CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Krachtighuizerweg 34_Bijlagen bij de toelichting

Commissie Ruimte 27 mei 2021, gemeente PuttenBij agendapunt: Krachtighuizerweg 3415.849 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Niet gevonden in dit document.

  

  





* > (

:

:

+

-!

* > (

:

:

+

-8

* > (

:

:

+

-2('* 324' 3

* > (

"



+



@4)

  

 %&

+

D 

+

.

 

+

D) '

+

-  '23

 

+

6(

+

-  '2>34) '

 

+

-  '23&6

+

-  '2  3& 6)

+

G '2#3&6

+

.5,;2324' 3

#

 



**?



**'



  

"

3

 %

* > (



3

"   /#$ # "#$ #!%" .- 

:!

:!

* > (

:!

:!

* > (

:!

:!

* > (

!

:!

* > (

:!

:!

* > (

:!

:!

* > (

:!

:!

* > (

:!

:!

* > (

:!

:!

* > (

:!

:!

* > (



!

 !"

3

$ 



/#$ # /#$ #

I%'',.

  

    

.%. >      +%.++G- >      5%5=.,E= >     

     

1 )  #/  @--  ) ;-'0!"   .= -  ) @=

B )C23/ D0C23/"" E#* ) 4'# F '4 () +   '4 ()

9   4 *  ()      )'   &'   -@ ?(+. "!! E '4 (.)6 '-5 (G+;%!   4  ''BJ5 G-.@%@= -@. "!!  > '' 5)*( 1  (2;5. 9 &;*   3 -G%-@.@=.  - (( )( 1  (2-G3 H)( 1  (291,@E#;H93 '@'"88/ '' '  = 0 *?  2E53 -BH5.B@'@=888-

 



   !

  

' 

VA   





 

 

    

 



#

$

!

"

 





  





   

 



  





 

 



  



 

 

 



  

 



 

 



  





  

 



  





 



 



  





  

 



  





 



 



  



 

 

 



  

 



 

 



 



 

  

 



 

 



 

 



 





 

  

 



 



 

 

  

 



 





 

 

 



 

 

 

 

 



 

 

 

  

 









%& 

'(   !

      !"!#   $% %

&!' ()   *#' ()   +, -.,/! 01!.,/!

/0!$!    2$3% $    243$% $ 5 5 44!  &6 7$&!% ! !!

+.,/$819!7!/20"  3  91,9&:7 ;<17//1("7$=>?!" )@ <1.////1(2=)@<16//1(>A+"6>)  < %.#.(=+7)!



  

       





 

      

!" #  $%$

   ! " #$$   %&%$'() "*+$  #+

, %-" ./"!" 0'-" ./"!")) 1 2 3 42% 5 % 42%

$#65%*%)(( 7$*#8#+ $#*)(( $798$#*#+* :: 99#%);;!" $,< =*,#%#+;"% %;;"%$

142*> ?$%=%75&  8 ( ?  2? ,@=   A =    .&=*B  C%& / A $4     .$7B/A <    . #1 &< /   A +4' 64.B1=/%







 

    ! 

"

# 

$%

#  

 



' &(

 #

$%&

     !" #

*+,+&(-%+.

 "

$%&

    !)!#

/&&01-2&2.

 )

&&

  # !)!

52-5.

#

34

  !  3 * )"#

2-.

#

34

  !  3 * )"#

/&-.

#

34

  !  3 * )"#

/-2.

#

34

  !  3 * )"#

/67-8.

#

34

  !  3 * )"#

4-4.

#

34

  !  3 * )"#

77-.

#

34

  !  3 * )"#

9-.

#

34

  !  3 * )"#

:7-:.

#

34

  !  3 * )"#



$;3'

  )  3 * )

)

$4

  < "<

)

$4

=   3 * <<)

)

$4

=   3 * <<)

&

 



%'

# 

#

4*- #. ()( 

5-). ("

 *  )("*

 /- .->*4.  /+



#

(&%&+&?7+&+,++(,&%&?7 +&%+%?,&@ ,(,&++&@A%+B2 "=

+'" ,&,

$6## D=G -. ##  )) 55% ;FG -. ## "" =*=5F#!" (%H2(+= )) 95%9 &666=2(+=

5+ = =)"#!! 35 C9) 5 )"#!! 53C5 9 /%/ ="<< 5D  D=9<# = #=<< =5

2(+ &,5==+3 * # C !,&(,DE 7&+$6+&-* 4'=*%.A &52+++$6+&-534.A&+$6+&-'$> *'. %%92F2-4 .=

BIJLAGE 4

Achtergrond-, streef- en interventiewaarden

Achtergrondwaarden voor grond (voor standaardbodem). Streefwaarden grondwater en interventiewaarden grond en grondwater voor standaardbodem (10% organisch stof en 25 % lutum). Grond / sediment in mg/kg d.s., grondwater in μg/l; tenzij anders vermeld.

