CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Onderbouwing BOPA Van der Valk Hotel.pdf

Gemeenteraad RK 2 maart 2026, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 13: Onderbouwing BOPA Van der Valk21.415 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

13 alinea's met “bopa”: 1 146 206 483 604 606 611 612 628 687 698 699 702

Planspecifiek De voorgenomen uitbreiding van het Van der Valk Hotel Ridderkerk draagt substantieel bij aan duurzaamheid en gezondheid. Bij de ontwikkeling van de plannen wordt nadrukkelijk rekening gehouden met het creëren van toekomstbestendige gebouwen en een omgeving die het welzijn van gasten, werknemers en de lokale gemeenschap bevordert. Er wordt middels het kwalitatief verhogen van de aanwezige groenzones ingezet op een verdere verduurzaming van het geheel. Verder zal de zone rondom de boerderij een groenzone zijn waarin het verblijf centraal staat. Het is een zone waar in relatieve rust gasten van het hotel in het groen kunnen verblijven. Enerzijds op het terras vanuit het hotel, maar mogelijk ook vanuit de wellness in de boerderij. Het groen wordt intensiever voorzien van bomen teneinde ook een schaduwwerking te bewerkstelligen. Hittestress zal zo actief tegen worden gegaan. Ook wat betreft gezondheid draagt de uitbreiding bij aan een omgeving waarin welzijn centraal staat. De toevoeging van groene zones met natuurlijke beplanting, schuilmogelijkheden voor fauna, oevervegetatie en insectenhotels versterkt niet alleen de biodiversiteit, maar creëert ook een aangename en rustgevende omgeving voor bezoekers en medewerkers. De zone aan de zuidzijde van het terrein zal daarentegen een iets ander karakter krijgen. Het groen hier zal ten dienste staan van activiteiten.

Gedacht kan worden aan buitenfitness en buiten recreatie. Het groen zal hier iets extensiever zijn, mede ook om de zichtbaarheid van de locatie te waarborgen. De derde en laatste groenzone bevindt zich in het hart van de locatie. Het voornemen is om hier de natuur ten volle te ondersteunen door weelderige bloemen, planten en struiken te plaatsen zodat insecten en andere dieren een goede thuisbasis kunnen hebben. Tevens vindt in deze zone de hemelwaterberging plaats. De biodiversiteit zal juist hier een impuls krijgen.

pagina 29 van 58

Op het gebied van duurzaamheid worden diverse maatregelen getroffen aan de bebouwing. Zo worden groene daken gerealiseerd die bijdragen aan het vasthouden van regenwater en een verbeterde luchtkwaliteit. Ook wordt ingezet op circulaire bouwprincipes, waarbij materialen zoveel mogelijk worden hergebruikt en afvalstromen worden beperkt. Daarnaast wordt rekening met het landschap als ecologische zone, waarbij duurzaamheid voor zowel de nieuwe ontwikkeling als het landschap een belangrijke rol speelt. Daarnaast biedt de uitbreiding ruimte voor wellnessfaciliteiten en recreatieve voorzieningen en voor een milieuvriendelijke inrichting van het terrein. Deze aspecten bevorderen een gezonde levensstijl en nodigen uit tot ontspanning en beweging. Door deze integrale aanpak van duurzaamheid en gezondheid levert de uitbreiding niet alleen een meerwaarde voor het hotel en de gebruikers, maar draagt het ook bij aan de bredere doelstellingen van de gemeente Ridderkerk op het gebied van duurzame ontwikkeling en leefbaarheid. Er kan gesteld worden dat het indicatief aansluit bij de (gemeentelijke) ambities ten aanzien van duurzaamheid en gezondheid.

4.4

Water

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het Nationaal Water Programma dat door het Rijk is vastgesteld, het Regionaal Water Programma dat door de provincie wordt vastgesteld en het Waterbeheerprogramma van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling.

De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. Nationaal Water Programma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

pagina 30 van 58

Waterschap Hollandse Delta Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de waterschapsverordening de keur en de algemene regels van het hoogheemraadschap vervangen. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De verordening is opgebouwd in 3 delen. Het eerste deel heeft algemene regels en gaat ondanks de invoering van de Omgevingswet in gebruik. Deel 2 gaat alleen in gebruik met de Omgevingswet en deel 3 gaat in gebruik zonder de Omgevingswet. Weging van het waterbelang Het begrip ‘weging van het waterbelang’ houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. In bepaalde gevallen kan de provincie in de omgevingsverordening regels stellen over activiteiten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er een balans moet zijn tussen de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen hebben. Berging van water in de bodem Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen moet minimaal 20 mm van elke grote bui in 24 uur in de bodem opgevangen worden. De eis geldt voor al het nieuwe verharde oppervlak. De neerslag moet opgevangen worden in het naastgelegen onverharde oppervlak, of onder het eigen verharde oppervlak.

