Verslag Beeldvorming 07 mei 2026.pdf
Tekst van het document
Besluitenlijst Beeldvorming van 7 mei 2026
BESLUITENLIJST VAN DE OPENBARE BEELDVORMENDE VERGADERING d.d. 7 mei 2026 (aanvang 20.00 uur). Een integrale geluidsopname van deze vergaderingen is te beluisteren op www. papendrecht.nl Aanwezig: Mevrouw A.A.S. Stigter, voorzitter; Mevrouw N. de Ruiter (PVV), de heer R.J. Kraaijeveld (PVV), de heer A.M. Eikelenboom (PVV), de heer J. Kwakernaat (VVD), de heer D. Hedayati Sohani (VVD), de heer M. Aarnoudse (VVD), mevrouw H.C.T.J. Hoekstra (OP), de heer J. van der Tak (OP), de heer J. Mulder (CDA), mevrouw M. Minasian (CDA), de heer P.C. Grimmius (PRO), mevrouw C.W. Libert-Boogaard (PRO), mevrouw D. van Gerven (PRO), mevrouw L. Quist (PRO), mevrouw T.C. van Es (D66), mevrouw W. Hardenbol-Kroek (D66), de heer K. Leenhouts (SGP), de heer L. Donk (SGP), de heer L. van Houtert (50Plus), de heer E. den Boef (CU), de heer M. Verhoeven (CU), de heer A. Tieleman (PAB), de heer X. Janssen (PAB) en mevrouw A. van Gent (PAB). De heren J.L. van Erk en A.J. Kosten, portefeuillehouders. Mevrouw A. Toonen, extern deskundige, inzake agendapunt 04; De heer R. Alkaabi, adviseur wonen en ruimte gemeente Papendrecht, inzake agendapunt 05. De heer H. Sepers, raads-communicatieadviseur; Mevrouw C. Dorn, griffiemedewerkster; Jeanine Nieuwstraten, notulist. 01.
Opening. De VOORZITTER opent de vergadering en heet eenieder van harte welkom.
02.
Vaststellen agenda. De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld.
03.
Insprekers over niet geagendeerde onderwerpen. Er zijn geen insprekers.
04.
Presentatie intentieverklaring tussen de gemeente en de Rivierendriesprong. Wethouder KOSTEN merkt op dat het een bijzonder moment betreft omdat gesproken wordt over een dossier waarbij de gemeente Papendrecht en een bedrijf al langdurig – ca. 22 jaar – in conflict zijn. Hij geeft aan dat deze situatie al lange tijd spanningen oplevert tussen de betrokken partijen en dat dit leidt tot onzekerheid en vragen bij zowel inwoners, het bedrijf als de gemeente. Daarbij staan met name de vragen centraal hoe de situatie is ontstaan en hoe deze kan 1
Besluitenlijst Beeldvorming van 7 mei 2026
worden opgelost. De wethouder geeft aan dat hij in de afgelopen bestuursperiode heeft gezocht naar mogelijkheden om de situatie te doorbreken en tot een andere aanpak te komen. Deze overtuiging bestaat nog steeds. Om die reden heeft het college besloten een bemiddelaar aan te stellen, mevrouw Toonen, met als doel te komen tot een nieuwe situatie. Dit heeft geresulteerd in een intentieverklaring tussen het bedrijf en de gemeente. Naar aanleiding van een verzoek van Onafhankelijk Papendrecht om nadere toelichting, heeft de wethouder ervoor gekozen de bemiddelaar, gezien haar betrokkenheid bij beide partijen en haar inzicht in de achtergronden en het verloop van het conflict, deze toelichting te laten geven. Tot slot geeft de wethouder aan dat de toelichting bedoeld is om de raad op een duidelijke en begrijpelijke wijze inzicht te geven in de situatie, mede omdat niet alle raadsleden vanaf het begin betrokken zijn geweest. Daarbij is ruimte voorzien voor het stellen van vragen. Aansluitend geeft mevrouw TOONEN een uitgebreide toelichting, waarna onderstaande vragen en antwoorden worden uitgewisseld: De heer VAN HOUTERT vraagt of duidelijk is geworden waarom de gemeente in het begin de grond wilde aankopen. Hij geeft aan dat hierover geruchten bestaan, maar vindt het niet verstandig deze te benoemen omdat ze niet bewezen zijn.