Stof

Grond/sediment (mg/kg d.s.) droge stof)  AchtergrondInterventiewaarde waarde

Grondwater (μg/l)

4,0 20 190 0,6 55 15 40 0,15 0,15 0,15 50 1,5 80 140

22 76 920* 13 180 78 190 190 36 4 530 190 100 720

10 50 0,4 1 20 15 0,05 15 5 15 65

20 60 625 6 30 100 75 0,3 75 300 75 800

2. Overige anorganische stoffen chloride (mg Cl/l) cyanide (vrij) cyanide (complex) thiocyanaten (som)

3,0 5,5 6,0

20 50 20

100 mg/l 5 10 -

1500 1500 1500

3. Aromatische verbindingen benzeen ethylbenzeen tolueen xylenen (som) styreen (vinylbenzeen) fenol cresolen (som) dodecylbenzeen aromatische oplosmiddelen (som)

0,01 0,03 0,01 0,1 0,25 0,25 0,30 0,35 2,5

1,1 110 32 17 86 14 13 -

0,2 4 7 0,2 6 0,2 0,2 -

30 150 1000 70 300 2000 200 -

1. Metalen antimoon arseen barium cadmium chroom chroom III chroom IV cobalt koper kwik kwik (anorganisch) kwik (organisch) lood molybdeen nikkel zink

 StreefInterventiewaarde waarde

* De interventiewaarde voor barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene verontreiniging.

1

Achtergrondwaarden voor grond (voor standaardbodem). Streefwaarden grondwater en interventiewaarden grond en grondwater voor standaardbodem (10% organisch stof en 25 % lutum). Grond / sediment in mg/kg d.s., grondwater in μg/l; tenzij anders vermeld.

Stof

Grond/sediment (mg/kg d.s.) droge stof)  AchtergrondInterventiewaarde waarde

Grondwater (μg/l)  StreefInterventiewaarde waarde

4. Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK's). naftaleen fenantreen antraceen fluorantheen chryseen benzo(a)antraceen benzo(a)pyreen benzo(k)fluorantheen indeno(1,2,3-cd)pyreen benzo(ghi)peryleen PAK (som 10)

1,5

5. Gechloreerde koolwaterstoffen a. (vluchtige chloorkoolwaterstoffen monochlooretheen (vinylchloride) dichloormetaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) Dichloorpropanen (som) Trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan Trichlooretheen (tri) Tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) b. chloorbenzenen monochloorbenzenen dichloorbenzenen (som) trichloorbenzenen (som) tetrachloorbenzenen (som) 0,0090 pentachloorbenzenen hexachloorbenzeen c. chloorfenolen monochloorfenolen (som) dichloorfenolen (som) trichloorfenolen (som) tetrachloorfenolen (som) pentachloorfenol

40

0,01 0,003 0,0007 0,003 0,003 0,0001 0,0005 0,0004 0,0004 0,0003 -

70 5 5 1 0,2 0,5 0,05 0,05 0,05 0,05 -

0,1 0,1 0,2 0,2 0,3 0,3 0,8 0,25 0,25 0,30 0,25 0,30 0,15

0,1 3,9 15 6,4 0,3 1 2 5,6 15 10 2,5 0,7 8,8

0,01 0,01 7 7 0,01 0,01 0,8 6 0,01 0,01 24 0,01 0,01

5 1000 900 400 10 20 80 400 300 130 500 10 40

0,20 2,0 0,015

15 19 11

7 3 0,01

180 50 10

2,2

0,01

2,5

0,0025 0,0085

6,7 2,0

0,003 0,00009

0,045 0,20 0,0030 0,015 0,0030

5,4 22 22 21 12

0,3 0,2 0,03 0,01 0,04

2

1 0,5

100 30 10 10 3

Achtergrondwaarden voor grond (voor standaardbodem). Streefwaarden grondwater en interventiewaarden grond en grondwater voor standaardbodem (10% organisch stof en 25 % lutum). Grond / sediment in mg/kg d.s., grondwater in μg/l; tenzij anders vermeld.

Stof

d. Polychloorbifenylen (PCB’s) PCB’s (som 7)

Grond/sediment (mg/kg d.s.) droge stof)  AchtergrondInterventiewaarde waarde

Grondwater (μg/l)

0,020

1

0,01

0,01

50 0,00018 23

-

30 6

4 1,7 2,3 34 0,32 4

0,02 ng/l 0,004 ng/l 0,009 ng/l 0,1 ng/l 0,04 ng/l -

0,2 0,01 0,1

e. overige gechloreerde koolwaterstoffen Monochlooranilinen (som) 0,20 Pentachlooraniline 0,15 Dioxine (som I-TEQ) 0,000055 Chloornaftaleen (som) 0,070 6. Bestrijdingsmiddelen a. organochloorbestrijdingsmiddelen chloordaan (som) 0,0020 DDT (som) 0,20 DDE (som) 0,10 DDD (som) 0,020 DDT/DDE/DDD (som) aldrin dieldrin endrin isodrin telodrin Drins (som) 0,015 Endosulfansulfaat α-endosulfan 0,00090 α-HCH 0,0010 ß-HCH 0,0020 γ-HCH (lindaan) 0,0030 δ-HCH HCH-verbindingen (som) Heptachloor 0,00070 Heptachloorepoxide (som) 0,0020 Hexachloorbutadieen 0,003 Organochloorhoudende bestrijdingsmiddelen (som landbodem) 0,40

