaande aanwijzing van activiteiten waarvoor participatie verplicht is, blijft buiten het omgevingsplan en blijft gelden op basis van het raadsbesluit van 19 december 2023. Daarmee blijft het systeem flexibel, terwijl de noodzakelijke adviesprocedures wél duurzaam en planologisch worden geborgd.

2.4 Milieueffectrapportage (Mer) Plan-mer Plan-mer ondersteunt de overheid bij strategische afwegingen over ‘wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven’ plannen, zoals omgevingsvisies, programma’s, omgevingsplannen en voorkeursbeslissingen bij projectbesluiten. Het milieueffectrapport en plan gaan dan bijvoorbeeld over nieuw omgevingsbeleid, tracés voor hoogspanningsverbindingen of de keuze van locaties voor duurzame energie, woningen of bedrijven. Milieueffectrapportage is verplicht bij een plan als: • het plan kaders stelt voor projecten in het plangebied waarvoor volgens het Omgevingsbesluit een project-mer of een mer-beoordeling verplicht is, of; • de ontwikkelingen binnen het plan mogelijk tot significante gevolgen leiden voor Natura 2000gebieden waardoor een Passende beoordeling (een wettelijk voorgeschreven beoordeling van gevolgen voor Natura 2000-gebieden) nodig is. Plan-mer beoordeling De plan-mer-beoordeling kan een uitzondering vormen op de plan-mer plicht als: • een plan over projecten gaat die zelf mer-beoordelingsplichtig zijn; • of als het plan over een klein gebied op gemeentelijk niveau gaat; • of een kleine wijziging van een plan omvat. Als aan die voorwaarden is voldaan, mag de gemeente eerst beoordelen of het plan aanzienlijke milieueffecten heeft, en dus of een milieueffectrapport nodig is.

Omgevingsplan Kernen Een uitgangspunt van het Omgevingsplan Kernen is dat het een conserverend plan is: Er worden geen nieuwe bouw- of ontwikkellocaties aangewezen.

23

Bij de milieuaspecten van het Omgevingsplan worden alle relevante voorschriften uit het BKL en de Bruidsschat overgenomen. Hierbij worden de milieunormen zoals die golden ten tijde van de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit Milieubeheer overgenomen. Er ontstaan dan ook geen aanzienlijke milieueffecten, waardoor een Plan-mer niet nodig is.

3 beslisboom Mer

3. Uitgangspunten voor de regels In het omgevingsplan moeten regels worden gesteld voor alle activiteiten die een onderdeel van de fysieke leefomgeving wijzigen, regels die vanwege een instructie of instructieregels in het omgevingsplan moeten staan of maatwerkregels op een regel uit het besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Dit laatste mag alleen als de regels uit de betreffende AMvB’s hiervoor een bevoegdheid geven. Daarnaast heeft de gemeente nog een keuze om bepaalde onderwerpen in het omgevingsplan te regelen dit zijn regels die wel over de fysieke leefomgeving gaan maar die deze niet wijzigen. Hiervoor zijn regels opgesteld in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit welke regels niet mogen, voor de overige regels heeft de gemeente dus een vrije keuze. Om voor de verschillende activiteiten te bepalen welke uitgangspunten gelden voor de regels hebben we de formats ingevuld. In dit hoofdstuk wordt per activiteit of thema de uitgangspunten voor de regels uitgewerkt op basis van de formats.

3.1 Aandachtsgebieden In een omgevingsplan worden aandachtsgebieden gebruikt om plekken aan te duiden waar extra zorg, bescherming of regels nodig zijn vanwege specifieke risico’s of kwaliteiten in de leefomgeving. Het zijn zones die een bijzonder thema of belang vertegenwoordigen, waardoor maatregelen of voorwaarden noodzakelijk kunnen zijn om veiligheid, gezondheid, leefkwaliteit of duurzaamheid te waarborgen. Een aandachtsgebied kan bijvoorbeeld betrekking hebben op archeologie, zoals gebieden waarvan bekend is of wordt vermoed dat er waardevolle archeologische resten in de bodem aanwezig zijn. Binnen zo’n gebied kunnen aanvullende regels gelden voor bodemverstorende activiteiten, zoals onderzoeksplicht bij bouwprojecten of voorwaarden om archeologische waarden te behouden of zorgvuldig te documenteren. Deze regels komen boven op de algemene regels die al voor dat gebied gelden; ze vormen dus een extra beschermingslaag specifiek voor het betreffende thema. 24

Ook milieubelangen kunnen een aandachtsgebied vormen, zoals geur- of geluidszones rondom bedrijven. Dit helpt om hinder voor bewoners te beperken en tegelijkertijd ruimte te bieden aan economische activiteiten. Daarnaast bestaan aandachtsgebieden voor natuur en water, zoals zones met verhoogd overstromingsrisico of kwetsbare ecologische waarden, waar aanvullende voorwaarden kunnen gelden om schade te voorkomen of biodiversiteit te bevorderen. Het doel van aandachtsgebieden is om ruimtelijke keuzes transparant en voorspelbaar te maken. Door deze zones in kaart te brengen en eraan gekoppelde extra regels vast te leggen, kan het omgevingsplan zorgvuldig sturen op een veilige, gezonde en goed ingerichte leefomgeving.

