CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

B07.1 Bijlage 1 Algemene reactie op de ingediende zienswijzen.pdf

Gemeenteraad 9 juli 2026, gemeente OudewaterBij agendapunt: 5: Vastellen wijze van afdoening van de ingekomen stukken1.887 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 1 Algemene reactie op de ingediende zienswijzen Reactie op de zienswijzen op de Ontwerp Programmabegroting ODU 2027 Aan alle deelnemers van de ODU is een zienswijze gevraagd op de Ontwerp Programmabegroting 2027 (inclusief beleidsuitgangspunten) voor 2027. De ontvangen zienswijzen laten over het algemeen een herkenbaar beeld zien dat voortkomt uit zowel de financiële positie van deelnemers als de verantwoordelijkheid voor een robuuste uitvoering. De genoemde aandachtspunten raken vaak aan structurele keuzes ten aanzien van kostenontwikkeling en risicobeheersing. Deze keuzes hangen nauw met elkaar samen en vloeien voort uit de aard en inrichting van de organisatie. Daarom zullen zij in onderlinge samenhang worden betrokken bij het opstellen van de Kadernota 2028. De deelnemers hebben in hun zienswijzen aandachtspunten meegegeven voor de verdere ontwikkeling van de ODU. De hoofdlijnen van de zienswijzen worden hieronder weergegeven. 1. Financieel kader: a. Meerdere deelnemers benadrukken dat de kostenontwikkeling moet aansluiten bij de pBBP-systematiek, conform de brief van 21 gemeenten d.d. 5 februari 2026 met als onderwerp ‘Brief van Utrechtse gemeenten aan gemeenschappelijke regelingen’. 2. Kostenbeheersing en besparingen: a. Verzoek om verdere concretisering van reeds ingeboekte besparingen; b.

Daarnaast is behoefte aan inzicht in aanvullende structurele besparingsopties ten behoeve van bestuurlijke afweging. 3. Risico’s en sturing: a. Vraag naar beter inzicht in risico’s en onzekerheden, met nadruk op tijdige informatie over afwijkingen gedurende het begrotingsjaar. 4. Bouwtaken: a. Er wordt door een aantal deelnemers gereageerd op het onderzoek naar de uitvoering van bouwtaken binnen de ODU. Er is een vraag naar nadere duiding van het doel van het onderzoek en er wordt door een aantal gemeenten terughoudend gereageerd. Deze hoofdlijn laat breed gedragen aandacht zien op financiële beheersbaarheid en transparante sturing. De reactie sluit aan bij het eerder door gemeenten gezamenlijk afgegeven signaal (brief d.d. 5 februari 2026) en de bespreking hiervan in de vergadering van het algemeen bestuur van 27 maart 2026. Het bestuur onderkent dat Algemene reactie op de ingediende zienswijzen

1

deelnemers enerzijds streven naar een beperkte kostenontwikkeling en anderzijds belang hechten aan een robuuste en toekomstbestendige omgevingsdienst. Deze doelstellingen zijn niet altijd volledig verenigbaar. Verdere verlaging van de kostenontwikkeling vraagt op enig moment om bestuurlijke keuzes ten aanzien van het risicoprofiel, de kwaliteit van dienstverlening of de omvang van de uit te voeren werkzaamheden. De algemene reactie op de generieke ingediende onderwerpen luidt als volgt:

Ad 1. Financieel kader Meerdere deelnemers benadrukken dat de kostenontwikkeling moet aansluiten bij de pBBP-systematiek, conform de brief d.d. 5 februari 2026 met als onderwerp ‘Brief van Utrechtse gemeenten aan gemeenschappelijke regelingen’. Daarbij wordt expliciet aangegeven dat gekoerst dient te worden richting een streefcijfer dat aansluit bij de pBBP-index (prijs Bruto Binnenland product). Op dit moment is dat circa 2,5%. De prijsstijging in de Ontwerp Programmabegroting 2027 bedraagt 2,9%. In de aanbiedingsbrief bij de Ontwerp Programmabegroting 2027 (d.d. 27 maart 2026) is aan de gemeenteraden en provinciale staten reeds toegelicht hoe de kostenontwikkeling tot stand is gekomen. Daarbij is inzicht gegeven in de autonome kostenontwikkeling (4,6%), die met name wordt gedreven door stijgende personele lasten, en in de wijze waarop deze ontwikkeling door kostenbeheersing, prioritering en efficiencymaatregelen is gedempt tot 2,9%. Hiermee wordt een deel van de kostenstijging niet doorbelast aan de deelnemers. Tijdens de behandeling in het de vergadering van het algemeen bestuur van 27 maart 2026 is het streven om aan te sluiten bij de gemeentelijke indexatie herkend, maar niet als hard kader vastgesteld.

