CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

34 diverse onderzoeken (geanonimiseerd)

Gemeenteraad 6 mei 2025, gemeente SchagenBij agendapunt: Tijdelijke opvanglocatie asielzoekers Schagen Oost26.136 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Niet gevonden in dit document.

•

de andere beschermde soorten, genoemd in bijlage A en B van de wet (paragraaf 3.3 Wnb).

De beschermingsregimes en bijbehorende verbodsbepalingen zijn hieronder nader toegelicht. Beschermingsregime Vogelrichtlijn Hieronder vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Handelingen die de wet verbiedt zijn: •

Artikel 3.1 lid 1: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen;

•

Artikel 3.1 lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, beschadigen of nesten van vogels weg te nemen;

NatuurInclusief

Quickscan beschermde soorten Wnb Priggeweg te Schagen

provincie of het Rijk (RVO). Bij een omgevingsvergunning kan de aanvraag worden aangehaakt voor beschermde

21

•

Artikel 3.1 lid 3: Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben;

•

Artikel 3.1 lid 4 en lid 5: het is verboden vogels opzettelijk te verstoren, tenzij de verstoring niet wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.

De verbodsbepalingen met betrekking tot nesten en rustplaatsen hebben in de regel alleen betrekking op nesten en rustplaatsen die in gebruik zijn. Onder de bescherming van deze plaatsen worden ook de essentiële onderdelen van het leefgebied verstaan die nodig zijn om het nest of rustplaats ecologisch gezien te laten functioneren. De verbodsbepalingen gelden niet als de nesten en rustplaatsen niet meer in gebruik zijn. Voor enkele soorten die ieder jaar terug keren naar hetzelfde nest of van het nest afhankelijk zijn geldt dat deze jaarrond beschermd zijn. Onder bepaalde voorwaarden mogen de verboden handelingen wel uitgevoerd worden. Er is dan een ontheffing of vrijstelling nodig. Er zijn vrijstellingen vastgesteld per provinciale verordening of ministeriële regeling. Daarnaast geldt er een vrijstelling als aantoonbaar wordt gewerkt conform een toepasbare en een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Gelden er geen vrijstellingen, dan is een ontheffing nodig om verbodsbepalingen te mogen overtreden. Een ontheffing kan bij de provincie of het Rijk worden aangevraagd, afhankelijk van het gezag dat bevoegd is voor ontheffingverlening voor de handeling (het Rijk alleen voor ‘interprovinciale handelingen’, zoals handelingen door Rijkswaterstaat, Defensie of handelingen aan hoofd(spoor)wegen).

Een ontheffing kan verkregen worden als er wordt voldaan aan de volgende criteria (art. 3.3, lid 4 Wnb): a.

er geen andere bevredigende oplossing is;

b.

er een geldig belang is: •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

•

in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

•

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

•

ter bescherming van flora of fauna;

•

voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of

•

om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

c.

en als de handelingen niet leiden tot een verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende

Beschermingsregime Habitatrichtlijn Soorten die staan in de Habitatrichtlijn bijlage IV, het Verdrag van Bern bijlage I en II en bijlage I van het Verdrag van Bonn. Handelingen die de wet verbiedt zijn: •

Artikel 3.5 lid 1: Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

•

Artikel 3.5 lid 2: Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren;

•

Artikel 3.5 lid 3: Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen;

•

Artikel 3.5 lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen;

•

Artikel 3.5 lid 5: Het is verboden plantensoorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

NatuurInclusief

Quickscan beschermde soorten Wnb Priggeweg te Schagen

soort.

22

Belangrijke noot is dat onder de bescherming van voortplantings- en rustplaatsen ook de essentiële onderdelen van het leefgebied worden verstaan die nodig zijn om deze ecologisch gezien te laten functioneren. Onder bepaalde voorwaarden mogen de verboden handelingen wel uitgevoerd worden. Er is dan een ontheffing of vrijstelling nodig. Er zijn vrijstellingen vastgesteld per provinciale verordening of ministeriële regeling. Daarnaast geldt er een vrijstelling als aantoonbaar wordt gewerkt conform een toepasbare en een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Gelden er geen vrijstellingen, dan is een ontheffing nodig om verbodsbepalingen te mogen overtreden. Een ontheffing kan bij de provincie of het Rijk worden aangevraagd, afhankelijk van het gezag dat bevoegd is voor ontheffingverlening voor de handeling (het Rijk alleen voor ‘interprovinciale handelingen’, zoals handelingen door Rijkswaterstaat, Defensie of handelingen aan hoofd(spoor)wegen). Een ontheffing kan verkregen worden als er wordt voldaan aan de volgende criteria (art. 3.8, lid 5 Wnb): a.

er geen andere bevredigende oplossing is;

b.

er een geldig belang is: •

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

•

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

•

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

•

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of

•

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

c.

er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Beschermingsregime andere beschermde soorten Dit zijn de soorten die genoemd worden in de bijlage van Wet natuurbescherming. Onder dit beschermingsregime •

Artikel 3.10 lid 1, onderdeel a: in het wild levende dieren opzettelijk te doden of te vangen;

