Technische vragen rondom Wet Gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen
Tekst van het document
Technische vragen rondom Wet Gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen Vraag 1: Hoeveel van de asielvragers krijgt de positie van statushouder? Het inwilligingspercentage ligt jaarlijks op een ander niveau. In 2022 was er een inwilligingspercentage van 78%, in 2023 was dit 62%. Het jaarlijkse verschil ligt o.a. in het aantal asielaanvragen en de capaciteit van de IND om deze te beoordelen. Vraag 2: Wanneer 3 gemeenten samen een AZC starten en het AZC staat op de grond van 1 gemeente. Tellen de aantallen dan alleen mee bij die ene gemeente? Uitgangspunt van de Spreidingswet is dat elke subregio en daarbij elke gemeente de eigen indicatieve opgave realiseert. Gemeenten kunnen uitruilafspraken met elkaar maken, waarbij de ene gemeente meer en de andere gemeente minder opvangplaatsen voor asielzoekers beschikbaar stelt dan de eigen indicatieve opgave en dat een andere gemeente meer asielopvangplaatsen realiseert dan zij zou moeten. Eventuele uitruilafspraken moeten bestuurlijk zijn vastgelegd en eenduidig in het op te stellen subregionale plan worden opgenomen. In de Spreidingswet is bepaald dat de commissaris van de Koning in een tweejarige cyclus voor 1 november van het kalenderjaar (2024) een verslag stuurt aan de minister van Justitie en Veiligheid over de invulling van de provinciale asielopgave.
Bij dit verslag wordt een provinciaal plan meegestuurd dat wordt opgesteld op basis van de zeven subregionale plannen. Hierin worden de gemaakte afspraken tussen gemeenten opgenomen, inclusief eventuele ‘uitruilafspraken’, de opvang van ontheemden uit Oekraïne en de huisvesting van statushouders. Op basis van de verslagen van de commissarissen van de Koning en onderliggende provinciale plannen neemt de minister van J&V vóór 31 december van het kalenderjaar (2024) een verdeelbesluit, waarin het definitieve aantal te realiseren asielopvangplaatsen per gemeente is bepaald. Zijn de bestuurlijk gemaakte afspraken niet voldoende en blijkt het capaciteitsbesluit niet te kunnen worden ingevuld, dan blijft iedere gemeente afzonderlijk verantwoordelijk voor het realiseren van de eigen indicatieve opgave. Vraag 3: Worden asielzoekers ingeschreven in de BRP? Zo ja, direct of later? Asielzoekers die langer dan 6 maanden in Nederland zijn, schrijven zich in bij de BRP. In de 5 aanmeldcentra van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zijn zogenoemde ‘BRPstraten’. Die staan in Budel, Den Bosch, Hoofddorp, Ter Apel en Zevenaar. Statushouders en asielzoekers worden in deze BRP-straten ingeschreven in de gemeente waar ze op dat moment verblijven.
Vraag 4: Kan er een schema komen waarin de taken van de gemeente afgezet worden tegen de taken van het COA (Wmo, Jeugd, medische zorg etc) Taken COA Zorg – via Regeling Medische Zorg Asielzoekers (RMA): Zorg als in basisverzekering, gedeelte Wmo. Op een AZC is zorg geregeld via huisarts e.d. op locatie. Handhaven veiligheid op opvanglocatie Dagbesteding (denk aan voorinburgering, programma Wonen en Leven op een COAlocatie).
Taken Gemeente Indien kleinschalige locatie – kosten zorg via RMA. Verlening van zorg via óf nabij AZC óf plaatselijke zorgverleners. Onderwijs – zowel basisschool als Internationale Schakelklas. Onderwijs kan hiervoor bekostiging aanvragen bij het Rijk. Jeugdhulp voor zowel kinderen van asielzoekers als van statushouders. Gemeente wordt hierin vergoed.
Vraag 5: Hoe zijn de inspraakprocedures geregeld? Inspraakprocedures worden uitgevoerd volgens de participatieleidraad. Vaak zijn binnen een project meerdere partijen betrokken met wisselende belangen. In iedere fase van het project, voor iedere verschillende doelgroep, kan een verschillend participatieniveau worden gekozen. Onderstaand de participatieleidraad.
Vraag 6: Wat is de rol van de gemeente wanneer er bijvoorbeeld een leeg weiland wordt aangeboden? Het COA is op zoek naar opvanglocaties of naar locaties waar een opvanglocatie kan worden gerealiseerd. Een deel van de panden van COA is eigendom van het COA. Een ander deel wordt gehuurd van particulieren, maatschappelijke organisatie, overheid of marktpartij. Soms worden ook terreinen gehuurd om tijdelijke units te plaatsen.
2 van 3
Het COA gaat bij het accepteren van een aanbod als opvanglocatie uit van een aantal basiseisen. Te denken valt aan: -
Leegstaand vastgoed (bij voorkeur bestemming wonen of maatschappelijk vastgoed).
-
Bestaande gebouwen moeten met een redelijke investering geschikt gemaakt kunnen worden voor bewoning. Er is voorkeur voor gebouwen die al beschikken over verwarming en die voldoen aan brandveiligheidseisen. De aanwezigheid van asbest is doorgaans een probleem.
-
Terreinen groter dan 3000 m2 (bij voorkeur bouwrijpe grond, aanwezigheid van infrastructuur en gemakkelijk aan te sluiten op water, elektriciteit en riolering) waarop units (voor tijdelijke opvang) of nieuwbouw (voor reguliere opvang) gerealiseerd kunnen worden.
-
Voor reguliere locaties geldt een minimale gebruiksduur van vijf jaar en voor noodopvang locaties een minimale gebruiksduur van zes maanden.
Het college draagt zorg voor de beschikkingsstelling van de locatie of accommodatie. Daarnaast zorgt het college van noodzakelijke gemeentelijke vergunning voor ingebruikneming van de opvangvoorziening. Het COA vraagt een evt. omgevingsvergunning aan. De gemeenteraad zorgt voor het aanpassen van het bestemmingsplan als dit noodzakelijk is. De locatie en omgeving worden door het COA ingericht. Zij coördineren en bewaken de planning, het budget en de kwaliteit van de locatie zelf. Daarbij wordt samengewerkt met de gemeente. De gemeente coördineert evt. aanpassingen in de omgeving (bijv. infrastructuur) en de realisatie van voorzieningen zoals onderwijs of gezondheidszorg. Dus het plaatsen van het AZC gebeurt door het COA.
3 van 3