Bijlage 2. Waterbodemonderzoek VMT
Tekst van het document
RAPPORT: Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1) Beekweide II te Renswoude
PROJECTNUMMER: B19.7557 Versie: 01
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V. Van Voordenpark 16 5301 KP Zaltbommel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl
RAPPORT: Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude
PROJECTNUMMER: B19.7557 Versie: 01
OPDRACHTGEVER: Gemeente Renswoude
DATUM: 19 januari 2021
Auteur:
Autorisatie:
M. Schimmel MSc. Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.
ing. H.M.W. van der Donk Senior projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.
B19.7557/R7557-01/MS
De informatie in deze rapportage mag niet worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
2
SAMENVATTING De gemeente Renswoude heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek, een verkennend onderzoek naar asbest en een verkennend waterbodemonderzoek voor de herontwikkelingslocatie Beekweide II te Renswoude, gelegen tussen de Beekweide, Barneveldsestraat en de Meidoornlaan. De aanleiding tot de onderzoeken wordt gevormd door de resultaten van een eerder uitgevoerd historisch onderzoek conform de NEN 5725 [1] en de voorgenomen woningbouwontwikkeling op de onderzoekslocatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5717:2017, de NEN 5740/A1:2016, de NEN 5720:2017 en deels conform de NEN 5707:2015/C2:2017. Het geohydrologisch onderzoek is uitgevoerd door een onderaannemer, indien noodzakelijk conform de geldende norm en/of certificering (zie bijlage 11). Het doel van de onderzoeken is het vaststellen de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem (deels inclusief asbest) op de onderzoekslocatie teneinde vast te stellen of bezwaren bestaan tegen voorgenomen woningbouwontwikkeling. Tevens dienen de civieltechnische hergebruiksmogelijkheden te worden bepaald van eventuele funderingslagen. Aanvullend dient bepaald te worden of de locatie geschikt is voor het infiltreren van water middels een geohydrologische bureaustudie en infiltratieproeven. Verhoeven Milieutechniek B.V.
(certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Conclusies historische gegevens Voorafgaand aan het bodemonderzoek is reeds een historisch vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725:2017. De resultaten hiervan (inclusief eerste onderzoeksopzet) zijn beschreven in de rapportage B18.7303/HO -02/MH, d.d. 5 april 2019. Hieruit is gebleken dat in verband met de voorgenomen woningbouwontwikkeling een verkennend (water)bodem- en asbestonderzoek dient uitgevoerd te worden. De aangegeven verdachte (voormalige) bedrijfsactiviteiten, die gerelateerd zijn aan het huidige en voormalige gebruik van de locatie, bevinden zich binnen de onderzoekslocatie en worden derhalve meegenomen in het verkennend (water)bodem- en asbestonderzoek. In de onderstaande tabel zijn de meest relevante conclusies samengevat weergegeven. Tabel 1: Conclusies historisch onderzoek en locatiebezoek Onderdeel Algemene bodemkwaliteit inclusief bedrijfslocaties 1 (bovengrondse) brandstoftank Opslag/stalling landbouwmachines Volkstuinencomplex, woonwagenkamp en opslagplaats gemeente Gedempte sloten Waterbodem vennen en perceelsloten
Verdachte parameters PAK, PCB, metalen, minerale olie, asbest (deels) Minerale olie, vluchtige aromaten PAK, PCB, metalen, minerale olie, OCB (deels) PAK, PCB, metalen, minerale olie, OCB (deels), asbest PAK, PCB, metalen, minerale olie PAK, PCB, metalen, minerale olie
Fasering onderzoeken Aangezien de bedrijfslocaties aan de Barneveldsestraat (deels) nog niet waren vrijgegeven worden voor de uitvoering van de onderzoeken, zijn de onderzoeken op het overig terrein in een eerste fase uitgevoerd in april en mei 2010. Het verkennend bodem- en asbestonderzoek ter plaatse van de bedrijfslocaties (gedeeltelijke kadastrale percelen 3447, 3788, 2677, 3254 en 3255) wordt in een later stadium (fase 2) onderzocht en zal in een aanvullende rapportage worden beschreven. In voorliggende rapportage worden enkel de onderzoeksresultaten van fase 1 behandeld. Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
3 Conclusies en aanbevelingen Verkennend bodemonderzoek Algemene kwaliteit gehele terrein (inclusief volkstuinen, gemeente opslag, slootdempingen en voormalig ven) Voor de algemene kwaliteit van de onderzoekslocatie werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese worden aangenomen, aangezien in de bovengrond en in het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters zijn aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten voor onderzochte parameters aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende streef- en achtergrondwaarden. Aangezien de (gestandaardiseerde) meetwaarden de indexwaarde van 0,5 niet overschrijden, zijn verder geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb. Zintuiglijk en/of analytisch zijn geen (ernstige) verontreinigingen aangetroffen ter plaatse van de volkstuinen, gemeente opslag, slootdempingen en voormalig ven. Naar verwachting is voorafgaand aan de demping eventueel slib uit de watergangen verwijderd en zijn de watergangen gedempt met gebiedseigen grond.
PFAS Op basis van de resultaten voor de PFAS parameters in de onderzochte grondmengmonsters MMPFAS01 t/m MMPFAS05 en MMPFAS201 van de zintuiglijk schone bovengrond (zand) voldoet de grond aan de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde) uit het tijdelijk handelingskader. Zodoende bestaat voor deze grond voor wat betreft PFAS geen bezwaren voor toepassing elders, behoudens in grondwaterbeschermingsgebieden. Verkennend onderzoek naar asbest Op zowel het maaiveld als in de opgeboorde en opgegraven grond is zintuiglijk (fractie > 20 mm) geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Voor de volkstuinen volkstuinencomplex en opslagplaats gemeente is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen, aangezien zowel zintuiglijk (fractie > 20 mm) als analytisch (fractie < 20 mm) geen asbest is aangetroffen (< 2 mg/kg d.s.). Tevens is op het terrein achter de Barneveldsestraat 14 zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond, waardoor dit terrein definitief niet verdacht is op het voorkomen van een asbestverontreiniging. Ter plaatse van het overige braakliggende terrein zijn eveneens geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen waardoor hier een verkennend onderzoek naar asbest definitief niet noodzakelijk is.
Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
4 Waterbodemonderzoek Voor het waterbodemonderzoek is de hypothese gesteld van een verspreidbare waterbodem. Op basis van de onderzoeksresultaten (inclusief PFAS) kan de gestelde hypothese worden aangenomen, aangezien op basis van de T5 toetsing de het slib en de vaste waterbodem uit zowel de sloot (G101 t/m G120) als uit de vijver (G301 t/m G312) als ‘verspreidbaar’ geclassificeerd voor verspreiding op het aangrenzende perceel. Verder is het slib en de vaste waterbodem uit de sloot (G101 t/m G120) als klasse ‘altijd toepasbaar’ tot maximaal klasse ‘wonen’ geclassificeerd voor toepassing op de landbodem (T1). Het slib en de vaste waterbodem is ‘niet toepasbaar’ voor toepassing in zoet oppervlaktewater (T3) op basis van de gehalten voor PFAS. Het slib uit de vijver is als klasse ‘altijd toepasbaar’ geclassificeerd voor zowel toepassing op de landbodem (T1) als voor toepassing in zoet oppervlaktewater (T3). Voor de hoeveelheid slib in de watergang dient rekening te worden gehouden met een baggervolume van circa 35 m3. Voor de hoeveelheid slib in de vijver dient rekening te worden gehouden met een baggervolume van circa 4 m3.
Algehele conclusie en aanbevelingen Middels de voorliggende onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem ten behoeve van de voorgenomen woningbouwontwikkeling ter plaatse van de herontwikkelingslocatie Beekweide II te Renswoude, gelegen tussen de Beekweide, Barneveldsestraat en de Meidoornlaan, in voldoende mate vastgesteld voor fase 1. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan ons inziens geen belemmeringen tegen de voorgenomen herontwikkeling ter plaatse van het onderzochte deel (fase 1). Op basis van de resultaten van het PFAS-onderzoek voldoet de onderzochte grond aan de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde) uit het tijdelijk handelingskader. Zodoende bestaan voor wat betreft PFAS geen bezwaren voor toepassing elders, behoudens grondwaterbeschermingsgebieden. Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen worden verlangd. Voor de bedrijfslocaties (gedeeltelijke kadastrale percelen 3447, 3788, 2677, 3254 en 3255) dient in een later stadium (fase 2) nog de milieuhygiënische kwaliteit te worden vastgelegd middels aanvullend verkennend bodem- en asbestonderzoek.
Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
5 INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING................................................................................................................................................ 2 1.
INLEIDING .................................................................................................................................................. 6
2.
DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN .................................................................................. 6
3.
LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................................................... 6 3.1. ALGEMENE GEGEVENS................................................................................................................................ 6 3.2. HISTORISCH ONDERZOEK (NEN 5717 EN 5725) ........................................................................................ 7 3.3. GEOHYDROLOGISCH ONDERZOEK ............................................................................................................. 8
4.
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE .......................................................................................... 9 4.1. BODEMOPBOUW .......................................................................................................................................... 9 4.2. GEOHYDROLOGIE ....................................................................................................................................... 9
5.
HYPOTHESE ............................................................................................................................................... 9
6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK .......................................................................................................... 10 6.1. ONDERZOEKSSTRATEGIE DIVERSE ONDERZOEKEN ................................................................................. 10 6.2. VELDWERKZAAMHEDEN ........................................................................................................................... 11
7.
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ........................................................................ 14 7.1. GROND/GRONDWATER .............................................................................................................................. 14 7.2. ASBEST ...................................................................................................................................................... 15 7.3. WATERBODEM .......................................................................................................................................... 16 7.4. INFILTRATIE .............................................................................................................................................. 19
8.
LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN RESULTATEN ........................................................... 20 8.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ............................................................................................................... 20 8.2. LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN .............................................................. 20 8.3. INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ................................................................................................... 26
9.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN FASE 1 ................................................................................... 28 9.1. VERKENNEND BODEMONDERZOEK........................................................................................................... 28 9.2. VERKENNEND ONDERZOEK NAAR ASBEST................................................................................................ 28 9.3. WATERBODEMONDERZOEK ...................................................................................................................... 29 9.4. ALGEHELE CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ........................................................................................... 29
10. REFERENTIES .......................................................................................................................................... 30 BIJLAGEN
1. 2a. 2b. 2c. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11.
Situering in de regio Situatieschets met geplaatste boringen, peilbuizen en proefgaten Situatieschets met situering grepen waterbodem Dwarsdoorsneden watergangen Boorprofiel beschrijvingen Analysecertificaten grond, grondwater, asbest en waterbodem Streef-, achtergrond- en interventiewaarden grond en grondwater Toetsingstabellen waterbodem Toetsingstabellen PFAS grond en waterbodem (T1) Veldwerkformulieren onderzoek naar asbest Locatieformulier waterbodem (NEN5717) Historisch onderzoek Rapportage geohydrologisch onderzoek Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
6 1.
INLEIDING De gemeente Renswoude heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek, een verkennend onderzoek naar asbest en een verkennend waterbodemonderzoek voor de herontwikkelingslocatie Beekweide II te Renswoude, gelegen tussen de Beekweide, Barneveldsestraat en de Meidoornlaan. De aanleiding tot de onderzoeken wordt gevormd door de resultaten van een eerder uitgevoerd historisch onderzoek conform de NEN 5725 [1] en de voorgenomen woningbouwontwikkeling op de onderzoekslocatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5717:2017 [2], de NEN 5740/A1:2016 [3], de NEN 5720:2017 [4] en deels conform de NEN 5707:2015/C2:2017 [5]. Het geohydrologisch onderzoek is uitgevoerd door een onderaannemer, indien noodzakelijk conform de geldende norm en/of certificering (zie bijlage 11). Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heren ing. H.M.W. van der Donk en M. Schimmel MSc.
2.
DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN Het doel van de onderzoeken is het vaststellen de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem (deels inclusief asbest) op de onderzoekslocatie teneinde vast te stellen of bezwaren bestaan tegen voorgenomen woningbouwontwikkeling. Tevens dienen de civieltechnische hergebruiksmogelijkheden te worden bepaald van eventuele funderingslagen. Aanvullend dient bepaald te worden of de locatie geschikt is voor het infiltreren van water middels een geohydrologische bureaustudie en infiltratieproeven.
3.
LOCATIEGEGEVENS 3.1.