•

Artikel 3.10 lid 1, onderdeel b: Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen;

•

Artikel 3.10 lid 1c: vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Voor deze soorten gelden in principe dezelfde vrijstellings- en ontheffingscriteria als bij het beschermingsregime Habitatrichtlijn, maar zijn er een groot aantal aanvullende wettelijke belangen opgenomen om vrijstelling of ontheffing te kunnen verlenen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor andere beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Wel blijft de zorgplicht geldig. De vrijstelling verschilt per provincie en geldt in het algemeen voornamelijk voor ruimtelijke ingrepen, bestendig beheer en onderhoud en bestendig gebruik. De totale Lijst beschermde soorten Wnb is te vinden op de website van NatuurInclusief.3

3

https://www.natuurinclusief.nl/kennisloket/ NatuurInclusief

Quickscan beschermde soorten Wnb Priggeweg te Schagen

is het verboden om:

23

In hele specifieke gevallen zijn bepaalde handelingen bij wet uitgezonderd van de verbodsbepalingen die hiervoor zijn genoemd. Deze gevallen zijn niet in dit beknopte overzicht opgenomen, voor zover niet relevant voor deze toetsing. Zorgplicht Voor alle soorten geldt de zorgplicht. De bescherming van soorten gaat uit van de intrinsieke waarde van alle dieren en planten. Daar moet zorgvuldig mee omgaan worden. Daarom is de zorgplicht in artikel 1.11 van de wet opgenomen. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving en voor Natura 2000-gebieden. Voorkomen, beperken en ongedaan maken van nadelige effecten (= geen effect op de gunstige staat van instandhouding) zijn hierbij sleutelwoorden. Houtopstanden Het hoofdstuk Houtopstanden in de Wet natuurbescherming is de implementatie van de oude Boswet in de wet. De Boswet had tot doel om bossen te beschermen. Hoewel de Wnb nog steeds als doel heeft om bossen en houtopstanden te beschermen, zijn er meer mogelijkheden om vrijstelling of ontheffing te krijgen van de herplantplicht. De handhaving ligt in principe bij de provincies en in sommige gevallen (bijv. handelingen van Rijkswaterstaat, Defensie) bij het Ministerie van LNV, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Uitgangspunt is dat wat bos is in principe bos moet blijven.

Er mag dus geen netto oppervlakte bos verdwijnen. De bescherming van houtopstanden heeft betrekking op alle beplantingen van bomen groter dan 10 are, en op rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Dit geldt voor beplantingen buiten de bebouwde kom houtopstanden (zie daarvoor het bestemmingsplan van de betreffende gemeente). Deze wijkt vaak af van de bebouwde kom verkeerswet (!), hoewel er steeds meer gemeenten deze komgrenzen samentrekken.

•

houtopstanden binnen de bebouwde kom houtopstanden (dan geldt alleen de APV);

•

houtopstanden op erven of in tuinen;

•

fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

•

kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;

•

kweekgoed;

•

uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen, en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;

•

het dunnen van een houtopstand;

•

uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa (indien ten minste eens per tien jaar worden geoogst, bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare en zijn aangelegd na 1 januari 2013).

Ook het dunnen en afzetten van hakhout en grienden is toegestaan. Meldingsplicht Wanneer een houtopstand gekapt wordt, of er andere maatregelen genomen worden die (eventueel indirect) tot het verminderen van het oppervlakte bos leiden, geldt een meldingsplicht. De provincie kan aan de hand van een kapmelding ervoor kiezen om een kapverbod op te leggen, voor ten hoogste vijf jaar, ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden. Indien wordt gewerkt met een goedgekeurde gedragscode, geldt er geen meldingsplicht of verplichting om binnen 3 jaar te herplanten (art. 4.4, lid 1, onderdeel d en art. 4.4, lid 2). Een gedragscode wordt goedgekeurd, als daarin een werkwijze is opgenomen die waarborgt dat: •

er geen afbreuk wordt gedaan aan bijzondere natuur- of landschapswaarden; NatuurInclusief

Quickscan beschermde soorten Wnb Priggeweg te Schagen

Uitzonderingen van beplantingen die niet onder de boswet vallen (art. 4.1 Wnb) zijn;

24

•

de te vellen houtopstanden geen deel uitmaken van een boskern;

•

herbeplanting op een bosbouwkundig verantwoorde wijze plaatsvindt;

•

de grond waarop herbeplanting plaatsvindt ten minste dezelfde kwaliteit heeft als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond;

•

de grond waarop de herbeplanting plaatsvindt ten minste een gelijke oppervlakte heeft als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond.