3.1.1 Archeologie De gemeente Schagen kent een rijk bodemarchief en cultuurlandschap. Archeologische waarden vormen een belangrijke bron van kennis over het verleden en leveren inspiratie voor onderwijs, onderzoek en ruimtelijke ontwikkelingen. Het beschermen en behouden van deze waarden draagt bij aan het gemeenschappelijk geheugen en aan de identiteit van de gemeente. Met de vaststelling van de archeologische beleidskaart (2022) beschikt de gemeente over een instrument dat duidelijkheid biedt aan burgers, bedrijven en overheden. Het beleid zorgt voor precieze advisering bij bodemingrepen, meer vrijstellingen waar mogelijk, en behoud van archeologische resten in situ. Hierdoor wordt zinloos onderzoek voorkomen en is de doorlooptijd van vergunningen sneller en efficiënter. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? De regels over archeologie zijn gericht op het beschermen en behouden van archeologische waarden binnen de gemeente. Deze waarden vormen een bron van historische kennis, een middel voor wetenschappelijke studie en een inspiratiebron voor bouwprojecten en educatie. Het doel van de regelgeving is om duidelijkheid te bieden over waar en wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is en om schade aan archeologische resten te voorkomen of te beperken.

De regels hebben betrekking op bouwactiviteiten en werkzaamheden die bodemingrepen veroorzaken in gebieden met archeologische waarden. Het is wenselijk deze activiteiten in het omgevingsplan te reguleren, omdat dit samenhangt met cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en bouwwerkzaamheden. Nadere beleidsinkadering is niet nodig, aangezien het beleid al is vastgelegd in de archeologische beleidskaart en de bijbehorende toelichting. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met het behoud van cultureel erfgoed, zoals bepaald in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Bkl geeft het bevoegd gezag de opdracht om regels te stellen over archeologisch onderzoek, inclusief verplichtingen tot opgraven of begeleiding bij werkzaamheden die de bodem verstoren. Daarbij kunnen kleinere projecten tot 100 m² worden vrijgesteld, tenzij er sprake is van een gebied met hoge archeologische verwachting. De gemeentelijke archeologische beleidskaart, vastgesteld in 2022, vormt hierbij het belangrijkste instrument. Dit beleid biedt concrete kaders voor het aanwijzen van aandachtsgebieden en het vaststellen van oppervlakten en typen archeologische waarden, zodat de regels in het omgevingsplan gebaseerd zijn op actuele en gedetailleerde gegevens. 3.

Hoe willen we het regelen? Het beleid wordt thematisch in de gehele gemeente toegepast en vertaalt zich naar een vergunningplicht met gesloten normen. Dit betekent dat binnen de aangewezen archeologische aandachtsgebieden bouwactiviteiten, werken en werkzaamheden en slopen van funderingen onder het maaiveld zonder omgevingsvergunning verboden zijn, tenzij ze voldoen aan de criteria van de beleidskaart en de maximale oppervlaktes voor verstoring niet worden overschreden. Vergunningen kunnen alleen worden verleend als er geen archeologische waarden te verwachten zijn, als de activiteiten geen onevenredige schade veroorzaken of als schade voldoende kan worden beperkt door aan de vergunning verbonden voorschriften. Deze voorschriften kunnen bestaan uit het treffen van technische maatregelen om archeologische resten in situ te behouden, het uitvoeren van opgravingen volgens een goedgekeurd programma van eisen en het laten begeleiden van bodemverstorende activiteiten door gekwalificeerde deskundigen. Aanvragen voor een omgevingsvergunning moeten specifieke gegevens bevatten, zoals een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit, de gebruikte materialen, een werkplan en kaarten met exacte locaties.