Algemene gegevens
Het onderzoeksgebied omvat de locatie tussen het sportpark De Hokhorst en de Barneveldsestraat te Renswoude, waar men voornemens is om een nieuwbouwwijk te realiseren. De onderzoekslocatie staat kadastraal bekend als gemeente Renswoude, sectie C, nummers 2328 (ged.), 3050, 3827 (ged.), 3435, 3788, 3447 (ged.), 3254, 2677 (ged.), 3255 en 3256 (ged.). Op de locatie zijn op een deel enkele bedrijfslocaties aanwezig met naar verwachting diverse (voormalige) bodembedreigende activiteiten. Daarnaast is een groot gedeelte braakliggend, waarbij de aanwezigheid van diverse (puin)verhardingen en -paden niet kan worden uitgesloten. Tevens zijn naar verwachting diverse sloten aanwezig, die mogelijk worden gedempt. De gehele onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 6,5 ha. Voor de situering van de onderzoekslocatie in de regio wordt verwezen naar bijlage 1.
Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
7
3.2.
Historisch onderzoek (NEN 5717 en 5725)
Historisch onderzoek conform de NEN 5725 (Landbodem) Voorafgaand aan het bodemonderzoek is reeds een historisch vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725:2017. De resultaten hiervan (inclusief eerste onderzoeksopzet) zijn beschreven in de rapportage B18.7303/HO -02/MH, d.d. 5 april 2019. Hieronder staan de conclusies van het historisch onderzoek vermeld. Voor de volledigheid is het complete rapport (zonder bijlagen) opgenomen als bijlage 10. Uit de historische informatie komen de volgende verdachte aandachtspunten naar voren. Diverse bedrijfslocaties, deels met asbestverdachte dakbedekking; 2 bovengrondse opslagtanks; Opslag/stalling landbouwmachines op stelcon; Volkstuinencomplex, woonwagenkamp en opslagplaats gemeente; Diverse werkzaamheden waarbij de depots grond op de locatie aanwezig zijn (geweest); 3 voormalige watergangen; Diverse perceelsloten en aanwezige vijvers/vennen. In verband met de voorgenomen woningbouwontwikkeling dient een verkennend (water)bodemen asbestonderzoek uitgevoerd te worden. De aangegeven verdachte (voormalige) bedrijfsactiviteiten, die gerelateerd zijn aan het huidige en voormalige gebruik van de locatie, bevinden zich binnen de onderzoekslocatie en worden derhalve meegenomen in het verkennend (water)bodem- en asbestonderzoek. In de onderstaande tabel zijn de meest relevante conclusies samengevat weergegeven.
Tabel 3.1: Conclusies historisch onderzoek en locatiebezoek Onderdeel Algemene bodemkwaliteit inclusief bedrijfslocaties 1 (bovengrondse) brandstoftank Opslag/stalling landbouwmachines Volkstuinencomplex, woonwagenkamp en opslagplaats gemeente Gedempte sloten Waterbodem vennen en perceelsloten
Verdachte parameters PAK, PCB, metalen, minerale olie, asbest (deels) Minerale olie, vluchtige aromaten PAK, PCB, metalen, minerale olie, OCB (deels) PAK, PCB, metalen, minerale olie, OCB (deels), asbest PAK, PCB, metalen, minerale olie PAK, PCB, metalen, minerale olie
Waterbodemkwaliteitsgegevens (NEN 5717) Aanvullend zijn de waterbodemgegevens opgevraagd bij het waterschap Vallei en Veluwe. Hiervan zijn voor zover als bekend geen gegevens van aangeleverd. De aanwezige sloten binnen de onderzoekslocatie betreffen afwateringsloten en dienen, net als de aanwezige vennen, als opvang voor hemelwaterberging en betreffen zoet water. Er zijn voor zover als bekend geen lozingspunten van vuil water op de aangegeven sloten. Daarnaast zijn de sloten in eigen beheer. Tijdens het locatiebezoek is gebleken dat een deel van de perceelsloten droog stond en deel, op de perceelsgrens ten oosten van de Barneveldsestraat, recent was gedempt. Daarnaast bleek 1 ven springbak te zijn voor paardensport. Hierin was geen water of slib aanwezig.
Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
8 PFAS Op 8 juli 2019 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van toepassing verklaard. Dit handelingskader en het directe ingangstermijn hiervan heeft de markt niet voorzien, maar heeft gevolgen voor de acceptatie van grond en baggerspecie bij grondbanken en verwerkers. Dus zodra er grond/slib van de locatie moet worden afgevoerd dient onderzoek plaats te vinden naar PFAS (28 parameters) en/of GenX. GenX betreft geen verdachte parameter voor deze regio. Aanvullend onderzoek naar PFAS is op onderhavige locatie noodzakelijk. Fasering onderzoeken Aangezien de bedrijfslocaties aan de Barneveldsestraat (deels) nog niet waren vrijgegeven worden voor de uitvoering van de onderzoeken, zijn de onderzoeken op het overig terrein in een eerste fase uitgevoerd in april en mei 2010. Het verkennend bodem- en asbestonderzoek ter plaatse van de bedrijfslocaties (gedeeltelijke kadastrale percelen 3447, 3788, 2677, 3254 en 3255) wordt in een later stadium (fase 2) onderzocht en zal in een aanvullende rapportage worden beschreven. In voorliggende rapportage worden enkel de onderzoeksresultaten van fase 1 behandeld. 3.3.
Geohydrologisch onderzoek
Door het onafhankelijke geotechnisch onderzoeksbureau, Loots Grondwatertechniek is een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd om de grondwaterstand, bodemopbouw en infiltratiecapaciteit uitgevoerd. Hiervoor zijn naast een bureaustudie aanvullende gegevens uit voorliggend bodemonderzoek en infiltratieproeven verzameld. Uit het onderzoek is gebleken dat de bodem goed water kan opnemen (5,0-10 m/dag of >10 m/dag). Wel wordt opgemerkt dat in (langdurig) natte periodes in het verleden de grondwaterstand vrij hoog was (circa 0,4 m minus maaiveld). Het infiltreren is dus niet altijd mogelijk. Bij het realiseren van infiltratievoorzieningen is het wel noodzakelijk een overstort te realiseren (welke te hoge grondwaterstanden zal voorkomen). Bijvoorbeeld een drainage/infiltratieriool met overstort. Voor de infiltratie van hemelwater kan waterberging plaatsvinden door middel van infiltratiekratten. Voor de complete rapportage van het geohydrologisch onderzoek wordt verwezen naar bijlage 11.
Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
9
4.
