D02. Bijlage 1 - Ontwerp Bestuursagenda Veiligheidsregio Utrecht 2024-2027.pdf
Tekst van het document
aan moderne technische toepassingen, doorlopend zicht op de risico’s en een 24/7 actueel beeld. Dit richting een VIC Midden Nederland, op het moment dat in 2025 de meldkamers van Utrecht, Flevoland en Gooi en Vechtstreek samenkomen. Daarnaast is het VIC nauw verbonden aan de totstandkoming van een risico- en crisiscommunicatieplatform op de website van de VRU en biedt hiervoor de informatievoorziening. Crisisutrecht.nl De VRU heeft op dit moment voor crisisfunctionarissen ‘crisisutrecht.nl’ ingericht. Op dit platform worden alle documenten, roosters, procedures en wetenswaardigheden van de VRU-crisisorganisatie beheerd en aangeboden aan de functionarissen en partners, waaronder de politie. Voor deze omgeving werkt het VIC aan een nieuw dashboard waarin risico’s gevisualiseerd worden. In de beleidsperiode 2024-2027 wordt gewerkt aan een nieuw platform, waarbij eenvoudig delen en uitwisselen van informatie centraal staat. Concrete VIC-activiteiten Het VIC voert in nauwe afstemming met de meldkamer, andere organisaties en partners (waaronder de politie) de volgende concrete activiteiten uit: • Het VIC heeft statische en dynamische gevaarzettingen in beeld en monitort en voorspelt veranderingen in deze gevaarzettingen zodat daaraan
39
BESTUURSAGENDA
Inhoudsopgave
Wie zijn we en waar staan we voor?
Waar gaan we voor?
Wat gaan we doen om daar te komen?
Wettelijke onderdelen
WETTELIJKE ONDERDELEN een operationele en bestuurlijke follow-up kan worden gegeven. • Het VIC ondersteunt de risico- en crisiscommunicatie naar aanleiding van veranderingen in de toestand van de gevaarzettingen. • Het VIC verzorgt dagelijks analyses voor VRU-piketfunctionarissen in de hoofdstructuur van de rampenbestrijding en crisisbeheersing, alsmede een tweewekelijks VIC-bericht dat is gebaseerd op het actueel risicobeeld. Daarnaast verzorgt het VIC extra berichten voor bijzondere situaties die vragen om informatiedeling en verzorgt het VIC 24/7 onder haar eigen pagina op de website crisisutrecht.nl/vic een actueel beeld. • Ter uitvoering van het Besluit veiligheidsregio’s draagt het VIC bij aan het opstellen en bijhouden van het totaalbeeld dat tijdens een ramp of crisis binnen de hoofdstructuur van de crisisbeheersing moet worden bijgehouden en beschikbaar moet worden gesteld. • Het VIC stemt de crisiscommunicatie voor wat betreft feitelijke informatieverstrekking en het te volgen handelingsperspectief af op het totaalbeeld. • Het VIC onderhoudt de contacten met veiligheidspartners van de VRU en houdt hen geïnformeerd over alle relevante operationele zaken die de VRU aangaan of de VRU bij enig incident kunnen betrekken.
• Het VIC is het aanspreekpunt voor de gemeenten en OvD-Bevolkingszorg voor acute vragen over risicocommunicatie, crisiscommunicatie en bevolkingszorg, alsmede het aanspreekpunt voor de dienstdoende piketfunctionarissen. • Het VIC is het aanspreekpunt voor het Nationaal CrisisCentrum (NCC) en het Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum (LOCC) en voor de rampenzender en RTV Utrecht bij acute vragen van communicatie. • Het VIC informeert de (groep van) burgemeesters over aanstaande of
lopende kwesties van operationele aard, inbegrepen de eventueel aan te reiken handelingsperspectieven. • Het VIC verzamelt de data uit de monitoring en bewaart deze voor later gebruik. De analisten van Risicobeheersing kunnen deze data gebruiken voor trendanalyses. • Afhankelijk van de crisis verzorgt het VIC sturingsinformatie op tactisch en strategisch niveau. Het VIC verzamelt informatie op basis van thema’s die worden benoemd vanuit de directie of operationele leiding. Deze thema’s worden omgezet in sturingsinformatie voor de operationele leiding, directie en het bestuur.
d. Oefenbeleidsplan VRU-visie op vakbekwaamheid De VRU streeft naar het optimaliseren van het lerend en presterend vermogen van onze organisatie. Elke dag weer en steeds beter. Visie Vakbekwaamheid Vakbekwaamheid zorgt ervoor dat (beginnende) professionals opgeleid, getraind en geoefend worden of zijn, zodat zij voldoende zijn voorbereid om hun taak goed te kunnen uitvoeren. De VRU stimuleert en faciliteert het leren met leermiddelen, digitale
systemen, didactische werkvormen en sluit aan bij risico’s en ontwikkelingen in de samenleving en het vakgebied. De VRU beschouwt het oefenen in het algemeen als een samenstel van twee componenten die gericht zijn op vakbekwaam worden en vakbekwaam blijven: • Vakbekwaam worden: het trainen en oefenen van vaardigheden waarover de individuele professional moet beschikken teneinde in een operationele situatie zijn of haar operationele of bestuurlijke functie goed te kunnen uitvoeren. • Vakbekwaam blijven: het optimaliseren van de kwaliteit van het gezamenlijk en complementair handelen van individuele professional, team, organisatie(onderdeel) en systemen. Uitgangspunten voor doelstellingen en planning De ambitie van de VRU is een vakbekwame en toekomstbestendige brandweer- en crisisorganisatie te zijn en te blijven. De VRU hanteert, ter bevordering van de kwaliteit van het oefenen, vijf uitgangspunten voor de oefenplanning: • het trainen en oefenen baseert zich op de kenmerken van het eigen verzorgingsgebied, de specifieke regionale risico’s en (de impact van) landelijke en maatschappelijke ontwikkelingen; • de individuele functionaris moet voldoende (optimaal en continu) getraind zijn om te kunnen (mee)oefenen; • de individuele functionaris wordt door de eigen monodisciplinaire organisatie getraind;
40
BESTUURSAGENDA
Inhoudsopgave
Wie zijn we en waar staan we voor?
Waar gaan we voor?