Een voorbeeld van een dergelijke gedragscode is de Gedragscode houtopstanden en hakhoutbeheer van TenneT. Herplantplicht Daarnaast geldt voor boskap een herplantplicht. Aan de herplantplicht moet zijn voldaan binnen drie jaar na kap. Geldt er een herplantplicht, maar kan deze niet worden uitgevoerd op het oorspronkelijke perceel, dan kan er compensatie plaatsvinden door de herplant te realiseren op een ander perceel. De voorwaarden om van deze mogelijkheid gebruik te mogen maken (bijvoorbeeld overcompensatie) verschillen per provincie. Zo heeft provincie Utrecht een compensatiebank opgezet om op gewenste plekken te kunnen herplanten en een initiatiefnemer niet zelf op zoek hoeft naar een perceel voor compensatie. Vrijstellingen of ontheffingsmogelijkheden De herplantplicht van bos geldt niet voor: •

maatregelen

ten

behoeve

van

natuurontwikkelingen

(in

het

kader

van

het

halen

van

instandhoudingsdoelstellingen N2000 en opgelegde mitigatie of compensatie in het kader van vergunningen of ontheffingen) •

creëren of onderhouden van brandgangen

•

houtkap voor biomassaplantages (art. 4.4, lid 1, onderdeel a t/m c Wnb).

Ook kunnen provincies vrijstellingsregels of nadere regels voor een ontheffing opstellen voor de herplantplicht. Daarnaast zijn er in de meeste provincies wel meer vrijstellingsmogelijkheden voor natuurontwikkeling, waaronder voor de ontwikkeling van gewenste natuurbeheertypen of als houtopstanden verloren gaan door vernatting door natuurlijke processen of anti-verdrogingsmaatregelen.

Natuurnetwerk Nederland Naast de bescherming van gebieden door de Wet natuurbescherming, is er tevens sprake van een beleidsmatige Dit betreft de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Begrenzing Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; tot voor kort: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP). De benaming NNN komt voort uit het Natuurpact van 18 september 2013. Daarin zijn tussen het Rijk en de provincies nieuwe afspraken gemaakt, waaronder over de herijking van de EHS en de nieuwe benaming NNN.4 Het NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur (plant en dier) in feite voorrang heeft. Het netwerk moet voorkomen dat planten en dieren door isolatie van gebieden uitsterven en dat de Nederlandse biodiversiteit afneemt. Het NNN is samengesteld uit: •

Natura 2000-gebieden, bestaande natuurgebieden, reservaten en natuurontwikkelingsgebieden en (robuuste) verbindingen.

•

Landbouwgebieden met mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer (beheersgebieden).

•

Grote wateren (zoals de kustzone van de Noordzee, het IJsselmeer en de Waddenzee).

4

Zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brieven/2013/09/18/natuurpact-ontwikkeling-en-beheer-van-natuur-innederland NatuurInclusief

Quickscan beschermde soorten Wnb Priggeweg te Schagen

bescherming van bepaalde natuurgebieden waar rekening mee moet worden gehouden bij ruimtelijke ingrepen.

25

Het is lang de bedoeling geweest dat het NNN in 2018 helemaal gerealiseerd zou zijn, maar inmiddels is duidelijk dat dit niet haalbaar is. Het kabinet Rutte-Assher heeft in het onderhandelingsakkoord van 20 september 2011 aangegeven dat de provincies het NNN in 2021 afronden. Het ambitieniveau is bovendien verminderd, zo worden vermoedelijk de robuuste verbindingen niet gerealiseerd. Los van de daadwerkelijke realisatie is de bescherming van de aangewezen zones in principe wel al van kracht, ook indien die zones nog niet zijn ingericht. In de Nota Ruimte is de globale begrenzing van de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (bruto-EHS) weergegeven. Deze is door de provincies verder uitgewerkt tot de netto-EHS, met concrete gebiedsbegrenzingen. Per provincie verschilt verder de exacte uitwerking, beschermingsmethode en eventuele aanwijzing van aanvullende beschermde gebieden. Dit kan soms enige verwarring opleveren. Bovendien werken diverse provincies sinds de verminderde Rijksambitie voor het NNN aan een aparte provinciale hoofdstructuur, waarvoor andere regels gelden. De verwarring wordt soms nog verder vergroot doordat het NNN overal doorvertaald moet worden in de gemeentelijke bestemmingsplannen, waarbij elke gemeente de vrijheid heeft om eigen keuzes te maken voor de gebruikte terminologie en onderverdeling.

De bestemmingsplannen weerspiegelen uiteindelijk de definitieve uitwerking en hieruit berust dan ook de uiteindelijke juridische doorwerking. Toetsingskader Nee-tenzij beginsel Voor het NNN geldt het toetsingskader van het Structuurschema Groene Ruimte 1995 (SGR). Dit is overgenomen in de Nota Ruimte en later in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) dat het NNN in oktober 2012 heeft opgenomen. Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het compensatiebeginsel van de NNN in het Barro is per provincie verder uitgewerkt in het provinciaal natuurbeleid. Het Barro stelt dat ruimtelijke ingrepen moeten worden getoetst op mogelijke negatieve effecten voor de aanwezige natuur- en landschapswaarden. Voor het gehele NNN geldt het 'nee, tenzij beginsel'. Op grond van dit beginsel dient directe of indirecte aantasting van bos- en natuurgebied (door een ingreep in het NNN) waar mogelijk te worden voorkomen. Spelregels EHS Eind 2007 hebben de toenmalige Ministeries van LNV en VROM en de provincies de 'Spelregels EHS' uitgebracht. Dit is een al oud beleidskader voor het compensatiebeginsel, de EHS saldobenadering en het herbegrenzen van de EHS, maar in de meeste situaties nog steeds leidend. Op grond van de Spelregels EHS wordt niet alleen gekeken term NNN.

