Bijlage 3 Nota van beantwoording zienszijzen NRD_1.pdf
Tekst van het document
Nota van Beantwoording zienswijzen op NRD planMER Herijking Binnengekomen zienswijzen op de NRD De eerste stap bij een planMER is het opstellen van een onderzoeksagenda (de Nota Reikwijdte en Detailniveau) en een participatieplan. In de Nota Reikwijdte (NRD) staat welke locaties worden onderzocht en hoe deze worden onderzocht. De NRD en het participatieplan worden openbaar gemaakt (ter inzage gelegd) waarmee belanghebbenden worden geïnformeerd en zij kunnen tevens een zienswijzen indienen. De concept NRD voor het planMER Herijking RES U16 en het bijbehorende participatieplan hebben tot 1 maart 2024 ter inzage gelegen. Er zijn 11 zienswijzen ingediend door 3 particulieren en 8 organisaties: •
Vereniging De Heerlijkheid van de Tienhoven
•
Stichting Milieuzorg Zeist
•
De Groene Driehoek Zeist
•
Werkgroep Kromme Rijncorridor
•
WindturbineVrij Lexmond
•
Vereniging Weidevogelbescherming Lopik
•
Consortium Rijnenburg
•
LTO Noord
In grote lijnen gaan de ingediende zienswijzen over de volgende drie thema’s: -
het (besluitvormings)proces van de RES Herijking;
-
de gezondheidseffecten;
-
de effecten voor natuur en landschap.
Veruit de meeste inhoudelijke opmerkingen gaan over windparken. Over zonneparken zijn weinig opmerkingen of vragen binnengekomen. Op het participatieplan zijn geen inhoudelijke zienswijzen ingediend.
De zienszijwezen leiden niet tot aanpassing van de NRD De zienswijzen geven geen aanleiding om de onderzoeklocaties of de manier waarop deze worden te onderzocht te wijzigen. Daarom is er ook geen aanleiding de NRD aan te passen. De inhoudelijke zienswijzen nemen we wel mee bij de aanscherping van de manier waarop we milieueffecten beoordelen. In de startfase van het planMER betrekken we stakeholders, volgens het participatieplan, bij het detailleren van het beoordelingskader. De organisaties die een zienswijzen hebben ingediend worden hiervoor uitgenodigd.
Hoe gaan we om met ingediende zienswijzen Onderstaand zijn de zienswijzen geclusterd per thema samengevat en beantwoord. Deze samenvatting en beantwoording wordt verstuurd aan de indieners en gepubliceerd op de website www.energieregioutrecht.nl (RES Herijking | Energie Regio Utrecht). Er wordt geen reactie per zienswijzen en per indiener gegeven.
Samenvatting en beantwoording zienswijzen Onderstaand zijn de zienswijzen per thema samengevat en beantwoord.
1
1. Er is onvoldoende inzicht in de samenhang der dingen Samenvatting van de zienwijzen In meerdere zienswijzen geven bewoners en andere stakeholders aan dat er onvoldoende inzicht is in de samenhang van plannen en besluiten over grootschalige opwek. Gemeenten maken beleid en plannen en nemen besluiten over wind- en zonlocaties. De provincie stelt daarnaast een planMER op voor kansrijke zoekgebieden voor wind en wil mogelijk gebieden aanwijzen windontwikkeling. En in regioverband wordt de RES 1.0 herijkt inclusief een regionale planMER voor wind- en zonlocaties. De rollen en verantwoordelijkheden van de verschillende overheidslagen is niet duidelijk. Daarnaast is ook de onderlinge samenhang en volgordelijkheid van onderzoeken, plannen en besluiten onvoldoende duidelijk. Concreet: Welke overheid is waarvoor verantwoordelijk? Welke overheid is verantwoording verschuldigd aan de inwoner? Wat is de rol van de Stuurgroep RES U16? Daarnaast wordt opgeroepen om eerder door gemeenten of provincie genomen besluiten over het afvallen van zoekgebieden te respecteren en niet alles opnieuw ter discussie te stellen. Reactie Voor de energietransitie gebeurt er veel tegelijk. Dat gebeurt bij verschillende overheidslagen. Wij begrijpen dat door de grote hoeveelheid aan stukken, onderzoeken en besluiten, het niet eenvoudig is om de samenhang in het oog te houden.