Wat gaan we doen om daar te komen?
Wettelijke onderdelen
WETTELIJKE ONDERDELEN • het oefenen van de brandweer is gebaseerd op de landelijke brancherichtlijn; • het oefenen wordt aangeboden op basis van de behoefte die in kaart gebracht wordt tijdens meetmomenten; kwaliteit van oefenen gaat boven kwantiteit van het oefenmoment; • de evaluaties van incidenten en vakbekwaamheidsactiviteiten bieden leerpunten die meegenomen worden tijdens het trainen en oefenen. Visie op leren van oefenen Oefenen is bedoeld om te leren wat niet voldoende werkt en om beter te worden. De VRU heeft de volgende visie op de manier waarop het leren kan worden gestimuleerd, bevorderd en effectief kan zijn: • leren gebeurt door een combinatie van verschillende vormen en technologieën, ‘blended learning’. We maken hierbij zoveel mogelijk gebruik van nieuwe technologische ontwikkelingen die hiervoor beschikbaar zijn (Elektronische Leeromgeving (ELO), dedicated ruimte voor het virtueel oefenen, een studio om het leren te ondersteunen met nieuwe technologische ontwikkelingen). Hierdoor is er tevens meer vrijheid om buiten de reguliere oefenmomenten kennis en vaardigheden op peil te houden; • leren gebeurt zowel in georganiseerde activiteiten als tijdens praktijkinzetten. Leren gebeurt altijd en overal; • leren gebeurt in een motiverend en stimulerend leerklimaat.
Leren is elkaar motiveren; • leren is een continu proces dat verloopt via de ‘plan-do-check-act-cyclus’; • bij leren hoort eigenaarschap. Het is de verantwoordelijkheid van de
organisatie om een piketfunctionaris en beroepsbeoefenaar startbekwaam te krijgen en te laten blijven conform landelijke kwalificatieprofielen en regionale functieprofielen. Het is daarnaast een individuele verantwoordelijkheid om vakbekwaam te blijven, waarbij de organisatie dermate faciliterend optreedt dat de deelnemer in staat is deze verantwoordelijkheid te nemen; • leren gebeurt door reflecteren. Gestimuleerd wordt om na te denken over het eigen leerproces door terug te blikken op het eigen handelen op basis van opgedane ervaringen en evaluaties; • door middel van individuele oefenregistratie wordt zicht verkregen op de geoefendheid en leerbehoefte van individuele functionarissen; • en door middel van teamevaluaties wordt zicht verkregen op de geoefendheid van teams en hun functionarissen. Wetgeving en kaders Algemeen De VRU heeft voor het plannen en uitvoeren van haar oefeningen rekening te houden met diverse wettelijke kaders en landelijk vastgestelde branche-standaarden, zoals gesteld in de Wet veiligheidsregio’s, het Besluit veiligheidsregio’s, het Besluit personeel veiligheidsregio’s en wetgeving in functionele ketens. Het gaat daarbij om: • afspraken over wijze en frequentie van gezamenlijk oefenen; • kwalificatieprofielen en landelijke branchestandaarden.
Oefenen hoofdstructuur rampenbestrijding en crisisbeheersing Op basis van artikel 2.5.1 van het Besluit veiligheidsregio’s (Bvr) draagt het bestuur er zorg voor dat onderdelen van de hoofdstructuur van de rampenbestrijding en crisisbeheersing jaarlijks gezamenlijk een oefening houden met een fictieve ramp of crisis. Onderdelen van de hoofdstructuur zijn: de meldkamer, een Commando Plaats Incident, een Team Bevolkingszorg, een Regionaal Operationeel Team, een Gemeentelijk Beleidsteam, een Regionaal Beleidsteam. Oefenen rampbestrijdingsplan en incidentbestrijdingsplan Op basis van artikel 6.1.7 van het Bvr draagt het bestuur van de veiligheidsregio er zorg voor dat met passende tussenpozen, maar ten minste éénmaal per drie jaar, het rampbestrijdingsplan opnieuw wordt bezien, beproefd en zo nodig bijgewerkt. De VRU neemt de rampbestrijdingsplannen mee in de planning van de oefeningen. Daarnaast oefent de VRU, conform het beleid rampbestrijdingsplannen en incidentbestrijdingsplannen, haar planvorming gerelateerd aan het Regionaal Risicoprofiel en de daarin opgenomen risicofocusgebieden. Oefenen met beheerder wegtunnels en collega hulpverleningsdiensten In de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Warvw, artikel 9) en de daaraan gelieerde ministeriële regeling (Rarvw, artikel 11, lid 2) is bepaald dat tunnelpersoneel en hulpdiensten samen moeten oefenen.
De tunnelbeheerder en de hulpverleningsdiensten houden in samenwerking met de veiligheidsbeambte gemeenschappelijke oefeningen voor het tunnelpersoneel en die diensten. De tunnelbeheerder stelt daartoe in overleg
41
BESTUURSAGENDA
Inhoudsopgave
Wie zijn we en waar staan we voor?
Waar gaan we voor?
Wat gaan we doen om daar te komen?
Wettelijke onderdelen
WETTELIJKE ONDERDELEN met de veiligheidsbeambte en de betrokken hulpverleningsdiensten een oefenprogramma op. De tunnelbeheerder draagt er zorg voor dat met betrekking tot een tunnel ten minste eenmaal in de vier jaar een realistische oefening en in elk tussenliggend jaar een gedeeltelijke of simulatieoefening wordt uitgevoerd. Oefenen met drinkwaterbedrijven In het Drinkwaterbesluit (art. 51) is bepaald dat de eigenaar van een drinkwaterbedrijf ten minste eenmaal per twee jaar de inzet van het drinkwaterbedrijf bij verstoringen oefent, welke oefeningen eenmaal per vier jaar worden gecombineerd met de diensten en organisaties die deel uit maken van de veiligheidsregio en met de politie. Betreffende die zaak bevraagt de VRU de drinkwaterbedrijven in de regio en stelt de VRU zich ten doel deze oefeningen zo efficiënt mogelijk in haar oefenplanning op te nemen. Oefenen met beheerders watersystemen In de Waterwet (art. 5.29) is bepaald dat de (watersysteem)beheerder zorg draagt voor het houden van oefeningen in doeltreffend optreden bij gevaar. Daaromtrent bevraagt de VRU de (watersysteem)beheerders in de regio en stelt de VRU zich ten doel deze oefeningen zo efficiënt mogelijk in haar oefenplanning op te nemen.