Deze natuurwaarden of 'wezenlijke kenmerken en waarden' inclusief de bijbehorende abiotische en biotische randvoorwaarden worden vastgelegd in de vorm van natuurdoelen. De provincies hebben deze wezenlijke kenmerken en waarden vastgelegd in het provinciaal natuurbeleid. Deze natuurdoelen zijn per provincie vastgelegd. Sinds 1 januari 2010 zijn alle provinciale doelen omgezet naar één landelijke index (Index Natuur en Landschap). Los van nuanceverschillen en verschillen in formulering in de bestemmingsplannen geldt in principe overal het 'nee-tenzij'-principe voor aantasting van het NNN. Aantasting is niet toegestaan, tenzij aan specifieke voorwaarden wordt voldaan. Er is ook vrijwel altijd een compensatieverplichting in het provinciaal beleid opgenomen. Voor kleine aantastingen is financiële compensatie soms mogelijk, voor grotere aantastingen is vaak zowel compensatie in oppervlakte als in 'kwaliteit' noodzakelijk. Bij aantasting van meer bijzondere typen natuur of natuur met een lange ontwikkelingstijd (bijv. bos) is meestal compensatie van een groter oppervlak verplicht (oppervlakte toeslag).

NatuurInclusief

Quickscan beschermde soorten Wnb Priggeweg te Schagen

naar actuele natuurwaarden, maar ook naar ecologische potenties. Deze spelregels gelden ook voor de nieuwe

26

Externe werking In de brief van 3 december 2004 heeft de minister van LNV, mede namens de minister van VROM, besloten om in de Nota Ruimte het 'Nee, tenzij'-regime op gebieden in de nabijheid van het NNN te laten vervallen (TK 29 576, nr. 12). In een brief van 5 juni 2008 heeft de minister van LNV nogmaals aangegeven dat ingrepen buiten het NNN niet worden beoordeeld op hun effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden binnen het NNN (TK 29 576, nr. 12). In de beantwoording van een aantal vragen van de vaste Kamercommissie voor LNV in 2008 is expliciet tot uitdrukking gebracht dat dit ‘Nee-tenzij' regime niet van toepassing is op ingrepen buiten het NNN die gevolgen kunnen hebben voor het NNN zelf, de zogenaamde ‘externe effecten’ (TK 29576, nr. 52). Dit betekent overigens wel, dat bij een ingreep in het NNN, ook rekening gehouden moet worden met indirecte effecten, zoals geluidsverstoring. Hoewel de Minister heeft aangegeven dat externe werking niet hoeft te worden getoetst, zijn er echter een aantal provincies die de toetsing van de externe werking het NNN wel hebben opgenomen in de provinciale verordening (bijv. provincie Noord-Brabant). Het betreft dan geen ‘nee-tenzij’ principe, maar een ‘ja-mits’ principe, waarbij er niet hoeft te worden getoetst aan alternatieven of nut en noodzaak.

Hoewel de Spelregels EHS richtinggevend is, is het provinciaal beleid daarmee leidend voor de toetsing (voor zover zij niet minder

Quickscan beschermde soorten Wnb Priggeweg te Schagen

stringent zijn dan de landelijke Barro).

NatuurInclusief

27

Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.

Bijlage 4 Stikstofonderzoek

Memo

1.

referentienummer datum aan van kopie

02 14 maart 2025 Gemeente Schagen

projectnummer project betreft

0501040.100 Schagen CNO 2025 Stikstofonderzoek AZC Schagen

S

Inleiding Deze notitie beschrijft de uitgangspunten en de resultaten van een AERIUS-berekening ten behoeve van de omgevingsvergunning voor de verlenging van een bestaande tijdelijke noodopvang in Schagen. Ontwikkelingen mogen niet zondermeer plaatsvinden indien deze significante negatieve gevolgen hebben op Natura 2000gebieden, daarom is onderhavig stikstofonderzoek uitgevoerd.

Figuur 1.1 Ligging projectgebied. Bron Cyclomedia.

Antea Nederland B.V. - statutaire zetel Heerenveen - handelsregister 29021830 - BTW nr. NL003662317B01 vestigingen in Heerenveen, Schoonebeek, Deventer, Almere, Capelle aan den IJssel, Goes, Oosterhout en Maastricht

blad 1 van 8

datum 14 maart 2025 projectnummer 0501040.100 betreft Stikstofonderzoek AZC Schagen

De ontwikkeling ligt op circa 7,5 km van het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Zwanenwater & Pettermerduinen’. Het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Duinen Den Helder- Callantsoog’ ligt op circa 8,5 km. Daarnaast ligt het Natura 2000-gebied ‘Noordzeekustzone’ op circa 9,5 km van de ontwikkeling, deze is niet stikstofgevoelig. Zie Figuur 1.2 voor de ligging van natura 2000-gebieden ten opzichte van de ontwikkeling.