Daarnaast kan een quickscan of een archeologisch rapport worden vereist om aan te tonen dat de archeologische waarden van de gronden voldoende zijn vastgesteld en dat deze behouden of gedocumenteerd worden. Op deze manier wordt het behoud van archeologisch erfgoed geborgd, terwijl tegelijkertijd duidelijkheid en voorspelbaarheid wordt geboden aan initiatiefnemers van activiteiten. 25

3.1.2 Beschermd stads- en dorpsgezicht Een beschermd stads- of dorpsgezicht is een gebied waarvan de cultuurhistorische waarden en samenhang van zodanig belang zijn dat het aanwijzen van een beschermd gezicht passend is. Het doel van planregels voor zo’n gebied is het behouden, versterken en benutten van de kernkwaliteiten die het bijzondere karakter bepalen. In Schagen zijn op dit moment geen beschermde stads- of dorpsgezichten aangewezen; dat betekent dat er nu geen specifieke gebiedsregels gelden. Wel bestaan er rijks- en Bklinstructies die richting geven als in de toekomst een aanwijzing ter tafel komt. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? Het uitgangspunt is dat, zodra een gebied wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht, de planregels het karakter en de cultuurhistorische kernkwaliteiten van dat gebied moeten beschermen en waar mogelijk versterken. Dat betreft met name regels die invloed hebben op de verschijningsvorm van het gebied: bouwen, slopen, materiaalgebruik, inrichting van de openbare ruimte, kappen van bomen en aanleg van infrastructuur. We willen waarborgen dat ingrepen de samenhang, schaal, materiaaluitdrukking en zichtrelaties niet aantasten en dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan de beleefbaarheid en de historische kwaliteiten.

Omdat er nog geen aangewezen gezichten zijn, geldt dit nu als beleidsmatige voorwaarde: mocht aanwijzing aan de orde komen, dan wordt het werkingsgebied met gerichte regels in het omgevingsplan gemarkeerd. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? Juridisch bestaan er meerdere aanknopingspunten: het Rijk kan via een instructie vragen een functieaanduiding “rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht” in het omgevingsplan op te nemen; provincie of gemeente kunnen zelf aanwijzen; en het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat een algemene instructieregel om bij planvorming rekening te houden met het behoud van cultuurhistorisch erfgoed. De bruidsschat bevat hiervoor geen specifieke bepalingen. Praktisch betekent dit dat het omgevingsplan ruimte biedt om bij een aanwijzing zowel gebiedsgerichte regels (werkingsgebied met specifieke bouwen sloopbepalingen) als thematische regels (beeldkwaliteitsregels, toetsingskaders, boom- en groenregels) op te nemen. Ook moet de planregeling aansluiten op andere beleidskaders (monumentenbeleid, landschapsbeleid, archeologie) en op regionale en rijksinstrumenten indien van toepassing. 3. Hoe willen we het regelen? Op dit moment is er geen aanleiding op een beschermd stads- of dorpsgezicht aan te wijzen of daarvoor regels op te nemen.

Als in de toekomst een gezicht wordt aangewezen, regelen we dit via een combinatie van gebiedsgerichte functietoekenning in het omgevingsplan (werkingsgebied) en thematische regels die de gewenste cultuurhistorische kwaliteiten benoemen en juridisch aansluiting geven.

3.1.3 Molenbiotopen Binnen de gemeente Schagen bevinden zich diverse traditionele windmolens die een belangrijk onderdeel vormen van het cultuurhistorische landschap. Om zowel de windvang als de belevingswaarde van deze molens te beschermen, is voor elke molen een zogenoemde molenbiotoop vastgesteld. Binnen deze biotoop gelden beperkingen aan de hoogte van bebouwing en beplanting in de omgeving van de molen. Hiermee wordt voorkomen dat de windvang wordt belemmerd of dat de molen haar herkenbaarheid in het landschap verliest. In het omgevingsplan worden de bestaande molenbiotopen, zoals vastgelegd in het tijdelijke omgevingsplan, behouden en verder uitgewerkt. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? Het doel van regels over molenbiotopen is het waarborgen van de werking en de zichtbaarheid van windmolens als waardevol cultureel en landschappelijk erfgoed. De molenbiotoop vormt het aandachtsgebied rondom een molen waarin beperkingen gelden voor bebouwing en beplanting. Deze beperkingen zijn noodzakelijk om te voorkomen dat obstakels de windvang belemmeren of het zicht op de molen aantasten. Binnen een straal van 100 tot 400 meter rond de molen geldt een hoogtebeperking volgens de vuistregel 1:100 — dit betekent dat een object op 100 meter afstand maximaal 1 meter hoog mag zijn, gemeten vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek. 2.