Oefenen met convenantpartners De VRU heeft met diverse partners convenanten opgesteld, waarin onder meer is afgesproken hoe de crisispartners zich gezamenlijk voorbereiden op mogelijke crisissituaties. Deze convenanten hebben geen wettelijke status,
maar zijn een intentieverklaring om samen te werken. Wat betreft het oefenen is in een aantal convenanten afgesproken dat de partners hierover in overleg jaarlijks afspraken maken. Zowel de partner als de VRU geven tijdig aan als er een voornemen is om een bepaald thema te gaan beoefenen. Dit wordt in het multidisciplinaire overleg gedeeld. Oefenen geneeskundige hulpverlening Op grond van artikel 33 Wet veiligheidsregio’s (Wvr) moeten organisatorische verbanden die zorg of een andere dienst verlenen waarop aanspraak bestaat ingevolge artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg of ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet, zorgaanbieders als bedoeld in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, Regionale Ambulancevoorzieningen en gezondheidsdiensten in die regio, die een taak hebben binnen de geneeskundige hulpverlening, de nodige maatregelen treffen met het oog op hun taak en de voorbereiding daarop. Deze partijen zijn derhalve verplicht zelf te oefenen. De GHOR draagt, gegeven haar wettelijke taak, hieraan bij door hierover af te stemmen in het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ). Binnen het ROAZ-verband worden ook afspraken gemaakt waarvoor (deels) financiële middelen als derde geldstroom worden getoucheerd.
De GHOR is verantwoordelijk voor de coördinatie en afstemming bij de preparatie van de processen Acute Gezondheidszorg en Publieke Gezondheidszorg (zie Grootschalige Geneeskundige Bijstand (GGB) leidraad en Wvr). Hiervoor worden afspraken inzake de vakbekwaamheid
gemaakt met Regionale Ambulance Voorziening Utrecht (RAVU), GGDrU en Nederlandse Rode Kruis (NRK). Kwaliteit Crisisbeheersing en GHOR Het Besluit personeel veiligheidsregio’s (Bpvr) artikel 2 lid 2 (GHOR) en 3 (rampenbestrijding en crisisbeheersing) geeft richting aan de kwaliteit voor functies binnen de GHOR en de rampenbestrijding- en crisisbeheersing. Dit is landelijk uitgewerkt in kwalificatieprofielen. De VRU hanteert deze kwalificatieprofielen onverkort, tevens te beschouwen als minimaal vereist individueel competentieniveau. Brandweer Voor de brandweer zijn, eveneens op basis van het Bpvr, de landelijke kwalificatieprofielen leidend voor het (opleiden en) oefenen. In de kwalificatieprofielen staan de specificaties van zowel de initiële als de blijvende vakbekwaamheid. De werkgever kan naar eigen inzicht gebruik maken van diverse brancherichtlijnen om de kwaliteit van het brandweerpersoneel op peil te houden, verder uit te bouwen en objectief inzichtelijk te maken. De brandweer volgt de branchestandaard toetsingssystematiek waarbij in een cyclus van maximaal vier jaar de operationele taakgebieden brand, technische hulpverlening, incidentbestrijding gevaarlijke stoffen en ondersteuning bij waterongevallen worden getoetst. Op die manier
42
BESTUURSAGENDA
Inhoudsopgave
Wie zijn we en waar staan we voor?
Waar gaan we voor?
Wat gaan we doen om daar te komen?
Wettelijke onderdelen
WETTELIJKE ONDERDELEN ontstaat er een beeld dat aangeeft op welke taken er extra training en oefening noodzakelijk is. Bevolkingszorg Voor bevolkingszorg zijn de kwalificatieprofielen die bepalend zijn voor het (opleiden en) oefenen van de functionarissen vastgelegd in het handboek Bevolkingszorg. Deze zullen bij de landelijke en regionale ontwikkelingen indien nodig worden aangepast. Over de geoefendheid van de individuele functionarissen wordt periodiek gerapporteerd aan de gemeentefunctionarissen. Kaders voor oefenplanning Het VRU-oefenbeleid wordt uitgevoerd op basis van jaarlijks op te stellen Het VRU-oefenbeleid wordt uitgevoerd op basis van jaarlijks op te stellen oefenplannen voor de crisisbeheersing, de brandweer, de GHOR en, voor zover de VRU daarin een taak heeft en in afstemming met de gemeentesecretarissen, de bevolkingszorg. De oefenplannen zijn op elkaar afgestemd, zodanig dat zoveel als mogelijk complementariteit en (tijds en financiële) efficiency in oefeninspanning wordt bereikt. De directeur Crisisbeheersing, de directeur Brandweerrepressie, de directeur van het Bedrijf Preparatie Brandweer, de Directeur Publieke Gezondheid en de Coördinerend Gemeentesecretaris zijn verantwoordelijk dat deze planning en inspanning tijdig met elkaar afgestemd worden.