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE Bij de bepaling van de regionale bodemopbouw en geohydrologie zijn de gegevens van de websites www.dinoloket.nl en https://www.grondwatertools.nl gebruikt. 4.1.
Bodemopbouw
De aanwezige deklaag bestaat tot een diepte van circa 10 m-mv hoofdzakelijk uit midden tot fijn zand van de Formatie van Boxtel. Tot een diepte van circa 11 m-mv bevindt zicht een scheidende laag van de Formatie van Woudenberg, hoofdzakelijk bestaande uit veen. Tot een diepte van circa 13 m-mv wordt dit gevolgd door een watervoerend pakket dat bestaat uit midden, grof en fijn zand van de Formatie van Eem. De scheidende laag van circa 0,2 meter dik, bestaat hoofdzakelijk uit zandige klei en klei van de Formatie van Eem. Hieronder bevindt zich een watervoerend pakket van de Formatie van Drenthe. 4.2.
Geohydrologie
Het freatisch grondwater stroomt volgens de isohypsen kaart globaal in zuidelijke richting, De stromingsrichting van het ondiepe grondwater wordt beïnvloed door lokale factoren, zoals het drainagepatroon, oppervlaktewater (zoals de Luntersebeek), de ligging van rioleringen en de aanwezigheid van zandlichamen (voor kabels, leidingen en funderingen). De onderzoekslocatie is, naar verwachting, niet gesitueerd binnen een grondwaterbeschermingsgebied. 5.
HYPOTHESE Voor de algemene bodemkwaliteit wordt uitgegaan van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Hierbij worden het volkstuinencomplex en opslagplaats gemeente als meer verdacht beschouwd dan de braakliggende percelen. Daarnaast betreft het voorkomen van bestrijdingsmiddelen (OCB) en de voormalige watergangen eveneens aandachtspunten. Voor de volkstuinen volkstuinencomplex en opslagplaats gemeente dient tevens uit te worden gegaan van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Daarnaast betreft het voorkomen van (asbestverdacht) puin op het achterterrein van perceel 2328 (Barneveldsestraat 14) een aandachtspunt. Voor het waterbodemonderzoek wordt uitgegaan van verspreidbare baggerspecie.
Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
10
6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.
Onderzoeksstrategie diverse onderzoeken
Verkennend bodemonderzoek Algemene kwaliteit gehele terrein (inclusief slootdempingen) Het verkennend bodemonderzoek ten behoeve van de algemene bodemkwaliteit wordt uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie zoals beschreven in de NEN5740/A1:2016 voor een ‘diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming (VED-HE-NL) met een oppervlakte van maximaal 6 hectare. Voor de onverdachte ondergrond worden, conform de NEN 5740:2009/A1:2016 voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL), minimaal 8 analyses ingezet. In verband met de voormalige watergangen worden twee dwarsraaien van drie boringen per raai tot 2,0 m-mv opgenomen, waarvoor één extra NEN-pakket is opgenomen. Volkstuinen en gemeente opslag Voor het volkstuincomplex en opslagterrein van de gemeente (inclusief naastgelegen woonwagens) worden aanvullende veld- en laboratoriumwerkzaamheden uitgevoerd afgeleid van de onderzoeksstrategie voor een diffuse niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging (VED-HE-NL, < 5.000 m2). Hierbij wordt de bovengrond onderzocht op een standaard NEN-pakket, aangevuld met OCB. Alle boringen worden doorgezet tot 1,0 m-mv in verband met de aanwezige verhardingen, bebouwing en (voormalige) depots.
Voormalige ven (springruiterbak) Voor het voormalige vennetje wat in gebruik is (geweest) als springruiterbak, worden aanvullende veld- en laboratoriumwerkzaamheden uitgevoerd afgeleid van de onderzoeksstrategie voor een diffuse niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging (VEDHE-NL, < 100 m2). Hierbij wordt de bovengrond onderzocht op een standaard NEN-pakket, aangevuld met arseen, chroom en OCB (overeenkomstig het C2 water standaardpakket waterbodem). PFAS Aanvullend dient de (boven)grond op PFAS te worden onderzocht. De onderzoeksopzet voor het aanvullend bodemonderzoek naar PFAS is gebaseerd op de onderzoeksstrategie zoals beschreven in de NEN5740/A1:2016 voor een diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een homogeen verdeelde verontreinigde stof (VED-HO-NL, < 6 ha). Het onderzoek naar PFAS is uitgevoerd conform het tijdelijk handelingskader voor hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie, zoals verstrekt aan de Tweede Kamer (meest recente versie d.d. 29 november 2019). Dit handelingskader zal juridisch worden verankerd via een wijziging in de Regeling bodemkwaliteit; tot die tijd wordt het handelingskader gevolgd. Onderzoek naar asbest Volkstuinen en gemeente opslag De onderzoeksopzet voor het onderzoek naar asbest in grond ter plaatse van de volkstuinen en gemeente opslag is opgesteld conform de NEN 5707:2015/C2:2017.
Hierbij wordt de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie gehanteerd voor een diffuus belaste locatie met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging op schaal van de monsterneming (VED-HE) voor een locatie met een oppervlakte van maximaal 5.000 m2. Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
11 Achterterrein perceel 2328 (Barneveldsestraat 14) Aanvullend wordt het terrein achter de Barneveldsestraat 14 onderzocht op asbest afgeleid van de NEN 5707:2015/C2:2017, gezien de ligging ten opzichte van de verdachte bedrijfslocaties (welke in een later stadium nog worden onderzocht op asbest). De overige locatie is vooralsnog niet verdacht op het voorkomen van asbesthoudende materialen en puinhoudende bijmengingen, waardoor hier vooralsnog geen onderzoek naar asbest noodzakelijk is. Zintuiglijk kan tot 20 mm worden beoordeeld of asbestverdachte materialen aanwezig zijn. Voor de fractie < 20 mm dient dit middels een analyse te worden geverifieerd. Ten behoeve van het onderzoek naar asbest wordt tevens een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Van de meest verdachte grond- en/of puinlagen uit de proefgaten, worden mengmonsters samengesteld voor analyses op asbest conform NEN 5898:2015 (fractie < 20 mm). Aangezien de bedrijfslocaties (deels) nog niet waren vrijgegeven tijdens de eerste fase van het onderzoeken, zijn de diverse asbestonderzoeken gefaseerd uitgevoerd. Wel is getracht de werkzaamheden zoveel mogelijk te combineren.