Duinen Den Helder Callantsoog

Figuur 1.2 Locatie van de ontwikkeling ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: AERIUS.

blad 2 van 8

datum 14 maart 2025 projectnummer 0501040.100 betreft Stikstofonderzoek AZC Schagen

2.

Wettelijk kader Binnen de EU worden de belangrijkste leefgebieden van de meest bedreigde en waardevolle soorten en habitattypen aangewezen als Natura 2000-gebied. Deze Natura 2000-gebieden moeten samen een Europees ecologisch netwerk vormen om de achteruitgang van de biodiversiteit te keren. De juridische basis voor dit netwerk zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, die in Nederland zijn uitgewerkt in de Omgevingswet (Ow) en de Omgevingsregeling (Or). Per gebied worden voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelstellingen (behouds-, uitbreidings- of verbeteringsdoelstellingen) bepaald.

2.1

Onderzoek naar significante gevolgen Het onderdeel gebiedsbescherming binnen de Omgevingswet (Natura 2000-activiteit) biedt de basis voor de beoordeling van activiteiten die (mogelijk) negatieve gevolgen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen. Het kan daarbij zowel gaan om activiteiten binnen als buiten Natura 2000-gebieden. Bij vaststelling van plannen moet het bevoegd gezag dus rekening houden met de gevolgen van het plan op Natura 2000-gebieden. In de oriënterende fase (voortoets) moet onderzocht worden of de ontwikkeling een significant (negatief) gevolg op het betreffende Natura 2000-gebied kan hebben. Zonder compleet te zijn, kan dit bijvoorbeeld door aan te tonen dat een ontwikkeling op zichzelf niet leidt tot een toename. Dan is namelijk uitgesloten dat de ontwikkeling qua stikstofdepositie significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied heeft. Indien na een dergelijk onderzoek op voorhand niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant gevolg heeft, dient meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase, in kaart te worden gebracht wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Deze laatste analyse kan een ‘passende beoordeling’ zijn.

Wanneer uit deze passende beoordeling (bijvoorbeeld na het nemen van maatregelen of uitgebreid ecologisch onderzoek) alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit geen significant gevolg heeft, staat ook dan het aspect gebiedsbescherming besluitvorming (voor wat betreft stikstofdepositie) niet in de weg.

2.2

M.e.r.-plicht Een passende beoordeling kan bij plannen leiden tot een m.e.r.-plicht. Uitzondering hierop zijn de volgende 2 categorieën van plannen: 1. Plannen waarbij de gemeente het bevoegd gezag is, ze slechts het gebruik bepalen van kleine gebieden en via een m.e.r.-beoordeling aangetoond moet zijn dat er geen aanzienlijke milieueffecten plaatsvinden. 2. Plannen met enkel kleine wijzigingen en via m.e.r.-beoordeling eveneens aangetoond is dat er geen aanzienlijke milieueffecten plaatsvinden. Voor beide categorieën van plannen geldt dat het bevoegd gezag in het planbesluit moet verwerken dat er geen m.e.r.-procedure wordt gevolgd.

2.3

Rekenprogramma AERIUS Calculator De stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied kan berekend worden met behulp van het verplicht te gebruiken rekenprogramma AERIUS Calculator (Or). Van elke te berekenen situatie wordt een model gemaakt met invoergegevens waarmee vervolgens de berekening wordt uitgevoerd. Op basis van de invoer bepaalt het rekenprogramma AERIUS Calculator zelf de correcte berekening van de bijdrage ten opzichte van de referentiesituatie, indien aanwezig. Tevens bepaalt zij zelf de rekenpunten binnen de Nederlandse Natura 2000gebieden. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden wordt berekend ter plaatse van voor stikstofgevoelige habitats.

blad 3 van 8

datum 14 maart 2025 projectnummer 0501040.100 betreft Stikstofonderzoek AZC Schagen

3.

Uitgangspunten

3.1

Kaders ontwikkeling en uitgevoerde berekeningen De ontwikkeling betreft de verlenging van een bestaande tijdelijke noodopvang in Schagen. De stikstofdepositie-berekening omvat daarmee alleen een gebruiksfase, omdat er geen sprake is van een realisatiefase. In verband hiermee met behulp van het wettelijk verplicht gestelde rekenprogramma AERIUS Calculator, versie 2024, is de te verwachten invloed van het voornemen binnen de Natura 2000-gebieden in beeld gebracht. De realisatiefase is al uitgevoerd, maar de gebruiksfase vindt plaats in het jaar 2025. Tijdens de gebruiksfase komen er werknemers met personenauto’s naar het projectgebied. Daarnaast worden er asielzoekers van en naar het projectgebied vervoert met bussen en personenauto’s. Tijdens de gebruiksfase van de noodopvang worden de paviljoens doormiddel van een dieselaggregaat voorzien van stroom en verwarmt een dieselboiler de ruimtes binnen.