Tevens wordt, in samenspraak met de coördinerend gemeentesecretaris, jaarlijks omwille van complementariteit en (tijds en financiële) efficiency in oefeninspanning afstemming gezocht met de gemeenten, wat betreft hun oefenplannen voor hun gemeentelijke beleidsteams en teams bevolkingszorg, waarbij de VRU een ondersteunende en faciliterende rol kan vervullen. Hiervoor is de directeur Crisisbeheersing verantwoordelijk. Kaders crisisbeheersing en bevolkingszorg Crisisbeheersing stelt jaarlijks een Opleiden Trainen Oefenen (OTO) Multiplanning op in samenspraak met de GHOR en de brandweer. En stemt deze af met de politie en andere betrokken partners. Waar mogelijk worden oefenbehoeften van netwerkpartners, in samenspraak met crisisbeheersing, GHOR en brandweer, geïntegreerd in de jaarplanning. Kaders brandweer De brandweer onderscheidt, de VRU-definitie van ‘oefenen’ volgend, voor de planning en uitvoering van haar oefeningen de volgende vijf hoofddoelgroepen: • repressieve functionarissen met een vrijwillige aanstelling • repressieve functionarissen 24-uurs gekazerneerd in roosterdienst • repressieve functionarissen gekazerneerd in een dagdienstrooster • specialistische functionarissen (al dan niet in piket functionerend) • piketfunctionarissen belast met commandovoering (Officier van Dienst, Hoofdofficier van Dienst, Commandant van Dienst)
Daarbij hanteert de brandweer verplicht de volgende coördinerende bepalingen: • Op de posten met vrijwillige repressieve functionarissen is er in principe wekelijks een postgebonden oefenavond, gerelateerd aan de oefenbehoefte van de post. • Postcommandanten voeren op basis van het jaarlijks oefenplan een aantal verplichte oefeningen uit maar hebben ook een ruime marge om invulling te geven aan de specifieke oefenbehoeften die zij voor hun post onderkennen en noodzakelijk achten. • Voor medewerkers in roosterdienst worden de oefenmomenten jaarlijks vastgesteld in het goedgekeurde rooster. • De specialismen die door de post worden uitgevoerd, worden periodiek ingepland en ingeroosterd bij zowel vrijwilligers als functionarissen in roosterdienst. • Functionarissen met meerdere gelijksoortige repressieve functies (beroeps en vrijwillig) oefenen de basisbrandweertaken primair vanuit de hoofdaanstelling. Realistisch oefenen brandweer De brandweer oefent jaarlijks de uitvoering van de basisbrandweerzorg in een brandscenario in een oefenenscenering waarin vuur, rook en hitte daadwerkelijk aan de orde zijn (het realistisch oefenen). Voor het realistisch oefenen wordt een separaat plan opgesteld, goed te keuren door zowel de directeur Brandweerrepressie als de directeur van het Bedrijf Preparatie Brandweer.
43
BESTUURSAGENDA
Inhoudsopgave
Wie zijn we en waar staan we voor?
Waar gaan we voor?
Wat gaan we doen om daar te komen?
Wettelijke onderdelen
WETTELIJKE ONDERDELEN Als regel hanteert de VRU dat elke repressieve functionaris twee dagdelen per jaar aan de realistische oefening basisbrandweerzorg (brandscenario) deelneemt. De VRU kan er voor kiezen om het realistisch oefenen eens per twee jaar gedurende meerdere dagdelen aaneengesloten te organiseren. Kaders GHOR De GHOR stelt jaarlijks een OTO-planning op in samenspraak met GHORketenpartners en de VRU-ketenpartners. In deze planning staat de opleidings- en oefenplanning van de piketfunctionarissen van de GHOR. Het aanbod bestaat uit een vastgesteld deel wat voor iedere piketfunctionaris verplicht is en een deel waarbij de piketfunctionaris activiteiten kan kiezen die bij de persoonlijke leerbehoefte passen. Daarnaast s taan in de planning de activiteiten in het kader van de wettelijke verplichtingen en afspraken met de GHOR-ketenpartners opgenomen. De GHOR zorgt ervoor dat elke piketfunctionaris zijn kerntaken en werkzaamheden kan uitvoeren, zoals beschreven in het kwalificatiedossier behorende bij de piketfunctie. De resultaten worden besproken met de deelnemers en vertaald in accreditatiepunten, waarbij de voortgang en het eindresultaat worden gerapporteerd aan de vakgroepvoorzitter GHOR.
e. Beschrijving van de niet-wettelijke adviesfunctie De VRU heeft de volgende niet-wettelijke adviestaken.
In relatie tot het Besluit kwaliteit leefomgeving Ter uitvoering van het gestelde in het Besluit kwaliteit leefomgeving artikel 5.2 (veiligheidsrisico’s van branden, rampen en crisis) voert de VRU de volgende niet-wettelijke adviestaken uit, in het bijzonder waar het betreft het creëren en behouden van een veilige leefomgeving in relatie tot brandgevaar of anderszins gevaarzettingen, statisch en dynamisch van aard, die tot een ramp of crisis kunnen leiden: • het adviseren bij het ontwikkelen en opstellen van Omgevingsvisies; • het adviseren bij het ontwikkelen en opstellen van Omgevingsplannen, eventuele Omgevingsprogramma’s en daarvan afgeleide projectbesluiten; • het adviseren over de noodzaak, aard en de kwaliteit van het maken van afspraken over samenwerking op het gebied van de Omgevingswet met gemeenten en andere ketenpartners; • adviseren over het geven van effectieve voorlichting ten behoeve van het bieden van een concreet handelingsperspectief om risico’s te voorkomen dan wel te verkleinen. In relatie tot evenementen Ter uitvoering van artikel 10 van de Wet veiligheidsregio’s, beschouwt de VRU het als haar niet-wettelijke adviestaak afzonderlijk aan het bevoegd gezag te verstrekken adviezen voor evenementen gebundeld en complementair aan te bieden, onder regie van de directeur Risicobeheersing.
Het betreft advisering in het kader van (brand)veiligheid, geneeskundige hulpverlening, rampenbestrijding en crisisbeheersing. Wat betreft de twee
laatstgenoemden inbegrepen de bevolkingszorg en de commandovoering in geval zich een (grootschalig) incident of voorval voordoet.
f. De voor de brandweer geldende opkomsttijden en een beschrijving van de aanwezigheid van brandweerposten in de gemeenten alsmede de overige voorzieningen en maatregelen, noodzakelijk voor de brandweer om daaraan te voldoen Opkomsttijden In het Besluit veiligheidsregio’s (Bvr) wordt het bestuur van de veiligheidsregio verplicht bij het vaststellen van de opkomsttijden (de tijd die verstrijkt tussen de aanname van de melding op de alarmcentrale tot het ter plaatse komen van de eerste brandweereenheid) voor de brandweerzorg tijdnormen te hanteren. Deze tijdnormen gelden voor de basisbrandweereenheid (de eerste uitruk van de eerste tankautospuit (TS)). Indien de eerste brandweereenheid bestaat uit een samenstel van een TS4 en een TS6 of een samenstel van twee TS’en 4 wordt het geheel gezien als de eerste uitruk van de eerste tankautospuit en wordt er derhalve geklokt op het ter plaatse zijn van het laatste (tweede) voertuig van het betreffende samenstel. Bvr-tijdnormen bij opkomsttijden basisbrandweereenheid De tijdnormen zijn gekoppeld aan het soort gebruiksfunctie van een gebouw (Bvr 3.2.1.1. a-d). In het Bvr zijn 16 gebruiksfuncties onderscheiden.