Wat moeten en kunnen we regelen? De bescherming van molenbiotopen past binnen zowel de landelijke als provinciale kaders. Op rijksniveau vloeit dit voort uit artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waarin instructieregels zijn opgenomen ter bescherming van cultureel erfgoed. Deze regels benadrukken het belang van het

26

voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en het behouden van hun gebruikswaarde. Ook de Omgevingsverordening NH2022 vraagt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met cultuurhistorische structuren en landschappelijke kwaliteiten. Daarnaast kent het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier eigen regels over molenbiotopen in de waterschapsverordening; deze gelden aanvullend op de gemeentelijke regels. De gemeente Schagen heeft ervoor gekozen om aan te sluiten bij de bestaande regeling uit het tijdelijke omgevingsplan. De afstands- en hoogtebeperkingen blijven daarmee ongewijzigd en herkenbaar voor bewoners en initiatiefnemers. Het omgevingsplan biedt zo de juridische basis om binnen deze biotopen bebouwing en beplanting te reguleren en vergunningplichten vast te leggen waar dat nodig is. 3. Hoe willen we het regelen? De gemeente kiest voor een thematische aanpak, waarbij de regels voor molenbiotopen gemeentebreed gelden, ongeacht het gebiedstype. Omdat molens verspreid in het buitengebied én binnen bebouwde omgeving voorkomen, is een thematische benadering het meest eenduidig en praktisch toepasbaar. De molenbiotoop wordt in het omgevingsplan vastgelegd als aandachtsgebied. De bestaande biotopen uit het tijdelijke omgevingsplan over te nemen en thematisch te verankeren, blijft de bescherming eenduidig, uitvoerbaar en toekomstbestendig.

De gekozen combinatie van gesloten hoogte-eisen en flexibele toetsingsregels bij vergunningverlening zorgt ervoor dat zowel de windvang als de belevingswaarde van de molens duurzaam behouden blijft.

3.1.4 Ruimtelijke kwaliteit Ruimtelijke kwaliteit (voorheen welstand) is het samenhangende resultaat van stedenbouwkundige, landschappelijke, architectonische en cultuurhistorische waarden. De gemeente Schagen streeft naar een herkenbare en toekomstbestendige fysieke leefomgeving, waarin zorgvuldig wordt omgegaan met de kenmerken van stad, dorp en landschap. Dit uitgangspunt vormt de basis voor het toezicht op de ruimtelijke kwaliteit. De Reisgids voor Ruimtelijke Kwaliteit vormt het lokale toetsingskader voor de beoordeling van bouwplannen en ruimtelijke initiatieven. De nadruk ligt op de dialoog tussen initiatiefnemer, omgeving en overheid, gericht op kwaliteit in plaats van enkel formele toetsing. Gebiedskenmerken vormen de basis voor gedifferentieerd beleid. We kenschetsen “Soepel” voor veel voorkomende bouwplannen en hebben daar sneltoetscriteria voor opgesteld. Ook is “Soepel van toepassing als normaal beoordelingsniveau voor bouwwerken in het buitengebied, de komgebieden, werkgebieden en recreatiegebieden met uitzondering van bijzondere gebouwen en ontwikkelingen. Een “bijzonder” beoordelingsniveau is van toepassing voor ontwikkelingen in de centra-gebieden en het bijzonder lint, alsmede voor bijzondere gebouwen en complexen. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? Als gemeente willen we voorkomen dat de ruimtelijke kwaliteit versoberd.

Het stellen van regels draagt bij aan het reguleren van uiterlijke kenmerken voor bouwwerken. De criteria voor de beoordeling van de ruimtelijke kwaliteit maken onderdeel uit van het beoordelingskader voor veelal bouwgerelateerde activiteiten maar ook bijvoorbeeld reclame-uitingen. Het opnemen van regels in het omgevingsplan draagt zorg voor eenduidige vormgeving, goede vindbaarheid en een logische samenhang met de systematiek van het Omgevingsplan. Regulering in het omgevingsplan is verder wenselijk omdat het omgevingsplan een directe koppeling legt tussen beleid en vergunningverlening. Het bevordert een transparante en toetsbare afweging van ruimtelijke kwaliteit in de besluitvorming. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? De gemeente heeft op grond van de Omgevingswet de plicht om regels te stellen over de ruimtelijke kwaliteit. De Bruidsschat heeft in het tijdelijke omgevingsplan een overgangsregeling opgenomen. Er zijn geen specifieke instructieregels van het Rijk of de Provincie over ruimtelijke kwaliteit (regels over monumenten zijn afzonderlijk geregeld). In de te stellen regels maken we onderscheid tussen open en gesloten normen: Open normen voor het bijzonder beoordelingsniveau en gesloten normen voor de sneltoetscriteria. Er zijn en worden geen beoordelingsvrije gebieden aangewezen en de gangbare excessenregeling blijft van kracht.