-

 StreefInterventiewaarde waarde

-

-

4 17 1,6 1,2 4 4 -

0,2 ng/l 33 ng/l 8 ng/l 9 ng/l 0,05 0,005 ng/l 0,005 ng/l -

5 1 0,3 3 -

-

-

-

b. organofosforpesticiden azinfos-methyl

0,0075

-

-

-

c. organotin bestrijdingsmiddelen organotinverbindingen (som) tributyltin

0,15 0,065

2,5 -

0,05 - 16 ng/l -

0,7 -

4

0,02

50

d. chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden MCPA 0,55

3

Achtergrondwaarden voor grond (voor standaardbodem). Streefwaarden grondwater en interventiewaarden grond en grondwater voor standaardbodem (10% organisch stof en 25 % lutum). Grond / sediment in mg/kg d.s., grondwater in μg/l; tenzij anders vermeld.

Stof

e. overige bestrijdingsmiddelen atrazine carbaryl carbofuran 4-chloormethylfenolen (som) Niet-chloorhoudende bestrijdingsmiddelen (som) 7. overige stoffen Asbest cyclohexanon dimethyl ftalaat diethyl ftalaat di-isobutyl ftalaat dibutyl ftalaat butyl benzylftalaat dihexyl ftalaan di(2-ethylhexy)ftalaat ftalaten (som) minerale olie pyridine tetrahydrofuran tetrahydrothiofeen tribroommethaan (bromoform) ethyleenglycol diethyleenglycol acrylonitril fomaldehyde isopropanol (2-propanol) methanol butanol (1-butanol) butylacetaar ethylacetaat methyl-tert-butyl ether (MTBE) methylethylketon

Grond/sediment (mg/kg d.s.) droge stof)  AchtergrondInterventiewaarde waarde

Grondwater (μg/l)

0,35 0,15 0,017 0,60

0,71 0,45 0,017 -

29 ng/l 2 ng/l 9 ng/l -

0,090

-

-

0,1 2,0 0,045 0,045 0,045 0,070 0,070 0,070 190 0,15 0,45 1,5 0,20 5,0 8,0 1,0 0,1 0,75 3,0 2,0 2,0 2,0 0,20 2,0

100 150 82 53 17 36 48 220 60 5000 11 7 8,8 75 -

0,5 0,5 50 0,5 0,5 0,5 -

4

 StreefInterventiewaarde waarde

150 50 100 -

15000 5 600 30 300 5000 630 -

bestemmingsplan Krachtighuizerweg 34

66

bestemmingsplan Krachtighuizerweg 34

Bijlage 4 Watertoets

67

datum 30-6-2020 dossiercode 20200630-10-23696

Wateradvies voor ruimtelijke plannen met een klein waterbelang (korte procedure)

Algemeen Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn.

Beoordeling In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven.

Aandachtspunten Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water.

Algemene aandachtspunten

Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.

Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.

Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hierbij verder helpen.

Tot slot Eventueel benodigde vergunningen worden niet binnen de watertoets procedure of met deze Digitale Watertoets geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Een watervergunning van het waterschap is bijvoorbeeld nodig voor het dempen en/of vergraven van watergangen, het lozen van water op oppervlaktewater en het onttrekken van grondwater. Informatie over een watervergunning kunt u vinden op de website van het waterschap (www.vallei-veluwe.nl/loket). Op www.omgevingsloket.nlkunt u een watervergunning aanvragen. Daarnaast kunt u telefonisch contact opnemen met het waterschap onder telefoonnummer 055 - 52 72 911. Wij wensen u succes met de verdere ruimtelijke planvorming en verzoeken u het voorontwerp bestemmingsplan naar ons te mailen [watertoets@vallei-veluwe.nl].

Heeft u vragen of opmerkingen over deze watertoetsapplicatie? Laat het ons per mail weten [watertoets@vallei-veluwe.nl]. Voor dringende watertoetszaken kunt u ons telefonisch bereiken op 055 - 52 72 911.

Team Watertoets, Waterschap Vallei en Vallei

Disclaimer Waterschap Vallei en Veluwe streeft ernaar om correcte en actuele informatie in deze watertoetsapplicatie aan te bieden. Aan het beschikbaar gestelde kaartinformatie kunnen geen rechten worden ontleend. Waterschap Vallei en Veluwe aanvaard geen aansprakelijkheid voor enige vorm van schade naar aanleiding van het gebruik of de informatie die via deze applicatie beschikbaar wordt gesteld.

www.dewatertoets.nl

bestemmingsplan Krachtighuizerweg 34

72

bestemmingsplan Krachtighuizerweg 34

Bijlage 5 Ecologisch onderzoek

73

Quickscan flora- en fauna Krachtighuizerweg 34, Putten

Nijverdal, 23 juni 2020 Projectnummer 20.075

Colofon Titel

Quickscan flora- fauna Krachtighuizerweg 34 te Putten

Uitvoering

Otte Groenadvies

Veldinventarisatie

T.M. Stam – Gecertificeerd Stadswerk Flora en Fauna controleur 2018

Gecontroleerd

Ing. P. Otte

Opdrachtgever

S. de Graaf Krachtighuizerweg 34 3881 PD Putten 0650610830 zilvesterbortdegraaf@gmail.com

Projectnummer

20.075

Datum

23 juni 2020

Status

Definitief

Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Otte Groenadvies accepteert derhalve op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Otte Groenadvies uitgevoerde onderzoek neemt.