44
BESTUURSAGENDA
Inhoudsopgave
Wie zijn we en waar staan we voor?
Waar gaan we voor?
Wat gaan we doen om daar te komen?
Wettelijke onderdelen
WETTELIJKE ONDERDELEN Tijdnormen Bvr
Gebruiksfuncties
5 minuten
1. Winkelfunctie met een gesloten constructie 2. Woonfunctie boven een gebouw met een winkelfunctie 3. Celfunctie
6 minuten
8 minuten
10 minuten
4. Portiekwoningen 5. Portiekflats 6. Woonfunctie voor verminderd zelfredzamen 7. Andere woonfunctie als eerder genoemd 8. Winkelfunctie 9. Gezondheidsfunctie 10. Onderwijsfunctie 11. Logiesfunctie 12. Kantoorfunctie 13. Industriefunctie 14. Sportfunctie 15. Bijeenkomstfunctie 16. Overige gebruiksfunctie
Het bestuur van de veiligheidsregio mag, gegeven de indeling in 16 gebouwfuncties, voor bepaalde locaties opkomsttijden vaststellen die afwijken van de Bvr-tijdnormen, op voorwaarde dat het bestuur de keuze van de locatie en de mate van afwijking motiveert. De opkomsttijd van de basisbrandweereenheid mag echter nooit hoger zijn dan 18 minuten.
Het bestuur van de VRU heeft bij het besluit Veiligheidszorg op Maat (VOM) in 2014 besloten geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om voor bepaalde locaties afwijkende opkomsttijden vast te stellen. De VRU houdt zich dus voor wat betreft haar opkomsttijden aan alle normtijden van het Bvr; dat is de prestatiedoelstelling van de VRU voor de basisbrandweerzorg.
Meettijden (Bvr normtijden) Specifieke soorten gebruiksfuncties afgeleid van de hoofdindeling
VRU-meettijden bij opkomsttijd basisbrandweereenheid Wel heeft het bestuur van de VRU besloten dat voor een aantal specifieke soorten gebruiksfuncties, gegeven de prestatiedoelstelling, meettijden worden gehanteerd. Meettijden wijken in die zin af van de tijdnorm uit de Bvr, dat het niet als bezwaarlijk wordt beschouwd als de feitelijk gemeten opkomsttijd hoger is dan de normatieve opkomsttijd. De mate waarin bij meting een overschrijding is toegestaan is beredeneerd gelimiteerd (zie hierna). Eén en ander is in januari 2014 besproken met de Inspectie van Veiligheid en Justitie en vervolgens bestuurlijk bekrachtigd in de vergadering van het algemeen bestuur VRU van 4 juli 2014. De volgende VRU-meettijden zijn vastgesteld voor specifieke soorten gebruiksfuncties die zijn afgeleid van de hoofdindeling, waarvan de gebruiksfunctie vanwege de toepassing van het Bouwbesluit 1992 en 2003 in principe brandveiliger wordt uitgevoerd.
8 minuten (Bvr 6)
4.1. Portiekwoningen gebouwd vanaf 1992 5.1. Portiekflats gebouwd vanaf 1992
10 minuten (Bvr 8)
7.1. Andere woonfunctie als eerder genoemd gebouwd voor 1992
12 minuten (Bvr 8)
7.2. Andere woonfunctie als eerder genoemd gebouwd tussen 1992 en 2003
14 minuten (Bvr 8)
woonfunctie als eerder 7.3 Andere genoemd gebouwd vanaf 2003
12 minuten (Bvr 10)
12.1 Kantoorfunctie gebouwd vanaf 1992
Wat betreft de “andere woonfunctie als eerder genoemd gebouwd voor 1992” (meettijd 10 minuten) ligt de motivering in het stimuleren van het plaatsen van rookmelders met als doel de rookmelderdichtheid voor deze subcategorie te verhogen en het veiligheidsbewustzijn te vergroten door begeleidende risicocommunicatie. Wat betreft de andere vijf specifieke soorten gebruiksfuncties ligt de inhoudelijke motivering in de verscherping en verbetering van de bouwregelgeving vanaf 1992. Door de invoering van het Bouwbesluit in 1992, en in nog sterkere mate het Bouwbesluit uit 2003, is de brandveiligheid van woningen en kantoren verbeterd. Vanaf dat moment zijn bijvoorbeeld brandwerende deuren verplicht geworden, die een brand tenminste 20 minuten
45
BESTUURSAGENDA
Inhoudsopgave
Wie zijn we en waar staan we voor?
Waar gaan we voor?
Wat gaan we doen om daar te komen?
Wettelijke onderdelen
WETTELIJKE ONDERDELEN kunnen tegenhouden (compartimentering). Ook is er de mogelijkheid van het toepassen van rookmelders (niet op het lichtnet) in verkeersruimten in woningen gebouwd tot aan 2003 als gelijkwaardige oplossing voor de compartimentering en de toepassing van brandvertragende materialen. Nieuwbouwhuizen zijn vanaf 2003 voorzien van rookmelders die zijn aangesloten op het lichtnet. Tot slot geldt vanaf 1 juli 2022 een algehele rookmelderplicht voor bestaande woonfuncties, ongeacht het bouwjaar.
uitgegaan van een zelfde slagkrachtverdeling, de hulpverleningsvoertuigen kunnen uiterlijk 15 minuten na alarmering ter plaatse zijn. Gedurende de beleidsperiode 2024-2027 wordt toegewerkt naar een dekkingsplan op basis van een landelijk vastgestelde uniforme werkwijze voor dekkingsplannen. In deze uniforme werkwijze kent het dekkingsplan een dynamisch karakter en zal continu beoordeling en bijstelling van de dekking mogelijk zijn.
