Nader natuuronderzoek
Tekst van het document
Nader onderzoek FF
Nader onderzoek FF Rotonde Putten N798
Opdrachtgever: Provincie Gelderland Dhr. W. de Hoog Markt 11 6811 CG Arnhem
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:
207578 26-9-2025 Eline Kuijper Fiona Boonk Jessica Loeffen Concept 1
© 2025 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave 1
Inleiding ...................................................................................................................................................... 4
2
Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 6
2.1
Huidige situatie ....................................................................................................................................... 6
2.2
Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................................... 6
3
Natuurwetgeving ........................................................................................................................................ 8
3.1
Inleiding .................................................................................................................................................. 8
3.2
Bescherming van soorten ....................................................................................................................... 8
4
Methode ..................................................................................................................................................... 9
4.1
Inleiding .................................................................................................................................................. 9
4.2
Bureauonderzoek ................................................................................................................................... 9
4.3
Veldonderzoek ........................................................................................................................................ 9
5
Beschermde soorten ................................................................................................................................. 12
5.1
Inleiding ................................................................................................................................................ 12
5.2
Vleermuizen .......................................................................................................................................... 12
5.2.1 5.3 5.3.1 5.4 5.4.1 5.5
Voorkomen en functie ................................................................................................................. 12 Grote vos .............................................................................................................................................. 13 Voorkomen en functie ................................................................................................................. 13 Kleine marterachtigen .......................................................................................................................... 13 Voorkomen en functie ................................................................................................................. 13 Overige beschermde soorten ............................................................................................................... 14
5.5.1
Voorkomen en functie ................................................................................................................. 14
5.5.2
Effecten en vergunning ................................................................................................................ 14
6
Conclusie ................................................................................................................................................... 15
6.1
Soortenbescherming ............................................................................................................................ 15
6.2
Geldigheid onderzoek ........................................................................................................................... 15
Bijlage 1 Wettelijk kader Natuurwetgeving ........................................................................................................... 17
Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 3
1 Inleiding De provincie Gelderland is van plan om het kruispunt ter hoogte van Schoonderbeeklaan 35 aan de N798 in Putten (gemeente Putten, provincie Gelderland) te vervangen door een rotonde (afbeelding 1). In verband met deze plannen is er reeds een toetsing uitgevoerd aan de natuurwetgeving en aan het natuurbeleid. Uit deze toetsing kwam naar voren dat in verband met het verwijderen van struweel nader onderzoek naar grote vos en kleine marterachtigen noodzakelijk is. Vanwege de kap van een aantal bomen met holtes is nader onderzoek naar vleermuizen benodigd. Ten opzichte van de quickscan is het planvoornemen gewijzigd, waarbij het struweel behouden blijft. In onderhavig rapport worden wel alle resultaten van het onderzoek behandeld. Nader, gericht veldonderzoek is noodzakelijk om aan te tonen, dan wel uit te sluiten dat aanwezige bomen en struweel een functie hebben als verblijfplaats voor beschermde soorten. Duidelijk moet dan ook worden om welke soort(en) en aantallen het gaat en wat de eventuele functie van het plangebied is voor deze soort(en). Uit het onderzoek komt naar voren of de voorgenomen ontwikkelingen consequenties hebben voor de aanwezige beschermde natuurwaarden in het kader van het natuurbeschermingsrecht en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.
Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 4
Afbeelding 1. Weergave van de ligging van het plangebied in Putten uit de quickscan (ESRI, 2025).
Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 5
2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied omvat een kruispunt en bevindt zich ter hoogte van Schoonderbeeklaan 35 aan de Oude Rijksweg (N798) in Putten, in de provincie Gelderland en de gemeente Putten (afbeelding 1). Het betreft de volgende kadastrale percelen: • • •
PTN01-C-10905 PTN01-C-10156 PTN01-C-9840
Het kruispunt ligt net buiten de bebouwde kom van Putten en is verbonden met de Schoonderbeeklaan en de Hoofdlaan (afbeelding 2). Het bestaat uit de provinciale weg N798, fietspaden en gemaaide bermen tussen de wegen. Langs de wegen staan lantaarnpalen voor verlichting. Verspreid over het plangebied bevinden zich meerdere bomen, waaronder beuken en gewone esdoorns. De voorgenoemde bomen hebben een diameter op borsthoogte (DBH) variërend van ongeveer 20-40 cm. In het noordwesten van het plangebied, aan de Schoonderbeeklaan, bevindt zich een houtsingel bestaande uit acacia, es, gewone esdoorn, zoete kers en zomereik. De ondergroei in de houtsingel bestaat uit braam, fluitenkruid, hedera, hondsdraf, hulst, veldesdoorn en wilde liguster. Gebouwen en watervoerende elementen zijn afwezig binnen het plangebied. Verder wordt het plangebied omgeven door een open agrarisch landschap, bos van de Veluwe en woningen in Putten.
2.2 Voorgenomen ontwikkeling De initiatiefnemer is voornemens het bestaande kruispunt te vervangen door een rotonde om de verkeersveiligheid te verbeteren. Voor de aanleg hiervan worden acht beuken en één gewone esdoorn gekapt, en de houtsingel in het noordwesten van het plangebied verwijderd. De bouw van de rotonde maakt deel uit van de aanleg- en bouwfase. Na voltooiing van de bouwfase zal de gebruiksfase aanvangen, waarin de rotonde in gebruik worden genomen door weggebruikers en wordt verbonden met het wegennet.
Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 6
Afbeelding 2. Planvoornemen (initiatiefnemer, augustus 2025).
Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 7
3 Natuurwetgeving 3.1 Inleiding Het natuurbeschermingsrecht onder de Omgevingswet bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied; het natuurbeschermingsrecht onder de Omgevingswet.
3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming (toetsing flora- en fauna-activiteit) is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningplichtige situatie onder de Omgevingswet. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of dit leidt tot overtreding van de betreffende schadelijke handelingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Als er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een vergunning noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan het natuurbeschermingsrecht onder de Omgevingswet. Gevolgen plangebied De Omgevingswet is een nationale wet. Als negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan het natuurbeschermingsrecht noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.
Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 8
4 Methode 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van een verkenning van bestaande inventarisatiegegevens en gericht onderzoek naar vleermuizen, grote vos en kleine marterachtigen.
4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en indien beschikbaar regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) waarbij data van de afgelopen 5 jaar is geraadpleegd; • de flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database. Zie de literatuurlijst voor een totale lijst van de geraadpleegde bronnen.
4.3 Veldonderzoek Op basis van 8 veldbezoeken is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen en de functionele leefomgeving van vleermuizen, grote vos en kleine marterachtigen (cameravallen). De onderzoeken zijn uitgevoerd door B. Priemus van Interpares en F. Boonk van Eelerwoude. Betreffende personen zijn ecologisch adviseur en werkzaam bij of in opdracht van Eelerwoude (Kader – ecologisch deskundige). In tabel 1 zijn de onderzoekdata weergegeven. Hierbij zijn tevens de onderzoekers, starttijd en weersomstandigheden genoteerd. Kader - Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
-
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt het natuurbeschermingsrecht, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
-
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 9
Tabel 1. Type onderzoek, datum, start- en eindtijd, onderzoeker(s) en de weersomstandigheden genoteerd per veldbezoek.
Datum
Type onderzoek
Start –eindtijd
Onderzoeker
Weersomstandigheden
17-05-2025
Kraamonderzoek vleermuizen
21:30 – 00:05 Zonsondergang 21:31
Interpares
Droog, 13 graden celsius, wind 2 bft NW. 8/8 bewolking.
16-06-2025
Kraamonderzoek vleermuizen
02:15 – 05:20 Zonsopkomst 05:19
Interpares
Droog, 13 graden celsius, wind 1 bft Z, 0/8 bewolking.
16-06-2025
Grote vos
Overdag
F. Boonk
Droog, 15 graden celsius, wind 1 bft Z, lichtbewolkt.
27-06-2025
Grote vos Camera’s plaatsen
Overdag
F. Boonk
Droog, 15 graden Celcius, wind 1 Bft, halfbewolkt.
25-07-2025
Camera’s controleren
Overdag
F. Boonk
Af en toe een bui, 19 graden Celcius, wind 1 Bft, halfbewolkt.
