CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing

Gemeenteraad 19 september 2024, gemeente PuttenBij agendapunt: Advies omgevingsvergunning Jac Catsstraat 496.161 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

Rapportage ruimtelijke onderbouwing

Jacob Catsstraat 49, Putten

1 1

2

3

Inhoud Inleiding ........................................................................................................................................... 4 1.1

Aanleiding .............................................................................................................................. 4

1.2

Ligging en begrenzing plangebied.......................................................................................... 4

1.3

Vigerende bestemmingen (activiteiten) ................................................................................ 5

Beschrijving bestaande en de gewenste situatie ............................................................................ 7 2.1

Bestaande situatie ................................................................................................................. 7

2.2

Gewenste situatie .................................................................................................................. 7

2.3

Beleidstoets............................................................................................................................ 8

2.3.1

Rijksbeleid .......................................................................................................................... 8

2.3.2

Provinciaal beleid............................................................................................................. 10

2.3.3

Gemeentelijk beleid......................................................................................................... 11

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu ..................................................................................... 13 3.1 3.1.1

Cultuurhistorie ................................................................................................................. 13

3.1.2

Conclusie .......................................................................................................................... 13

3.1.3

Archeologie ...................................................................................................................... 13

3.2

Bodem .................................................................................................................................. 14

3.3

Verkeer & Parkeren.............................................................................................................. 14

3.3.1 3.4

Inleiding ........................................................................................................................... 14 Water ................................................................................................................................... 15

3.4.1

Inleiding ........................................................................................................................... 15

3.4.2

Beoordeling...................................................................................................................... 15

3.5

Luchtkwaliteit....................................................................................................................... 16

3.6

Flora & Fauna ....................................................................................................................... 16

3.6.1

Wettelijk kader ................................................................................................................ 16

3.6.2

Effect te vergunnen activiteiten....................................................................................... 17

3.7

Stikstof ................................................................................................................................. 17

3.8

Geluid ................................................................................................................................... 18

3.8.1 4

Archeologie & Cultuurhistorie ............................................................................................. 13

Wettelijk kader ................................................................................................................ 18

Participatie .................................................................................................................................... 19 4.1.1

Participatie omgeving ...................................................................................................... 19

4.1.2

Advies en instemming ..................................................................................................... 19

22 maart 2024 Pagina 2 van 21

5

6

Financiële haalbaarheid ................................................................................................................ 20 5.1.1

Kostenverhaal .................................................................................................................. 20

5.1.2

Nadeelcompensatie ......................................................................................................... 20

Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties ........................................................ 21

22 maart 2024 Pagina 3 van 21

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Aanvraag ziet concreet op het verzoek tot herontwikkeling van een bestaand pand aan de Jacob Catsstraat 49 te Putten. Middels de herontwikkeling ontstaan er meerdere woningen op de bovengelegen verdiepingen. Op begane grond wordt een maatschappelijke voorziening, in de vorm van een huisartsenpraktijk, voorgesteld. Daarmee wordt het bestaande gebruik als detailhandel beëindigd. Het perceel is gelegen aan de kruising van de Jacob Catsstraat en de Da Costastraat waar voorheen de Autoshop Putten was gevestigd. Middels deze onderbouwing zal worden aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Met voorliggende onderbouwing wordt het ruimtelijk plan voorzien van een ruimtelijke juridisch kader. 1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied betreft de grond behorende bij het perceel aan de Jacob Catsstraat 49 te Putten. Het plangebied is gelegen aan de oostkant van het dorp Putten, onder de Garderenseweg, op de kruising van de Jacob Catsstraat en de Da Costastraat. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Putten, sectie C, perceel 9902 en heeft een totaal oppervlakte van 591 m2. In de onderstaande figuren is de ligging van het plangebied aangegeven.