Reactietijden redvoertuig en hulpverleningsvoertuig De Wvr geeft aan dat voor de ondersteuningseenheid voor het redden en blussen op hoogte (het redvoertuig, zijnde een autoladder of hoogwerker) dezelfde opkomsttijden worden vastgesteld als voor de basisbrandweereenheden, maar alleen voor die objecten waarvan het bestuur heeft vastgesteld dat daarbij de inzet van het redvoertuig altijd noodzakelijk is. Het bestuur van de VRU heeft voor het verzorgingsgebied van de brandweer, gegeven het RRP, dergelijke objecten niet geduid. De redvoertuigen van de VRU rukken dus geen van allen uit met een door het bestuur aan de basisbrandweerzorgeenheden gekoppelde vastgestelde opkomsttijd. Om een adequate en optimale inzet van de redvoertuigen te verzekeren heeft het bestuur van de VRU in 2014 besloten om, gegeven het brandrisicoprofiel dat deel uitmaakt van het regionaal risicoprofiel (RRP), de redvoertuigen zo slagvaardig mogelijk in de regio te positioneren, zodanig dat de redvoertuigen nagenoeg overal binnen uiterlijk 15 minuten na alarmering ter plaatse kunnen zijn. Omwille van consistentie in beleid is, eveneens volgens het RRP, voor de spreiding van de hulpverleningsvoertuigen
Een aanpassing ten opzichte van de huidige wetgeving is dat in het dekkingsplan de dekking niet objectgericht, maar gebiedsgericht beoordeeld wordt. Dit aan de hand van het beoordelingskader gebiedsgerichte opkomsttijden. Naast de snelheid van optreden van de eerste basisbrandweereenheid (snelheid) zullen nog drie factoren meewegen in de beoordeling van de dekking, te weten: capaciteit (slagkracht), beschikbaarheid en inzetfrequentie. Posten De VRU beschikt op dit moment over 71 brandweerposten van waaruit met een basisbrandweereenheid (een TS6) wordt uitgerukt. Daarmee kan in de hele regio van 26 gemeenten een solide slagkracht voor de basisbrandweerzorg worden gegenereerd. Het fundament voor deze slagkrachtverdeling is een operationele doctrine die uitgaat van het feit dat de basisbrandweereenheid die volgens een geverifieerde berekening het snelste ter plaatse kan zijn, wordt gealarmeerd. Dat betekent dat de inzet van de basisbrandweereenheden niet aan gemeentegrenzen gebonden
is maar aan (op basis van een geverifieerde berekening getrokken) operationele grenzen. Hetzelfde geldt voor de regiogrenzen: de inzet van basisbrandweereenheden is ook niet gebonden aan deze grenzen: het uitgangspunt is de snelste hulp en waar dit van toepassing is zijn afspraken gemaakt met buurregio’s in de vorm van convenanten. In de dag-situatie (op werkdagen van 06:00 tot 18:00 uur) is een verwachte dekking (gerekend met Bvr-tijdnormen en VRU-meettijden) van 84% berekend en in de ANW-situatie (de avond-, nacht- en weekendsituatie) een verwachte dekking van 85%. Omwille van de betrouwbaarheid van de berekening is gebruik gemaakt van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), gecombineerd met gegevens over het routenetwerk en de meest recent gerealiseerde uitruktijden, waarbij is uitgerukt met optische en geluidssignalen (uitrukprioriteit 1). Beide percentages zijn relatief hoog, alhoewel de feitelijke uitvoering van de uitruk van het basisbrandweervoertuig afhankelijk is van velerlei bespoedigende en hinderende factoren. Daarom wordt van een ‘verwachte’ dekking gesproken. Het is de verwachting dat binnen de beleidsperiode 2024-2027 de posten Westbroek, gelegen in de gemeente De Bilt, en Maarsseveen-Tienhoven, gelegen in de gemeente Stichtse Vecht, worden samengevoegd.
Na realisatie van de samenvoeging van Westbroek en Maarsseveen-Tienhoven zal de VRU vanuit 70 posten uitrukken. Van de thans 71 bestaande brandweerposten zijn er zeven posten in een verstedelijkt gebied waarin de personele paraatheid wordt georganiseerd
46
BESTUURSAGENDA
Inhoudsopgave
Wie zijn we en waar staan we voor?
Waar gaan we voor?
Wat gaan we doen om daar te komen?
Wettelijke onderdelen
WETTELIJKE ONDERDELEN in een gekazerneerde situatie; de brandweerlieden verblijven op de kazerne waardoor de uitruktijd zeer snel kan zijn. Bij vijf van de zeven posten is er een 24/7-kazernering van beroepsmedewerkers, te weten de posten Utrecht-Leidsche Rijn, Utrecht-Schepenbuurt, Utrecht-Tolsteeg, UtrechtVoordorp en Amersfoort-Centrum. Bij twee van de zeven posten is er een specifieke k azerneringsperiode ( dagdienst) o p w erkdagen v astgesteld, te weten Nieuwegein-Noord en Amersfoort-Centrum (tweede TS6). Op post Zeist is een gecombineerde regeling van toepassing, namelijk een kazerneringsregeling in de avond, nacht en weekend waar zowel beroeps als vrijwilligers worden ingeroosterd en op werkdagen is ook hier een dagdienstploeg actief bestaande uit beroepsmedewerkers. De laatste gecombineerde regeling staat op dit moment ter discussie gezien de ontwikkelingen ten aanzien van de bouwsteen verplichtend karakter, waarbij het kazerneren en consigneren van vrijwilligers in de nabije toekomst naar alle waarschijnlijkheid niet meer mogelijk is. Op basis van de uitkomsten van de landelijk gevoerde discussie wordt bezien op welke wijze er invulling gegeven wordt aan het paraatheidsmodel van de post Zeist.
In alle andere situaties wordt in de personele paraatheid in de regel voorzien met een andere paraatheidsvorm, hetzij op basis van het vrije instroomprincipe of op basis van consignatie. In beide gevallen betekent dit dat de brandweerlieden alarmering, zich vanaf een locatie elders naar de brandweerpost verplaatsen om vervolgens de basisbrandweereenheid te bemannen.