Brilsweg 1a 7441 BV te Nijverdal Tel: 06 - 511 77 946 mail: info@ottegroenadvies.nl

2

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................................................................4

1.1. Aanleiding en doelstelling ...................................................................................................... 4 1.1.1 Uitgangspunten ................................................................................................................ 4 1.2. Methodiek .............................................................................................................................. 4 1.2.1. Wat is een quickscan ........................................................................................................ 4 1.2.2. Uitvoer onderzoek ........................................................................................................... 5 2. Wetgeving ....................................................................................................................................................6 3. Gebiedsomschrijving.....................................................................................................................................7

3.1. Huidig gebruik planlocatie en omgeving................................................................................. 7 3.2. Projectvoornemen.................................................................................................................. 7 3.3. Foto impressie planlocatie ..................................................................................................... 8 4. Beschermde flora en fauna ...........................................................................................................................9

4.1. Flora ....................................................................................................................................... 9 4.2. Zoogdieren ............................................................................................................................. 9 4.3. Vleermuizen ......................................................................................................................... 10 4.4. Vogels ................................................................................................................................... 11 4.5. Overige soorten .................................................................................................................... 11 5. Conclusies ...................................................................................................................................................12

5.1. Overzicht van de bevindingen .............................................................................................. 12 5.2. Aanbevelingen...................................................................................................................... 13 6. Kwaliteitsborging- en geldigheid .................................................................................................................14 7. Bibliografie .................................................................................................................................................15 Bijlage.............................................................................................................................................................16

BIJLAGE 1: WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING – SOORTBESCHERMING ................. 16

3

1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doelstelling In de ruimtelijke plannen is in het kader van de uitvoerbaarheid inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Met andere woorden, in het ruimtelijke ordeningstraject dient te worden aangetoond dat het plan, realisatie van een woning met bijgebouw, uitvoerbaar is. In dit kader dient een quickscan flora en fauna uitgevoerd te worden op de locatie Krachtighuizerweg 34 te Putten. 1.1.1 Uitgangspunten Uitgangspunt voor deze rapportage is de inkomende oproep van de heer S. de Graaf op 11 juni 2020. Op 19 mei 2020 is door Otte Groenadvies een offerte met nr. 20.073 per mail verstuurd. Op 11 juni 2020 is de offerte per mail door de heer S. de Graaf geaccordeerd. 1.2. Methodiek Om optimaal om te gaan met het zorgvuldigheidsprincipe uit de Wet natuurbescherming heeft de eigenaar besloten om een onderzoek te laten doen, alvorens de werkzaamheden uit te voeren. Onder meer bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met beschermde soorten en gebieden. Wet- en regelgeving omtrent deze soorten en gebieden is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Het onderhavige rapport beschrijft de resultaten van een zogenaamde quickscan van beschermde natuurwaarden in en rond het plangebied.

Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkelingen en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. De rapportage kan dienstdoen als onderbouwing bij bestemmingsplanwijzigingen en ontheffings- of vergunningaanvragen in het kader van de Wet natuurbescherming. In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd en getoetst aan de natuurwetgeving en –beleid. 1.2.1. Wat is een quickscan De quickscan flora en fauna is een oriënterend onderzoek. Hierin wordt de geplande ontwikkeling getoetst aan de natuurwetgeving. Door middel van een veldbezoek en bureauonderzoek wordt beoordeeld welke natuurwaarden verwacht worden in het plangebied en wordt gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten. Ook wordt gekeken of de plannen mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde Natuurmonumenten. Indien beschermde soorten voorkomen, kan een vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Eveneens dient te worden onderzocht of er gebruik kan worden gemaakt van gedragscodes en worden mogelijkheden tot ontheffing verkent. Een quickscan is een momentopname en geen standaard veldinventarisatie waarbij meerdere veldrondes in een seizoen worden uitgevoerd. Een quickscan geeft daardoor een beperkter beeld dan een standaard veldinventarisatie.

Omdat het onderzoek een momentopname betreft, kan geen rekening worden gehouden met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en –beheer na afloop van het onderzoek. De Nederlandse natuurwetgeving en -beleid bestaat uit verschillende onderdelen. Deze quickscan gaat alleen in op de relevante natuurwetgeving en –beleid van de flora en fauna op het plangebied. Toetsing op gebiedsbescherming (Nature 2000, NNN, ect.) valt buiten deze opdracht.

4

1.2.2. Uitvoer onderzoek Op 15 juni 2020 is een bezoek gebracht aan het plangebied en directe omgeving. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijk aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten en de indirecte aanwezigheid in de vorm van sporen (verblijfplaatsen, wissels, pootafdrukken en dergelijke). Er is gebruik gemaakt van een verrekijker en fotocamera. De weersomstandigheden waren helder, droog, 18°C. Tijdens het onderzoek waar dit rapport is voortgekomen is niet alleen gelet op flora en fauna binnen de contouren van het plangebied, maar ook op beschermde flora en fauna in de nabije omgeving. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen en andere standaardwerken nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten ervoor kunnen komen in het plangebied.