In de communicatie zullen wij deze samenhang en de verdeling van verantwoordelijkheden beter in beeld brengen. De RES 1.0 is in 2021 door de verschillende gemeenteraden (en de parlementen van de provincie en de vier waterschappen) vastgesteld. De ambitie in de RES 1.0 is om in de regio in 2030 1,8 TWh aan duurzame elektriciteit op te wekken met windparken, zonneparken en (grote) zonnedaken. Deze 1,8 TWh komt tot stand door de bijdragen van de verschillende gemeenten in de regio. Hiervoor zijn gemeenten zelf verantwoordelijk. Het gemeentelijke besluitvormingsproces is daarbij leidend. Gemeenten bepalen zelf de meest geschikte locaties voor zon en wind. Dat leidt in de gemeenten tot beleid, besluiten en vergunningverlening waardoor de elektriciteitsopwekprojecten kunnen worden gerealiseerd. Deze projecten samen moeten in de regio tot 1,8 TWh aan duurzame opwek leiden. In het regionale planMER worden de kansrijke (zoek)locaties voor zon en wind onderzocht die door de gemeenten zelf worden aangedragen. In het planMER benutten we de informatie uit de in 2023 door de provincie opgestelde planMER Wind provincie Utrecht. Het regionale planMER brengt voor deze zon- en windlocaties de milieu-effecten in beeld. Het planMER zelf neemt geen besluiten over de inzet van deze locaties voor zon of wind.
Het geeft wel de inhoudelijke informatie voor een goede afweging van de keuzes in de RES Herijking. De gemeenteraden (en de parlementen van de provincie en de vier waterschappen) besluiten over de RES Herijking. Als de provincie (provinciale staten) besluit om, op basis van hun planMER Wind, aanvullende locaties voor wind aan te wijzen in de regio, dan worden deze locaties meegenomen in de RES Herijking. Het initiatief voor het opstellen van het regionale planMER en de RES Herijking is genomen door de colleges van B&W van de gemeenten in de regio, Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht en de dagelijkse besturen van de waterschappen. Het planMER en de RES Herijking wordt voorbereid door de Stuurgroep RES U16. Deze stuurgroep bestaat uit de wethouders van de 16 gemeenten, de Gedeputeerde van de provincie en bestuurders van de waterschappen. Conclusie De ingediende zienswijzen vragen om verduidelijking van het RES Herijkingsproces. Dit heeft geen effect voor de onderzoeksagenda voor het planMER. Daarom is er geen aanleiding om de NRD aan te passen op dit thema. Wel zal in de communicatie extra aandacht worden besteed aan een toelichting op de samenhang tussen verschillende trajecten en besluiten .
2
2. Oproep om energie integraal en bovenlokaal / bovenregionaal te beschouwen Samenvatting van de zienswijzen In het planMER worden de milieu-effecten van windparken en zonneparken beoordeeld. Dat vormt de basis voor de Herijking RES U16. In een aantal zienswijzen wordt opgeroepen breder te kijken dan alleen naar de grootschalige opwek. Er wordt gepleit om opwek in samenhang met andere ruimtelijke ontwikkelingen (o.a. woningbouw) en maatschappelijke opgaven (o.a. transitie landelijk gebied en biodiversiteit) te beschouwen. Er wordt verwezen naar de NOVI, de Contourennotitie en de op te stellen nieuwe Nota Ruimte, waarmee een integrale ruimtelijke benadering voor de hand ligt. Daarbij zou bovenlokaal en bovenregionaal naar de best passende locaties voor grootschalige energie-opwek moeten worden gekeken. Reactie De druk op de ruimte in de regio is groot. Nieuwe woon- en werklocaties, transities in het landelijke gebied (landbouw, natuur en recreatie) en de energietransitie zijn ontwikkelingen die de komende jaren veel ruimte vragen. Deze ontwikkelingen beïnvloeden elkaar; ze kunnen elkaar in de weg zitten of juist versterken. Tegelijkertijd hebben deze ontwikkelingen allemaal een eigen dynamiek en planning. We kunnen met de energietransitie niet wachten totdat over alle ontwikkelingen duidelijkheid is.