Globale aanduiding plangebied (bron: Topotijdreis.nl)

22 maart 2024 Pagina 4 van 21

Uitsnede kadastrale kaart met aanduiding plangebied (bron: Perceelloep.nl) 1.3

Vigerende bestemmingen (activiteiten)

De locatie is gelegen in het Omgevingsplan Putten deelplan Kom Noord en Zuidoost (vastgesteld op 4 oktober 2014) en gelden de bestemmingen en aanduidingen Detailhandel en Waarde-Archeologiehoge verwachting. De maximale bouwhoogte bedraagt 8 meter de maximum goothoogte bedraagt 4 meter. De volgende strijdigheden met het omgevingsplan Putten zijn geconstateerd:   

Artikl 6.1 Bestemmingsomschrijving, nu wonen slechts op de verdiepingen toe is gestaan, voor zover dit op de verdiepingen in de bestaande situatie al sprake van was. Artikel 6.1 Bestemmingsomschrijving, nu een huisarts als maatschappelijke functie wordt gezien. Daarnaast dient er als gevolg van het plan, conform van artikel 22.2 van het deelplan Kom Noord en Zuidost in voldoende mate ruimte te zijn gereserveerd voor auto’s, fietsen en laden en lossen.

Onder artikel 6.5 van het deelplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Onder een aantal voorwaarden kunnen Burgemeester en wethouders de bestemming ‘Detailhandel’ wijzigen in de bestemming ‘Wonen’ en/of ‘Maatschappelijk’. De wijzigingsbevoegdheid is relevant, nu men verzoek doet om op onderstaande voorwaarden een omgevingsvergunning verleend te krijgen. Deze wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt: 6.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Detailhandel' wijzigen in de bestemming 'Wonen', 'Maatschappelijk', 'Groen', 'Verkeer' of 'Verkeer - Verblijf' met inachtneming van de volgende regels: a. b.

het bestaande bedrijf is of wordt beëindigd; de woningbouw dient te passen binnen de vastgelegde kwantitatieve en kwalitatieve gemeentelijke woningbouwtaakstelling;

22 maart 2024 Pagina 5 van 21

c. d. e. f. g. h. i. j.

de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige toename van de verkeersintensiteiten op de bestaande wegenstructuur; voorafgaand aan de wijziging zal uit onderzoek moeten zijn gebleken, dat tegen de wijziging vanuit archeologisch of milieutechnisch oogpunt geen bezwaar bestaat; voldaan dient te worden aan het bepaalde in de Wet natuurbescherming; de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van wegverkeerslawaai, zoals bepaald in de Wet geluidhinder, dient in acht te worden genomen; voldaan dient te zijn aan de regelgeving ten aanzien van luchtkwaliteit; er dient een watertoets te zijn verricht; de maatvoering van na wijziging toegestane bebouwing, zal worden afgestemd op de aangrenzende woonbebouwing; er dient te worden voorzien in voldoende parkeervoorzieningen, waarbij geldt dat moet worden voldaan aan de parkeernormen zoals opgenomen in Bijlage 3 Nota Parkeernormen Putten en dat indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met deze wijziging.

Vanwege de geconstateerde wijzigingsbevoegdheid is voor dit plan een omgevingsplanactiviteit vereist op grond van artikel 5.1,eerste lid, onder a Omgevingswet (Ow). Voor de omgevingsplanactiviteit is in artikel 5.21, eerste lid, van de Ow verder bepaald dat de beoordelingsregels worden gesteld met het oog op de wet. Artikel 5.21 van de Ow geeft enkele uitgangspunten voor (inhoud en het karakter van) de beoordelingsregels van een omgevingsplanactiviteit. Voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteitvergunning geldt dat de regels ertoe strekken dat de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van de daarvoor in het omgevingsplan gestelde regels (lid 2 onder a). Geconstateerd wordt dat wanneer er wordt voldaan aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid, er tevens sprake zal zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