Vervolgens verwijst hij naar het geluidsniveau van 50 dB(A), dat volgens hem een belangrijke rol speelt omdat dit in regelgeving is vastgelegd. Hij veronderstelt dat het achterliggende doel van de gemeente is om overlast voor omwonenden te voorkomen. In dat kader vraagt hij of bewoners, waaronder specifiek een omwonende nabij het bedrijf, in het proces zijn betrokken. Mevrouw TOONEN antwoordt dat bewoners niet zijn betrokken, omdat eerst moest worden vastgesteld of er nog communicatie mogelijk was tussen de gemeente en het bedrijf. Daarnaast geeft zij aan dat de geluidsnormen (dB(A)) wettelijk bepaald zijn en niet door de gemeente zelf worden vastgesteld. Zij benadrukt dat deze wetgeving complex is en landelijk geldt, waarbij in het verleden ook landelijke ontwikkelingen invloed hebben gehad op bedrijventerreinen, los van de situatie in Papendrecht. Zij heeft begrip voor de ervaren overlast, maar merkt op dat zij zich beperkt tot het feit dat de wet toestaat dat binnen bepaalde normen geluid wordt geproduceerd. Ter illustratie noemt zij dat ook bij andere activiteiten, zoals festivals, overlast kan worden ervaren terwijl deze binnen de wettelijke normen blijven. M.b.t. de genoemde geruchten geeft zij aan dat zij deze niet nader benoemt omdat deze niet bewezen zijn en het bespreken daarvan ongewenste speculatie kan veroorzaken.
2
Besluitenlijst Beeldvorming van 7 mei 2026
De VOORZITTER merkt op dat mevrouw Toonen geen technisch specialist is en dat zij is uitgenodigd om het proces toe te lichten, niet om technische vragen over geluidsnormen te beantwoorden. De heer VAN HOUTERT verduidelijkt daarop dat zijn vraag niet technisch bedoeld is, maar gericht op de motivatie van de gemeente. Hij stelt dat de gemeente zich vermoedelijk inzet voor geluidsbeperking vanwege bewoners en vraagt waarom dit aspect zo zwaar weegt in het dossier. Mevrouw TOONEN zegt dat, hoewel zij begrip heeft voor die redenering, regelgeving niet uitsluitend gebaseerd is op feitelijke overlast. Zij legt uit dat wettelijke normen voor bedrijven gelden ongeacht de locatie, maar dat bestemmingsplannen en de ligging (bv. nabij een woonwijk) van invloed zijn op de specifieke regels die van toepassing zijn. In dit geval speelt mee dat het bedrijventerrein dicht bij een woonwijk ligt, waardoor andere voorschriften gelden. Mevrouw HOEKSTRA geeft aan dat zij vooraf vragen heeft ingediend ter voorbereiding op het gesprek, maar merkt op dat deze grotendeels nog niet zijn beantwoord. Zij verzoekt het huidige college deze alsnog te beantwoorden. Daarnaast stelt zij aanvullende vragen naar aanleiding van de toelichting.
Verder merkt zij op dat mevrouw Toonen spreekt namens de Rivierendriesprong, waarop mevrouw TOONEN aangeeft dat zij optreedt als onafhankelijke bemiddelaar en voor beide partijen werkt, zonder één van hen te vertegenwoordigen. De VOORZITTER vult aan dat de wethouder eerder aangaf dat zij spreekt namens zowel de gemeente als de Rivierendriesprong m.b.t. van het proces. Mevrouw HOEKSTRA merkt vervolgens op dat er onvoldoende met bewoners is gecommuniceerd, terwijl zij ook juridische stappen hadden kunnen ondernemen. Zij vraagt waarom dit aspect niet is meegenomen. Mevrouw TOONEN geeft aan dat in de bemiddelingsfase de nadruk lag op het herstellen van de communicatie tussen de 2 primaire partijen, de gemeente en het bedrijf. Gezien de complexiteit en de duur van het conflict (ca. 20–22 jaar) is er bewust voor gekozen om eerst deze relatie te herstellen. Zij geeft aan dat omwonenden in een latere fase, bij een eventuele nieuwe vergunningsprocedure, formeel worden betrokken via de daarvoor geldende inspraakprocedures. Mevrouw HOEKSTRA merkt op dat deze betrokkenheid in de praktijk beperkt zal zijn en wijst erop dat omwonenden in het verleden ook al betrokken zijn geweest, zonder dat dit tot een bevredigende oplossing leidde. Zij benadrukt dat bewoners nog steeds hinder ervaren en dat recente communicatie vanuit het bedrijf opnieuw onrust heeft veroorzaakt.