In de afgelopen beleidsperiode is een pilot gedaan waarbij is onderzocht of het kazerneren van post Amersfoort-Noord een significante bijdrage levert aan de verbetering van de dekking in Amersfoort. Met de positieve uitkomsten van dit onderzoek wordt bezien op welke wijze er een definitieve invulling gegeven wordt aan de kazernering vanuit twee posten in Amersfoort. Spreiding van materieel en personeel Op basis van het dekkingsplan is de spreiding van materieel en personeel vastgesteld in het zogenaamde materieel en personeelsbeheer- en spreidingsplan (MPBSP). Op basis van het nieuwe landelijke beleid omtrent gebiedsgerichte opkomsttijden zal het huidige dekkingsplan getoetst en waar nodig bijgesteld worden. Tezamen met de ontwikkelingen als gevolg van de bouwsteen verplichtend karakter worden de paraatheidsregelingen van de 71 posten opnieuw bepaald. Overige maatregelen en voorzieningen Implementatie Uitruk op Maat De basisbrandweereenheid van de VRU is een tankautospuit met een bevelvoerder, een chauffeur/voertuigbediener en twee ploegen van twee manschappen, de zogenoemde TS6. Het bestuur van de VRU heeft volgens het Bvr de mogelijkheid te besluiten tot een andere samenstelling van basisbrandweereenheden, mits daarmee wordt voorzien in een gelijkwaardig niveau van brandweerzorg en geen afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid en gezondheid van het
brandweerpersoneel. Het vastgestelde landelijk kader Uitruk op maat laat zien dat bij kleinere incidenten, met een beperkt risico, kan worden afgeweken van de basisbrandweereenheid TS6 door een kleinere bezetting. Bij een maatgevend of vergelijkbaar incident, biedt ‘uitruk op maat’ de mogelijkheid om, door het ter plaatse laten komen van 2 voertuigen en bezetting, een basisbrandweereenheid TS6 samen te stellen. Aansluiten bij de landelijke ontwikkeling van uitruk op maat geeft de VRU mogelijkheden om de flexibiliteit bij de uitruk te vergroten. Hiermee kan beter worden ingespeeld op de vraag vanuit de maatschappij. Vergroten van de flexibiliteit betekent tevens dat meer eenheden gelijktijdig kunnen worden ingezet, wat de totale slagkracht vergroot. De VRU heeft besloten van deze mogelijkheid gebruik te maken en de werkwijze gedurende de beleidsperiode volledig geïmplementeerd te hebben. Dit maakt een andere voertuigbezetting mogelijk voor alle posten in de VRU waardoor naast de standaardbezetting (TS6) ook een afwijkende voertuigbezetting mogelijk wordt. Specialistische brandweerzorg Het VRU-gebied van verantwoordelijkheid kent een aantal specifieke brandweerinzet-gerelateerde risico’s. Het betreft de vele watergebieden, de bosrijke omgeving op de Utrechtse Heuvelrug en het relatief grote
47
BESTUURSAGENDA
Inhoudsopgave
Wie zijn we en waar staan we voor?
Waar gaan we voor?
Wat gaan we doen om daar te komen?
Wettelijke onderdelen
WETTELIJKE ONDERDELEN aantal rietenkapwoningen in de regio. Wat betreft de eerste twee zijn de risico’s mede ingegeven door (water)recreatie, waterverkeer en (in de bosrijke gebieden) bewoning van een relatief groot aantal niet- en verminderd zelfredzamen. Voor deze specifieke situaties heeft de brandweer, naast de wettelijk verplichte specialistische capaciteit voor de bestrijding van ongevallen met gevaarlijke stoffen, haar eigen specialistische capaciteit. Dat is capaciteit die niet wettelijk verplicht moet worden aangehouden, maar waarvan het bestuur van de VRU de aanwezigheid, gegeven het risicobeeld, noodzakelijk acht. Het betreft waterongevalleneenheden (duikteams en oppervlaktereddingsteams), natuurbrandbestrijdingseenheden (NBB) en rietenkapbrandbestrijdingseenheden (RKBB). De VRU beschikt daarnaast over een Quick Response Team (QRT) dat uitvoering geeft aan twee specialistische taken: hoogteredding en brandweeroptreden bij grof en extreem geweld. Hoogteredding kan worden ingezet in situaties waarin de brandweerzorg vanwege grote hoogteverschillen om een bijzondere (specialistische) aanpak voor het redden van mensen en dieren vraagt. Het QRT treedt ook op bij (dreiging van) grof en extreem geweld. De gedachte gaat hierbij snel uit naar brandweerondersteuning bij terrorismegevolgbestrijding, maar het QRT wordt juist veel ingezet voor incidenten met verwarde personen.
Deze personen dreigen dan bijvoorbeeld geweld te gebruiken of creëren een dusdanig gevaarlijke situatie dat de politie ondersteuning van de brandweer wenst.
AED Alle brandweerposten van de VRU zijn opgeleid en uitgerust om te worden gealarmeerd voor een uitruk waarbij de inzet van een Automatische Externe Defibrillator gewenst is. Dergelijke inzetten vinden plaats op verzoek van de ambulancedienst. De brandweer treedt hier op ter ondersteuning en aanvulling op het optreden van de ambulancedienst. Doordat de brandweer in een deel van de gevallen eerder ter plaatse is en omdat de brandweer met het leveren van mankracht ervoor kan zorgen dat de ambulancedienst zich kan richten op medisch handelen wordt de overlevingskans van slachtoffers vergroot. Het betreft een door het bestuur van de VRU opgedragen niet-wettelijke collectieve taak. In het bestuur is afgesproken deze taak voorlopig te continueren. Grootschalig optreden De VRU-brandweer is in staat zijn eenheden zo te groeperen dat in geval van een zeer groot incident grootschalig en langdurig (voortzettingsvermogen) kan worden opgetreden. De formatie van deze eenheden wordt zodanig uitgevoerd, dat de zogenoemde restslagkracht en restdekking voor de regio zo groot mogelijk blijft. Om dat te realiseren dient de VRU, in combinatie met de eenheden voor inzet bij natuurbrandbestrijding, voldoende middelen te organiseren om meerdere pelotons in te zetten, hetzij intern, hetzij voor externe bijstand.