22 maart 2024 Pagina 6 van 21

2 Beschrijving bestaande en de gewenste situatie 2.1 Bestaande situatie De voormalige Autoshop Putten aan de Jacob Catsstraat 49 en is opgericht in 1961. Het perceel heeft een oppervlakte van 591 m2 en het woonoppervlakte beslaat 133 m2. Het pand is drielaags waarbij de begane grond bedoeld is voor detailhandel en de bovenste twee lagen zijn bestemd voor een bedrijfswoning. Het pand kent een nokhoogte van ongeveer 8,8 meter en een goothoogte van 5,7 meter. Naast deze drielaagse bebouwing is er ook nog een tweelaagse schuur tegen de bebouwing gevestigd met een nokhoogte van 5,7 meter en een goothoogte van 2,9 meter. De gehele bebouwing is enkele meters terug gelegen van de aangrenzende stoep. Met de ligging aan de kruising in de woonwijk ’t Veld in het zuidoostelijke gedeelte van Putten is het een herkenbaar punt voor de wijk. Tot eind februari 2023 was hier Autoshop Putten gevestigd, gespecialiseerd in auto-onderdelen en accessoires. Echter is, vanwege een brand, het pand onbewoonbaar en onbruikbaar geworden waarna het te koop is aangeboden. 2.2 Gewenste situatie In de gewenste situatie zal op de begane grond van de voormalige winkel en op de begane grond van de schuur de huisartsenpraktijk De Lindeboom worden gevestigd en zal ongeveer 425 m2 beslaan. De voormalige bedrijfswoning op de eerste en tweede verdieping zullen worden omgezet in vier sociale huurwoningen.

Twee woningen hebben een oppervlakte van 40 m2 en twee woningen zullen een oppervlakte krijgen van ongeveer 70 m2. Deze woningen zijn geschikt voor starters of alleenstaande ouders, mede omdat er meerdere slaapkamers worden gerealiseerd. Het dak van de schuur zal worden aangepast om deze geschikt te maken voor twee woningen. Met de vorming van de woningen worden deze ook sterk verduurzaamd. Zo zal er een warmtepomp worden geïnstalleerd en zal er op de daken zonnepanelen worden geplaatst. De klinkerbestrating rondom het pand zal worden ingericht ten behoeve van parkeren. Hoofdzakelijk voor bewoners en de overige parkeerplaatsen zijn bedoeld voor bezoekers van de huisartsenpraktijk. Voor detailtekeningen wordt verwezen naar de bijlages.

Figuur 1: Impressie van beoogde ontwikkeling

22 maart 2024 Pagina 7 van 21

2.3

Beleidstoets

2.3.1 Rijksbeleid 2.3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: - Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie - Duurzaam economisch groeipotentieel; - Sterke en gezonde steden en regio's; - Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Conclusie Het nationale beleid geeft in de NOVI allerlei kaders en uitvoeringsinstrumenten voor de ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. Deze beleidsstukken richten zich met name op grootschalige ontwikkelingen op het gebied van wonen, bedrijvigheid en recreatie. Samenhang, relatie met en aandacht voor de omgeving zijn hierbij belangrijke thema's. Gelet op de kleine schaal en omvang van het project staat de Nationale Omgevingsvisie de uitvoering van het plan niet in de weg. 2.3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die op 13 maart 2012 door de minister is vastgesteld, vormt de overkoepelende Rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer, energie, natuur, waterveiligheid, milieukwaliteit en bescherming van het werelderfgoed. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland.

22 maart 2024 Pagina 8 van 21

Daarbij wordt ingezet op een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken werkt het Rijk samen met andere overheden. In de SVIR zijn ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028 geformuleerd. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd: 

het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur;

het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat;

het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’, zoveel mogelijk over aan provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen daarbij de ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. De sturing op verstedelijking, zoals afspraken over binnenstedelijk bouwen en doelstellingen voor herstructurering, laat het Rijk voor een groot deel los. In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, ruimte voor klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten en ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur. Verder is één van de nationale belangen die de SVIR benoemt, het belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’. Concreet betekent dit onder meer dat ruimte zorgvuldig moet worden benut en overprogrammering moet worden voorkomen.