Verkennend waterbodemonderzoek Het verkennend waterbodemonderzoek wordt voor de aanwezige perceelsloten uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie beschreven in de NEN5720:2017, onderzoeksstrategie voor een overig water, lintvormig, normale onderzoeksinspanning (OLN) met een maximale lengte van 1.000 meter. Het verkennend waterbodemonderzoek ter plaatse van de waterbergende ven/vijver wordt uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie beschreven in de NEN5720:2017, onderzoeksstrategie voor een overig water, niet-lintvormig, normale onderzoeksinspanning (ONLN). De waterbodemmonsters dienen geanalyseerd te worden op een standaard waterbodempakket C2 (NEN, aangevuld met arseen, chroom en OCB) en op PFAS. 6.2.
Veldwerkzaamheden
Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (certificatienr: ECSIK-20250 geldig tot 20-06-2022, afgegeven door Normec Certification). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat conform de geldende NEN/NPR-normen, conform BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2001, het plaatsen van handboringen en peilbuizen (versie 6), protocol 2003: veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek (versie 6) en protocol 2002 (versie 6): het nemen van grondwatermonsters. De veldwerkzaamheden ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest zijn eveneens uitgevoerd conform de geldende NEN/NPR-normen, BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2018: locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem (versie 6). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een schep, Edelmanboor en zuigerboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is de opgeboorde / opgegraven grond zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm).
Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
12 In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerker(s) weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data Fase 1 20 t/m 23 en 25 april 2020 24 april 2020 25 april 2020 1 mei 2020
Bedrijf
Gecertificeerde medewerker(s)
Protocol BRL SIKB
Verhoeven Milieutechniek B.V.
De heer M.A.H. van Baal & De heer D.W. Sluis De heer C.C.G. van Rossum De heer M.A.H. van Baal De heer M.A.H. van Baal
2001 (v. 6) 2018 (v. 6) 2001 (v. 6) 2003 (v. 6) 2002 (v. 6)
Verhoeven Milieutechniek B.V. Verhoeven Milieutechniek B.V. Verhoeven Milieutechniek B.V.
Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Grond Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek zijn in totaal 82 boringen geplaatst. Ter plaatse van de volkstuinen en gemeente opslag zijn 18 boringen (B17 t/m B34) geplaatst. Ten behoeve van de algemene kwaliteit ter plaatse van het braakliggend terrein zijn 64 boringen (B101 t/m B160) geplaatst. De boringen B201 t/m B206 zijn in het voormalige ven (springruiterbak) geplaatst. De voorgenomen boringen B01 t/m B16, ter plaatse van de bedrijfslocaties, dienen nog te worden uitgevoerd tijdens de 2e fase en zijn derhalve niet verder genoemd. Ten behoeve van het grondwateronderzoek zijn de boringen PB29, PB101, PB125, PB143 en PB147 dieper doorgezet en afgewerkt met een peilbuis. In tabel 6.2 op zijn de uitgevoerde veldwerkzaamheden weergegeven. Tabel 6.2: Uitgevoerde veldwerkzaamheden (Deel)locatie Volkstuinen en gemeente opslag Overig (braakliggend) terrein
Circa 1,0 m-mv B17, B19 t/m B23, B25 t/m B28, B30, B31, B33, B34 B102 t/m B116, B118 t/m B122, B124, B126 t/m B128, B130 t/m B142, B144, B145, B148 t/m B152, B154, B156, B157, B159, B160 B201 t/m B206
Voormalige ven (springruiterbak) Toelichting bij tabel 6.2: Geen boring geplaatst tot bovenstaande diepte.
Boringen / peilbuizen Circa 2,0 m-mv B18, B24, B32 B117, B123, B129A-C, B146, B153, B155A-C, B158 -
Peilbuis (filterstelling m-mv) PB29 (2,00 - 3,00) PB101 (2,50 -3,50) PB125 (2,00 - 3,00) PB143 (2,00 - 3,00) PB147 (1,50 - 2,50) -
De raaiboringen B129A-C en155A-C, zijn ter plaatse van een voormalige watergang geplaatst. Opgemerkt wordt dat ter plaatse van de recent gedempte sloot, grenzend aan de Barneveldsestraat 20, geen dwarsraai is geplaatst. Naar verwachting is hier sprake van demping met gebiedseigen grond en zal eventueel nog aanwezig slib van vergelijkbare kwaliteit zijn als de onderzochte nog aanwezige waterbodem in het verlengde van deze slootdemping. Grondwater Het grondwater uit de peilbuizen PB29, PB101, PB125, PB143 en PB147 is na een standtijd van minimaal een week en twee keer afpompen op 1 mei 2020 bemonsterd. De bemonstering heeft plaatsgevonden volgens de techniek van lage- troebelheidsbemonstering, waarbij de grondwaterstand (GWS), zuurgraad (pH), geleidbaarheid (EC) en troebelheid (NTU) van het grondwater in het veld zijn bepaald.
Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
13 Asbest Ten behoeve van het onderzoek naar asbest ter plaatse van de volkstuinen en gemeente opslag wordt allereerst een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het maaiveld op de onderzoekslocatie bedekt is met verharding (66 %). Ondanks de aanwezige belemmeringen heeft een efficiënte maaiveldinspectie (> 25 % zichtbaar) plaats kunnen vinden. Op het maaiveld zijn ter plaatse van de (puin)dammen geen asbestverdachte (plaat)materialen. Ten behoeve van de onderzoeksopzet zijn, ter plaatse van de volkstuinen en gemeente opslag, in totaal 18 proefgaten (B17 t/m B34) van 0,3 m x 0,3 m tot circa 0,5 m-mv gegraven. Op het terrein achter de Barneveldsestraat 14 zijn aanvullend 6 proefgaten (B147, B148 en B156 t/m B159) van 0,3 m x 0,3 m tot circa 0,5 m-mv gegraven. Voor de inspectie van de ondergrond zijn diverse proefgaten doorgezet tot in de ongeroerde ondergrond. Om een bodemverontreiniging met asbest vast te stellen is, per proefgat, de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. Hierbij is geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. In het veld zijn vijf grondmonsters samengesteld ten behoeve van het analytisch onderzoek naar asbest in de fijne fractie (< 20 mm).