Planspecifiek Watercompensatie Voor de waterberging van de nieuw te bouwen volumes geldt dat deze onder de algemene afspraken bij de ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard vallen. De waterberging voor het gehele gebied is destijds centraal voorzien en daar is door Van der Valk ook een bijdrage voor betaald ten tijde van de aankoop van het perceel. Hierdoor hoeven nu op eigen terrein geen nadere voorzieningen hiervoor te worden getroffen. Waterafvoer Het huidige gebouw kent geen gescheiden afvoer. Voor het huidige hotel dient nog onderzocht te worden of afkoppelen mogelijk is en wat de gevolgen daarvan zijn. De nieuwe gebouwen worden voorzien van een gescheiden afvoer. Afkoppelen van regenwater geldt als basis voor alle nieuwe voorzieningen binnen het Masterplan. Hemelwater wordt via infiltratie in de bodem ingebracht en de groene daken zorgen voor een vertragend effect. Hergebruik van regenwater kan een optie zijn om in de diverse ontwikkelingen te implementeren. Een en ander wordt meegenomen bij de uitwerking van de ontwerpen van de individuele gebouwen. Waterkeringen Het projectgebied ligt niet in de buurt van primaire waterkeringen. Langs de westzijde van het projectgebied ligt een regionale waterkering waar een beschermingszone voor opgenomen is. Het voorgenomen initiatief maakt geen bebouwing mogelijk binnen deze beschermingszone.

pagina 31 van 58

Oppervlaktewater Binnen

het

projectgebied

zijn

verschillende

oppervlaktewaterlichamen

aanwezig,

met

verschillende

beschermingszones. De beoogde bebouwing wordt buiten deze zones gebouwd. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.5

Verkeer en parkeren

4.5.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

Planspecifiek Het initiatief omvat 160 extra hotelkamers, congreszalen, kantoorruimtes, bowlingbanen, een filmtheater en sporten wellnessfaciliteiten. Dit gaat gepaard met een toename van verkeersbewegingen, al betreft het deels ook faciliteiten ten dienste van de hotelfunctie die op zichzelf niet meer verkeer zullen genereren. In de onderstaande tabel is een indicatie weergegeven van de verkeersgeneratie, op basis van CROW-normen uitgaande van de gemiddelde norm van ‘matig stedelijk’ en ‘rest bebouwde kom’. Functie

Aantal

Verkeersgeneratie norm

Hotel 160 kamers (4 sterren-hotel)

160 kamers

20,9 per 10 kamers

334,4

Bioscoop (filmtheater)

2.285 m²

18,0 per 100 m² bvo

411,3

Bowlingbanen

8 banen

16,4 per baan

131,2

Congreszalen (kantoor met baliefunctie)

2.170 m²

13,6 per 100 m² bvo

295,1

Kantoorfuncties (zonder baliefunctie)

5.200 m²

7,2 per 100 m² bvo

374,4

Sport- en wellness

200 m²

10 per 100 m² bvo

20

Totaal

Verkeersgeneratie

1.566,4

Een inschatting op basis van CROW-normen is dat het onderhavige initiatief gepaard gaat met 1.567 extra verkeerbewegingen per etmaal. De reële verwachting is de bestaande infrastructuur in staat is om deze extra verkeerbewegingen te verwerken. De locatie is immers prima ontsloten dankzij de ligging nabij de aansluiting op rijksweg A15 en nabij diverse belangrijke ontsluitingswegen: Verbindingsweg, Veren Ambachtseweg, Dierensteinweg en de IJsselmondse Randweg (S104).

pagina 32 van 58

4.5.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.

Planspecifiek In het kader van het Masterplan is een parkeerberekening gemaakt, waarbij gebruik is gemaakt van de Nota Parkeernormen 2024 van de gemeente Ridderkerk. De onderhavige locatie behoort hierin tot de categorie ‘Overige grondgebied Ridderkerk’. Daarnaast geldt dat er nabij de locatie een HOV-verbinding aanwezig is, waardoor er een reductie op de parkeernormeringen toegepast kan worden. Voor deze ontwikkeling is een parkeernotitie opgesteld waar de toekomstige parkeerbehoefte per fase overzichtelijk is weergegeven (zie bijlage 3). Hieruit blijkt dat er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd in de toekomstige situatie. Er kan gesteld worden dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6

Natuur

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld.

Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen.

pagina 33 van 58

In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:

▪

aanwezige dier- en plantensoorten;

▪

typen natuurlijke habitats;

▪

leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.

Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:

▪

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;

▪

andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.