3.2

Gebruiksfase De voorgenomen ontwikkeling resulteert in emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3), te onderscheiden in directe emissies vanuit industriële activiteiten en indirecte emissies vanwege extra verkeer. De indirecte emissies ontstaan door het toegenomen verkeer in de omgeving als gevolg van de ontwikkeling. Daarnaast zijn er directe emissies door de dieselgenerator die de locatie van elektriciteit voorziet en de waterboiler die de locatie verwarmt. Het voornemen wordt rond april 2025 in gebruik genomen voor de duur van één jaar.

3.2.1

Indirecte emissies Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie als gevolg van de noodopvang is vastgesteld op basis van de schatting van de initiatiefnemer, gebaseerd op ervaringscijfers bij vergelijkbare locaties. Over het algemeen is er een dagelijkse personeelsbezetting van 39 personen. Bovendien worden asielzoekers vervoerd naar scholen met behulp van drie bussen en taxi's. Er vindt ook dagelijks gemiddeld één keer taxivervoer plaats, evenals één transport per bus. De noodopvang wordt ook 1 keer per week bevoorraad doormiddel van een vrachtwagen. De asielzoekers zelf beschikken niet over een motorvoertuig en verplaatsen zichzelf vooral doormiddel van fiets of lopen. Dit geldt voor zowel de volwassenen als kinderen. De verkeersgeneratie ten gevolge van de ontwikkeling is in de onderstaande tabel weergegeven. Tabel 3.1: Gemodelleerde verkeersintensiteiten in de gebruiksfase.

Verkeerstype

Verkeersintensiteit [mvt/jaar]

Licht verkeer

31.390

Zwaar verkeer

1.564

Verkeersafwikkeling Bij de afwikkeling van dit verkeer is als uitgangspunt genomen dat 100% van het verkeer via de Priggeweg van en naar de N241 rijdt. Aangenomen is dat het verkeer aldaar is opgenomen in het heersende verkeersbeeld.

blad 4 van 8

datum 14 maart 2025 projectnummer 0501040.100 betreft Stikstofonderzoek AZC Schagen

3.2.2

Directe emissies Als gevolg van de stroomvoorziening middels een dieselaggregaat en de verwarming van de ruimtes met een waterboiler op diesel, ontstaan emissies van stikstofoxiden. Dieselaggregaat De aannemer heeft een inschatting gemaakt naar het aantal draaiuren per dag van de dieselaggregaat. Hieruit blijkt dat de dieselaggregaat gemiddeld 6 uur per dag draait. Aan de hand van de door TNO1 beschikbaar gestelde rapportage is vervolgens het brandstofverbruik en het AdBlue-verbruik bepaald. Werktuig

Draaiuren

STAGE-klasse

(uur/jaar) Aggregaat

2.190

Vermogen

Brandstofverbruik

AdBlueverbruik

(kW)

(L/jaar)

(L/jaar)

V

280

41.966

2.517

De invoer van bovenstaande gegevens in AERIUS resulteert in een emissie van 238 NOx en 10,1 NH3. De aannemer heeft aangegeven dat vanwege het gebruik van HVO100-brandstof de uitstoot 30% lager is, wat neerkomt op een emissie van 166,6 NOx en 7,1 NH3. De emissie is vervolgens als puntbron in de AERIUS-Calculator ingevoerd als ‘anders’. Voor de hoogte is 2,5 meter aangehouden en een warmte-inhoud van 0,035 MW. Dieselwaterboiler Er wordt 1 dieselboiler van 600kW ingezet op de locatie om de ruimtes te verwarmen. Door de aannemer is inschatting gemaakt van het aantal draaiuren, verbruik en de emissies. Hieruit is de volgende berekening uitgekomen:

Berekening NOx aannemer Er is uitgegaan van 1700 draaiuren per jaar voor de dieselboiler, op 60% capaciteit. Dit geeft een verbruik van 612.000 kWh.th, wat neerkomt op 2203 Gigajoule (GJ). De boiler heeft bij vollast een NOx uitstoot van 118 mg/m3 Bij gebruik van HVO100 zakt dit met 30%, wat neerkomt op 82,6 mg/m3. Dit is bij 3% zuurstof (O2) in het verbrandingsproces. De formule om dit om te rekenen naar g/GJ is als volgt: Verbrandingswaarde diesel: 42,7 MJ/kg Rookgasvolume diesel: 10,5 m3/kg Omrekeningswaarde 3% zuurstof: 1,167 Omrekening mg/m3 NOx naar g NOx/GJ: g NOx/GJ = (rookgasvolume / verbrandingswaarde) * omrekeningswaarde * NOx uitstoot g NOx/GJ = 10,5/42,7 * 1,167 * 82,6 g NOx/GJ = 23,70349 Per GJ is er dus een uitstoot van 23,70349 gram NOx Totaal aantal GJ per jaar = 2.203 23,70349 * 2203 = 55.218,78 gram NOx uitstoot over 1 jaar, = 55,218 kg.