Een overzicht van de samengestelde grondmonsters en de zintuiglijke waarnemingen met bijbehorende analyses is in tabel 8.6 van hoofdstuk 8 weergegeven. De veldwerkformulieren van het asbestonderzoek zijn opgenomen in bijlage 8. Waterbodem Ten behoeve van het waterbodemonderzoek zijn 20 grepen (G101 t/m G120), evenredig verdeeld over de watervoerende watergangen, van de waterbodem genomen. Enkel ter plaatse van de grepen G101 t/m G110 was slib (circa 3 tot 30 cm) en deels water aanwezig (maximaal 5 cm). Hier zijn ter hoogte van de grepen G102, G106 en 108 raaien geplaatst ten behoeve van de dwarsprofielen. Ter plaatse van grepen G111 t/m G120 stond de watergang droog en was ook geen slib aanwezig. Ter plaatse van de waterbergende ven/vijver zijn, middels een raster, 12 grepen (G301 t/m G312 evenredig verdeeld over ven/vijver, van de waterbodem genomen. In de ven/vijver was ten tijden van de veldwerkzaamheden water aanwezig. Er is een laag van circa 2 tot 12 cm slib aangetroffen en bemonsterd. De situatieschetsen met de geplaatste boringen, peilbuizen, grepen en proefgaten zijn opgenomen als bijlage 2a en 2b.
Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
14
7.
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 7.1.
Grond/grondwater
De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en/of grondwater aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [6]. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [7] en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De streefwaarden geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De achtergrondwaarden geven voor de grond het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de grond aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.
De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde achtergrondwaarde). Voor grondwater wordt de achtergrondwaarde in de formule vervangen door de streefwaarde. Indien de index groter is dan 1 wordt de interventiewaarde overschreden. Uit de toetsing van de GSSD aan de streef-, achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid: Bij een overschrijding van de streef- en/of achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd. Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een nader bodemonderzoek, dient de omvang van de verontreiniging(en) te worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering. Momenteel wordt gewerkt aan het toevoegen van toetsingswaarden voor PFAS aan de Regeling bodemkwaliteit tot die tijd moet het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (geactualiseerd d.d. 2 juli 2020), worden gehanteerd.
Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
15 In het tijdelijk handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/ natuur” (achtergrondwaarde) voor PFOA een toepassingsnorm van 1,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 1,4 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het is nu nog niet mogelijk om interventiewaarden voor PFAS te bepalen. Daarom heeft het RIVM (d.d. 5 maart 2020) voorlopige waarden afgeleid: de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV). Met de INEV’s kunnen gemeenten en provincies bepalen waar de bodem ernstig verontreinigd is en of meer onderzoek nodig is. Als de concentraties onder de INEV’s blijven, zijn er doorgaans geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. 7.2.
Asbest
De interventiewaarde voor asbest in de grond is vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [7] en maximale samenstellingswaarde voor asbest in puin is opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [6] en bedraagt in beide gevallen 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De aangetroffen concentraties voor asbestverdachte grond- en/of puinmonsters en aan asbestverdachte plaatmaterialen worden teruggerekend naar het in het veld geïnspecteerde volume en vervolgens getoetst aan de interventiewaarde bodemsanering. Als tijdens de analyse van asbest in fijne fractie (< 20 mm) blijkt dat er in een monster niethechtgebonden asbest is aangetroffen en dat er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie < 500 µm, wordt in de NEN 5898 geadviseerd een onderzoek naar het aantal respirabele vezels uit te voeren middels een Stereo Electro Microscoop (SEM) analyse. Als tijdens het onderzoek naar asbest in de grond een gewogen asbestgehalte van meer dan 1.000 mg/kg d.s. (hechtgebonden) en/of meer dan 100 mg/kg d.s. (niet-hechtgebonden) wordt aangetoond, moet op basis van de risicobeoordeling in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd.
Indien de gewogen asbestconcentratie groter is dan de halve interventiewaarde/maximale samenstellingswaarde, bestaat het vermoeden van een geval van ernstige (bodem)verontreiniging. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest is dan verplicht. De hoogst berekende waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest indien de berekende concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde/maximale samenstellingswaarde. Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707/NEN5897. Als respirabele vezels in de bovengrond (contactzone, of diepte graafwerkzaamheden) worden aangetoond en het gewogen gehalte van 10 mg/kg d.s. wordt overschreden is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst.
Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
16
7.3.
Waterbodem
De verontreinigingssituatie en/of toepassingsmogelijkheden van baggerspecie kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes aan de betreffende normwaarden. De normwaarden zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de baggerspecie. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de normwaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar de waarden voor standaard bodem. Indien deze niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Afhankelijk van de toepassing van de baggerspecie, nadat deze uit de watergang is verwijderd, moet deze op een andere wijze worden getoetst. In voorliggende rapportage worden de volgende toepassingsmogelijkheden besproken: - Toepassen van de baggerspecie op de bodem (T.1); - Toepassen van de baggerspecie in een zoet oppervlaktewaterlichaam (T.3); - Verspreiden van de baggerspecie over het aangrenzend perceel (T.5). De tussen haakjes weergegeven T.1, T.3 en T.5 hebben betrekking op de opgegeven naamgeving bij de Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa). Bij het beoordelen van de kwaliteit van de baggerspecie wordt gebruik gemaakt van BoToVa.
Tevens wordt per toepasmogelijkheid aanvullend getoetst aan het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Toepassen van baggerspecie op de bodem (T.1) Voor het toepassen van baggerspecie op de bodem volgens het generieke beleid worden de meetwaarden getoetst aan de achtergrondwaarde, de waarde voor wonen en de waarde voor industrie zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Daarnaast wordt bepaald of de interventiewaarde niet wordt overschreden zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Aangezien de baggerspecie gaat worden toegepast op de bodem, worden de resultaten getoetst als grond. Afhankelijk van de aangetroffen concentraties van de onderzochte parameters wordt de partij baggerspecie ingedeeld als grond met de kwaliteit zoals deze in de onderstaande tabel is weergegeven.