Mevrouw TOONEN geeft aan dat zij buiten haar formele opdracht wel heeft geïnformeerd naar contact tussen het bedrijf en de omgeving. Zij stelt dat volgens het bedrijf de bereidheid bestaat om het contact met omwonenden te verbeteren, maar dat de onderlinge verhoudingen momenteel zodanig zijn dat 3
Besluitenlijst Beeldvorming van 7 mei 2026
direct contact nauwelijks plaatsvindt. Mevrouw HOEKSTRA zegt -als omwonendedat de problematiek breder is dan alleen geluid en dat ook stof en verkeersbewegingen (vrachtverkeer) een belangrijke rol spelen in de ervaren overlast. Zij vindt dat deze aspecten onvoldoende in de toelichting naar voren komen. De VOORZITTER benadrukt herhaaldelijk dat de bijdrage van mevrouw Toonen zich beperkt tot het toelichten van het proces en de intentieverklaring tussen de gemeente en het bedrijf, en dat inhoudelijke of technische vragen over overlast en vergunningen aan het college gesteld dienen te worden. Zij erkent wel de zorgen van mevrouw Hoekstra en geeft aan dat haar inbreng wordt gehoord. Mevrouw VAN ES geeft aan dat zij de presentatie vooral ziet als een toelichting op een langdurig verstoorde relatie tussen de gemeente en het bedrijf, waarbij aspecten als geluid en stof onderdeel zijn van een bredere problematiek. Zij spreekt waardering uit richting het college voor het initiatief om te proberen deze situatie te doorbreken. Vervolgens vraagt zij of de genomen stappen volgens mevrouw Toonen daadwerkelijk perspectief bieden op herstel van de relatie en een nieuwe start, waarop mevrouw TOONEN antwoordt dat zij hier geen eenduidig bevestigend antwoord op kan geven en noemt de situatie kwetsbaar.
Zij geeft aan dat het na een langdurige periode van conflicten lastig is om het verleden los te laten en een volledig nieuwe start te maken. Ter illustratie beschrijft zij de verhoudingen als diep ingesleten “karrensporen”, waarmee zij bedoelt dat patronen en onderlinge omgangsvormen in de loop der tijd sterk zijn vastgelegd en moeilijk te doorbreken zijn. Volgens haar is het noodzakelijk om eerst opnieuw te beginnen vanuit de intentie om verandering te realiseren, voordat daadwerkelijk een nieuwe richting kan worden ingeslagen. Zij concludeert dat alle betrokken partijen –het college, de wethouder en de vertegenwoordigers van het bedrijf– de intentie hebben uitgesproken om tot een oplossing te komen. Hoewel dit nog geen garantie biedt voor succes, geeft zij aan dat hiermee -tegen haar verwachting in- een eerste stap is gezet richting een mogelijk herstel van de relatie. Mevrouw VAN ES stelt een vervolgvraag en informeert of de raad een rol kan spelen bij het bewaken van het proces, zodat wordt voorkomen dat de situatie opnieuw escaleert en buiten het zicht van de raad raakt. Mevrouw TOONEN antwoordt dat de verantwoordelijkheid primair bij het college ligt, maar geeft de raad wel een aandachtspunt mee. Zij benadrukt het belang van het kijken naar de bedoeling achter wet- en regelgeving, in plaats van uitsluitend naar de letter van de regels.