1

AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik) | TNO Publications

blad 5 van 8

datum 14 maart 2025 projectnummer 0501040.100 betreft Stikstofonderzoek AZC Schagen

De emissie van 55,218 NOx is vervolgens als puntbron in de AERIUS-Calculator ingevoerd als ‘anders’. Voor de hoogte is 2,5 meter aangehouden en een warmte-inhoud van 0,035 MW. Hieronder in figuur 3.1 zijn de gemodelleerde lijn- en puntbronnen in de gebruiksfase weergeven.

Figuur 3.1 Gemodelleerde lijn- en puntbronnen in de gebruiksfase

blad 6 van 8

datum 14 maart 2025 projectnummer 0501040.100 betreft Stikstofonderzoek AZC Schagen

4.

Resultaat en conclusie Resultaten De AERIUS Calculator (versie 2024) geeft voor de gebruiksfase een maximale bijdrage van 0,00 mol/ha/jaar. Zie voor de resultaten ook bijlage 1. Conclusie Voor de voorgenomen ontwikkeling toont AERIUS Calculator voor de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Significante gevolgen voor de habitats in Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie zijn daarmee uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie staat verdere besluitvorming derhalve niet in de weg.

blad 7 van 8

datum 14 maart 2025 projectnummer 0501040.100 betreft Stikstofonderzoek AZC Schagen

Bijlage 1: AERIUS PDF gebruiksfase Kenmerk: Ruy7aJQx6faC

blad 8 van 8

Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.

Bijlage 5 Historisch bodemonderzoek

Monitorweg 29 1322 BK Almere Postbus 10044 1301 AA ALMERE T (036) 530 80 00 F (036) 533 81 89 info@anteagroup.nl www.anteagroup.nl

Gemeente Schagen Laan 19 1741 EA SCHAGEN

datum uw brief van uw kenmerk projectnummer onderwerp

26-08-2022 0479189.100 Historisch bodemonderzoek voor tijdelijke huisvesting Schagen Oost (revisie 01)

Geachte

,

In opdracht van de gemeente Schagen heeft Antea Group in augustus 2022 een vooronderzoek uitgevoerd met betrekking tot de locatie Schagen Oost (nabij Vaart 36) te Schagen. De revisie heeft alleen betrekking op de bijlagen. Aanleiding tot onderzoek vormt de voorgenomen bouw van (tijdelijke) huisvesting voor vluchtelingen in de gemeente Schagen. Het vooronderzoek is uitgevoerd overeenkomstig aan de NEN 5725: 2017 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek). In onderstaande tabel zijn de geraadpleegde bronnen weergegeven voor het opstellen van het vooronderzoek. In deze bronnen zijn gegevens bijgehouden met betrekking tot o.a. bekende onderzoeken en uitgevoerde saneringen, de bodemkwaliteitskaart, tanklocaties etc. Tabel 1: Geraadpleegde bronnen Geraadpleegde bron Historische kaarten Topotijdreis Bodemloket Kadster Bodeminformatiesysteem Omgevingsdienst Noord-Holland Noord Bodemkwaliteitskaart Schagen (lucht)foto’s Cyclomedia

Referentie www.topotijdreis.nl https://www.bodemloket.nl https://www.kadaster.nl/zakelijk https://www.odnhn.nl/Ondernemers/Bodem/Bodeminf ormatie https://repository.officieleoverheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-201822092/1/bijlage/exb-2018-22092.pdf https://streetsmart.cyclomedia.com

Datum Augustus 2022 Augustus 2022 Augustus 2022 Augustus 2022 Augustus 2022 Augustus 2022

1. Situatie en algemene gegevens Het onderzoeksgebied ligt ten oosten van de Priggeweg in Schagen, ter hoogte van De Vaart 36 en heeft een oppervlakte van ca. 3,2 ha. Het terrein bestaat uit landbouwgebied dat in 2 delen is gesplitst door een sloot. Aan de noordzijde van de sloot zijn de 2 deelgebieden verbonden met een toegangsdammetje. Het onderzoeksgebied wordt omringd door sloten. De onderzoekslocatie is weergegeven op de tekening in bijlage 1. Uit topotijdreis blijkt dat het terrein sinds 1945 nagenoeg hetzelfde is ingericht. Voor zover bekend is het slotenpatroon sinds de jaren ‘40 van de vorige eeuw niet veranderd. Alleen in de noordwestelijke hoek van het gebied lijkt één sloot iets verplaatst te zijn. Het is bekend dat oudere kaarten, met name in het poldergebied, contactpersoon: e-mail: bijlage(n):

drs. P. Dirksen nellie.kuit@anteagroup.nl

Antea Nederland B.V. - statutaire zetel Heerenveen - handelsregister 29021830 - BTW nr. NL003662317B01 vestigingen in Heerenveen, Schoonebeek, Deventer, Almere, Capelle aan den IJssel, Goes, Oosterhout en Maastricht