Planspecifiek Voor de voorgenomen ontwikkeling is door Blom Ecologie een Quickscan natuur (d.d. 3 februari 2025) uitgevoerd. Dit rapport is als bijlage 4 bijgevoegd. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). Op een afstand van circa 2,8 km ligt het Natuurnetwerk Nederland. De planlocatie is niet gelegen in de (buurt van de) Bollenstreek. Op een afstand van circa 7,6 km ligt Belangrijk weidevogelgebied en op een afstand van circa 1,4 km ligt de Groene buffer. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

pagina 34 van 58

Op een afstand van circa 4,2 km bevindt zich het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’. Echter, dit Natura 2000-gebied is niet stikstofgevoelig. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is ‘Biesbosch’ en ligt op 14,3 km van het plangebied. Ondanks dat het initiatief buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Gelet op de afstand tot stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en de omvang van het initiatief, zijn significante effecten op Natura 2000-gebieden niet uitgesloten en is een stikstofdepositieberekening noodzakelijk. Met de onderhavige BOPA-procedure wordt slechts een planologisch basisbesluit wordt genomen, waarbij het afwijkend gebruik wordt toegestaan. De benodigde stikstofdepositieberekening zal met de bouwaanvraag in de opvolgende BOPA-procedure(s) worden ingediend. Soortenbescherming Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren, amfibieën en reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.

Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend. Er zijn ook geen beschermde planten aangetroffen gedurende het veldbezoek. Vleermuizen Voor wat betreft vleermuizen zijn alle gevels en daken van de bebouwing gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. De hogere bebouwing

van

het

hotel

heeft,

vanwege

het

gebrek

aan

invliegopeningen,

geen

potentie

voor

massawinterverblijfplaatsen. De planlocatie is gelegen in een gebied wat door de aanwezigheid van geschikte vliegroutes, foerageergebieden en donkerte geschikt is als leefgebied voor meervleermuis. Echter zijn de stootvoegen te klein voor de meervleermuis, waardoor de aanwezigheid van de soort wordt uitgesloten. Dit geldt ook voor andere grote vleermuissoorten zoals de laatvlieger. Wel blijkt dat de aanbouw aan de noordzijde van het gebouw open stootvoegen heeft die leiden naar de luchtspouw. Hierdoor is de luchtspouw toegankelijk voor vleermuizen. Gebaseerd op de bekende verspreidingsgegevens, de ligging van de planlocatie (stedelijk gebied) en het type bebouwing is er sprake van een potentie voor verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Indien er bij de aanbouw aan de achterkant van het gebouw in het definitieve ontwerp daadwerkelijk aangebouwd wordt, dan dient aanvullend onderzoek plaats te vinden om aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen. Wanneer niet direct wordt aangebouwd, dient rekening te worden gehouden met mogelijk aanwezige aanvliegroutes en verstoring van vleermuizen. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute.

Teunisbloempijlstaart Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de beschermde insecten of ongewervelden, namelijk grote vos, iepenpage en teunisbloempijlstaart. Uit het onderzoek blijkt dat negatieve effecten ten aanzien van de grote vos en de iepenpage uitgesloten kunnen worden. In verwilderde hoek met hogere, kruidachtige vegetatie in het noordoosten van het projectgebied en rondom de wateropslag, is de verwachting dat er waardplanten zullen groeien. De teunisbloempijlstaart is tijdens het

pagina 35 van 58

veldbezoek niet waargenomen. Deze soorten is in de winterperiode slecht of zelfs niet zichtbaar, waardoor de aanwezigheid hiervan niet volledig kan worden uitgesloten. Derhalve is in juni 2025 een aparte inspectie uitgevoerd (Blom Ecologie, d.d. 13 juni 2025, bijlage 5). Tijdens het veldbezoek is één teunisbloem waargenomen op de rand van de vegetatie in het noorden van de planlocatie. Daarnaast zijn er enkele viltige basterdwederiken in het zuiden van de planlocatie aangetroffen. De rest van de vegetatie op de planlocatie bestaat uit hoge kruidige soorten en grassen. Door de dichte begroeiing ontbreken er voor rupsen geschikte plekken met een open, zonnig en warm microklimaat. Door de dichte begroeiing krijgen de waardplanten weinig kans om zich te ontwikkelen. De waardplanten zijn namelijk pionierssoorten, waardoor de concurrentiedruk van de aanwezige kruiden en grassen in het huidige successiestadium te hoog is. Hoewel het veldbezoek vroeg in het seizoen voor de teunisbloempijlstaart heeft plaatsgevonden, zijn er geen imago’s, eitjes, rupsen of vraatsporen aangetroffen op de waardplanten. Door het zeer lage aantal waardplanten en de afwezigheid van plekken met een geschikt microklimaat, is er geen sprake van essentieel leefgebied van de teunisbloempijlstaart. Negatieve effecten ten aanzien van de soort kunnen derhalve worden uitgesloten.