Om die doelstellingen te bereiken, is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Alle stedelijke ontwikkelingen dienen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden. Conclusie Het betreft een ontwikkeling van relatief beperkte omvang zonder strijdigheid met Rijksbelangen. Het Rijksbeleid is voor het omzetten van een bedrijfspand en het toevoegen van enkele woningen niet relevant. De ladder voor duurzame verstedelijking komt in paragraaf 2.3.1.3 aan de orde. 2.3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals woningbouwplannen. Bij een nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling. Bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied moet rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in de behoefte te voorzien.

22 maart 2024 Pagina 9 van 21

Wonen Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets hoeft alleen te worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. Huisartsenpraktijk Naast de functies wonen, winkels, kantoren en bedrijventerrein, kan een nieuwe stedelijke ontwikkeling gaan over andere functies. Bij realisering van deze overige functies wordt ook rekening gehouden met de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling. Bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Artikel 5.129 g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel. De aard en omvang van de ontwikkeling in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. In artikel 5.129g Bkl is geen ondergrens vastgelegd.

In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij nieuwbouw en uitbreiding van overige stedelijke functies ligt de ondergrens in beginsel bij een ruimtebeslag van 500 m2. Conclusie De ladder duurzame verstedelijking is ingericht om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten te kunnen maken. Op deze wijze wordt getracht de ruimte in de stedelijke gebieden optimaal te benutten. De wet schrijft voor bij welke besluiten expliciet getoetst moet worden aan de ladder. Met het voornemen worden er minder dan 12 woningen opgericht en beslaat de huisartsenpraktijk minder dan 500 m2. De Laddertoets hoeft derhalve niet te worden doorlopen.

2.3.2 Provinciaal beleid 2.3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De omgevingsvisie van de provincie Gelderland is vastgesteld op 19 december 2018 (Kenmerk: NL.IMRO.9925.SVOmgvisieGG-vst1). Gaaf verwijst naar mooi, maar ook naar de toekomst. Belangrijke thema’s hierin zijn duurzaamheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. In de omgevingsvisie geeft de provincie aan te streven naar een hoge kwaliteit van de leefomgeving, om zo Gelderland aantrekkelijk te blijven houden voor zowel mensen als bedrijven. Goed wonen is onderdeel van een aantrekkelijk Gelderland en de provincie onderkend dat Gelderland uiteenlopende woonkwaliteiten heeft, zowel landelijk als stedelijk. Om het Gelderse landschap open te houden, het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. Uit deze ambities is een sturingsfilosofie ontstaan die uitgaat van de volgende punten:

22 maart 2024 Pagina 10 van 21

1. Een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat. 2. Goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. 3. Tegen gaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. 4. Investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Ondanks de beperkte omvang van het initiatief kan de beoogde ontwikkeling voornamelijk bijdragen aan punt één, een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk en ondernemersklimaat. Conclusie De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de ambities omtrent werken en ondernemen van de provincie Gelderland. Het bestaande pand wordt deels opgetopt, waardoor de footprint gelijk kan blijven, terwijl het aantal woningen beperkt wordt geïntensiveerd. Daarnaast ontstaat er een nieuw zorgpunt ontstaan wat zorgt voor een meer aantrekkelijk woonklimaat in de wijk, mede omdat het pand op een centrale locatie in de wijk is gelegen. 2.3.2.2 Omgevingsverordening provincie Gelderland De Omgevingsverordening Gelderland is vastgesteld op 24 september 2014 en inmiddels geldt de geconsolideerde versie van 21 december 2022. Na toetsing van de Omgevingsverordening komt naar voren dat er geen relevante aspecten zijn met betrekking tot het planvoornemen. Conclusie De Omgevingsverordening staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