Volgens haar kan een te strikte toepassing van regels het oplossen van problemen in de weg staan. Zij geeft aan dat het raadzaam is om voortdurend te blijven toetsen welk doel met besluiten wordt nagestreefd en of de gekozen aanpak daadwerkelijk bijdraagt aan een oplossing. Daarbij waarschuwt zij dat 4
Besluitenlijst Beeldvorming van 7 mei 2026
langdurige juridische procedures veel gemeenschapsgeld kosten, terwijl deze niet noodzakelijk leiden tot een daadwerkelijke oplossing van het conflict. Volgens mevrouw Toonen ligt de nadruk idealiter op het gezamenlijk oplossen van problemen, in plaats van op het strikt handhaven van posities of het behalen van formeel gelijk. Zij benoemt dat het uiteindelijke doel moet zijn dat de onderlinge verhoudingen zodanig verbeteren dat direct contact tussen betrokkenen, zoals tussen omwonenden en het bedrijf, weer mogelijk wordt en bijdraagt aan praktische oplossingen. Mevrouw HOEKSTRA komt terug op de presentatie en verwijst naar de genoemde geluidsmetingen. Zij stelt dat daarbij is aangegeven dat het bedrijf binnen de norm bleef en voegt daaraan toe dat dit volgens haar het geval was omdat het bedrijf destijds slechts op een deel van de capaciteit draaide. De VOORZITTER merkt op dat mevrouw Toonen niet over deze inhoudelijke en technische vragen gaat en dat deze buiten de toelichting valt, die is gericht op het proces en niet op de inhoudelijke beoordeling van onderzoeken of vergunningen. Mevrouw HOEKSTRA vraagt daarop waarom het onderwerp geluid dan in de presentatie is benoemd, waarop mevrouw TOONEN aangeeft dat dit komt doordat het merendeel van de juridische procedures in het verleden betrekking had op geluidsnormen.
Het benoemen van geluid is daarmee gebaseerd op de aard van de eerdere geschillen en niet op een inhoudelijke weging ten opzichte van andere vormen van overlast, zoals stof. Wanneer mevrouw HOEKSTRA vervolgens opnieuw ingaat op de capaciteit van het bedrijf ten tijde van de metingen, merkt de VOORZITTER nogmaals op dat dit niet verder behandeld wordt. Daarna stelt mevrouw HOEKSTRA een vraag over de noodzaak van een nieuwe vergunning, terwijl er volgens haar al een vergunning bestaat, waarop mevrouw TOONEN uitlegt dat het doel van een nieuwe, gezamenlijke vergunning is om vooraf duidelijke afspraken vast te leggen tussen gemeente en bedrijf, om zo toekomstige juridische procedures te voorkomen. In dit proces wordt ook de inspraak van omwonenden meegenomen. Mevrouw HOEKSTRA merkt op dat in het verleden (2016) ook een vergunning is verleend met de intentie om duidelijkheid te creëren en handhaving mogelijk te maken, en plaatst vraagtekens bij het opnieuw afgeven van een vergunning. De VOORZITTER beëindigt de discussie en geeft nogmaals aan dat dit onderwerp niet aan de orde is. Mevrouw VAN GERVEN komt terug op de eerdere vraag van mevrouw Van Es over de verwachting voor de toekomst.
Zij merkt op dat lopende procedures inmiddels zijn ingetrokken en dat dit positief is voor de onderlinge relatie, maar vraagt hoe realistisch het is dat het bedrijf zich in de toekomst daadwerkelijk aan de regels zal houden. Zij benadrukt dat het ook de taak van de gemeente is hierop 5
Besluitenlijst Beeldvorming van 7 mei 2026
toezicht te houden en geeft aan dat het niet de bedoeling is dat de gemeente haar positie verzwakt. Mevrouw TOONEN zegt zij voorzichtig blijft in haar verwachtingen en geen garanties kan geven. Zij stelt dat zonder een nieuwe aanpak er in ieder geval geen verandering zou optreden. Volgens haar heeft de ondernemer aangegeven dat het huidige traject de enige weg is waarin hij nog vertrouwen heeft om tot verbetering te komen. Zij zegt dat het proces vraagt om een zekere mate van vertrouwen van beide kanten, maar wijst er tegelijkertijd op dat na een langdurig conflict het niet realistisch is om te verwachten dat er geen enkel incident meer zal plaatsvinden. Volgens haar kunnen dergelijke situaties zich zowel aan de kant van de overheid als van het bedrijf voordoen. Mevrouw TOONEN benadrukt dat het uiteindelijke doel is om te komen tot een situatie waarin partijen elkaar eerder en informeler weten te vinden bij signalen of voorgenomen wijzigingen, in plaats van direct terug te vallen op formele handhavings- of juridische trajecten. Hierdoor kan sneller worden bijgestuurd en kunnen escalaties mogelijk worden voorkomen. Afsluitend dankt de VOORZITTER mevrouw Toonen voor haar komst en sluit dit agendapunt. 05.