Reuzenberenklauw Ter plaatse van de planlocatie is sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Zo is de reuzenberenklauw aangetroffen. Deze valt onder de Unielijst Exoten en moet verplicht worden bestreden. Bij de start van bouwwerkzaamheden zal aandacht worden besteed aan de aanwezigheid van de reuzenberenklauw. Specifieke zorgplicht soorten Binnen een straal van 100 m zijn waarnemingen bekend van de volgende Vogelrichtlijn art. 4.2 en bijlage 1-soorten, Rode Lijst-soorten, Habitatrichtlijnbijlage II, IV en V soorten en nationaal beschermde soorten: haas, konijn, boerenzwaluw, keep, kneu, nachtegaal, oeverloper, ransuil, slobeend, spotvogel, torenvalk, tureluur, visdief, watersnip en wintertaling. Voor de volgende soorten geldt dat deze nog niet in de soortenbescherming beoordeeld zijn: haas, konijn, keep, kneu, nachtegaal, oeverloper, slobeend, spotvogel, tureluur, visdief, watersnip en wintertaling. Er is wat betreft de diverse onderzochte soorten geen sprake van nadelige effecten op soorten van de Habitatrichtlijn en Rode Lijst ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Gezien het bovenstaande zijn er geen preventieve maatregelen benodigd. Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan zelfstandige eenheden van bomen, met een oppervlakte van 1.000 m² of meer of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen.

Ten aanzien van de specifieke zorgplicht houtopstanden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden. Natuurinclusiviteit Een robuuste natuur draagt bij aan een aangename en klimaatbestendige leefomgeving. Binnen de beoogde ontwikkeling is mogelijk ruimte om enkele maatregelen te treffen ten gunste van inheemse natuur. De planlocatie kan mogelijk bijdragen aan het verbinden van verschillende groene structuren. Bij voorkeur wordt het nieuwe groen beplant met inheemse bomen, struiken en planten. In de beoogde bebouwing kunnen inbouwstenen worden gerealiseerd voor diverse vogel- en vleermuissoorten. Tevens worden de mogelijkheden voor verplantbaarheid van bestaande bomen onderzocht. Dit is ook als ambitie in het Masterplan beschreven.

pagina 36 van 58

Conclusie Bij de gefaseerde ontwikkeling van de planlocatie, waarbij aanvullende hotelvoorzieningen en aanpalende functies worden gerealiseerd, wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. Vervolgstappen

▪

Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient, indien de aanbouw aan de achterkant van de bebouwing daadwerkelijk aangebouwd wordt, aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden.

▪

Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient in mei of juli een inspectie naar de waardplanten van teunisbloempijlstaart uitgevoerd te worden. Hiervoor mag niet worden gemaaid. Indien uit de nadere inspectie blijkt dat deze aanwezig zijn, dan dient aanvullend onderzoek naar teunisbloempijlstaart uitgevoerd te worden in de periode 1 juli -15 augustus. Bij een waardplanteninspectie in juli kan deze inspectie tevens dienen als eerste veldbezoek voor het aanvullend onderzoek.

▪

De aanwezigheid van reuzenberenklauw dient verplicht bestreden te worden. Dit kan worden gedaan door de planten buiten de periode van zaadafzetting te verwijderen. De voorkeur gaat daarbij uit om de planten vóór de zaadafzetting te verwijderen.

Algemene en specifieke zorgplicht

▪

Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).

▪

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

▪

Eventueel

aanwezige

vegetatie

of

bodemmateriaal

(takken,

stronken)

voorafgaand

aan

de

werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de te verlaten.

▪

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

▪

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

▪

Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

▪

De beoogde dempwerkzaamheden leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. De dempwerkzaamheden dienen in één werkrichting worden uitgevoerd om aanwezige vissen voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden.

▪

De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die

pagina 37 van 58

mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

4.7

Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.

2.

Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.

Planspecifiek De planlocatie ligt in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen het aandachtsgebied mogen niet bijdragen aan de verdere verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling betreft gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met één ontsluitingsweg: een brutovloeroppervlakte van ten hoogste 100.000 m² wordt per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daardoor kan het initiatief als een project dat niet-in-betekende-mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit beschouwd worden. Een onderzoek naar de gevolgen van het initiatief op de luchtkwaliteit is niet nodig. Verder is met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het projectgebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2023 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het projectgebied bedragen respectievelijk 16,2 μg/m³, 8,6μg/m³ en 25 μg/m³. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden.

Er kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8

Geluid

De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

▪

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

pagina 38 van 58

▪

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

▪

gebouw voor kinderopvang met bedden;

Het

beschermen

van

deze

geluidsgevoelige

gebouwen

gebeurt

aan

de

hand

van

vastgestelde

geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.