5

2. Wetgeving De Wnb regelt de bescherming van in het wild voorkomende planten en dieren (voorheen Flora- en faunawet) (naast de bescherming van gebieden). In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van beschermde soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren (artikelen 3.1, 3.5 en 3.10). Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11). De verbodsbepalingen, die handelingen die het voortbestaan van planten en diersoorten in gevaar kunnen brengen verbieden, is een belangrijk onderdeel van de Wet natuurbescherming. Deze verboden zorgen ervoor dat in het wild levende soorten zoveel mogelijk met rust worden gelaten. Deze verschillen per beschermingsgroep. De Wet natuurbescherming kent drie verschillende beschermingsregimes: • Vogelrichtlijnsoorten • Habitatrichtlijnsoorten • Andere soorten De provincies hebben in haar verordeningen uit de lijst van ‘andere soorten’ diersoorten aangewezen waarvoor een vrijstelling geldt en dus geen ontheffing van verbodsbepalingen voor hoeft te worden aangevraagd. Deze lijst met vrijgestelde soorten is per provincie anders.

De zorgplicht is wel van toepassing. Bij ruimtelijke plannen, met mogelijke gevolgen voor beschermde planten en dieren, is het verplicht om vooraf te toetsen of deze kunnen leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. Wanneer dat het geval dreigt te zijn, moet onderzocht worden of er maatregelen (mitigatie en/of compensatie) genomen kunnen worden om dit te voorkomen of om de gevolgen voor beschermde soorten te verminderen. Onder bepaalde voorwaarden geldt een vrijstelling of is het mogelijk van het bevoegd gezag ontheffing van de verbodsbepalingen te krijgen voor activiteiten op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Deze ontheffing wordt slechts verleend indien: • Er geen bevredigend alternatief is; • Er sprake is van een wettelijk belang; • Geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Zie Bijlage 1 voor het Wettelijk kader van de soortbescherming in de Wnb. De Wnb beschermt ook een aantal planten en vissen die onder de Flora- en faunawet niet beschermd waren. Hiermee is rekening gehouden in onderliggende natuurtoets, zie verder in paragraaf 4.1 aanwezigheid beschermde soorten. (Overheid, 2015)

6

3. Gebiedsomschrijving 3.1. Huidig gebruik planlocatie en omgeving Het plangebied ligt in een enkdorpenlandschap. In het enkdorpenlandschap wordt de landschapsstructuur bepaald door bochtige wegen, vaak met wegbeplanting, de onregelmatige kavelstructuur en houtwallen. Kenmerkend van een enkdorpenlandschap is het open/halfopen karakter met oude akkerlanden voorzien van een kleinschalige verkaveling (Gemeente Putten, 2011) Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Putten, in het buurtschap Krachtighuizen. Ten noorden ligt de plaats Putten, ten oosten ligt de Hoge Veluwe en ten zuiden liggen diverse vakantie-, chalet-, bosparken. Ten westen ligt de N303 met daarachter agrarische percelen. Het onderzoeksgebied betreft een voormalige camping. Het bestaat nu uit een braakliggend extensief onderhouden terrein zonder bebouwing voorzien van een omheining. Op de onderzoekslocatie is op enkele plekken gestort puin aanwezig, overige verharding is niet aanwezig. Het aanwezige groen bestaat uit een rij bomen, jonge aanplant en een kruidlaag. De rij bomen en jonge aanplant blijven ongeroerd.

Afbeelding 1&2 Locatie plangebied (rood) (Google, z.d.) (Pdok, z.d.) 3.2. Projectvoornemen Met de voorgenomen ontwikkelingen wordt op het braakliggende terrein een woning met bijgebouw gerealiseerd. Hierbij wordt de tuin groen ingericht met o.a. een groenstrook. Ten behoeve van de reconstructie verdwijnt plaatselijk begroeiing, maar dit blijft beperkt tot de kruidlaag, de bomen blijven ongeroerd. De werkzaamheden zijn gepland in na het verkrijgen van de benodigde vergunningen.

7

3.3. Foto impressie planlocatie

Overzicht planlocatie

Overzicht planlocatie

Bomenrij op de erfgrens

Jonge aanplant

8

4. Beschermde flora en fauna 4.1. Flora Het terrein bestaat uit een braakliggend terrein met aan de oostkant een rij eiken. Op het perceel is geen struiklaag aanwezig, wel staan er enkele nieuw aangeplante bomen als kastanje en magnolia. Op het perceel is een grote variatie in de kruidlaag aanwezig, deze kruidlaag bestaat uit soorten zoals distel, brandnetel, gewone braam, koolzaad, klaprozen, kamille, margriet en gewone raket. Beschermde houtopstanden Gemeente Putten heeft twee bomenlijsten opgesteld die de basis vormen voor het wel of niet nodig hebben van een kapvergunning. De bomenlijsten in combinatie met het bomenbeleidsplan wordt de aandacht gericht op bomen die het behouden waard zijn. Voor bomen binnen de bebouwde kom geld de Boswet (BBK Boswet). Uit de bomenlijsten is gebleken dat er geen beschermingswaardige bomen op de planlocatie en de directe omgeving aanwezig zijn (Gemeente Putten, 2015). Tijdens de ruimtelijke ontwikkeling worden er geen bomen gekapt, de tuin zal groen worden ingericht. Effectenbeoordeling Binnen het onderzoeksgebied zijn geen beschermde planten aangetroffen. Recente waarnemingen van beschermde plantensoorten ontbreken eveneens. In combinatie met de voedselrijke omstandigheden in de omgeving en het ontbreken van zeer specifieke biotopen waar beschermde planten worden aangetroffen, is aanwezigheid van beschermde vaatplanten uit te sluiten.