In de systematiek van de bruidsschat omgevingsplan werkt handhaving anders. Op grond van artikel 22.4 van de bruidsschat omgevingsplan kan het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift stellen voor het onderwerp ruimtelijke kwaliteit. Het bevoegd gezag maakt met het maatwerkvoorschrift aan de eigenaar van een gebouw duidelijk op welke punten aanpassing nodig is om de ernstige strijd met de redelijke eisen van welstand (het welstandsexces) op te heffen.

27

3. Hoe willen we het regelen? De regels voor het soepel beoordelingsniveau op basis van sneltoetscriteria nemen we integraal over in het omgevingsplan. De regels voor de beoordeling op basis van gebiedskenmerken binnen het bijzonder beoordelingsniveau vindt plaats op basis van open normen en een verwijzing naar een beleidsregel om daar invulling aan te geven. Dat ondersteunt een consistente toepassing van die open norm bij de uitoefening van een bevoegdheid. De beoordeling door de casemanagers voor het soepel beoordelingsniveau en toetsing door de commissie ruimtelijke kwaliteit voor het bijzonder beoordelingsniveau blijft ongewijzigd onder de Omgevingswet. De regels over ruimtelijke kwaliteit worden thematisch opgenomen in het omgevingsplan, onder verwijzing naar beleidsregels voor open normen. De systematiek wordt als volgt vormgegeven: • Gesloten normen voor sneltoetscriteria voor veel voorkomende bouwplannen (Bijbehorend bouwwerk, dakkapellen, dakopbouwen, gevelwijzigingen en reclame), met duidelijke afmetingen, plaatsbepaling, aantal en gewenste uitstraling; • Open normen voor overige beoordelingscriteria, waarbij een vergunningplicht geldt en de beoordeling plaatsvindt aan de hand van de beleidsregels zoals opgenomen in de Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit.

• De excessenregeling wordt overgenomen van de Bruidsschat en voorziet in een titel voor handhaving bij ernstige strijd met de criteria voor ruimtelijke kwaliteit Een deel van de Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit blijft bestaan en geven inhoud aan de beleidsregels voor de toetsing van open normen. De herziene Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit wordt gelijktijdig met het Omgevingsplan door de gemeenteraad vastgesteld.

3.1.5 Cultureel Erfgoed De gemeente Schagen heeft naast een rijk bodemarchief en cultuurlandschap veel monumenten en wil dit cultureel erfgoed beschermen en behouden. Het draagt bij aan als bron van gemeenschappelijk geheugen, als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studies en als inspiratie voor (bouw)projecten en educatie. Cultureel erfgoed komt zowel boven- als ondergronds voor. In de gemeente Schagen zijn 99 rijksmonumenten van nationaal belang als onderdeel van een stuk geschiedenis van onze cultuur. Onze 40 Provinciale monumenten bestaan niet alleen uit gebouwen maar ook uit bruggen, sluizen en als zeer belangrijke identiteitsdrager de Westfriese Omringdijk. De gemeentelijke monumenten zijn gebouwen of voorwerpen die van plaatselijk belang of waarde zijn. Het gaat hierbij om monumenten of beeldbepalende elementen. Daarnaast zijn er ook karakteristieke panden en waardevolle stolpen in de gemeente Schagen. Karakteristieke panden en voorwerpen zijn, net als monumenten, belangrijk om hoe je de omgeving beleeft. Dat noemen we de ruimtelijke kwaliteit van het straatbeeld. Deze panden hebben een sloopbescherming. Het begin en de geschiedenis van bijna elk dorp kun je zien aan deze panden. Alhoewel deze panden geen monument zijn, zijn ze zeker waardevol en verdienen daarom bescherming. 1.

Wat willen we waar regelen en waarom? Het doel van regels stellen in het omgevingsplan over cultureel erfgoed is het waarborgen van het beschermen en behouden daarvan. Regels hebben betrekking op activiteiten als bouwen, aanleggen en slopen maar ook de wijze waarop we nieuw cultureel erfgoed aanwijzen. We sluiten daarbij aan op de regels uit de landelijke wetgeving, de erfgoedverordening en de erfgoedlijst. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? De provinciale verordening stelt via instructieregels dat de gemeente verplicht is een werkingsgebied cultureel erfgoed provinciale monumenten in het omgevingsplan op te nemen. Daarbij zijn reeds een aantal regels en indieningsvereisten opgenomen die eveneens overgenomen moeten worden. De landelijke regelgeving over Rijksmonumenten heeft rechtstreekse werking en valt buiten de reikwijdte van de gemeente. De Omgevingswet (bruidsschat) geeft gemeenten beleidsruimte om regels te verscherpen of te verzachten in relatie tot vergunningsvrij bouwen in geval er sprake is van cultureel erfgoed. Uit de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat er per rijksmonument bepaald moet worden een aandachtsgebied (contour) rond dat monument om de ruimtelijke kwaliteit en bescherming te waarborgen. 3.