De VRU kan de landelijke verplichtingen voor het leveren van interregionale bijstandpelotons waarmaken zonder dat de restdekking en slagkracht binnen de eigen regio onder een verantwoord niveau dreigen te komen. Vice versa kan de VRU in voorkomende gevallen ook een beroep doen op bijstand uit andere regio’s. Naast basisbrandweerzorg kan een beroep worden gedaan op de landelijke specialismen die zijn voortgevloeid uit het programma GBO-SO (Grootschalig brandweeroptreden – specialistisch optreden). De VRU kan de landelijke verplichtingen voor het leveren van interregionale bijstandpelotons waarmaken zonder dat de restdekking en slagkracht binnen de eigen regio onder een verantwoord niveau dreigen te komen. Vice versa kan de VRU in voorkomende gevallen ook een beroep doen op bijstand uit andere regio’s. Naast basisbrandweerzorg kan een beroep worden gedaan op de landelijke specialismen die zijn voortgevloeid uit het programma GBO-SO (Grootschalig brandweeroptreden – specialistisch optreden).
48
VA
BESTUURSAGENDA
Inhoudsopgave
Wie zijn we en waar staan we voor?
Waar gaan we voor?
Wat gaan we doen om daar te komen?
Wettelijke onderdelen
Het proces Bestuursconferentie: contouren ontwikkelkoers en bestuursagenda Digitale sessies met gemeenten en partners
Sessie management VRU
sep
jul jun
Vaststelling ontwerpregionaal risicoprofiel
mei apr
Inventarisatie wensen gemeenteraden nieuw beleidsplan
2022
Bestuurlijke sessie Sessie management VRU
Bijeenkomst ontwikkelkoers VRU voor medewerkers
nov dec
Interactieve webinar voor medewerkers
2023 Centrale ondernemingsraad
Bijeenkomsten en interactieve webinar voor medewerkers
mrt
najaar
Vaststelling bestuursagenda 2024-2027
jan feb
mrt
jul
apr
Start zienswijzeprocedure gemeenteraden
Bijeenkomst gemeentelijke accountfunctionarissen
Vaststelling regionaal risicoprofiel
eind 2021
Inventarisatie relevante ontwikkelingen via de bestuurlijke adviescommissies
Vaststelling ontwerpbestuursagenda 2024-2027
49
BESTUURSAGENDA
Inhoudsopgave
Wie zijn we en waar staan we voor?
Waar gaan we voor?
Wat gaan we doen om daar te komen?
Wettelijke onderdelen
Medewerkersbijeenkomsten
Meer
Doen!
Minder
⋅ Modern en inspirerend leiderschap ⋅ Aandacht voor duurzame inzetbaarheid, sociale veiligheid ⋅ Webinars, lunchbijeenkomsten en trainingen ⋅ (Budget voor) innovatie en ontwikkeling ⋅ Budget voor opleidingen ⋅ Verbinding door VRU-events ⋅ Successen vieren ⋅ Investeren in ondersteunende diensten ⋅ Inzichtelijk krijgen welke info waar noodzakelijk is ⋅ Deregulering ⋅ Samenwerking met medezeggenschap ⋅ Extern profileren ⋅ Veiligheid vergroten door bewustwording van ⋅ onveiligheden en eigen gedrag van de medewerkers/ ⋅ vrijwilligers en het vakgebied kenbaar te maken. ⋅ Als organisatie voor de mensen staan t.a.v. 20-jarig beleid ⋅ Betrekken van vrijwilligers en meldkamer bij beleid en ⋅ ontwikkelingen ⋅ Inzetten op dagbezetting vrijwilligers ⋅ Werken op lokale posten door kantoormedewerkers ⋅ Informatie op intranet over functies en talenten
⋅ VRU-kalender op intranet ⋅ Integraal introductieprogramma ⋅ Meekijken bij een ander ⋅ Sportmogelijkheden ⋅ 71-posten-tocht ⋅ Informatie op de gezamenlijke schijf voor iedereen toegankelijk, tenzij ⋅ Goede piketregeling voor alle functies ⋅ Integraal evalueren van incidenten ⋅ Werken met ontkleurde leider CoPI ⋅ Concreter maken wat de doelstellingen betekenen voor het eigen werk, team en directie ⋅ Overleg met woningbouwcorporaties over betaalbare woningen voor (jonge) vrijwilligers. ⋅ Werken aan het niveauverschil van de geoefendheid op de posten ⋅ Talent behouden in relatie tot tweede loopbaanbeleid brandweer ⋅ Gebiedsgericht werken met wijkbrandweer ⋅ Lokaal gevoelde veiligheidstekorten ophalen en met onze partners vertalen naar concrete, multidisciplinair ingestoken acties ⋅ Ontwikkelen van een ‘risk-factory’
⋅ Langdurige pilots ⋅ Teveel hooi op de vork ⋅ Angstcultuur ⋅ Regeltjes
Bekijk de ‘Pizzasessie’
Bekijk de ‘Webinar’
50
BESTUURSAGENDA
Inhoudsopgave
Wie zijn we en waar staan we voor?
Waar gaan we voor?
Wat gaan we doen om daar te komen?
DT/MT Sessie In mei 2022 hebben de directie en alle managementteams van de VRU samen nagedacht over de thema’s waaraan we als VRU willen werken. Voor de bijeenkomst waren ook vertegenwoordigers namens de ondernemingsraad, de directiesecretarissen en de controllers uitgenodigd. Alle directies hadden een pitch voorbereid die antwoord gaf op de vragen: • welke ontwikkelingen zien we op ons afkomen; • wat betekenen deze ontwikkelingen; • wat wordt van ons verwacht; • welke opgave zien we binnen de directie of VRU breed; • wat moeten/kunnen we doen? De punten die door de deelnemers als belangrijkst of meest aansprekend werden gevonden zijn geclusterd tot negen thema’s. Deze gaven een richting voor de verdere koers.
@Marjolijn en Edwin
Brandweerkazerne Woerden
Wettelijke onderdelen
51
BESTUURSAGENDA
Digitale sessies met partners In juni en juli 2022 hebben vertegenwoordigers van gemeenten, de ondernemingsraad en partners van de VRU input aan onze koers geleverd tijdens online bijeenkomsten. Er is opgehaald welke beleidspunten voor onze partners prioriteit hebben en hen is gevraagd welke wensen zij richting de VRU hebben op deze punten. Dit heeft geleid tot waardevolle input voor de bestuursagenda 2024-2027.
Inhoudsopgave
Wie zijn we en waar staan we voor?
Waar gaan we voor?
Wat gaan we doen om daar te komen?
Wettelijke onderdelen
52