Tabel 7.1: Interpretatie resultaten conform het Besluit bodemkwaliteit (generiek beleid) Concentratieniveau1 Kwaliteit onderzochte partij Kleiner dan de achtergrondwaarde (AW-waarde); kleiner dan 2 maal de AWAchtergrondwaarde waarde en kleiner dan de waarde voor wonen (WO-waarde)2; 3 Groter dan de AW-waarde en kleiner dan de WO-waarde Wonen Groter dan de WO-waarde en kleiner dan de waarde voor industrie (IND-waarde) Industrie Groter dan de IND-waarde en/of interventiewaarde Niet toepasbaar Toelichting bij tabel 7.1: 1 De normen (AW, WO en IND) voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager is dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien sprake is van verhoogde barium gehalten t.o.v. de natuurlijke achtergrond gehalte als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte voor barium worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
(standaard bodem) 2 Indeling in de kwaliteitsklasse achtergrondwaarde bij kleiner dan 2 maal de AW-waarde en kleiner dan de WO-waarde geldt voor maximaal het volgende aantal stoffen: - Bij analyse van 2 stoffen, maximaal 1 verhoogd; - Bij analyse van 7 stoffen, maximaal 2 verhoogd; - Bij analyse van 16 stoffen, maximaal 3 verhoogd; - Bij analyse van 27 stoffen, maximaal 4 verhoogd; - Bij analyse van 37 stoffen, maximaal 5 verhoogd 3 Bij nikkel hoeft bij de uitzonderingsregel slechts te worden voldaan aan kleiner dan 2 maal de achtergrondwaarde (AW-waarde) en vindt geen toetsing plaats aan de maximale waarde voor wonen (WO-waarde)
Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
17 In het tijdelijk handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde) voor PFOA een toepassingsnorm van 1,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 1,4 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het toepassen van baggerspecie op de bodem moet worden gemeld via het landelijke meldpunt bodemkwaliteit. Toepassen van de baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam (T.3) Voor het toepassen van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam volgens het generieke beleid worden de meetwaarden getoetst aan de achtergrondwaarde, de maximale waarde kwaliteitsklasse A en de maximale waarde kwaliteitsklasse B zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Daarnaast wordt bepaald of de interventiewaarde niet wordt overschreden zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Aangezien de baggerspecie gaat worden toegepast onder water, worden de resultaten getoetst als baggerspecie.
Afhankelijk van de aangetroffen concentraties van de onderzochte parameters wordt de partij baggerspecie ingedeeld als baggerspecie met de kwaliteit zoals deze in de onderstaande tabel is weergegeven. Tabel 7.2: Interpretatie resultaten conform het Besluit bodemkwaliteit (generiek beleid) Concentratieniveau 1 Kwaliteit onderzochte partij Kleiner dan de achtergrondwaarde (AW-waarde); kleiner dan 2 maal de AWAchtergrondwaarde waarde en kleiner dan de maximale kwaliteitsklasse A2; 3 Groter dan de AW-waarde en kleiner dan de maximale kwaliteitsklasse A Klasse A Groter dan de maximale kwaliteitsklasse A en kleiner dan de maximale Klasse B kwaliteitsklasse B Groter dan de maximale kwaliteitsklasse B en/of interventiewaarde Niet toepasbaar Toelichting bij tabel 7.2: 1 De normen (AW, kwaliteitsklasse A en B) voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager is dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien sprake is van verhoogde barium gehalten t.o.v. de natuurlijke achtergrond gehalte als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte voor barium worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.
(standaard bodem) 2 Indeling in de kwaliteitsklasse achtergrondwaarde bij kleiner dan 2 maal de achtergrondwaarde (AW-waarde) en kleiner dan de waarde voor wonen (WO-waarde) geldt voor maximaal het volgende aantal stoffen: - Bij analyse van 2 stoffen, maximaal 1 verhoogd - Bij analyse van 7 stoffen, maximaal 2 verhoogd - Bij analyse van 16 stoffen, maximaal 3 verhoogd - Bij analyse van 27 stoffen, maximaal 4 verhoogd - Bij analyse van 37 stoffen, maximaal 5 verhoogd 3 Bij nikkel hoeft bij de uitzonderingsregel slechts te worden voldaan aan kleiner dan 2 maal de achtergrondwaarde (AW-waarde) en vindt geen toetsing plaats aan de maximale waarde voor wonen (WO-waarde)
In het tijdelijk handelingskader hergebruik is vastgesteld dat bij toepassen van baggerspecie in een ander oppervlaktewaterlichaam in ophogingen in waterbouwkundige constructies, uitgezonderd in bepaalde diepe plassen (voor exacte omschrijving zie het handelingskader), voor PFOS een toepassingsnorm van 1,1 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 0,8 μg/kg d.s. Het toepassen van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam moet worden gemeld via het landelijke meldpunt bodemkwaliteit.
Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
18 Verspreiden van de baggerspecie over het aangrenzend perceel (T.5) Voor het verspreiden van baggerspecie over het aan de watergang grenzend perceel, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang grenzende percelen, worden de meetwaarden getoetst aan de maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzend perceel zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Naast deze individuele maximale waarden wordt er voor een aantal metalen en voor een aantal organische stoffen een msPAF toets (meer stoffen Potentieel Aangetaste Fractie van lagere organismen) uitgevoerd. De msPAF toets is een methode om ecologische risico’s te bepalen, waarbij rekening wordt gehouden met de milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk (combinatie toxicologie). De msPAF waarde wordt berekend waarbij de resultaten als percentage worden weergegeven. De maximale percentages waaraan moet worden voldaan zijn weergegeven in de Regeling bodemkwaliteit. Daarnaast mogen de individuele stoffen waarmee de msPAF toets wordt uitgevoerd de interventiewaarde zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 niet overschrijden.
Voor parameters die niet in de msPAF toetst worden meegenomen en waar geen maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzend perceel zijn vastgesteld, moeten worden getoetst aan de achtergrondwaarde uit de Regeling bodemkwaliteit. In het tijdelijk handelingskader hergebruik is de toepassingsnorm voor verspreiding op aangrenzend perceel vastgesteld op 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Afhankelijk van de aangetroffen concentraties van de onderzochte parameters wordt de partij baggerspecie ingedeeld als baggerspecie die wel of niet verspreidbaar is over het aangrenzend perceel. Indien de partij verspreidbaar is over het aangrenzend perceel hoeft er niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Daarnaast is het verspreiden niet meldingsplichtig.
Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
19
7.4.