2.3.3 Gemeentelijk beleid 2.3.3.1 Omgevingsvisie Putten 2040 De Omgevingsvisie Putten 2040 is op 2 november 2023 vastgesteld door de gemeenteraad van Putten. In de omgevingsvisie is de gemeentelijke visie op de fysieke leefomgeving beschreven, met krijgt daarnaast ook de sociale leefomgeving (nadrukkelijk) aandacht. De kern van de omgevingsvisie is daarbij als volgt geformuleerd: De omgevingsvisie van de gemeente Putten beschrijft de keuzes die we vandaag moeten maken, om in 2040 als gemeente nog vitaler, mooier en duurzamer te zijn. De leefbaarheid en de aanwezigheid van voorzieningen wordt als belangrijke opgave gezien. Het dorp is de kern voor de primaire voorzieningen en dat hierbij een goede spreiding ontstaat over het hele dorp. Toegankelijke en goed bereikbare voorzieningen op wijkniveau dragen bij aan een betere leefbaarheid voor inwoners. Men kan hierdoor langer zelfstandig meedoen aan de maatschappij waardoor er zogenoemd een “verhoogde sociale duurzaamheid in Putten” ontstaat. Met het realiseren van de huisartsenpraktijk ontstaat er een nieuw zorgpunt in de wijk ’t Veld waardoor de leefbaarheid van de omgeving wordt vergroot en de sociale duurzaamheid wordt verhoogd. De huisartsenpraktijk is in lijn met de Omgevingsvisie van de gemeente Putten. In Putten wil men ervoor zorgen dat de woningvoorraad op de lange termijn aansluit bij de woonbehoeften uit de samenleving.

Hierbij streeft men naar een evenwichtige woningvoorraad die alle segmenten omvat en alle doelgroepen onderdak biedt. Bij voorkeur zijn woningen voor meerdere doelgroepen geschikt en daarmee ook op de langere termijn inzetbaar. Putten wil bouwen

22 maart 2024 Pagina 11 van 21

voor de lokale behoefte, met extra aandacht voor starters en (vitale) ouderen. Hier is voldoende aanbod in sociale huur en betaalbare koop voor nodig. Met het realiseren van de vier woningen in het sociale segment draagt het initiatief bij aan de doelstelling omtrent wonen van de gemeente Putten. De woningen zijn geschikt voor meerdere doelgroepen, te noemen starters welke een gezin wil stichten, alleenstaande ouders of (vitale) ouderen. Dit omdat de woningen meerdere kamers krijgen waardoor er de mogelijkheid bestaat deze in te richten als kinderkamer, maar ook als hobbykamer. Conclusie De ontwikkeling van de huisartsenpraktijk en de woningen zijn in lijn met de doelstellingen van de Omgevingsvisie 2040 van de gemeente Putten.

22 maart 2024 Pagina 12 van 21

3 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu In dit hoofdstuk wordt de gewenste ontwikkeling getoetst aan de verschillende aspecten uit de fysieke leefomgeving. Indien noodzakelijk worden deze aspecten nader gemotiveerd met een onderzoek. 3.1 Archeologie & Cultuurhistorie 3.1.1 Cultuurhistorie Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet vervangt zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed: 1. Monumentenwet 1988 2. Wet verzelfstandiging Rijksmuseale diensten 3. Wet tot behoud van cultuurbezit 4. Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied 5. Uitvoeringswet UNESCO -verdrag 1970 6. Regeling materieel beheer museale voorwerpen De Erfgoedwet hanteert de beschermingsniveaus zoals die in de gelden in de voorgaande regelingen. Voor de vergunningverlening van een beschermd archeologisch monument, het verbod tot beschadigen of vernielen van een rijksmonument en de bescherming van stads- en dorpsgezichten geldt dat de Monumentenwet 1988 van kracht blijft tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze regels blijven dus gelden en zijn ongewijzigd overgenomen in de Erfgoedwet. 3.1.2 Conclusie Het plangebied kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalende structuur in het geldende omgevingsplan.

Geconcludeerd kan worden dat met het plan geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren. 3.1.3 Archeologie Wettelijk kader In 1992 werd in Valletta door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed, beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta', ondertekend. Doelstelling van de wetten is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. De gehanteerde uitgangspunten zijn: 

archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);

in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;

de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

In vervolg hierop is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) in werking getreden.