De klimaatopgave is groot en we willen op korte termijn een beeld hebben van de mogelijkheden voor energieopwekking in onze regio. Met het planMER wordt dit inzichtelijk en komen de milieu-effecten van grootschalige opwek met zon en wind in beeld. In het planMER worden geen keuzes gemaakt. De keuzen en besluitvorming vindt plaats bij de RES Herijking door de gemeenteraden, Algemene Besturen van de waterschappen en de Provinciale Staten. De milieubeoordeling in het MER is de onderbouwing om deze keuzen en besluiten te nemen. In de regio U16 wordt ook gewerkt aan de actualisatie van het Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP) voor de U10-regio. Dit kan het instrument zijn om verschillende opgaven in relatie tot elkaar te bekijken en zo een afwegingen tussen opgaves te maken. Daarnaast werkt de provincie aan integrale uitvoeringsprogramma’s. Conclusie: De zienswijzen op dit thema hebben geen effect voor de onderzoeksagenda voor het planMER en geven daarmee geen aanleiding om de NRD aan te passen.
3. Zorgen over de gezondheidseffecten en de wijze waarop deze worden beoordeeld Samenvatting van de zienswijzen In verschillende zienswijzen uiten indieners zorgen over de gezondheidseffecten van windturbines. Zij wijzen op de directe hinder van geluid en slagschaduw en ook op de indirecte effecten veroorzaakt door stress als gevolg van geluid, slagschaduw en visuele aanwezigheid. Ingegaan wordt op de wijze waarop deze effecten worden bepaald en overlast wordt gemeten. Daarbij wordt specifiek aandacht gevraagd voor de nieuwe landelijke normen en voor “tonaal geluid” als bron van hinder. Daarnaast wordt gewezen op het optreden van de stapeleffecten (cumulatie) van geluidshinder met andere geluidsbronnen zoals snelweg, trein en industrie. Door enkele indieners wordt verwezen naar wetenschappelijke literatuur en wordt gevraagd of in het kader van het planMER door de regio aanvullende onderzoek wordt uitgevoerd. Reactie Bij omwonenden van plannen voor windparken spelen zorgen om de gezondheidseffecten een rol. Wij begrijpen dat deze zorgen leven. Windturbines maken geluid en geven slagschaduw.
3
Het planMER voor de Herijking RES U16 sluit aan bij het beoordelingskader dat door de provincie Utrecht is toegepast bij haar planMER Wind provincie Utrecht. Dat beoordelingskader en de effectbeoordeling wordt ook getoetst door de onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage. Op dit moment worden nieuwe normen door het Rijk opgesteld. Deze concept milieunormen zijn in het najaar van 2023 gepubliceerd voor consultatie en worden naar verwachting in de eerste helft van 2025 door het Rijk definitief vastgesteld. Het is de bedoeling dat de nieuwe norm op 1 juli 2025 in werking zal treden. Het kan zijn dat de gepubliceerde conceptnormen tussentijds nog aangepast worden. Tot die tijd kunnen gemeenten en de provincie locatie specifieke milieunormen gebruiken. Daarnaast wordt voorzien in een overgangsregeling. De conceptnormen bevatten normen voor geluid, veiligheid, slagschaduw en er wordt ook een afstandsnorm ingevoerd. In de nieuwe milieunormen zijn ook bepalingen opgenomen over hoe moet worden omgegaan met tonaal geluid. In de conceptnormen wordt voor diverse onderdelen gewerkt met standaardwaarde en wordt ruimte gegeven voor lokaal maatwerk binnen een gestelde bandbreedten. Het beoordelingskader wordt in het planMER Herijking RES U16 gelegd naast de nieuwe concept milieunormen van het Rijk.