Toegelicht is dat een kostenontwikkeling op het niveau van circa 2,5% op dit moment niet realistisch wordt geacht, gezien de autonome kostenontwikkeling en het arbeidsintensieve (CAO 1-gedreven) karakter van de organisatie. Aansluiting op de pBBP-systematiek is niet één-op-één mogelijk zonder gevolgen en keuzes voor de uitvoering. De begroting is opgesteld in een fase waarin de ODU nog volop in ontwikkeling is. In 2026 en 2027 wordt gewerkt aan het leggen van een stevig fundament, met onder meer organisatieontwikkeling, harmonisatie van werkprocessen en de ontwikkeling van de productiewijze. Verdere besparingen worden derhalve op dit moment niet verantwoord geacht. In de aanbiedingsbrief bij de Ontwerp Programmabegroting 2027 is beoogd deelnemers een transparant inzicht te geven in de totstandkoming van de begroting en de daarin gemaakte keuzes. Deze lijn wordt voortgezet in de verdere P&Cproducten. 1

De ODU heeft te maken met twee cao’s, te weten de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst sector Gemeenten (CAO SGO) en de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAO Provincie). Bij de bepaling van het in de begroting gehanteerde percentage wordt rekening gehouden met de (verwachte) kostenontwikkelingen voortvloeiend uit beide cao’s. De gehanteerde kostenontwikkeling betreft daarmee een gewogen gemiddelde van de effecten van deze twee cao’s en de index voor materiele kosten.

Algemene reactie op de ingediende zienswijzen

2

Ad 2. Kostenbeheersing en besparingen In enkele zienswijzen wordt expliciet waardering uitgesproken voor de wijze waarop de begroting invulling geeft aan kostenbeheersing en robuustheid. Tegelijkertijd wordt door verschillende deelnemers aandacht gevraagd voor verdere kostenbeheersing. Hierbij gaat het enerzijds om de concretisering van reeds opgenomen besparingen in de begroting, en anderzijds om het inzichtelijk maken van aanvullende structurele besparingsmogelijkheden. Deelnemers geven daarbij aan behoefte te hebben aan transparantie in de onderbouwing, zodat zij bestuurlijke afwegingen kunnen maken in het licht van hun eigen financiële opgaven. In de vergadering van het Algemeen Bestuur van 27 maart 2026 is vastgesteld dat de Ontwerp Programmabegroting 2027, mede naar aanleiding van signalen van deelnemers, reeds uitgaat van een zo scherp mogelijke begroting. Daarbij zijn reeds in 2026 en 2027 substantiële besparingen doorgevoerd, die gezamenlijk leiden tot een verlaging van de kostenontwikkeling met circa 3,6%. Het bestuur deelt de opvatting van diverse deelnemers dat het van belang is dat deze besparingen ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Naar aanleiding van de hierover ingediende zienswijzen is in de definitieve Programmabegroting 2027 een uitgebreidere toelichting opgenomen op de voorgenomen besparingsmaatregelen voor 2027.

Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de behoefte van deelnemers aan meer inzicht in de aard, omvang en realiseerbaarheid van deze besparingen. Over de voortgang en realisatie daarvan wordt gerapporteerd binnen de reguliere planning- en controlcyclus. In een aantal zienswijzen wordt gevraagd naar aanvullende structurele besparingsmogelijkheden. Het is van belang om deze vraag te beantwoorden in de context van een organisatie die zich nog in de opstartfase bevindt. De ODU is per 1 januari 2026 ontstaan uit een samenvoeging van twee diensten. De jaren 2026 en 2027 staan in het teken van verdere harmonisatie van processen, werkwijzen en systemen, waarbij tegelijkertijd de beoogde efficiencyvoordelen van de samenvoeging worden gerealiseerd. Bij het opstellen van zowel de lopende begroting als de Ontwerp Programmabegroting 2027 is reeds nadrukkelijk gestuurd op kostenbeheersing. Hierdoor is de ruimte voor aanvullende structurele besparingen binnen de bedrijfsvoering en overhead beperkt. Verdere besparingen vragen daarom om een zorgvuldige afweging tussen kosten, kwaliteit en de omvang van de dienstverlening.

Gelet op de systematiek van de bijdrageverordening, waarbij de deelnemersbijdrage direct samenhangt met de omvang van de afgenomen dienstverlening, liggen eventuele aanvullende besparingsmogelijkheden in ook in keuzes van de deelnemers over de omvang, kwaliteit en invulling van het Uitvoeringsprogramma (UVP) en het daarbij behorende kostenniveau. Een aanpassing van de dienstverlening kan leiden tot een lagere individuele deelnemersbijdrage, maar heeft tegelijkertijd gevolgen voor de beschikbare uitvoeringscapaciteit en de mogelijke dienstverlening van ODU aan deelnemers.