22 maart 2024 Pagina 13 van 21

Met de introductie van de nieuwe wet zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. In de wet is bepaald, dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen. Beoordeling Vanwege de planologische dubbelbestemming ‘Waarde – hoge archeologische verwachting’ moet er bij deze plannen rekening gehouden worden met mogelijk aanwezige archeologische resten. Bouwwerken zijn toelaatbaar mits er sprake is van vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders. Van voorliggend geval is er sprake. Een aanvullend archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Melding toeval vondst Ingeval archeologische resten worden aangetroffen dient dit op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet onmiddellijk te worden gemeld aan de Minister van OC&W, door tussenkomst van de regio archeologen van Noord Veluwe. De vondst dient gedurende 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld of gehouden voor wetenschappelijk onderzoek. Conclusie Het aspect archeologie staat de uitvoering van het plan niet in de weg omdat er niet in de gronden zullen worden geroerd. 3.2 Bodem Wettelijk kader Onder de Omgevingswet wordt het onderscheid tussen graven en saneren duidelijk uiteengezet.

Bij graven is er alleen sprake van projectmatig grondverzet en is er geen saneringsdoelstelling. Bij het saneren van de bodem is er wel sprake van een saneringsdoelstelling om de kwaliteit van de bodem te verbeteren of contact met de verontreiniging te voorkomen. Dit onderscheid is gemaakt door van graven en saneren aparte milieubelastende activiteiten te maken. Voor graven in grond boven de interventiewaarde was onder de Wet bodembescherming een BUS-melding (Besluit uniforme saneringen) of een saneringsplan nodig. Onder de Omgevingswet is voor graven geen vergunning meer nodig, maar volstaat een melding en/of het aanleveren van gegevens en bescheiden voorafgaand aan de activiteit. Conclusie Er wordt niet in de grond gegraven of gesaneerd. Het aspect bodem vormt daarom geen belemmering voor het plan. 3.3 Verkeer & Parkeren 3.3.1 Inleiding Omdat de beoogde ontwikkeling gevolgen kan hebben voor de verkeer- en parkeersituatie in en rondom het plangebied zijn beide aspecten in de navolgende paragrafen beoordeeld. Autoparkeren De parkeerbehoefte is berekend aan de hand van de Nota Parkeernormen Putten (d.d. 28 oktober 2016). Het plangebied is in deze nota aangegeven met de gebiedsaanduiding ‘kom’ en nog specifieker ‘overig Putten’. Voor woningen met een bruto vloeroppervlak (BVO) 40m2-80m2 geldt op

22 maart 2024 Pagina 14 van 21

grond hiervan een parkeernorm van 1,6 parkeerplaats per woning. Deze parkeernorm geldt voor zowel zelfstandige als onzelfstandige woningen. De maatvoering van de parkeerplaatsen dient daarbij volgens de nota parkeernormen te voldoen aan de volgende afmetingen: 2,5 meter breed en 5,5 meter lang. Daarnaast mag de loopafstand tot de parkeerplaatsen voor bewoners maximaal 100 meter mag zijn en voor bezoekers maximaal 200 meter. Tevens geldt er voor de wijziging van detailhandel naar een maatschappelijke functie ook een parkeereis. Er ontstaat een parkeereis van 4 woningen. Dit betreft een parkeereis van 6,4 parkeerplaatsen waarvan 1,2 parkeerplaatsen voor bezoekers. Voor het parkeren is er een berekening gemaakt en deze voldoet in overleg met de gemeente Putten. Zie de berekening die ook is ingediend bij de vergunningsaanvraag. Fietsparkeren Er wordt voorzien in fietsparkeerplekken op het terrein van zowel de huisartsenpraktijk en de woningen Daarmee wordt er in voldoende mate in ruimte voorzien ten behoeve van het fietsparkeren. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

3.4

Water

3.4.1 Inleiding Bij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn: 

watercompensatie in verband met toenemende verharding

bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning

3.4.2 Beoordeling Er wordt binnen de bestaande footprint gebouwd. Er is daarom geen sprake van extra verharding. Er zijn ook geen extra parkeerplaatsen (extra verharding) noodzakelijk. Conclusie Het aspect water staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

22 maart 2024 Pagina 15 van 21

3.5 Luchtkwaliteit De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een Rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een Rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en /of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 μg/m3 NO2 en/of PM10).

NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen.

Conclusie Het initiatief kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. 3.6 Flora & Fauna 3.6.1 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen. Het doel is om met één wet en minder regels de wet makkelijker te kunnen toepassen. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden (voorheen geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998). Ter bescherming van deze Natura 2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebied kunnen aantasten.

22 maart 2024 Pagina 16 van 21

Voorts voorziet de Wet natuurbescherming in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden (voorheen geregeld in de flora- en faunawet). Het uitgangspunt is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen. Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld. Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen. NNN Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000- gebieden.

Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota’s en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten. 3.6.2 Effect te vergunnen activiteiten Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot verstoring, aantasting van groeiplaatsen en vernietiging van verblijfplaatsen van soorten die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. Activiteiten die mogelijk leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten leiden, zijn in principe verboden, tenzij maatregelen kunnen worden genomen om dit te voorkomen. Daarnaast moeten ook onbeschermde soorten zoveel mogelijk worden ontzien, volgens de "zorgplicht". In planvorming en/of uitvoering dient daarom tijdig rekening te worden gehouden met aanwezigheid van (beschermde) flora en fauna. Voorts geldt bij uitvoering van werkzaamheden te allen tijde een de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden een algemeen beschermde soort als konijn, veldmuis of gewone pad wordt aangetroffen zij de ruimte en tijd moet krijgen om een veilig heenkomen te zoeken.

Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren verplaatst worden naar een naastgelegen ruimte waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden. Conclusie Het aspect Ecologie staat de uitvoering van het plan niet in de weg. 3.7 Stikstof De regels over de nationale Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) komen niet terug onder de Omgevingswet. Wel geeft de Omgevingswet regels over een stikstofregistratiesysteem voor woningbouwprojecten en enkele rijkswegen. Dit systeem houdt bij hoeveel ruimte er aan stikstofdepositie is voor (nieuwe) projecten zonder dat Natura 2000-gebieden daaronder lijden.

22 maart 2024 Pagina 17 van 21

De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt de structurele stikstofaanpak door de volgende onderdelen op te nemen in het stelsel van de Omgevingswet:   

resultaatsverplichtende omgevingswaarden voor de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden een verplicht Rijksprogramma stikstofreductie en natuurverbetering een systeem van monitoring en bijsturing

Er is een stikstofdepositieberekening nodig. Derhalve wordt er een aanvraag gedaan bij het SSRS. 3.8 Geluid 3.8.1 Wettelijk kader Nu geldt in beginsel voor geluidgevoelige objecten een streefwaarde voor het geluid, de voorkeurswaarde. Met een hogere waarde besluit kan het bevoegd gezag een hogere waarde dan de voorkeurswaarde vaststellen. De hogere waarde kent ook een bovengrens, de zogenaamde maximale ontheffingswaarde. In het Bkl worden nieuwe termen geïntroduceerd:  

Standaardwaarde (voorheen: voorkeurswaarde): een geaccepteerd geluidsniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken, en Grenswaarde (voorheen: maximale ontheffingswaarde): een grens waarbij alleen bij uitzondering en met geluidbeperkende maatregelen (nieuwe) geluidgevoelige gebouwen kunnen worden toegestaan.

De standaardwaarden en de grenswaarden voor gevels van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden zijn bijna allemaal verhoogd ten opzichte van de eerdere waarden. In de volgende tabel staan de nieuwe waarden van de verschillende geluidbronsoorten weergegeven:

Als de geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Conclusie Ondanks dat de wijzigingsbevoegdheid verzoekt om een voorkeursgrenswaarde van 48dB ten gevolge van verkeerslawaai, is er met de komst van de Omgevingswet een hogere standaard- en grenswaarde vastgesteld.