Bij de totstandkoming van de nieuwe milieunormen wordt rekening gehouden met het (internationaal) beschikbare wetenschappelijke onderzoek over de gezondheidseffecten van windturbines. De wetgever maakt vervolgens een afweging welke effecten acceptabel zijn. We vertrouwen erop dat het rijk bij het vaststellen van de concept normen alle relevante onderzoeken heeft betrokken en alle afwegingen heeft gemaakt. Daarom is er geen aanleiding om als regio zelf onderzoek te doen. In het planMER Herijking RES U16 wordt rekening gehouden met cumulatie van geluidshinder. Dat houdt in dat niet alleen wordt gekeken naar het geluid van de windturbines, maar dat ook wordt gekeken naar de combinatie (optelsom) van het geluid van de windturbines met bestaande geluidsbronnen, zoals een spoorweg of een snelweg. Ook bij de vergunningverlening voor een concreet windpark is het verplicht rekening te houden met cumulatie-effecten. Bij besluitvorming over een specifiek windpark moet altijd getoetst worden aan de dan geldende normen. Conclusie: De zienswijzen op dit thema geven geen aanleiding om de onderzoeksagenda aan te passen. De inhoudelijke opmerkingen worden wel meegenomen bij de detaillering van het beoordelingskader voor het planMER. Stakeholders worden uitgenodigd voor een inhoudelijke sessie over de detaillering van het beoordelingskader.
Aanleiding voor nieuwe milieunormen voor windturbines De Raad van State oordeelde in haar uitspraak van 30 juni 2021 dat voor het opstellen van de milieunormen voor windturbines (de algemene regels voor windturbines in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer) destijds niet de juiste procedure is gevolgd. Om deze reden mogen deze milieunormen niet meer worden toegepast. Daarop heeft de Rijksoverheid een milieueffectrapport (planMER) laten opstellen. Deze planMER is de basis voor de nieuwe milieunormen voor turbines. Naast normering voor geluid, veiligheid en slagschaduw is in de planMER ook gekeken naar de toepassing van een afstandsnorm. Het concept planMER en de ontwerp-AMvB (Algemene Maatregel van Bestuur) hebben in het najaar van 2023 ter inzagegelegen. Zie link voor de documenten https://www.platformparticipatie.nl/windturbinesleefomgeving/ontwerpbesluit-windturbinesleefomgeving/documenten-ontwerpbesluit-windturbinesleefomgeving/default.aspx. Naar verwachting treden de nieuwe landelijke milieunormen op 1 juli 2025 in werking.
4
4. Zorgen over de effecten voor natuur en landschap Samenvatting van de zienwijzen Diverse indieners uiten hun zorgen over het effect van zon- en windparken nabij natuurgebieden. Het gaat daarbij zowel om effecten voor dieren (waaronder vogels, vleermuizen en andere zoogdieren) in de nabijgelegen natuurgebieden als effecten voor dieren die van of naar de natuurgebieden gaan Specifiek wordt aandacht gevraagd voor het effect op weidevogelgebieden. Aangeven wordt dat in de praktijk blijkt dat windturbines een negatief effect hebben op de weidevogelpopulaties. Daarom wordt opgeroepen om alle zoekgebieden voor windturbines in belangrijke weidevogelgebieden in de provincie Utrecht te schrappen. Naast de effecten voor natuur zijn er zorgen dat windturbines en zonneparken niet passen bij het karakteristieke landschappen in de U16-regio en dit landschap kunnen verpesten. Daarbij zijn er ook zorgen over de effecten voor de cultuurhistorische waarde van de Hollandse Waterlinie. Daarnaast wordt het advies van de Rijksadviseurs aangehaald. Daarin wordt gewezen op de impact van solitaire windturbines, de nadelen van een lijnopstelling langs infrastructuur en de voordelen van geclusterde windturbines in een nieuw landschap. Reactie In het planMER is veel aandacht voor de effecten van zon- en windparken op de ecologie.
De verschillen locaties worden beoordeeld op hun effect voor natuurgebieden (de N2000- en NNN-gebieden en akker- en weidevogelgebieden). Daarnaast wordt getoetst op de effecten voor beschermde soorten (soorten vogel- en habitatrichtlijn, nationaal beschermde soorten). Bij de vergunningverlening voor concrete zon- en windprojecten wordt ook getoetst op de Natuurbeschermingswet. Zon- en windparken hebben impact op het landschap. In het planMER wordt op basis van de specifieke landschappelijke kernkwaliteit (structuur en maat) en cultuurhistorische waarden per locatie een beoordeling gemaakt van het effect op de deze kernkwaliteiten. Bij definitieve projectbesluiten maken gemeenten de integrale afweging. Conclusie De zienswijzen op dit thema geven geen aanleiding om de onderzoeksagenda aan te passen. De inhoudelijke opmerkingen worden wel meegenomen bij de detaillering van het beoordelingskader voor het planMER. Stakeholders worden uitgenodigd voor een inhoudelijke sessie over de detaillering van het beoordelingskader.