T 06 83 16 86 47

0479189-100 blad 2 van 3

onnauwkeurigheden bevatten waar het de exacte ligging van sloten e.d. betreft, mogelijk speelt dat hier ook en is de ligging van de sloot in werkelijkheid niet gewijzigd. Als de sloot wel echt verplaatst is, ligt het voor de hand dat de grond die vrijgekomen is bij het graven van de nieuwe sloot er vlak naast gebruikt is voor het dempen van de oude sloot. Op basis hiervan wordt deze eventuele demping niet als verdacht ten aanzien van bodemverontreiniging beschouwd. Door de jaren heen zijn wel meerdere toegangsdammetjes aangelegd en ook weer verwijderd bij de sloot die door het onderzoeksgebied loopt. Het huidige dammetje aan de noordzijde van de sloot is rond 2013 aangelegd. In deze periode zal hiervoor naar verwachting geen verontreinigd materiaal meer zijn toegepast. Het terrein staat kadastraal bekend onder de gemeente Schagen, sectie K, nummer 1064. Het perceel is eigendom van de gemeente Schagen. 2. Verdachte activiteiten Uit informatie van het Bodemloket blijkt dat in en rondom het onderzoeksgebied geen specifieke bodembedreigende activiteiten bekend zijn, zoals ophooglagen, dempingen, HBO tanks etc. Het eerder genoemde dammetje wordt niet als een (asbest)verdachte activiteit beschouwd vanwege de periode waarin het is aangelegd. 3. Bekende onderzoeksgegevens Op het te ontwikkelen terrein zelf zijn voor zover bekend geen (bodem)onderzoeken uitgevoerd.

Echter, wel is een bodemonderzoek beschikbaar dat een goede indicatie geeft van de te verwachten bodemkwaliteit. Grondslag, rapport met kenmerk: 6892, d.d. 05-06-2022 In verband met het opstellen van een bodemkwaliteitskaart in 2002 zijn 20 boringen geplaatst in de Kaagpolder, waar de huidige onderzoekslocatie deel van uitmaakt. Hieruit blijkt dat de bodem tot ca. 2,0 m -mv. overwegend uit klei bestaat. Plaatselijk is in de bovengrond een zandlaagje aangetroffen en in de ondergrond een veenlaag. De bovengrond en ondergrond zijn niet tot licht verontreinigd. Er is geen grondwater- en asbestonderzoek bekend. 4. Overige gegevens Uit de digitale terreininspectie blijkt dat het onderzoeksgebied onbebouwd is en in gebruik is voor landbouw/akkerbouw. De twee terreindelen worden van elkaar gescheiden door een sloot. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen blijkt dat de kwaliteit van de boven- en ondergrond gemiddeld voldoet aan de klasse Landbouw/Natuur. Op basis hiervan worden geen noemenswaardige verontreinigingen verwacht. Er is verder geen informatie naar voren gekomen over de verbranding of stort van afval, verkaveling, ontgrondingen en/of afzetting van bodemvreemd materiaal.

Voor zover bekend hebben er op de locatie geen calamiteiten of overtredingen van voorschriften in het kader van de Wet milieubeheer en/of Wet bodembescherming en/of andere milieuregelgeving plaatsgevonden. 5. conclusies en aanbevelingen Op basis van de bekende gegevens wordt geconcludeerd dat de locatie onverdacht is ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging. De bodem bevat naar verwachting ten hoogste licht verhoogde gehalten.

0479189-100 blad 3 van 3

De verwachte bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het voorgenomen gebruik. Afhankelijk van de eisen voor het in gebruik nemen van het terrein, zoals vanuit een eventuele omgevingsvergunning, kan overwogen worden om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. In dat geval kan op basis van dit vooronderzoek de strategie ‘grootschalig onverdacht’ worden gehanteerd.

Bijlagen 1. Tekening 2. Topografische kaarten Topotijdreis

Verkennend bodem- en asbestonderzoek VO Vijzelgemalen te Zaandam projectnummer 0437916.123 mei 2019, revisie 00 Gemeente Zaanstad

Bijlage 1 Tekening

Blad 110 van 12

Legenda Onderzoeksgebied

OPDRACHTGEVER

GIS SPECIALIST

SCHAAL

PROJECTLEIDER

FORMAAT

A3 PROJECTOMSCHRIJVING

DATUM

25-08-2022

1 van 1 WIJZ.NR

STATUS KAARTTITEL

defini ef

Overzichtskaart

www.anteagroup.nl

KAARTNUMMER

BLAD IN BLADEN

D0

www.anteagrou R:\00475000\00479189\Milieuonderzoek\GIS\QGIS TerraIndex\Schagen.qgz

Verkennend bodem- en asbestonderzoek VO Vijzelgemalen te Zaandam projectnummer 0437916.123 mei 2019, revisie 00 Gemeente Zaanstad

Bijlage 2 Topografische kaarten Topotijdreis

Blad 110 van 12

1943

1970

1980

1995

2005

2021

Contactgegevens Monitorweg 29 1322 BK ALMERE Postbus 10044 1301 AA ALMERE T. (06) 575 842 98 E. patrick.dirksen@anteagroup.nl www.anteagroup.nl

Copyright © 2022 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15458402/1