22 maart 2024 Pagina 18 van 21

Als gevolg van de ontwikkeling zal er geen sprake zijn van een toename van het aantal dB op de bestaande woningen in de omgeving. De ontwikkeling heeft geen significant effect op de verkeersstromen op de bestaande wegen tot gevolg. Het treffen van maatregelen zorgen ervoor dat er wordt voldaan aan de standaardwaarde. Het aspect geluid staat de uitvoering van het plan niet in de weg. 4

Participatie

Een omgevingsvergunning dient maatschappelijk uitvoerbaar te zien. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt door de omgevingsvergunning zijn besproken met belanghebbenden. 4.1.1

Participatie omgeving

In de gemeente Putten wordt een participatieleidraad geboden om tot een goed doordacht participatieproces te komen. Het plan is kenbaar gemaakt in de buurt. Hiervoor is de initiatiefnemer de buurt in gegaan en heeft verschillende bewoners op de hoogte gesteld. Daarnaast zijn er briefjes in bussen gedaan. Hierin zijn de contactgegevens van de indiener gedeeld en is het plan kenbaar gemaakt. Indien er vragen of opmerkingen zijn konden zij de indiener hiervoor benaderen. Op het moment van indienen zijn er geen negatieve reacties binnengekomen. Er worden alleen vragen gesteld of de parkeerdruk zal stijgen en hoe dit eventueel opgelost wordt. Hiervoor is een parkeerberekening gemaakt. 4.1.2 Advies en instemming Op basis van het artikel 16.15a Omgevingswet heeft de gemeenteraad de mogelijkheid om zichzelf als adviseur aan te wijzen met recht van instemming. Hiervoor is door de gemeenteraad vastgesteld in welke gevallen een (bindend) advies/instemming moet worden gevraagd. Er is adviesrecht van de gemeenteraad van Putten nodig bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarbij sprake is van een toename van het aantal woningen. Gelet op dat de aanvraag niet buitenplans is, is de aanvraag ondanks dat er sprake is van een toename van het aantal woningen, niet adviesrechtplichtig.

22 maart 2024 Pagina 19 van 21

5 Financiële haalbaarheid De Omgevingswet biedt ruimte voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van gebieden zal ook de overheid vaak kosten moeten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen, en het wijzigen van het omgevingsplan. De aanleg van voorzieningen vindt in veel gevallen plaats voor rekening van de gemeente. De initiatiefnemers van de ontwikkeling profiteren meer van de aanleg van die voorzieningen dan andere burgers en bedrijven. Om die reden is het gerechtvaardigd om de kosten te verhalen op de initiatiefnemers. Naast de kosten voor de openbare voorzieningen worden ook de overige kosten omgeslagen over alle eigenaren. De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. 5.1.1 Kostenverhaal Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Deze worden verrekend via de leges. Als afspraken over kostenverhaal niet in een anterieure overeenkomst zijn vastgelegd, komt de publiekrechtelijke regeling in beeld.

In dit geval wordt het kostenverhaal geregeld in de omgevingsvergunning via leges. 5.1.2 Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. Voor iedere (buitenplanse) omgevingsplan activiteit wordt een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten (bijlage format standaard overeenkomst) op basis van art. 4.5 Awb.

22 maart 2024 Pagina 20 van 21

6

Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit staat in artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet. Deze beleidsvrije taak is een vervolg op het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan is te bereiken door regels aan activiteiten te stellen voor (een gedeelte van) het grondgebied en functieaanduidingen met de toegelaten activiteiten (met regels) te koppelen aan locaties. Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Geconcludeerd wordt dat voorliggend initiatief voldoet aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 6.5 van het deelplan Kom Noord en Zuidoost van het omgevingsplan van Putten. Daarmee is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bijlage: Onderzoeken zie overige ingediende documenten

22 maart 2024 Pagina 21 van 21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14516948/1