Infiltratie
Op basis van de doorlatendheid (k-waarde) kan de grond worden gekwalificeerd in mate van doorlatendheid. De kwalificaties op basis van de k-waarde zijn opgenomen in tabel 7.3. Tabel 7.3: Kwalificatie doorlatendheid (k-waarde) Doorlatendheid in m/dag < 0,01 0,01-0,1 0,1-0,5 0,5-1,0 1,0-10 >10
Kwalificatie Zeer slecht doorlatend Slecht doorlatend Matig doorlatend Vrij goed doorlatend Goed doorlatend Zeer goed doorlatend
Bron: Cultuurtechnisch Vademecum
Aan de hand van de vastgestelde doorlatendheid van de grond kan een uitspraak worden gedaan over de infiltratiemogelijkheden. De ISSO-publicatie 70-1, “Omgaan met hemelwater binnen de perceelsgrens” (uitgave 2008), geeft criteria voor de mogelijkheden van infiltratie. In figuur 7.1 is het beslisschema weergegeven waarmee wordt getoetst. Figuur 7.1: Beslisschema infiltratiecriteria met mogelijkheden
Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
20
8.
LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN RESULTATEN 8.1.
Zintuiglijke waarnemingen
De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat vanaf maaiveld/onderzijde verharding tot de maximaal geboorde diepte van circa 3,5 m-mv hoofdzakelijk uit matig fijn, zwak siltig zand. Lokaal is de bovengrond (tot maximaal 1,0 m-mv) zwak tot matig humeus en is de ondergrond (vanaf 1,5 m-mv) plaatselijk (B129A-C) zwak grindig. Verder is plaatselijk (PB125) in de diepere ondergrond (2,0 tot 3,0 m-mv) sterk zandig veen aangetroffen. De aanwezige watergang was deels waterhoudend (G101 t/m G110). De waterbodem is aanwezig vanaf maaiveld à 40 cm beneden waterspiegel. Er is in de watergang ter plaatse van G101 t/m G106, G109 en G110 een laag slib met gemiddelde dikte van 3 cm aangetroffen. Ter plaatse van grepen G107 en G108, achter een dammetje, is circa 28 cm slib aangetroffen. Onder het slib is matig zand aangetroffen. De aanwezige ven/vijver was waterhoudend (G301 t/m G312). De waterbodem is aanwezig vanaf circa 3 à 10 cm beneden waterspiegel. Er is in de watergang een laag slib met gemiddelde dikte van 6 cm aangetroffen. Hieronder is mineraalarm veen aangetroffen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk diverse bijmengingen waargenomen. Een volledig overzicht van de zintuiglijk waargenomen bijzonderheden is weergegeven in tabel 8.1. Tabel 8.1: Zintuiglijke waarnemingen per boring / proefgat Boring
Proefgat
Diepte boring (m -mv) 1,00 1,00 1,00
Traject (m -mv) 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50
B30 Ja B33 Ja B34 Ja Toelichting bij tabel 8.1: Uiterst ≥ 20 < 50 % bodemvreemd materiaal.
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden
Zand Zand Zand
uiterst puinhoudend uiterst puinhoudend uiterst puinhoudend
Verder zijn tijdens de visuele inspectie van het maaiveld en de opgeboorde en opgegraven grond geen overige waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Aangezien, afgezien van de uiterst puinhoudende grond ter plaatse van de volkstuinen en opslag gemeente, ter plaatse van de overige locatie geen puinbijmengingen en asbestverdachte (plaat)materialen (fractie > 20 mm) zijn aangetroffen, is het uitvoeren van een volledig verkennend onderzoek naar asbest ter plaatse van de overig terrein ons inziens niet noodzakelijk. De volledige boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 3. 8.2.
Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten
De analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam (grond, grondwater, asbest en waterbodem). De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond en asbest in grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de grond en het grondwater is opgenomen als bijlage 5. Het analytisch onderzoek naar PFAS is uitgevoerd door het laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. die gevalideerd is voor het uitvoeren van deze analyses conform de Duitse norm DIN 38414-14. Aangezien deze parameters vooralsnog niet conform AS3000 en/of AP04 kunnen worden erkend is dit het hoogste haalbare en zijn de analyseresultaten representatief voor het uitgevoerde bodemonderzoek. Diverse (water)bodemonderzoeken (fase 1), Beekweide II te Renswoude Rapportnr.: B19.7557 versie: 01 datum:14 januari 2022
21 De waterbodem wordt getoetst aan de T.1, T.3 en T.5 volgens de Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa). Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de waterbodem (exclusief PFAS) is opgenomen als bijlage 6. De toetsingsresultaten van de PFAS analyses zijn opgenomen in bijlage 7. Tevens worden de PFAS resultaten indicatief getoetst aan de vastgestelde INEV’s. In tabel 8.2 is een overzicht opgenomen van de opmerkingen die aan de analysecertificaten zijn toegevoegd. Tabel 8.2: Opmerkingen analysecertificaten Certificaat -nummer Grond 13236990
(Meng-) monster
Parameter
Opmerking
Toelichting
Benzo(a)antraceen
13237010
MM07, MM11 MM19
Er zijn componenten aanwezig die een storende invloed hebben op de meting. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat vergroot.
Aangezien de som parameter voor PAK de achtergrondwaarde niet overschrijdt, wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed.
Waterbodem 13237850
MMWB101
Diverse individuele PCB en OCB
MMWB202
p,p-DDT
Aangezien voor de getoetste individuele parameters en/of alsmede voor de som parameters de toepassingsnorm industrie niet wordt overschreden, wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed.
MMWB301, MMWB302
Benzo(ghi)peryleen
De rapportagegrens is verhoogd i.v.m. het lage gehalte aan droge stof. Er zijn componenten aanwezig die een storende invloed hebben op de meting. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat vergroot. Er zijn componenten aanwezig die een storende invloed hebben op de meting. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat vergroot. De rapportagegrens is verhoogd i.v.m. het lage gehalte aan droge stof.
13237865
Diverse individuele OCB
Aangezien voor de getoetste individuele parameters en/of alsmede voor de som parameters de toepassingsnorm wonen niet wordt overschreden, wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed.
Toelichting bij tabel 8.2: PAK Polycyclische aromatische koolwaterstoffen; PCB Polychloorbifenylen; OCB Organochloorbestrijdingsmiddelen; DDT Dichloordifenyltrichloorethaan.
Grond Wbb Op basis van de onderzoeksopzet en de zintuiglijke waarnemingen tijdens de veldwerkzaamheden zijn de onderstaande grond(meng)monsters samengesteld, geselecteerd en geanalyseerd. De grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten zijn in tabel 8.3 weergegeven. Tabel 8.3: Overzicht grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten Mengmonster