Hoe willen we het regelen? De gemeente kiest voor een thematische aanpak, waarbij de regels voor het cultureel erfgoed gemeentebreed gelden, ongeacht het gebiedstype. Cultureel erfgoed en monumenten komen verspreid over de gemeente in grote aantallen voor. Een thematische benadering is het meest eenduidig en praktisch toepasbaar. Cultureel erfgoed wordt in het Omgevingsplan vastgelegd als 28

aandachtgebied(en). Door de toepassing van een algehele vergunningsplicht - voor het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen, herstellen of gebruiken waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht - is bescherming eenduidig, uitvoerbaar en gericht op het behoud van cultureel erfgoed. De gemeente Schagen kiest ervoor om aan te sluiten bij de bestaande regeling voor wat betreft het vergunningsvrij bouwen en daarmee de regels van de bruidsschat over te nemen. Voor het aanwijzen van nieuw monumenten en de wijze waarop de voorbescherming daarvan wordt geregeld blijven de regels van de verordening van toepassing. Deze worden vooralsnog niet opgenomen in het Omgevingsplan. Alle elementen op de cultuurhistorische waardenkaart alsmede de gemeentelijke monumenten, provinciale monumenten worden als aandachtsgebied met bijbehorende regels in het Omgevingsplan opgenomen. Voor werk, werkzaamheden en slopen worden eveneens vergunningplichten opgenomen. Voor Rijksmonumenten nemen conform de instructieregels uitsluitend de regels op. Voor (rijks)monumenten wordt nog voor 31 december 2031 een aandachtsgebied (contour) bepaald welke in het omgevingsplan wordt opgenomen.

3.1.6 Water Zowel op Europees, nationaal en lokaal niveau zijn er trends en ontwikkelingen te onderscheiden die van invloed zijn op de uitvoering van de beheertaken in de waterketen en het (stedelijk) waterbeheer. Uitdagingen op het gebied van klimaatadaptatie, waterkwaliteit, duurzaamheid, gebiedsinrichting maar ook kostenbesparingen en kwetsbaarheden van bestaande systemen vragen om keuzes van gemeenten en waterschappen. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? De belangrijkste consequentie van de Omgevingswet voor het (stedelijk) waterbeheer is dat de beleidsvrijheid van gemeenten en waterschappen is toegenomen. Door deregulering is een deel van de voormalige rijksregelgeving via de zogenaamde bruidsschat overgegaan naar gemeenten en waterschappen. Het gaat daarbij onder andere om regels voor lozen in de bodem en in de riolering, aansluiten op de riolering en lozen op oppervlaktewater. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn deze regels van rechtswege onderdeel geworden van het gemeentelijk omgevingsplan (lozingen in de bodem en riolering en aansluiten op de riolering) en de waterschapsverordening (lozingen in oppervlaktewater). Gemeenten en waterschappen kunnen deze regels aanpassen naar regels die beter passen bij de lokale omstandigheden.

Daarbij is afstemming tussen gemeenten onderling en het waterschap van groot belang, zodat de regelgeving inhoudelijk eenduidig is en op elkaar aansluit. Bovendien wordt op die manier opgetreden als één overheid richting inwoners en bedrijven. Het gaat concreet om regels met betrekking tot: Het lozen van huishoudelijk afvalwater; Het lozen van grondwater bij ontwatering; Het lozen van spoelwater bij bodemenergiesystemen; Het lozen van afvalwater bij niet-industriële voedselbereiding (horeca); Het lozen van bedrijfsafvalwater (debiet- en venstertijden); Het lozen van bedrijfsafvalwater tijdens hevige of langdurige neerslag; Het lozen van melkspoelwater; Het aanleggen en beschermen van drinkwaterleidingen; Het beregenen met drinkwater. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? De gemeente heeft in artikel 2.16 van de Omgevingswet een grondwaterzorgplicht toegedeeld gekregen. Er zijn geen wettelijke instructieregels over dit onderwerp vastgesteld. De gemeente heeft dus beleidsvrijheid voor de wijze waarop de taken worden ingevuld en kan dus ook zelf kiezen of die taakuitoefening wel of niet met juridische regels in het omgevingsplan wordt ondersteund.