16-08-2025
Baltsonderzoek vleermuizen
22:00 – 0:05 Zonsondergang 21:01
Interpares
Droog, 15 graden celsius, wind 2 Bft N, 0/8 bewolking.
08-09-2025
Camera’s ophalen
Overdag
R. Karssen
Droog, 22 graden Celcius, wind 1 Bft, 12 lichtbewolkt.
07-09-2025
Baltsonderzoek vleermuizen
23:00 – 01:00 Zonsondergang 20:13
Interpares
Droog, 20 graden celsius, wind 2 Bft ZO, 0/8 bewolking.
Vleermuizen Het onderzoek richtte zich op het vaststellen van de aanwezigheid van vleermuizen en hun binding met de projectlocatie. Vleermuisonderzoek is uitgevoerd conform een landelijk geldend protocol, het Vleermuisprotocol 2021 (update maart 2025). In totaal zijn vier bezoekrondes in de periode 15 mei tot en met september uitgevoerd met een focus op ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Het vleermuisonderzoek kan slechts in een beperkte periode van het jaar worden uitgevoerd. Het onderzoek bestond uit: • twee bezoeken tussen 15 mei - 15 juli; • twee bezoeken tussen 15 augustus en 1 oktober; • tussen de bezoeken zit in de regel 20 dagen. De inventarisatie van vleermuizen heeft zich gericht op het vaststellen van verblijfplaatsen, vliegroutes en belangrijke foerageergebieden. Het onderzoek is uitgevoerd met behulp van batdetectoren (Petterson D240x, Batlogger M2, warmtebeeldcamera en rood/wit zaklamp). Indien noodzakelijk voor determinatie zijn vleermuiswaarnemingen getapet en geanalyseerd in speciaal hiervoor ontworpen software. Het veldwerk is zowel in de vroege avond als in de vroege ochtenduren (tweede helft van de nacht) uitgevoerd en concentreert zich op waarnemingen van ‘zwermende’ dieren rond verblijfplaatsen in boomholten.
Marterachtigen De houtsingel is aangewezen waar als gevolg van de werkzaamheden een negatief effect op kleine marterachtigen niet is uitgesloten. Hier is aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen uitgevoerd met cameravallen. Het onderzoek is uitgevoerd conform richtlijnen in het Kennisdocument Kleine marterachtigen (Versie 1.1, juli 2024) van BIJ12. Dit onderzoek is uitgevoerd met twee struikrovervallen®. Een struikroverval® is een opstelling bestaande uit een PVC-buis waarin een blikje sardines en een cameraval zijn bevestigd. In totaal is één struikroverval®
Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 10
geplaatst in de periode van 1 juni tot en met 15 november, omdat in deze periode de waarnemingskansen het hoogst zijn. De val blijft minimaal acht weken operationeel. Na de eerste vier weken zijn de vallen beoordeeld en een van de twee een paar meter verplaatst. Na afloop van de tweede periode van vier weken zijn de vallen opgehaald en de camerabeelden geanalyseerd. Grote vos Voor onderzoek naar grote vos is gebruik gemaakt van het onderzoeksprotocol van de Vlinderstichting. De rupsen zijn te vinden tussen begin april tot eind juli met een piek tussen half mei en half juni-juni. Omdat ze in groepen leven, zijn de vraatsporen en de rupsen duidelijk zichtbaar. Overige beschermde soorten In en rond het plangebied komen mogelijk nog een aantal andere beschermde soorten dan eerder beschreven voor. Voor een groot deel zal het gaan om algemeen voorkomende en vrijgestelde beschermde soorten, maar ook de aanwezigheid van een aantal beschermde (nachtactieve) soorten kan niet op voorhand worden uitgesloten. Hierbij dient gedacht te worden aan bijvoorbeeld steenmarter. Het veldwerk naar de groep van overige soorten is uitgevoerd tijdens en/of na afloop van de veldbezoeken naar vleermuizen en vogels.
Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 11
5 Beschermde soorten 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldonderzoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
5.2 Vleermuizen 5.2.1 Voorkomen en functie Aangetroffen soorten Tijdens het vleermuisonderzoek zijn in het gebied de volgende soorten vastgesteld; gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis. Er zijn geen in- of uitvliegende vleermuizen ofwel verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. De eerste avond van 17 mei 2025 werden er in het begin van de avond twee gewone dwergvleermuizen waargenomen die vanaf de oostelijk gelegen woonwijk kwamen aanvliegen. Er zijn vanaf ca 22:00 uur meerdere rosse vleermuizen en laatvliegers waargenomen aan de overkant (westen) van de N798 die daar in de richting van landgoed Schoonderbeek op hoogte bij de boomtoppen aan het foerageren waren zowel in de open ruimte boven de vijver als om de bomen. Sommige van deze foerageerden ook boven de N798 door in noordoostelijke richting langs de bomenlaan te vliegen en weer terug. Gedurende de tweede ronde in de ochtend van 16 juni 2025 werden bijna de hele ochtend enkel een gewoneen ruige dwergvleermuis gehoord en gezien die boven de boomtoppen aan het foerageren waren. Afgezien van deze twee was er nagenoeg geen activiteit. Pas vanaf 04:00 werden er af en toe een overvliegende laatvlieger en rosse vleermuis gehoord. Bij de bomen kon werd vanaf 04:30 geen activiteit meer waargenomen. Tijdens de baltsrondes zijn rond de bomen geen baltsende individuen waargenomen.
Foerageergebieden en vliegroutes Gezien het grote oppervlakte van het gehele beschikbare foerageergebied in de omgeving, de grote aantallen aanwezige bomen, het kleine oppervlakte die de 9 bomen bestrijken en het incidentele karakter van bezoeken van foeragerende vleermuizen die bijna al hun tijd aan de overkant of in noordelijke richting van de N798 foerageren leidt ertoe te concluderen dat er geen sprake is van essentieel foerageergebied. Conclusie De te kappen bomen hebben geen (essentiële) functie voor vleermuizen. Er is geen sprake van een vergunningsplichtige handeling. Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit of het nemen van extra maatregelen is niet aan de orde. Het wordt aanbevolen om in de toekomstige situatie aanwezige straatverlichting zodanig aan te passen dat er geen sprake is van verstorende verlichting richting de boomkronen. -
Verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;
-
Verlichting alleen aan op het moment wanneer het nodig is (dynamische verlichting)
-
Verlaag de hoogtes van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven;
Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 12
-
verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting);
-
beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur Fout!
verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven;
Verwijzingsbron niet gevonden.; -
geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.
-
Beperk verstrooiing van het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur;
-
Geen verlichting plaatsen bij in-en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.
Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen. Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.
5.3 Grote vos 5.3.1 Voorkomen en functie Tijdens het onderzoek is er in de houtwal één zoete kers aangetroffen. Hiervan zijn de bladeren op twee momenten geïnspecteerd. Er was geen sprake van significante vraat die zou duiden op een functie voor grote vos. Conclusie: Er is in het geval van verwijderen van de houtwal geen sprake van een vergunningsplichtige handeling ten aanzien van de grote vos. Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit of het nemen van extra maatregelen is niet aan de orde.
5.4 Kleine marterachtigen 5.4.1 Voorkomen en functie Tijdens het camera onderzoek zijn een aantal grondgebonden zoogdieren waargenomen die gebruik maken van de houtwal. Deze betreffen steenmarter (driemaal), bunzing (tweemaal). Daarnaast zijn meer algemene soorten waargenomen zoals egel en diverse algemene broedvogels (merel, roodborst), woelmuizen, veldmuizen, spitsmuizen en huismuizen (niet nader gedetermineerd). Conclusie: De houtwal wordt gebruikt door een aantal soorten om langs te migreren. Van deze soorten zijn steenmarter en bunzing streng beschermde soorten. Echter vanwege het beperkte aantal waarnemingen is er geen sprake van een essentiële migratieroute of verblijfplocatie. Verder naar het noorden zijn geschikte alternatieve routes beschikbaar in de daar aanwezige houtwallen. Er is in het geval van verwijderen van de houtwal geen sprake van een vergunningsplichtige handeling ten aanzien van de bunzing of steenmarter. Daarbij blijft met het nieuwe planvoornemen de houtwal behouden.
Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 13
5.5 Overige beschermde soorten 5.5.1 Voorkomen en functie Tijdens het veldonderzoek is ook gelet op de aanwezigheid van andere (niet-vrijgestelde) beschermde soorten dan hierboven beschreven. Deze beschermde diersoorten (o.a. das, hazelworm) zijn niet waargenomen en verblijfplaatsen zijn ook uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikt biotoop. Uitzondering hierop is de steenmarter die sporadisch van het plangebied gebruikmaakt als leefgebied. Er zijn echter geen verblijfplaatsen vastgesteld van de steenmarter, er is sprake van een niet essentiële migratieroute. In en rond het plangebied kunnen verschillende algemene vogelsoorten voorkomen. Het gaat hierbij o.a. om de soorten merel, winterkoning, roodborst. Deze soorten kunnen in en rond het plangebied tot broeden komen.
5.5.2 Effecten en vergunning Negatieve effecten op de groep overige beschermde soorten zijn uitgesloten. Vaste rust- en verblijfplaatsen van deze beschermde soorten, zoals das, ontbreken. Het plangebied maakt mogelijk onderdeel uit van het leefgebied van de steenmarter, maar ook van deze soort zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen waargenomen. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van broedvogels. Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Omgevingswet. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Deze schadelijke handelingen worden kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord.
Onder de Omgevingswet zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. De genoemde termijn moet daarom niet al te strikt worden toegepast. Conclusie: Negatieve effecten op overige beschermde soorten zijn uit te sluiten. Het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is voor overige beschermde soorten niet noodzakelijk. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels bij kap van de bomen en het weghalen van opgaand groen.
Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 14
Kader – Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte
6 Conclusie
mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.
6.1 Soortenbescherming
Op dit moment is binnen en rondom het plangebied verlichting aanwezig. De verlichting beperkt zich tot de Uit het faunaonderzoek naar voren gekomen datverlichting de houtwalmogelijk in het plangebied onderdeel uitmaakt vande straatlantaarns en in deis nieuwe situatie zal de toenemen.een Verwacht wordt dat met het leefgebied van de beschermde soorten steenmarter en bunzing. Vanwege het sporadische gebruik is er toename van verlichting rondom de te ontwikkelen locaties geen negatief effect zal optreden op de aanwezige geen sprake van een essentiële functie. Verder naar het noorden zijn alternatieve migratieroutes beschikbaar in soorten. De te verwachten soorten gelden namelijk niet als bijzonder gevoelig voor verstoring door verlichting. de vorm van houtwallen rond de agrarische percelen. Er is geen functie voor grote vos. Daarbij blijft met het Er dientplanvoornemen wel te allen tijde nieuwe derekening houtwal gehouden behouden. te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te beperken en directe belichting van de omgeving en onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder Devoorkomen te kappen bomen functie voorteboombewonende vleermuizen. Er is geen sprake van een te en hethebben gebiedgeen aantrekkelijker maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen vergunningsplichtige handeling.
Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit of het nemen van extra getroffen worden: maatregelen is niet aan de orde. verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;
verlichting op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); Het wordt aanbevolenalleen om inaan de toekomstige situatie aanwezige straatverlichting zodanig aan te passen dat er verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven; geen sprake is van verstorende verlichting richting de boomkronen. Verlichting alleen plaatsen waar hethet echtlicht nodig tot is; een minimum door gebruik van aangepaste armatuur Fout! beperk verstrooiing -
Verlichting alleen aan op het momentniet wanneer het nodig is (dynamische verlichting) Verwijzingsbron gevonden. ;
-
Verlaag de hoogtes van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven;
-
Beperk verstrooiing van het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur;
-
Geen verlichting plaatsen bij in-en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.
-
geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.
Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen. Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.
6.2 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegde gezag hanteert de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoekgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden. Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 15
Literatuurlijst • • • • •
BIJ12 (2024). Kennisdocument kleine marterachtigen. Versie 1.0. Utrecht ESRI Nederland (2021). https://www.esri.nl/nl-nl/home Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. NGB (2025). Vleermuisprotocol 2021 – update maart 2025. Vlinderstichting (2023). Onderzoeksprotocol vlinders en libellen.