Presentatie actuele wooncijfers en tussenevaluatie woonplan 2020 - 2030. De heer ALKAABI, beleidsadviseur wonen en ruimte, verzorgt een presentatie, vervolgens worden onderstaande vragen en antwoorden uitgewisseld: De heer GRIMMIUS maakt allereerst 2 algemene opmerkingen. Ten eerste verzoekt hij dat presentaties voortaan vooraf met de raad worden gedeeld, zodat raadsleden zich beter kunnen voorbereiden. Ten tweede vraagt hij aandacht voor het gebruik van afkortingen (de HKG's zijn huisvesting kwetsbare groepen, de NHG is de Nationale Hypotheekgrens, de WLZ is de Wet Langdurige Zorg), met name aan het begin van de raadsperiode, omdat deze niet voor alle raadsleden direct duidelijk zijn. Vervolgens stelt hij een vraag naar aanleiding van een eerder genoemd percentage sociale huurwoningen (28,11%). Hij vraagt hoeveel woningen er in absolute zin ontbreken om het streefpercentage van 30% te bereiken. De heer ALKAABI geeft aan dat hij op dat moment geen exact antwoord kan geven, maar schat het tekort op ca. 200 woningen. Daarbij merkt hij op dat dit afwijkt van eerdere cijfers, waarin bij een hoger percentage een groter tekort werd genoemd, en dat dit mogelijk nader moet worden uitgezocht. De heer GRIMMIUS constateert dat het om een substantieel aantal woningen gaat en zegt de berekening zelf te zullen maken zodra de presentatie beschikbaar is.
Mevrouw HOEKSTRA vraagt of het eerder genoemde doel om meer duurdere woningen te realiseren nog steeds geldt, waarop de heer ALKAABI antwoordt dat er nog steeds duurdere woningen worden gebouwd, maar dat dit inmiddels is 6
Besluitenlijst Beeldvorming van 7 mei 2026
begrensd. Waar voorheen projecten volledig uit duurdere woningen mochten bestaan, geldt nu dat maximaal een derde van een project in het duurdere segment mag vallen. Mevrouw HOEKSTRA vraagt vervolgens waarom er, gezien de woningtekorten en het feit dat omliggende gemeenten een vergelijkbaar doel hebben, überhaupt nog wordt ingezet op duurdere woningen. Zij stelt dat de behoefte aan betaalbare woningen groter is. De heer ALKAABI legt uit dat de bouw van duurdere woningen mede nodig is om projecten financieel haalbaar te maken. Ontwikkelaars hebben volgens hem moeite om projecten rendabel te krijgen wanneer deze uitsluitend uit sociale woningbouw bestaan. In sommige gevallen nemen woningcorporaties projecten volledig over, waardoor deze volledig sociaal worden. Daarnaast geeft hij aan dat er ook vraag is naar duurdere en duurzamere woningen, bijvoorbeeld vanuit doorstromers. Mevrouw HOEKSTRA begrijpt de uitleg, maar verwijst naar het ruimtegebrek en de grote vraag naar betaalbare woningen. Vervolgens vraagt zij naar oplossingen in andere gemeenten voor het verhuisprobleem van ouderen. De heer ALKAABI geeft aan dat er landelijk verschillende woonconcepten worden ontwikkeld, zoals knarrenhofjes en projecten waarin meerdere generaties samen wonen. Hij stelt dat dergelijke concepten ook in Papendrecht worden verkend, maar nog tijd vragen om te realiseren.