Algemene reactie op de ingediende zienswijzen

3

Daarbij is het tevens van belang dat deelnemers zich realiseren dat een stabiele en doelmatige uitvoering vraagt om een voldoende omvang van structurele werkzaamheden binnen het UVP. Het terugbrengen van reguliere werkzaamheden in het UVP, om deze vervolgens gedurende het jaar alsnog als aanvullende opdracht uit te vragen, draagt niet bij aan een efficiënte inrichting van de gemeenschappelijke regeling. Deze werkwijze kan de gezamenlijke verantwoordelijkheid en solidariteit binnen de regeling onder druk zetten. Bovendien leidt zij tot hogere uitvoeringskosten, omdat voor incidentele of onzekere opdrachten minder goed structurele personele capaciteit kan worden ingericht. Hierdoor neemt de afhankelijkheid van externe inhuur toe, hetgeen doorgaans hogere kosten met zich meebrengt. Daarnaast vraagt het organiseren, administreren en contracteren van aanvullende opdrachten extra inzet van ondersteunende processen en overhead. Per saldo kan een verschuiving van werkzaamheden van het UVP naar aanvullende opdrachten daarmee leiden tot hogere kosten voor zowel de organisatie als de deelnemers gezamenlijk. Bovenstaande vormt een belangrijk aandachtspunt bij de voorbereiding van de Kadernota 2028. In dat kader zal nader inzicht worden gegeven in de beschikbare structurele besparingsmogelijkheden en de daarbij behorende afwegingen.

Ad 3. Risico’s en sturing Een ander terugkerend punt in de zienswijzen betreft het inzicht in risico’s en de sturing daarop. Deelnemers vragen expliciet om beter inzicht in de financiële en organisatorische risico’s, ook in het licht van de recente samenvoeging van de voormalige organisaties. Daarnaast wordt het belang benadrukt van tijdige informatievoorziening over afwijkingen gedurende het begrotingsjaar, zodat bijsturing mogelijk is. In de vergadering van het algemeen bestuur van 27 maart 2026 is besproken dat de Ontwerp Programmabegroting 2027 scherp is en dat er dus minder ruimte is voor tegenvallers. Er is in de startfase van de organisatie een reëel productierisico. Het algemeen bestuur heeft aangegeven dat de ODU deze kwetsbaarheid beter zichtbaar moet maken. Hiervoor zal aandacht zijn in de P&C stukken. Ook is besloten tot het instellen van een buffer bestemd om de risico’s voor de eerste twee jaar (aanloopverliezen) op te vangen. De combinatie van een scherpe begroting en een productie-afhankelijke financiering maakt dat nadelige effecten zich direct vertalen in financiële tekorten. In bestuursrapportages worden de risico’s en sturing daarop inzichtelijk gemaakt.

Daarbij zal specifiek aandacht worden besteed aan risico’s als ontwikkeling van de productie, de realisatie van de ingeboekte besparingen, de inzet van externe inhuur en overige factoren die van invloed kunnen zijn op het financiële resultaat.

Ad 4. Bouwtaken In de beleidsuitgangspunten van de ontwerp Programmabegroting 2027 is vermeld dat in 2026 een verkenning wordt uitgevoerd naar de mogelijkheden voor doorontwikkeling van de bouwtaken waarna in 2027 de gekozen ontwikkelrichting nader wordt uitgewerkt. Door een aantal deelnemers wordt hierover expliciet aangegeven dat er geen behoefte bestaat om bouwtaken bij de ODU neer te leggen. Er is vanuit één Algemene reactie op de ingediende zienswijzen

4

gemeente, waarvoor bouwtaken worden uitgevoerd, aangegeven dat de doorontwikkeling van de bouwtaken juist hoge prioriteit heeft en deze verwacht daarbij betrokken te worden. Hoewel dit individuele standpunten betreffen, raakt dit aan een bredere discussie over de scope en doorontwikkeling van de organisatie. In de vergadering van het algemeen bestuur van 27 maart 2026 is besproken dat dit nadere nuancering behoeft. De bouwtaken zijn al onderdeel van activiteiten van de ODU. Door de algemeen directeur is aangegeven dat de huidige positionering en manier van werken zowel vanuit opdrachtnemer- als opdrachtgeverschap niet voldoet. De verkenning heeft nadrukkelijk geen betrekking op het verplicht onderbrengen van nieuwe bouwtaken bij de ODU, maar richt zich op de vraag hoe bestaande knelpunten in de uitvoering, samenwerking en aansturing van de reeds opgedragen bouwtaken kunnen worden verminderd of weggenomen. Tot slot De ontvangen zienswijzen bevestigen het belang van een beheerste kostenontwikkeling, transparante sturing en een zorgvuldige verdere ontwikkeling van de organisatie. Het bestuur herkent deze aandachtspunten en zal deze betrekken bij de verdere uitwerking van de Kadernota 2028 en de daaropvolgende planning- en controlproducten.

Daarbij blijft het uitgangspunt om een goede balans te vinden tussen betaalbaarheid, kwaliteit van dienstverlening en een robuuste uitvoering van de wettelijke taken.

Algemene reactie op de ingediende zienswijzen

5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/736/documents/21660