Waarnemingen: ndff-ecogrid.nl
Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 16
Bijlage 1 Wettelijk kader Natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht In de Omgevingswet is in artikel 1.7 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen verantwoordelijk is voor een veilige en gezonde leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan bestuursrechtelijk wel worden gehandhaafd. Daarnaast is in artikel 1.7a van de Omgevingswet ook een algemeen verbod opgenomen. Daarin is vastgelegd dat het verboden is om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. Het betekent bijvoorbeeld dat het verboden is onnodig dieren en planten te doden, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt het natuurbeschermingsrecht onder de Omgevingswet soorten in drie beschermingsregimes in: 1. 2.
3.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 1. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven.
Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen schadelijke handelingen en vereisten voor vrijstelling of vergunning van de verboden. Schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningplichtige situatie onder de Omgevingswet De Omgevingswet gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal schadelijke handelingen genoemd (figuur 1). De schadelijke handelingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze schadelijke handelingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve vergunning); • een vergunning is verkregen.
1 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de
bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern 1 Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 17
Tabel 2. Overzicht schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningplichtige situatie onder de Omgevingswet.. Beschermingsregime soorten
Beschermingsregime soorten
Beschermingsregime Andere soorten (art.
Vogelrichtlijn (art. 11.37 Bal)
Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal)
11.54 Bal)
Lid 1, onder a het is verboden van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of opzettelijk te vangen
Lid 1, onder a het is verboden in het wild levende dieren in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of opzettelijk te vangen
Lid 1, onder b het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, beschadigen of nesten weg te nemen
Lid 1, onder b het is verboden in het wild levende dieren opzettelijk te storen
Lid 1, onder a het is verboden beschermde, in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijke te vangen en te doden Lid 1, onder b het is verboden vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Lid 1, onder c het is verboden eieren te rapen of onder zich te hebben
Lid 1, onder c het is verboden eieren van in het wild levende dieren opzettelijk te vernielen of te rapen
Lid 1, onder d het is verboden opzettelijk vogels te storen, tenzij het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort
Lid 1, onder d het is verboden voortplantings- of rustplaatsen van in het wild levende dieren te beschadigen of te vernielen
Lid 1, onder c het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken, verzamelen, af te snijden, ontwortelen of te vernielen
Lid 1, onder e het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken, verzamelen, af te snijden, ontwortelen of te vernielen
Om af te mogen wijken van de schadelijke handelingen (en deze toch te mogen overtreden) via een vergunning of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een vergunning worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de schadelijke handelingen per beschermingsregime. De schadelijke handelingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 5.1, lid 2 onder g Ow gelezen in samenhang met § 11.2). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.
Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 18
Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 311.54 lid 2 sub a Bal). Zie kader – Opzettelijkheid. Kader - Opzettelijkheid In zowel de Wet natuurbescherming als de Omgevingswet is bij meer schadelijke handelingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de schadelijke handelingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de schadelijke handelingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.
Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de schadelijke handelingen kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen vergunning worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort.
Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende vergunning voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime (Zie kader – Staat van instandhouding). Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. de SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Kader - Staat van instandhouding •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.
•
Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
•
Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 19
Voorkomen van schadelijke handelingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de schadelijke handelingen van natuurbeschermingsrecht onder de Omgevingswet kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Omgevingswet is niet altijd een vergunning nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de schadelijke handelingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.
Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de schadelijke handelingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de schadelijke handelingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de vergunningplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies. Programmatische aanpak De Omgevingswet biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet en Wet natuurbescherming is reeds ervaring opgedaan met een dergelijke programmatische aanpak. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebied een generieke vergunning verleend. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie. Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.
Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 20
Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan vergunning worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora en fauna;
•
voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;
•
om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan vergunning worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
•
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;
•
in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;
•
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of
•
om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de vergunning of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de vergunning of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan vergunning worden verleend op grond van de volgende belangen: •
de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;
•
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
•
ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;
•
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
•
ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;
•
in het algemeen belang van de betreffende soort.
Rotonde Putten N798 | Eelerwoude | 21
www.eelerwoude.nl