Daarna stelt mevrouw HOEKSTRA een vraag over woningbouwplannen op specifieke locaties, waaronder de Rembrandtlaan, waar volgens haar het aantal bouwlagen is verhoogd. Zij wijst op mogelijke weerstand vanuit de omgeving en vraagt of deze aantallen zijn meegenomen in de plancijfers. De heer ALKAABI bevestigt dat de genoemde aantallen zijn verwerkt in de meest recente cijfers. Tot slot vraagt mevrouw HOEKSTRA naar de situatie rond woonwagenbewoners en het aantal personen dat hiervoor in aanmerking komt. De heer ALKAABI antwoordt dat hiervoor een selectie is gemaakt op basis van vastgelegde criteria, waaronder familiebanden en binding met de gemeente. Op basis daarvan gaat het om ca. 30 personen die in aanmerking komen. Mevrouw VAN ES merkt op dat het streven naar meer sociale woningbouw sympathiek klinkt, maar dat eerdere beleidskeuzes juist gericht waren op het vergroten van het aandeel duurdere woningen. Zij verwijst naar regionale analyses waaruit bleek dat er een tekort aan duurdere woningen was, waardoor bewoners met hogere inkomens de regio verlieten. Zij vraagt wat het loslaten van deze eerdere visie, mede door wettelijke verplichtingen, betekent voor het oorspronkelijke doel. De heer ALKAABI antwoordt dat de sociaaleconomische schaalsprong nog steeds een belangrijke doelstelling is.
Om die reden blijft het noodzakelijk een aandeel duurdere woningen te realiseren, ook binnen de huidige beperkingen waarbij maximaal een derde van nieuwbouwprojecten in dit segment mag vallen. Daarnaast geeft hij aan dat er op regionaal niveau wordt gewerkt aan afstemming van de woningbouwprogrammering. In het kader van de 7
Besluitenlijst Beeldvorming van 7 mei 2026
aankomende Wet versterking regie op de volkshuisvesting wordt van gemeenten verwacht dat zij een volkshuisvestingsprogramma opstellen. Dit programma vervangt het huidige woonplan en zal ook regionaal afgestemd moeten worden, met daarin afspraken over aantallen, typen woningen en doelgroepen per gemeente. Mevrouw VAN ES stelt daarop een vervolgvraag over de verschillen tussen gemeenten in het aandeel sociale huurwoningen. Zij vraagt of het de bedoeling is dat deze verschillen in de toekomst meer worden gelijkgetrokken binnen de regio. De heer ALKAABI antwoordt dat er momenteel nog geen definitieve afspraken zijn gemaakt. Hij geeft aan dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen gemeenten, waarbij sommige gemeenten relatief veel sociale woningbouw hebben en andere juist meer duurdere woningbouw. De regionale afstemming hierover is nog in ontwikkeling en hierover is nog geen eindbesluit genomen. De heer VERHOEVEN stelt een vraag over het begrip betaalbare woningen en merkt op dat de betekenis daarvan in de praktijk kan verschillen van de definitie die door de gemeente wordt gehanteerd. De heer ALKAABI geeft aan dat niet de gemeente, maar het Rijk de definitie bepaalt. Hij zegt dat hiervoor een landelijke betaalbaarheidsgrens geldt, die rond de €420.000 ligt.
Uit recente cijfers blijkt dat starters toch in staat zijn woningen te kopen, ondanks de hoge prijzen, wat suggereert dat de situatie minder eenduidig is dan deze lijkt. Vervolgens stelt de heer VERHOEVEN een vraag over het concept thuisplusflat, waarop de heer ALKAABI uitlegt dat een thuisplusflat een woonconcept is voor senioren, waarbij zelfstandig wonen wordt gecombineerd met zorg. In dergelijke complexen is een zorgverlener gekoppeld aan de bewoners en zijn er gezamenlijke voorzieningen en activiteiten. Het concept richt zich op zelfstandig wonen met ondersteuning en sociale voorzieningen. De heer DONK vraagt naar de belangrijkste oorzaak waarom slechts een klein deel van de ouderen, die naar verwachting willen verhuizen, dit daadwerkelijk doet. De heer ALKAABI antwoordt dat dit meerdere oorzaken heeft. Zo willen ouderen bij verhuizing doorgaans niet inleveren op woonruimte en mogen de woonlasten niet stijgen. Daarnaast is er een tekort aan geschikte woningen, omdat het huidige aanbod vaak uit kleinere appartementen bestaat (circa 60–70 m²), terwijl ouderen vaker behoefte hebben aan grotere appartementen met meerdere kamers. Verder geeft hij aan dat naast de woning zelf ook voorzieningen en sociale aspecten, zoals een gemeenschap of nabijheid van zorg, een belangrijke rol spelen in de verhuisbereidheid.