Planspecifiek Het projectgebied ligt nabij de rijksweg A15. Een hotel en de andere beoogde voorzieningen (congreszalen, kantoorruimtes, bowlingbanen, een filmtheater en wellnessfaciliteiten) zijn is in het kader van het Bkl geen geluidgevoelige functies en zijn daarmee minder kwetsbaar voor geluidsbelasting vanuit de omgeving. Desalniettemin is akoestisch onderzoek uitgevoerd in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij het stelsel van standaardwaarden en grenswaarden uit het Bkl als afwegingskader is gebruikt. Het betreffende ‘Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai’ (Kragten, d.d. 7 juli 2025) is als bijlage 6 bijgevoegd. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat het gecumuleerd en gezamenlijk geluid ten hoogste 72 dB bedraagt. De hoogste geluidbelastingen worden berekend aan de noordzijde van de beoogde uitbreidingen (aan de zijde van rijksweg A15). Om hier een aanvaardbaar inpandig verblijfsklimaat (inpandig geluidniveau ten hoogste 33 dB Lden) te realiseren, zal de gevelgeluidwering tenminste 39 dB moeten bedragen. In een nadere uitwerking kan ervoor worden gekozen de hotelkamers aan minder geluidbelaste gevels te realiseren. De geluidbelasting van de beoogde gebouwen aan de zuidzijde (die door het verkeer op de gemeentewegen worden belast) bedraagt ten hoogste 62 dB.

In dat geval is een gevelgeluidwering van 29 dB voldoende om een binnengeluidniveau van 33 dB te creëren. Voor de congreszalen, bioscoop en kantoorruimtes zou de noordgevel als ‘niet geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen’ (bijvoorbeeld met geen te openen delen) kunnen worden uitgevoerd. Het is in dat geval aannemelijk dat een gevelgeluidwering van 39 dB haalbaar is. Gesteld kan worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Geur

Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Het onderdeel geur is geregeld in paragraaf 22.3.6 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (Bruidsschat). In artikel 5.91 Bkl is opgenomen wat geurgevoelige gebouwen zijn. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. In beginsel stelt de gemeente in het omgevingsplan regels voor geur om te zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan dan gelden de regels uit de Bruidsschat. Voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. De gemeente stelt in aanvulling hierop waar nodig 1 of meer bebouwingscontouren geur vast

pagina 39 van 58

waaraan een beschermingsniveau gekoppeld is. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke regels ze stelt. Tevens kan de gemeente omgevingswaarden voor geur opnemen in het omgevingsplan.

Planspecifiek Onderhavige ontwikkeling betreft de uitbreiding van een hotel met verschillende voorzieningen. Een hotel is geen geurgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het uitvoeren van een geur onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Ook bevinden zich geen geuremiterende bedrijven in de nabijheid van de onderhavige locatie. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Omgevingsveiligheid Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties. Kwetsbare gebouwen en locaties Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen.

Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage IV van het Bkl. Een gemeente kan ook andere categorieën van locaties of gebouwen een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden, door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening houden met een standaardwaarde (PR 10-6-contour) voor het plaatsgebonden risico.

'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden.

pagina 40 van 58

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Risicobronnen Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden. Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.

Planspecifiek Externe veiligheidsrisico’s kunnen ontstaan door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en over transportroutes (weg, spoor en water) en het gebruik of de opslag van gevaarlijke stoffen. Om dit inzichtelijk te maken is door Kragten een ‘Beschouwing externe veiligheid’ (d.d. 30 januari 2025) uitgevoerd. De rapportage is als bijlage 7 bijgevoegd. Op de onderstaande afbeelding is de globale ligging van het projectgebied ten opzichte van de risicobronnen weergegeven.

Globale ligging projectgebied (rode omlijning) ten opzichte van de risicobronnen (bron: Kragten/Atlas Leefomgeving)

pagina 41 van 58

Uit een inventarisatie blijkt dat het projectgebied grotendeels binnen het explosie- en gifwolkaandachtsgebied van rijksweg A15 en binnen het brandaandachtsgebied als gevolg van hogedruk aardgasleidingen is gelegen. Daarnaast ligt het projectgebied ook binnen het gifwolkaandachtsgebied danwel placeholderaandachtsgebied als gevolg van enkele bedrijven. Rijksweg A15 Op circa 100 meter van het projectgebied is de rijksweg A15 (wegvak Z74) gelegen. Deze weg kent een PR10-6 risicocontour, echter op grond van de afstand reikt deze niet tot aan het projectgebied, waardoor dit aspect geen aandachtspunt vormt voor de planvorming. Aangezien de personendichtheid zal toenemen als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is het aannemelijk dat de hoogte

van

het

groepsrisico

zal

toenemen.