Nader onderzoek naar vaatplanten is niet nodig. 4.2. Zoogdieren Onder zoogdieren worden hier bedoeld alle grond- en boomgebonden zoogdieren met uitzondering van vleermuizen. In en rondom de planlocatie zijn geen sporen aangetroffen die duiden op aanwezigheid van beschermde soorten. Het ontbreekt aan een geschikt leefgebied voor zwaarder beschermde soorten en dergelijke soorten komen dan ook met zekerheid niet voor op de planlocatie. Algemeen voorkomende zoogdierensoorten zoals huismuis, huisspitsmuis, haas, en egel komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied. Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Gelderland. Effectenbeoordeling Op de projectlocatie worden voornamelijk, algemene zoogdiersoorten verwacht. De werkzaamheden kunnen tot negatieve effecten op deze soorten leiden, bijvoorbeeld door de aantasting van holen en gangenstelsels. Omdat een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt, moet alleen rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht die voor alle planten en dieren geldt. Aantasting van vaste verblijfplaatsen van zwaarder beschermde soorten is niet aan de orde, daar het plangebied niet beschikt over een geschikt leefgebied en doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Significante verslechtering van (potentieel) leefgebied is geen sprake.

Nader onderzoek naar beschermde soorten is niet aan de orde.

9

4.3. Vleermuizen Een vleermuisonderzoek valt buiten het kader van een quickscan. Wel is de potentie onderzocht van het plangebied voor vleermuizen en is gelet op sporen. Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich in holten van bomen en besloten of donkere ruimten van kunstwerken, zoals gebouwen. Er is onderzocht welke soorten redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn aan de hand van het landschap, de omgeving en gekend verspreidingsbeeld. Daarna is onderzocht welke functies voor vleermuizen mogelijk voorkomen. Als richtlijn is hiervoor de checklist van het huidig geldende vleermuisprotocol (2017) aangehouden. Het gaat om voor vleermuis van belang zijnde objecten die door de beoogde activiteit of plan, in relevante mate worden aangetast. Foerageergebied en vliegroutes zijn alleen beschermd als ze essentieel zijn voor het goede voortbestaan van de soort ter plaatse (Netwerk Groene Bureaus, 2017) (Vleermuizen- Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika, 2011) Verblijfplaatsen Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig die worden gekapt. De ruimtelijke ontwikkeling heeft geen negatief effect op mogelijke verblijfplaatsen van deze soort. Foerageergebied en vlieg- en mitigatieroutes Boven het plangebied wordt mogelijk gefoerageerd door vleermuizen. Hier is echter geen sprake van een foerageergebied dat van essentieel belang is voor vleermuizen.

In de directe omgeving zijn vele vergelijkbare en meer geschikte locaties aanwezig. Daarnaast blijft tijdens- en na de ruimtelijke ontwikkeling het plangebied geschikt als foerageergebied. Het plangebied vormt geen schakel als vlieg- en mitigatieroute. Licht Met de nieuwe inrichting moet rekening worden gehouden met kunstmatige lichtbronnen om lichtverstoring te voorkomen. Dit betekent dat de plaatsing, de intensiviteit en de stralingsrichting van buitenlampen zodanig moet zijn dat er geen verstoring van strooilicht plaatsvindt. Werk met vleermuisvriendelijke verlichting en maak de verlichting dynamisch. Te allen tijde moet de verlichting naar beneden gericht zijn om verstoring door middel van strooilicht te voorkomen. Effectenbeoordeling Op basis van het veldbezoek is de inschatting dat de vleermuizen geen gebruik maken van het braakliggende terrein. Nader onderzoek en/of ontheffing aanvragen is niet nodig.

10

4.4. Vogels Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Tijdens het onderzoek zijn er geen horsten, roekenkolonie of geschikte (oude) kraaiennesten aangetroffen in het plangebied en nabije omgeving. Geschikte bebouwing voor huismus, gierzwaluw en uil ontbreken, waardoor nestlocaties zijn uitgesloten in het plangebied. Mogelijk wordt de omgeving gebruikt door foeragerende huismussen die in gebouwen in de omgeving broeden. Overige broedvogels De omgeving van het plangebied is geschikt voor algemene broedvogels. Het plangebied biedt geen mogelijkheden voor nestlocaties. Tijdens de inventarisatie zijn geen nesten, nestactiviteiten en/of nestrestanten op het braakliggende terrein aangetroffen. Effectenbeoordeling De ruimtelijke ontwikkeling zal derhalve niet leiden tot verstoring, aantasting of vernieling van jaarrond beschermde rust- of voorplantingsplaatsen van vogels. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren is niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen* moeten plaatsvinden. *In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd.

Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 15 maart tot 15 juli. 4.5. Overige soorten Het ontbreekt aan een geschikt leefgebied voor zwaarder beschermde soorten (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) en dergelijke soorten komen dan ook met zekerheid niet voor op de planlocatie. Algemeen kleine soorten komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied. Herkomst is terug te voeren op de eventueel aanwezige vijverpartijen. Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Gelderland. Effectenbeoordeling Het vóórkomen van beschermde soorten uit overige soortgroepen (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) is op voorhand uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt leefgebied en doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Negatieve effecten op beschermde soorten uit overige soortgroepen zijn derhalve op voorhand uit te sluiten. Een ontheffing of nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.

11

5. Conclusies 5.1. Overzicht van de bevindingen Soortgroepen

Aanwezigheid

Effecten

Aanbevelingen

Flora – beschermde soorten

niet

geen

geen

Zoogdieren – gebouwbewonend

niet

geen

geen

Zoogdieren – grond-/boombewonend

mogelijk

geen

geen

Zoogdieren – vrijgestelde soorten

aanwezig

mogelijk

zorgplicht

Vleermuizen – verblijfplaatsen

mogelijk

geen

geen, mits..1

Vleermuizen – vlieg/foerageerroute

mogelijk

geen

geen,

Vogels – jaarrond beschermde nesten

niet

geen

geen

Vogels – algemene broedvogels

mogelijk

beperkt

zorgplicht

Amfibieën/vissen – vrijgestelde soorten

niet

geen

geen

Amfibieën/vissen – beschermde soorten

niet

geen

geen

Reptielen/ongewervelden – vrijgest. soort mogelijk

beperkt

zorgplicht

Reptielen/ongewervelden – besch. soort

geen

geen

1

niet

= mits beperkt met lichtbelasting wordt omgegaan

12

5.2. Aanbevelingen Zorgplicht • Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden; Fauna •

•

Effecten op beschermde soorten en soortgroepen waarvoor geen vrijstelling geldt, zijn uitgesloten omdat er geen aanwijzingen zijn dat dergelijke soorten binnen invloedssfeer van de werkzaamheden voorkomen; Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels in de omgeving van het plangebied te verwachten. Bezette nesten mogen nooit vernield worden. Verstoring is alleen toegestaan wanneer deze geen invloed heeft op de overleving van ouders en jongen. De piek van het broedseizoen ligt in de periode half maart-half juli, maar eerdere en latere broedgevallen komen voor;

Overige • Wanneer tijdens werkzaamheden toch beschermde soorten worden aangetroffen dienen werkzaamheden tijdelijk te worden stilgelegd en wordt contact opgenomen met een inzake deskundige. Overleg met de deskundige moet duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan; •

Goedgekeurde gedragscode, ruimtelijke ontwikkeling van de vereniging Stadswerk kan worden toegepast tijdens de werkzaamheden. Hierin wordt beschreven hoe om te gaan met o.a. de algemene zorgplicht. Wel moet er een kanttekening worden geplaatst, als basis van de gedragscode ligt de Floraen faunawet. De gedragscode is nog niet aangepast op de (per 1 januari 2017) geldende wet- en regelgeving, Wet natuurbescherming.

13

6. Kwaliteitsborging- en geldigheid Door de inzet van deskundigen op gebied van ecologie en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethoden is de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Otte Groenadvies hanteert de richtlijnen van het Netwerk Groene Bureaus en de richtlijnen uit de soorten- standaarden/kennisdocumenten van RVO/BIJ12. Toetsing van de aanpak en uitwisseling van ervaringen met gemeente/provincie en collega-onderzoekers vindt plaats op regelmatige basis. Garanties over aan-/afwezigheid van planten en dieren is niet te geven. Daarvoor is de aard en de opzet van een quickscan niet toereikend. Daarbij is het een eenmalige momentopname en houdt het geen rekening met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderingen in terreingebruik en beheer. De geldigheidsduur van de rapportage bedraagt voor de zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar.

14

7. Bibliografie Gemeente Putten. (2011, april 18). Landschapsontwikkelingsplan Ermelo-Putten 2011-2021. Opgeroepen op 16 Juni 2020, van https://www.putten.nl/Inwoners/Milieu_Natuur_Duurzaamheid/Natuur/Landschapsontwikkelingspla n Gemeente Putten. (2015). Waardevolle bomen. Opgeroepen op 16 Juni 2020, van https://www.putten.nl/Inwoners/Milieu_Natuur_Duurzaamheid/Natuur/Bomenbeleid Google. (z.d.). Google Maps. Opgeroepen op 17 juni 2020, van https://www.google.nl/maps Helversen, D. &. (2011). Vleermuizen- Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion Natuur. Netwerk Groene Bureaus. (2017). Vleermuisprotocol 2017. Opgeroepen op 17 juni 11, 2020, van https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/werken-aankwaliteit/vleermuisprotocol Overheid. (2015, December 16). Wet Natuurbescherming. Opgeroepen op 17 juni 2020, van https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-10-01 Pdok. (z.d.). Online kaarten. Opgeroepen op 9 April 2020, van https://www.pdok.nl/viewer/

15

Bijlage BIJLAGE 1: WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING – SOORTBESCHERMING De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van het onderdeel soortbescherming gegeven, wat relevant is voor onderliggende toetsing. (Overheid, 2015) Categorieën De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • Vogelrichtlijnsoorten • Habitatrichtlijnsoorten • Andere soorten Vogelrichtlijnsoorten Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen.

Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1). Habitatrichtlijnsoorten In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1) en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; • bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5) De bijlagen zijn zeer uitgebreid en er staan ook veel soorten in genoemd die van nature niet in Nederland voorkomen. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als er geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c). Verbodsbepalingen Ten aanzien van vogels verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art.

3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt

16

niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Ten aanzien van de overige Europees beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de nationaal beschermde diersoorten geldt slechts een verbod op het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b). Ten aanzien van de nationaal beschermde plantensoorten geldt een verbod op het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c). Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van EZ vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1).

Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik; d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling Provinciale staten en de minister van EZ kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 2- 4; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend op de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hieronder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van EZ en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van EZ het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie.

Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af van of men kan voldoen aan de voorwaarden. Deze voorwaarden verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent - ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht - wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er

17

geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden. Voor Vogelrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.3 lid 4): 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora en/of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor Habitatrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2.

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de andere soorten gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten, aangevuld met: (art 3.10 lid 2): 6. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 7.

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 8. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 9. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 10. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 11. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 12. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of

18

13. in het algemeen belang.

Aanhaken bij de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) Er kan voor worden gekozen geen ontheffing Wnb aan te vragen, maar de toestemming aan te laten haken bij de Omgevingsvergunning. In dat geval dient het betreffende onderzoek bijgevoegd te worden bij de aanvraag Omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag voor de Omgevingsvergunning vraagt vervolgens een verklaring van geen bedenking (vvbg) aan bij het bevoegd gezag Wnb. De voorwaarden waaronder de vvgb wordt afgegeven maken vervolgens onderdeel uit van de Omgevingsvergunning. Wanneer ervoor wordt gekozen de toestemming Wnb niet aan te laten haken, moet de ontheffing Wnb zijn aangevraagd voordat de Omgevingsvergunning wordt aangevraagd. (Overheid, 2015)

19

bestemmingsplan Krachtighuizerweg 34

94

bestemmingsplan Krachtighuizerweg 34

Bijlage 6 Onderbouwing gebiedsbescherming

95

Z.B. de Graaf Krachtighuizerweg 34 3881 PD PUTTEN

Uw kenmerk Ons kenmerk Onderwerp

:: AS/Graaf : Berekening stikstofdepositie

Barneveld, 7 oktober 2020 Geachte heer De Graaf, Aangaande de ruimtelijke procedure met betrekking tot het wijzigen van het bestemmingsplan is verzocht het plan (oprichting woning) nader te motiveren in relatie tot gebiedsbescherming / Stikstof / N2000 gebieden. In onderhavige toelichting wordt ingegaan op de beoogde activiteiten, (a) de aanlegfase van de woning, (b) de gebruiksfase van de woning. Uit deze onderbouwing blijkt dat als gevolg van het beoogde initiatief geen sprake is van significant negatief effect op de Natura 2000-gebieden. Wij hebben met behulp van een AERIUS berekening de stikstofemissie berekend voor de aanleg- en gebruiksfase. De resultaten van de berekening zijn opgenomen in de bijlage bij deze brief. Aanleiding Cliënt wenst op het perceel kadastraal bekend, gemeente: Putten, sectie D, nummer 3564, een nieuwe vrijstaande woning op te richten. De huidige situatie betreft een geegaliseerde bouwkavel.

Plangebied

Figuur 1 Luchtfoto plangebied, bron: Globespotter, opname jaar: 2020

In onderstaand figuur is de planologische verbeelding van het initiatief weergegeven.

Figuur 2 Verbeelding beoogde planologische situatie.

Rondom het plangebied ligt op ca. 50 meter het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Plangebied

Figuur 3 Weergave plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied ‘Veluwe’

2

Figuur 4 Landschappelijk inrichtingstekening, bron: Buro Ruiter

Aanlegfase Er is een berekening uitgevoerd voor de aanlegfase van de oprichting van het woonhuis. Voor deze fase is een worst case benadering gehanteerd. In de berekening zijn wij uitgegaan van 2 type bronnen, stationaire bronnen en verkeersbronnen. Stationaire bronnen In onderstaande tabel worden de verschillende machines, de inzet en het verbruik per dag weergegeven. Dit geldt voor de totale duur van het project. Aangenomen wordt dat in totaal 900 liter brandstof (diesel) verbruikt wordt tijdens de bouwfase. De stationaire bronnen tijdens de bouwfase worden weergegeven in onderstaande tabel: Type werktuig

Graafmachine gelijkwaardig Betonpomp gelijkwaardig Totaal:

of of

Klasse

Verbruik/dag (L)

Ndagen 1

Totale verbruik (liter) 64

Totale emissie (kg/j) 0,1 kg/j

STAGE IV, 75-130 kW, bouwjaar 2014/01, Categorie R STAGE IV, 56 – 75 kW, bouwjaar 2014/01, Categorie R

64 25

1

25

0,1 kg/j

89 L

0,2 kg/j

3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10113894/1