CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Beeldvormende vragen PNV – Gebiedsvisie Dwarskade

Raad Oordeelvorming 22 januari 2026, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: Beeldvormende vragen580 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

Beeldvormende vragen PNV – Gebiedsvisie Dwarskade

Vragen Fractie Pijnacker-Nootdorp vooruit. Oordeelvormende vergadering: 22 januari 2026 Agendapunt 4: Gebiedsvisie Dwarskade In de nota wordt gesproken over “ruimte voor onderwijs en zorg”. Echter, we zien vaak dat woningbouw voorrang krijgt en voorzieningen achterblijven. 1. Welke harde minimale ondergrenzen (zoals m² maatschappelijk vastgoed of een koppelingsclausule tussen woningen en voorzieningen) bevat deze visie, zodat wij als raad de garantie hebben dat het 'aantrekkelijke vestigingsklimaat' ook echt wordt gerealiseerd?" 2. "Het college noemt 'veerkracht' als kernwaarde. Als ik zoek naar de borging daarvan, zie ik vooral woningbouwaantallen. - Wat verstaat het college onder “veerkrachtige samenleving” in dit kader. - Kan aangegeven worden waar in dit document de kwalitatieve randvoorwaarden staan die voorkomen dat dit enkel een stenenstapel wordt? Indien deze ontbreken: welke ruimte ziet het college om de visie aan te vullen met een 'programma van eisen' voor de publieke ruimte?" - Op welke objectieve criteria wordt een toekomstige Bopa-aanvraag getoetst wat betreft die 'veerkracht'? Is de huidige tekst concreet genoeg om een vergunning te weigeren als een ontwikkelaar de maatschappelijke voorzieningen wegbezuinigt. 3. De visie stelt dat Dwarskade een 'aantrekkelijk vestigingsklimaat' moet bieden.

- Wat verstaat het college onder “een aantrekkelijk vestigingsklimaat” - Als we straks een Bopa-aanvraag ontvangen die het aantal vierkante meters voor ondernemerschap of werkplekken minimaliseert ten gunste van extra woningen: welke concrete ruimtelijke kaders biedt deze visie dan om die aanvraag af te wijzen? Met andere woorden: bevat dit document harde ondergrenzen voor de functiemenging (wonen/werken)? 4. Vragen over de “flexibiliteitsparagraaf” Op welke wijze is in de besluitvorming vastgelegd welke onderdelen van de gebiedsvisie gelden als limitatieve (harde) randvoorwaarden voor de toetsing van een Bopa-aanvraag, en welke onderdelen als indicatieve (zachte) richtlijnen? Kan het college een overzicht aanleveren waarin per ambitie (zoals de 35% sociale huur) wordt aangegeven of hiervan bij vergunningverlening gemotiveerd kan worden afgeweken?

5. In de voorliggende visie wordt gesteld dat dit document het ruimtelijk kader vormt voor toekomstige Bopa’s. Kan het college, teneinde de rechtszekerheid en de toetsbaarheid te vergroten, een geoperationaliseerd (concreet) toetsingskader of een 'Kaderkaart met voorschriftenoverzicht' aanleveren? 6. In de nota staat dat de bouw van het IKC geen onderdeel is van de grondexploitatie. Kan het college aangeven of er in de meerjarenprogrammabegroting (MPB) reeds een investeringskrediet of een reserve is opgenomen voor de bouw van dit IKC? Zo nee, hoe verhoudt dit zich tot de stelling dat de gebiedsvisie 'financieel haalbaar' is? 7. De gebiedsvisie hanteert het kwalitatieve kader 'lage snelheden'. Kan het college technisch specificeren welke maximale ontwerpsnelheid (bijv. 15 km/u of 30 km/u) als harde voorwaarde wordt meegegeven aan de inrichting van de openbare ruimte? En op welke wijze borgt dit document dat de fysieke weginrichting (profielbreedte en materiaalgebruik) dwingend leidt tot dit rijgedrag, zodat 'lage snelheid' een resultaatverplichting wordt in plaats van een inspanningswens? 8. Onder ruimtelijke principes staat dat bouwblokken 'deels in het park mogen schuiven'. Wat is het minimale netto-oppervlakte aan aaneengesloten openbaar groen dat in de parkzone overblijft, en hoe voorkomt dit kader dat de parkzone een 'snippergroen-invulling' wordt tussen de gebouwen? 9.

De visie benoemt 'toegankelijkheid' als uitgangspunt voor de parkzone en de openbare ruimte. Kan het college technisch specificeren welke erkende toegankelijkheidsnormen als harde inrichtingseis in het programma van eisen worden opgenomen? M.a.w. hoe wordt voorkomen dat zonder vastgesteld minimaal percentage van de speelen verblijfsvoorzieningen (bijv. 50%) fysiek bespeelbaar en bruikbaar is voor minder validen, zodat 'toegankelijkheid' een toetsbaar criterium wordt bij de vergunningverlening van de buitenruimte?

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16478155/2