Het

projectgebied

is

nagenoeg

volledig

binnen

het

explosieaandachtsgebied en volledig binnen het gifwolkaandachtsgebied gelegen van deze weg. Om die reden wordt verder ingegaan op de aspecten bestrijding, zelfredzaamheid en risicocommunicatie. Bestrijding calamiteit Bij een calamiteit moet de brandweer in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie ‘Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019’ van Brandweer Nederland. In aanvulling hierop kan gemeld worden dat tevens voldaan moet worden aan de ‘Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR’ (d.d. 17 juli 2019) van Brandweer RotterdamRijnmond. Met die handleiding draagt de VRR bij aan een adequate bluswatervoorziening en goede bereikbaarheid binnen de regio, waarbij aangesloten wordt op het landelijke beleid en de landelijke ‘Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019’. Hieruit volgt het advies dat het projectgebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen. Als gevolg van de planvorming blijven de hoofdinfrastructuren ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie.

Ook de beoogde nieuwbouw ligt aan deze infrastructuren. Bij de verdere uitwerkingen in de opvolgende BOPA’s komt dit nader aan bod. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Binnen het onderhavige plan worden geen functies voorzien specifiek voor minder zelfredzame personen. Het plan omvat de ontwikkeling van een hotel met diverse separate nevenfuncties. Indien toch minder zelfredzame personen aanwezig zijn bij een calamiteit, zullen deze personen met hulp van de aanwezige BHV organisatie, danwel zelfredzame personen in veiligheid gebracht worden. Binnen het explosieaandachtsgebied is vluchten het uitgangspunt, waarbij een vroegtijdige alarmering van levensbelang is om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. De mogelijkheden om te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de risicobron af te richten. Vluchtroutes dienen duidelijk te worden aangeduid.

pagina 42 van 58

In de voorliggende situatie kan in zuidelijke richting over de Krommeweg gevlucht worden, afzijdig van de risicobron. De verdere uitwerking en detaillering hiervan komt bij de opvolgende BOPA’s nader aan bod. Bedrijven In de nabijheid van het projectgebied zijn diverse bedrijven aanwezig. Gebleken is dat het projectgebied binnen het gifwolkaandachtsgebied of het placeholder aandachtsgebied van enkele van deze bedrijven is gelegen. Ten aanzien van het gifwolkaandachtsgebied, dat ook geldt vanuit de rijksweg en diverse bedrijven dienen de aspecten beheersbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid nader te worden beschouwd. Bestrijding calamiteit Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen op de weg of als gevolg van een calamiteit bij een bedrijf kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het projectgebied is met het oog op een toxisch scenario niet relevant. Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobronnen maatgevend. De inrichting van het projectgebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron.

Zelfredzaamheid Indien minder zelfredzame personen aanwezig zijn, is het uitgangspunt dat zij met hulp van de aanwezige BHVorganisatie en valide personen in veiligheid gebracht worden. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident bij de rijksweg of een bedrijf is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Bij nieuwbouw zal op grond van de geldende wet- en regelgeving voldoende aandacht worden geschonken aan naad- en kierdichting, zodat de ruimten zo goed als mogelijk luchtdicht zijn en er dient een mechanisch ventilatiesysteem toegepast te worden dat handmatig uitgeschakeld kan worden. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. Deze wegen zijn aanwezig. Buisleidingen Het meest zuidelijk deel van het projectgebied wordt doorkruist door twee hogedruk aardgasleidingen. Deze buisleidingen kennen geen PR10-6 risicocontour, waardoor dit aspect geen aandachtspunt vormt voor de planvorming. Wel ligt het plan volledig binnen het brandaandachtsgebied als gevolg van deze buisleidingen.

Aangezien de personendichtheid zal toenemen als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is het aannemelijk dat de hoogte van het groepsrisico zal toenemen. Onderstaand worden de aspecten beheersbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid nader beschouwd.

pagina 43 van 58

Beheersbaarheid en bestrijding calamiteit Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Bij een dreigende breuk van een van de hogedruk aardgasleidingen richt de brandweer zich op het veilig stellen van het effectgebied en het voorkomen van een ontsteking. Als uitstroming plaatsvindt, zal de Gasunie de leiding inblokken. Afhankelijk van het systeem en de afstand tot de breuk kan het enkele uren duren voor de leiding is leeg gelopen. In geval van een directe ontsteking kunnen hulpdiensten door de enorme hittestraling de fakkel beperkt benaderen om gewonden te helpen. De fakkel zelf kan niet door de brandweer worden geblust. Er dient te worden gewacht tot het ingeblokte leidingdeel leeg is gelopen. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid in algemene zin en de specifieke risicolocatie cruciaal. De aspecten ‘bereikbaarheid calamiteit’ en de ‘(primaire en secundaire) bluswatervoorziening’ speelt hierin een rol. Zelfredzaamheid Het risico op een incident met een hoge druk aardgasleiding wordt voornamelijk bepaald door het risico van schade aan de leiding door (graaf)werkzaamheden nabij de leiding. Een belangrijkste bronmaatregel om het risico te verkleinen is om in het omgevingsplan op te nemen dat binnen het belemmeringengebied van 5 meter aan weerszijden van de leidingen een bouwverbod geldt.