5. Een aantal specifieke zienswijzen •
Indieners voeren aan dat in de RES Herijking U16 in onvoldoende mate rekening is gehouden met de beoogde herontwikkeling van Rijnenburg als synergielandschap voor wonen, werken, groen, water en energie. Daarnaast dragen de indieners aan dat de Herijking U16 onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en in strijd is met artikel 3.46 Awb waarin staat dat een besluit moet berusten op een deugdelijke motivering. De indieners presenteren een alternatief plan waarin ruimte is voor wonen, werken, water, infra en duurzame energie. De indieners verzoeken om het ontwerpplan Windpark Rijnenburg uit de Herijking U16 te schrappen en daarvoor in de plaats een opzet (of opstelling van windturbines) kiest waarin ruimte is voor de uitleg van de stad met een duurzame Stadswijk op locatie Rijnenburg.
5
Reactie De zienswijze heeft betrekking op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) om een planMER uit te voeren voor de herijking van de Regionale Energiestrategie U16. Met de NRD wordt in dit stadium input gevraagd op de voorgestelde onderzoeks-en participatieaanpak voor de planMER, zodat reacties van betrokkenen en belanghebbenden kunnen worden meegenomen in de onderzoeken. De scope van het onderzoek is gericht op locaties zon en wind op regionale schaal en het beoordelen van de milieueffecten op deze locaties. Het onderzoek geeft geen milieubeoordeling over specifieke opstellingen voor wind of zon op specifieke locaties. Bovendien doet een planMER geen uitspraken voor een integrale afweging tussen andere maatschappelijke opgaven, zoals wonen. De provincie heeft in haar planMER windenergie aangegeven dat het windpark Rijnenburg een reeds vergevorderd project is en dat het daarom geen onderdeel is van de onderzoeksgebieden in het planMER. Dit geldt eveneens voor de planMER van de regio. De indieners voeren aan dat in de RES Herijking te weinig rekening wordt gehouden met de beoogde herontwikkeling van Rijnenburg. Voor de goede orde geven we aan dat het NRD voor de planMER ter inzage lag. De zienswijze met het verzoek het windpark Rijnenburg uit de RES Herijking te schrappen komt daarmee te vroeg.
De RES Herijking zal vanaf medio 2025 bij alle 16 gemeenteraden, vier waterschappen en provincie voor besluitvorming voorliggen. Een ontwerp-RES Herijking zal voor deze besluitvorming ter inzage worden gelegd. Conclusie De ingediende zienswijze en het alternatieve plan is met aandacht gelezen. Door het college van B&W Utrecht is een eerste duiding van het bijgevoegde alternatieve plan gegeven (raadsbrief 8 april 2024). In dit stadium van de NRD en op deze wijze ingediend kan deze zienswijze niet worden meegenomen. De zienswijze geeft geen aanleiding om de NRD aan te passen. •
Indieners adviseren de conclusies van de provincie dat de Kromme Rijncorridor niet behoort tot de kansrijke gebieden voor windenergie, over te nemen. In het planMER worden de kansrijke gebieden beoordeeld die door de gemeenten worden aangedragen en voor wind ook de kansrijke gebieden uit de planMER Wind van de provincie. De Kromme Rijncorridor is door de provincie niet als kansrijk gebied voor wind aangemerkt.
•
Indieners roepen op om alle zoeklocaties voor windturbines in belangrijke weidevogelgebieden in de provincie Utrecht te schrappen. Aangezien de zoeklocaties in gemeente Lopik allemaal in of dichtbij weidevogelgebieden liggen, verzoeken wij alle andere zoeklocaties, dan industrieterrein de Copen, voor windturbines in gemeente Lopik te schrappen. In het planMER worden de kansrijke gebieden beoordeeld die door de gemeenten worden aangedragen en voor wind ook de kansrijke gebieden uit het planMER Wind van de provincie. Bij de analyse naar kansrijke gebieden voor windenergie is rekening gehouden met natuurwaarden. Als er in het planMER kansrijke gebieden voor windenergie bij weidevogelgebieden worden meegenomen, dan zullen deze negatief scoren op het aspect natuur.
6