Op de vraag of de gemeente hiermee rekening houdt, antwoordt de heer ALKAABI dat bij nieuwe initiatieven wordt gekeken naar deze behoeften. Hij geeft aan dat er samenwerking plaatsvindt met Woonkracht10 en zorgorganisaties, en dat er wordt gewerkt aan 8
Besluitenlijst Beeldvorming van 7 mei 2026
een strategische afstemming van woningbouwplannen om beter in te spelen op deze opgave. De heer DONK vraagt vervolgens naar woningsplitsing en of er inzicht is in het aantal geschikte woningen in Papendrecht en de fase waarin dit proces zich bevindt. De heer ALKAABI geeft aan dat hier nog geen concrete cijfers van beschikbaar zijn. Wel loopt er een pilot met 2 woningen, gericht op het splitsen van woningen, onder andere in relatie tot de huisvesting van specifieke doelgroepen zoals statushouders. Hij benadrukt dat dit juridisch complex is en dat de mogelijkheden nog worden verkend. Vervolgens vraagt de heer DONK naar de plannen rondom woningbouw in Kraaihoek Noord, specifiek de Seringenstraat en Anjerstraat. Hij vraagt of hier sprake is van renovatie of nieuwbouw. De heer ALKAABI antwoordt dat er eerdere plannen waren voor sloop en nieuwbouw, maar dat deze door Woonkracht10 zijn uitgesteld. De focus ligt nu op renovatie en verduurzaming. Eventuele nieuwbouwplannen worden pas op langere termijn voorzien, waarschijnlijk na 2030. In antwoord op de vraag van de heer DONK over signalen van bewoners over mogelijke werkzaamheden op korte termijn, geeft de heer ALKAABI aan dat er op dit moment geen concrete plannen zijn. De heer JANSSEN vraagt of er al een visie bestaat voor de woningbouw na 2030 en of er binnen de gemeente nog voldoende ruimte beschikbaar is.
De heer ALKAABI antwoordt dat het nog op te stellen volkshuisvestingsprogramma ook gericht zal zijn op de langere termijn, waaronder de periode na 2030. Hij benadrukt dat het belangrijk is om vooruit te kijken, maar tegelijkertijd flexibiliteit in het beleid te behouden. Volgens hem kan de situatie in relatief korte tijd veranderen, zoals ook is gebleken tussen 2020 en het heden, waardoor beleidskaders aanpasbaar moeten blijven. De heer MULDER merkt op dat woningbouwcijfers voortdurend veranderen en stelt dat het eerder gehanteerde streefcijfer van 660 woningen (zoals opgenomen in de visie voor 2020–2030) mogelijk niet meer actueel is, aangezien de vraag naar woningen inmiddels aanzienlijk hoger ligt. Hij suggereert dat dit cijfer herzien zou moeten worden. Daarnaast wijst hij op een verschil in het percentage sociale woningbouw (voorheen ca. 29,05% en nu 28,11%) en vraagt of recent gerealiseerde sociale woningen, onder andere na sloop en nieuwbouw in Kraaihoek, al zijn meegenomen in de huidige cijfers. De heer ALKAABI antwoordt dat dit niet het geval is. De heer Mulder concludeert dat dit invloed heeft op de interpretatie van de cijfers en benadrukt dat woningbouwaantallen en percentages zorgvuldig moeten worden beoordeeld. De heer ALKAABI zegt dat de opgave groot is en dat er verschuivingen hebben plaatsgevonden in de focus, 9
Besluitenlijst Beeldvorming van 7 mei 2026
waarbij meer nadruk ligt op betaalbare en sociale woningbouw. Hij geeft aan dat moet blijken of de huidige inzet voldoende is om aan de behoefte te voldoen. Afsluitend dankt de VOORZITTER eenieder voor hun inbreng en sluit dit agendapunt. Eventueel aanvullende vragen kunnen schriftelijk worden gesteld. 06.
Sluiting. Niets meer aan de orde zijnde sluit de VOORZITTER de vergadering om 22.05 uur onder dankzegging aan eenieder voor diens inbreng. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van De heer H. Sepers (plv. griffier)
2026.
mevrouw A.A.S. Stigter (voorzitter)
10