In de voorliggende situatie is geen bebouwing voorzien ter plaatse van de belemmeringenstrook. Het grootste risico op een incident bij een buisleiding ontstaat bij graafwerkzaamheden. Om die reden dienen grondwerkzaamheden enkel onder toezicht van de leidingbeheerder uitgevoerd te worden en dienen onderhoudswerkzaamheden afgestemd te worden met de initiatiefnemer. Verder wordt geadviseerd om heien op minder dan 20 meter van de buisleiding onder toezicht van de leidingbeheerder te laten uitvoeren. Door deze maatregelen wordt het groepsrisico verder gereduceerd. Dit zal nader afgestemd worden in het kader van de brandpreventieve toets bij de opvolgende BOPA’s. Binnen het brandaandachtsgebied van de aardgastransportleiding is vluchten de beste optie. Wat betreft een fakkelbrand na leidingbreuk geldt dat deze zich snel kan ontwikkelen. Afhankelijk van de afstand van de bebouwing tot de aardgasleiding, zijn er scenario´s waarbij vluchten niet of nauwelijks mogelijk is. De hittestraling is daarvoor te groot. Indien het incident op grotere afstand van het projectgebied plaatsvindt zijn de mogelijkheden voor zelfredzaamheid groter. Vluchten kan alleen maar via een route buiten het ´zicht´ van de fakkel. In de onderhavige situatie is vluchten bij een calamiteit voor een groot deel van het plan goed mogelijk. Wel dienen vluchtmogelijkheden in noordelijke richting gerealiseerd te worden.

Mogelijkheden hiertoe zijn in beginsel aanwezig in de vorm van de bestaande (nood-)aansluiting op het bestaande fietspad ten noorden van het plangebied. Aangezien het plan omsloten is door water, dienen hier wellicht aanvullende voorzieningen voor getroffen te worden. In overleg met gemeente en brandweer zal dat nader worden bekeken in het kader van de opvolgende BOPA’s. Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op het eerder genoemde scenario). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. Het opstellen van een bedrijfsnoodplan en de bedrijfshulpverlening inrichten en oefenen op de beschreven scenario’s

pagina 44 van 58

zijn interne maatregelen die de zelfredzaamheid verhogen. In het ontruimingsplan (dit maakt onderdeel uit van het bedrijfsnoodplan) dient onder andere te worden beschreven:

▪

wie de organisatie van het evacueren begeleidt;

▪

de verantwoordelijkheden;

▪

waar de verzamelplaats is;

▪

de organisatie op de verzamelplaats;

▪

wie zorg draagt voor alarmering.

Het ontruimingsplan dient opgesteld te worden in samenspraak met de brandweer. Daarnaast dienen ontruimingsoefeningen te worden gedaan waarbij de frequentie hiervan in overleg met de brandweer kan worden vastgesteld. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de Veiligheidsregio’s uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. Bij de verdere uitwerkingen wordt hiermee rekening gehouden en zal er afstemming met Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond en brandweer plaats hebben.

Groepsrisicoberekening Aangezien de planontwikkeling zorgt voor een verhoogd groepsrisico moet op basis van artikel 7.18, lid 1 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening een berekening van het groepsrisico uitgevoerd worden. Door bureau Kragten worden deze Safeti-berekening uitgevoerd. Dat rapport wordt bij de bouwtechnische toets ingediend. Uit de berekeningen zal, gelet op de omvang van het initiatief, naar verwachting blijken dat sprake is van een verhoogd groepsrisico. Dat betekent dat maatregelen vereist zijn ten aanzien van de bereikbaarheid, de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid en mogelijk bouwkundige maatregelen. Zoals uit het voorgaande blijkt zijn er op die vlakken voldoende mogelijkheden aanwezig om aan de eisen te voldoen. Het is altijd oplosbaar.. Op voorhand kan dan ook gesteld worden dat het groepsrisico geen belemmering gaat vormen voor het initiatief.