Bij het stellen van regels in het omgevingsplan moet de gemeente wel rekening houden met de algemene regels die in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn gesteld over het lozen van afvalwater afkomstig van bodem beschermende voorzieningen. In de bruidsschat zijn regels opgenomen over huishoudelijk afvalwater, grondwater bij ontwatering en lozen bij niet-industriële voedselbereiding (horeca). In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels over lozingen bij bodemenergiesystemen, bedrijfsafvalwater en specifiek voor melkspoelwater. Het beleidskader voor de invulling van de gemeentelijke taken voor afvalwater en grondwater staat in het huidige gemeentelijke rioleringsplan (GRP). Dat plan is naar huidig recht verplicht, dus iedere gemeente beschikt over een eigen beleidskader. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet kunnen gemeenten 29

een gemeentelijk rioleringsprogramma vaststellen, maar dat is niet langer verplicht. De planning voor een nieuw GRP in Schagen is 2027. 3. Hoe willen we het regelen? In het omgevingsplan worden de regels over water thematisch geregeld via algemene regels en indien van toepassing via een werkingsgebied, conform het huidig beleid. Bij dit thema gaat het om de regels over: -

Het lozen van huishoudelijk afvalwater; Het lozen van grondwater bij ontwatering; Het lozen van bedrijfsafvalwater; Het beschikbaar houden van voldoende drinkwater; Klimaatadaptatie bij transformatie van een gebied.

Er zijn algemene regels met gesloten normen. De regelgeving bevat algemene normen en voor sommige activiteiten geldt een vergunningplicht met beoordelingsregels. Voor de regio zijn in overleg met het Hoogheemraadschap bouwstenen voor regels ontwikkeld. In de loop van 2026 worden deze regels verder afgerond en zullen daarna in het omgevingsplan worden opgenomen.

3.1.7 Hemelwaterberging Het klimaat verandert merkbaar: perioden van droogte worden langer, buien worden heviger en de temperatuur stijgt. Deze veranderingen hebben directe gevolgen voor de leefomgeving in Schagen. Om schade, overlast en hittestress te beperken, wil de gemeente bijdragen aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Dit vraagt om bewuste omgang met regenwater: niet afvoeren, maar vasthouden, bergen en gebruiken waar het valt. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? De gemeente wil bijdragen aan een klimaatbestendige leefomgeving, waarin regenwater zoveel mogelijk op eigen terrein wordt vastgehouden, geïnfiltreerd of hergebruikt. Dit sluit aan bij de ambities uit de Omgevingsvisie Schagen, de Provinciale Omgevingsvisie NH2050 en de Nationale Omgevingsvisie. Het doel is om wateroverlast te voorkomen, verdroging en verzilting tegen te gaan en de kwaliteit van de leefomgeving te versterken. In stedelijke gebieden is de druk op het riool groot, waardoor afkoppelen en lokale berging van hemelwater gewenst zijn. In het buitengebied ligt de nadruk meer op infiltratie en het beperken van afstroming richting sloten of oppervlaktewater. Door regels op te nemen in het omgevingsplan, wordt geborgd dat nieuwe bouwwerken en herontwikkelingen bijdragen aan de opvang en verwerking van hemelwater op eigen terrein.

De regels hebben dus zowel een milieudoel (voorkomen van wateroverlast en vervuiling) als een ruimtelijk doel (een robuuste, toekomstbestendige inrichting). 2. Wat moeten en kunnen we regelen? De gemeente heeft op grond van artikel 2.16 van de Omgevingswet een hemelwaterzorgplicht. Deze houdt in dat de gemeente verantwoordelijk is voor de doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater, voor zover perceeleigenaren dit niet zelf redelijkerwijs kunnen. De zorgplicht sluit aan bij het uitgangspunt dat bewoners en bedrijven in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen terrein. De Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) laten gemeenten ruime beleidsvrijheid om invulling te geven aan de hemelwaterzorgplicht. Er gelden geen directe instructieregels over hoe de gemeente dit moet doen. Wel vraagt de Provincie Noord-Holland via haar omgevingsverordening om bij nieuwe ontwikkelingen een klimaatrisicoanalyse uit te voeren. Wanneer hieruit risico’s blijken, moeten maatregelen worden opgenomen in het omgevingsplan om deze te beperken. Daarnaast bevat de bruidsschat regels over het lozen van hemelwater en grondwater (artikelen 22.144 en 22.12) De bestaande Hemelwaterverordening en beleidsregels van Schagen bevatten al concrete normen voor bergingscapaciteit (60 tot 90 liter per m² bebouwd oppervlak) en afvoersnelheid.

Deze technische eisen kunnen grotendeels worden overgenomen in het nieuwe omgevingsplan. Omdat de huidige gebiedsaanwijzing ouder is dan één jaar, wordt het overgangsrecht uit het beleid niet meer toegepast voor renovaties. Nieuwe gebiedsaanwijzingen kunnen in de toekomst via het omgevingsplan worden vastgesteld. 3.