Advies In de ‘Beschouwing externe veiligheid’ zijn elementen aangedragen die de gemeenteraad kan gebruiken bij de oordeelsvorming inzake de omgevingsveiligheid voor het aspect externe veiligheid, dit is hierboven uitgeschreven. De gemeente Ridderkerk heeft in het kader van de ruimtelijke procedure advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. Bij brief van 14 augustus 2025 (kenmerk z481385/d1784250) heeft de veiligheidsregio advies heeft uitgebracht over de mogelijkheden voor effectieve hulpverlening, de zelf- en samenredzaamheid van de aanwezigen en de continuïteit van de samenleving. Naar aanleiding hiervan is de onderbouwing aangevuld met de regionale handreiking. Ten aanzien van de vluchtroutes wordt opgemerkt dat er extra mogelijkheden zijn voor een vluchtroute en voor de bereikbaarheid van hulpdiensten via een bestaande (nood-)aansluiting op het fietspad ten noorden van het plangebied. In het Masterplan is aangegeven dat de ontwikkellocaties op minimaal 5 meter afstand moeten blijven van de buisleidingen van Gasunie. De Gasunie heeft ook ingestemd met deze afstandsmaat. Verder is er bijzonder aandacht voor graafwerkzaamheden nabij de gasleidingen. Deze dienen onder toezicht van de leidingbeheerder uitgevoerd te worden en dienen afgestemd te worden met de initiatiefnemer.

Dit zal nader afgestemd worden in het kader van de brandpreventieve toets bij de opvolgende BOPA’s. In paragraaf 5.3 Bestuurlijk overleg wordt hier ook op ingegaan.

pagina 45 van 58

4.11 Trillingen Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (Bruidsschat). Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. In het voorliggende geval is geen sprake van een trillinggevoelige gebouwen of trillinggevoelige ruimten, zoals bedoeld in artikel 5.80 en 5.81 Bkl. Tevens moet binnen een afstand van 100 of 250 meter van een spoorlijn het risico op trillingshinder worden beoordeeld. De onderhavige locatie bevindt zich ver buiten deze zones van de spoorlijn, zodat het aspect trilling geen belemmering zal vormen.

4.12 Welstand Artikel 22.29 lid 1 onder b van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (Bruidsschat) bepaalt dat bestaande en nieuwe bouwwerken niet in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Veel gemeenten hebben deze welstandsnota waarin zij de beleidsregels hebben opgenomen. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan blijven de huidige welstandsregels van toepassing. In het omgevingsplan kunnen welstandscriteria echter ook worden opgenomen in de ruimtelijke planregels, in plaats van in beleidsregels. Ook zijn er gemeenten die bepaalde gebieden hebben aangewezen die welstandsvrij zijn. Er vindt in deze gebieden dan geen welstandstoets plaats. Ook kunnen voor nieuwe ontwikkelingen bijvoorbeeld specifieke welstandsregels gelden die zijn opgenomen in een beeldkwaliteitsplan.

Planspecifiek Het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk mogen niet in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand, zoals vastgelegd in de ‘Welstandsnota 2009’. Voor wat betreft de gebiedsgerichte welstandcriteria valt het betreffende projectgebied binnen het ‘Buitengebied’, waar een regulier welstandsregime van toepassing is. Binnen dit regime gelden diverse beoordelingsregels waaraan de toekomstige bebouwing moet voldoen. Deze regels richten zich onder meer op afwisseling en individualiteit, zorgvuldige detaillering, en het gebruik van traditionele materialen en kleuren. Aangezien de onderhavige onderbouwing uitsluitend betrekking heeft op de aanvraag voor het afwijkend gebruik, kan op dit moment nog niet gedetailleerd worden ingegaan op deze aspecten. Een uitgebreide beoordeling van de welstandscriteria zal plaatsvinden bij de indiening van de omgevingsvergunningen voor de activiteit ‘bouwen’. Er kan gesteld worden dat het aspect welstand geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.13 Archeologie, Cultuurhistorie en Erfgoed In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en

pagina 46 van 58

beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Daarnaast zijn er algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. In art. 5.130 Bkl (behoud cultureel erfgoed) is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd.

Deze richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Planspecifiek Archeologie Op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart gemeente Ridderkerk (2013) wordt aan de onderhavige locatie een middelgrote archeologische verwachting toegekend. Vervolgens is in opdracht van de Gemeenschappelijke Regeling Nieuw Reijerwaard (GRNR) in de periode maart/mei 2015 een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd met karterende boringen. Het doel van dit onderzoek was het begrenzen van enkele zones met oeverafzettingen en het bepalen van de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen. De bevindingen zijn verwerkt in het ‘Wijzigingsplan Archeologie Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard’ (vastgesteld op 20 februari 2018 door de gemeente Ridderkerk). Volgens dit wijzigingsplan zijn er op de locatie van het projectgebied geen archeologische verwachtingen vastgesteld. Tevens heeft Archeologie Rotterdam op 24 september 2025 advies uitgebracht over de noodzaak van het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek in het kader van de voorgenomen grondwerkzaamheden ter plaatse van het Van der Valk Hotel Ridderkerk voor de bouw van het ‘VdV Leisuregebouw’. Het advies is als bijlage 11 bijgevoegd. Archeologie Rotterdam ziet naar aanleiding van de voorgelegde plannen voor de bouw van het ‘VdV Leisuregebouw’ geen reden tot archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1274/documents/42879