Hoe willen we het regelen? 30

De regels over hemelwater worden thematisch opgenomen in het omgevingsplan, op basis van de bestaande gebiedsaanwijzing die vrijwel de gehele gemeente omvat. De gemeente kiest voor algemene regels voor het bergen van hemelwater op eigen terrein bij nieuwe bebouwing of uitbreiding van bebouwing in combinatie met een zorgplicht voor perceeleigenaren en een vergunningsmogelijkheid voor uitzonderingssituaties waarbij niet voldaan kan worden aan de algemene regels. Daarnaast geldt er een verbod voor het lozen van hemelwater op mechanische riolering voor bestaande bebouwing in het gehele grondgebied. Waar nodig kan maatwerk worden toegepast via een vergunning of een ontheffing, bijvoorbeeld als lozing op eigen terrein technisch niet mogelijk is of onevenredige kosten veroorzaakt. Dit is conform de bestaande beleidsregels daarnaast worden ook de beleidsregels over bergingscapaciteit, infiltratie en onderhoud worden hierbij gehandhaafd. Het omgevingsplan borgt zo de zorgplicht en de lokale beleidsdoelen, terwijl ruimte blijft voor maatwerk en innovatie in klimaatadaptieve oplossingen. De bruidsschat regels nemen we (nog) niet over. Alleen artikel 22.144 wordt met een bewerking opgenomen naar voorbeeld van de bouwstenen waterregels opgesteld in samenwerking met het hoogheemraadschap. Dit betreft Artikel 7.A Lozen van afstromend hemelwater uit de bouwsteen.

3.1.8 Parkeren Parkeren is een essentieel onderdeel van de bereikbaarheid en leefbaarheid binnen de gemeente. Elke functie in de fysieke leefomgeving genereert parkeerbehoefte, zichtbaar in de openbare ruimte. Wanneer deze behoefte onvoldoende wordt gefaciliteerd, kunnen problemen ontstaan zoals overbelasting van straten, verkeersonveilige situaties of een verminderde kwaliteit van de leefomgeving. Parkeren heeft daarmee een directe relatie met ruimtelijke ordening en past volledig binnen de reikwijdte van de Omgevingswet. Dit maakt het noodzakelijk om de wijze waarop parkeervoorzieningen worden geborgd bij ontwikkelingen helder en eenduidig vast te leggen in het omgevingsplan. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? Het doel van het reguleren van parkeren is het waarborgen van voldoende parkeergelegenheid bij ruimtelijke ontwikkelingen, zodat functies in de gemeente goed kunnen functioneren zonder onevenredige druk op de openbare ruimte. Dit ondersteunt de leefbaarheid, de bereikbaarheid en de verkeersveiligheid. Bij nieuwe bouwplannen of functiewijzigingen ontstaat vaak extra parkeerbehoefte. Om deze zorgvuldig te kunnen inpassen, is het noodzakelijk om in het omgevingsplan vast te leggen dat bij dergelijke activiteiten voldoende parkeerruimte moet worden gerealiseerd.

Omdat parkeerdruk en parkeerbehoefte op alle locaties in de gemeente aan de orde kunnen zijn, is het wenselijk om parkeren in het omgevingsplan te reguleren. Hierbij bestaat een logische samenhang met andere regels over bouwen en gebruik van gronden. Nadere beleidsinkadering is niet nodig, omdat de Nota Parkeernormen 2016 al als inhoudelijk kader fungeert en aansluit bij de huidige praktijk 2. Wat moeten en kunnen we regelen? Voor het reguleren van parkeren heeft de gemeente ruime beleidsvrijheid. Er zijn geen specifieke instructieregels vanuit het Rijk of de provincie die parkeernormen voorschrijven. Ook de bruidsschat bevat geen regels over parkeren, waardoor de gemeente volledig verantwoordelijk is voor het vormgeven van deze regeling. Het voornaamste gemeentelijke beleidskader is de Nota Parkeernormen 2016, waarin de parkeernormen per functie zijn uitgewerkt. Deze nota wordt al jaren toegepast en vormt het inhoudelijk kader voor het bepalen van de parkeerbehoefte. Het is daarom logisch om dit document als referentie te blijven gebruiken binnen de systematiek van het omgevingsplan. In het omgevingsplan moet worden vastgelegd dát parkeren bij ontwikkelingen is gereguleerd en dat de beoordeling gebaseerd wordt op de gemeentelijke parkeernormen. 3. Hoe willen we het regelen? Omdat parkeren in de hele gemeente relevant is, wordt gekozen voor een thematische regeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16422877/1